2011-07-01 | BWBR0029789 | Besluit lozen buiten inrichtingen
This commit is contained in:
parent
5a2f596bec
commit
01e4e2987b
1 changed files with 43 additions and 205 deletions
|
|
@ -3,7 +3,7 @@ titel: Besluit lozen buiten inrichtingen
|
|||
bwb_id: BWBR0029789
|
||||
type: AMvB
|
||||
status: geldend
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2013-03-25'
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2011-07-01'
|
||||
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0029789
|
||||
citeertitel: Besluit lozen buiten inrichtingen
|
||||
---
|
||||
|
|
@ -18,15 +18,13 @@ citeertitel: Besluit lozen buiten inrichtingen
|
|||
|
||||
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
- *aangewezen oppervlaktewaterlichaam:* oppervlaktewaterlichaam dat op grond van artikel 1.7, eerste lid, onderdeel b, van het Activiteitenbesluit milieubeheer is aangewezen;
|
||||
- *aangewezen oppervlaktewaterlichaam:* oppervlaktewaterlichaam dat op grond van artikel 1.7, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer is aangewezen;
|
||||
- *ADR:* de op 30 september 1957 te Genève totstandgekomen Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171);
|
||||
- *bodembedreigende stof:* stof die de bodem kan verontreinigen als bedoeld in paragraaf 3.1 van deel A3 van de NRB;
|
||||
- *bodembeschermende voorziening:* vloeistofkerende voorziening, een vloeistofdichte vloer of verharding of een andere doelmatige fysieke voorziening, ter voorkoming van immissies in de bodem;
|
||||
- *bodemzijdig vermogen:* grootste hoeveelheid energie, uitgedrukt in kW, die het ondergrondse deel van een gesloten bodemenergiesysteem bij normaal gebruik kan uitwisselen met de bodem;
|
||||
- *BTEX:* som van benzeen, tolueen, ethylbenzeen en xyleen;
|
||||
- *CMR-stof:* stof die of preparaat dat volgens bijlage I bij Richtlijn nr. 67/548/EEG geclassificeerd is als Kankerverwekkend categorie 1 of 2 of als Mutageen categorie 1 of 2 of als «Voor de voortplanting giftig» categorie 1 of 2;
|
||||
- *doelmatig beheer van afvalwater:* zodanig beheer van afvalwater dat daarbij rekening wordt gehouden met de voorkeursvolgorde aangegeven in artikel 10.29a van de Wet milieubeheer;
|
||||
- *gesloten bodemenergiesysteem:* installatie waarmee, zonder grondwater te onttrekken en na gebruik in de bodem terug te brengen, gebruik wordt gemaakt van de bodem voor de levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken, door middel van een gesloten circuit van leidingen, met inbegrip van een bijbehorende warmtepomp circulatiepomp en regeneratievoorziening, voor zover aanwezig;
|
||||
- *gevaarlijke stoffen:* stoffen en voorwerpen, waarvan het vervoer volgens het ADR is verboden of slechts onder daarin opgenomen voorwaarden is toegestaan, dan wel stoffen, materialen en voorwerpen aangeduid in de International Maritime Dangerous Goods Code;
|
||||
- *inerte goederen:* goederen die geen bodembedreigende stoffen, gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen zijn;
|
||||
- *ISO:* door de Internationale Organisatie voor Standaardisatie uitgegeven norm;
|
||||
|
|
@ -44,12 +42,10 @@ g. water of stoffen als bedoeld in artikel 6.1 van de Waterwet met behulp van ee
|
|||
a. een beschikking waarbij het bevoegd gezag aanvullende eisen stelt; dan wel
|
||||
b. een ontheffing waarbij het bevoegd gezag de daarbij aangewezen bepalingen niet van toepassing verklaart al dan niet onder het stellen van beperkingen of voorwaarden;
|
||||
- *NEN:* door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm;
|
||||
- *NeR:* door InfoMil uitgegeven Nederlandse Emissie Richtlijnen lucht;
|
||||
- *niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam:* oppervlaktewaterlichaam dat geen aangewezen oppervlaktewaterlichaam is;
|
||||
- *NRB:* door InfoMil uitgegeven Nederlandse richtlijn bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten;
|
||||
- *open bodemenergiesysteem:* installatie waarmee van de bodem gebruik wordt gemaakt voor de levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken, door grondwater te onttrekken en na gebruik in de bodem terug te brengen, met inbegrip van bijbehorende bronpompen en warmtewisselaar en, voor zover aanwezig, warmtepomp en regeneratievoorziening;
|
||||
- *PAK’s:* som van naftaleen, anthraceen, fluorantheen, benzo(g,h,i)peryleen, benzo(a)pyreen, benzo(b)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen en indeno(1,2,3-cd)pyreen;
|
||||
- *retourbuis van een gesloten bodemenergiesysteem:* de leiding die de circulatievloeistof terug geleidt door de bodem, waardoor warmte of koude wordt afgegeven aan de bodem;
|
||||
- *SPF:* Seasonal Performance Factor, waarmee het rendement van een bodemenergiesysteem wordt weergegeven, uitgedrukt als de door het systeem geleverde hoeveelheden warmte en koude per jaar in MWh, gedeeld door het gemeten of berekende energieverbruik van het systeem per jaar in MWh;
|
||||
- *totaal stikstof:* som van nitraat-, nitriet-, organisch en ammoniumstikstof waarvan de emissiemetingen worden uitgevoerd, bedoeld in artikel 2.4;
|
||||
- *vast object:* locatiegebonden constructie of gedeelte daarvan;
|
||||
- *vuilwaterriool:*
|
||||
|
|
@ -71,26 +67,23 @@ b. in een oppervlaktewaterlichaam:
|
|||
1°. in een werk aanbrengen of houden van bouwstoffen;
|
||||
2°. aanbrengen, verspreiden of tijdelijk opslaan van grond of baggerspecie alsmede het houden van die aangebrachte of tijdelijk opgeslagen grond of baggerspecie;
|
||||
3°. lozen ten gevolge van het toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie, waarop het Besluit bodemkwaliteit van toepassing is;
|
||||
c. lozen waarop het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing is;
|
||||
c. lozen ten gevolge van agrarische activiteiten als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij dan wel van activiteiten die daarmee verband houden;
|
||||
d. lozen waarop het Besluit lozing afvalwater huishoudens van toepassing is;
|
||||
e. lozen waarop het Scheepsafvalstoffenbesluit Rijn- en binnenvaart van toepassing is, en
|
||||
f. lozen waaraan regels zijn gesteld bij of krachtens de Mijnbouwwet.
|
||||
e. lozen waarop het Scheepsafvalstoffenbesluit Rijn- en binnenvaart van toepassing is;
|
||||
f. lozen waaraan regels zijn gesteld bij of krachtens de Mijnbouwwet; en
|
||||
g. het brengen van afvalwater of andere afvalstoffen in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater als bedoeld in artikel 10.30, eerste lid van de Wet milieubeheer, waarvoor op grond van artikel 1.3, onderdelen d en e, geen vrijstelling is verleend.
|
||||
|
||||
**2.** Degene die loost voldoet aan de bij of krachtens dit besluit gestelde regels.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.2a
|
||||
|
||||
**1.** Dit besluit is tevens van toepassing op het installeren en in werking hebben van een gesloten bodemenergiesysteem buiten een inrichting en op het lozen ten gevolge van het installeren en in werking hebben van een open bodemenergiesysteem buiten een inrichting.
|
||||
|
||||
**2.** Degene die een gesloten bodemenergiesysteem installeert of in werking heeft, voldoet aan de bij of krachtens dit besluit gestelde regels.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.3
|
||||
|
||||
Vrijstelling wordt verleend van:
|
||||
|
||||
a. het verbod, bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de Waterwet, voor zover aan het lozen regels zijn gesteld in de artikelen 3.1 tot en met 3.11 en 3.13 tot en met 3.26;
|
||||
b. het verbod, bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, van de Waterwet, voor zover aan het lozen regels zijn gesteld in de artikelen 3.1 tot en met 3.5, 3.10, 3.12, 3.13, 3.22, 3.24 en 3a.2;
|
||||
c. het verbod, bedoeld in artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer.
|
||||
a. het verbod, bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de Waterwet, voor zover aan het lozen regels zijn gesteld in de artikelen 3.1 tot en met 3.11 en 3.13 tot en met 3.25;
|
||||
b. het verbod, bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, van de Waterwet, voor zover aan het lozen regels zijn gesteld in de artikelen 3.1 tot en met 3.5, 3.10, 3.12, 3.13, 3.22 en 3.24;
|
||||
c. het verbod, bedoeld in artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer;
|
||||
d. het verbod, bedoeld in artikel 10.30, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover het lozen in een vuilwaterriool betreft;
|
||||
e. het verbod, bedoeld in artikel 10.30, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover het lozen anders dan in een vuilwaterriool betreft en aan het lozen regels zijn gesteld in de artikelen 3.1 tot en met 3.5, 3.10, 3.13, 3.22 en 3.24.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.4
|
||||
|
||||
|
|
@ -100,30 +93,27 @@ c. het verbod, bedoeld in artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer.
|
|||
|
||||
**3.** Burgemeester en wethouders van de gemeente waar het lozen plaatsvindt zijn bevoegd gezag, indien het ander lozen op of in de bodem betreft dan bedoeld in het tweede lid.
|
||||
|
||||
**4.** Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat is bevoegd gezag voor zover het betreft lozen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de Waterwet in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk.
|
||||
**4.** Onze Minister van Infrastructuur en Milieu is bevoegd gezag voor zover het betreft lozen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de Waterwet in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk.
|
||||
|
||||
**5.** Het bestuur van het betrokken waterschap is bevoegd gezag voor zover het betreft lozen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de Waterwet in een oppervlaktewaterlichaam dat niet in beheer is bij het Rijk en als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, van die wet.
|
||||
|
||||
**6.** Burgemeester en wethouders van de gemeente waar het bodemenergiesysteem zich bevindt, zijn bevoegd gezag met betrekking tot het installeren en in werking hebben van een gesloten bodemenergiesysteem.
|
||||
|
||||
**7.** Indien een ander bestuursorgaan dan burgemeester en wethouders bevoegd gezag is met betrekking tot een omgevingsvergunning met betrekking tot het installeren van een gesloten bodemenergiesysteem, bedoeld in artikel 2.2a, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht, is dat bestuursorgaan, in afwijking van het zesde lid, tevens bevoegd gezag met betrekking tot het installeren en in werking hebben van dat bodemenergiesysteem.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.5
|
||||
|
||||
**1.** Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kunnen ter bescherming van het milieu regels worden gesteld ter uitwerking van de bepalingen in hoofdstuk 3 en hoofdstuk 3A.
|
||||
**1.** Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kunnen ter bescherming van het milieu regels worden gesteld ter uitwerking van de bepalingen in hoofdstuk 3.
|
||||
|
||||
**2.** Bij de regeling, bedoeld in het eerste lid, kan de verplichting worden opgelegd te voldoen aan ter bescherming van het milieu door het bevoegd gezag gestelde maatwerkvoorschriften met betrekking tot de regels, bedoeld in het eerste lid, en kan worden bepaald in welke mate die maatwerkvoorschriften kunnen afwijken van die regels.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kunnen regels worden gesteld omtrent de bij de toepassing van dit besluit in acht te nemen tekst van:
|
||||
Bij regeling van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kunnen regels worden gesteld omtrent de bij de toepassing van dit besluit in acht te nemen tekst van:
|
||||
|
||||
a. de bij of krachtens dit besluit genoemde niet-publiekrechtelijke regelingen, en
|
||||
b. de NRB.
|
||||
a. de bij of krachtens dit besluit genoemde niet-publiekrechtelijke regelingen;
|
||||
b. de NeR, en
|
||||
c. de NRB.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.6
|
||||
|
||||
**1.** Van de beschikking waarbij bij of krachtens dit besluit een maatwerkvoorschrift wordt gesteld, wordt kennisgegeven op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze.
|
||||
**1.** Van de beschikking waarbij bij of krachtens dit besluit een maatwerkvoorschrift wordt gesteld, wordt kennisgegeven in één of meer dagbladen, nieuwsbladen of huis-aan-huisbladen.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van artikel 65, vijfde lid, van de Wet bodembescherming is afdeling 3.4, van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de voorbereiding van een maatwerkvoorschrift, inhoudende een ontheffing waarbij het bevoegd gezag de daarbij aangewezen bepalingen niet van toepassing verklaart al dan niet onder het stellen van beperkingen of voorwaarden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -153,7 +143,7 @@ Degene die loost verstrekt, voor zover hij daarover beschikt of redelijkerwijs k
|
|||
|
||||
### Artikel 1.10
|
||||
|
||||
**1.** Degene die voornemens is te lozen als bedoeld in de artikelen 3.1, tweede, derde, vierde en zesde lid, onderdeel a, 3.2, derde, vijfde, zevende en negende lid, 3.5, derde en vierde lid, 3.6, tweede lid, 3.10, eerste lid, 3.11, eerste lid, 3.12, eerste lid, 3.13, zevende en negende lid, 3.17, eerste en tweede lid, 3.20, vijfde lid, 3.21, eerste lid, 3.24, of 3a.2, meldt dit ten minste vier weken voordat met het lozen wordt aangevangen aan het bevoegd gezag.
|
||||
**1.** Degene die voornemens is te lozen als bedoeld in de artikelen 3.1, tweede, derde, vierde en zesde lid, onderdeel a, 3.2, derde, vijfde, zevende en negende lid, 3.5, derde en vierde lid, 3.6, tweede lid, 3.10, eerste lid, 3.11, eerste lid, 3.12, eerste lid, 3.13, zevende en negende lid, 3.17, eerste en tweede lid, 3.20, vijfde lid, 3.21, eerste lid of 3.24 meldt dit ten minste vier weken voordat met het lozen wordt aangevangen aan het bevoegd gezag.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het veranderen van het lozen. Een melding is niet vereist, indien eerder een melding overeenkomstig het bepaalde in dit artikel is gedaan en door dit veranderen geen afwijking ontstaat van de bij die melding verstrekte gegevens en er niet op grond van de artikelen 1.16 tot en met 1.19 andere gegevens verstrekt moeten worden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -168,36 +158,6 @@ d. een situatieschets, met een schaal van ten minste 1:10.000 en voorzien van ee
|
|||
|
||||
**4.** Het bestuursorgaan dat een melding ontvangt waarvoor een ander bestuursorgaan mede bevoegd gezag is, stuurt onmiddellijk een kopie van de melding aan het andere bevoegde gezag. De melding geldt als mede bij dat andere bevoegde gezag te zijn gedaan.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.10a
|
||||
|
||||
**1.** Degene die voornemens is een gesloten bodemenergiesysteem te installeren, meldt dit ten minste vier weken voor de installatie aan het bevoegd gezag.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het veranderen van een gesloten bodemenergiesysteem en het veranderen van de werking daarvan.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Bij de melding worden de volgende gegevens verstrekt:
|
||||
|
||||
a. de naam en het adres van degene die voornemens is het systeem te installeren of te veranderen of de werking van het systeem te veranderen;
|
||||
b. het tijdstip waarop de installatie of de verandering zal plaatsvinden;
|
||||
c. de naam en het adres van degene die boringen of andere werkzaamheden ten behoeve van de installatie zal uitvoeren;
|
||||
d. een beschrijving van de kenmerken van het systeem;
|
||||
e. een situatieschets, met een schaal van ten minste 1:1.000 en voorzien van een noordpijl, waarop de ligging van het systeem ten opzichte van de omgeving is aangegeven;
|
||||
f. de einddiepte waarop het systeem zal worden geïnstalleerd of de einddiepte van het systeem na de verandering;
|
||||
g. de x-y-coördinaten van het middelpunt van het systeem;
|
||||
h. een onderbouwing waaruit blijkt dat het in werking hebben van het systeem niet leidt tot zodanige interferentie met een eerder geïnstalleerd bodemenergiesysteem dat het doelmatig functioneren van een van de desbetreffende systemen kan worden geschaad;
|
||||
i. het energierendement, uitgedrukt als de SPF, dat het bodemenergiesysteem zal behalen bij voorzien gebruik van het gebouw overeenkomstig de bestemming waarvoor het systeem is ontworpen, blijkend uit een schriftelijke verklaring van de installateur;
|
||||
j. het bodemzijdig vermogen van het systeem en de omvang van de behoefte aan warmte en koude waarin het systeem voorziet.
|
||||
|
||||
**4.** Bij een melding als bedoeld in het tweede lid die werkzaamheden als bedoeld in artikel 3a.10 betreft, worden de naam en het adres vermeld van degene die die werkzaamheden verricht.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Indien een gesloten bodemenergiesysteem is geïnstalleerd voor het tijdstip van inwerkingtreding van hoofdstuk 3a en vanaf dat tijdstip vrijwillig een melding wordt gedaan van het in werking hebben van dat systeem, worden bij de melding de volgende gegevens verstrekt:
|
||||
|
||||
a. de naam en het adres van degene die het systeem in gebruik heeft;
|
||||
b. de in het derde lid, onderdelen d tot en met g en j, bedoelde gegevens.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.11
|
||||
|
||||
Indien op grond van artikel 7 van het Besluit uniforme saneringen met een sanering kan worden begonnen nadat vijf werkdagen zijn verstreken vanaf de datum van ontvangst van de melding, bedoeld in artikel 6 van dat besluit, meldt degene die voornemens is te lozen vanuit die bodemsanering als bedoeld in artikel 3.1, tweede, derde en vierde lid, in afwijking van de termijn bedoeld in artikel 1.10, eerste lid, dit ten minste vijf werkdagen voordat met het lozen wordt aangevangen.
|
||||
|
|
@ -249,9 +209,7 @@ b. indien de kwaliteit de interventiewaarde overschrijdt, een werkplan als bedoe
|
|||
|
||||
### Artikel 1.20
|
||||
|
||||
**1.** Indien zich met betrekking tot het lozen een ongewoon voorval voordoet of heeft voorgedaan, waardoor nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan, meldt degene die loost dit zo spoedig mogelijk aan het bevoegd gezag.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het installeren, in werking hebben en buiten gebruik stellen van een gesloten bodemenergiesysteem.
|
||||
Indien zich met betrekking tot het lozen een ongewoon voorval voordoet of heeft voorgedaan, waardoor nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan, meldt degene die loost dit zo spoedig mogelijk aan het bevoegd gezag.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 2. Algemene regels ten aanzien van alle lozingen
|
||||
|
||||
|
|
@ -277,16 +235,11 @@ g. het doelmatig beheer van afvalwater.
|
|||
|
||||
### Artikel 2.2
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
**1.** Het lozen van afvalwater op of in de bodem, is verboden, tenzij aan dat lozen regels zijn gesteld bij of krachtens de artikelen 3.1 tot en met 3.8, 3.10, 3.13 tot en met 3.16, 3.22 en 3.24.
|
||||
|
||||
Het is verboden:
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid is lozen in de bodem waaraan regels zijn gesteld in de in dat lid genoemde artikelen verboden, indien daarbij stoffen zonder doorsijpeling door bodem of ondergrond in het grondwater geraken.
|
||||
|
||||
a. afvalwater te lozen op of in de bodem, tenzij dat lozen is toegestaan bij of krachtens de artikelen 3.1 tot en met 3.8, 3.10, 3.13, 3.14, 3.16, 3.22, 3.24 en 3a.2;
|
||||
b. afvalwater en andere afvalstoffen te lozen in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater niet zijnde een vuilwaterriool, tenzij dat lozen is toegestaan bij of krachtens de artikelen 3.1 tot en met 3.5, 3.10, 3.13, 3.22, 3.24 en 3a.2.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid is lozen in de bodem dat is toegestaan bij of krachtens de in dat lid genoemde artikelen verboden, indien daarbij stoffen zonder doorsijpeling door bodem of ondergrond in het grondwater geraken.
|
||||
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de verboden bedoeld in het eerste en tweede lid niet van toepassing zijn en dat lozen op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater niet zijnde een vuilwaterriool is toegestaan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich gelet op de samenstelling, hoeveelheid en eigenschappen van het afvalwater daartegen niet verzet.
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de verboden bedoeld in het eerste en tweede lid niet van toepassing zijn en dat lozen op of in de bodem is toegestaan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich gelet op de samenstelling, hoeveelheid en eigenschappen van het afvalwater daartegen niet verzet.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -398,7 +351,7 @@ d. in een steekmonster de emissiewaarden van de in dit artikel opgenomen tabel 3
|
|||
| Chroom | 2,4 microgram per liter |
|
||||
| Onopgeloste stoffen | 20 milligram per liter |
|
||||
|
||||
**4.** Het lozen op of in de bodem is toegestaan indien het gehalte aan stoffen in enig steekmonster niet meer bedraagt dan de streefwaarden in tabel 1 van de bijlage bij de circulaire bodemsanering per 1 juli 2013.
|
||||
**4.** Het lozen op of in de bodem is toegestaan indien het gehalte aan stoffen in enig steekmonster niet meer bedraagt dan de streefwaarden in tabel 1 van de bijlage bij de circulaire bodemsanering 2009.
|
||||
|
||||
**5.** Het lozen in een vuilwaterriool is verboden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -487,15 +440,6 @@ c. het gehalte onopgeloste stoffen in enig steekmonster ten hoogste 300 milligr
|
|||
|
||||
**3.** Bij het lozen vanuit een pompkelder van een tunnel of een verdiept weggedeelte is, indien dat redelijkerwijs mogelijk is, een voorziening aanwezig om, in afwijking van het tweede lid, het meest vervuilde hemelwater in een vuilwaterriool te lozen.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Gewasbeschermingsmiddelen, waaronder onkruidbestrijdingsmiddelen, worden slechts op half-open en gesloten verhardingen gebruikt, indien:
|
||||
|
||||
a. sprake is van pleksgewijze behandeling door middel van selectieve toepassingstechnieken; en
|
||||
b. de kans op neerslag voor een periode van 24 uur na het voorgenomen gebruik niet groter is dan 40% volgens het weerbericht, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet taken meteorologie en seismologie, voor de desbetreffende regio van het land.
|
||||
|
||||
**5.** Gewasbeschermingsmiddelen, waaronder onkruidbestrijdingsmiddelen, worden niet gebruikt in of nabij straatkolken of putten.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.5
|
||||
|
||||
**1.** In afwijking van artikel 3.4, eerste lid, wordt bij het lozen van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken ten minste voldaan aan het tweede tot en met het vierde lid.
|
||||
|
|
@ -581,7 +525,7 @@ Het lozen van huishoudelijk afvalwater op of in de bodem of in een oppervlaktewa
|
|||
|
||||
### Artikel 3.9
|
||||
|
||||
**1.** Het lozen in een oppervlaktewaterlichaam van huishoudelijk afvalwater, met uitzondering van toiletwater, vanaf een pleziervaartuig als bedoeld in artikel 1 van de Wet pleziervaartuigen 2016 is toegestaan.
|
||||
**1.** Het lozen in een oppervlaktewaterlichaam van huishoudelijk afvalwater, met uitzondering van toiletwater, vanaf een pleziervaartuig als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet pleziervaartuigen is toegestaan.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid is het lozen van toiletwater toegestaan vanaf een pleziervaartuig, indien het toiletwater voordat het geloosd wordt door een zuiveringsvoorziening wordt geleid, die voldoet aan bij ministeriële regeling gestelde eisen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -601,7 +545,7 @@ Het lozen van huishoudelijk afvalwater op of in de bodem of in een oppervlaktewa
|
|||
|
||||
### Artikel 3.11
|
||||
|
||||
**1.** Bij het in een oppervlaktewaterlichaam lozen ten gevolge van sloop- of renovatiewerkzaamheden aan of nieuwbouw van vaste objecten wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het derde lid.
|
||||
**1.** Bij het in een oppervlaktewaterlichaam lozen ten gevolge van sloop-, renovatie- of nieuwbouwwerkzaamheden aan vaste objecten wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het derde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Het lozen, dat gelet op de locatie van de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden redelijkerwijs niet kan worden voorkomen, is toegestaan.
|
||||
|
||||
|
|
@ -628,7 +572,7 @@ b. 300 milligram onopgeloste stoffen per liter.
|
|||
|
||||
### Artikel 3.13
|
||||
|
||||
**1.** Bij het lozen ten gevolge van het op- en overslaan van inerte goederen en van het tijdelijk op- en overslaan van zout voor het strooien op wegen, van goederen die vrijkomen bij een werk en van goederen die nodig zijn in een werk wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met dertiende lid.
|
||||
**1.** Bij het lozen ten gevolge van het op- en overslaan van inerte goederen en van het tijdelijk op- en overslaan van zout voor het strooien op wegen, van goederen die vrijkomen bij een werk en van goederen die nodig zijn in een werk wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het twaalfde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling worden goederen aangewezen welke in ieder geval worden aangemerkt als inerte goederen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -645,26 +589,24 @@ d. zoveel mogelijk voorkomen dat goederen in een voorziening voor het beheer van
|
|||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Bij de volgende windsnelheden vinden afhankelijk van de stuifgevoeligheid van de goederen, behorend tot stuifklassen volgens bijlage 3 bij het Activiteitenbesluit milieubeheer, geen overslagactiviteiten plaats:
|
||||
Bij de volgende windsnelheden vinden afhankelijk van de stuifgevoeligheid van de goederen, behorend tot stuifklassen volgens bijlage 4.6 van de NeR, geen overslagactiviteiten plaats:
|
||||
|
||||
a. S1 en S2 bij een windsnelheid groter dan 8 meter per seconde;
|
||||
b. S3 bij een windsnelheid groter dan 14 meter per seconde.
|
||||
|
||||
**6.** Het opslaan van goederen behorende tot de stuifklassen S1 en S3 van bijlage 3 bij het Activiteitenbesluit milieubeheer vindt plaats in gesloten ruimten.
|
||||
**6.** Het opslaan van goederen behorende tot de stuifklassen S1 en S3 van bijlage 4.6 van de NeR vindt plaats in gesloten ruimten.
|
||||
|
||||
**7.** Bij het in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, lozen van afvalwater dat met de opgeslagen goederen in contact is geweest, bedraagt het gehalte aan onopgeloste stoffen in enig steekmonster niet meer dan 300 milligram per liter.
|
||||
**7.** Bij het in een oppervlaktewaterlichaam of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, lozen van afvalwater dat met de opgeslagen goederen in contact is geweest, bedraagt het gehalte aan onopgeloste stoffen in enig steekmonster niet meer dan 300 milligram per liter.
|
||||
|
||||
**8.** Bij het in een oppervlaktewaterlichaam lozen van afvalwater dat met de opgeslagen goederen in contact is geweest, ontstaat geen visuele verontreiniging.
|
||||
**8.** Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift afwijken van het gehalte aan onopgeloste stoffen, bedoeld in het zevende lid, en een lager gehalte aan onopgeloste stoffen bepalen, indien het belang van de bescherming van het milieu tot het stellen van een lager gehalte noodzaakt.
|
||||
|
||||
**9.** Het lozen op of in de bodem van afvalwater dat met de opgeslagen goederen in contact is geweest, is toegestaan.
|
||||
**9.** Het in een vuilwaterriool lozen van afvalwater dat met de opgeslagen goederen in contact is geweest vindt slechts dan plaats, indien lozen als bedoeld in het zevende lid redelijkerwijs niet mogelijk is en het gehalte aan onopgeloste stoffen niet meer bedraagt dan 300 milligram per liter.
|
||||
|
||||
**10.** Het in een vuilwaterriool lozen van afvalwater dat met de opgeslagen goederen in contact is geweest vindt slechts dan plaats, indien lozen als bedoeld in het zevende tot en met het negende lid redelijkerwijs niet mogelijk is en het gehalte aan onopgeloste stoffen niet meer bedraagt dan 300 milligram per liter.
|
||||
**10.** Indien de opgeslagen inerte goederen worden bevochtigd, wordt afvalwater dat met opgeslagen goederen in contact is geweest, zoveel mogelijk voor dit bevochtigen gebruikt.
|
||||
|
||||
**11.** Indien de opgeslagen inerte goederen worden bevochtigd, wordt afvalwater dat met opgeslagen goederen in contact is geweest, zoveel mogelijk voor dit bevochtigen gebruikt.
|
||||
**11.** Het te lozen afvalwater, bedoeld in het zevende en negende lid, kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
|
||||
|
||||
**12.** Het te lozen afvalwater, bedoeld in het zevende en tiende lid kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
|
||||
|
||||
**13.** Indien goederen, niet zijnde inerte goederen, boven een oppervlaktewaterlichaam aanwezig zijn, wordt ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
**12.** Indien goederen, niet zijnde inerte goederen, boven een oppervlaktewaterlichaam aanwezig zijn, wordt ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3.8. Lozen uit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater
|
||||
|
||||
|
|
@ -699,7 +641,7 @@ Het lozen in een oppervlaktewaterlichaam ten gevolge van andere werkzaamheden da
|
|||
|
||||
### Artikel 3.19
|
||||
|
||||
Het lozen in een oppervlaktewaterlichaam ten gevolge van het verplaatsen van algen en bacteriën uit een ander oppervlaktewaterlichaam dat in beheer is bij dezelfde beheerder, is toegestaan indien die werkzaamheden plaatsvinden door of vanwege de beheerder in het kader van het beheer van dat oppervlaktewaterlichaam.
|
||||
Het lozen in een oppervlaktewaterlichaam ten gevolge van het verplaatsen van algen en bacteriën uit een ander oppervlaktewaterlichaam is toegestaan indien het lozen door of in opdracht van de beheerder plaatsvindt.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3.10. Overig lozen
|
||||
|
||||
|
|
@ -732,11 +674,11 @@ b. het gehalte onopgeloste stoffen in enig steekmonster niet meer bedraagt dan 2
|
|||
|
||||
### Artikel 3.22
|
||||
|
||||
**1.** Dit artikel is van toepassing op het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor opslag, transport en distributie van drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet, of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit. Bij het lozen wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het vierde lid.
|
||||
**1.** Dit artikel is van toepassing op het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor opslag, transport en distributie van leidingwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Waterleidingwet. Bij het lozen wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het vierde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Het lozen op of in de bodem is toegestaan indien aan het drinkwater, warm tapwater of huishoudwater geen chemicaliën zijn toegevoegd en als gevolg van het lozen geen wateroverlast ontstaat.
|
||||
**2.** Het lozen op of in de bodem is toegestaan indien aan het leidingwater geen chemicaliën zijn toegevoegd en als gevolg van het lozen geen wateroverlast ontstaat.
|
||||
|
||||
**3.** Het lozen in een oppervlaktewaterlichaam of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, is toegestaan, indien aan het drinkwater, warm tapwater of huishoudwater geen chemicaliën zijn toegevoegd.
|
||||
**3.** Het lozen in een oppervlaktewaterlichaam of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, is toegestaan, indien aan het leidingwater geen chemicaliën zijn toegevoegd.
|
||||
|
||||
**4.** Het lozen vindt slechts dan in een vuilwaterriool plaats, indien het lozen bedoeld in het tweede en het derde lid redelijkerwijs niet mogelijk is.
|
||||
|
||||
|
|
@ -754,102 +696,6 @@ Het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening, is toegestaa
|
|||
|
||||
Het lozen ten gevolge van het in een oppervlaktewaterlichaam individueel verstrooien van as door de nabestaande die de zorg voor de asbus heeft, bedoeld in artikel 66a van de Wet op de lijkbezorging, is toegestaan.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.26
|
||||
|
||||
Bij het lozen in een oppervlaktewaterlichaam ten gevolge van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, waaronder onkruidbestrijdingsmiddelen, op of langs spoorwegen worden binnen een afstand van 14 meter vanaf de insteek van dat oppervlaktewaterlichaam geen gewasbeschermingsmiddelen, waaronder onkruidbestrijdingsmiddelen, gebruikt:
|
||||
|
||||
a. met een spuitgeweer dat is voorzien van een werveldop of dat gebruik maakt van een werkdruk van 5 bar of hoger; en
|
||||
b. bij een windsnelheid van meer dan 5 meter per seconde gemeten op spuitdophoogte.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 3a. Algemene regels ten aanzien van bodemenergiesystemen
|
||||
|
||||
### Artikel 3a.1
|
||||
|
||||
Dit hoofdstuk is van toepassing op het installeren en in werking hebben van een gesloten bodemenergiesysteem en het lozen ten gevolge van het installeren en in werking hebben van een open bodemenergiesysteem.
|
||||
|
||||
### Artikel 3a.2
|
||||
|
||||
**1.** Het lozen van spoelwater ten gevolge van het boren ten behoeve van een gesloten bodemenergiesysteem of een open bodemenergiesysteem op de bodem is toegestaan.
|
||||
|
||||
**2.** Het lozen van spoelwater ten gevolge van het ontwikkelen en het onderhoud van een open bodemenergiesysteem in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, is toegestaan.
|
||||
|
||||
**3.** Het lozen van spoelwater ten gevolge van het ontwikkelen en het onderhoud van een open bodemenergiesysteem vindt slechts dan in een vuilwaterriool plaats, indien lozen als bedoeld in het tweede lid redelijkerwijs niet mogelijk is.
|
||||
|
||||
### Artikel 3a.3
|
||||
|
||||
**1.** Indien een redelijk vermoeden bestaat dat in een gesloten bodemenergiesysteem lekkage optreedt, wordt het onmiddellijk buiten werking gesteld en wordt de circulatievloeistof daaruit onmiddellijk verwijderd, tenzij water zonder toevoegingen wordt gebruikt.
|
||||
|
||||
**2.** Bij het opslaan van circulatievloeistof in een buffertank wordt de druk in het systeem continu gemeten en worden voorzieningen toegepast waarmee drukverlagingen kunnen worden gesignaleerd.
|
||||
|
||||
### Artikel 3a.4
|
||||
|
||||
**1.** De temperatuur van de circulatievloeistof in de retourbuis van een gesloten bodemenergiesysteem bedraagt niet minder dan –3°C en niet meer dan 30°C.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag in het belang van een doelmatig gebruik van bodemenergie bij maatwerkvoorschrift een hogere temperatuur dan 30°C toestaan, indien het belang van de bescherming van de bodem zich daartegen niet verzet.
|
||||
|
||||
### Artikel 3a.5
|
||||
|
||||
**1.** Een gesloten bodemenergiesysteem bereikt uiterlijk vijf jaar na de datum van ingebruikneming een moment waarop geen sprake is van een warmteoverschot en herhaalt dit telkens uiterlijk vijf jaar na het laatste moment waarop die situatie werd bereikt.
|
||||
|
||||
**2.** Van een warmteoverschot is sprake indien de hoeveelheid warmte groter is dan de hoeveelheid koude, die, uitgedrukt in MWh, vanaf de datum van ingebruikneming door het systeem aan de bodem zijn toegevoegd.
|
||||
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag kan in het belang van een doelmatig gebruik van bodemenergie bij maatwerkvoorschrift eisen stellen ter beperking van het koudeoverschot dat het systeem aan de bodem mag toevoegen.
|
||||
|
||||
**4.** In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag in het belang van een doelmatig gebruik van bodemenergie bij maatwerkvoorschrift een warmteoverschot toestaan, indien het belang van de bescherming van de bodem zich daartegen niet verzet.
|
||||
|
||||
### Artikel 3a.6
|
||||
|
||||
**1.** Het ontwerp van een gesloten bodemenergiesysteem is afgestemd op aard en omvang van de behoefte aan warmte of koude waarin het systeem voorziet.
|
||||
|
||||
**2.** Een gesloten bodemenergiesysteem levert het energierendement dat bij een doelmatig gebruik en goed onderhoud kan worden behaald.
|
||||
|
||||
**3.** Indien een gesloten bodemenergiesysteem een energierendement levert dat lager is dan in de melding bij de installatie is opgegeven, kan het bevoegd gezag de verplichting opleggen om binnen een daarbij bepaalde termijn onderzoek te verrichten of te laten verrichten waaruit blijkt of wordt voldaan aan het eerste lid, onderscheidenlijk tweede lid.
|
||||
|
||||
**4.** Indien uit het onderzoek, bedoeld in het derde lid, blijkt dat niet wordt voldaan aan het eerste lid, onderscheidenlijk tweede lid, kan het bevoegd gezag de verplichting opleggen binnen een daarbij bepaalde termijn de daarbij aangegeven maatregelen te treffen teneinde te voldoen aan het eerste lid, voor zover dit redelijkerwijs kan worden gevergd, onderscheidenlijk het tweede lid.
|
||||
|
||||
**5.** Dit artikel is niet van toepassing op een systeem dat uitsluitend ten behoeve van een afzonderlijke woning wordt gebruikt.
|
||||
|
||||
### Artikel 3a.7
|
||||
|
||||
**1.** Het in werking hebben van een gesloten bodemenergiesysteem leidt niet tot zodanige interferentie met een eerder geïnstalleerd bodemenergiesysteem, dat het doelmatig functioneren van een van de desbetreffende systemen kan worden geschaad.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Bij de toepassing van het eerste lid wordt rekening gehouden met een eerder geïnstalleerd bodemenergiesysteem, indien:
|
||||
|
||||
a. het een open bodemenergiesysteem betreft waarvoor een vergunning is verleend krachtens artikel 6.4, eerste lid, onder b, van de Waterwet, of dat aan het bevoegd gezag is gemeld krachtens artikel 6.6 van die wet;
|
||||
b. het een gesloten bodemenergiesysteem betreft, dat is geïnstalleerd:
|
||||
|
||||
1° voor het tijdstip van inwerkingtreding van hoofdstuk 3a, indien het in werking hebben van het systeem na dat tijdstip aan het bevoegd gezag is gemeld overeenkomstig artikel 1.10a, vijfde lid, van dit besluit dan wel artikel 1.10 juncto artikel 1.21a, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer;
|
||||
2° na het tijdstip van inwerkingtreding van hoofdstuk 3a, indien de installatie overeenkomstig artikel 1.10a, eerste lid, van dit besluit dan wel artikel 1.10 juncto artikel 1.21a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer aan het bevoegd gezag is gemeld of voor de installatie een omgevingsvergunning is verleend.
|
||||
|
||||
### Artikel 3a.8
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Met betrekking tot het in werking hebben van een gesloten bodemenergiesysteem wordt een registratie bijgehouden die de volgende gegevens bevat:
|
||||
|
||||
a. de temperatuur van de circulatievloeistof in de retourbuis;
|
||||
b. de hoeveelheden warmte en koude die vanaf de datum van ingebruikneming aan de bodem zijn toegevoegd, op zodanige wijze dat daaruit de data kunnen worden afgelezen, waarop aan artikel 3a.5 is voldaan;
|
||||
c. het energierendement dat jaarlijks vanaf de datum van ingebruikneming is behaald.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op een systeem dat uitsluitend ten behoeve van een afzonderlijke woning wordt gebruikt.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de geregistreerde gegevens, bedoeld in het eerste lid, betrekking hebben op een gesloten bodemenergiesysteem met een bodemzijdig vermogen van 70 kW of meer, worden zij binnen drie maanden na afloop van elk kalenderjaar toegezonden aan het bevoegd gezag.
|
||||
|
||||
**4.** Indien de geregistreerde gegevens, bedoeld in het eerste lid, betrekking hebben op een gesloten bodemenergiesysteem met een bodemzijdig vermogen van minder dan 70 kW, worden zij ten minste tien jaar bewaard en ter inzage gehouden.
|
||||
|
||||
### Artikel 3a.9
|
||||
|
||||
Het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van een gesloten bodemenergiesysteem vindt plaats overeenkomstig de daartoe krachtens het Besluit bodemkwaliteit aangewezen normdocumenten door een persoon of instelling, die daartoe beschikt over een erkenning op grond van dat besluit.
|
||||
|
||||
### Artikel 3a.10
|
||||
|
||||
Zo spoedig mogelijk na de beëindiging van het in werking hebben van een gesloten bodemenergiesysteem wordt:
|
||||
|
||||
a. de circulatievloeistof uit de buizen verwijderd, en
|
||||
b. het systeem, zonder daarbij het ondergrondse deel te verwijderen, zodanig opgevuld dat de werking van de oorspronkelijke waterscheidende lagen wordt hersteld.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 4. Wijziging van besluiten
|
||||
|
||||
### Artikel 4.1
|
||||
|
|
@ -880,7 +726,7 @@ Wijzigt het Besluit lozing afvalwater huishoudens.
|
|||
|
||||
### Artikel 5.2
|
||||
|
||||
**1.** In afwijking van artikel 5.1, eerste lid, wordt een ontheffing op grond van de artikelen 14, tweede lid, 24, tweede lid, en 25, tweede lid, van het Lozingenbesluit bodembescherming met betrekking tot het lozen als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder a, of tweede lid, gedurende de resterende termijn van die ontheffing als die ontheffing nog van kracht zou zijn geweest doordat bepaalde artikelen van dit besluit niet in werking zouden zijn getreden, aangemerkt als een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 2.2, derde lid.
|
||||
**1.** In afwijking van artikel 5.1, eerste lid, wordt een ontheffing op grond van de artikelen 14, tweede lid, 24, tweede lid, en 25, tweede lid, van het Lozingenbesluit bodembescherming met betrekking tot het lozen als bedoeld in artikel 2.2, eerste en tweede lid, gedurende de resterende termijn van die ontheffing als die ontheffing nog van kracht zou zijn geweest doordat bepaalde artikelen van dit besluit niet in werking zouden zijn getreden, aangemerkt als een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 2.2, derde lid.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van artikel 5.1, eerste lid, wordt een ontheffing op grond van artikel 10.63, eerste lid van de Wet milieubeheer met betrekking tot het lozen, bedoeld in artikel 3.1, vijfde lid, gedurende de resterende termijn van die ontheffing als die ontheffing nog van kracht zou zijn geweest doordat bepaalde artikelen van dit besluit niet in werking zouden zijn getreden, aangemerkt als een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 3.1, zesde lid, onderdeel b.
|
||||
|
||||
|
|
@ -888,9 +734,7 @@ Wijzigt het Besluit lozing afvalwater huishoudens.
|
|||
|
||||
**4.** Indien onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van de inwerkingtreding van artikel 3.6 het lozen van huishoudelijk afvalwater in het oppervlaktewaterlichaam was toegestaan op grond van artikel 14 van het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater, blijft het lozen toegestaan gedurende de termijn die volgt uit de toepassing van dat artikel.
|
||||
|
||||
**5.** Voor het lozen, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder b, waarvoor op 24 april 2013 een ontheffing gold op grond van artikel 10.63, eerste lid, van de wet, geldt gedurende de op die datum resterende termijn waarvoor de ontheffing was verleend, een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 2.2, derde lid, waarvan de inhoud overeenkomt met de ontheffing.
|
||||
|
||||
**6.** Voor de toepassing van dit artikel worden gegevens die in de aanvraag staan en die geacht worden onderdeel uit te maken van de voorschriften van de ontheffing of de vergunning aangemerkt als voorschriften van de ontheffing of vergunning.
|
||||
**5.** Voor de toepassing van dit artikel worden gegevens die in de aanvraag staan en die geacht worden onderdeel uit te maken van de voorschriften van de ontheffing of de vergunning aangemerkt als voorschriften van de ontheffing of vergunning.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.3
|
||||
|
||||
|
|
@ -937,13 +781,7 @@ b. een verzoek tot het stellen van een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artike
|
|||
|
||||
**2.** Tot het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, is het lozen vanuit een systeem als bedoeld in artikel 10.33, tweede lid, van de Wet milieubeheer, dat plaatsvond op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1, toegestaan.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 5.5. Overgangsrecht met betrekking tot het in werking hebben van een gesloten bodemenergiesysteem
|
||||
|
||||
### Artikel 5.7a
|
||||
|
||||
Hoofdstuk 3a, met uitzondering van artikel 3a.10, is niet van toepassing op het in werking hebben van een gesloten bodemenergiesysteem dat is geïnstalleerd voor het tijdstip van inwerkingtreding van dat hoofdstuk.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 5.6. Slotbepalingen
|
||||
### Paragraaf 5.5. Slotbepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 5.8
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue