2002-01-01 | BWBR0009230 | Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998
This commit is contained in:
parent
19cc3fa14f
commit
000a2b20d8
1 changed files with 74 additions and 184 deletions
|
|
@ -14,7 +14,7 @@ citeertitel: Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998
|
|||
|
||||
### Artikel § 1
|
||||
|
||||
Het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna te noemen: het besluit) bevat beleidsregels voor het opleggen van boeten bij de heffing van rijksbelastingen waarop de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna te noemen: AWR) van toepassing is. Het besluit is mede van toepassing op de boeten die in verband met de premieheffing ingevolge de Wet financiering sociale verzekeringen, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, Ziekenfondswet en de inkomenafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet kunnen worden opgelegd.
|
||||
Het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna te noemen: het besluit) bevat beleidsregels voor het opleggen van boeten bij de heffing van rijksbelastingen waarop de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna te noemen: AWR) van toepassing is. Het besluit is mede van toepassing op de boeten die in verband met de premieheffing ingevolge de volksverzekeringen en de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen kunnen worden opgelegd.
|
||||
|
||||
### Artikel § 2
|
||||
|
||||
|
|
@ -22,29 +22,13 @@ Onder belanghebbende wordt voor de toepassing van dit besluit verstaan degene aa
|
|||
|
||||
### Artikel § 3
|
||||
|
||||
Vervallen.
|
||||
Een handelen of nalaten van een derde, die voor of namens belanghebbende optreedt, wordt aan de belanghebbende toegerekend.
|
||||
|
||||
### Artikel § 4
|
||||
|
||||
1. De verzuimboete heeft tot doel een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen in te scherpen. Voor het opleggen van de verzuimboete is voldoende dat aan één of meer van deze verplichtingen niet is voldaan.
|
||||
**1.** De verzuimboete heeft tot doel een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen in te scherpen. Voor het opleggen van de verzuimboete is voldoende dat aan één of meer van deze verplichtingen niet is voldaan. Bij afwezigheid van alle schuld (hierna te noemen: avas) legt de inspecteur geen verzuimboete op. Indien bij bezwaar blijkt dat sprake is van avas, vernietigt de inspecteur de boete. Belanghebbende dient avas te stellen en te bewijzen.
|
||||
|
||||
2. De vergrijpboete is gericht op het bestraffen van een handelen of nalaten waarbij sprake is van opzet dan wel grove schuld. De inspecteur dient de aanwezigheid van opzet of grove schuld te stellen en te bewijzen.
|
||||
|
||||
3. In geval van een pleitbaar standpunt of bij afwezigheid van alle schuld (hierna te noemen: avas) legt de inspecteur geen boete op. Indien bij bezwaar blijkt dat sprake is van een pleitbaar standpunt of avas, vernietigt de inspecteur de boete. Belanghebbende dient een pleitbaar standpunt of avas te stellen en te bewijzen.
|
||||
|
||||
4. Van een pleitbaar standpunt is sprake als een door belanghebbende ingenomen standpunt, gelet op de stand van de jurisprudentie en de heersende leer, in die mate juridisch pleitbaar of verdedigbaar is dat belanghebbende redelijkerwijs kan menen juist te handelen.
|
||||
|
||||
Bij verzuimboeten gaat het in het algemeen om eenvoudig te constateren feiten.
|
||||
|
||||
Bij het opleggen van een verzuimboete gelden dezelfde waarborgen als bij het opleggen van een vergrijpboete, met uitzondering van de kennisgeving/hoorplicht vooraf. Het ontbreken van de kennisgeving/hoorplicht vooraf bij het opleggen van verzuimboeten is niet in strijd met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna te noemen: EVRM). Het EVRM verplicht tot het mededelen van de gronden waarop de boete berust, uiterlijk bij het opleggen van de boete. Aan deze eis wordt bij het opleggen van zowel verzuim- als vergrijpboeten voldaan (zie artikel 67g van de AWR en paragraaf 15 van het besluit). Bij vergrijpboeten is echter tevens gekozen voor een kennisgeving/hoorplicht vooraf (zie artikel 67k van de AWR en paragraaf 19 van het besluit), hetgeen een verdergaand voorschrift is dan waartoe het EVRM dwingt.
|
||||
|
||||
Een vergrijpboete is gesteld op meer ernstige handelingen of nalatigheden. De stelplicht en bewijslast van opzet of grove schuld rusten op de inspecteur. De bij de heffing bestaande mogelijkheid om de belastingaanslag onder bepaalde voorwaarden vast te stellen met omkering van de bewijslast geldt niet voor het opleggen van vergrijpboeten.
|
||||
|
||||
Voor het bepalen van de grondslag van vergrijpboeten wordt, voorzover sprake is van opzet of grove schuld, aangesloten bij de feitelijk geheven belasting. Dit geldt ook indien de omvang van de feitelijk geheven belasting is vastgesteld met toepassing van de zogenoemde omkering van de bewijslast.
|
||||
|
||||
De inspecteur kan zich voor het bewijs van opzet of grove schuld baseren op door hem gestelde, en door belanghebbende niet of niet voldoende ontzenuwde vermoedens die gebaseerd zijn op feiten.
|
||||
|
||||
Als de inspecteur aannemelijk acht dat het standpunt van de belanghebbende pleitbaar is, laat hij het opleggen van een boete achterwege. Is al een boete opgelegd, dan wordt de boetebeschikking vernietigd. Is er sprake van een pleitbaar standpunt, dan kan de belanghebbende geen verwijt worden gemaakt dat er aanvankelijk geen of te weinig belasting is geheven. Onder een pleitbaar standpunt wordt verstaan een opvatting over de kwalificatie van de feiten of de toepassing van het recht op de feiten die in redelijkheid verdedigbaar is. Een pleitbaar standpunt sluit zowel het opleggen van een verzuimboete als een vergrijpboete uit.
|
||||
**2.** De vergrijpboete is gericht op het bestraffen van een handelen of nalaten waarbij sprake is van opzet dan wel grove schuld. De inspecteur dient de aanwezigheid van opzet of grove schuld te stellen en te bewijzen.
|
||||
|
||||
### Artikel § 5
|
||||
|
||||
|
|
@ -72,13 +56,12 @@ Bij het niet doen van aangifte met betrekking tot belastingen die bij wege van a
|
|||
|
||||
Voor de toepassing van dit besluit geldt als dag van betaling:
|
||||
|
||||
– bij betalingen per bank de datum van bijschrijving op de rekening van de Belastingdienst;
|
||||
– bij betaling op het postkantoor door storting van contant geld, de eerste werkdag volgend op de dag van storting;
|
||||
– bij betaling door middel van pin- en creditcardtransacties bij de Belastingdienst/Douane de dag van de pin- of creditcardtransactie.
|
||||
|
||||
*Toelichting*
|
||||
|
||||
Voor de betalingen wordt aangesloten bij het civielrechtelijke uitgangspunt dat een betaling geacht wordt te hebben plaatsgevonden op het tijdstip waarop het verschuldigde bedrag op de rekening van de crediteur is bijgeschreven. De huisbankier van de Belastingdienst, ING Bank N.V., heeft één werkdag nodig om het op het postkantoor gestorte contante geld op de rekening van de Belastingdienst bij te schrijven. Bij de Belastingdienst/Douane kan, uitsluitend ter zake van enkele niet-fiscale douanetaken, betaald worden door middel van pin- en creditcardtransacties.
|
||||
- bij betalingen via de Postbank de datum van bijschrijving op de girorekening van de Centrale Betalingsadministratie, van de Centrale Beheereenheid Douane of van de ontvanger;
|
||||
- bij betalingen per bank via de bankgirocentrale de datum van bijschrijving op de rekening van de Centrale Betalingsadministratie, van de Centrale Beheereenheid Douane of van de ontvanger;
|
||||
- bij andere bankbetalingen de datum van creditering van ’s-Rijks schatkist bij De Nederlandsche Bank;
|
||||
- bij betaling op het postkantoor door storting op de girorekening van de Centrale Betalingsadministratie, van de Centrale Beheereenheid Douane of van de ontvanger, de datum waarop het bedrag is gestort;
|
||||
- bij betalingen met een primacheque aan het loket van de Belastingdienst de werkdag na inlevering van de primacheque;
|
||||
- bij contante betaling aan de kas van de eenheid Douane de datum waarop het bedrag aan het loket is betaald.
|
||||
|
||||
### Artikel § 9
|
||||
|
||||
|
|
@ -186,53 +169,19 @@ Indien de inspecteur binnen vijf jaren na het tijdstip van overlijden van belang
|
|||
|
||||
### Artikel § 22
|
||||
|
||||
**1.** Bij het opleggen van een verzuimboete wegens het niet of niet tijdig doen van aangifte voor een belasting (premie werknemersverzekeringen en volksverzekeringen daaronder begrepen) die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen (tijdvakbelastingen en tijdstipbelastingen), wordt een onderscheid gemaakt tussen een eerste, tweede en derde/volgend verzuim. Voor de aangifte loonbelasting wordt onderscheid gemaakt tussen een eerste en tweede/volgend verzuim.
|
||||
**1.** Bij het opleggen van een verzuimboete wegens het niet of niet tijdig doen van aangifte voor een belasting (premie volksverzekeringen daaronder begrepen) die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen (tijdvakbelastingen en tijdstipbelastingen), wordt een onderscheid gemaakt tussen een eerste, tweede en derde/volgend verzuim.
|
||||
|
||||
**2.** De verzuimenreeks wordt toegepast per belastingmiddel. Indien sprake is van afwezigheid van alle schuld (‘avas’) telt het verzuim niet mee voor de verzuimenreeks.
|
||||
**2.** De verzuimenreeks wordt toegepast per belastingmiddel. Indien sprake is van avas telt het verzuim niet mee voor de verzuimenreeks.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Voor aangiftebelastingen die periodiek op aangifte moeten worden voldaan of afgedragen (tijdvakbelastingen) geldt dat van een eerste verzuim sprake is indien belanghebbende over geen van de laatste zeven tijdvakken, voorafgaande aan het tijdvak waarover niet of niet tijdig aangifte is gedaan, in verzuim is geweest. Van een tweede verzuim is sprake indien belanghebbende over één van de laatste zeven tijdvakken, voorafgaande aan het tijdvak waarover niet of niet tijdig aangifte is gedaan, in verzuim is geweest. Van een derde/volgend verzuim is sprake indien belanghebbende over twee of meer van de laatste zeven tijdvakken, voorafgaande aan het tijdvak waarover niet of niet tijdig aangifte is gedaan, in verzuim is geweest.
|
||||
|
||||
Voor de toepassing van het eerste, tweede en derde lid van deze paragraaf worden slechts die verzuimen in aanmerking genomen welke betrekking hebben op tijdvakken die vallen in een periode van vierentwintig maanden voorafgaande aan het tijdvak waarover niet of niet tijdig aangifte is gedaan.
|
||||
Voor de toepassing van het eerste, tweede en derde lid van deze paragraaf worden slechts die verzuimen in aanmerking genomen welke betrekking hebben op tijdvakken die vallen in een periode van vierentwintig maanden.
|
||||
|
||||
**4.** Voor aangiftebelastingen die niet periodiek op aangifte moeten worden voldaan of afgedragen (tijdstipbelastingen) geldt dat van een tweede respectievelijk derde/volgend verzuim sprake is, indien belanghebbende over de voorafgaande vierentwintig maanden éénmaal respectievelijk tweemaal of meer in verzuim is geweest.
|
||||
|
||||
**5.** De inspecteur legt in geval van een eerste verzuim geen verzuimboete op. In geval van een tweede verzuim legt de inspecteur een boete op van € 56. De inspecteur legt een boete van € 113 op, indien sprake is van een derde/volgend verzuim.
|
||||
|
||||
**6.** In afwijking van lid 5 legt de inspecteur voor het niet of niet tijdig doen van de aangifte loonbelasting (premie werknemersverzekeringen en volksverzekeringen daaronder begrepen) in geval van een eerste verzuim geen verzuimboete op. De inspecteur legt een boete van € 113 op, indien sprake is van een tweede/volgend verzuim. In uitzonderlijke gevallen kan de inspecteur een boete opleggen van maximaal € 1.134.
|
||||
|
||||
*Toelichting*
|
||||
|
||||
Bij het niet of niet tijdig doen van aangifte voor de aangiftebelasting is sprake van een verzuim indien belanghebbende de aangifte niet heeft gedaan binnen de in de belastingwet gestelde termijn, in voorkomende gevallen verlengd met het verleende uitstel voor indiening van de aangifte. Bij verzending per post is een aangifte tijdig gedaan indien deze voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits deze niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
|
||||
|
||||
In de aangiftebelastingen kan zowel het niet als het niet tijdig doen van aangifte uitsluitend beboet worden als een verzuim.
|
||||
|
||||
Zowel voor tijdvakbelastingen als voor tijdstipbelastingen geldt een verzuimenreeks per belastingmiddel.
|
||||
|
||||
Bij avas legt de inspecteur geen verzuimboete op, dan wel vernietigt hij de verzuimboete.
|
||||
|
||||
Indien bij toepassing van de verzuimenreeks tegen de verzuimboete terecht bezwaar wordt gemaakt met een beroep op avas ten aanzien van een eerder beboet verzuim in diezelfde reeks, wordt de verzuimboete verminderd tot de boete passend bij het resterende aantal verzuimen.
|
||||
|
||||
Over hetzelfde tijdvak kan zowel een verzuimboete voor het niet of niet tijdig doen van aangifte worden opgelegd als voor het niet, gedeeltelijk niet of het niet tijdig betalen van belasting. Verzuimen voor het niet of niet tijdig doen van aangifte behoren niet tot dezelfde verzuimenreeks als verzuimen voor het niet, gedeeltelijk niet of het niet tijdig betalen van belasting.
|
||||
|
||||
In uitzonderlijke gevallen kan wegens het niet dan wel niet tijdig doen van de aangifte loonbelasting de maximale boete, genoemd in artikel 67b, tweede lid AWR, worden opgelegd. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan situaties waarin sprake is het stelselmatig niet of niet tijdig indienen van de aangifte loonbelasting.
|
||||
|
||||
### Artikel 22a
|
||||
|
||||
**1.** Ter zake van het onjuist of onvolledig doen van de aangifte loonbelasting (premie werknemersverzekeringen en volksverzekeringen daaronder begrepen) kan de inspecteur een verzuimboete van maximaal € 1.134 opleggen
|
||||
|
||||
**2.** Een verzuimenreeks is niet van toepassing.
|
||||
|
||||
*Toelichting*
|
||||
|
||||
Het onjuist of onvolledig doen van aangifte voor de loonbelasting wordt aangemerkt als een verzuim.
|
||||
|
||||
Vooralsnog zal met het opleggen van deze verzuimboete terughoudend worden omgegaan.
|
||||
|
||||
In uitzonderlijke gevallen kan de maximale boete, genoemd in artikel 67b, tweede lid AWR, worden opgelegd. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan situaties waarin sprake is van het stelselmatig onjuist of onvolledig doen van de aangifte loonbelasting.
|
||||
|
||||
Verzuimen voor het onjuist of onvolledig doen van aangifte tellen niet mee in de verzuimenreeks als verzuimen voor het niet en niet tijdig doen van de aangiften, noch die voor het niet, gedeeltelijk niet of het niet tijdig betalen van belasting.
|
||||
**5.** De inspecteur legt in geval van een eerste verzuim geen verzuimboete op. In geval van een tweede verzuim legt de inspecteur een boete op van € 56. De inspecteur legt een boete van € 113 op, indien sprake is van een derde/volgend verzuim.
|
||||
|
||||
### Artikel § 23
|
||||
|
||||
|
|
@ -254,45 +203,12 @@ Indien sprake is van avas telt het verzuim niet mee voor de verzuimenreeks.
|
|||
|
||||
### Artikel § 24
|
||||
|
||||
In afwijking in zoverre van paragraaf 23 zien paragraaf 24 en paragraaf 24a op de situatie waarin niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig is betaald omdat er te weinig belasting is aangegeven.
|
||||
In afwijking in zoverre van paragraaf 23 ziet paragraaf 24 op de situatie waarin niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig is betaald omdat er te weinig belasting is aangegeven.
|
||||
|
||||
1. Indien sprake is van het niet, gedeeltelijk niet dan wel niet tijdig betalen van belasting die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen, legt de inspecteur een verzuimboete op van 10 procent van de verschuldigde belasting met een maximum van € 4.537.
|
||||
|
||||
2. Indien het bedrag van de belastingaanslag vermeerderd met het bedrag van de verzuimboete minder dan € 12 bedraagt, wordt geen verzuimboete opgelegd.
|
||||
|
||||
3. Een ingevolge artikel 67c van de AWR opgelegde verzuimboete wordt naar evenredigheid verlaagd bij vermindering of teruggaaf van belasting.
|
||||
|
||||
4. Bij het vaststellen van de verzuimboete gaat de inspecteur uit van het kalenderjaar of (gebroken) boekjaar. Heeft de niet, gedeeltelijk niet dan wel niet tijdig betaalde belasting betrekking op tijdvakken die in meer kalenderjaren of (gebroken) boekjaren vallen, dan legt de inspecteur per kalenderjaar of (gebroken) boekjaar een verzuimboete op. Heeft de niet, gedeeltelijk niet dan wel niet tijdig betaalde belasting betrekking op een kortere periode dan een kalenderjaar of (gebroken) boekjaar, dan berekent de inspecteur de verzuimboete uitgaande van die kortere periode.
|
||||
|
||||
*Toelichting*
|
||||
|
||||
Paragraaf 24 van het besluit ziet op situaties waarin de inspecteur niet in het kader van het periodieke betalingspatroon maar pas naderhand heeft kunnen constateren dat belanghebbende de belasting niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig heeft afgedragen of voldaan, omdat er te weinig belasting is aangegeven. Onder te weinig aangegeven belasting wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan niet aangegeven of te laag aangegeven belasting, dan wel niet betaalde belasting als gevolg van het feit dat belanghebbende ten onrechte niet heeft verzocht om een uitnodiging tot het doen van aangifte.
|
||||
|
||||
Gelet op de aard van de in paragraaf 24 van het besluit bedoelde verzuimen waarvan de inspecteur in het kader van het normale betalingspatroon niet zonder meer op de hoogte kan raken, wordt in tegenstelling tot de in paragraaf 23 van het besluit bedoelde verzuimen, geen verzuimenreeks gehanteerd.
|
||||
|
||||
Voor het opleggen van de in paragraaf 24 van het besluit omschreven verzuimboeten is gekozen voor een systematiek waarbij de verzuimboete wordt berekend uitgaande van de in een kalenderjaar of (gebroken) boekjaar niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig betaalde belasting.
|
||||
|
||||
### Artikel § 24a
|
||||
|
||||
1. Indien sprake is van een ‘vrijwillige verbetering’ in de zin van paragraaf 28, derde lid, van dit besluit kan de inspecteur een verzuimboete opleggen van 5 procent met een maximum van € 4.537.
|
||||
|
||||
2. De inspecteur legt geen verzuimboete op indien het belastingbedrag dat ingevolge de vrijwillige verbetering alsnog wordt betaald minder bedraagt dan € 5.000. Ook legt de inspecteur geen verzuimboete op indien het belastingbedrag dat ingevolge de vrijwillige verbetering wordt betaald € 5.000 of meer maar minder dan € 12.500 bedraagt en het belastingbedrag dat ingevolge de vrijwillige verbetering wordt betaald minder dan 20 procent bedraagt van het bedrag van de belasting die over het tijdvak/de tijdvakken waarop de vrijwillige verbetering betrekking heeft, is betaald.
|
||||
|
||||
3. Paragraaf 24, vierde lid van dit besluit is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
*Toelichting*
|
||||
|
||||
Paragraaf 24a van het besluit geeft inhoud aan de wijze waarop de verzuimboete wordt berekend ingeval van een zogenaamde suppletie-aangifte voor belastingen die op aangifte dienen te worden betaald. De werkingssfeer van deze paragraaf is beperkt tot die situaties waarin belanghebbende abusievelijk in eerste instantie de op aangifte te betalen belasting te laag heeft berekend, aangegeven en betaald en conform een vrijwillige verbetering van de aangifte het te weinig betaalde alsnog betaalt.
|
||||
|
||||
Op grond van paragraaf 28, derde lid, van het BBBB 1998 wordt ter zake van een betalingsverzuim geen vergrijpboete opgelegd als belanghebbende een vrijwillige verbetering indient. Van een vrijwillige verbetering is sprake als belanghebbende vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur bekend is of zal worden met dat feit, schriftelijk uitdrukkelijk kenbaar maakt aan de inspecteur dat en tot welk bedrag niet of gedeeltelijk niet is betaald. Op grond van het eerste lid van deze paragraaf kan de inspecteur een verzuimboete opleggen van 5 procent met een maximum van € 4.537. In het tweede lid van deze paragraaf wordt beschreven in welke situaties de inspecteur geen verzuimboete oplegt. Het betreft allereerst situaties waarin de vrijwillige verbetering minder dan € 5.000 bedraagt. Daarnaast wordt ook geen boete opgelegd in gevallen waarin de vrijwillige verbetering weliswaar € 5.000 of meer bedraagt, maar minder dan 20 procent van het bedrag van de belasting die over het tijdvak of de tijdvakken waarop de vrijwillige verbetering betrekking heeft, is afgedragen of voldaan. Deze procentuele regeling is van toepassing tot een vrijwillige verbetering van maximaal € 12.500, zodat voor een suppletie-aangifte van meer dan € 12.500 wel tot het opleggen van een verzuimboete zal worden overgegaan. Voor de toepassing van deze paragraaf is het uitgangspunt steeds dat de suppletie-aangifte alsnog leidt tot een juiste afdracht of voldoening van verschuldigde belasting.
|
||||
|
||||
De grensbedragen van het tweede lid van deze paragraaf worden toegepast op de tijdvakken die in een kalenderjaar of (gebroken) boekjaar vallen. Heeft de vrijwillige verbetering betrekking op tijdvakken die in meer kalenderjaren of (gebroken) boekjaren vallen, dan legt de inspecteur per kalenderjaar of (gebroken) boekjaar een verzuimboete op. Dit betekent dat als belanghebbende een vrijwillige verbetering indient over twee opeenvolgende kalenderjaren van € 20.000 de inspecteur nagaat welk deel van deze vrijwillige verbetering betrekking heeft op de tijdvakken die in het eerste kalenderjaar vallen en welk deel op tijdvakken die in het tweede kalenderjaar vallen. Ervan uitgaande dat de vrijwillige verbetering voor € 14.000 betrekking heeft op het eerste kalenderjaar en voor € 6.000 op het tweede kalenderjaar legt de inspecteur twee boetebeschikkingen op. Over het eerste kalenderjaar bedraagt de boete € 700 (paragraaf 24a, eerste lid, van het BBBB 1998). Over het tweede kalenderjaar bedraagt de boete € 300 als het bedrag van de vrijwillige verbetering 20 procent of meer bedraagt van het bedrag van de belasting die over de tijdvakken die in het tweede kalenderjaar vallen is betaald (paragraaf 24a, tweede lid, van het BBBB 1998). Heeft de vrijwillige verbetering betrekking heeft op een kortere periode dan een kalender jaar of (gebroken) boekjaar, dan berekent de inspecteur de verzuimboete uitgaande van die kortere periode.
|
||||
|
||||
Onder te weinig betaalde belasting wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan niet betaalde belasting als gevolg van niet aangegeven of te laag aangegeven belasting, dan wel niet betaalde belasting als gevolg van het feit dat belanghebbende ten onrechte niet heeft verzocht om een uitnodiging tot het doen van aangifte.
|
||||
|
||||
De inspecteur kan in het kader van het normale betalingspatroon niet zonder meer op de hoogte komen van een vrijwillige verbetering. Daarom wordt, in tegenstelling tot de in paragraaf 23 van het besluit bedoelde verzuimen, geen verzuimenreeks gehanteerd.
|
||||
|
||||
Voor het opleggen van de in paragraaf 24a van het besluit omschreven verzuimboeten is gekozen voor een systematiek waarbij de verzuimboete wordt berekend uitgaande van de in een kalenderjaar of (gebroken) boekjaar niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig betaalde belasting.
|
||||
1. Indien sprake is van het niet, gedeeltelijk niet dan wel niet tijdig betalen van belasting (premie volksverzekeringen daaronder begrepen) die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen, legt de inspecteur een verzuimboete op van 10 procent van de verschuldigde belasting met een maximum van € 4537.
|
||||
2. In afwijking van het eerste lid van deze paragraaf, kan de inspecteur een verzuimboete opleggen van 5 procent met een maximum van € 4537 indien sprake is van ’vrijwillige verbetering’ in de zin van paragraaf 28, derde lid, van dit besluit.
|
||||
3. Indien het bedrag van de belastingaanslag vermeerderd met het bedrag van de verzuimboete minder dan € 12 bedraagt, wordt geen verzuimboete opgelegd.
|
||||
4. Een ingevolge artikel 67c van de AWR opgelegde verzuimboete wordt naar evenredigheid verlaagd bij vermindering of teruggaaf van belasting.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk IV. Vergrijpboeten
|
||||
|
||||
|
|
@ -334,25 +250,15 @@ Onder opzet wordt mede verstaan voorwaardelijk opzet. Grove schuld is een in laa
|
|||
|
||||
### Artikel § 28
|
||||
|
||||
1. Met betrekking tot belastingen die op aangifte moeten worden voldaan of afgedragen, legt de inspecteur een vergrijpboete op indien het aan opzet of grove schuld van de belanghebbende is te wijten dat de belasting niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet tijdig is betaald.
|
||||
**1.** Met betrekking tot belastingen die op aangifte moeten worden voldaan of afgedragen, legt de inspecteur een vergrijpboete op indien het aan opzet of grove schuld van de belanghebbende is te wijten dat de belasting niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet tijdig is betaald.
|
||||
|
||||
2. Bij niet of gedeeltelijk niet betalen van belasting legt de inspecteur de vergrijpboete op, gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag. Indien wegens niet tijdige betaling van belasting geen naheffingsaanslag wordt opgelegd of in het geval bedoeld in artikel 67f, vijfde lid, van de AWR wordt de vergrijpboete opgelegd bij een afzonderlijke beschikking. De bevoegdheid om deze vergrijpboete op te leggen vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan.
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Bij niet of gedeeltelijk niet betalen van belasting legt de inspecteur de vergrijpboete op, gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag. Indien wegens niet tijdige betaling van belasting geen naheffingsaanslag wordt opgelegd of in het geval bedoeld in artikel 67f, vijfde lid, van de AWR wordt de vergrijpboete opgelegd bij een afzonderlijke beschikking. De bevoegdheid om deze vergrijpboete op te leggen vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan.
|
||||
|
||||
Ook voor deze vergrijpboeten geldt in voorkomende gevallen een verlenging van de termijn voor het opleggen van de boete met ten hoogste zes maanden na de vaststelling van de naheffingsaanslag. Hetgeen hierover in paragraaf 27 van dit besluit is opgemerkt, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
3. Indien de belasting die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen, niet of gedeeltelijk niet is betaald maar belanghebbende, vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur bekend is of zal worden met dat feit, schriftelijk uitdrukkelijk kenbaar maakt aan de inspecteur dat en tot welk bedrag niet of gedeeltelijk niet is betaald, legt de inspecteur geen vergrijpboete op (‘vrijwillige verbetering’) als bedoeld in artikel 67f van de AWR.
|
||||
|
||||
4. Paragraaf 24, vierde lid, eerste volzin, van dit besluit is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
*Toelichting*
|
||||
|
||||
Bij de aangiftebelastingen staat de betaling voorop. De verschuldigde belasting bij aangiftebelastingen wordt voldaan of afgedragen op aangifte. De aangifte is het geleideformulier dat aangeeft waarop de betaling betrekking heeft. Het niet doen van aangifte bij aangiftebelastingen is dan ook alleen beboetbaar als verzuim. Het niet, gedeeltelijk niet dan wel niet tijdig betalen is beboetbaar met een verzuim- of een vergrijpboete.
|
||||
|
||||
Het als gevolg van het opzettelijk dan wel grofschuldig niet, gedeeltelijk niet dan wel niet tijdig betalen van belasting die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen, kan door de inspecteur worden beboet met een vergrijpboete.
|
||||
|
||||
Van uitdrukkelijk kenbaar maken in de zin van paragraaf 28, derde lid, van het besluit is sprake indien belanghebbende een afzonderlijke schriftelijke opgave verstrekt die de inspecteur in staat stelt om zonder nader onderzoek een juiste naheffingsaanslag op te leggen. Het enkel vermelden van een balansschuld (al dan niet met toelichting) in de jaarstukken kan derhalve niet worden aangemerkt als uitdrukkelijk kenbaar maken in de zin van paragraaf 28 van het besluit.
|
||||
|
||||
Het bewijs dat er geen sprake is van een vrijwillige verbetering dient te worden geleverd door de inspecteur aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden. De termijn waarbinnen de verbetering plaatsvindt, speelt daarbij op zichzelf geen rol. Er is geen sprake van een vrijwillige verbetering als de inspecteur geconstateerd heeft dat te weinig belasting is afgedragen of ingehouden en belanghebbende over deze bevinding is geïnformeerd. Belanghebbende kan ook niet meer vrijwillig verbeteren nadat hem is medegedeeld dat een boekenonderzoek zal worden ingesteld.
|
||||
**3.** Indien de belasting die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen, niet of gedeeltelijk niet is betaald maar belanghebbende, vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur bekend is of zal worden met dat feit, schriftelijk uitdrukkelijk kenbaar maakt aan de inspecteur dat en tot welk bedrag niet of gedeeltelijk niet is betaald, legt de inspecteur geen vergrijpboete op (’vrijwillige verbetering’) als bedoeld in artikel 67f van de AWR.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk V. Bijzondere boeten
|
||||
|
||||
|
|
@ -360,69 +266,49 @@ Het bewijs dat er geen sprake is van een vrijwillige verbetering dient te worden
|
|||
|
||||
### Artikel § 29
|
||||
|
||||
**1.** Het vervoeren van personen in de laadruimte van een bestelauto zonder dat de inrichting van de auto hiertoe is gewijzigd, heeft geen gevolgen voor de heffing op grond van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM). Wel kan de inspecteur naar aanleiding van de objectieve vaststelling van dit feit een verzuimboete opleggen.
|
||||
**1.** Indien één of meer personen worden vervoerd in de laadruimte van een bestelauto, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur op grond van artikel 17a van de Wet BPM een verzuimboete kan opleggen aan degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft.
|
||||
|
||||
**2.** Indien één of meer personen worden vervoerd in de laadruimte van een bestelauto, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur op grond van de artikelen 13a, zesde lid, Wet BPM (vrijstelling van belasting voor ondernemers) en 15a, elfde lid, Wet BPM (teruggaaf van belasting in verband met gehandicaptenvervoer) een verzuimboete kan opleggen aan degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft.
|
||||
**2.** Voor de hoogte van de verzuimboete wordt een onderscheid gemaakt tussen een eerste en tweede/volgend verzuim. Van een tweede/volgend verzuim is sprake indien belanghebbende in de periode van twee jaren voorafgaand aan het tijdstip waarop belanghebbende in verzuim is, reeds eerder in verzuim is geweest.
|
||||
|
||||
**3.** In geval van een verzuim legt de inspecteur een verzuimboete op van 50 procent van het wettelijk maximum van artikel 13a, zesde lid, Wet BPM of artikel 15a, elfde lid, Wet BPM. In uitzonderlijke gevallen kan hij een boete opleggen ten bedrage van het wettelijk maximum van artikel 13a, zesde lid, Wet BPM of artikel 15a, elfde lid, Wet BPM. Van een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld sprake zijn indien belanghebbende stelselmatig in verzuim is.
|
||||
**3.** In geval van een eerste verzuim legt de inspecteur een verzuimboete op van € 226. In geval van een tweede/volgend verzuim legt hij een boete op van € 453.
|
||||
|
||||
**4.** Indien sprake is van avas telt het verzuim niet mee voor de verzuimenreeks.
|
||||
|
||||
### Afdeling B. Boeten op grond van de
|
||||
|
||||
### Artikel § 30
|
||||
|
||||
**1.** Ter zake van het niet, niet tijdig, onjuist of onvolledig indienen van een correctiebericht (artikel 28b Wet LB) kan de inspecteur een verzuimboete van maximaal € 1.134 opleggen.
|
||||
**1.** Op grond van de artikelen 27 en 28 van de WVA kan de inspecteur een boete op te leggen, indien het totaal van de voorlopige S&O-verminderingen het bedrag van de S&O-vermindering met 20 procent of meer overschrijdt.
|
||||
|
||||
**2.** Een verzuimenreeks is niet van toepassing.
|
||||
**2.** Indien deze overschrijding is te wijten aan opzet of grove schuld van de inhoudingsplichtige, vormt dit ingevolge artikel 28 van de WVA een vergrijp en kan de inspecteur een vergrijpboete van ten hoogste 100 procent van het bedrag van de overschrijding opleggen. De paragrafen 25 en 28 zijn overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** Indien bij een aangifte meerdere correctieberichten worden gevoegd, dan wel meerdere correctieberichten gelijktijdig worden ingediend ingevolge artikel 80a Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001, worden deze voor de toepassing van het eerste lid als één correctiebericht aangemerkt.
|
||||
**3.** Bij minder dan grove schuld, vormt de overschrijding een verzuim ter zake waarvan de inspecteur de inhoudingsplichtige ingevolge artikel 27 van de WVA een verzuimboete kan opleggen van ten hoogste € 4537. Bij het opleggen van deze boete wordt een onderscheid gemaakt tussen een eerste, tweede en derde/volgend verzuim.
|
||||
|
||||
**4.** Paragraaf 24a het BBBB 1998 is van overeenkomstige toepassing op betaalverzuimen naar aanleiding van ingediende correctieberichten.
|
||||
**4.** Van een eerste verzuim is sprake indien de inhoudingsplichtige in de periode van vijf jaar voorafgaand aan het tijdstip waarop de aangifte moet zijn gedaan, niet in verzuim is geweest. Van een tweede respectievelijk een derde/volgend verzuim is sprake, indien de inhoudingsplichtige in de periode van vijf jaren voorafgaand aan het tijdstip waarop de aangifte moet zijn gedaan, éénmaal respectievelijk tweemaal of meer in verzuim is geweest.
|
||||
|
||||
*Toelichting*
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 28b Wet LB is het niet, niet tijdig, onjuist of onvolledig indienen van een correctiebericht een beboetbaar feit, waarvoor een verzuimboeten van maximaal € 1.134 kan worden opgelegd. Vooralsnog zal met de bevoegdheid tot het opleggen van deze boete terughoudend worden omgegaan. Daarom zal over het algemeen geen verzuimboete worden opgelegd, maar zal de Belastingdienst inhoudingsplichtingen stimuleren tot het naleven van de correctieverplichting. Indien echter blijkt dat een bepaalde inhoudingsplichtige bijvoorbeeld stelselmatig de opgelegde correctieverplichting niet of niet tijdig dan wel onjuist of onvolledig naleeft, zal de boete, genoemd in artikel 28b Wet LB, worden opgelegd.
|
||||
|
||||
Met het vierde lid van paragraaf 30 wordt aangegeven dat op betaalverzuimen naar aanleiding van ingediende correctieberichten het beleid met betrekking tot de vrijwillige verbetering van toepassing is. De grensbedragen van het tweede lid van paragraaf 24a BBBB 1998 gelden per correctiebericht dan wel op de correctieberichten die op grond van het derde lid van deze paragraaf als één correctiebericht worden aangemerkt.
|
||||
|
||||
### Artikel 30a
|
||||
|
||||
**1.** De verzuimboete ter zake van het niet, niet tijdig, onjuist of onvolledig indienen van de eerstedagmelding (artikel 28c, Wet LB) bedraagt € 113.
|
||||
|
||||
**2.** Een verzuimenreeks is niet van toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** In uitzonderlijke gevallen kan een verzuimboete van maximaal € 1.134 worden opgelegd.
|
||||
|
||||
**4.** Het opleggen van een verzuimboete op grond van deze paragraaf blijft achterwege, indien reeds met toepassing van paragraaf 22a van dit besluit ter zake van dezelfde onjuistheden of onvolledigheden een boete is opgelegd in verband met een onjuiste of onvolledige loonbelastingaangifte.
|
||||
|
||||
*Toelichting*
|
||||
|
||||
Op basis van artikel 28, onderdeel f, Wet LB wordt de werkgever/inhoudingsplichtige verplicht vóór aanvang van de werkzaamheden van een werknemer opgave te verstrekken van gegevens die voor de heffing van belasting van belang kunnen zijn. Door de eerstedagsmelding (‘EDM’) komen deze gegevens eerder ter beschikking van de Belastingdienst en UWV. De gegevens van de EDM zullen in ieder geval de identiteit van de werknemer en de aanvang van de werkzaamheden betreffen. Op grond van artikel 28c, Wet LB is het niet, niet tijdig, onjuist of onvolledig doen van een eerstedagmelding een beboetbaar feit waarvoor een verzuimboete van maximaal € 1.134 kan worden opgelegd. In deze paragraaf wordt het boetebeleid voor verzuimen met betrekking tot de EDM nader uitgewerkt.
|
||||
|
||||
Als een inhoudingsplichtige niet voldoet aan zijn verplichting om een EDM tijdig, juist en volledig in dienen, bedraagt de verzuimboete € 113.
|
||||
|
||||
In uitzonderlijke gevallen kan de maximale boete van € 1.134 worden opgelegd. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan situaties waarin sprake is van het stelselmatig niet, niet tijdig, onjuist of onvolledig indienen van de EDM.
|
||||
**5.** In geval van een eerste verzuim legt de inspecteur geen boete op. Bij een tweede verzuim legt hij een boete op van 5 procent van het bedrag van de in het eerste lid van deze paragraaf omschreven overschrijding, met een maximum van € 453. Bij een derde of volgend verzuim legt de inspecteur een boete op van 10 procent van het bedrag van de overschrijding, met een maximum van € 4537.
|
||||
|
||||
### Afdeling C. Verzuimboeten omzetbelasting op grond van
|
||||
|
||||
### Artikel § 31
|
||||
|
||||
1. Indien belanghebbende de opgaaf ICL niet indient binnen de wettelijk gestelde termijn, ontvangt hij een mededeling waarin hij wordt verzocht om dit alsnog te doen binnen de in die mededeling gestelde termijn. Bij deze mededeling wordt hij tevens gewaarschuwd dat aan hem een verzuimboete wordt opgelegd, indien hij niet binnen deze termijn een volledige en juiste opgaaf ICL indient.
|
||||
**1.** Indien belanghebbende de opgaaf ICL niet of niet tijdig indient, wordt hem een mededeling gezonden waarin belanghebbende wordt verzocht om dit alsnog binnen een in die mededeling gestelde termijn te doen. Bij deze mededeling wordt hij tevens erop geattendeerd dat aan hem een verzuimboete wordt opgelegd, indien hij niet alsnog binnen deze termijn een volledige en juiste opgaaf ICL indient.
|
||||
|
||||
Indien belanghebbende een onvolledige of onjuiste opgaaf ICL indient, ontvangt hij een mededeling waarin hij wordt verzocht de ontbrekende of onjuiste gegevens aan te vullen respectievelijk te herstellen binnen de in die mededeling gestelde termijn. Bij deze mededeling wordt hij tevens gewaarschuwd dat aan hem een verzuimboete wordt opgelegd, indien hij niet alsnog binnen deze termijn een volledige en juiste opgaaf ICL indient.
|
||||
**2.** Indien belanghebbende een onvolledige of onjuiste opgaaf ICL heeft ingediend, wordt hem een mededeling gezonden waarin hij wordt verzocht om de ontbrekende of onjuiste gegevens binnen de in die mededeling gestelde termijn aan te vullen respectievelijk te herstellen. Bij deze mededeling wordt hij tevens erop geattendeerd dat aan hem een verzuimboete wordt opgelegd, indien hij niet alsnog binnen die termijn een volledige en juiste opgaaf ICL indient.
|
||||
|
||||
2. Van een onvolledige opgaaf ICL is sprake, indien één of meerdere BTW-identificatienummer(s) ontbreken. Van een onjuiste opgaaf ICL in de zin van deze paragraaf is sprake, indien één of meerdere onjuiste BTW-identificatienummer(s) zijn vermeld.
|
||||
**3.** Van een onvolledige opgaaf ICL is sprake, indien één of meerdere BTW-identificatienummer(s) ontbreken. Van een onjuiste opgaaf ICL in de zin van deze paragraaf is sprake, indien één of meerdere onjuiste BTW-identificatienummers zijn vermeld.
|
||||
|
||||
3. Bij het opleggen van de verzuimboete wordt een onderscheid gemaakt tussen een eerste, tweede/derde en vierde/volgend verzuim. Van een tweede/derde, respectievelijk vierde en volgend verzuim is sprake, indien belanghebbende over de voorafgaande vierentwintig maanden reeds één respectievelijk twee, drie of meer keer de opgaaf ICL niet of niet binnen de in de mededeling gestelde termijn heeft ingediend of een onvolledige c.q. onjuiste opgaaf ICL heeft ingediend als bedoeld in deze paragraaf en die onvolledigheid c.q. onjuistheid niet of niet binnen de in de mededeling gestelde termijn heeft hersteld.
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Bij het opleggen van de verzuimboete wordt een onderscheid gemaakt tussen een eerste, tweede/derde en vierde/volgend verzuim. Van een tweede-/derde, respectievelijk vierde en volgend verzuim is sprake, indien belanghebbende over de voorafgaande vierentwintig maanden reeds één respectievelijk twee, drie of meer keer de opgaaf ICL niet of niet tijdig heeft ingediend of een onvolledige c.q. onjuiste opgaaf ICL heeft ingediend als bedoeld in deze paragraaf en die onvolledigheid c.q. onjuistheid niet binnen de hem gestelde termijn heeft hersteld.
|
||||
|
||||
Bij vernietiging van de boetebeschikking wegens avas telt het verzuim niet mee voor de verzuimenreeks.
|
||||
|
||||
4. In geval van een eerste verzuim legt de inspecteur een boete op van € 113. In geval van een tweede of derde verzuim legt hij een boete op van € 226. In geval van een vierde/volgend verzuim legt hij een boete op van € 1.134.
|
||||
**5.** Voor het niet of niet tijdig indienen van de opgaaf ICL dan wel het indienen van een onvolledige of onjuiste opgaaf ICL gelden aparte verzuimenreeksen.
|
||||
|
||||
5. In uitzonderlijke gevallen kan een verzuimboete van maximaal € 4.537 worden opgelegd.
|
||||
**6.** In geval van een eerste verzuim legt de inspecteur een boete op van € 113. In geval van een tweede of derde verzuim legt hij een boete op van € 226. In geval van een vierde/volgend verzuim legt de inspecteur een boete op van € 1134.
|
||||
|
||||
*Toelichting*
|
||||
|
||||
In paragraaf 31 van het besluit wordt het niet of niet tijdig indienen van de opgaaf ICL of het indienen van een onjuiste of onvolledige opgaaf ICL als beboetbare gedraging vermeld. Alvorens een verzuimboete op te leggen, wordt belanghebbende in de gelegenheid gesteld het verzuim binnen een hem daartoe gestelde termijn te herstellen. Indien deze termijn is verstreken, wordt de verzuimboete opgelegd. De hoogte van de verzuimboete is afhankelijk van het aantal malen dat het verzuim zich voordoet binnen een periode van 24 maanden. In uitzonderlijke gevallen kan de maximale boete, genoemd in artikel 40 van de Wet OB, worden opgelegd. Van een uitzonderlijk geval is bijvoorbeeld sprake indien de opgaaf ICL stelselmatig niet, niet tijdig, onjuist of onvolledig wordt ingediend.
|
||||
**7.** In uitzonderlijke gevallen kan een verzuimboete van maximaal € 4537 worden opgelegd.
|
||||
|
||||
### Artikel § 32
|
||||
|
||||
|
|
@ -472,53 +358,65 @@ Indien de vergunning op verzoek van belanghebbende vervalt en op grond van artik
|
|||
|
||||
### Artikel § 34
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
**1.** Deze paragraaf heeft betrekking op de in de artikelen 33, 34, 35, 35a, 36, 52, 53,60, 69 en 76 van de Wet MB 1994 genoemde naheffingen. Indien een of meer in deze artikelen omschreven feiten worden geconstateerd, is sprake van een verzuim. Ter zake van dat verzuim legt de inspecteur op grond van de artikelen 37, respectievelijk 54, 61, 70 of 77 van de Wet MB 1994 een verzuimboete op.
|
||||
|
||||
Deze paragraaf heeft betrekking op de naheffingen genoemd in de artikelen 24a, 24b, 33, 34, 35, 35a, 36, 52, 69 en 76 van de Wet MB 1994. De artikelen hebben betrekking op andere naheffingsaanslagen dan die voortvloeien uit de in § 33 genoemde belastingaanslagen naar aanleiding van een zogenoemde betalingscontrole. Het betreft in deze paragraaf in het algemeen naheffingen vanwege het niet doen van een juiste aangifte, het niet voldoen aan de gestelde voorwaarden, het gebruik maken van de weg gedurende een schorsing, of het niet hebben betaald van de verschuldigde belasting ingeval van een in het buitenland of een ten onrechte niet in Nederland gekentekend motorrijtuig.
|
||||
**2.** De verzuimboete bedraagt maximaal 100 procent van het bedrag aan belasting dat niet of gedeeltelijk niet is betaald, met een minimum van € 45 en een maximum van € 4537.
|
||||
|
||||
Indien een of meer in deze artikelen omschreven feiten worden geconstateerd, is sprake van een verzuim. Ter zake van dat verzuim legt de inspecteur op grond van de artikelen 37, respectievelijk 52, 70 of 77 van de Wet MB 1994 een verzuimboete op.
|
||||
**3.** In afwijking in zoverre van het bepaalde in artikel 67c van de AWR, wordt de verzuimboete in verband met een naheffing als bedoeld in artikel 35a van de Wet MB 1994 indien onderdeel a daarvan van toepassing is, gesteld op nihil.
|
||||
|
||||
**2.** De verzuimboete bedraagt maximaal 100 procent van het bedrag aan belasting dat niet of gedeeltelijk niet is betaald en is in zoverre begrensd dat een minimum van € 50 en maximaal het wettelijk maximum van artikel 67c AWR wordt opgelegd. De verzuimboete wordt opgelegd aan degene op wiens naam de naheffingsaanslag is gesteld.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking in zoverre van het bepaalde in artikel 67c AWR, wordt de verzuimboete in verband met een naheffing als bedoeld in artikel 35a van de Wet MB 1994 indien onderdeel a daarvan van toepassing is, gesteld op nihil.
|
||||
**4.** Indien het bedrag van de na te heffen belasting € 5 of minder bedraagt, legt de inspecteur geen verzuimboete op.
|
||||
|
||||
### Artikel § 35
|
||||
|
||||
**1.** Indien het in artikel 37d Wet MB 1994 genoemde feit wordt geconstateerd, is sprake van een verzuim. Ter zake van dat verzuim legt de inspecteur op grond van onderdeel b van dat artikel, een verzuimboete op van 50 procent van het wettelijk maximum van artikel 37d Wet MB 1994.
|
||||
**1.** Indien het in artikel 37d van de Wet MB 1994 genoemde feit wordt geconstateerd, is sprake van een verzuim. Ter zake van dat verzuim legt de inspecteur op grond van onderdeel b van dat artikel, een verzuimboete op van maximaal € 453.
|
||||
|
||||
**2.** In uitzonderlijke gevallen kan een boete tot het maximum van artikel 37d Wet MB 1994 worden opgelegd. Het aantal verzuimen dat wordt gerekend per houder van de motorrijtuigen die behoren tot het bedrijfsvoertuigenpark waarvoor een vergunning op grond van artikel 37b van de Wet MB 1994 is verstrekt, kan bepalend zijn voor beantwoording van de vraag of sprake is van een uitzonderlijk geval.
|
||||
**2.** Voor de hoogte van de verzuimboete wordt een onderscheid gemaakt tussen een eerste, tweede, respectievelijk derde/volgend verzuim. In geval van een eerste verzuim legt de inspecteur een boete op van € 113. Bij een tweede verzuim legt de inspecteur een boete op van € 226. Bij een derde/volgend verzuim legt hij een boete op van € 453.
|
||||
|
||||
**3.** Voor het bepalen van het aantal verzuimen van de houder worden slechts die verzuimen in aanmerking genomen, die betrekking hebben op de in deze paragraaf bedoelde verzuimen in de laatste twaalf maanden voorafgaande aan het verzuim waarop de boete betrekking heeft. Verzuimen als bedoeld in de paragrafen 33 en 34 van dit besluit worden hierin niet meegerekend.
|
||||
**3.** Het aantal verzuimen wordt gerekend per houder van de motorrijtuigen die behoren tot het bedrijfsvoertuigenpark waarvoor een vergunning op grond van artikel 37b van de Wet MB 1994 is verstrekt.
|
||||
|
||||
**4.** De verzuimboete wordt opgelegd bij afzonderlijke boetebeschikking, dat wil zeggen zonder naheffing van de enkelvoudige belasting. De enkelvoudige belasting wordt betrokken in het al dan niet verlenen van een teruggaaf op grond van artikel 37a van de Wet MB 1994. De verzuimboete wordt opgelegd aan de houder van de motorrijtuigen die behoren tot het bedrijfsvoertuigenpark waarvoor een vergunning op grond van artikel 37b van de Wet MB 1994 is verstrekt.
|
||||
**4.** Voor het bepalen van het aantal verzuimen van de houder worden slechts die verzuimen in aanmerking genomen, die betrekking hebben op de in deze paragraaf bedoelde verzuimen in de laatste twaalf maanden voorafgaande aan het verzuim waarop de boete betrekking heeft. Verzuimen als bedoeld in de paragrafen 33 en 34 van dit besluit worden hierin niet meegerekend.
|
||||
|
||||
### Afdeling E. Verzuimboete op grond van
|
||||
|
||||
### Artikel § 36
|
||||
|
||||
**1.** De belasting inzake de Wet belasting zware motorrijtuigen (hierna: Wet BZM) dient per voertuig vóór de aanvang van het gebruik van de autosnelweg op aangifte te zijn voldaan. Het doen van aangifte kan geschieden bij de aangewezen aangiftepunten onder het gelijktijdig voldoen van de belasting.
|
||||
**1.** Indien wordt geconstateerd dat de verschuldigde belasting niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig is betaald, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur een verzuimboete van ten hoogste € 4537 oplegt.
|
||||
|
||||
**2.** De aangifte kan ook via internet worden gedaan, na het sluiten van een daartoe strekkende overeenkomst met de inspecteur. De internetaangiften worden op de website bijgehouden en per kalendermaand getotaliseerd. Het totaalbedrag wordt na afloop van deze maand via automatische incasso geïnd. Indien de automatische incasso niet leidt tot een (tijdige) betaling van de verschuldigde belasting, wordt dit aangemerkt als een verzuim. Betalingsverzuimen met betrekking tot deze per kalendermaand getotaliseerde internetaangiften worden voor de toepassing van deze paragraaf aangemerkt als één verzuim. De naheffingsaanslag en de boetebeschikking worden opgelegd aan de aangever met wie een overeenkomst tot het kunnen doen van een aangifte via internet is gesloten.
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
**3.** Indien wordt geconstateerd dat de verschuldigde belasting inzake de Wet BZM niet, gedeeltelijk niet of niet binnen de termijn is betaald, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur een verzuimboete kan opleggen van 3 procent van het wettelijk maximum van artikel 13 Wet BZM.
|
||||
Voor de hoogte van de verzuimboete wordt een onderscheid gemaakt tussen een eerste, tweede, derde, vierde, vijfde, zesde, respectievelijk zevende/volgend verzuim.
|
||||
|
||||
**4.** In uitzonderlijke gevallen kan in afwijking van het voorgaande lid een verzuimboete tot het wettelijk maximum van artikel 13 Wet BZM worden opgelegd. Van een uitzonderlijk geval kan sprake zijn indien bijvoorbeeld stelselmatig (gedeeltelijk) niet binnen de termijn of (gedeeltelijk) niet wordt betaald.
|
||||
In geval van een eerste verzuim legt de inspecteur een boete op van € 45. Bij een tweede verzuim legt hij een boete op van f 113. Bij een derde verzuim legt de inspecteur een boete op van € 226. Bij een vierde verzuim legt de inspecteur een boete op van € 453. Bij een vijfde verzuim legt hij een boete op van € 680. Bij een zesde verzuim legt de inspecteur een boete op van € 1134. Bij een zevend/volgend verzuim legt de inspecteur een boete op van ten hoogste € 4537.
|
||||
|
||||
**5.** De verzuimboete wordt opgelegd aan de houder.
|
||||
**3.** Het aantal verzuimen wordt gerekend per houder als bedoeld in de artikelen 6, 7of 8 van de Wet BZM.
|
||||
|
||||
**4.** Voor het bepalen van het aantal verzuimen van de houder worden slechts die verzuimen in aanmerking genomen, die betrekking hebben op de in deze paragraaf bedoelde verzuimen in de laatste twaalf maanden voorafgaand aan het verzuim waarop de boete betrekking heeft.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
In geval een overeenkomst met de inspecteur is gesloten tot het kunnen doen van aangifte per fax, kan de inspecteur aan de aangever op grond van artikel 13, eerste lid, van de Wet BZM een verzuimboete opleggen van ten hoogste € 4537 wegens het niet, gedeeltelijk niet of niet tijdig betalen van de verschuldigde belasting. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
Indien de inspecteur slechts één keer per maand het totaal-bedrag van alle in die maand gedane aangiften int, worden betalingsverzuimen met betrekking tot die aangiften voor de toepassing van deze paragraaf aangemerkt als één verzuim.
|
||||
|
||||
### Afdeling F
|
||||
|
||||
### Artikel § 37
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** Met betrekking tot de in de artikelen 37, 38 en 39 van de DW geregelde beboetbare feiten legt de inspecteur een verzuimboete op van € 90.
|
||||
|
||||
**2.** Een verzuimenreeks is niet van toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** Bij de beboetbare feiten van de artikelen 37 en 38 van de DW kan de inspecteur zowel een verzuimboete opleggen aan de persoon die de formaliteiten moet vervullen als aan degene aan wiens toedoen het beboetbare feit kan worden toegeschreven.
|
||||
|
||||
### Artikel § 38
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** Met betrekking tot de in de artikelen 37, 38en 39 van de DW geregelde beboetbare feiten legt de inspecteur een vergrijpboete op indien het beboetbare feit heeft geleid tot een douaneschuld die meer bedraagt dan € 90 aan rechten bij invoer en sprake is van opzet of grove schuld.
|
||||
|
||||
**2.** Indien aan meer dan een persoon een boete kan worden opgelegd in de zin van de artikelen 37, 38en 39 van de DW, legt de inspecteur aan elk van de personen aan wie opzet of grove schuld kan worden toegerekend, een vergrijpboete op.
|
||||
|
||||
### Artikel § 39
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
Krachtens artikel 81 van het Douanebesluit legt de inspecteur aan de entreposeur of de operateur die handelt in strijd met het bepaalde in de hem verleende entrepotvergunning een verzuimboete op van € 90.
|
||||
|
||||
### Afdeling G. Verzuimboeten bij toepassing van
|
||||
|
||||
|
|
@ -562,12 +460,6 @@ Er kunnen omstandigheden zijn die aanleiding geven de met toepassing van de hoof
|
|||
|
||||
Tot de omstandigheden welke aanleiding kunnen geven de op te leggen of opgelegde boete te matigen behoren een wanverhouding tussen de ernst van het feit en de op grond van de hoofdstukken III, IV en V op te leggen of opgelegde boete en omstandigheden die hebben geleid tot het beboetbare feit, maar buiten de directe invloedssfeer van de belanghebbende liggen.
|
||||
|
||||
*Toelichting*
|
||||
|
||||
Bij wanverhouding gaat het om het antwoord op de vraag hoe ernstig de normschending in het concrete geval moet worden opgevat. De afweging moet leiden tot een sanctie die in evenredigheid staat tot de ernst van het feit (proportionaliteit). Indien de inspecteur zelf tot de gevolgtrekking komt dat van een wanverhouding sprake is, vermindert hij de boete op eigen initiatief. Zo kan een inspecteur een boete gedeeltelijk matigen indien en voor zover de aan het eind van een kalenderjaar of (gebroken) boekjaar verschuldigde loon- of omzetbelasting openlijk en als zodanig ter kennis is gebracht middels een vereiste winstaangifte zonder dat sprake is van een volledige vrijwillige verbetering zoals bedoeld in paragraaf 28, derde lid, van dit besluit.
|
||||
|
||||
Bij verzachtende omstandigheden ligt de nadruk op buiten de (directe) invloedssfeer van belanghebbende liggende gebeurtenissen. Voor de beoordeling of die omstandigheden tot matiging van de boete aanleiding kunnen geven, kan het van belang zijn of, dan wel in hoeverre, belanghebbende maatregelen heeft getroffen of had kunnen treffen om het verzuim of vergrijp te voorkomen.
|
||||
|
||||
### Artikel § 45
|
||||
|
||||
Zowel bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid als voor de mate waarin de boete de belanghebbende treft, kunnen de financiële omstandigheden van belanghebbende een rol spelen. Een beroep op financiële omstandigheden kan slechts in bijzondere gevallen tot matiging dan wel vermindering van de boete leiden.
|
||||
|
|
@ -591,6 +483,4 @@ In afwijking van het eerste lid hebben met ingang van 1 januari 1998 onmiddellij
|
|||
|
||||
### Artikel § 47
|
||||
|
||||
1. Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998.
|
||||
|
||||
2. De citeertitel kan worden afgekort tot: BBBB 1998.
|
||||
Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (afgekort: BBBB 1998).
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue