From 01eaf0065642264317bf34c2863278a867e40a20 Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Tue, 1 Jan 2002 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2002-01-01 | BWBR0006746 | Voertuigreglement --- amvb/voertuigreglement/BWBR0006746/README.md | 2606 +++++------------- 1 file changed, 615 insertions(+), 1991 deletions(-) diff --git a/amvb/voertuigreglement/BWBR0006746/README.md b/amvb/voertuigreglement/BWBR0006746/README.md index 551870aae02..00a112cd547 100644 --- a/amvb/voertuigreglement/BWBR0006746/README.md +++ b/amvb/voertuigreglement/BWBR0006746/README.md @@ -16,9 +16,7 @@ citeertitel: Voertuigreglement In dit besluit en de daarop berustende regelingen wordt, voor zover niet anders is bepaald, verstaan onder: -a. 24 GHz-kortbereikradarapparatuur: 24 GHz-kortbereikradarapparatuur als bedoeld in bijlage I, onder punt 2.1.13, van richtlijn 72/245/EEG; -a1. aanhangwagen: voertuig dat is bestemd om aan een motorrijtuig te worden gekoppeld, met inbegrip van een oplegger; als aanhangwagen wordt voorts aangemerkt een dolly met een oplegger; -a2. aardopwarmingsvermogen: klimaatopwarmingsvermogen van een gefluoreerd broeikasgas ten opzichte van dat van koolstofdioxide als bedoeld in richtlijn 2006/40/EG; +a. aanhangwagen: voertuig dat is bestemd om aan een motorrijtuig te worden gekoppeld, met inbegrip van een oplegger; als aanhangwagen wordt voorts aangemerkt een dolly met een oplegger; b. achterlicht: licht dat, van de achterzijde gezien, de aanwezigheid van het voertuig kenbaar maakt en een aanwijzing is voor de breedte van het voertuig; c. achteruitrijlicht: licht, bestemd voor het verlichten van de weg achter het voertuig en voor het waarschuwen van de overige weggebruikers dat het voertuig achteruit rijdt of achteruit gaat rijden; d. afsleepdolly: aanhangwagen, bestemd voor het dragen van één van de assen van een voertuig; @@ -27,9 +25,9 @@ e. ambulance: motorrijtuig, bestemd om te worden gebruikt voor ambulancevervoer f. as: geheel van aslichaam met inbegrip van wielgeleidingselementen; f1. ashefinrichting: een op een voertuig vast aangebrachte inrichting om de belasting op de as of assen naar gelang van de beladingstoestand van het voertuig te verlagen of te verhogen; g. asstel: combinatie van twee of meer assen, evenwijdig gelegen op een onderlinge afstand van minder dan 1,80 m; -g1. autogordel: een geheel van banden met sluiting, verstelinrichtingen en bevestigingselementen dat in een motorvoertuig kan worden bevestigd en zodanig is ontworpen dat de kans op verwondingen voor de gebruiker bij botsing of plotselinge vertraging van het voertuig wordt verminderd doordat het de bewegingsmogelijkheid van het lichaam van de gebruiker beperkt en dat mede omvat alle onderdelen die energie kunnen opnemen of waarmee de gordel wordt ingetrokken; +g1: autogordel: een geheel van banden met sluiting, verstelinrichtingen en bevestigingselementen dat in een motorvoertuig kan worden bevestigd en zodanig is ontworpen dat de kans op verwondingen voor de gebruiker bij botsing of plotselinge vertraging van het voertuig wordt verminderd doordat het de bewegingsmogelijkheid van het lichaam van de gebruiker beperkt en dat mede omvat alle onderdelen die energie kunnen opnemen of waarmee de gordel wordt ingetrokken; g2. autonome aanhangwagen: aanhangwagen met minimaal twee assen, waarvan in ieder geval één gestuurd is, en die is uitgerust met een beweegbare trekinrichting die het trekkend voertuig verticaal met minder dan 100 kg belast; als autonome aanhangwagen wordt voorts aangemerkt een gekoppelde dolly met een oplegger; -h. bedrijfsauto: motorrijtuig op vier of meer wielen, niet zijnde een motorrijtuig met beperkte snelheid, een landbouw- of bosbouwtrekker een motorrijtuig op vier wielen als bedoeld in onderdeel *q* of een vierwielige bromfiets, en +h. bedrijfsauto: motorrijtuig op vier of meer wielen, niet zijnde een motorrijtuig met beperkte snelheid, een landbouwtrekker een motorrijtuig op vier wielen als bedoeld in onderdeel *q* of een vierwielige bromfiets, en 1. ingericht voor het vervoer van personen, met meer dan acht zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet meegerekend, of 2. ingericht voor het vervoer van goederen, of @@ -37,111 +35,62 @@ h. bedrijfsauto: motorrijtuig op vier of meer wielen, niet zijnde een motorrijtu 4. ingericht als kampeerauto; in ieder geval wordt als bedrijfsauto aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs als bedrijfsauto is aangeduid; -h1. begrafeniswagen: motorrijtuig, bestemd en speciaal uitgerust voor het vervoer van overledenen; i. bermlicht: licht, bestemd voor het verlichten van de berm rechts voor het voertuig; j. vervallen; k. bestuurde as: as die rechtstreeks door middel van de stuurinrichting door de bestuurder kan worden bediend; l. bestuurd asstel: asstel dat rechtstreeks door middel van de stuurinrichting door de bestuurder kan worden bediend; l1: bevestigingspunten: de delen van de voertuigcarrosserie of van de zitplaatsconstructie of andere delen van het voertuig waaraan autogordels moeten worden vastgemaakt; -m. bromfiets: +m. bromfiets: motorrijtuig op twee of drie wielen, met een door de constructie bepaalde maximum snelheid van niet meer dan 45 km/h, uitgerust met een verbrandingsmotor met een cylinderinhoud van ten hoogste 50 cm3 of met een elektromotor en niet zijnde een gehandicaptenvoertuig; motorrijtuigen die op de in artikel 5.6.1, tweede lid, bedoelde wijze zijn voorzien van één of twee gele of oranje platen dan wel gele of oranje vlakken, worden mede als bromfiets aangemerkt; als bromfietsen worden voorts aangemerkt vierwielige motorrijtuigen: -a. motorrijtuig op twee wielen, met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km/h, uitgerust met een verbrandingsmotor met een cilinderinhoud van niet meer dan 50 cm^3 of een elektromotor met een nominaal continu maximumvermogen van niet meer dan 4 kW, niet zijnde een gehandicaptenvoertuig; -b. motorrijtuig op drie wielen, met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km/h, niet zijnde een gehandicaptenvoertuig, uitgerust met: - -1°. een motor met elektrische ontsteking met een cilinderinhoud van niet meer dan 50 cm^3, -2°. een motor met inwendige verbranding en een netto maximumvermogen van niet meer dan 4 kW voor andere dan onder 1° genoemde motoren, of -3°. een elektromotor met een nominaal continu maximumvermogen van niet meer dan 4 kW; dan wel -c. motorrijtuig op vier wielen, niet zijnde een gehandicaptenvoertuig, met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km/h en een ledige massa van minder dan 350 kg, de massa van de batterijen in elektrische voertuigen niet inbegrepen, uitgerust met: - -1°. een motor met elektrische ontsteking met een cilinderinhoud van niet meer dan 50 cm^3, -2°. een motor met inwendige verbranding en een netto maximumvermogen van niet meer dan 4 kW voor andere dan onder 1° genoemde motoren, of -3°. een elektromotor met een nominaal continu maximumvermogen van niet meer dan 4 kW. - -In ieder geval wordt als bromfiets aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs als bromfiets is aangeduid; -n. bus: bedrijfsauto, ingericht en blijkens het kentekenbewijs bestemd voor het vervoer van personen, met meer dan acht zitplaatsen de bestuurderszitplaats niet meegerekend; als bus wordt in ieder geval aangemerkt een bus van één van de volgende categorieën: - -– klasse I: categorie bussen met een capaciteit van meer dan 22 passagiers, de bestuurder niet meegerekend, gebouwd met ruimte voor staande passagiers, zodat passagiers vaak kunnen in- en uitstappen; -– klasse II: categorie bussen met een capaciteit van meer dan 22 personen, de bestuurder niet meegerekend, voornamelijk gebouwd voor het vervoer van zittende passagiers en ontworpen voor het vervoer van staande passagiers in het gangpad of op een oppervlak dat niet groter is dan de ruimte voor twee dubbele zitplaatsen; -– klasse III: categorie bussen met een capaciteit van meer dan 22 personen, de bestuurder niet meegerekend, uitsluitend gebouwd voor het vervoer van zittende passagiers; -– klasse A: categorie bussen met een capaciteit van ten hoogste 22 personen, de bestuurder niet meegerekend, gebouwd voor het vervoer van staande passagiers en tevens voorzien van zitplaatsen; -– klasse B: categorie bussen met een capaciteit van ten hoogste 22 personen, de bestuurder niet meegerekend, gebouwd voor het vervoer van zittende passagiers en zonder voorzieningen voor staande passagiers. -n1. certificaat van overeenstemming: document opgesteld door de fabrikant van een voertuig of van een niet-oorspronkelijke technische eenheid of onderdeel van een voertuig, die houder is van een typegoedkeuring als bedoeld in artikel 2 van richtlijn 70/156/EEG, in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van richtlijn 92/61/EEG of in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van richtlijn 2002/24/EG voor dat type voertuig of dat type niet-oorpronkelijke technische eenheid of onderdeel, waaruit blijkt dat eerstbedoeld voertuig of niet-oorspronkelijke technische eenheid of onderdeel overeenstemt met het type waarvoor deze goedkeuring is verleend; -n1a. CNG-installatie: het geheel van gemonteerde onderdelen dat het mogelijk maakt om als brandstof voor de voortstuwingsmotor gebruik te maken van Compressed Natural Gas (CNG); -n2. contourmarkering: opvallende markering die dient om de horizontale en verticale dimensie van een voertuig aan te geven; -n3. dagrijlicht: een licht dat voorwaarts gericht is en wordt gebruikt om het voertuig tijdens het overdag rijden beter zichtbaar te maken. +a. met een ledige massa van minder dan 350 kg, de massa van de batterijen in elektrische voertuigen niet inbegrepen, +b. met een door de constructie bepaalde maximum snelheid van niet meer dan 45 km/h, en +c. uitgerust met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking met een cylinderinhoud van ten hoogste 50 cm3 of uitgerust met een ander type motor met een netto maximum vermogen van ten hoogste 4 kW; +n. bus: bedrijfsauto, ingericht en blijkens het kentekenbewijs bestemd voor het vervoer van personen, met meer dan acht zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet meegerekend; +n1. certificaat van overeenstemming: document opgesteld door de fabrikant van een voertuig of van een niet-oorspronkelijke technische eenheid of onderdeel van een voertuig, die houder is van een typegoedkeuring als bedoeld in artikel 2 van richtlijn 70/156/EEG of in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van richtlijn 92/61/EEG voor dat type voertuig of dat type niet-oorpronkelijke technische eenheid of onderdeel, waaruit blijkt dat eerstbedoeld voertuig of niet-oorspronkelijke technische eenheid of onderdeel overeenstemt met het type waarvoor deze goedkeuring is verleend; +n2. dagrijlicht: een licht dat voorwaarts gericht is en wordt gebruikt om het voertuig tijdens het overdag rijden beter zichtbaar te maken. o. dimlicht: licht waarmee de weg vóór het voertuig wordt verlicht zonder dat hierdoor andere weggebruikers worden verblind of gehinderd; p. dolly: aanhangwagen, bestemd voor het dragen van de voorzijde van een oplegger dan wel een deel van in de lengte ondeelbare lading; -p1. dubbele verdamper: klimaatregelingssysteem waarin één verdamper in de motorruimte en een andere in een andere ruimte van het voertuig is aangebracht, met dien verstande dat alle overige systemen worden beschouwd als systemen met één verdamper; -q. driewielig motorrijtuig: motorrijtuig op drie symmetrisch geplaatste wielen, met een door de constructie bepaalde maximum snelheid van meer dan 45 km/h of uitgerust met een verbrandingsmotor met een cilinderinhoud van meer dan 50 cm^3, niet zijnde een motorrijtuig met beperkte snelheid, een landbouw- of bosbouwtrekker of een gehandicaptenvoertuig; onder driewielig motorrijtuig wordt mede verstaan een vierwielig motorrijtuig met een motor met een netto maximum vermogen van ten hoogste 15 kW, en met een ledige massa van ten hoogste 400 kg of 550 kg voor voertuigen gebruikt in het goederenvervoer, exclusief de massa van de batterijen in elektrische voertuigen, niet zijnde een vierwielig motorrijtuig als bedoeld in onderdeel m; -q1. EG-goedkeuringsmerk: goedkeuringsmerk als bedoeld in artikel 8 van richtlijn 92/61/EEG of artikel 8 van richtlijn 2002/24/EG; +q. driewielig motorrijtuig: motorrijtuig op drie symmetrisch geplaatste wielen, met een door de constructie bepaalde maximum snelheid van meer dan 45 km/h of uitgerust met een verbrandingsmotor met een cilinderinhoud van meer dan 50 cm^3, niet zijnde een motorrijtuig met beperkte snelheid, een landbouwtrekker of een gehandicaptenvoertuig; onder driewielig motorrijtuig wordt mede verstaan een vierwielig motorrijtuig met een motor met een netto maximum vermogen van ten hoogste 15 kW, en met een ledige massa van ten hoogste 400 kg of 550 kg voor voertuigen gebruikt in het goederenvervoer, exclusief de massa van de batterijen in elektrische voertuigen, niet zijnde een vierwielig motorrijtuig als bedoeld in onderdeel m; +q1. EG-goedkeuringsmerk: goedkeuringsmerk als bedoeld in artikel 8 van richtlijn 92/61/EEG; q2. fabrikant: persoon of organisatie die verantwoordelijk is voor alle aspecten van de goedkeuringsprocedure en die instaat voor de overeenstemming van de productie; -q3. frontbeschermingsinrichting: een afzonderlijke constructie die bedoeld is om het buitenoppervlak boven of onder de tot de originele uitrusting van het voertuig behorende bumper bij een botsing met een object te beschermen, met dien verstande dat hieronder niet worden begrepen constructies met een massa van minder dan 0,5 kg die uitsluitend bedoeld zijn ter bescherming van de lichten; -q4. Geconditioneerd voertuig: voertuig waarvan de vaste of mobiele bovenbouw speciaal is ingericht voor het vervoer van goederen bij een gecontroleerde temperatuur en waarvan de zijwanden, met inbegrip van de isolatie, ten minste 45 mm dik zijn; -q5. gedeeltelijke contourmarkering: contourmarkering die de horizontale dimensie van een voertuig aangeeft door middel van een doorlopende lijn en de verticale dimensie door middel van een markering van de bovenhoeken; -q6. gefluoreerde broeikasgassen: fluorkoolwaterstoffen (HFK’s), perfluorkoolstoffen (PFK’s) en zwavelhexafluoride (SF6) zoals vermeld in bijlage A bij het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (Trb. 1998-170, 1999-110, 2005-1), en preparaten die deze stoffen bevatten, met uitzondering van stoffen waarvan de controle geschiedt uit hoofde van verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 juni 2000 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen (PbEG L 244); +q3. Geconditioneerd voertuig: voertuig waarvan de vaste of mobiele bovenbouw speciaal is ingericht voor het vervoer van goederen bij een gecontroleerde temperatuur en waarvan de zijwanden, met inbegrip van de isolatie, ten minste 45 mm dik zijn; r. gelede bus: bus bestaande uit twee of meer vaste delen die blijvend zijn verbonden door een scharnierende verbinding, waarover de passagiers zich van het ene deel naar het andere kunnen begeven; s. gestuurde as: as die wordt gestuurd door stuurkrachten, veroorzaakt door richtingverandering vanuit het voertuig zelf of vanuit het trekkend voertuig; t. gestuurd asstel: asstel dat wordt gestuurd door stuurkrachten, veroorzaakt door richtingverandering vanuit het voertuig zelf of vanuit het trekkend voertuig; u. groot licht: licht dat de weg vóór het voertuig over een grote afstand verlicht; v. handwagen met motorvermogen: motorrijtuig, hoofdzakelijk bestemd om te worden bestuurd door een voetganger; -v1. herbruikbaarheid: mogelijkheid om onderdelen van autowrakken als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van het Besluit beheer autowrakken opnieuw te gebruiken voor hetzelfde doel als waarvoor zij werden ontworpen; -v2. hoeklicht: licht dat wordt gebruikt voor aanvullende verlichting van het deel van de weg dat zich bij de voorhoek bevindt, aan de kant waarnaar het voertuig gaat draaien; w. hoofdgroeven: brede groeven in het middelste gedeelte van het loopvlak van een band, welk gedeelte ongeveer drievierde deel van de breedte van het loopvlak inneemt; x. gehandicaptenvoertuig: voertuig dat is ingericht voor het vervoer van een gehandicapte, niet breder is dan 1,10 m en niet is uitgerust met een motor, dan wel waarvan de door de constructie bepaalde maximum snelheid niet meer dan 45 km/h bedraagt indien het voertuig is uitgerust met een motor, en niet zijnde een bromfiets; -x1. inrichting voor indirect zicht: een inrichting om het aan het voertuig grenzende gebied waar te nemen dat niet rechtstreeks kan worden waargenomen, zijnde een spiegel, een camera-monitor of een andere inrichting die de bestuurder informatie over het indirecte gezichtsveld geeft; -y. kampeerauto: personenauto of bedrijfsauto, waarvan de constructie woonaccommodatie bevat die ten minste bestaat uit de volgende uitrusting: - -1º. zitplaatsen en een tafel, -2º. slaapaccommodatie die met behulp van de zitplaatsen kan worden gecreëerd, -3º. kookgelegenheid en -4º. opbergfaciliteiten, - -welke vast in de woonafdeling zijn bevestigd, met dien verstande dat de tafel zodanig mag zijn ontworpen dat zij gemakkelijk kan worden verwijderd; +y. kampeerauto: personenauto of bedrijfsauto, waarvan de binnenruimte is ingericht voor het vervoer en verblijf van personen en is voorzien van een vaste kook- en slaapgelegenheid; z. kermis- en circusvoertuig: voertuig, niet zijnde een voertuig op rupsbanden, dat wordt gebruikt voor het kermis- of circusbedrijf; z1: kinderbeveiligingssysteem: een geheel van onderdelen, eventueel bestaande uit een combinatie van riemen of flexibele componenten met een sluiting, verstelinrichtingen en bevestigingselementen, soms tevens voorzien van een zitje of botsingsscherm, dat kan worden bevestigd aan een motorvoertuig, met het oogmerk de kans op verwonding van de gebruiker bij een botsing of een abrupte vertraging van het voertuig te verminderen doordat het de bewegingsmogelijkheid voor het lichaam van de gebruiker beperkt; -z2: klapstoel: extra zitplaats om bij gelegenheid te worden gebruikt en die gewoonlijk is weggeklapt; -z3. klimaatregelingssysteem: apparatuur die hoofdzakelijk bestemd is om de luchttemperatuur en de vochtigheid in de passagiersruimte van een voertuig te doen dalen; +z2: klapstoel: extra zitplaats om bij gelegenheid te worden gebruikt en die gewoonlijk is weggeklapt. aa. lading: alle personen, dieren, goederen, lastdragers, alsmede zonder gebruik van gereedschap van het voertuig los te nemen laad- en losinrichtingen en voertuiguitrustingen, het reservewiel daaronder niet begrepen; -ab. landbouw- of bosbouwtrekker: motorrijtuig op wielen of rupsbanden, met ten minste twee assen en een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet minder dan 6 km/h, die voornamelijk voor tractiedoeleinden is bestemd en in het bijzonder is ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in beweging brengen van bepaalde verwisselbare uitrustingsstukken die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd, of voor het trekken van aanhangwagens voor de land- of bosbouw, welk motorrijtuig kan zijn ingericht om een lading te vervoeren voor landbouw- of bosbouwdoeleinden of kan worden uitgerust met zitplaatsen voor meerijders; -ab1. landbouw- of bosbouwtrekker categorie T1: landbouw- of bosbouwtrekker op wielen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 40 km/h, met een minimumspoorbreedte van de zich het dichtst bij de bestuurder bevindende as van niet minder dan 1150 mm, met een lege massa in rijklare toestand van meer dan 600 kg en met een vrije hoogte boven het wegdek van ten hoogste 1000 mm; -ab2. landbouw- of bosbouwtrekker categorie T2: landbouw- of bosbouwtrekker op wielen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 40 km/h, met een minimumspoorbreedte van minder dan 1150 mm, met een lege massa in rijklare toestand van meer dan 600 kg en met een vrije hoogte boven het wegdek van ten hoogste 600 mm, met dien verstande dat wanneer echter de waarde van de hoogte van het zwaartepunt van de landbouw- of bosbouwtrekker – ten opzichte van het wegdek gemeten –, gedeeld door het gemiddelde van de minimumspoorbreedten van elke as, meer dan 0,90 bedraagt, de door de constructie bepaalde maximumsnelheid beperkt is tot 30 km/h; -ab3. landbouw- of bosbouwtrekker categorie T3: landbouw- of bosbouwtrekker op wielen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 40 km/h, met een lege massa in rijklare toestand van ten hoogste 600 kg; -ab4. landbouw- of bosbouwtrekker categorie T4: landbouw- of bosbouwtrekker voor speciale doeleinden op wielen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 40 km/h; -ab5. landbouw- of bosbouwtrekker categorie T4.2: brede landbouw- of bosbouwtrekker categorie T4 die door zijn grote afmetingen wordt gekenmerkt en die in het bijzonder bestemd is om grote landbouwarealen te bewerken; -ab6. landbouw- of bosbouwtrekker categorie T5: landbouw- of bosbouwtrekker op wielen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 40 km/h; +ab. landbouwtrekker: motorrijtuig met twee of meer assen, voornamelijk bestemd voor tractiedoeleinden en in het bijzonder ontworpen voor het trekken, duwen, dragen, in beweging brengen of aandrijven van werktuigen, machines of aanhangwagens, die zijn bestemd voor gebruik in de landbouw; ac. lastdrager: constructie, met inbegrip van hulpmiddelen, die aan de bumper, op de trekhaak of op het dak van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, of driewielig motorrijtuig is aangebracht en bestemd is voor het vervoer van goederen; ad. ledige massa: massa van het voertuig, in bedrijfsvaardige staat, met inbegrip van een half gevulde brandstoftank, reservedelen en gereedschappen, die tot de normale uitrusting behoren, maar zonder lading en zonder de bestuurder en andere personen, die met het voertuig worden vervoerd, met dien verstande dat in afwijking hiervan voor motorfietsen, driewielige motorrijtuigen en bromfietsen, die in gebruik zijn genomen na 16 juni 1999, de ledige massa wordt bepaald met een lege brandstoftank; -ad1. lege massa in rijklare toestand: massa van een rijklare landbouw- of bosbouwtrekker met inbegrip van de kantelbeveiligingsinrichting, zonder facultatieve accessoires, maar met koelvloeistof, smeermiddelen, brandstof, outillage en bestuurder; -ad2. lijnmarkering: opvallende markering die dient om de horizontale dimensie van een voertuig aan te geven door middel van een doorlopende lijn; -ae. loopvlak: deel van de band dat gemeten symmetrisch ten opzichte van het midden, 50 mm minder bedraagt dan de breedte in de maataanduiding van de band; -ae1. LPG-installatie: het geheel van gemonteerde onderdelen dat het mogelijk maakt om als brandstof voor de voortstuwingsmotor gebruik te maken van Liquefied Petroleum Gas (LPG); +ae. loopvlak: deel van de band in bedrijfsvaardige toestand dat in de stand van rechtuitrijden in contact komt met het wegdek; af. luchtband: band waarin zich in normale, bedrijfsvaardige toestand gas bevindt onder een hogere spanning dan de atmosferische; ag. markeringslicht: licht dat op het breedste punt van het voertuig zo hoog mogelijk is aangebracht, waardoor duidelijk de totale breedte van het voertuig wordt aangegeven; ah. massa in bedrijfsklare toestand: massa van het voertuig met carrosserie, in bedrijfsklare toestand, met inbegrip van koelvloeistof, smeermiddelen, brandstof, reservewiel, gereedschap en bestuurder; voor het vaststellen van de massa moet de tank voor 90% zijn gevuld en wordt het gewicht van de bestuurder op 75 kg gesteld; ai. massieve band: band zonder luchtkamers, geheel vervaardigd van een elastisch materiaal; aj. mechanische koppelinrichting: alle onderdelen en inrichtingen op onderstellen, dragende gedeelten van de carrosserie en het chassis van voertuigen, waarmee het trekkend voertuig en het getrokken voertuig met elkaar kunnen worden verbonden; tevens behoren hiertoe vaste of demontabele onderdelen voor de bevestiging, afstelling of het gebruik van de bovengenoemde koppelinrichtingen; -aj1. meeneemheftruck: motorvoertuig met beperkte snelheid, zonder laadruimte, uitgerust met een hefinrichting waarvan het zwaartepunt van de te heffen last tussen de wielen ligt en dat zelfstandig voor laad- en losactiviteiten kan worden ingezet; ak. metalen band: band waarvan het loopvlak geheel van vormvast materiaal is vervaardigd; al. middenasaanhangwagen: aanhangwagen waarvan de trekinrichting een onbeweeglijk deel vormt, dan wel slechts in- en uitschuifbaar is, en waarbij, bij gelijkmatig verdeelde lading, het trekkend voertuig door de trekinrichting van de aanhangwagen met ten hoogste 10% van de toegestane maximum massa van de aanhangwagen wordt belast, met een maximum van 1000 kg; am. mistlicht aan de achterzijde: licht dat het voertuig bij dichte mist aan de achterzijde beter waarneembaar maakt; an. mistlicht aan de voorzijde: licht, bestemd voor een betere verlichting van de weg bij mist, sneeuwval, hevige regenval of stofwolken; -an1. mobiliteitshandicap: eigenschap welke het gebruik van het openbaar vervoer bemoeilijkt, bijvoorbeeld als gevolg van een lichamelijke, zintuiglijke of geestelijke handicap, meereizende kinderen of meegevoerde goederen; -an2. mogelijke nuttige toepassing: mogelijkheid om met of ten aanzien van onderdelen of materialen van autowrakken als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van het Besluit beheer autowrakken de toepasselijke handelingen, bedoeld in bijlage IIB van richtlijn 75/442/EEG, te verrichten; ao. motorfiets: motorrijtuig op twee wielen, met of zonder zijspanwagen, alsmede een motorrijtuig op drie asymmetrisch geplaatste wielen, met een door de constructie bepaalde maximum snelheid van meer dan 45 km/h of uitgerust met een verbrandingsmotor met een cylinderinhoud van meer dan 50 cm3, niet zijnde een motorrijtuig met beperkte snelheid; in ieder geval wordt als motorfiets aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs als motorfiets is aangeduid; -ap. motorrijtuig met beperkte snelheid: motorrijtuig met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 25 km/h, niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker of een bromfiets, niet ingericht voor het vervoer van personen en ingericht voor het bij op korte afstand van elkaar gelegen plaatsen afleveren of ophalen van goederen; onder motorrijtuig met beperkte snelheid wordt mede verstaan: +ap. motorrijtuig met beperkte snelheid: motorrijtuig met een door de constructie bepaalde maximum snelheid van niet meer dan 25 km/h, niet zijnde een landbouwtrekker of een bromfiets, niet ingericht voor het vervoer van personen, en ingericht voor het bij op korte afstand van elkaar gelegen plaatsen afleveren of ophalen van goederen; onder motorrijtuig met beperkte snelheid wordt mede verstaan: motorrijtuig niet zijnde een landbouwtrekker of een bromfiets, niet ingericht voor het vervoer van personen, en -a. motorrijtuig met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km/h, niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker of een bromfiets, niet ingericht voor het vervoer van personen en wel ingericht voor het uitvoeren van werkzaamheden buiten wegen, aan wegen of aan werken op, in, langs en boven wegen; -b. motorrijtuig met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km/h, met niet meer dan acht zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet meegerekend, niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker of een bromfiets, dat een combinatie vormt met één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen; +1. ingericht voor het uitvoeren van werkzaamheden buiten de wegen; +2. ingericht voor het uitvoeren van werkzaamheden aan wegen of aan werken op, in, langs en boven wegen. ap1. niet-oorspronkelijke technische eenheid of onderdeel: technische eenheid of onderdeel dat behoort tot een ander type dan waarvan het voertuig bij de goedkeuring oorspronkelijk was voorzien en dat uitsluitend mag worden gebruikt ter vervanging van die oorspronkelijke technische eenheid of dat oorspronkelijke onderdeel; aq. ondeelbare lading: lading die ten behoeve van het vervoer over de weg niet in twee of meer ladingen kan worden gesplitst zonder dat zulks overmatige kosten of risico van schade meebrengt en die wegens haar afmetingen of massa niet kan worden vervoerd door een motorrijtuig, aanhangwagen of samenstel van voertuigen dat in alle opzichten aan dit besluit voldoet; -aq1. onderdeel: als onderdeel van een voertuig bedoelde inrichting, die aan de eisen van een bijzondere richtlijn als bedoeld in de artikelen 4 van de richtlijnen 70/156/EEG, 92/61/EEG, 2002/24/EG of 2003/37/EG moet voldoen en waarvan de betrokken bijzondere richtlijn een afzonderlijke typegoedkeuring mogelijk maakt onafhankelijk van een type voertuig; +aq1. onderdeel: als onderdeel van een voertuig bedoelde inrichting, die aan de eisen van een bijzondere richtlijn als bedoeld in de artikelen 4 van de richtlijnen 70/156/EEG of 92/61/EEG moet voldoen en waarvan de betrokken bijzondere richtlijn een afzonderlijke typegoedkeuring mogelijk maakt onafhankelijk van een type voertuig; aq2. oorspronkelijke technische eenheid of onderdeel: technische eenheid of onderdeel van het type waarvan het voertuig bij de typegoedkeuring of de uitbreiding daarvan is voorzien; ar. oplegger: aanhangwagen die is bestemd om aan een motorrijtuig te worden gekoppeld op zodanige wijze, dat een deel ervan op het motorrijtuig rust en dat een aanzienlijk deel van de massa van de oplegger en van zijn lading door het motorrijtuig wordt gedragen; -ar1. opvallende markering: inrichting die dient om een voertuig van de zij- of achterkant gezien meer zichtbaarheid te geven door weerkaatsing van het licht afkomstig van een niet tot dat voertuig behorende lichtbron, waarbij de waarnemer zich nabij deze lichtbron bevindt; as. parkeerlicht: licht, bestemd om de aanwezigheid van een geparkeerd voertuig aan te geven; -at. personenauto: motorrijtuig op vier of meer wielen, niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker, een gehandicaptenvoertuig een motorrijtuig op vier wielen als bedoeld in onderdeel *q* of een vierwielige bromfiets, ingericht voor het vervoer van personen, met niet meer dan acht zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet meegerekend, of een kampeerauto; in ieder geval wordt als personenauto aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs als personenauto is aangeduid; -at1. recycleerbaarheid: mogelijkheid om onderdelen of materialen van autowrakken als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van het Besluit beheer autowrakken voor het oorspronkelijke doel of voor andere doeleinden in een productieproces op te werken, met uitzondering van terugwinning van energie; -at2. referentiemassa: referentiemassa van het voertuig als bedoeld in richtlijn nr. 70/220/EEG van de Raad van de Europese Unie van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten met betrekking tot maatregelen tegen luchtverontreiniging door emissies van motorvoertuigen (PbEG L 236); +at. personenauto: motorrijtuig op vier of meer wielen, niet zijnde een landbouwtrekker, een gehandicaptenvoertuig een motorrijtuig op vier wielen als bedoeld in onderdeel *q* of een vierwielige bromfiets, ingericht voor het vervoer van personen, met niet meer dan acht zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet meegerekend, of een kampeerauto; in ieder geval wordt als personenauto aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs als personenauto is aangeduid; au. remlicht: licht, bestemd om weggebruikers die zich achter het voertuig bevinden kenbaar te maken dat de bestuurder de bedrijfsrem bedient; av. retroreflector: inrichting, bestemd om de aanwezigheid van een voertuig kenbaar te maken door weerkaatsing van het licht afkomstig van een niet tot dat voertuig behorende lichtbron, waarbij de waarnemer zich nabij deze lichten bevindt; aw. richtingaanwijzer: licht, bestemd om andere weggebruikers kenbaar te maken dat de bestuurder het voornemen heeft naar links of naar rechts van richting te veranderen; @@ -149,24 +98,17 @@ ax. richtlicht: licht waarvan de lichtbundel naar wens kan worden gericht; ay. rijdend werktuig: bedrijfsauto of motorrijtuig met beperkte snelheid, ingericht voor het uitvoeren van in hoofdzaak andere werkzaamheden dan het vervoer van goederen of personen; az. samenstel van voertuigen: trekkend voertuig met een of meer aanhangwagens; ba. stadslicht: licht dat, van de voorzijde gezien, de aanwezigheid van het voertuig kenbaar maakt en een aanwijzing is voor de breedte van het voertuig; -ba0. taxi: motorrijtuig, bestemd om te worden gebruikt voor taxivervoer als bedoeld in de Wet Personenvervoer 2000 en dat blijkens het kentekenbewijs is ingericht als taxi; -ba1. technische eenheid: als onderdeel van een voertuig bedoelde inrichting, die aan de eisen van een bijzondere richtlijn als bedoeld in de artikelen 4 van de richtlijnen 70/156/EEG, 92/61/EEG, 2002/24/EG of 2003/37/EG moet voldoen en waarvan de betrokken bijzondere richtlijn een afzonderlijke typegoedkeuring mogelijk maakt uitsluitend in samenhang met een of meer bepaalde typen voertuigen; -ba2. T100-bus: bus, ten aanzien waarvan uit een aantekening op het kentekenbewijs dan wel uit het kentekenregister blijkt dat hij zodanig is ingericht dat hij in aanmerking komt voor een maximumsnelheid van 100 km/h; -bb. trekker: bedrijfsauto, voorzien van een koppeling, bestemd voor het voortbewegen van een oplegger; -bb1. verlicht transparant: verlichting op een voertuig dat uitsluitend informatie biedt over de bestemming of het gebruik van het voertuig, dan wel aanwijzingen weergeeft voor het overige wegverkeer; -bb2. vernieuwde banden: banden als bedoeld in ECE-reglement 108 en ECE-reglement 109; -bc. vervangingskatalysator: een katalysator of een samenstel van katalysatoren die bestemd is of zijn om een originele katalysator op een voertuig te vervangen en waarvoor als technische eenheid volgens de definitie in artikel 4, eerste lid, onderdeel d, van richtlijn 70/156/EEG of artikel 2, vijfde lid, van richtlijn 2002/24/EG typegoedkeuring kan worden verleend; -bc1. verwarmingssysteem op brandstof: verwarmingssysteem dat rechtstreeks op vloeibare of gasvormige brandstof werkt en geen gebruik maakt van de door de aandrijfmotor van het voertuig voortgebrachte afvalwarmte; +ba1. technische eenheid: als onderdeel van een voertuig bedoelde inrichting, die aan de eisen van een bijzondere richtlijn als bedoeld in de artikelen 4 van de richtlijnen 70/156/EEG of 92/61/EEG moet voldoen en waarvan de betrokken bijzondere richtlijn een afzonderlijke typegoedkeuring mogelijk maakt uitsluitend in samenhang met een of meer bepaalde typen voertuigen; +bb. trekker: bedrijfsauto, voorzien van een schotelkoppeling, bestemd voor het voortbewegen van een oplegger; +bc. vervallen; bd. voertuig: motorrijtuig, aanhangwagen, fiets, zijspanwagen, wagen of andere constructie, niet bestemd om langs spoorstaven te worden voortbewogen; onder een andere constructie wordt niet verstaan een kinderwagen, niet-gemotoriseerde rolstoel, kruiwagen of soortgelijke kleine constructie; -bd1. volledige contourmarkering: contourmarkering die de omtrek van het voertuig aangeeft door middel van een doorlopende lijn; -bd2. vooruitkijkspiegel: een spiegel van klasse VI als bedoeld in bijlage I, punt 1.1.1.14 van richtlijn 2003/97/EG; be. waarschuwingsknipperlicht: gelijktijdige werking van alle richtingaanwijzers, bestemd om aan te geven dat het voertuig tijdelijk een bijzonder gevaar oplevert voor andere weggebruikers; bf. wagens: voertuigen, met uitzondering van motorrijtuigen, aanhangwagens, niet-gemotoriseerde gehandicaptenvoertuigen, fietsen en zijspanwagens, doch met inbegrip van handwagens met motorvermogen; bg. werklicht: licht, bestemd voor het verlichten van een plaats waar werkzaamheden worden verricht; bh. wet: Wegenverkeerswet 1994; bi. wielbasis: -1. ten aanzien van vóór 1 april 1983 in gebruik genomen voertuigen: de horizontaal, evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen het hart van de eerste as, van het eerste samenstel van assen of van de koppelingspen en het hart van de laatste as of het hart van het laatste samenstel van assen, +1. ten aanzien van vóór 1 april 1983 in gebruik genomen voertuigen: de horizontaal, evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen het hart van de eerste as, van het eerste asstel of van de koppelingspen en het hart van de laatste as of het hart van het laatste asstel, 2. ten aanzien van na 31 maart 1983 in gebruik genomen voertuigen, niet zijnde opleggers: de horizontaal, evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen het hart van de eerste en het hart van de laatste as van het voertuig, 3. ten aanzien van na 31 maart 1983 in gebruik genomen opleggers: de horizontaal, evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen de verticale hartlijn van de koppelingspen en het hart van de laatste as; bj. zelfsturende as: as die wordt gestuurd doordat, door de wrijving van de banden op het wegdek, de wielen zelfstandig een zodanige stand innemen dat zij de cirkelbaan van het voertuig volgen; @@ -174,21 +116,14 @@ bk. zelfsturend asstel: asstel dat wordt gestuurd doordat, door de wrijving van bl. zijmarkeringslicht: licht dat, van de zijkant gezien, de aanwezigheid van het voertuig kenbaar maakt; bm. zijspanwagen: voertuig, afneembaar verbonden aan de zijkant van een fiets, bromfiets of motorfiets; bn. zitbank: een constructie, die plaats biedt aan tenminste twee volwassenen; -bo. zitplaats: constructie die al dan niet een integrerend deel vormt van de constructie van het voertuig, die plaats biedt aan een volwassen persoon, met dien verstande dat de zitplaats zowel een afzonderlijke zitplaats kan zijn als een gedeelte van een bank dat plaats biedt aan één persoon en die afhankelijk van de richting als volgt wordt aangeduid: - -1. naar voren gerichte zitplaats: zitplaats die kan worden gebruikt terwijl het voertuig in beweging is en die zodanig naar de voorkant van het voertuig is gericht dat het middenlangsvlak van de zitplaats een hoek van minder dan + 10° of – 10° vormt met het middenlangsvlak van het voertuig; -2. naar achteren gerichte zitplaats: zitplaats die kan worden gebruikt terwijl het voertuig in beweging is en die zodanig naar de achterkant van het voertuig is gericht dat het middenlangsvlak van de zitplaats een hoek van minder dan + 10° of – 10° vormt met het middenlangsvlak van het voertuig; -3. zijdelings gerichte zitplaats: zitplaats die, gelet op haar gerichtheid ten opzichte van het middenlangsvlak van het voertuig, niet voldoet aan de onderdelen 1 en 2; +bo. zitplaats: constructie die al dan niet een integrerend deel vormt van de constructie van het voertuig en die plaats biedt aan een volwassen persoon. De zitplaats kan zowel een afzonderlijke zitplaats zijn als een gedeelte van een bank dat plaats biedt aan één persoon; ### Artikel 1.1a -**1.** - In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt voorts verstaan onder: a. verordening 3821/85/EEG: verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (PbEG L 370). b. richtlijn 70/156/EEG: richtlijn nr. 70/156/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 24); -b1. richtlijn 70/220/EEG: richtlijn nr. 70/220/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgeving der Lid-Staten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de luchtverontreiniging door gassen afkomstig van motoren met elektrische ontsteking in motorvoertuigen (PbEG L 76); c. richtlijn 70/221/EEG: richtlijn nr. 70/221/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende reservoirs voor vloeibare brandstof en beschermingsinrichtingen aan de achterzijde van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 76); d. richtlijn 70/222/EEG: richtlijn nr. 70/222/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de plaats en het aanbrengen van de achterste kentekenplaten van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 76); e. richtlijn 70/311/EEG: richtlijn nr. 70/311/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 8 juni 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de stuurinrichtingen van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 133); @@ -199,19 +134,12 @@ i. richtlijn 71/320/EEG: richtlijn nr. 71/320/EEG van de Raad van de Europese Ge j. richtlijn 72/245/EEG: richtlijn nr. 72/245/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 juni 1972 betreffende door voertuigen veroorzaakte radiostoring (elektromagnetische compatibiliteit (PbEG L 152); k. richtlijn 74/60/EEG: richtlijn nr. 74/60/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1973 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de binneninrichting van motorvoertuigen (delen van het interieur met uitzondering van achteruitkijkspiegel(s), plaats van de bedieningsorganen, dak of rol- of schuifdak, rugleuning en achterzijde van de zitplaatsen) (PbEG L 38); l. richtlijn 74/61/EEG: richtlijn nr. 74/61/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1973 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de inrichtingen ter beveiliging tegen het gebruik van motorvoertuigen door onbevoegden (PbEG L 38); -l1. richtlijn 74/151/EEG: richtlijn nr. 74/151/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 maart 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende bepaalde onderdelen en eigenschappen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 84); -l2. richtlijn 74/152/EEG: richtlijn nr. 74/152/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 maart 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de door de constructie bepaalde maximumsnelheid en de laadplatforms van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 84); m. richtlijn 74/297/EEG: richtlijn nr. 74/297/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 juni 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de binneninrichting van motorvoertuigen (gedrag van de stuurinrichting bij botsingen) (PbEG L 165); -m1. richtlijn 74/346/EEG: richtlijn nr. 74/346/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juni 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de achteruitkijkspiegels van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 191); n. richtlijn 74/408/EEG: richtlijn nr. 74/408/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juli 1974 met betrekking tot de zitplaatsen en de bevestiging en hoofdsteunen daarvan in motorvoertuigen (PbEG L 221); o. richtlijn 74/483/EEG: richtlijn nr. 74/483/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 september 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de naar buiten uitstekende delen van motorvoertuigen (PbEG L 266); -o1. richtlijn 75/321/EEG: richtlijn nr. 75/321/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 mei 1975 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de stuurinrichting van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 147); -o2. richtlijn 75/322/EEG: richtlijn nr. 75/322/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 mei 1975 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de onderdrukking van radiostoringen veroorzaakt door motoren met elektrische ontstekingen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 147); -o3. richtlijn 75/442/EEG: richtlijn nr. 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PbEG L 194); p. richtlijn 75/443/EEG: richtlijn nr. 75/443/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1975 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de achteruitrijinrichtingen en de snelheidsmeter van motorvoertuigen (PbEG L 196); q. richtlijn 76/114/EEG: richtlijn nr. 76/114/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 december 1975 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de voorgeschreven platen en gegevens, en de plaats en wijze waarop zij op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan moeten worden aangebracht (PbEG 1976, L 24); r. richtlijn 76/115/EEG: richtlijn nr. 76/115/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 december 1975 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende bevestigingspunten voor veiligheidsgordels van motorvoertuigen (PbEG 1976, L 24); -r1. richtlijn 76/432/EEG: richtlijn nr. 76/432/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 6 april 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de reminrichtingen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 122); s. richtlijn 76/756/EEG: richtlijn nr. 76/756/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de installatie van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 262); t. richtlijn 76/757/EEG: richtlijn nr. 76/757/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende retroflectoren voor motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 262); u. richtlijn 76/758/EEG: richtlijn nr. 76/758/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende markeringslichten, breedtelichten, achterlichten, stoplichten, dagrijlichten en zijmarkeringslichten van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG 27 september 1976, L 262); @@ -219,10 +147,7 @@ v. richtlijn 76/759/EEG: richtlijn nr. 76/759/EEG van de Raad van de Europese Ge w. richtlijn 76/760/EEG: richtlijn nr. 76/760/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de achterkentekenplaatverlichting van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 262); x. richtlijn 76/761/EEG: richtlijn nr. 76/761/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende koplichten van motorvoertuigen voor groot licht en/of dimlicht, alsmede betreffende elektrische gloeilampen voor deze koplichten (PbEG L 262); y. richtlijn 76/762/EEG: richtlijn nr. 76/762/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende mistlichten voor alsmede lampen daarvan, voor motorvoertuigen (PbEG L 262); -y1. richtlijn 76/763/EEG: richtlijn nr. 76/763/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de zitplaatsen voor meerijders op landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 262); -y2. richtlijn 77/311/EEG: richtlijn nr. 77/311/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 maart 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende het geluidsniveau op oorhoogte van bestuurders van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 105); z. richtlijn 77/389/EEG: richtlijn nr. 77/389/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 mei 1977 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake sleepinrichtingen voor motorvoertuigen (PbEG L 145); -z1. richtlijn 77/536/EEG: richtlijn nr. 77/536/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 juni 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de kantelbeveiligingsinrichtingen op landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 220); aa. richtlijn 77/538/EEG: richtlijn nr. 77/538/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 juni 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de mistlichten achter van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 220); ab. richtlijn 77/539/EEG: richtlijn nr. 77/539/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 juni 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende achteruitrijlichten van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 220); ac. richtlijn 77/540/EEG: richtlijn nr. 77/540/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 juni 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende parkeerlichten van motorvoertuigen (PbEG L 220); @@ -231,23 +156,12 @@ ae. richtlijn 77/649/EEG: richtlijn nr. 77/649/EEG van de Raad van de Europese G af. richtlijn 78/316/EEG: richtlijn nr. 78/316/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de binneninrichting van motorvoertuigen (identificatie van bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters) (PbEG 1978, L 81); ag. richtlijn 78/317/EEG: richtlijn nr. 78/317/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1977 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake ontdooiings- en ontwasemingsinrichtingen voor het glasoppervlak van motorvoertuigen (PbEG 1978, L 81); ah. richtlijn 78/318/EEG: richtlijn nr. 78/318/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende ruitewissers en ruitesproeiers van motorvoertuigen (PbEG 1978, L 81); -ai. richtlijn 78/548/EEG: richtlijn nr. 78/548/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 juni 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake de verwarming van het interieur van motorvoertuigen (PbEG L 168), naar de tekst zoals deze luidde op 8 mei 2004; +ai. richtlijn 78/548/EEG: richtlijn nr. 78/548/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 juni 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake de verwarming van het interieur van motorvoertuigen (PbEG L 168); aj. richtlijn 78/549/EEG: richtlijn nr. 78/549/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 juni 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake de wielafschermingen van motorvoertuigen (PbEG L 168); -aj1. richtlijn 78/764/EEG: richtlijn nr. 78/764/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juli 1978 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de bestuurderszitplaats op landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 255); ak. richtlijn 78/932/EEG: richtlijn nr. 78/932/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 oktober 1978 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende hoofdsteunen van zitplaatsen van motorvoertuigen (PbEG L 325); -ak1. richtlijn 78/933/EEG: richtlijn nr. 78/933/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 oktober 1978 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de installatie van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 325); -ak2. richtlijn 79/532/EEG: richtlijn nr. 79/532/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 mei 1979 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de onderdeelgoedkeuring van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 145); -ak3. richtlijn 79/533/EEG: richtlijn nr. 79/533/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 mei 1979 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de sleepinrichting en de achteruitrijinrichtingen van landbouw- en bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 145); -ak4. richtlijn 79/622/EEG: richtlijn nr. 79/622/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juni 1979 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de kantelbeveiligingsinrichtingen op landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (statische proeven; PbEG L 179); -ak5. richtlijn 80/720/EEG: richtlijn nr. 80/720/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juni 1980 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de bedieningsruimte, de toegankelijkheid van de cabine alsmede deuren en ramen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 194); al. richtlijn 80/780/EEG: richtlijn nr. 80/780/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juli 1980 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende achteruitkijkspiegels van tweewielige motorvoertuigen, met of zonder zijspan, en de bevestiging ervan op deze voertuigen (PbEG L 229); am. richtlijn 80/1268/EEG: richtlijn nr. 80/1268/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1980 betreffende de emissie van kooldioxide en het brandstofverbruik van motorvoertuigen (PbEG L 375); an. richtlijn 80/1269/EEG: richtlijn nr. 80/1269/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het motorvermogen van motorvoertuigen (PbEG L 375); -an1. richtlijn 86/297/EEG: richtlijn nr. 86/297/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 mei 1986 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende aftakassen en de beveiliging daarvan bij landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 186); -an2. richtlijn 86/298/EEG: richtlijn nr. 86/298/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 mei 1986 betreffende kantelbeveiligingsinrichtingen aan de achterzijde op land- of bosbouwsmalspoortrekkers (PbEG L 186); -an3. richtlijn 86/415/EEG: richtlijn nr. 86/415/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 24 juli 1986 betreffende de installatie, plaats, werking en identificatie van de bedieningsorganen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 240); -an4. richtlijn 87/402/EEG: richtlijn nr. 87/402/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juni 1987 betreffende vóór de bestuurderszitplaats bevestigende kantelbeveiligingsinrichtingen voor land- of bosbouwsmalspoortrekkers op wielen (PbEG L 220); -an5. richtlijn 89/173/EEG: richtlijn nr. 89/173/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1988 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende bepaalde onderdelen en kenmerken van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 67); ao. richtlijn 89/297/EEG: richtlijn nr. 89/297/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 13 april 1989 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de zijdelingse afscherming (zijdelingse beschermingsinrichtingen) bij bepaalde motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 124); ap. richtlijn 92/6/EEG: richtlijn nr. 92/6/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 februari 1992 betreffende de installatie en het gebruik, in de Gemeenschap, van snelheidsbegrenzers in bepaalde categorieën motorvoertuigen (PbEG L 57); aq. richtlijn 92/21/EEG: richtlijn nr. 92/21/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 31 maart 1992 betreffende massa's en afmetingen van motorvoertuigen van categorie M1 (PbEG L 129); @@ -273,29 +187,8 @@ bj. richtlijn 96/27/EG: richtlijn nr. 96/27/EG van het Europees Parlement en de bk. richtlijn 96/79/EG: richtlijn nr. 96/79/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 1996 betreffende de bescherming van de inzittenden van motorvoertuigen bij frontale botsingen en houdende wijziging van richtlijn nr. 70/156/EEG) (PbEG 1997 L 18); bl. richtlijn 97/24/EG: richtlijn nr. 97/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 juni 1997 betreffende bepaalde onderdelen of eigenschappen van motorvoertuigen op twee of drie wielen (PbEG L 226); bm. richtlijn 97/27/EG: richtlijn nr. 97/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juli 1997 betreffende de massa's en afmetingen van bepaalde categorieën motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en tot wijziging van richtlijn nr. 70/156/EEG (PbEG L 233); -bn. richtlijn 98/14/EG: richtlijn nr. 98/14/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 februari 1998 tot aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van richtlijn 70/156/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lidstaten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 91); -bo. richtlijn 98/91/EG: richtlijn nr. 98/91/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 december 1998 betreffende motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan bestemd voor het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg en tot wijziging van richtlijn nr. 70/156/EEG (PbEG L 11); -bp. richtlijn 2000/7/EG: richtlijn nr. 2000/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 maart 2000 betreffende de snelheidsmeter van twee- of driewielige motorvoertuigen en houdende wijziging van Richtlijn 92/61/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen (PbEG L 106); -bq. richtlijn 2000/40/EG: richtlijn nr. 2000/40/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 juni 2000 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden van motorvoertuigen en houdende wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad (PbEG L 203); -br. richtlijn 2001/56/EG: richtlijn 2001/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 september 2001 inzake de verwarming van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en tot wijziging van richtlijn 70/156/EEG van de Raad en tot intrekking van richtlijn 78/548/EEG van de Raad (PbEG L 292); -bs. richtlijn 2001/85/EG: richtlijn nr. 2001/85/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2001 betreffende speciale voorschriften voor voertuigen bestemd voor het vervoer van passagiers, met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend, en tot wijziging van Richtlijn nr. 70/156/EEG van de Raad en van richtlijn 97/27/EG (PbEG L 42); -bt. richtlijn 2002/24/EG: richtlijn 2002/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 maart 2002 betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen en de intrekking van richtlijn 92/61/EEG (PbEU L 124); -bu. richtlijn 2003/37/EG: richtlijn nr. 2003/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 mei 2003 betreffende de typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers en aanhangwagens, verwisselbare getrokken machines, systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan en tot intrekking van Richtlijn 74/150/EEG van de Raad (PbEU L 171); -bv. richtlijn 2003/97/EG: richtlijn nr. 2003/97/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 november 2003 (PbEG L 25) betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake de typegoedkeuring van inrichtingen voor indirect zicht en van voertuigen met deze inrichtingen, tot wijziging van Richtlijn 70/156/EEG en tot intrekking van Richtlijn 71/127/EEG; -bw. richtlijn 2003/102/EG: richtlijn nr. 2003/102/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 betreffende de bescherming van voetgangers en andere kwetsbare weggebruikers voor en bij een botsing met een motorvoertuig en houdende wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad (PbEG L 321); -bx. richtlijn 2005/55/EG: richtlijn 2005/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 september 2005 inzake typegoedkeuring van zware bedrijfsvoertuigen en motoren voor wat betreft hun emissies (Euro IV en V)(PbEU L 275); -bx1. richtlijn 2005/64/EG: richtlijn nr. 2005/64/EG van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 oktober 2005 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen inzake herbruikbaarheid, recycleerbaarheid en mogelijke nuttige toepassing en tot wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad (PbEU L 310); -by. richtlijn 2005/66/EG: richtlijn nr. 2005/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 oktober 2005 betreffende het gebruik van frontbeschermingsinrichtingen op motorvoertuigen en houdende wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad (PbEU L 309); -bz. richtlijn nr. 2006/40/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 mei 2006 (PbEU L 161) betreffende emissies van klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen en houdende wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van de Europese Unie; -ca. richtlijn 2008/2/EG: richtlijn nr. 2008/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 betreffende het zichtveld en de ruitenwissers van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PbEG L 24). - -**2.** - -In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt voorts verstaan onder: - -a. ECE-reglement 104: VN/ECE-reglement nr. 104 met uniforme eisen betreffende de goedkeuring van retroreflecterende markeringen voor zware en lange voertuigen en hun aanhangwagens, behorende bij de overeenkomst betreffende het aannemen van eenvormige technische eisen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen verleend op basis van deze eisen; -b. ECE-reglement 108: VN/ECE-reglement nr. 108 met uniforme voorschriften betreffende de goedkeuring van de productie van coverbanden voor motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan; -c. ECE-reglement 109: VN/ECE-reglement nr. 109 met uniforme voorschriften betreffende de goedkeuring van de productie van coverbanden voor bedrijfsvoertuigen en aanhangwagens daarvan. +bn. richtlijn 98/91/EG: richtlijn nr. 98/91/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 december 1998 betreffende motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan bestemd voor het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg en tot wijziging van richtlijn nr. 70/156/EEG (PbEG L 11); +bo. richtlijn 2000/7/EG: richtlijn nr. 2000/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 maart 2000 betreffende de snelheidsmeter van twee- of driewielige motorvoertuigen en houdende wijziging van Richtlijn 92/61/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen (PbEG L 106). ### Artikel 1.2 @@ -308,7 +201,7 @@ b. breedte van een voertuig: de horizontale afstand tussen twee verticale vlakke c. hoogte van een voertuig: de verticale afstand tussen het wegdek en een horizontaal vlak dat gaat door het hoogst gelegen deel van het voertuig, gemeten op een horizontaal wegdek in de rijstand; d. lengte van een voertuig of samenstel van voertuigen: de horizontale afstand tussen twee verticale vlakken die loodrecht staan op het middenlangsvlak van het voertuig of het samenstel van voertuigen en gaan door de uiterste voor- en achterzijde van het voertuig of het samenstel, gemeten in de stand van rechtuitrijden op een horizontaal wegdek; de spiegels en de bevestigingsdelen daarvan worden buiten beschouwing gelaten; een zonneklep die niet meer dan 0,20 m voor het voorste verticale vlak, zoals is bepaald bij een niet gemonteerde zonneklep, uitsteekt en die met eenvoudige middelen afneembaar is, wordt buiten beschouwing gelaten. -**2.** Onverminderd het eerste lid worden bij de vaststelling van de afmetingen van bedrijfsauto's en aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 750 kg, met uitzondering van aanhangwagens achter landbouw- of bosbouwtrekkers of achter motorrijtuigen met beperkte snelheid, die krachtens dit besluit zijn voorgeschreven of toegestaan, de door Onze Minister bij ministeriële regeling aan te wijzen delen en onderdelen buiten beschouwing gelaten. +**2.** Onverminderd het eerste lid worden bij de vaststelling van de afmetingen van bedrijfsauto's en aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 750 kg, met uitzondering van aanhangwagens achter landbouwtrekkers of achter motorrijtuigen met beperkte snelheid, die krachtens dit besluit zijn voorgeschreven of toegestaan, de door Onze Minister bij ministeriële regeling aan te wijzen delen en onderdelen buiten beschouwing gelaten. ### Artikel 1.3 @@ -332,9 +225,9 @@ a. dezelfde functie vervullen, b. licht van dezelfde kleur uitstralen, en c. een verlichtingsinrichting vormen waarvan de lichtdoorlatende gedeelten van de lichten op een zelfde verticaal vlak ten minste 60,0% beslaan van het oppervlak van de kleinste rechthoek die om de lichtdoorlatende gedeelten van de lichten kan worden beschreven. -**2.** Onverminderd het bepaalde in het eerste lid geldt voor lichten waarvoor een goedkeuring als bedoeld in richtlijn 76/756/EEG is vereist, tevens dat een dergelijke combinatie als één enkel licht is goedgekeurd. +**2.** Onverminderd het bepaalde in het eerste lid geldt voor lichten waarvoor een goedkeuring als bedoeld in richtlijn 76/756/EEG (*PbEG* 27 september 1976, L 262) is vereist, tevens dat een dergelijke combinatie als één enkel licht is goedgekeurd. -**3.** Het eerste lid, voorzover dit betrekking heeft op voertuigen die niet vallen onder richtlijn 92/61/EEG of richtlijn 2002/24/EG, en het tweede lid zijn niet van toepassing op groot licht, dimlicht en mistlichten aan de voorzijde. +**3.** Het eerste lid voor zover dit betrekking heeft op voertuigen welke niet vallen onder richtlijn 92/61/EEG (*PbEG* 30 juni 1992, L 225) en het tweede lid is niet van toepassing op groot licht, dimlicht en mistlichten aan de voorzijde. ### Artikel 1.6 @@ -348,7 +241,7 @@ Met betrekking tot de verlichting moet voor de bepaling van de hoogte boven het **3.** De in het eerste lid bedoelde bekendmaking vermeldt de vindplaats van de wijzigingsrichtlijn, het artikel of artikelonderdeel waarop de wijziging betrekking heeft, alsmede het in het tweede lid bedoelde tijdstip van inwerkingtreding van de wijzigingsrichtlijn en in voorkomend geval het tijdstip van de toepassing van het in de desbetreffende bekendmaking daarbij te vermelden deelaspect van de wijzigingsrichtlijn of de gewijzigde richtlijn. -**4.** Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de reglementen van de Economische Commissie voor Europa (ECE-Reglementen), met dien verstande dat Onze Minister zorg draagt voor de vertaling van deze gewijzigde reglementen en van de wijze van bekendmaking mededeling doet in de Staatscourant. +**4.** Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de reglementen van de Economische Commissie voor Europa (ECE-Reglementen). ### Artikel 1.8 @@ -370,165 +263,25 @@ Indien van een voertuig het identificatienummer, bedoeld in de hoofdstukken 3 en ### Artikel 1a.1 -**1.** Het is met ingang van 1 oktober 2002 tot 20 oktober 2007 verboden nieuwe personenauto's die niet vergezeld gaan van een krachtens richtlijn nr. 70/156/EEG verleend certificaat van overeenstemming waaruit blijkt dat ter zake van autogordels en bevestigingssystemen wordt voldaan aan de eisen van richtlijn nr. 77/541/EEG zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 2000/3/EG van de Commissie van 22 februari 2000 (PbEG L 53) tot aanpassing aan de stand van de techniek van richtlijn nr. 77/541/EEG van de Raad betreffende veiligheidsgordels en bevestigingssystemen in motorvoertuigen, in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, behoudens in geval een beroep wordt gedaan op artikel 8, tweede lid, van richtlijn nr. 70/156/EEG. - -**2.** Met ingang van 20 oktober 2007 is het verboden nieuwe personenauto’s of bedrijfsauto’s in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, indien deze voor wat betreft de installatie van veiligheidsgordels of beveiligingssystemen niet voldoen aan richtlijn 77/541/EEG en voorzover daarin is voorzien, niet vergezeld gaan van een geldig certificaat van overeenstemming als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van richtlijn 70/156/EEG. - -**3.** Het tweede lid is niet van toepassing op nieuwe personenauto’s en bedrijfsauto’s waarvoor krachtens artikel 2.2, eerste lid, onder a, goedkeuring is verleend en die voldoen aan de krachtens dat artikel gestelde eisen. +Het is met ingang van 1 oktober 2002 verboden nieuwe personenauto's die niet vergezeld gaan van een krachtens richtlijn nr. 70/156/EEG verleend certificaat van overeenstemming waaruit blijkt dat ter zake van autogordels en bevestigingssystemen wordt voldaan aan de eisen van richtlijn nr. 77/541/EEG zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 2000/3/EG van de Commissie van 22 februari 2000 (PbEG L 53) tot aanpassing aan de stand van de techniek van richtlijn nr. 77/541/EEG van de Raad betreffende veiligheidsgordels en bevestigingssystemen in motorvoertuigen, in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, behoudens in geval een beroep wordt gedaan op artikel 8, tweede lid, van richtlijn nr. 70/156/EEG. ### Artikel 1a.2 -**1.** Het is tot 9 november 2004 de fabrikant van een motorfiets, een driewielig motorrijtuig, een bromfiets of een niet-oorspronkelijke technische eenheid of onderdeel van deze voertuigen verboden een voertuig, technische eenheid of onderdeel dat is gebouwd overeenkomstig een ingevolge richtlijn 92/61/EG goedgekeurd type, in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, zonder het voertuig, de technische eenheid of het onderdeel vergezeld te doen gaan van een certificaat van overeenstemming volgens het model, bedoeld in bijlage IV, onderdeel A, van die richtlijn. +**1.** Het is de fabrikant van een motorfiets, een driewielig motorrijtuig of een bromfiets verboden een voertuig dat is gebouwd overeenkomstig een ingevolge richtlijn 92/61/EEG goedgekeurd type, in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, zonder het voertuig vergezeld te doen gaan van een certificaat van overeenstemming volgens het model, bedoeld in bijlage IV, onderdeel A, van die richtlijn. -**2.** Het is met ingang van 9 november 2004 de fabrikant van een motorfiets, een driewielig motorrijtuig, een bromfiets of een niet-oorspronkelijke technische eenheid of onderdeel van deze voertuigen verboden een voertuig, technische eenheid of onderdeel dat is gebouwd overeenkomstig een ingevolge richtlijn 92/61/EEG goedgekeurd type, in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, zonder het voertuig, de technische eenheid of het onderdeel vergezeld te doen gaan van een certificaat van overeenstemming volgens het model, bedoeld in bijlage IV, onderdeel A, van richtlijn 2002/24/EG. +**2.** Het is de fabrikant van niet-oorspronkelijke technische eenheden of onderdelen van de in het eerste lid bedoelde voertuigen verboden zodanige technische eenheden of onderdelen die zijn gebouwd overeenkomstig een ingevolge richtlijn 92/61/EEG goedgekeurd type, in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, zonder de technische eenheid of het onderdeel vergezeld te doen gaan van een certificaat van overeenstemming volgens het model, bedoeld in bijlage IV, onderdeel B, van die richtlijn. -**3.** Het is met ingang van 9 november 2003 de fabrikant van een motorfiets, een driewielig motorrijtuig, een bromfiets of een niet-oorspronkelijke technische eenheid of onderdeel van deze voertuigen verboden een voertuig, technische eenheid of onderdeel dat is gebouwd overeenkomstig een ingevolge richtlijn 2002/24/EG goedgekeurd type, in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, zonder het voertuig, de technische eenheid of het onderdeel vergezeld te doen gaan van een certificaat van overeenstemming volgens het model, bedoeld in bijlage IV, onderdeel A, van die richtlijn. - -**4.** Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing indien de daar bedoelde technische eenheden of onderdelen zijn voorzien van een EG-goedkeuringsmerk overeenkomstig richtlijn 92/61/EG of richtlijn 2002/24/EG. - -**5.** Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op fietsen met trapondersteuning, voorzien van een elektrische hulpmotor met een continu vermogen van maximaal 0,25 kW waarvan de aandrijfkracht geleidelijk vermindert en ten slotte wordt onderbroken wanneer het voertuig een snelheid van 25 km/u bereikt, of eerder, indien de bestuurder ophoudt met trappen, en technische eenheden of onderdelen daarvan. +**3.** Het tweede lid is niet van toepassing indien de daar bedoelde technische eenheden of onderdelen zijn voorzien van een EG-goedkeuringsmerk. ### Artikel 1a.3 -**1.** Het is verboden nieuwe bromfietsen te koop aan te bieden, in voorraad te hebben of af te leveren indien deze niet overeenstemmen met een goedgekeurd type, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van richtlijn 92/61/EEG of richtlijn 2002/24/EG. +**1.** Het is verboden motorfietsen, driewielige motorrijtuigen of bromfietsen, die niet voldoen aan artikel 3.4.1, artikel 3.5.1 onderscheidenlijk artikel 3.6.1 of die niet zijn voorzien van een geldig certificaat van overeenstemming, te koop aan te bieden of af te leveren. -**2.** Het is verboden nieuwe technische eenheden of onderdelen van motorfietsen, driewielige motorrijtuigen of bromfietsen te koop aan te bieden, in voorraad te hebben of af te leveren indien deze niet overeenstemmen met een goedgekeurd type, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van richtlijn 92/61/EEG of richtlijn 2002/24/EG. +**2.** Het is verboden oorspronkelijke technische eenheden of onderdelen van motorfietsen, driewielige motorrijtuigen of bromfietsen die niet voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van richtlijn 92/61/EEG, te koop aan te bieden of af te leveren. -**3.** Het eerste en tweede lid zijn tot 1 december 2003 niet van toepassing op bromfietsen en technische eenheden of onderdelen van motorfietsen, driewielige motorrijtuigen of bromfietsen ten aanzien waarvan een nationale typegoedkeuring is verleend. +**3.** Het is verboden niet-oorspronkelijke technische eenheden of onderdelen van de in het eerste lid bedoelde voertuigen die niet voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van richtlijn 92/61/EEG, of die niet zijn voorzien van een geldig certificaat van overeenstemming, te koop aan te bieden of af te leveren. -**4.** Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op fietsen met trapondersteuning, voorzien van een elektrische hulpmotor met een continu vermogen van maximaal 0,25 kW waarvan de aandrijfkracht geleidelijk vermindert en ten slotte wordt onderbroken wanneer het voertuig een snelheid van 25 km/u bereikt, of eerder, indien de bestuurder ophoudt met trappen, en technische eenheden of onderdelen daarvan. - -**5.** Het eerste lid is niet van toepassing op bromfietsen ten aanzien waarvan een goedkeuring voor een individueel voertuig als bedoeld in artikel 26 van de Wegenverkeerswet 1994 is verleend of op bromfietsen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 6 km/h en technische eenheden of onderdelen daarvan voor zover deze bestemd zijn om op deze bromfietsen te worden gemonteerd. - -### Artikel 1a.4 - -**1.** Met ingang van 10 augustus 2003 is het verboden nieuwe bedrijfsauto's, niet zijnde bussen, met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg te koop aan te bieden, af te leveren of in te voeren indien deze niet voldoen aan de voorschriften van richtlijn 2000/40/EG. - -**2.** Met ingang van 10 augustus 2003 is het verboden beschermingsinrichtingen aan de voorzijde tegen klemrijden als bedoeld in richtlijn 2000/40/EG te koop aan te bieden, af te leveren of in te voeren als technische eenheid, indien deze niet zijn goedgekeurd overeenkomstig richtlijn 2000/40/EG. - -**3.** Met ingang van 11 maart 2010 is het verboden nieuwe personenauto’s, bedrijfsauto’s of aanhangwagens in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, indien deze wat betreft de bescherming aan de achterzijde tegen klemrijden niet voldoen aan Richtlijn 70/221/EEG. - -**4.** Met ingang van 11 maart 2010 is het verboden beschermingsinrichtingen tegen klemrijden die bestemd zijn om aan de achterzijde van personenauto’s, bedrijfsauto’s of aanhangwagens te worden gemonteerd, als technische eenheden in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, indien deze niet voldoen aan Richtlijn 70/221/EEG. - -### Artikel 1a.5 - -**1.** Met ingang van 4 februari 2005 is het verboden nieuwe personenauto's, bedrijfsauto's of aanhangwagens die ter zake van banden niet voldoen aan richtlijn nr. 92/23/EEG, te koop aan te bieden, af te leveren of in te voeren. - -**2.** Met ingang van 1 oktober 2009 is het verboden nieuwe banden, bestemd voor montage op personenauto's, bedrijfsauto's of aanhangwagens, die niet voldoen aan richtlijn nr. 92/23/EEG, te koop aan te bieden, af te leveren of in te voeren. - -**3.** In afwijking van het tweede lid is het daarin bedoelde verbod voor banden van de klassen C1d en C1e als bedoeld in bijlage V, punt 2.4 en 4.2.1, van richtlijn nr. 92/23/EEG, van toepassing met ingang van 1 oktober 2010, respectievelijk 1 oktober 2011. - -**4.** Het is verboden vernieuwde banden, bestemd voor montage op personenauto’s, bedrijfsauto’s of aanhangwagens, waarvan het productieproces niet voldoet aan ECE-reglement 108 of 109, te koop aan te bieden, af te leveren of in te voeren. - -### Artikel 1a.6 - -**1.** Het is verboden veiligheidsruiten of materialen voor ruiten, bestemd voor montage op nieuwe personenauto's, bedrijfsauto's of aanhangwagens, die niet voldoen aan richtlijn 92/22/EEG, te koop aan te bieden, af te leveren of in te voeren. - -**2.** - -Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor veiligheidsruiten en materialen voor ruiten: - -a. bestemd voor montage op voertuigen waarop richtlijn 70/156/EEG niet van toepassing is of die met betrekking tot dit aspect van de toepassing van deze richtlijn zijn vrijgesteld; -b. die voldoen aan artikel 2, vierde lid van richtlijn nr. 2001/92/EG van de Europese Commissie van 30 oktober 2001 tot aanpassing aan de technische vooruitgang van Richtlijn 92/22/EEG van de Raad betreffende veiligheidsruiten en materialen voor ruiten van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 291). - -### Artikel 1a.7 - -**1.** Het is verboden om radarontvangstapparaten die geschikt zijn om de aanwezigheid aan te tonen van een apparaat dat tot doel heeft om een overschrijding van de maximumsnelheid vast te stellen, in te voeren, te koop aan te bieden, in voorraad te hebben of af te leveren. - -**2.** Het eerste lid geldt niet voor de apparaten die in Nederland worden ingevoerd en waarvan door middel van handelsbescheiden wordt aangetoond dat de apparaten aansluitend worden uitgevoerd naar een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen. - -### Artikel 1a.8 - -**1.** Met ingang van 9 mei 2005 is het verboden nieuwe personenauto's te koop aan te bieden, in voorraad te hebben of af te leveren, indien deze zijn voorzien van een verwarmingssysteem dat niet voldoet aan richtlijn 2001/56/EG. - -**2.** Met ingang van 9 mei 2005 is het verboden verwarmingssystemen op brandstof voor personenauto's, bedrijfsauto's en aanhangwagens te koop aan te bieden, in voorraad te hebben of af te leveren, indien deze niet voldoen aan richtlijn 2001/56/EG. - -**3.** Het eerste lid is niet van toepassing op voertuigen waarvoor krachtens artikel 2.2 een goedkeuring is verleend en deze voertuigen voldoen aan de krachtens dat artikel gestelde eisen. - -### Artikel 1a.9 - -**1.** Met ingang van 25 mei 2007 is het verboden nieuwe personenauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg of nieuwebedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, niet zijnde bussen, in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, indien deze wat betreft frontbeschermingsinrichtingen niet voldoen aan richtlijn 2005/66/EG, en, voor zover daarin is voorzien, niet vergezeld gaan van een geldig certificaat van overeenstemming als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van richtlijn 70/156/EEG. - -**2.** Met ingang van 25 mei 2007 is het verboden frontbeschermingsinrichtingen die als technische eenheden bestemd zijn voor personenauto’s of bedrijfsauto’s als bedoeld in het eerste lid, in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, indien deze niet voldoen aan richtlijn 2005/66/EG. - -**3.** Met ingang van 31 december 2012 is het verboden nieuwe personenauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 2500 kg en bedrijfsauto’s die van een personenauto zijn afgeleid, met een toegestane maximummassa van niet meer dan 2500 kg te koop aan te bieden, in voorraad te hebben of af te leveren, indien deze niet voldoen aan punt 3.1 of 3.2 van bijlage I van richtlijn 2003/102/EG. - -**4.** Met ingang van 1 september 2015 is het verboden nieuwe personenauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 2500 kg en bedrijfsauto’s die van een personenauto zijn afgeleid, met een toegestane maximummassa van niet meer dan 2500 kg te koop aan te bieden, in voorraad te hebben of af te leveren, indien deze niet voldoen aan punt 3.2 van bijlage I van richtlijn 2003/102/EG. - -### Artikel 1a.10 - -**1.** Het is met ingang van 1 januari 2005 verboden bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg of bussen te koop aan te bieden, af te leveren of in te voeren, indien de snelheidsbegrenzer of het ingebouwde snelheidsbegrenzingssysteem niet voldoet aan het bepaalde in richtlijn 92/24/EEG. - -**2.** Het is met ingang van 1 januari 2005 verboden snelheidsbegrenzers of ingebouwde snelheidsbegrenzingssystemen, bestemd voor het gebruik in bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg of in bussen, te koop aan te bieden, af te leveren of in te voeren, indien deze niet voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/24/EEG. - -### Artikel 1a.11 - -**1.** Met ingang van 26 januari 2007 is het verboden nieuwe bedrijfsauto’s, met uitzondering van bussen, met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg die ter zake van een inrichting voor indirect zicht niet voldoen aan richtlijn 2003/97/EG te koop aan te bieden, af te leveren of in te voeren. - -**2.** Met ingang van 26 januari 2010 is het verboden nieuwe personenauto’s of nieuwe bedrijfsauto’s, met uitzondering van bussen, met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg die ter zake van een inrichting voor indirect zicht niet voldoen aan richtlijn 2003/97/EG te koop aan te bieden, af te leveren of in te voeren. - -**3.** Met ingang van 26 januari 2007 is het verboden nieuwe bussen die ter zake van een inrichting voor indirect zicht niet voldoen aan richtlijn 2003/97/EG te koop aan te bieden, af te leveren of in te voeren. - -**4.** Met ingang van 26 januari 2007 is het verboden inrichtingen voor indirect zicht, bestemd voor montage op bedrijfsauto’s, met uitzondering van bussen, met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, die niet voldoen aan richtlijn 2003/97/EG te koop aan te bieden, af te leveren of in te voeren. - -**5.** Met ingang van 26 januari 2010 is het verboden inrichtingen voor indirect zicht, bestemd voor montage op personenauto’s of op bedrijfsauto’s, met uitzondering van bussen, met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, die niet voldoen aan richtlijn 2003/97/EG te koop aan te bieden, af te leveren of in te voeren. - -**6.** Met ingang van 26 januari 2007 is het verboden inrichtingen voor indirect zicht, bestemd voor montage op bussen, die niet voldoen aan richtlijn 2003/97/EG te koop aan te bieden, af te leveren of in te voeren. - -**7.** Het vijfde en het zesde lid zijn niet van toepassing op inrichtingen voor indirect zicht bestemd voor voertuigen waarvoor krachtens artikel 2.2 een goedkeuring is verleend en welke voldoen aan de krachtens dat artikel gestelde eisen. - -### Artikel 1a.12 - -**1.** Met ingang van 1 januari 2006, of 1 januari 2007 indien het een in fasen gebouwde bedrijfsauto betreft, is het verboden nieuwe bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor, niet zijnde bussen, met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg en met een referentiemassa als bedoeld in richtlijn 80/1268/EEG van niet meer dan 1305 kg te koop aan te bieden, in voorraad te hebben of af te leveren, indien deze niet voldoen aan richtlijn 80/1268/EEG. - -**2.** Met ingang van 1 januari 2008, of 1 januari 2009 indien het een in fasen gebouwde bedrijfsauto betreft, is het verboden nieuwe bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor, niet zijnde bussen, met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg en met een referentiemassa als bedoeld in richtlijn 80/1268/EEG van meer dan 1305 kg doch niet meer dan 3500 kg te koop aan te bieden, in voorraad te hebben of af te leveren, indien deze niet voldoen aan richtlijn 80/1268/EEG. - -**3.** Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor, niet zijnde bussen, met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg die worden vervaardigd in aantallen die niet groter zijn dan tweeduizend per jaar wereldwijd en die zijn voorzien van een motortype waarvoor goedkeuring is verleend overeenkomstig richtlijn 2005/55/EG. - -### Artikel 1a.13 - -**1.** Met ingang van 1 juli 2009 is het verboden nieuwe landbouw- of bosbouwtrekkers in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, indien deze niet overeenstemmen met een goedgekeurd type als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van richtlijn 2003/37/EG, en niet vergezeld gaan van een geldig certificaat van overeenstemming volgens het model, bedoeld in bijlage III, van die richtlijn. - -**2.** Met ingang van 1 juli 2009 is het verboden nieuwe systemen, onderdelen of technische eenheden bestemd voor landbouw- of bosbouwtrekkers in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, indien deze niet overeenstemmen met een goedgekeurd type als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, van richtlijn 2003/37/EG. - -### Artikel 1a.14 - -**1.** Met ingang van 1 januari 2009 is het verboden nieuwe personenauto’s, bedrijfsauto’s en aanhangwagens in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, indien deze voor wat betreft elektromagnetische compatibiliteit niet voldoen aan de bijlagen I tot en met X van richtlijn 72/245/EEG, en, voor zover daarin is voorzien, niet vergezeld gaan van een geldig certificaat van overeenstemming als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van richtlijn 70/156/EEG. - -**2.** Met ingang van 1 januari 2009 is het verboden nieuwe systemen, onderdelen en technische eenheden bestemd voor personenauto’s, bedrijfsauto’s en aanhangwagens in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, indien deze voor wat betreft elektromagnetische compatibiliteit niet voldoen aan de bijlagen I tot en met X van richtlijn 72/245/EEG. - -**3.** Met ingang van 1 juli 2013 is het verboden personenauto’s, bedrijfsauto’s of aanhangwagens die met 24 GHz-kortbereikradarapparatuur zijn uitgerust in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren. - -### Artikel 1a.15 - -**1.** Met ingang van 20 oktober 2007 is het verboden nieuwe personenauto’s of bedrijfsauto’s in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, indien deze voor wat betreft de zitplaatsen en de bevestigingen en hoofdsteunen daarvan, niet voldoen aan richtlijn 74/408/EEG en voorzover daarin is voorzien, niet vergezeld gaan van een geldig certificaat van overeenstemming als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van richtlijn 70/156/EEG. - -**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op nieuwe personenauto’s en bedrijfsauto’s waarvoor krachtens artikel 2.2, eerste lid, onder a, goedkeuring is verleend en die voldoen aan de krachtens dat artikel gestelde eisen. - -### Artikel 1a.16 - -**1.** Met ingang van 20 oktober 2007 is het verboden nieuwe personenauto’s of bedrijfsauto’s in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, indien deze voor wat betreft de bevestigingspunten voor veiligheidsgordels niet voldoen aan richtlijn 76/115/EEG en voorzover daarin is voorzien, niet vergezeld gaan van een geldig certificaat van overeenstemming als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van richtlijn 70/156/EEG. - -**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op nieuwe personenauto’s en bedrijfsauto’s waarvoor krachtens artikel 2.2, eerste lid, onder a, goedkeuring is verleend en die voldoen aan de krachtens dat artikel gestelde eisen. - -### Artikel 1a.17 - -Met ingang van 15 juli 2010 is het verboden nieuwe personenauto’s en bedrijfsauto’s met een maximummassa van niet meer dan 3500 kg in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren, indien deze wat betreft herbruikbaarheid, recycleerbaarheid en mogelijke nuttige toepassing niet voldoen aan richtlijn 2005/64/EG. - -### Artikel 1a.18 - -In afwijking van artikel 1a.3, tweede lid, is het met ingang van 1 januari 2009 verboden vervangingskatalysatoren, die bestemd zijn om te worden geïnstalleerd in voertuigen waarvoor typegoedkeuring is verleend overeenkomstig richtlijn 2002/24/EG, te koop aan te bieden, in voorraad te hebben of af te leveren indien deze niet overeenstemmen met een goedgekeurd type als bedoeld in richtlijn 97/24/EG. - -### Artikel 1a.19 - -**1.** Met ingang van 21 juni 2009 is het verboden nieuwe personenauto’s en bedrijfsauto’s met een referentiemassa van niet meer dan 1305 kg, niet zijnde bussen, die zijn voorzien van een klimaatregelingssysteem dat is ontworpen om gefluoreerde broeikasgassen te bevatten met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150, in voorraad te hebben, te koop aan te bieden of af te leveren indien deze voertuigen wat betreft emissies van het klimaatregelingssysteem niet voldoen aan richtlijn 2006/40/EG en voor zover daarin is voorzien, niet vergezeld gaan van een geldig certificaat van overeenstemming als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van richtlijn 70/156/EEG. - -**2.** - -Het eerste lid is tot en met 31 december 2016 niet van toepassing op nieuwe personenauto’s en bedrijfsauto’s met een referentiemassa van niet meer dan 1305 kg, niet zijnde bussen, die voor zover daarin is voorzien, vergezeld gaan van een geldig certificaat van overeenstemming als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van richtlijn 70/156/EEG en die zijn voorzien van: - -a. een klimaatregelingssysteem met één verdamper voorzover de lekkagewaarden als bedoeld in richtlijn 2006/40/EG, voor het klimaatregelingssysteem niet meer dan 40 g gefluoreerde broeikasgassen per jaar bedragen; -b. een klimaatregelingssysteem met twee verdampers voorzover de lekkagewaarden als bedoeld in richtlijn 2006/40/EG, voor het klimaatregelingssysteem niet meer dan 60 g gefluoreerde broeikasgassen per jaar bedragen. +**4.** Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op motorfietsen, driewielige motorrijtuigen, bromfietsen en technische eenheden of onderdelen daarvan, ten aanzien waarvan een nationale typegoedkeuring of een goedkeuring voor een individueel voertuig als bedoeld in artikel 26 van de wet is verleend. ## Hoofdstuk 2. Toelating tot de weg @@ -542,27 +295,29 @@ De in hoofdstuk 3 genoemde categorieën voertuigen, voertuigonderdelen, uitrusti **1.** -Onze Minister kan bepalen dat goedkeuring kan worden verleend, waarbij niet behoeft te worden voldaan aan de in hoofdstuk 3 voor de betrokken categorie waartoe het voertuig behoort gestelde eisen, voorzover deze door Onze Minister zijn aangewezen, voor: +Onze Minister kan bepalen dat voor: -a. voertuigen die in een kleine serie als bedoeld in artikel 8 van richtlijn 70/156/EEG, artikel 15 van richtlijn 2002/24/EG of artikel 9 van richtlijn 2003/37/EG worden vervaardigd; -b. voertuigen waarvoor een goedkeuring voor een individueel voertuig wordt aangevraagd, als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de wet; -c. voertuigen die zijn vervaardigd voor een speciaal gebruiksdoel. +a. voertuigen die in een kleine serie als bedoeld in artikel 8 van richtlijn 70/156/EEG (*PbEG* 23 februari 1970, L 42), dan wel artikel 15 van richtlijn 92/61/EEG (*PbEG* 10 augustus 1992, L 225) worden vervaardigd, +b. voertuigen die zijn vervaardigd voor een speciaal gebruiksdoel, +c. voertuigen waarin technologieën of concepten zijn verwerkt die wegens hun specifieke aard niet aan een of meer van de voorschriften van EEG-richtlijnen kunnen voldoen en waarvan bij de keuring niet kan worden vastgesteld dan wel slechts op termijn kan worden vastgesteld of aan de in hoofdstuk 3 gestelde eisen wordt voldaan, +d. voertuigen waarvoor een goedkeuring als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de wet wordt gevraagd, -**2.** Voor het verlenen van goedkeuring aan de voertuigen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt artikel 4 van richtlijn 70/156/EEG in acht genomen. +goedkeuring, dan wel in het geval bedoeld onder *c* tijdelijk goedkeuring, kan worden verleend waarbij niet behoeft te worden voldaan aan de in hoofdstuk 3 voor de betrokken categorie waartoe het voertuig behoort, gestelde eisen voorzover deze door Onze Minister zijn aangewezen. Daarbij wordt met betrekking tot de in onderdeel *b* bedoelde voertuigen het bepaalde in artikel 4 van richtlijn 70/156/EEG in acht genomen. -**3.** Onze Minister kan bepalen dat voor voertuigen waarin technologieën of concepten zijn verwerkt, die wegens hun specifieke aard niet aan een of meer van de voorschriften van EG-richtlijnen kunnen voldoen en waarvan bij de keuring niet kan worden vastgesteld dan wel slechts op termijn kan worden vastgesteld of aan de in hoofdstuk 3 gestelde eisen wordt voldaan, tijdelijke goedkeuring kan worden verleend, waarbij niet behoeft te worden voldaan aan de in hoofdstuk 3 voor de betrokken categorie waartoe het voertuig behoort gestelde eisen, voorzover deze door Onze Minister zijn aangewezen. - -**4.** Onze Minister kan in de gevallen, bedoeld in het eerste en derde lid, nadere eisen stellen waaraan het voertuig moet voldoen. +**2.** Onze Minister kan in de gevallen, bedoeld in het eerste lid, nadere eisen stellen waaraan het voertuig moet voldoen. ### Paragraaf 2. Restantvoorraden van voertuigen ### Artikel 2.3 +**1.** + In afwijking van het bepaalde in artikel 24 van de wet kunnen voertuigen op grond van een reeds verleende goedkeuring nog gedurende een periode van een jaar na het van kracht worden van zwaardere eisen, tot het verkeer op de weg worden toegelaten, mits deze goedkeuring: -a. een ingevolge richtlijn 70/156/EEG verleende goedkeuring betreft en voldaan wordt aan de voorwaarden, genoemd in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van richtlijn 70/156/EEG, en bijlage XII.B, eerste alinea, onder 1, bij richtlijn 70/156/EEG; -b. een ingevolge richtlijn 2002/24/EG verleende goedkeuring betreft en voldaan wordt aan de voorwaarden genoemd in artikel 16, eerste lid, van richtlijn 2002/24/EG en bijlage VIII, onder a, bij richtlijn 2002/24/EG. -c. een op basis van nationale eisen verleende goedkeuring betreft en voldaan wordt aan de door Onze Minister gestelde voorwaarden. +a. een ingevolge richtlijn 70/156/EEG (PbEG 23 februari 1970, L 42) verleende goedkeuring betreft en voldaan wordt aan de voorwaarden, genoemd in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van richtlijn 70/156/EEG (PbEG 23 februari 1970, L 42), en bijlage XII.B, eerste alinea, onder 1, bij richtlijn 70/156/EEG (PbEG 23 februari 1970, L 42); +b. een op basis van nationale eisen verleende goedkeuring betreft en voldaan wordt aan de door Onze Minister gestelde voorwaarden. + +**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op voertuigen als bedoeld in artikel 1, tweede en derde lid, van richtlijn 92/61/EEG (PbEG 10 augustus 1992, L 225). ### Paragraaf 3. Beperking reikwijdte eisen toelating @@ -573,11 +328,9 @@ De afdelingen 4, 5 en 6 van hoofdstuk 3 zijn niet van toepassing op: a. motorrijtuigen met een door de constructie bepaalde maximum snelheid van ten hoogste 6 km/h; b. motorrijtuigen die bestemd zijn om door een voetganger te worden meegevoerd; c. motorrijtuigen die bestemd zijn voor gebruik door lichamelijk gehandicapten; -d. landbouw- of bosbouwtrekkers en andere motorrijtuigen die bestemd zijn voor de landbouw of daarmee vergelijkbare doeleinden; +d. landbouwtrekkers en andere motorrijtuigen die bestemd zijn voor de landbouw of daarmee vergelijkbare doeleinden; e. motorrijtuigen met drie symmetrisch geplaatste wielen, waarvan een wiel aan de voorzijde en twee wielen aan de achterzijde, die voornamelijk zijn ontworpen voor gebruik buiten de wegen en voor vrijetijdsbesteding; -f. onderdelen of technische eenheden van de in de onderdelen a tot en met e bedoelde voertuigen voor zover deze niet bestemd zijn om op motorfietsen, driewielige motorrijtuigen of bromfietsen gemonteerd te worden; -g. fietsen met trapondersteuning, voorzien van een elektrische hulpmotor met een continu vermogen van maximaal 0,25 kW waarvan de aandrijfkracht geleidelijk vermindert en ten slotte wordt onderbroken wanneer het voertuig een snelheid van 25 km/u bereikt, of eerder, indien de bestuurder ophoudt met trappen; -h. onderdelen of technische eenheden van de in onderdeel g bedoelde voertuigen. +f. onderdelen of technische eenheden van de in de onderdelen a tot en met e bedoelde voertuigen voor zover deze niet bestemd zijn om op motorfietsen, driewielige motorrijtuigen of bromfietsen gemonteerd te worden. ## Hoofdstuk 3. Eisen toelating @@ -597,7 +350,7 @@ h. onderdelen of technische eenheden van de in onderdeel g bedoelde voertuigen. **1.** Personenauto’s met een verbrandingsmotor, met uitzondering van personenauto’s met een motor die wordt gevoed door al dan niet tot vloeistof verdicht gas, moeten voor het verkrijgen van een typegoedkeuring als bedoeld in richtlijn 70/156/EEG voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de in deze afdeling vermelde eisen, met uitzondering van de eisen, bedoeld in artikel 3.2.13. -**2.** Personenauto’s met een andere dan een verbrandingsmotor moeten voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van richtlijn 92/53/EEG voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de in deze afdeling vermelde eisen, met uitzondering van de eisen, bedoeld in de artikelen 3.2.12, 3.2.13, eerste lid, 3.2.14, 3.2.15 en 3.2.16. +**2.** Personenauto’s met een andere dan een verbrandingsmotor moeten voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van richtlijn 92/53/EEG voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de in deze afdeling vermelde eisen, met uitzondering van de eisen, bedoeld in de artikelen 3.2.12, 3.2.13, eerste en tweede lid, 3.2.14, 3.2.15 en 3.2.16. ### Artikel 3.2.2 @@ -672,13 +425,15 @@ b. indien het een ongeremde aanhangwagen betreft, niet meer dan 750 kg en niet m ### Artikel 3.2.13 -**1.** Het brandstofsysteem van personenauto’s voorzien van een LPG- of CNG-installatie moet voldoen aan de door Onze Minister gestelde eisen. +**1.** De onderdelen van het brandstofsysteem, alsmede de bevestiging daarvan, van personenauto’s die zijn voorzien van een motor die wordt gevoed door een al dan niet tot vloeistof verdicht gas, niet zijnde LPG, moeten voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen. -**2.** Personenauto’s die elektrisch kunnen worden aangedreven, al dan niet in combinatie met een verbrandingsmotor, moeten voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen. +**2.** Het brandstofsysteem van personenauto’s die zijn voorzien van een motor die wordt gevoed door LPG, moet voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen. + +**3.** Personenauto’s die elektrisch kunnen worden aangedreven, al dan niet in combinatie met een verbrandingsmotor, moeten voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen. ### Artikel 3.2.14 -Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 30 september 1974, moeten ter zake van elektromagnetische compatibiliteit voldoen aan het bepaalde in richtlijn 72/245/EEG. +Personenauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking, die in gebruik worden genomen na 30 september 1974, moeten ter zake van radio-ontstoring voldoen aan het bepaalde in richtlijn 72/245/EEG. ### Artikel 3.2.15 @@ -694,7 +449,7 @@ Personenauto’s moeten voor wat betreft geluidproduktie voldoen aan het bepaald ### Artikel 3.2.17 -**1.** Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een achteruitrij-inrichting en van een snelheidsmeter die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 75/443/EEG. Met een snelheidsmeter wordt gelijkgesteld een controleapparaat dat voldoet aan het bepaalde in verordening 3821/85/EEG. +**1.** Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een achteruitrij-inrichting en van een snelheidsmeter die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 75/443/EEG. Met een snelheidsmeter wordt gelijkgesteld een tachograaf die voldoet aan het bepaalde in verordening 3821/85/EEG. **2.** Personenauto’s die in gebruik zijn genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is. @@ -767,11 +522,11 @@ Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voor ### Artikel 3.2.30 -**1.** Personenauto’s met een voorruit, die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een ruitenwisserinstallatie en van een ruitensproeierinstallatie, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 78/318/EEG. +**1.** Personenauto’s met een voorruit, die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een ruitewisserinstallatie en van een ruitesproeierinstallatie, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 78/318/EEG. -**2.** Personenauto’s met een voorruit, die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. +**2.** Personenauto’s met een voorruit, die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitewisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. -**3.** Personenauto’s met een voorruit, die in gebruik worden genomen na 30 september 1971 doch voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie. +**3.** Personenauto’s met een voorruit, die in gebruik worden genomen na 30 september 1971, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitesproeierinstallatie. ### Artikel 3.2.31 @@ -779,15 +534,13 @@ Personenauto’s met een voorruit, die in gebruik worden genomen na 30 september ### Artikel 3.2.32 -**1.** Personenauto’s, in gebruik genomen na 25 januari 2006, voldoen wat inrichtingen voor indirect zicht betreft aan richtlijn 2003/97/EG. +**1.** Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 moeten zijn voorzien van spiegels die voldoen aan en zijn gemonteerd overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 71/127/EEG. -**2.** Personenauto’s, in gebruik genomen na 31 december 1994 doch voor 26 januari 2006, voldoen wat spiegels betreft aan richtlijn 71/127/EEG. +**2.** Personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995 moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en van een binnenspiegel. -**3.** Personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995 moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en van een binnenspiegel. +**3.** Personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995 moeten zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel indien met de binnenspiegel het vereiste gezichtsveld op de weg niet wordt verkregen. Indien de binnenspiegel geen zicht naar achteren mogelijk maakt, behoeft deze niet aanwezig te zijn. -**4.** Personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995 moeten zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel indien met de binnenspiegel het vereiste gezichtsveld op de weg niet wordt verkregen. Indien de binnenspiegel geen zicht naar achteren mogelijk maakt, behoeft deze niet aanwezig te zijn. - -**5.** Spiegels als bedoeld in het derde en het vierde lid moeten voor wat betreft oppervlakte, plaatsing, verstelbaarheid en gezichtsveld voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen. +**4.** Spiegels als bedoeld in het tweede en het derde lid moeten voor wat betreft oppervlakte, plaatsing, verstelbaarheid en gezichtsveld voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen. ### Artikel 3.2.33 @@ -795,9 +548,7 @@ Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voor ### Artikel 3.2.34 -**1.** Personenauto's, in gebruik genomen na 8 mei 2004, voldoen wat verwarmingssystemen betreft aan richtlijn 2001/56/EG. - -**2.** Personenauto's, in gebruik genomen na 31 december 1994 doch voor 9 mei 2004, voldoen wat verwarmingssystemen betreft aan richtlijn 78/548/EEG. +Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een verwarmingsinstallatie die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 78/548/EEG (*PbEG* 26 juni 1978, L 168). ### Artikel 3.2.35 @@ -805,12 +556,7 @@ Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voor **2.** Bij personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, mogen delen van het voertuig waaraan inzittenden zich wanneer zij door een plotselinge vertraging of stilstand van het voertuig naar voren worden geworpen, zouden kunnen stoten, niet zijn uitgevoerd met gevaarlijke scherpe delen of kanten, die het gevaar voor dan wel de ernst van verwondingen zouden kunnen vergroten. -**3.** - -Personenauto’s die in gebruik zijn genomen na 31 december 1994, voldoen terzake van de inrichting, sterkte en bevestiging van zitplaatsen en hoofdsteunen aan de volgende eisen: - -a. indien zij in gebruik zijn genomen voor 20 oktober 2006, voldoen zij voor wat betreft de naar voren gerichte zitplaatsen en hoofdsteunen daarvan aan de richtlijnen 74/408/EEG en 78/932/EEG; -b. indien zij in gebruik zijn genomen na 19 oktober 2006, voldoen zij voor wat betreft de zijdelings gerichte zitplaatsen aan richtlijn 74/408/EEG en voor wat betreft de naar voren gerichte zitplaatsen en hoofdsteunen daarvan aan de richtlijnen 74/408/EEG en 78/932/EEG. +**3.** Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de inrichting, de sterkte en de bevestiging van de naar voren gerichte zitplaatsen en hoofdsteunen voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 74/408/EEG en 78/932/EEG. **4.** @@ -857,16 +603,6 @@ d. de voorste zitplaatsen, indien zij scharnierend zijn, dan wel de rugleuningen **7.** De wielen van personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten doelmatig zijn afgeschermd. -### Artikel 3.2.37a - -**1.** Personenauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 2500 kg die in gebruik worden genomen na 30 september 2005 moeten voor wat betreft de bescherming van voetgangers voor en bij een botsing voldoen aan punt 3.1 of 3.2 van bijlage I bij richtlijn 2003/102/EG. - -**2.** Personenauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 2500 kg die in gebruik worden genomen na 31 augustus 2010 moeten voor wat betreft de bescherming van voetgangers voor en bij een botsing voldoen aan punt 3.2 van bijlage I bij richtlijn 2003/102/EG. - -**3.** Personenauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, die zijn voorzien van een frontbeschermingsinrichting en die in gebruik worden genomen na 24 november 2006, voldoen wat betreft de veiligheid van voetgangers en andere kwetsbare weggebruikers aan richtlijn 2005/66/EG. - -**4.** Het eerste lid is niet van toepassing op voertuigen die, wat de essentiële aspecten van carrosseriebouw en ontwerp voor de A-stijlen betreft, niet verschillen van voertuigtypen waarvoor voor 1 oktober 2005 een typegoedkeuring is verleend. - ### Artikel 3.2.38 De wielen onderscheidenlijk banden van personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1996 mogen niet kunnen aanlopen. @@ -875,17 +611,11 @@ De wielen onderscheidenlijk banden van personenauto’s die in gebruik zijn geno Personenauto’s moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een mogelijkheid tot bevestiging van een kentekenplaat. De bedoelde mogelijkheid moet voor personenauto"s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/222/EEG. -### Artikel 3.2.39a - -**1.** Het klimaatregelingssysteem van personenauto’s die in gebruik worden genomen na 20 juni 2008 is ontworpen om gefluoreerde broeikasgassen te bevatten met een aardopwarmingsvermogen van niet meer dan 150 en voldoet wat betreft emissies aan richtlijn 2006/40/EG. - -**2.** Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor personenauto’s die in gebruik worden genomen voor 1 januari 2011 en die zijn voorzien een klimaatregelingssysteem dat is ontworpen om gefluoreerde broeikasgassen te bevatten met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150, waarbij de lekkagewaarden voor een dergelijk systeem met één verdamper niet meer dan 40 g gefluoreerde broeikasgassen bedragen en voor een systeem met twee verdampers niet meer dan 60 g gefluoreerde broeikasgassen bedragen. - #### Paragraaf 10. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen ### Artikel 3.2.40 -**1.** Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 voldoen wat betreft retroreflecterende voorzieningen, verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen alsmede de installatie daarvan aan richtlijn 76/756/EEG. +**1.** Personenauto’s die in gebruik zijn genomen na 31 december 1994 moeten zijn voorzien van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen die voldoen aan en zijn geïnstalleerd overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG. **2.** Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen van personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995. @@ -893,18 +623,18 @@ Personenauto’s moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een mogelijkheid to Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van: -a. grote lichten en dimlichten, die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEGen 76/761/EEG; +a. grote lichten en dimlichten, die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/761/EEG; b. stadslichten die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG; c. richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten, die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/759/EEG; -d. zijrichtingaanwijzers die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEGen 76/759/EEG; +d. zijrichtingaanwijzers die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/759/EEG; e. achterlichten die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG; f. remlichten die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG, met dien verstande dat een derde remlicht slechts verplicht is indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 september 2000. g. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat, die voldoet aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/760/EEG; h. niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/757/EEG; -i. mistlichten aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 77/538/EEG; -j. een achteruitrijlicht dat voldoet aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 77/539/EEG; +i. een of twee mistlichten aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 77/538/EEG; +j. een of twee achteruitrijlichten die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEGen 77/539/EEG; k. markeringslichten die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG indien het voertuig breder is dan 2,10 m; -l. zijmarkeringslichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG, indien het voertuig langer is dan 6,00 m; +l. zijmarkeringslichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG, indien het voertuig langer is dan 6,00 m; m. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/757/EEG, indien het voertuig langer is dan 6,00 m. ### Artikel 3.2.46 @@ -915,14 +645,12 @@ Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, mogen zijn v a. mistlichten aan de voorzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/762/EEG; b. parkeerlichten die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 77/540/EEG, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m en niet breder dan 2,00 m; -c. zijmarkeringslichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m; +c. zijmarkeringslichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m; d. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/757/EEG, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m; e. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/757/EEG; f. markeringslichten die voldoen aan het bepaalde in de richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG, indien het voertuig breder is dan 1,80 m, doch niet breder dan 2,10 m; -g. een derde remlicht dat voldoet aan het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 oktober 2000; -h. dagrijlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG; -i. en extra achteruitrijlicht dat voldoet aan de richtlijnen 76/756/EEG en 77/539/EEG; -j. twee hoeklichten die voldoen aan richtlijn 76/756/EEG. +g. een derde remlicht dat voldoet aan het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 oktober 2000. +h. dagrijlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG. **2.** @@ -976,10 +704,6 @@ Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de aanwezigheid van een sleepinrichting en de sterkte daarvan voldoen aan het bepaalde in richtlijn 77/389/EEG. -### Artikel 3.2.62 - -Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 14 december 2008 voldoen wat betreft herbruikbaarheid, recycleerbaarheid en mogelijke nuttige toepassing aan richtlijn 2005/64/EG. - ### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s #### Paragraaf 0. Algemeen @@ -988,12 +712,6 @@ Personenauto’s die in gebruik worden genomen na 14 december 2008 voldoen wat Bedrijfsauto’s moeten voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de in deze afdeling vermelde eisen. -### Artikel 3.3.1a - -**1.** Een T100-bus voldoet aan de in deze afdeling en aan de ingevolge artikel 28, eerste lid, van de wet gestelde eisen met betrekking tot de toelating tot het verkeer op de weg van bussen, alsmede aan de bij ministeriële regeling voor T100-bussen vastgestelde eisen. - -**2.** Indien een bus bij keuring door de Dienst Wegverkeer voldoet aan de in het eerste lid gestelde eisen wordt, op verzoek van degene aan wie het kenteken voor de desbetreffende bus is opgegeven, door de Dienst Wegverkeer hiervan onverwijld een aantekening gemaakt op het kentekenbewijs en in het kentekenregister. - ### Artikel 3.3.2 Bedrijfsauto’s moeten: @@ -1023,25 +741,28 @@ Het hart van de opleggerkoppeling van trekkers mag niet achter de achterste as v ### Artikel 3.3.6 -**1.** Bedrijfsauto's, niet zijnde rijdende werktuigen, die in gebruik worden genomen na 31 mei 2002 moeten voor wat betreft afmetingen en wendbaarheid voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/27/EG. +**1.** Bedrijfsauto's die in gebruik worden genomen na 31 mei 2002 moeten voor wat betreft afmetingen en wendbaarheid voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/27/EG. -**2.** Bedrijfsauto's, niet zijnde rijdende werktuigen, die in gebruik worden genomen na 21 juli 1999 doch voor 1 juni 2002 moeten voor wat betreft afmetingen en wendbaarheid voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/27/EG, met uitzondering van het bepaalde in Bijlage I, onderdeel 7.6.2 van die richtlijn. +**2.** Bedrijfsauto's die in gebruik worden genomen na 21 juli 1999 doch voor 1 juni 2002 moeten voor wat betreft afmetingen en wendbaarheid voldoen aan het bepaalde in richtlijn 97/27/EG, met uitzondering van het bepaalde in Bijlage I, onderdeel 7.6.2 van die richtlijn. **3.** Bedrijfsauto's die in gebruik zijn genomen voor 22 juli 1999 mogen: -a. niet langer zijn dan 12,00 m, met uitzondering van bussen met twee assen die niet langer mogen zijn dan 13,50 m, bussen met meer dan twee assen die niet langer mogen zijn dan 15,00 m en gelede bussen die niet langer mogen zijn dan 18,75 m; +a. niet langer zijn dan 12,00 m, met uitzondering van gelede bussen die niet langer mogen zijn dan 18,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, met uitzondering van geconditioneerde voertuigen, die niet breder mogen zijn dan 2,60 m; en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. **4.** Bedrijfsauto's, niet zijnde rijdende werktuigen, die in gebruik zijn genomen voor 22 juli 1999, moeten rijdend naar beide zijden een volledige cirkel kunnen beschrijven binnen een ruimte die wordt begrensd door twee concentrische cirkels, waarvan de buitenste een straal van 12,50 m en de binnenste een straal van 5,30 m heeft, zonder dat een van de buitenpunten van het voertuig buiten de omtrek van de cirkels komt. -**5.** Rijdende werktuigen mogen niet langer of breder zijn dan voor de bruikbaarheid als werktuig noodzakelijk is, met een maximum lengte van 20,00 m en een maximum breedte van 3,00 m. +**5.** -**6.** In afwijking van het eerste tot en met het derde lid mogen kermis- of circusvoertuigen niet langer zijn dan 14,00 m. +In afwijking van het eerste tot en met derde lid mogen: -**7.** In de afmetingen, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren begrepen. +a. rijdende werktuigen niet langer of breder zijn dan voor de bruikbaarheid als werktuig noodzakelijk is, met een maximum lengte van 20,00 m en een maximum breedte van 3,00 m; +b. kermis- of circusvoertuigen niet langer zijn dan 14,00 m. + +**6.** In de afmetingen, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren begrepen. ### Artikel 3.3.7 @@ -1103,9 +824,8 @@ De toegestane maximum massa van een door de bedrijfsauto voort te bewegen aanhan a. de daarvoor door de fabrikant van de bedrijfsauto opgegeven toegestane maximum massa, b. de daarvoor ten aanzien van de sterkte van de koppeling toegestane maximum massa, c. de daarvoor ten aanzien van de sterkte en de bevestiging van de delen van het chassisraam waaraan de koppeling is bevestigd, toegestane maximum massa, -d. de daarvoor ten aanzien van het remsysteem van het trekkend motorrijtuig toegestane maximum massa, -e. de helft van de ledige massa van de bedrijfsauto met een maximum van 750 kg indien het een ongeremde aanhangwagen betreft, en -f. 3.500 kg indien het trekkende voertuig een bus betreft. +d. de daarvoor ten aanzien van het remsysteem van het trekkend motorrijtuig toegestane maximum massa, en +e. de helft van de ledige massa van de bedrijfsauto met een maximum van 750 kg indien het een ongeremde aanhangwagen betreft. **3.** @@ -1114,23 +834,19 @@ In afwijking van het bepaalde in het tweede lid mag de toegestane maximum massa a. 24 000 kg, b. de toegestane maximum massa van de bedrijfsauto, tenzij deze een toegestane maximum massa heeft van meer dan 3 500 kg, of de bedrijfsauto als een terreinvoertuig overeenkomstig Bijlage II, deel A, punt 4, van richtlijn 70/156/EEG kan worden aangemerkt, c. 1,5 maal de toegestane maximum massa van de bedrijfsauto, voorzover de bedrijfsauto als een terreinvoertuig overeenkomstig Bijlage II, deel A, punt 4, van richtlijn 70/156/EEG kan worden aangemerkt, met een maximum van 3 500 kg, -d. 1,5 maal de toegestane maximum massa van de bedrijfsauto, indien de bedrijfsauto een toegestane maximum massa heeft van meer dan 3 500 kg. +d. 1,5 maal de toegestane maximum massa van de bedrijfsauto, indien de bedrijfsauto een toegestane maximum massa heeft van meer dan 3 500 kg, en +e. 12 000 kg, indien: -**4.** In afwijking van het tweede lid mag de toegestane maximum massa van een door een bedrijfsauto met een zelfdragende carrosserie en met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3 500 kg voort te bewegen aanhangwagen niet meer bedragen dan de door de fabrikant van de bedrijfsauto opgegeven toegestane maximum massa. +1°. de achterste as dan wel de achterste assen van de bedrijfsauto niet zijn voorzien van gasvering of van in het kader van de Europese Gemeenschappen als gelijkwaardig aangemerkte vering, of +2°. de afstand van het hart van de koppeling tot de achterste as van de bedrijfsauto meer bedraagt dan 1,20 m indien de bedrijfsauto is voorzien van twee assen, dan wel meer bedraagt dan 1,55 m indien de bedrijfsauto is voorzien van meer dan twee assen. -**5.** In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de toegestane maximum massa van een rijdend werktuig alsmede van een samenstel van een rijdend werktuig en een aanhangwagen meer bedragen dan 50 000 kg doch niet meer dan voor de bruikbaarheid als werktuig noodzakelijk is en niet meer dan 60 000 kg. +**4.** In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de toegestane maximum massa van een rijdend werktuig meer bedragen dan 50 000 kg doch niet meer dan voor de bruikbaarheid als werktuig noodzakelijk is en niet meer dan 60 000 kg. -**6.** Bij bedrijfsauto’s die zodanig zijn ingericht dat buiten de normaal aangedreven as of assen nog een of meer assen kunnen worden aangedreven, worden voor de toepassing van het bepaalde in het eerste tot en met vijfde lid deze incidenteel aangedreven as of assen als aangedreven as of assen aangemerkt mits de snelheid waarmee met ingeschakelde as of assen mag worden gereden, ten minste 60 km/h bedraagt. +**5.** Bij bedrijfsauto’s die zodanig zijn ingericht dat buiten de normaal aangedreven as of assen nog een of meer assen kunnen worden aangedreven, worden voor de toepassing van het bepaalde in het eerste tot en met vierde lid deze incidenteel aangedreven as of assen als aangedreven as of assen aangemerkt mits de snelheid waarmee met ingeschakelde as of assen mag worden gereden, ten minste 60 km/h bedraagt. ### Artikel 3.3.11 -**1.** De last onder de bestuurde as of assen van bedrijfsauto’s mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van het voertuig. - -**2.** Bussen die na 12 februari 2004 in gebruik worden genomen, moeten met betrekking tot hun stabiliteit voldoen aan het bepaalde in bijlage I van richtlijn 2001/85/EG. - -**3.** Gelede bussen die na 12 februari 2004 in gebruik worden genomen, moeten met betrekking tot richtingvastheid voldoen aan bijlage I van richtlijn 2001/85/EG. - -**4.** Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de stabiliteit en de richtingvastheid als bedoeld in het tweede en derde lid. +De last onder de bestuurde as of assen van bedrijfsauto’s mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van het voertuig. #### Paragraaf 3. Motor @@ -1144,13 +860,15 @@ d. 1,5 maal de toegestane maximum massa van de bedrijfsauto, indien de bedrijfsa ### Artikel 3.3.13 -**1.** Het brandstofsysteem van bedrijfsauto’s voorzien van een LPG- of CNG-installatie moet voldoen aan de door Onze Minister gestelde eisen. +**1.** De onderdelen van het brandstofsysteem, alsmede de bevestiging daarvan, van bedrijfsauto’s die zijn voorzien van een motor die wordt gevoed door een al dan niet tot vloeistof verdicht gas, niet zijnde LPG, moeten voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen. -**2.** Bedrijfsauto’s die elektrisch kunnen worden aangedreven, al dan niet in combinatie met een verbrandingsmotor, moeten voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen. +**2.** Het brandstofsysteem van bedrijfsauto’s die zijn voorzien van een motor die wordt gevoed door LPG, moet voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen. + +**3.** Bedrijfsauto’s die elektrisch kunnen worden aangedreven, al dan niet in combinatie met een verbrandingsmotor, moeten voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen. ### Artikel 3.3.14 -Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 30 september 1974, moeten ter zake van elektromagnetische compatibiliteit voldoen aan het bepaalde in richtlijn 72/245/EEG. +Bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking, die in gebruik worden genomen na 30 september 1974, moeten ter zake van radio-ontstoring voldoen aan het bepaalde in richtlijn 72/245/EEG. ### Artikel 3.3.15 @@ -1158,35 +876,19 @@ Bedrijfsauto’s moeten voor wat betreft geluidproduktie voldoen aan het bepaald ### Artikel 3.3.16 -**1.** Bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor moeten voor wat betreft luchtverontreiniging voldoen aan het bepaalde in het Besluit typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging (*Stb.* 1990, 393). - -**2.** - -De volgende bedrijfsauto’s voldoen wat betreft de wijze van meten van het brandstofverbruik aan richtlijn 80/1268/EEG: - -a. bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor, niet zijnde bussen, met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg en een referentiemassa als bedoeld in richtlijn 80/1268/EEG van niet meer dan 1305 kg die in gebruik zijn genomen na 31 december 2004, of na 31 december 2005 indien het een in fasen gebouwde bedrijfsauto betreft; -b. bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor, niet zijnde bussen, met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg en een referentiemassa als bedoeld in richtlijn 80/1268/EEG van meer dan 1305 kg die in gebruik zijn genomen na 31 december 2006, of na 31 december 2007 indien het een in fasen gebouwde bedrijfsauto betreft. - -**3.** Het tweede lid is niet van toepassing op bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor, niet zijnde bussen, met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg die worden vervaardigd in aantallen die niet groter zijn dan tweeduizend per jaar wereldwijd en die zijn voorzien van een motortype waarvoor goedkeuring is verleend overeenkomstig richtlijn 2005/55/EG. +Bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor moeten voor wat betreft luchtverontreiniging voldoen aan het bepaalde in het Besluit typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging (*Stb.* 1990, 393). #### Paragraaf 4. Krachtoverbrenging ### Artikel 3.3.17 -**1.** Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een achteruitrij-inrichting en van een snelheidsmeter die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 75/443/EEG. Met een snelheidsmeter wordt gelijkgesteld een controleapparaat dat voldoet aan het bepaalde in verordening 3821/85/EEG. +**1.** Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een achteruitrij-inrichting en van een snelheidsmeter die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 75/443/EEG. Met een snelheidsmeter wordt gelijkgesteld een tachograaf die voldoet aan het bepaalde in verordening 3821/85/EEG. **2.** Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is. **3.** Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van een inrichting om achteruit te rijden. -**4.** - -De volgende categorieën motorrijtuigen zijn voorzien van een snelheidsbegrenzer die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 92/6/EEG en in richtlijn 92/24/EEG: - -a. bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg, doch niet meer dan 12.000 kg, die na 31 december 2004 in gebruik zijn genomen; -b. bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 12.000 kg, die na 31 december 1987 in gebruik zijn genomen; -c. bussen met een toegestane maximum massa van niet meer dan 10.000 kg, die na 31 december 2004 in gebruik zijn genomen; -d. bussen met een toegestane maximum massa van meer dan 10.000 kg, die na 31 december 1987 in gebruik zijn genomen. +**4.** Bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 12 000 kg, die na 31 december 1987 in gebruik zijn genomen, alsmede bussen met een toegestane maximum massa van meer dan 10 000 kg, die na 31 december 1987 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een snelheidsbegrenzer die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 92/6/EEG en in richtlijn 92/24/EEG. **5.** In afwijking van het vierde lid mag de snelheidsbegrenzer van een bedrijfsauto of bus, die na 31 december 1987 doch vóór 1 januari 1994 in gebruik is genomen, behoren tot een door Onze Minister goedgekeurde soort. @@ -1206,9 +908,7 @@ c. motorrijtuigen waarvan, naar het oordeel van degene die met de afgifte van ke ### Artikel 3.3.18 -**1.** Bedrijfsauto’s moeten sneller kunnen rijden dan 25 km/h. - -**2.** Bedrijfsauto's met een verbrandingsmotor als bedoeld in Bijlage I van richtlijn 80/1269/EEG die in gebruik zijn genomen na 31 december 1994 moeten voor wat betreft de wijze van meten van het motorvermogen voldoen aan het bepaalde in deze richtlijn. +Bedrijfsauto’s moeten sneller kunnen rijden dan 25 km/h. #### Paragraaf 5. Assen @@ -1264,12 +964,6 @@ c. motorrijtuigen waarvan, naar het oordeel van degene die met de afgifte van ke **4.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op rijdende werktuigen. -**5.** Bussen die in gebruik worden genomen na 12 februari 2004, moeten voorzien zijn van een carrosserie en inrichting welke voldoen aan hetgeen voor de onderscheiden klassen is bepaald in richtlijn 2001/85/EG. - -### Artikel 3.3.27a - -Bussen van klasse I die in gebruik worden genomen na 12 februari 2004 alsmede bussen van een andere klasse dan klasse I die na 12 februari 2004 in gebruik worden genomen en voorzien zijn van technische voorzieningen ter verbetering van de toegankelijkheid voor personen met een mobiliteitshandicap, moeten voldoen aan bijlage VII van richtlijn 2001/85/EG. - ### Artikel 3.3.28 Bussen moeten voor wat betreft het gezichtsveld van de bestuurder voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen. @@ -1282,11 +976,11 @@ Bussen moeten voor wat betreft het gezichtsveld van de bestuurder voldoen aan de ### Artikel 3.3.30 -**1.** Bedrijfsauto’s met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. +**1.** Bedrijfsauto’s met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitewisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. -**2.** Bedrijfsauto's met een voorruit, die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, met uitzondering van bussen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie. +**2.** Bedrijfsauto's met een voorruit, die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, met uitzondering van bussen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitesproeierinstallatie. -**3.** Bussen die na 30 juni 1985 in gebruik worden genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie. +**3.** Bussen die na 30 juni 1985 in gebruik worden genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitesproeierinstallatie. ### Artikel 3.3.31 @@ -1296,44 +990,29 @@ Bussen moeten voor wat betreft het gezichtsveld van de bestuurder voldoen aan de ### Artikel 3.3.32 -**1.** Bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 25 januari 2006, voldoen wat inrichtingen voor indirect zicht betreft aan richtlijn 2003/97/EG. +**1.** Bedrijfsauto's moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en van een rechterbuitenspiegel. -**2.** In afwijking van het eerste lid zijn de bepalingen voor vooruitkijkspiegels van toepassing met ingang van 26 januari 2007. +**2.** In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mogen voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en van een binnenspiegel indien met de binnenspiegel het vereiste gezichtsveld op de weg wordt verkregen. -**3.** Bedrijfsauto’s, in gebruik genomen voor 26 januari 2006, zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en van een rechterbuitenspiegel. +**3.** Bedrijfsauto's, bestemd voor het vervoer van goederen, met een toegestane maximum massa van meer dan 7500 kg, alsmede rijdende werktuigen, moeten zijn voorzien van een trottoirspiegel mits deze zodanig op het voertuig kan worden aangebracht dat in elke stand geen enkel punt van de spiegel of van de steun waarop deze is bevestigd, zich op een hoogte van minder dan 2,00 m boven het wegdek bevindt bij een belasting van het voertuig die overeenkomt met de toegestane maximum massa. -**4.** In afwijking van het derde lid mogen voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, in gebruik genomen voor 26 januari 2006, zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en van een binnenspiegel indien met de binnenspiegel het vereiste gezichtsveld op de weg wordt verkregen. +**4.** Bedrijfsauto's, bestemd voor het vervoer van goederen, met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, waarvan de rechterbuitenspiegel niet convex is, en bedrijfsauto's, bestemd voor het vervoer van goederen, met een toegestane maximum massa van meer dan 7500 kg, moeten zijn voorzien van een breedtespiegel. -**5.** Voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 7500 kg, alsmede rijdende werktuigen, in gebruik genomen voor 26 januari 2006, zijn voorzien van een trottoirspiegel mits deze zodanig op het voertuig kan worden aangebracht dat in elke stand geen enkel punt van de spiegel of van de steun waarop deze is bevestigd, zich op een hoogte van minder dan 2,00 m boven het wegdek bevindt bij een belasting van het voertuig die overeenkomt met de toegestane maximum massa. +**5.** Bedrijfsauto's mogen met inachtneming van het bepaalde in richtlijn 71/127/EEG zijn voorzien van meer spiegels dan in de voorgaande leden genoemd. -**6.** Voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, in gebruik genomen voor 26 januari 2006, waarvan de linker- of rechterbuitenspiegel niet convex is, en voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 7500 kg zijn voorzien van een breedtespiegel. +**6.** De spiegels van bedrijfsauto's die in gebruik zijn genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft constructie, plaatsing, verstelbaarheid, afmetingen en gezichtsveld op de weg voldoen aan het bepaalde in de in het vijfde lid bedoelde richtlijn. -**7.** Bedrijfsauto’s, in gebruik genomen voor 26 januari 2006, mogen met inachtneming van richtlijn 71/127/EEG zijn voorzien van meer spiegels dan in de voorgaande leden genoemd. - -**8.** De spiegels van bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 31 december 1994 doch voor 26 januari 2006, voldoen voor wat betreft constructie, plaatsing, verstelbaarheid, afmetingen en gezichtsveld op de weg aan richtlijn 71/127/EEG. - -**9.** De spiegels van bedrijfsauto’s, in gebruik genomen voor 1 januari 1995, voldoen voor wat betreft oppervlakte, plaatsing, verstelbaarheid en gezichtsveld aan de door Onze Minister vastgestelde eisen. - -**10.** In afwijking van het achtste lid mogen bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 14 oktober 2002 doch voor 26 januari 2006, zijn voorzien van een breedtespiegel die voor wat betreft verstelbaarheid, afmetingen en gezichtsveld voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen. +**7.** De spiegels van bedrijfsauto's die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten voor wat betreft oppervlakte, plaatsing, verstelbaarheid en gezichtsveld voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen. ### Artikel 3.3.33 Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de identificatie van bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters voldoen aan het bepaalde in richtlijn 78/316/EEG. -### Artikel 3.3.34 - -Bedrijfsauto's, in gebruik genomen na 8 mei 2004, voldoen wat verwarmingssystemen betreft aan richtlijn 2001/56/EG. - ### Artikel 3.3.35 **1.** Bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 1500 kg, die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de bescherming van de inzittenden bij een ongeval voldoen aan het bepaalde in richtlijn 74/297/EEG. -**2.** - -Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen na 31 december 1994, voldoen terzake van de inrichting, sterkte en bevestiging van zitplaatsen aan de volgende eisen: - -a. indien zij in gebruik zijn genomen voor 20 oktober 2006, voldoen zij voor wat betreft de naar voren gerichte zitplaatsen aan richtlijn 74/408/EEG; -b. indien zij in gebruik zijn genomen na 19 oktober 2006, voldoen zij voor wat betreft de zijdelings en de naar voren gerichte zitplaatsen aan richtlijn 74/408/EEG. +**2.** Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voor wat betreft de inrichting, de sterkte en de bevestiging van de naar voren gerichte zitplaatsen voldoen aan het bepaalde in richtlijn 74/408/EEG. **3.** Bedrijfsauto’s bestemd voor het vervoer van goederen en met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, die in gebruik zijn genomen na 30 september 1998, moeten voor wat betreft de bescherming van de inzittenden bij zijdelingse botsingen voldoen aan het bepaalde in richtlijn 96/27/EG. @@ -1373,22 +1052,10 @@ b. indien zij in gebruik zijn genomen na 19 oktober 2006, voldoen zij voor wat **10.** Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen na 31 december 1969 doch voor 1 januari 1995, moeten zijn voorzien van zijdelingse afscherming, die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen. -**11.** De in het zevende, achtste, negende en tiende lid bedoelde verplichting tot zijdelingse afscherming geldt niet voor trekkers alsmede voor bedrijfsauto’s die zijn gebouwd voor speciale doeleinden en waarbij het om praktische redenen niet mogelijk is zijdelingse afscherming aan te brengen. +**11.** De in het zevende, achtste en negende lid bedoelde verplichting tot zijdelingse afscherming geldt niet voor trekkers alsmede voor bedrijfsauto’s die zijn gebouwd voor speciale doeleinden en waarbij het om praktische redenen niet mogelijk is zijdelingse afscherming aan te brengen. **12.** De wielen van bedrijfsauto's in gebruik genomen na 31 december 1974 moeten zijn afgeschermd overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde eisen. De wielen van bedrijfsauto's die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1975 moeten deugdelijk zijn afgeschermd. -**13.** Bedrijfsauto's, niet zijnde bussen, met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, in gebruik genomen na 9 augustus 2003, moeten zijn voorzien van een beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden die voldoet aan richtlijn 2000/40/EG. - -### Artikel 3.3.37a - -**1.** Bedrijfsauto’s die van een personenauto zijn afgeleid, met een toegestane maximum massa van niet meer dan 2500 kg die in gebruik worden genomen na 30 september 2005 moeten voor wat betreft de bescherming van voetgangers voor en bij een botsing voldoen aan punt 3.1 of 3.2 van bijlage I bij richtlijn 2003/102/EG. - -**2.** Bedrijfsauto’s die van een personenauto zijn afgeleid, met een toegestane maximum massa van niet meer dan 2500 kg die in gebruik worden genomen na 31 augustus 2010 moeten voor wat betreft de bescherming van voetgangers voor en bij een botsing voldoen aan punt 3.2 van bijlage I bij richtlijn 2003/102/EG. - -**3.** Bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, niet zijnde bussen, die zijn voorzien van een frontbeschermingsinrichting en die in gebruik worden genomen na 24 november 2006, voldoen wat betreft de veiligheid van voetgangers en andere kwetsbare weggebruikers aan richtlijn 2005/66/EG. - -**4.** Het eerste lid is niet van toepassing op voertuigen die, wat de essentiële aspecten van carrosseriebouw en ontwerp voor de A-stijlen betreft, niet verschillen van voertuigtypen waarvoor voor 1 oktober 2005 een typegoedkeuring is verleend. - ### Artikel 3.3.38 De wielen onderscheidenlijk banden van bedrijfsauto’s mogen niet kunnen aanlopen. @@ -1397,36 +1064,22 @@ De wielen onderscheidenlijk banden van bedrijfsauto’s mogen niet kunnen aanlop Bedrijfsauto’s moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een mogelijkheid tot bevestiging van een kentekenplaat. De bedoelde mogelijkheid moet voor bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 voldoen aan het bepaalde in richtlijn 70/222/EEG. -### Artikel 3.3.39a - -**1.** Het klimaatregelingssysteem van bedrijfsauto’s met een referentiemassa van niet meer dan 1305 kg, niet zijnde bussen, die in gebruik worden genomen na 20 juni 2008, is ontworpen om gefluoreerde broeikasgassen te bevatten met een aardopwarmingsvermogen van niet meer dan 150 en voldoet wat betreft emissies aan richtlijn 2006/40/EG. - -**2.** Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor bedrijfsauto’s met een referentiemassa van niet meer dan 1305 kg, niet zijnde bussen, die in gebruik worden genomen voor 1 januari 2011 en die zijn voorzien van een klimaatregelingssysteem dat is ontworpen om gefluoreerde broeikasgassen te bevatten met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150, waarbij de lekkagewaarden voor een dergelijk systeem met één verdamper niet meer dan 40 g gefluoreerde broeikasgassen bedragen en voor een systeem met twee verdampers niet meer dan 60 g gefluoreerde broeikasgassen bedragen. - #### Paragraaf 10. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen ### Artikel 3.3.40 -**1.** Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 voldoen wat betreft retroreflecterende voorzieningen, verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen alsmede de installatie daarvan, aan richtlijn 76/756/EEG. +**1.** Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een installatie van verlichting en lichtsignalen alsmede van retroreflecterende voorzieningen overeenkomstig het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG. -**2.** Het eerste lid is wat betreft retroreflecterende voorzieningen en extra richtingaanwijzers als bedoeld in artikel 30a, van het RVV 1990, niet van toepassing op bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, of artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. +**2.** Indien het als gevolg van de constructie van een rijdend werktuig niet mogelijk is de zijrichtingaanwijzers en de zijretroreflectoren aan te brengen op de ingevolge het bepaalde in het eerste lid voorgeschreven plaats, moeten deze lichten en retroreflectoren zo ver mogelijk naar voren tegen de zijkanten van het voertuig zijn geplaatst met inachtneming van de toegestane maximum hoogte waarop deze lichten en retroreflectoren mogen worden geplaatst. -**3.** Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de retroreflecterende striping en de extra richtingaanwijzers, bedoeld in het tweede lid. +**3.** De in de lichtarmaturen toegepaste gloeilampen moeten voldoen aan het bepaalde in Bijlage VII behorende bij Richtlijn 76/761/EEG. -**4.** In afwijking van het eerste lid moeten gelede bussen die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch voor 1 januari 2005, aan de achterzijde van het voertuig zijn voorzien van niet-driehoekige dan wel driehoekige rode retroreflectoren. +**4.** Het derde lid is niet van toepassing ten aanzien van lampen waarbij lichtarmatuur en lichtbron een gesloten eenheid vormen. -**5.** Indien het als gevolg van de constructie van een rijdend werktuig niet mogelijk is de zijrichtingaanwijzers en de zijretroreflectoren aan te brengen op de ingevolge het bepaalde in het eerste lid voorgeschreven plaats, moeten deze lichten en retroreflectoren zo ver mogelijk naar voren tegen de zijkanten van het voertuig zijn geplaatst met inachtneming van de toegestane maximum hoogte waarop deze lichten en retroreflectoren mogen worden geplaatst. - -**6.** De in de lichtarmaturen toegepaste gloeilampen moeten voldoen aan het bepaalde in Bijlage VII behorende bij Richtlijn 76/761/EEG. - -**7.** Het derde lid is niet van toepassing ten aanzien van lampen waarbij lichtarmatuur en lichtbron een gesloten eenheid vormen. - -**8.** Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen van bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995. +**5.** Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen van bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995. ### Artikel 3.3.41 -**1.** - Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van: a. grote lichten en dimlichten, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/761/EEG; @@ -1436,26 +1089,14 @@ d. zijrichtingaanwijzers die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/759/EEG; e. achterlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG; f. remlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG; g. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat, die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 76/760/EEG; -h. niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG; -i. mistlichten aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 77/538/EEG; -j. achteruitrijlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 77/539/EEG; +h. niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG, onderscheidenlijk driehoekige rode retroreflecterende aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG indien het een gelede bus betreft; +i. een of twee mistlichten aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 77/538/EEG; +j. een of twee achteruitrijlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 77/539/EEG; k. markeringslichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG indien het voertuig breder is dan 2,10 m; l. zijmarkeringslichten die voldoen aan het bepaalde in Bijlage IV behorende bij Richtlijn 76/758/EEG, indien het voertuig langer is dan 6,00 m; deze bepaling geldt niet voor chassiscabines; m. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG, indien het voertuig langer is dan 6,00 m; n. een markering aan de achterzijde van het voertuig, die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen, indien de toegestane maximum massa van het voertuig meer bedraagt dan 3500 kg; deze eis geldt niet voor trekkers, voertuigen die zijn ingericht voor het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen, alsmede door Onze Minister aangewezen voertuigen waarvan de bouw, de inrichting of het gebruik zich verzet tegen het aanbrengen van de markering. -**2.** In afwijking van het eerste lid, onderdeel h, moeten gelede bussen die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch voor 1 januari 2005, aan de achterzijde van het voertuig zijn voorzien van driehoekige dan wel niet-driehoekige rode retroreflectoren die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG. - -**3.** Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 9 juli 2008 en met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, niet zijnde bussen, zijn voorzien van een derde remlicht dat voldoet aan de richtlijnen 76/756/EEG en 76/758/EEG. - -**4.** Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 9 juli 2008 en met een toegestane maximum massa van meer dan 7500 kg, niet zijnde bussen, zijn voorzien van opvallende markeringen die zijn geïnstalleerd volgens richtlijn 76/756/EEG en waarvan het gebruikte materiaal voldoet aan ECE-reglement 104. - -**5.** Het vierde lid is niet van toepassing op bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. - -**6.** Binnen de volledige contourmarkering aan de zijkant van het voertuig, bedoeld in het vierde lid, mogen retroreflecterende cijfers, letters of afbeeldingen zijn aangebracht die voldoen aan ECE-reglement 104, met dien verstande dat deze geen nadelige invloed hebben op de effectiviteit van deze contourmarkering en de verplichte lichten en retroreflecterende voorzieningen. In ieder geval mogen de retroreflecterende cijfers, letters of afbeeldingen niet meer dan 1/3 deel van de totale oppervlakte binnen de omtrek van de volledige contourmarkering uitmaken. - -**7.** Onze Minister draagt zorg voor een vertaling van ECE-reglement 104 en doet van de wijze van bekendmaking mededeling in de Staatscourant. - ### Artikel 3.3.46 **1.** @@ -1474,38 +1115,16 @@ i. een richtlicht; j. een bermlicht aan de voorzijde van het voertuig; k. werklichten; l. een derde remlicht dat voldoet aan het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG; -m. dagrijlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG; -n. een markering aan de achterzijde van een trekker, die voldoet aan de bij regeling van Onze Minister vastgestelde eisen, indien de toegestane maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3500 kg; -n. extra achteruitrijlichten die voldoen aan de richtlijnen 76/756/EEG en 77/539/EEG; -o. hoeklichten die voldoen aan richtlijn 76/756/EEG. +m. dagrijlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG. **2.** Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra niet-driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig, mits deze geen nadelige invloed hebben op de effectiviteit van de verplichte lichten en retroreflecterende voorzieningen. -**3.** - -Bedrijfsauto’s in gebruik genomen voor 10 juli 2008 en met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, mogen zijn voorzien van: - -a. opvallende markeringen die zijn geïnstalleerd volgens richtlijn 76/756/EEG en waarvan het gebruikte materiaal voldoet aan ECE-reglement 104, of -b. een lijnmarkering of contourmarkering, die voldoet aan en is aangebracht overeenkomstig ECE-reglement 104, zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij Supplement 2, van 28 februari 2003, betreffende uniforme eisen voor de goedkeuring van retroreflecterende markeringen voor zware en lange voertuigen en hun aanhangwagens. - -**4.** Bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 9 juli 2008 mogen zijn voorzien van opvallende markeringen die zijn geïnstalleerd volgens richtlijn 76/756/EEG en waarvan het gebruikte materiaal voldoet aan ECE-reglement 104, voorzover deze niet reeds ingevolge artikel 3.3.41 verplicht zijn. - -**5.** Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing op bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, of artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. - -**6.** Binnen de volledige contourmarkering aan de zijkant van het voertuig, bedoeld in het derde of vierde lid, mogen retroreflecterende cijfers, letters of afbeeldingen zijn aangebracht die voldoen aan ECE-reglement 104, met dien verstande dat deze geen nadelige invloed hebben op de effectiviteit van deze contourmarkering en de verplichte lichten en retroreflecterende voorzieningen. In ieder geval mogen de retroreflecterende cijfers, letters of afbeeldingen niet meer dan 1/3 deel van de totale oppervlakte binnen de omtrek van de volledige contourmarkering uitmaken. - -**7.** Onze Minister draagt zorg voor een vertaling van ECE-reglement 104 en doet van de wijze van bekendmaking mededeling in de Staatscourant. - -**8.** Bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping. - ### Artikel 3.3.48 **1.** De extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen niet anders dan ambergeel stralen. **2.** Het richtlicht en het bermlicht mogen naar voren niet anders dan wit of geel stralen. -**3.** Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen. - ### Artikel 3.3.50 Bedrijfsauto's mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende verlichting. @@ -1525,7 +1144,7 @@ Indien de bedrijfsauto in gebruik genomen is na 30 juni 1967 en is voorzien van a. voldoen aan het bepaalde in richtlijn 94/20/EG, of b. indien de bedrijfsauto voor 1 januari 2005 in gebruik is genomen, behoren tot een door Onze Minister voor 1 januari 1995 goedgekeurd type, zijn voorzien van de door hem in de goedkeuring voorgeschreven identificatiekenmerken, en zijn bevestigd overeenkomstig de voorschriften van de fabrikant van de koppelinrichting. Indien de bedrijfsauto is voorzien van een koppelingskogel, moet worden voldaan aan de door Onze Minister vastgestelde eisen. -**2.** Indien de bedrijfsauto is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een middenasaanhangwagen met een toegestane maximum massa van meer dan 12 000 kg, moet de afstand van het laagste punt van de koppeling van het trekkend voertuig tot het wegdek ten minste een vijfde deel bedragen van de afstand van het laagste punt van die koppeling tot het hart van de achterste as van het trekkend voertuig. +**2.** Indien de bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een middenasaanhangwagen, moet de afstand van het laagste punt van de koppeling van het trekkend voertuig tot het wegdek ten minste een vijfde deel bedragen van de afstand van het laagste punt van die koppeling tot de achterste as van het trekkend voertuig. **3.** Indien voor het koppelen van voertuigen bijzondere constructies aan de voertuigen worden toegepast, moeten deze constructies voldoen aan de door Onze Minister vastgestelde eisen. @@ -1543,9 +1162,7 @@ b. indien de bedrijfsauto voor 1 januari 2005 in gebruik is genomen, behoren tot ### Artikel 3.3.55 -**1.** Bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3.500 kg, met uitzondering van bussen, die in gebruik zijn genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van inrichtingen ter bescherming tegen ongeoorloofd gebruik van het voertuig, welke inrichtingen voldoen aan het bepaalde in richtlijn 74/61/EEG. - -**2.** Indien bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg die in gebruik zijn genomen na 31 december 1994, zijn voorzien van inrichtingen ter bescherming tegen ongeoorloofd gebruik van het voertuig, moeten deze inrichtingen voldoen aan richtlijn 74/61/EEG. +Bedrijfsauto’s, bestemd voor het vervoer van goederen, die in gebruik zijn genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van inrichtingen ter bescherming tegen ongeoorloofd gebruik van het voertuig, welke inrichtingen voldoen aan het bepaalde in richtlijn 74/61/EEG. ### Artikel 3.3.56 @@ -1553,8 +1170,6 @@ Bedrijfsauto’s die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voor ### Artikel 3.3.58 -**1.** - Bussen a. met een toegestane maximum massa van meer dan 5000 kg, @@ -1563,23 +1178,13 @@ c. niet bestemd voor het vervoer van staande passagiers, d. niet bestemd voor vervoer binnen één gemeente, en e. in gebruik genomen na 25 oktober 1999, moeten voor wat betreft de verbrandingseigenschappen van bij de inwendige constructie gebruikte materialen voldoen aan het bepaalde in richtlijn 95/28/EG. -**2.** Bussen die na 12 februari 2004 in gebruik worden genomen, moeten voor wat betreft het gebruik van brandbaar materiaal binnen een straal van 100 mm van het uitlaatsysteem of een andere belangrijke warmtebron voldoen aan bijlage I van richtlijn 2001/85/EG. - -### Artikel 3.3.62 - -**1.** Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg die in gebruik worden genomen na 14 december 2008 voldoen wat betreft herbruikbaarheid, recycleerbaarheid en mogelijke nuttige toepassing aan richtlijn 2005/64/EG. - -**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op de voertuigen, bedoeld in artikel 3, onderdeel b, van richtlijn 2005/64/EG. - ### Afdeling 4. Motorfietsen #### Paragraaf 0. Algemeen ### Artikel 3.4.1 -**1.** Motorfietsen moeten tot 9 november 2003 voor het verkrijgen van een typegoedkeuring als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van richtlijn 92/61/EEG of richtlijn 2002/24/EG voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de in deze afdeling vermelde eisen. - -**2.** Motorfietsen moeten met ingang van 9 november 2003 voor het verkrijgen van een typegoedkeuring als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van richtlijn 2002/24/EG voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de in deze afdeling vermelde eisen. +Motorfietsen moeten voor toelating tot het verkeer op de weg voorzien zijn van een typegoedkeuring als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van richtlijn 92/61/EEG of voldoen aan de in deze afdeling vermelde eisen. ### Artikel 3.4.2 @@ -1630,7 +1235,9 @@ Motorfietsen die zijn voorzien van een brandstofreservoir, niet zijnde een reser ### Artikel 3.4.13 -Het brandstofsysteem van motorfietsen voorzien van een LPG- of CNG-installatie moet voldoen aan de door Onze Minister gestelde eisen. +**1.** De onderdelen van het brandstofsysteem, alsmede de bevestiging daarvan, van motorfietsen die zijn voorzien van een motor die wordt gevoed door een al dan niet tot vloeistof verdicht gas, niet zijnde LPG, moeten voldoen aan de door Onze Minister gestelde eisen. + +**2.** Het brandstofsysteem van motorfietsen die zijn voorzien van een motor die wordt gevoed door LPG, moet voldoen aan de door Onze Minister gestelde eisen. ### Artikel 3.4.14 @@ -1727,7 +1334,7 @@ Vervallen ### Artikel 3.4.39 -**1.** Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 31 oktober 1995, moeten voor wat betreft de plaats voor de montage van de achterste kentekenplaat voldoen aan het bepaalde in richtlijn 93/94/EEG. +**1.** Motorfietsen die in gebruik worden genomen na 31 oktober 1995, moeten voor wat betreft de plaats voor de montage van de achterste kentekenplaat voldoen aan het bepaalde in richtlijn 93/92/EEG. **2.** Motorfietsen die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1995, moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een mogelijkheid tot bevestiging van een kentekenplaat. @@ -1840,7 +1447,7 @@ Motorfietsen mogen, met uitzondering van groot licht, niet zijn voorzien van ver ### Artikel 3.4.51 -Motorfietsen mogen, onverminderd het in de artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 3.4.41, 3.4.42, 3.4.46 en 3.4.47 dan wel krachtens artikel 3.4.40, vijfde lid, is voorgeschreven of toegestaan. +Motorfietsen mogen, onverminderd het in de artikelen 29 en 30 van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai- en knipperlichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 3.4.41, 3.4.42, 3.4.46 en 3.4.47 dan wel krachtens artikel 3.4.40, vijfde lid, is voorgeschreven of toegestaan. #### Paragraaf 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen @@ -1874,13 +1481,11 @@ Motorfietsen op twee wielen, die in gebruik worden genomen na 31 mei 1995 moeten ### Artikel 3.5.1 -**1.** Driewielige motorrijtuigen moeten tot 9 november 2003 voor het verkrijgen van een typegoedkeuring als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van richtlijn 92/61/EEG of richtlijn 2002/24/EG voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de in deze afdeling vermelde eisen. +**1.** Driewielige motorrijtuigen moeten voor toelating tot het verkeer op de weg zijn voorzien van een typegoedkeuring als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van richtlijn 92/61/EEG of voldoen aan de in deze afdeling vermelde eisen. -**2.** Driewielige motorrijtuigen moeten met ingang van 9 november 2003 voor het verkrijgen van een typegoedkeuring als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van richtlijn 2002/24/EG voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de in deze afdeling vermelde eisen. +**2.** In afwijking van het bepaalde in het eerste lid zijn op driewielige motorrijtuigen met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1995, de in afdeling 3 van dit hoofdstuk gestelde eisen van overeenkomstige toepassing. -**3.** In afwijking van het eerste en tweede lid zijn op driewielige motorrijtuigen met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, die in gebruik zijn genomen vóór 1 november 1995, de in afdeling 3 van dit hoofdstuk gestelde eisen van overeenkomstige toepassing. - -**4.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de in het derde lid bedoelde driewielige motorrijtuigen. +**3.** Onze Minister kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de in het tweede lid bedoelde driewielige motorrijtuigen. ### Artikel 3.5.2 @@ -1963,9 +1568,11 @@ De last onder de bestuurde as van driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn ### Artikel 3.5.13 -**1.** Het brandstofsysteem van driewielige motorrijtuigen voorzien van een LPG- of CNG-installatie moet voldoen aan de door Onze Minister gestelde eisen. +**1.** De onderdelen van het brandstofsysteem, alsmede de bevestiging daarvan, van driewielige motorrijtuigen die zijn voorzien van een motor die wordt gevoed door een al dan niet tot vloeistof verdicht gas, niet zijnde LPG, moeten voldoen aan de door Onze Minister gestelde eisen. -**2.** Driewielige motorrijtuigen die elektrisch kunnen worden aangedreven, al dan niet in combinatie met een verbrandingsmotor, moeten voldoen aan de door Onze Minister gestelde eisen. +**2.** Het brandstofsysteem van driewielige motorrijtuigen die zijn voorzien van een motor die wordt gevoed door LPG, moet voldoen aan de door Onze Minister gestelde eisen. + +**3.** Driewielige motorrijtuigen die elektrisch kunnen worden aangedreven, al dan niet in combinatie met een verbrandingsmotor, moeten voldoen aan de door Onze Minister gestelde eisen. ### Artikel 3.5.14 @@ -2041,7 +1648,7 @@ Vervallen **2.** De ruiten van driewielige motorrijtuigen die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch voor 17 juni 1999, moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/22/EEG. -**3.** De voorruiten van driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995, moeten voldoen aan de door Onze Minister gestelde eisen. +**3.** De voorruiten van driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995 doch voor 17 juni 1999, moeten voldoen aan de door Onze Minister gestelde eisen. ### Artikel 3.5.30 @@ -2099,7 +1706,7 @@ Vervallen **7.** Driewielige motorrijtuigen met een gesloten carrosserie die in gebruik worden genomen na 31 december 1994 doch voor 17 juni 1999, moeten zijn voorzien van autogordels overeenkomstig de eisen in richtlijn 77/541/EEG voor die zitplaatsen die van bevestigingspunten voor autogordels zijn voorzien. -**8.** Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1995, waarin bevestigingspunten moeten zijn aangebracht ten behoeve van het gebruik van autogordels op de in het derde lid en het vierde lid bedoelde zitplaatsen, moeten zijn voorzien van autogordels voor die zitplaatsen. De autogordels moeten voldoen aan de door Onze Minister gestelde eisen. +**8.** Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1995, waarin bevestigingspunten moeten zijn aangebracht ten behoeve van het gebruik van autogordels op de in het derde lid en vierde bedoelde zitplaatsen, moeten zijn voorzien van autogordels voor die zitplaatsen. De autogordels moeten voldoen aan de door Onze Minister gestelde eisen. ### Artikel 3.5.37 @@ -2121,9 +1728,9 @@ Vervallen ### Artikel 3.5.39 -**1.** Driewielige motorrijtuigen die in gebruik worden genomen na 31 oktober 1995 moeten voor wat betreft de plaats voor de montage van de achterste kentekenplaat voldoen aan het bepaalde in richtlijn 93/94/EEG. +**1.** Driewielige motorvoertuigen die in gebruik worden genomen na 31 oktober 1995 moeten voor wat betreft de plaats voor de montage van de achterste kentekenplaat voldoen aan het bepaalde in richtlijn 93/92/EEG. -**2.** Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1995 moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een mogelijkheid tot bevestiging van een kentekenplaat. +**2.** Driewielige motorvoertuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1995 moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een mogelijkheid tot bevestiging van een kentekenplaat. #### Paragraaf 10. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen @@ -2284,9 +1891,7 @@ Driewielige motorrijtuigen die in gebruik worden genomen na 31 mei 1995, moeten ### Artikel 3.6.1 -**1.** Bromfietsen moeten tot 9 november 2003 voor het verkrijgen van een typegoedkeuring als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van richtlijn 92/61/EEG of richtlijn 2002/24/EG voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de in deze afdeling vermelde eisen. - -**2.** Bromfietsen moeten met ingang van 9 november 2003 voor het verkrijgen van een typegoedkeuring als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van richtlijn 2002/24/EG voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de in deze afdeling vermelde eisen. +Bromfietsen moeten voor toelating tot het verkeer op de weg voorzien zijn van een typegoedkeuring als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van richtlijn 92/61/EEG. ### Artikel 3.6.2 @@ -2328,10 +1933,6 @@ Bromfietsen met een verbrandingsmotor moeten voor wat betreft luchtverontreinigi #### Paragraaf 4. Krachtoverbrenging -### Artikel 3.6.17 - -Bromfietsen moeten zijn voorzien van een snelheidsmeter die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 2000/7/EG. - ### Artikel 3.6.18 Bromfietsen moeten voor wat betreft de wijze van meten van de door de constructie bepaalde maximum snelheid, het maximum koppel en het netto-maximum vermogen voldoen aan het bepaalde in richtlijn 95/1/EG. @@ -2458,7 +2059,7 @@ Indien een bromfiets is voorzien van een inrichting ter bescherming tegen ongeoo Bromfietsen op twee wielen moeten zijn voorzien van een standaard die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 93/31/EEG. -### Afdeling 7. Aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 750 kg, met uitzondering van aanhangwagens achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid +### Afdeling 7. Aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 750 kg, met uitzondering van aanhangwagens achter landbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid #### Paragraaf 0. Algemeen @@ -2512,30 +2113,24 @@ b. niet hoger zijn dan 4,00 m. **4.** Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, die in gebruik zijn genomen voor 22 juli 1999 mogen niet langer zijn dan 12,00 m. -**5.** Van opleggers die na 31 december 1994 in gebruik worden genomen, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,04 m. +**5.** Van opleggers die na 30 april 1993 maar voor 22 juli 1999 in gebruik zijn genomen, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,04 m en de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de achterzijde niet meer bedragen dan 12,00 m; bij de vaststelling van de afstand worden markeringslichten, zijmarkeringslichten, richtingaanwijzers, stadslichten, zijretroreflectoren, douaneverzegelingen en bevestigingsmiddelen van het dekzeil buiten beschouwing gelaten. -**6.** Van opleggers die na 31 december 1994 maar voor 22 juli 1999 in gebruik zijn genomen, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 12,00 m. +**6.** Van opleggers die voor 1 mei 1993 in gebruik zijn genomen mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,05 m, met uitzondering van een puntvormige uitbouw waarvan het verticaal geprojecteerde oppervlak wordt begrensd door rechte lijnen die raken aan de uiterste voorhoeken van de oplegger en een punt op het mediaanvlak van de oplegger dat op maximaal 2,50 m voor het hart van de koppelingspen ligt; bij de vaststelling van de afstand worden markeringslichten, zijmarkeringslichten, richtingaanwijzers, stadslichten, zijretroreflectoren, douaneverzegelingen en bevestigingsmiddelen van het dekzeil buiten beschouwing gelaten. -**7.** Van opleggers die voor 1 januari 1995 in gebruik zijn genomen, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,05 m, met uitzondering van een puntvormige uitbouw waarvan het verticaal geprojecteerde oppervlak wordt begrensd door rechte lijnen die raken aan de uiterste voorhoeken van de oplegger en een punt op het mediaanvlak van de oplegger dat op maximaal 2,50 m voor het hart van de koppelingspen ligt. - -**8.** Van aanhangwagens, met uitzondering van kermis- of circusvoertuigen, die in gebruik zijn genomen voor 22 juli 1999, mag bij het inrijden en vervolgens doorrijden van een cirkel met een straal van 12,50 m, waarbij het inrijden van de cirkel geschiedt met de buitenzijde van het samenstel van voertuigen langs de binnenzijde van de raaklijn aan de cirkel, en het doorrijden van de cirkel geschiedt over een hoek van 360 graden met de voorzijde van het samenstel van voertuigen langs de binnenzijde van de cirkel, de uitscheermaat van het samenstel van voertuigen niet meer dan 0,80 m bedragen en de bestreken baan niet meer dan 7,20 m bedragen. Deze bepaling geldt niet voor opleggers die voor 1 april 1983 in gebruik zijn genomen, waarvan het laadvlak zich geheel of grotendeels op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte als of lager dan de assen boven het wegdek bevindt en die worden gebruikt voor het vervoer van ondeelbare lading. - -**9.** Het eerste en het tweede lid zijn voor wat betreft wendbaarheid niet van toepassing op kermis- of circusvoertuigen. - -**10.** +**7.** In afwijking van het bepaalde in het vierde lid mogen: a. middenasaanhangwagens die na 30 juni 1967 maar voor 1 januari 1987 in gebruik zijn genomen, niet langer zijn dan 10,00 m, indien de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 2 500 kg maar niet meer dan 3 500 kg; b. middenasaanhangwagens die voor 1 juli 1967 in gebruik zijn genomen, niet langer zijn dan 10,00 m. -**11.** In afwijking van het bepaalde in het eerste tot en met vierde lid mogen kermis- of circusvoertuigen niet langer zijn dan 14,00 m. +**8.** In afwijking van het bepaalde in het eerste tot en met vierde lid mogen kermis- of circusvoertuigen niet langer zijn dan 14,00 m. -**12.** In afwijking van het bepaalde in het eerste, tweede en zesde lid mag voor een kermis- of circusvoertuig de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 17,50 m. +**9.** In afwijking van het bepaalde in het eerste, tweede en vijfde lid mag voor een kermis- of circusvoertuig de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 17,50 m. -**13.** Bij de vaststelling van de afstand, bedoeld in het vijfde, zesde en zevende lid, worden markeringslichten, zijmarkeringslichten, richtingaanwijzers, stadslichten, zijretroreflectoren, douaneverzegelingen en bevestigingsmiddelen van het dekzeil buiten beschouwing gelaten. +**10.** In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid, worden, bij het vaststellen van de afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van een oplegger, markeringslichten, zijmarkeringslichten, richtingaanwijzers, stadslichten, zijretroreflectoren, douaneverzegelingen en bevestigingsmiddelen van het dekzeil buiten beschouwing gelaten. -**14.** In de afmetingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren begrepen. +**11.** In de afmetingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren begrepen. ### Artikel 3.7.8 @@ -2587,12 +2182,7 @@ j. voor aanhangwagens, bestemd voor het vervoer van ondeelbare lading, met twee **3.** Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de toegestane maximum last onder de as of assen van aanhangwagens die niet in het tweede lid zijn genoemd dan wel die voor 1 januari 1995 in gebruik zijn genomen. -**4.** - -De toegestane maximum massa van middenasaanhangwagens mag niet meer bedragen dan 12 000 kg. Indien de middenasaanhangwagen is voorzien van gasvering of van in het kader van de Europese Gemeenschappen als gelijkwaardig aangemerkte vering, mag de toegestane maximum massa niet meer bedragen dan: - -a. 20 000 kg, of -b. 24 000 kg indien de middenasaanhangwagen is voorzien van drie assen. +**4.** De toegestane maximum massa van middenasaanhangwagens mag niet meer bedragen dan 12 000 kg. Indien de middenasaanhangwagen is voorzien van gasvering of van in het kader van de Europese Gemeenschappen als gelijkwaardig aangemerkte vering, mag de toegestane maximum massa niet meer bedragen dan 20 000 kg. Indien de middenasaanhangwagen is voorzien van drie assen mag de toegestane maximum massa niet meer bedragen dan 24 000 kg. #### Paragraaf 5. Assen @@ -2664,10 +2254,6 @@ Vervallen De ruiten van aanhangwagens die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/22/EEG. -### Artikel 3.7.34 - -Aanhangwagens, in gebruik genomen na 8 mei 2004, voldoen wat verwarmingssystemen betreft aan richtlijn 2001/56/EG. - ### Artikel 3.7.37 **1.** Aanhangwagens mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. @@ -2706,22 +2292,16 @@ De wielen onderscheidenlijk banden van aanhangwagens mogen niet kunnen aanlopen. ### Artikel 3.7.40 -**1.** Aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 1994 voldoen wat betreft retroreflecterende voorzieningen, verlichting en lichtsignaalinrichtingen alsmede de installatie daarvan aan richtlijn 76/756/EEG. +**1.** Aanhangwagens die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van een installatie van verlichting en lichtsignalen, alsmede van retroreflecterende voorzieningen, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG. -**2.** Het eerste lid is wat retroreflecterende voorzieningen betreft niet van toepassing op aanhangwagens in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, of artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. +**2.** De in de lichtarmaturen toegepaste gloeilampen moeten voldoen aan het bepaalde in Bijlage VII behorende bij Richtlijn 76/761/EEG. -**3.** Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de retroreflecterende voorzieningen bedoeld in het tweede lid. +**3.** Het tweede lid is niet van toepassing ten aanzien van lampen waarbij lichtarmatuur en lichtbron een gesloten eenheid vormen. -**4.** De in de lichtarmaturen toegepaste gloeilampen moeten voldoen aan het bepaalde in Bijlage VII behorende bij Richtlijn 76/761/EEG. - -**5.** Het tweede lid is niet van toepassing ten aanzien van lampen waarbij lichtarmatuur en lichtbron een gesloten eenheid vormen. - -**6.** Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen van aanhangwagens die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995. +**4.** Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen van aanhangwagens die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1995. ### Artikel 3.7.41 -**1.** - Aanhangwagens die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, moeten zijn voorzien van: a. stadslichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG, indien het voertuig breder is dan 1,60 m; @@ -2730,21 +2310,12 @@ c. achterlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG; d. remlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG; e. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat, die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 76/760/EEG; f. driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG; -g. mistlichten aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 77/538/EEG; +g. een of twee mistlichten aan de achterzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 77/538/EEG; h. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG; i. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG; j. markeringslichten, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG, indien het voertuig breder is dan 2,10 m; k. zijmarkeringslichten die voldoen aan het bepaalde in Bijlage IV behorende bij Richtlijn 76/758/EEG, indien het voertuig langer is dan 6,00 m; -l. een markering aan de achterzijde van het voertuig, die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen, indien de toegestane maximum massa van het voertuig meer bedraagt dan 3500 kg; deze eis geldt niet voor door Onze Minister aangewezen aanhangwagens waarvan de bouw, de inrichting of het gebruik zich verzet tegen het aanbrengen van de markering; -m. achteruitrijlichten die voldoen aan de richtlijnen 76/756/EEG en 77/539/EEG. - -**2.** Aanhangwagens die in gebruik worden genomen na 9 juli 2008 en met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, zijn voorzien van opvallende markeringen die zijn geïnstalleerd volgens richtlijn 76/756/EEG en waarvan het gebruikte materiaal voldoet aan ECE-reglement 104. - -**3.** Het tweede lid is niet van toepassing op aanhangwagens in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. - -**4.** Binnen de volledige contourmarkering aan de zijkant van het voertuig als bedoeld in het tweede lid, mogen retroreflecterende cijfers, letters of afbeeldingen zijn aangebracht die voldoen aan ECE-reglement 104, met dien verstande dat deze geen nadelige invloed hebben op de effectiviteit van deze contourmarkering en de verplichte lichten en retroreflecterende voorzieningen. In ieder geval mogen de retroreflecterende cijfers, letters of afbeeldingen niet meer dan 1/3 deel van de totale oppervlakte binnen de omtrek van de volledige contourmarkering uitmaken. - -**5.** Onze Minister draagt zorg voor een vertaling van ECE-reglement 104 en doet van de wijze van bekendmaking mededeling in de Staatscourant. +l. een markering aan de achterzijde van het voertuig, die voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen, indien de toegestane maximum massa van het voertuig meer bedraagt dan 3500 kg; deze eis geldt niet voor door Onze Minister aangewezen aanhangwagens waarvan de bouw, de inrichting of het gebruik zich verzet tegen het aanbrengen van de markering. ### Artikel 3.7.46 @@ -2752,7 +2323,7 @@ m. achteruitrijlichten die voldoen aan de richtlijnen 76/756/EEG en 77/539/EEG. Aanhangwagens die in gebruik worden genomen na 31 december 1994, mogen zijn voorzien van: -a. extra achteruitrijlichten die voldoen aan de richtlijnen 76/756/EEG en 77/539/EEG; +a. achteruitrijlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 77/539/EEG; b. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten, die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/759/EEG, aangebracht op het breedste punt zo hoog mogelijk aan de achterzijde van het voertuig; c. herhalingswaarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen deel van de zich aan de zijof achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand, die voldoen aan het bepaalde in de onder *b* genoemde richtlijn, met uitzondering van de eisen ten aanzien van de minimum hoogte boven het wegdek; d. markeringslichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/758/EEG, indien het voertuig breder is dan 1,80 m, doch niet breder dan 2,10 m; @@ -2763,29 +2334,6 @@ h. een derde remlicht dat voldoet aan het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG. **2.** Aanhangwagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode niet-driehoekige aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig, mits deze geen nadelige invloed hebben op de effectiviteit van de verplichte lichten en retroreflecterende voorzieningen. -**3.** - -Aanhangwagens in gebruik genomen voor 10 juli 2008 mogen zijn voorzien van: - -a. opvallende markeringen die zijn geïnstalleerd volgens richtlijn 76/756/EEG en waarvan het gebruikte materiaal voldoet aan ECE-reglement 104, of -b. een lijnmarkering of contourmarkering die voldoet aan en is aangebracht overeenkomstig ECE-reglement 104, zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij Supplement 2, van 28 februari 2003, betreffende uniforme eisen voor de goedkeuring van retroreflecterende markeringen voor zware en lange voertuigen en hun aanhangwagens. - -**4.** Aanhangwagens in gebruik genomen na 9 juli 2008 mogen zijn voorzien van opvallende markeringen die zijn geïnstalleerd volgens richtlijn 76/756/EEG en waarvan het gebruikte materiaal voldoet aan ECE-reglement 104, voorzover deze niet reeds ingevolge artikel 3.7.41 verplicht zijn. - -**5.** Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing op aanhangwagens in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. - -**6.** Binnen de volledige contourmarkering aan de zijkant van het voertuig als bedoeld in het derde of vierde lid mogen retroreflecterende cijfers, letters of afbeeldingen zijn aangebracht die voldoen aan ECE-reglement 104, met dien verstande dat deze geen nadelige invloed hebben op de effectiviteit van deze contourmarkering en de verplichte lichten en retroreflecterende voorzieningen. In ieder geval mogen de retroreflecterende cijfers, letters of afbeeldingen niet meer dan 1/3 deel van de totale oppervlakte binnen de omtrek van de volledige contourmarkering uitmaken. - -**7.** Onze Minister draagt zorg voor een vertaling van ECE-reglement 104 en doet van de wijze van bekendmaking mededeling in de Staatscourant. - -**8.** Aanhangwagens in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping. - -**9.** Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de retroreflecterende striping, bedoeld in het achtste lid. - -### Artikel 3.7.48 - -Het derde remlicht mag slechts rood stralen. - ### Artikel 3.7.51 Aanhangwagens mogen, onverminderd het in artikel 30 van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai- en knipperlichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 3.7.41 en 3.7.46 dan wel krachtens artikel 3.7.40, vierde lid, is voorgeschreven of toegestaan. @@ -2809,12 +2357,6 @@ b. indien de aanhangwagen voor 1 januari 2005 in gebruik is genomen, behoren tot Delen van de koppeling van aanhangwagens mogen tijdens het ontkoppelen, het losbreken of in afgekoppelde toestand het wegdek niet kunnen raken. -#### Paragraaf 12. Diversen - -### Artikel 3.7.54 - -Aanhangwagens die in gebruik worden genomen na 1 januari 1996, moeten ter zake van elektromagnetische compatibiliteit voldoen aan het bepaalde in richtlijn 72/245/EEG. - ### Afdeling 8. Voertuigonderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers ### Artikel 3.8.1 @@ -2825,7 +2367,7 @@ a. achterlichten voor fietsen en aanhangwagens achter fietsen, b. niet-driehoekige rode retroreflectoren voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen, alsmede wagens, c. witte of gele retroreflectoren voor de wielen van fietsen, zijspanwagens aan fietsen en aanhangwagens achter fietsen, d. ambergele of gele retroreflectoren voor de trappers van fietsen, en -e. rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek voor motorrijtuigen met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekkers, de daardoor voortbewogen aanhangwagens, alsmede wagens, +e. rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek voor motorrijtuigen met beperkte snelheid, landbouwtrekkers, de daardoor voortbewogen aanhangwagens, alsmede wagens, moeten voldoen. @@ -2859,257 +2401,12 @@ Helmen voor bestuurders en passagiers van bromfietsen, motorfietsen en driewieli Kinderbeveiligingssystemen, als bedoeld in artikel 59, eerste en tweede lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn nr. 77/541/EEG. -### Artikel 3.8.6 - -**1.** Beschermingsinrichtingen aan de voorzijde tegen klemrijden als bedoeld in artikel 3.3.37, dertiende lid, moeten voldoen aan richtlijn 2000/40/EG. - -**2.** Beschermingsinrichtingen tegen klemrijden die bestemd zijn om aan de achterzijde van personenauto’s, bedrijfsauto’s of aanhangwagens te worden gemonteerd, waarvoor als technische eenheden een typegoedkeuring kan worden verleend, voldoen met ingang van 11 september 2007 aan Richtlijn 70/221/EEG. - -### Artikel 3.8.7 - -**1.** Materiaal dat bestemd is voor gebruik als opvallende markering of voor gebruik als retroreflecterend cijfer, of retroreflecterende letter of afbeelding, voldoet aan ECE-reglement 104. - -**2.** Onze Minister draagt zorg voor een vertaling van ECE-reglement 104 en doet van de wijze van bekendmaking mededeling in de Staatscourant. - -### Artikel 3.8.8 - -Banden bestemd voor montage op personenauto's, bedrijfsauto's of aanhangwagens moeten voldoen aan richtlijn nr. 92/23/EEG. - -### Artikel 3.8.9 - -Veiligheidsruiten of materialen voor ruiten, bestemd voor montage op personenauto's, bedrijfsauto's of aanhangwagens, moeten voldoen aan richtlijn nr. 92/22/EEG. - -### Artikel 3.8.10 - -**1.** De carrosserie van een bus van klasse I, II, III, A en B die in gebruik wordt genomen na 12 februari 2004, moet voldoen aan richtlijn 2001/85/EG. - -**2.** De carrosserie van een bus van klasse I, II, III, A en B die in gebruik wordt genomen na 12 februari 2004 en voorzien is van technische voorzieningen ter verbetering van de toegankelijkheid voor personen met een mobiliteitshandicap, moet voldoen aan bijlage VII van richtlijn 2001/85/EG. - -### Artikel 3.8.11 - -**1.** Een vervangingskatalysator bestemd om te worden gemonteerd op voertuigen waarvoor een EG-typegoedkeuring is verleend overeenkomstig richtlijn 70/156/EEG, moet voldoen aan richtlijn 70/220/EEG. - -**2.** Een vervangingskatalysator bestemd om te worden gemonteerd op voertuigen waarvoor een EG-typegoedkeuring is verleend overeenkomstig richtlijn 2002/24/EG, moet voldoen aan richtlijn 97/24/EG. - -### Artikel 3.8.12 - -Verwarmingssystemen op brandstof voor personenauto's, bedrijfsauto's en aanhangwagens, voldoen aan richtlijn 2001/56/EG. - -### Artikel 3.8.13 - -Een snelheidsbegrenzer of ingebouwd snelheidsbegrenzingssysteem als bedoeld in artikel 1 van richtlijn 92/24/EEG, voldoet aan het bepaalde in richtlijn 92/24/EEG. - -### Artikel 3.8.14 - -**1.** Inrichtingen voor indirect zicht voor personenauto’s en bedrijfsauto’s voldoen met ingang van 26 januari 2006 aan richtlijn 2003/97/EG. - -**2.** In afwijking van het eerste lid voldoen vooruitkijkspiegels voor personenauto’s en bedrijfsauto’s met ingang van 26 januari 2007 aan richtlijn 2003/97/EG. - -**3.** Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op een spiegel, bestemd om als vervangingsonderdeel te worden gemonteerd op voertuigen waarvoor een EG-typegoedkeuring is verleend overeenkomstig richtlijn 71/127/EEG. - -### Artikel 3.8.15 - -De systemen, onderdelen en technische eenheden, bedoeld in Bijlage II, hoofdstuk B, deel I, van richtlijn 2003/37/EG, waarvoor een typegoedkeuring kan worden verleend, voldoen aan het bepaalde in de op grond van Bijlage II, hoofdstuk B, deel I, van richtlijn 2003/37/EG bij het desbetreffende systeem, het onderdeel of de technische eenheid behorende bijzondere richtlijn. - -### Artikel 3.8.16 - -Systemen, onderdelen en technische eenheden bestemd voor personenauto’s, bedrijfsauto’s en aanhangwagens waarvoor een typegoedkeuring kan worden verleend, voldoen voor wat betreft elektromagnetische compatibiliteit aan de bijlagen I tot en met X van richtlijn 72/245/EEG. - -### Artikel 3.8.17 - -Frontbeschermingsinrichtingen bestemd voor personenauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg of bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, niet zijnde bussen, waarvoor als technische eenheden een typegoedkeuring kan worden verleend, voldoen met ingang van 25 november 2006 wat betreft de veiligheid van voetgangers en andere kwetsbare weggebruikers aan richtlijn 2005/66/EG. - ### Afdeling 9. Voertuigen bestemd voor het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg ### Artikel 3.9 Voertuigen van de categorieën N en O als omschreven in artikel 2 en Bijlage II van Richtlijn 70/156/EEG, bestemd voor het vervoer van gevaarlijke goederen, moeten, onverminderd de overige bepalingen van dit hoofdstuk, tevens voldoen aan de bepalingen van Richtlijn nr. 98/91/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 december 1998 betreffende motorvoertuigen en aanhangers daarvan bestemd voor het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg en tot wijziging van Richtlijn nr.70/156/EEG betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en aanhangers daarvan. -### Afdeling 10. Landbouw- of bosbouwtrekkers - -#### Paragraaf 0. Algemeen - -### Artikel 3.10.1 - -**1.** Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2 en T3 voldoen met ingang van 1 juli 2005 voor het verkrijgen van een typegoedkeuring als bedoeld in artikel 4, onderdeel a, van richtlijn 2003/37/EG voor toelating tot het verkeer op de weg aan de in deze afdeling vermelde eisen. - -**2.** Landbouw- of bosbouwtrekkers categorie T4.2 voldoen met ingang van 1 januari 2008 voor het verkrijgen van een typegoedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg aan de in deze afdeling vermelde eisen. - -**3.** Landbouw- of bosbouwtrekkers categorie T5 voldoen met ingang van 1 juli 2005 voor het verkrijgen van een typegoedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg aan de in deze afdeling vermelde eisen. - -**4.** Met een typegoedkeuring, bedoeld in het tweede of derde lid, wordt gelijkgesteld een verklaring van goedkeuring, afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, welke verklaring is afgegeven op basis van onderzoekingen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd. - -### Artikel 3.10.2 - -Landbouw- of bosbouwtrekkers zijn van deugdelijke bouw en inrichting. - -### Artikel 3.10.3 - -Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de voorgeschreven platen aan richtlijn 89/173/EEG. - -#### Paragraaf 2. Afmetingen en massa’s - -### Artikel 3.10.6 - -**1.** Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3 en T5 voldoen wat betreft de afmetingen aan richtlijn 89/173/EEG. - -**2.** - -Landbouw- of bosbouwtrekkers categorie T4.2: - -a. voldoen wat betreft de lengte en de hoogte aan richtlijn 89/173/EEG; -b. zijn niet breder dan 3,00 m. - -### Artikel 3.10.9 - -Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de massa in volbelaste toestand aan richtlijn 74/151/EEG. - -### Artikel 3.10.10 - -Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de maximaal getrokken massa aan richtlijn 89/173/EEG. - -#### Paragraaf 3. Motor - -### Artikel 3.10.12 - -Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft reservoirs voor vloeibare brandstof aan richtlijn 74/151/EEG. - -### Artikel 3.10.14 - -Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de elektromagnetische compatibiliteit aan richtlijn 75/322/EEG. - -### Artikel 3.10.15 - -**1.** Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de externe geluidsniveaus aan richtlijn 74/151/EEG. - -**2.** Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de interne geluidsniveaus aan richtlijn 77/311/EEG. - -### Artikel 3.10.16 - -Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes aan het Besluit typekeuring luchtverontreiniging trekkers en motoren voor mobiele machines. - -#### Paragraaf 4. Krachtoverbrenging - -### Artikel 3.10.17 - -**1.** Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de achteruitrijinrichtingen aan richtlijn 79/533/EEG. - -**2.** Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 die zijn voorzien van een snelheidsregulateur voldoen voor wat betreft deze snelheidsregulateur aan richtlijn 89/173/EEG. - -### Artikel 3.10.18 - -Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3 en T4.2 voldoen voor wat betreft de maximumsnelheid aan richtlijn 74/152/EEG. - -#### Paragraaf 7. Stuurinrichting - -### Artikel 3.10.25 - -Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de stuurinrichting aan richtlijn 75/321/EEG. - -#### Paragraaf 8. Reminrichting - -### Artikel 3.10.26 - -**1.** Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de reminrichting aan richtlijn 76/432/EEG. - -**2.** Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de remverbinding met getrokken voertuigen aan richtlijn 89/173/EEG. - -#### Paragraaf 9. Carrosserie - -### Artikel 3.10.27 - -Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de bedieningsruimte en toegankelijkheid van de cabine aan richtlijn 80/720/EEG. - -### Artikel 3.10.28 - -Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3 en T5 voldoen voor wat betreft het zichtveld aan richtlijn 2008/2/EG. - -### Artikel 3.10.29 - -Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de ruiten aan richtlijn 89/173/EEG. - -### Artikel 3.10.30 - -Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de ruitenwissers aan richtlijn 2008/2/EG. - -### Artikel 3.10.32 - -Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de achteruitkijkspiegels aan richtlijn 74/346/EEG. - -### Artikel 3.10.33 - -Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de installatie van bedieningsorganen aan richtlijn 86/415/EEG. - -### Artikel 3.10.35 - -**1.** Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de zitplaats van de bestuurder aan richtlijn 78/764/EEG. - -**2.** Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft zitplaatsen voor meerijders aan richtlijn 76/763/EEG. - -**3.** Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de kantelbeveiliging aan richtlijn 77/536/EEG en richtlijn 79/622/EEG. - -**4.** Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T2 en T5 voldoen voor wat betreft de kantelbeveiligingsinrichtingen aan de achterzijde aan richtlijn 86/298/EEG. - -**5.** Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T2 en T5 voldoen voor wat betreft de kantelbeveiligingsinrichtingen aan de voorzijde aan richtlijn 87/402/EEG. - -### Artikel 3.10.36 - -Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3 en T5 voldoen voor wat betreft de bevestigingspunten van de veiligheidsgordels aan richtlijn 76/115/EEG. - -### Artikel 3.10.37 - -Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de bescherming van de aandrijfelementen, uitstekende delen en wielen aan richtlijn 89/173/EEG. - -### Artikel 3.10.39 - -Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de plaats en het aanbrengen van de achterste kentekenplaat aan richtlijn 74/151/EEG. - -#### Paragraaf 10. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen - -### Artikel 3.10.40 - -**1.** Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen aan richtlijn 79/532/EEG. - -**2.** Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de installatie van de verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen aan de richtlijn 78/933/EEG. - -#### Paragraaf 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen - -### Artikel 3.10.52 - -Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de mechanische koppelingen tussen de landbouw- of bosbouwtrekkers en getrokken voertuigen aan richtlijn 89/173/EEG. - -#### Paragraaf 12. Diversen - -### Artikel 3.10.54 - -Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de geluidssignaalinrichting aan richtlijn 74/151/EEG. - -### Artikel 3.10.56 - -Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de sleepinrichtingen aan richtlijn 79/533/EEG. - -### Artikel 3.10.59 - -Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft extra gewichten aan richtlijn 74/151/EEG. - -### Artikel 3.10.60 - -Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft de aftakassen aan richtlijn 86/297/EEG. - -### Artikel 3.10.61 - -Landbouw- of bosbouwtrekkers categorieën T1, T2, T3, T4.2 en T5 voldoen voor wat betreft het laadplatform aan richtlijn 74/152/EEG. - -### Afdeling 11. Productieprocessen - -### Artikel 3.11.1 - -Het productieproces voor de vervaardiging van personenauto’s en bedrijfsauto’s met een maximummassa van niet meer dan 3500 kg dient wat betreft de herbruikbaarheid, recycleerbaarheid en mogelijke nuttige toepassing te zijn goedgekeurd alvorens producten voortkomend uit dit productieproces worden toegelaten tot het verkeer op de weg. - -### Artikel 3.11.2 - -Het productieproces voor de vervaardiging van vernieuwde banden, bestemd voor montage op personenauto’s, bedrijfsauto’s of aanhangwagens, dient te zijn goedgekeurd alvorens producten voortkomend uit dit productieproces worden toegelaten tot het verkeer op de weg. - ## Hoofdstuk 4. Periodieke keuring van voertuigen ### Afdeling 1. Uitzondering keuringsplicht @@ -3118,9 +2415,7 @@ Het productieproces voor de vervaardiging van vernieuwde banden, bestemd voor mo ### Artikel 4.1 -**1.** Artikel 72, eerste lid, van de wet geldt niet voor motorfietsen, bromfietsen alsmede driewielige motorrijtuigen waarvan de ledige massa niet meer bedraagt dan 400 kg. - -**2.** Artikel 72, eerste lid, van de wet geldt niet voor een motorrijtuig of een aanhangwagen, met uitzondering van taxi’s en bussen, waarvan de datum van eerste toelating voor 1 januari 1960 is gelegen. +Artikel 72, eerste lid, van de wet geldt niet voor motorfietsen alsmede driewielige motorrijtuigen waarvan de ledige massa niet meer bedraagt dan 400 kg. ### Artikel 4.2 @@ -3136,14 +2431,7 @@ Artikel 72, eerste lid, van de wet geldt voor ambulance’s niet zolang sinds de ### Artikel 4.5 -Artikel 72, eerste lid, van de wet geldt voor een ander motorrijtuig dan in de artikelen 4.2 tot en met 4.4 bedoeld, niet zolang sinds de datum van eerste toelating van het voertuig nog geen drie jaren zijn verstreken, voor zover deze datum ligt voor 1 januari 2005. - -### Artikel 4.5a - -Artikel 72, eerste lid, van de wet geldt voor een ander motorrijtuig dan in de artikelen 4.2 tot en met 4.5 bedoeld, niet ten aanzien van: - -a. motorrijtuigen met een verbrandingsmotor die al dan niet gedeeltelijk wordt gevoed door al dan niet tot vloeistof verdicht gas of diesel zolang sinds de datum van eerste toelating van het motorrijtuig nog geen drie jaren zijn verstreken; -b. motorrijtuigen, niet zijnde de motorrijtuigen als bedoeld in onderdeel a, zolang sinds de datum van eerste toelating van het motorrijtuig nog geen vier jaren zijn verstreken. +Artikel 72, eerste lid, van de wet geldt voor een ander motorrijtuig dan in de artikelen 4.2 tot en met 4.4 bedoeld, niet zolang sinds de datum van eerste toelating van het voertuig nog geen drie jaren zijn verstreken. #### Paragraaf 2. Overige uitzonderingen @@ -3178,9 +2466,9 @@ Artikel 72, eerste lid, van de wet geldt niet voor motorrijtuigen en aanhangwage ### Artikel 4.9 -**1.** De aanvrager dient bij de aanvraag van een keuringsrapport deel I dan wel deel I A van het kentekenbewijs over te leggen, dat is afgegeven voor het motorrijtuig of de aanhangwagen waarop de aanvraag betrekking heeft. +**1.** De aanvrager dient bij de aanvraag van een keuringsrapport deel I van het kentekenbewijs over te leggen, dat is afgegeven voor het motorrijtuig of de aanhangwagen waarop de aanvraag betrekking heeft. -**2.** Degene bij wie de aanvraag is ingediend, geeft het deel I dan wel deel I A van het kentekenbewijs na behandeling van de aanvraag terug aan de aanvrager. +**2.** Degene bij wie de aanvraag is ingediend, geeft het deel I van het kentekenbewijs na behandeling van de aanvraag terug aan de aanvrager. ### Artikel 4.10 @@ -3198,32 +2486,6 @@ Artikel 72, eerste lid, van de wet geldt niet voor motorrijtuigen en aanhangwage **3.** Indien een keuringsbewijs wordt afgegeven binnen twee maanden vóór het tijdstip waarop de geldigheidsduur van een eerder voor het betrokken voertuig afgegeven keuringsbewijs verstrijkt, vangt de geldigheidsduur van het keuringsbewijs aan met ingang van dat tijdstip, mits vorenbedoeld eerder afgegeven keuringsbewijs voorafgaande aan de behandeling van de aanvraag wordt overgelegd. -#### Paragraaf 3. Geldigheidsduur keuringsbewijs - -### Artikel 4.11a - -**1.** Een keuringsbewijs is geldig voor de duur van een jaar. - -**2.** - -In afwijking van het eerste lid is het keuringsbewijs geldig voor de duur van twee jaren indien het keuringsbewijs is afgegeven voor een ander motorrijtuig dan in de artikelen 4.2 tot en met 4.5 bedoeld, en: - -a. dat is uitgerust met een verbrandingsmotor die niet wordt gevoed door al dan niet tot vloeistof verdicht gas of diesel, -b. waarvan de datum van eerste toelating van het motorrijtuig ligt na 31 december 2004, en -c. waarvan gerekend vanaf de datum van eerste toelating op het moment van afgifte van het keuringsbewijs een termijn van zeven jaren nog niet is verstreken. - -**3.** In afwijking van het eerste lid is voorts het keuringsbewijs geldig voor de duur van twee jaren indien het desbetreffende keuringsbewijs is afgegeven voor een ander motorrijtuig dan in de artikelen 4.2 tot en met 4.4 bedoeld en waarvan de datum van afgifte 30 jaren of meer ligt na de datum van eerste toelating van het motorrijtuig. - -#### Paragraaf 4. Afgifte keuringsbewijs - -### Artikel 4.11b - -De afgifte van een keuringsbewijs geschiedt niet elektronisch. - -### Artikel 4.11c - -De termijn bedoeld in artikel 91, tweede lid, van de wet waarbinnen tegen een beschikking tot afgifte van een keuringsbewijs bezwaar kan worden gemaakt bedraagt een jaar. - ### Afdeling 3. Herkeuring en deskundigenonderzoek #### Paragraaf 1. Herkeuring @@ -3238,7 +2500,7 @@ Het verzoek om herkeuring, bedoeld in artikel 90 van de wet, wordt ingediend doo De verzoeker legt voorafgaande aan de herkeuring aan de deskundige die door de Dienst Wegverkeer is aangewezen om de herkeuring te verrichten, de volgende bescheiden over: -a. deel I dan wel deel I A van het kentekenbewijs dat is afgegeven voor het motorrijtuig of de aanhangwagen, waarop het verzoek betrekking heeft, en +a. deel I van het kentekenbewijs dat is afgegeven voor het motorrijtuig of de aanhangwagen, waarop het verzoek betrekking heeft, en b. het keuringsrapport. **2.** De in het eerste lid bedoelde deskundige geeft de daar bedoelde bescheiden na afloop van de herkeuring aan de verzoeker terug. @@ -3257,7 +2519,7 @@ De Dienst Wegverkeer doet, indien een beschikking tot weigering van de afgifte v De verzoeker legt voorafgaande aan het in artikel 91 van de wet bedoelde deskundigenonderzoek aan de deskundige die door de Dienst Wegverkeer is aangewezen om het onderzoek te verrichten, de volgende bescheiden over: -a. deel I dan wel deel I A van het kentekenbewijs dat is afgegeven voor het motorrijtuig of de aanhangwagen waarop het verzoek betrekking heeft, en +a. deel I van het kentekenbewijs dat is afgegeven voor het motorrijtuig of de aanhangwagen waarop het verzoek betrekking heeft, en b. het keuringsbewijs dat is afgegeven voor het motorrijtuig of de aanhangwagen waarop het verzoek betrekking heeft. **2.** De in het eerste lid bedoelde deskundige geeft de daar bedoelde bescheiden na afloop van het onderzoek aan de verzoeker terug, met dien verstande dat het keuringsbewijs niet wordt teruggegeven indien de geldigheid van het voor het voertuig afgegeven keuringsbewijs vervalt overeenkomstig artikel 91, vierde lid, van de wet. @@ -3296,7 +2558,7 @@ Het is de bestuurder van een voertuig verboden daarmee te rijden en de eigenaar ### Artikel 5.1.4 -Vervallen +Het is verboden op andere voertuigen dan bromfietsen de in artikel 5.6.1, eerste lid, onderdeel c, bedoelde gele of oranje plaat of een plaat die daarop lijkt, te voeren. Het is voorts verboden op bromfietsen die van een gele plaat moeten zijn voorzien, een oranje plaat te voeren. ### Artikel 5.1.5 @@ -3304,23 +2566,11 @@ Vervallen Gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor en die niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie, moeten voldoen aan de in afdeling 6 aan bromfietsen gestelde eisen, met dien verstande dat: -a. het bepaalde in artikel 5.6.1, eerste lid, onderdelen a, c, d en e, geen toepassing vindt, +a. het bepaalde in artikel 5.6.1, eerste lid, onderdelen *b* en *c*, en tweede lid, geen toepassing vindt, b. voor het in artikel 5.6.6 ter zake van de afmetingen bepaalde artikel 5.10.6 in de plaats treedt, en c. de cylinderinhoud van de verbrandingsmotor van het gehandicaptenvoertuig niet meer dan 50 cm3 mag bedragen. -**2.** Gehandicaptenvoertuigen zonder motor moeten voldoen aan de in de afdelingen 9 en 18, paragraaf 4, van dit hoofdstuk aan fietsen gestelde eisen, met uitzondering van het in artikel 5.9.6 ter zake van de afmetingen bepaalde, waarvoor artikel 5.10.6 in de plaats treedt. - -### Artikel 5.1.6 - -Het is de bestuurder van een motorrijtuig verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien in of aan het motorrijtuig een radarontvangstapparaat aanwezig is, dat geschikt is om de aanwezigheid aan te tonen van een apparaat dat tot doel heeft om een overschrijding van de maximumsnelheid vast te stellen. - -### Artikel 5.1.7 - -**1.** Het is de bestuurder van een personenauto of bedrijfsauto met een referentiemassa van niet meer dan 1305 kg, niet zijnde een bus, die in gebruik is genomen na 31 december 2011 en reeds vóór de datum van eerste ingebruikname van een klimaatregelingssysteem is voorzien, verboden dit klimaatregelingssysteem te vullen of te laten vullen met gefluoreerde broeikasgassen met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150. - -**2.** Het is de bestuurder van een personenauto of bedrijfsauto met een referentiemassa van niet meer dan 1305 kg, niet zijnde een bus, welke is voorzien van een klimaatregelingssysteem, verboden dit klimaatregelingssysteem te vullen of te laten vullen met gefluoreerde broeikasgassen met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150, tenzij het voertuig in gebruik is genomen voor 1 januari 2018 en het klimaatregelingssysteem reeds dergelijke gassen bevat. - -**3.** Het is de bestuurder van een personenauto of bedrijfsauto met een referentiemassa van niet meer dan 1305 kg, niet zijnde bussen, die is voorzien van een klimaatregelingssysteem waaruit een abnormale hoeveelheid koelvloeistof lekt, verboden dit klimaatregelingssysteem bij te vullen of te laten bijvullen met gefluoreerde broeikasgassen dan nadat de noodzakelijke herstelling is voltooid. +**2.** Gehandicaptenvoertuigen zonder motor moeten voldoen aan de in afdeling 9 van dit hoofdstuk aan fietsen gestelde eisen, met uitzondering van het in artikel 5.9.6 ter zake van de afmetingen bepaalde, waarvoor artikel 5.10.6 in de plaats treedt. ### Afdeling 2. Personenauto’s @@ -3336,9 +2586,8 @@ Personenauto’s moeten voldoen aan de volgende eisen: a. het voertuig moet in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens; b. het identificatienummer moet op een vast voertuigdeel zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn; -c. de kentekenplaten moeten zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport; -d. de kentekenplaten moeten deugdelijk aan de voor- en achterzijde van het voertuig zijn bevestigd; -e. het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaten mogen niet zijn afgeschermd. +c. de kentekenplaten moeten zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moeten deugdelijk aan de voor- en achterzijde van het voertuig zijn bevestigd; +d. het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaten mogen niet zijn afgeschermd. #### Paragraaf 1. Algemene bouwwijze van het voertuig @@ -3371,7 +2620,7 @@ c. niet hoger zijn dan 4,00 m. **1.** De last onder de assen van personenauto’s mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximum aslasten. -**2.** De totale massa of de som van de aslasten van personenauto’s mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximum massa. +**2.** De totale massa van personenauto’s mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximum massa. #### Paragraaf 3. Motor @@ -3417,32 +2666,7 @@ g. de automatische afsluitklep. **8.** De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. -**9.** De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. - -### Artikel 5.2.10a - -**1.** Indien de personenauto is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd artikel 5.2.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. - -**2.** - -De CNG-tank: - -a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en -b. mag geen deuken vertonen. - -**3.** De CNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. - -**4.** Indien de CNG-tank in gebruik is genomen na 19 juli 2002, mag de geldigheid van de goedkeuring niet verstreken zijn. CNG-tanks die voor 20 juli 2002 in gebruik zijn genomen en waarvan de gegevens omtrent de geldigheid van de goedkeuring niet beschikbaar zijn, mogen niet ouder zijn dan 10 jaar, dan wel mag het voertuig niet ouder zijn dan 10 jaar. - -**5.** Op de CNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die, welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de personenruimte of laadruimte. - -**6.** Indien het voertuig in gebruik genomen is na 1 juli 1995, moet het voertuig zijn voorzien van een goed werkende automatische tankafsluiter. - -**7.** De onderdelen van de CNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. - -**8.** De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. - -**9.** De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. +**9.** De gasvoerende slangen van rubber mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. ### Artikel 5.2.11 @@ -3461,10 +2685,9 @@ b. mag geen deuken vertonen. De uitlaatgassen van personenauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor: a. niet meer dan 4,5 % vol koolmonoxyde bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1973 doch voor 1 oktober 1986; -b. niet meer dan 3,5 % vol koolmonoxyde bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 september 1986 doch voor 1 juli 2002; -c. niet meer dan 1,5 % vol koolmonoxyde bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1973 doch voor 1 juli 2002 en het voertuig blijkens een aantekening op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs wordt gevoed door een al dan niet tot vloeistof verdicht gas; -d. niet meer dan 0,5 % vol koolmonoxyde bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1985 doch voor 1 juli 2002 en het voertuig is uitgerust met een brandstofdoseringssysteem dat de mengverhouding van lucht en brandstof voortdurend aanpast aan het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen; -e. niet meer dan 0,3% vol koolmonoxide bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 juni 2002. +b. niet meer dan 3,5 % vol koolmonoxyde bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 september 1986; +c. niet meer dan 1,5 % vol koolmonoxyde bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1973 en het voertuig blijkens een aantekening op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs wordt gevoed door een al dan niet tot vloeistof verdicht gas; +d. niet meer dan 0,5 % vol koolmonoxyde bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1985 en het voertuig is uitgerust met een brandstofdoseringssysteem dat de mengverhouding van lucht en brandstof voortdurend aanpast aan het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen. **7.** De afstelling van het stationaire mengsel van personenauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979, met uitzondering van personenauto’s die zijn uitgerust met een brandstofdoseringssysteem dat de mengverhouding van lucht en brandstof voortdurend aanpast aan het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen, dient zodanig te zijn dat een door Onze Minister voor het desbetreffende type motorrijtuig aangewezen gehalte aan koolmonoxyde van de uitlaatgassen, uitgedrukt in % vol, bij het bij die aanwijzing aangegeven stationaire toerental, niet wordt overschreden. Bij de meting van het gehalte koolmonoxyde moeten de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Deze eis wordt alleen getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport en bij elke keuring ten behoeve van de afgifte of teruggave van een kentekenbewijs. @@ -3483,7 +2706,9 @@ plaats aan de hand van de afstel- en controlegegevens, vermeld op het op het voe **11.** De uitlaatgassen van personenauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979 mogen niet meer dan een door Onze Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tezamen aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. -**12.** Bij personenauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1992 en die zijn voorzien van een emissiebestrijdingssysteem, moeten de door Onze Minister aangegeven onderdelen van dit systeem aanwezig zijn. +**12.** Bij personenauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking die in gebruik zijn genomen na 30 september 1986 en die zijn voorzien van een emissiebestrijdingssysteem, moeten de door Onze Minister aangegeven onderdelen van dit systeem aanwezig zijn. + +**13.** Het in het achtste lid bedoelde symbool moet op het voertuig aanwezig zijn en moeten goed leesbaar zijn. ### Artikel 5.2.12 @@ -3509,11 +2734,9 @@ Personenauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzi **1.** De onderdelen van de aandrijving van personenauto’s moeten deugdelijk zijn bevestigd. -**2.** Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. +**2.** Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. -**3.** Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. - -**4.** Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot het bepaalde in het eerste lid. +**3.** Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot het bepaalde in het eerste lid. #### Paragraaf 5. Assen @@ -3523,7 +2746,7 @@ Personenauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzi **2.** De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. -**3.** De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. +**3.** De assen mogen niet zodanig zijn beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. **4.** De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest. @@ -3533,13 +2756,11 @@ Personenauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzi **1.** De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van personenauto’s moeten deugdelijk zijn bevestigd. -**2.** Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. +**2.** De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. -**3.** De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. +**3.** Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. -**4.** Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. - -**5.** Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het derde lid. +**4.** Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het tweede lid. ### Artikel 5.2.20 @@ -3551,7 +2772,7 @@ Personenauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzi ### Artikel 5.2.21 -**1.** De wielbasis van personenauto's mag niet meer dan 1,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. +**1.** De wielbasis van personenauto"s mag niet meer dan 1,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister. **2.** Behoudens fabrieksmatige verschillen mag de wielbasis, links en rechts gemeten, niet meer dan 15 mm verschillen. @@ -3607,19 +2828,17 @@ De spoorbreedte van personenauto’s mag niet meer dan 2,0% groter zijn dan de w **3.** De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. -**4.** Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. +**4.** Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. -**5.** Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. +**5.** Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. -**6.** Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. +**6.** De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. -**7.** De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. +**7.** Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. -**8.** Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. +**8.** Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiger mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. -**9.** Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiger mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. - -**10.** Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het derde, zesde en zevende lid. +**9.** Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het derde, vijfde en zesde lid. #### Paragraaf 8. Reminrichting @@ -3683,9 +2902,7 @@ b. in geval van een gescheiden remsysteem een deugdelijke waarschuwingsinrichtin **4.** Personenauto’s mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as onderscheidenlijk ten gevolge van overberemming van de achteras. -**5.** In afwijking van het eerste lid moeten ambulances, kampeerauto's en begrafeniswagens met een maximum toegestane massa van meer dan 2500 kg waarvoor overeenkomstig richtlijn 98/14/EG, Bijlage XI, aanhangsel 1, een goedkeuring is verleend, zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s^2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. - -**6.** Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot het bepaalde in het eerste, tweede, vierde en vijfde lid. +**5.** Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot het bepaalde in het eerste, tweede, en vierde lid. ### Artikel 5.2.39 @@ -3704,9 +2921,7 @@ Indien de personenauto na 30 juni 1967 in gebruik is genomen en is voorzien van a. het hulpremsysteem goed functioneren; b. de remwerking redelijk gelijkmatig over de wielen links en rechts van de as zijn verdeeld. -Aan deze eisen wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. - -**2.** De remvertraging van het in het eerste lid bedoelde hulpremsysteem moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,6 m/s2 bedragen. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. +**2.** De remvertraging van het in het eerste lid bedoelde hulpremsysteem moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,6 m/s2 bedragen. #### Paragraaf 9. Carrosserie @@ -3744,9 +2959,9 @@ die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. ### Artikel 5.2.43 -**1.** Personenauto’s met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. +**1.** Personenauto’s met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitewisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. -**2.** Personenauto’s met een voorruit, die na 30 september 1971 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie. +**2.** Personenauto’s met een voorruit, die na 30 september 1971 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitesproeierinstallatie. ### Artikel 5.2.44 @@ -3754,27 +2969,19 @@ Personenauto’s met een voorruit, die na 30 september 1971 in gebruik zijn geno ### Artikel 5.2.45 -**1.** Personenauto’s, in gebruik genomen na 25 januari 2010, zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel, een rechterbuitenspiegel en een binnenspiegel. +**1.** Personenauto’s moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en van een binnenspiegel. -**2.** Indien met de in het eerste lid bedoelde binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte niet voldoende kan worden overzien, behoeft deze niet aanwezig te zijn. +**2.** Personenauto’s moeten zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel indien met de binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte niet voldoende kan worden overzien. Indien de binnenspiegel geen zicht naar achteren mogelijk maakt, behoeft deze niet aanwezig te zijn. -**3.** Personenauto’s, in gebruik genomen voor 26 januari 2011, zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en een binnenspiegel. +**3.** De aan de zijde van de bestuurder bevestigde buitenspiegel moet vanuit de binnenzijde bij gesloten portier kunnen worden versteld. Deze eis geldt niet voor personenauto’s die vóór 1 januari 1975 in gebruik zijn genomen. De spiegels van deze voertuigen moeten, na door een duw te zijn omgeklapt, zonder verstelling in de oorspronkelijke stand terug kunnen klappen. -**4.** De in het derde lid bedoelde personenauto’s zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel indien met de binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte niet voldoende kan worden overzien. Indien de binnenspiegel geen zicht naar achteren mogelijk maakt, behoeft deze niet aanwezig te zijn. +**4.** De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd. -**5.** De aan de zijde van de bestuurder bevestigde buitenspiegel moet vanuit de binnenzijde bij gesloten portier kunnen worden versteld. Deze eis geldt niet voor personenauto’s die vóór 1 januari 1975 in gebruik zijn genomen. De spiegels van deze voertuigen moeten, na door een duw te zijn omgeklapt, zonder verstelling in de oorspronkelijke stand terug kunnen klappen. - -**6.** De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd. - -**7.** Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd. +**5.** Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd. ### Artikel 5.2.46 -**1.** Personenauto’s, in gebruik genomen na 19 oktober 2008, zijn niet voorzien van zijdelings gerichte zitplaatsen. - -**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op ambulances, personenauto’s ten dienste van de politie of brandweer en andere door Onze Minister aangewezen categorieën voertuigen ten dienste van de burgerbescherming of ordehandhaving. - -**3.** +**1.** De zitplaatsen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Bij personenauto’s die na 30 september 1971 in gebruik zijn genomen, moeten: @@ -3782,21 +2989,21 @@ a. verschuifbare zitplaatsen in elke mogelijke stand automatisch zijn vergrendel b. verstelbare rugleuningen van zitplaatsen in elke mogelijke stand kunnen worden vergrendeld, en c. de voorste zitplaatsen, indien zij scharnierend zijn, dan wel de rugleuningen van de voorste zitplaatsen, indien zij scharnierend zijn, in de normale stand automatisch zijn vergrendeld. -**4.** Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging, bedoeld in het derde lid. +**2.** Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging, bedoeld in het eerste lid. ### Artikel 5.2.47 -**1.** Personenauto's die na 30 september 2000 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van autogordels voor alle naar voren en naar achteren gerichte zitplaatsen. +**1.** Personenauto's die na 30 september 1999 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van autogordels voor alle naar voren en naar achteren gerichte zitplaatsen. -**2.** Personenauto’s die na 31 december 1989 doch voor 1 oktober 2000 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van autogordels voor alle naar voren gerichte zitplaatsen. +**2.** Personenauto’s die na 31 december 1989 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van autogordels voor alle naar voren gerichte zitplaatsen. **3.** Personenauto’s die na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1990 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van autogordels voor de zitplaats van de bestuurder en de naast deze plaats aanwezige zitplaatsen, voor zover deze aan een portier grenzen. **4.** Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op klapstoelen en zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik bij stilstaand voertuig. -**5.** De in het tweede en derde lid bedoelde verplichtingen gelden niet voor voertuigen die voor 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen en die blijkens een aantekening in het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs niet van bevestigingspunten voor autogordels behoeven te zijn voorzien. +**5.** De in het eerste en tweede lid bedoelde verplichtingen gelden niet voor voertuigen die voor 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen en die blijkens een aantekening in het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs niet van bevestigingspunten voor autogordels behoeven te zijn voorzien. -**6.** Autogordels in personenauto's die na 30 september 2000 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een door Onze Minister vastgesteld goedkeuringsmerk. +**6.** Autogordels in personenauto's die na 30 september 1999 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een door Onze Minister vastgesteld goedkeuringsmerk. **7.** De autogordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. @@ -3804,9 +3011,15 @@ c. de voorste zitplaatsen, indien zij scharnierend zijn, dan wel de rugleuningen **9.** Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging, bedoeld in het zevende lid. -### Artikel 5.2.47a +### Artikel 5.2.47 a -Personenauto’s die na 1 september 2008 in gebruik zijn genomen en zijn ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel voldoen aan de bij regeling van Onze Minister vastgestelde eisen. +**1.** + +In personenauto's die na 30 september 1999 in gebruik zijn genomen, moet bij iedere passagierszitplaats met airbag duidelijk zichtbaar en duurzaam zijn aangebracht het volgende symbool + +Raadpleeg voor het plaatje Staatsblad 1999/393. + +**2.** Het eerste lid is niet van toepassing indien het voertuig is voorzien van een mechanisme dat automatisch de aanwezigheid van een naar achteren gericht bevestigingssysteem voor kinderen signaleert en dat ervoor zorgt dat de airbag niet wordt opgeblazen wanneer een dergelijk systeem is aangebracht. ### Artikel 5.2.48 @@ -3828,32 +3041,18 @@ c. mogen niet aanlopen. **6.** Geen deel van de buitenzijde van de personenauto mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. -### Artikel 5.2.49a - -**1.** Personenauto’s die in gebruik zijn genomen na 31 december 2011 zijn niet voorzien van een klimaatregelingssysteem dat is ontworpen om gefluoreerde broeikasgassen te bevatten met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150. - -**2.** Het eerste lid is tot 1 januari 2018 niet van toepassing op personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 2012 en reeds voor de datum van eerste ingebruikname van een dergelijk klimaatregelingssysteem zijn voorzien. - -**3.** Aan de in het eerste en tweede lid opgenomen eisen wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. - -### Artikel 5.2.50 - -Frontbeschermingsinrichtingen van personenauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg, die na 24 mei 2008 in gebruik zijn genomen, zijn goedgekeurd voor het voertuig waarop zij zijn aangebracht en voorzien van een EG-typegoedkeuringsmerk dat voldoet aan de door Onze Minister gestelde eisen. - #### Paragraaf 10. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen ### Artikel 5.2.51 -**1.** - Personenauto’s moeten zijn voorzien van: a. twee of vier grote lichten; -b. twee dimlichten, met dien verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december 2006, deze lichtbronnen voldoen aan door Onze Minister gestelde eisen, alsmede voor de installatie daarvan; +b. twee dimlichten; c. twee stadslichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel twee of vier stadslichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van personenauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen moet knipperen; e. waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; -f. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen. Voor voertuigen die voor 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen worden de richtingaanwijzers aan de voorzijde van het voertuig beschouwd als zijrichtingaanwijzers indien het uitgestraalde licht hiervan duidelijk te zien is vanuit een punt gelegen op 6,00 m achter de voorzijde van het voertuig en 1,00 m zijwaarts; +f. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; g. twee achterlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel twee of vier achterlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; h. twee remlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel één of twee remlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; i. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat; @@ -3863,20 +3062,10 @@ l. een of twee achteruitrijlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in ge m. twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m; n. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m, aangebracht overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde eisen; o. ten minste twee ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m; -p. een derde remlicht indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 september 2001, aangebracht zodanig dat: +p. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat: -1º. het midden van het lichtdoorlatende gedeelte zich bevindt in het middenlangsvlak van het voertuig of de rand van het lichtdoorlatende gedeelte op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf dit middenlangsvlak indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw kan worden bevestigd, en -2º. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in onderdeel h. - -**2.** In afwijking van het eerste lid, onderdeel h, worden twee extra remlichten aangebracht, indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw binnen 0,15m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd. - -### Artikel 5.2.51a - -**1.** Personenauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de auto herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze voertuigen moeten zijn voorzien van geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht. - -**2.** Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de vormgeving en de installatie van de in het eerste lid genoemde striping, letters, cijfers, tekens of lichten. - -**3.** Het eerste lid geldt niet voor personenauto’s gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken en personenauto’s in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. +1°. het midden van het lichtdoorlatende gedeelte zich bevindt in het middenlangsvlak van het voertuig of op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf dit middenlangsvlak, en +2°. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in onderdeel h, indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 september 2000. ### Artikel 5.2.53 @@ -3906,9 +3095,9 @@ p. een derde remlicht indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 september **4.** Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. -**5.** De in artikel 5.2.51 bedoelde lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste een vierde deel zijn afgeschermd onverminderd het bepaalde in artikel 5.18.7, eerste lid. +**5.** De in artikel 5.2.51 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen niet zijn afgeschermd, onverminderd het bepaalde in artikel 5.18.7, eerste lid. Het bepaalde in dit lid geldt niet voor personenauto's in gebruik genomen voor 1 januari 1970 voorzover de functie van de lichten en retroreflectoren niet wezenlijk wordt beïnvloed. -**6.** De retroreflectoren van het voertuig mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. +**6.** De retroreflectoren en de markering aan de achterzijde van het voertuig mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. **7.** Onze Minister kan regels vaststellen omtrent het bepaalde in het tweede en derde lid. @@ -3941,7 +3130,7 @@ Personenauto’s mogen zijn voorzien van: a. twee mistlichten aan de voorzijde van het voertuig; b. parkeerlichten indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m en niet breder dan 2,00 m; -c. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de achterzijde van het voertuig. Personenauto’s, in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen ook zijn voorzien van twee extra richtingaanwijzers aan de voorzijde van het voertuig; +c. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de achterzijde van het voertuig; d. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen; e. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, indien deze retroreflectoren niet reeds ingevolge artikel 5.2.51 verplicht zijn; f. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; @@ -3950,26 +3139,17 @@ h. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.2.51 i. een richtlicht; j. een bermlicht aan de voorzijde van het voertuig; k. werklichten; -l. een derde remlicht, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 oktober 2001, aangebracht zodanig dat: +l. een derde remlicht aangebracht zodanig, dat: -1º. het midden van het lichtdoorlatende gedeelte zich bevindt in het middenlangsvlak van het voertuig of de rand van het lichtdoorlatende gedeelte op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf dit middenlangsvlak indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw kan worden bevestigd, en -2º. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.2.51, onderdeel h; -m. twee dagrijlichten; -n. een markering aan de achterzijde van het voertuig bestaande uit een rechthoekig bord dan wel uit een set van twee of vier rechthoekige borden, welke zijn voorzien van rood fluorescerende parallel lopende diagonale strepen, indien de toegestane maximum massa van het voertuig meer bedraagt dan 3500 kg; -o. verlichte transparanten. +1°. het midden van het lichtdoorlatende gedeelte zich bevindt in het middenlangsvlak van het voertuig of op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf dit middenlangsvlak, en +2°. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.2.51, onderdeel h, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 oktober 2000; +m. dagrijlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG (PbEG 27 september 1976, L 262); +n. een markering aan de achterzijde van het voertuig bestaande uit een rechthoekig bord dan wel uit een set van twee of vier rechthoekige borden, welke zijn voorzien van rood fluorescerende parallel lopende diagonale strepen, indien de toegestane maximum massa van het voertuig meer bedraagt dan 3500 kg. **2.** Lichten die ingevolge artikel 5.2.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in artikel 5.2.53 met betrekking tot die lichten, met uitzondering van markeringslichten en zijmarkeringslichten, gestelde eisen. Markeringslichten en zijmarkeringslichten moeten alsdan voldoen aan het bepaalde in de onderdelen g onderscheidenlijk h van het eerste lid. **3.** Personenauto’s mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra niet-driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. -**4.** In afwijking van het eerste lid, onderdeel l, kunnen twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw binnen 0,15m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd. - -### Artikel 5.2.58 - -**1.** Personenauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van blauw zwaai-, flits- of knipperlicht. - -**2.** Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht. - ### Artikel 5.2.59 **1.** De mistlichten aan de voorzijde, het richtlicht en het bermlicht mogen naar voren niet anders dan wit of geel stralen. @@ -3990,19 +3170,9 @@ o. verlichte transparanten. **9.** Op de mistlichten aan de voorzijde van het voertuig is artikel 5.2.55, eerste tot en met vijfde en zevende lid, van overeenkomstige toepassing. -**10.** De dagrijlichten mogen niet anders dan wit stralen. - -**11.** - -Verlichte transparanten zijn: - -a. afzonderlijk geschakeld; -b. niet breder dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd; -c. niet langer dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd. - ### Artikel 5.2.61 -**1.** Bij personenauto's in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.2.51 en 5.2.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. +**1.** Bij personenauto's in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.2.51 en 5.2.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. **2.** Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, richtlichten, bermlichten, achteruitrijlichten, remlichten, de verlichting van de kentekenplaat aan de achterzijde van het voertuig, de markering aan de achterzijde van het voertuig, mistlichten aan de achterzijde van het voertuig, en werklichten. @@ -4020,11 +3190,9 @@ Achteruitrijlichten van personenauto’s mogen alleen kunnen branden indien de a **2.** Personenauto’s mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende verlichting. -**3.** Het tweede lid is niet van toepassing op personenauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. - ### Artikel 5.2.65 -Personenauto’s mogen, onverminderd het bij of krachtens de artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.2.51, 5.2.52, 5.2.57 en in of krachtens artikel 5.2.58 is voorgeschreven of toegestaan. +Personenauto's mogen, onverminderd het in de artikelen 29 en 30 van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai- en knipperlichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.2.51 en 5.2.57 is voorgeschreven of toegestaan. #### Paragraaf 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen @@ -4049,11 +3217,9 @@ b. moet de sluit- en borginrichting van een afneembare kogel goed functioneren e **1.** Personenauto’s moeten zijn voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd. -**2.** Personenauto’s mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik, diefstal van of ongeoorloofde toegang tot het voertuig te voorkomen. +**2.** Personenauto’s mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen. -**3.** Personenauto’s mogen, onverminderd het in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bepaalde inzake tweetonige hoorns, niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste en tweede lid. - -**4.** Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende de tweetonige hoorn. +**3.** Personenauto’s mogen, onverminderd het in artikel 29 van het RVV 1990 bepaalde inzake twee- en drietonige hoorns, niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste en tweede lid. ### Afdeling 3. Bedrijfsauto’s @@ -4069,10 +3235,9 @@ Bedrijfsauto’s moeten voldoen aan de volgende eisen: a. het voertuig moet in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens; b. het identificatienummer moet op een vast voertuigdeel zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn; -c. bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van een constructieplaat die goed leesbaar is en waarvan de gegevens in overeenstemming zijn met het kentekenregister, met dien verstande dat de maximum massa's die op de constructieplaat zijn vermeld ten minste gelijk zijn aan de massa's die zijn aangegeven in het kentekenregister en op het kentekenbewijs. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport; -d. de kentekenplaten moeten zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport; -e. de kentekenplaten moeten deugdelijk aan de voor- en achterzijde van het voertuig zijn bevestigd; -f. het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaten mogen niet zijn afgeschermd. +c. bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van een constructieplaat die goed leesbaar is en waarvan de gegevens in overeenstemming zijn met het kentekenregister, met dien verstande dat de maximum massa's die op de constructieplaat zijn vermeld ten minste gelijk zijn aan de massa's die zijn aangegeven in het kentekenregister en op het kentekenbewijs; +d. de kentekenplaten moeten zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moeten deugdelijk aan de voor- en achterzijde van het voertuig zijn bevestigd; +e. het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaten mogen niet zijn afgeschermd. #### Paragraaf 1. Algemene bouwwijze van het voertuig @@ -4107,14 +3272,11 @@ c. niet hoger zijn dan 4,00 m. **2.** -In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, mogen: +In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel *a*, mogen: -a. bussen met twee assen niet langer zijn dan 13,50 m; -b. bussen met twee assen die in gebruik genomen zijn vóór 10 september 2003 tot 1 januari 2021 niet langer zijn dan 15,00 m; -c. bussen met meer dan twee assen niet langer zijn dan 15,00 m; -d. gelede bussen niet langer zijn dan 18,75 m; -e. rijdende werktuigen niet langer zijn dan 20,00 m; -f. kermis- en circusvoertuigen niet langer zijn dan 14,00 m. +a. rijdende werktuigen niet langer zijn dan 20,00 m; +b. gelede bussen niet langer zijn dan 18,00 m; +c. kermis- of circusvoertuigen niet langer zijn dan 14,00 m. **3.** @@ -4129,7 +3291,7 @@ b. rijdende werktuigen niet breder zijn dan 3,00 m. **1.** De last onder de assen van bedrijfsauto’s mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximum aslasten. -**2.** De totale massa of de som van de aslasten van bedrijfsauto’s mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximum massa. +**2.** De totale massa van bedrijfsauto’s mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximum massa. #### Paragraaf 3. Motor @@ -4177,31 +3339,6 @@ g. de automatische afsluitklep. **9.** De gasvoerende slangen van rubber mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. -### Artikel 5.3.10a - -**1.** Indien de bedrijfsauto is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd artikel 5.3.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. - -**2.** - -De CNG-tank: - -a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en -b. mag geen deuken vertonen. - -**3.** De CNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. - -**4.** Indien de CNG-tank in gebruik is genomen na 19 juli 2002, mag de geldigheid van de goedkeuring niet verstreken zijn. CNG-tanks die voor 20 juli 2002 in gebruik zijn genomen en waarvan de gegevens omtrent de geldigheid van de goedkeuring niet beschikbaar zijn, mogen niet ouder zijn dan 10 jaar, dan wel mag het voertuig niet ouder zijn dan 10 jaar. - -**5.** Op de CNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die, welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de personenruimte of laadruimte. - -**6.** Indien het voertuig in gebruik genomen is na 1 juli 1995, moet het voertuig zijn voorzien van een goed werkende automatische tankafsluiter. - -**7.** De onderdelen van de CNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. - -**8.** De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. - -**9.** De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. - ### Artikel 5.3.11 **1.** Bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. @@ -4217,10 +3354,9 @@ b. mag geen deuken vertonen. De uitlaatgassen van bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor: a. niet meer dan 4,5 % vol koolmonoxyde bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1973 doch voor 1 oktober 1986; -b. niet meer dan 3,5 % vol koolmonoxyde bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 september 1986 doch voor 1 juli 2002; -c. niet meer dan 1,5 % vol koolmonoxyde bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1973 doch voor 1 juli 2002 en het voertuig blijkens een aantekening op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs wordt gevoed door een al dan niet tot vloeistof verdicht gas; -d. niet meer dan 0,5 % vol koolmonoxyde bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1985 doch voor 1 juli 2002 en het voertuig is uitgerust met een brandstofdoseringssysteem dat de mengverhouding van lucht en brandstof voortdurend aanpast aan het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen; -e. niet meer dan 0,3% vol koolmonoxide bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 juni 2002. +b. niet meer dan 3,5 % vol koolmonoxyde bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 september 1986; +c. niet meer dan 1,5 % vol koolmonoxyde bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1973 en het voertuig blijkens een aantekening op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs wordt gevoed door een al dan niet tot vloeistof verdicht gas; +d. niet meer dan 0,5 % vol koolmonoxyde bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1985 en het voertuig is uitgerust met een brandstofdoseringssysteem dat de mengverhouding van lucht en brandstof voortdurend aanpast aan het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen. **6.** De afstelling van het stationaire mengsel van bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking, met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979, met uitzondering van bedrijfsauto’s die zijn uitgerust met een brandstofdoseringssysteem dat de mengverhouding van lucht en brandstof voortdurend aanpast aan het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen, dient zodanig te zijn dat een door Onze Minister voor het desbetreffende type motorrijtuig aangewezen gehalte aan koolmonoxyde van de uitlaatgassen, uitgedrukt in % vol, bij het bij die aanwijzing aangegeven stationaire toerental, niet wordt overschreden. Bij de meting van het gehalte koolmonoxyde moeten de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Deze eis wordt alleen getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport en bij elke keuring ten behoeve van de afgifte of teruggave van een kentekenbewijs. @@ -4232,7 +3368,7 @@ e. niet meer dan 0,3% vol koolmonoxide bevatten indien het voertuig in gebruik i **10.** De uitlaatgassen van bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979 mogen niet meer dan een door Onze Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tezamen aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. -**11.** Bij bedrijfsauto's met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1994 en die zijn voorzien van een emissiebestrijdingssysteem, moeten de door Onze Minister aangegeven onderdelen van dit systeem aanwezig zijn. +**11.** Het in het zevende lid bedoelde symbool moet op het voertuig aanwezig zijn en moet goed leesbaar zijn. ### Artikel 5.3.12 @@ -4254,26 +3390,16 @@ e. niet meer dan 0,3% vol koolmonoxide bevatten indien het voertuig in gebruik i **1.** Bedrijfsauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is. -**2.** - -De volgende categorieën motorrijtuigen zijn voorzien van een snelheidsbegrenzer: - -a. bedrijfsauto’s met een dieselmotor, met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg, doch niet meer dan 12.000 kg, die na 30 september 2001 doch voor 1 januari 2005 in gebruik zijn genomen; -b. bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg, doch niet meer dan 12.000 kg, die na 31 december 2004 in gebruik zijn genomen; -c. bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 12.000 kg, die na 31 december 1987 in gebruik zijn genomen; -d. bussen met een dieselmotor, met een toegestane maximum massa van niet meer dan 10.000 kg, die na 30 september 2001 doch voor 1 januari 2005 in gebruik zijn genomen; -e. bussen met een toegestane maximum massa van niet meer dan 10.000 kg, die na 31 december 2004 in gebruik zijn genomen; -f. bussen met een toegestane maximum massa van meer dan 10.000 kg, die na 31 december 1987 in gebruik zijn genomen. +**2.** Bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 12 000 kg, die na 31 december 1987 in gebruik zijn genomen, alsmede bussen met een toegestane maximum massa van meer dan 10 000 kg, die na 31 december 1987 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een snelheidsbegrenzer. **3.** De snelheidsbegrenzer moet zijn afgesteld op: -a. een zodanige snelheid, dat de maximumsnelheid van bedrijfsauto’s, niet zijnde bussen, niet meer dan 90 km/h kan bedragen; -b. een zodanige snelheid, dat de maximumsnelheid van bussen niet meer dan 100 km/h kan bedragen; -c. maximaal 100 km/h, indien het een bus betreft met een maximum massa van meer dan 10.000 kg, die voor 1 januari 2005 in gebruik is genomen. +a. een zodanige snelheid, dat de maximum snelheid van het voertuig niet meer dan 90 km/h kan bedragen, indien het een bedrijfsauto bestemd voor het vervoer van goederen betreft; aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. +b. maximaal 100 km/h, indien het een bus betreft. -De ingestelde snelheid is onuitwisbaar vermeld op een installatieplaatje dat op een duidelijk zichtbare plaats in de stuurcabine van het voertuig is aangebracht. +De ingestelde snelheid moet onuitwisbaar zijn vermeld op een installatieplaatje dat op een duidelijk zichtbare plaats in de stuurcabine van het voertuig is aangebracht. **4.** De snelheidsbegrenzer en de voor het functioneren noodzakelijke aansluitingen moeten met behulp van een verzegeling of door de noodzaak om speciale gereedschappen te gebruiken zijn beschermd tegen niet-toegestane bijstelling of onderbreking van de stroomvoorziening. @@ -4284,24 +3410,13 @@ De in het tweede lid bedoelde verplichting geldt niet voor: a. motorrijtuigen als bedoeld in artikel 29 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; b. motorrijtuigen die blijkens een aantekening op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs niet van een snelheidsbegrenzer behoeven te zijn voorzien. -**6.** - -Indien een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg moet zijn voorzien van een controleapparaat als bedoeld in verordening 3821/85/EEG: - -a. mag de op het installatieplaatje vermelde geldigheidsduur niet zijn verstreken, met dien verstande dat de geldigheidsduur maximaal twee jaar vanaf de installatiedatum bedraagt; -b. moet het onder a bedoelde installatieplaatje zijn voorzien van een verzegeling dan wel zodanig zijn aangebracht dat dit bij verwijdering onherstelbaar wordt beschadigd; -c. mag de omtrek van de op de aangedreven wielen gemonteerde banden niet meer dan 4% afwijken van de waarde die op het onder a bedoelde installatieplaatje is vermeld; -d. moeten het controleapparaat en de voor het functioneren noodzakelijke aansluitingen met behulp van een verzegeling zijn beschermd tegen een niet-toegestane wijziging in de instellingen of onderbreking van de stroomvoorziening. - ### Artikel 5.3.16 **1.** De onderdelen van de aandrijving van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk zijn bevestigd. -**2.** Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. +**2.** Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. -**3.** Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. - -**4.** Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot het bepaalde in het eerste lid. +**3.** Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot het bepaalde in het eerste lid. #### Paragraaf 5. Assen @@ -4311,7 +3426,7 @@ d. moeten het controleapparaat en de voor het functioneren noodzakelijke aanslui **2.** De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. -**3.** De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. +**3.** De assen mogen niet zodanig zijn beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. **4.** De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest. @@ -4321,13 +3436,11 @@ d. moeten het controleapparaat en de voor het functioneren noodzakelijke aanslui **1.** De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk zijn bevestigd. -**2.** Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. +**2.** De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. -**3.** De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. +**3.** Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. -**4.** Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. - -**5.** Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het derde lid. +**4.** Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het tweede lid. ### Artikel 5.3.20 @@ -4339,7 +3452,7 @@ d. moeten het controleapparaat en de voor het functioneren noodzakelijke aanslui ### Artikel 5.3.21 -**1.** De wielbasis van bedrijfsauto’s mag niet meer dan 1,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. +**1.** De wielbasis van bedrijfsauto’s mag niet meer dan 1,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister. **2.** @@ -4386,7 +3499,7 @@ b. niet te veel speling op de draaipunten vertonen. **3.** De banden mogen geen uitstulpingen vertonen. -**4.** De profilering van de hoofdgroeven van de banden van bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg en van T100-bussen moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. +**4.** De profilering van de hoofdgroeven van de banden van bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. **5.** @@ -4396,7 +3509,7 @@ De banden van bedrijfsauto’s mogen niet zijn opgesneden. Van opsnijden is spra **6.** De banden op een as moeten dezelfde karkasstructuur hebben, onverminderd het bepaalde in artikel 5.18.32. -**7.** De op de band van een bedrijfsauto, in gebruik genomen na 31 december 1997, en op de band van een T100-bus vermelde load-index mag niet kleiner zijn dan de load-index, behorende bij de maximum last per band van de in het kentekenregister vermelde aslast. +**7.** De op de band van een bedrijfsauto, in gebruik genomen na 31 december 1997, vermelde load-index mag niet kleiner zijn dan de load-index, behorende bij de maximum last per band van de in het kentekenregister vermelde aslast. **8.** Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. @@ -4406,7 +3519,7 @@ De banden van bedrijfsauto’s mogen niet zijn opgesneden. Van opsnijden is spra **1.** Bedrijfsauto's moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd. -**2.** De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. +**2.** De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. **3.** Bedrijfsauto's die zijn voorzien van gasvering, en bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van ten hoogste 3500 kg, moeten zijn voorzien van goed werkende schokdempers. @@ -4424,19 +3537,17 @@ De banden van bedrijfsauto’s mogen niet zijn opgesneden. Van opsnijden is spra **3.** De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. -**4.** Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. +**4.** Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. -**5.** Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. +**5.** Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. -**6.** Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. +**6.** De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. -**7.** De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. +**7.** Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. -**8.** Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. +**8.** Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiger mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. -**9.** Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiger mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. - -**10.** Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het derde, zesde en zevende lid. +**9.** Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het derde, vijfde en zesde lid. #### Paragraaf 8. Reminrichting @@ -4467,7 +3578,7 @@ a. niet in ernstige mate zijn misvormd; b. niet langs andere voertuigdelen schuren; c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. -**7.** Kunststofremleidingen mogen geen knikken vertonen. +**7.** Kunststofremleidingen mogen geen knikken vertonen en niet zijn toegepast in de directe omgeving van hete delen. **8.** Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. @@ -4522,7 +3633,7 @@ c. een goed functionerend meerkringsbeveiligingsventiel indien het voertuig in g **1.** De slag van drukluchtremcylinders die door middel van een nok een trommelrem bedienen, mag niet worden begrensd door delen die daar niet voor zijn bestemd. -**2.** De slag van drukluchtremcylinders van trommelremmen mag vanuit onberemde toestand tot in beremde stand niet groter zijn dan 2/3 van de maximum slag van de betrokken remcylinder. +**2.** De slag van drukluchtremcylinders mag vanuit onberemde toestand tot in beremde stand niet groter zijn dan 2/3 van de maximum slag van de betrokken remcylinder. ### Artikel 5.3.37 @@ -4534,8 +3645,6 @@ c. een goed functionerend meerkringsbeveiligingsventiel indien het voertuig in g **4.** Bedrijfsauto's in gebruik genomen na 31 december 1997 mogen niet zijn voorzien van een afzonderlijke inrichting voor de bediening van de remmen van de aanhangwagen. -**5.** Bij bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 1997 moeten de voorraad- en commandoleiding zijn voorzien van goedwerkende automatische afsluiters. - ### Artikel 5.3.38 **1.** Bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 31 december 1997, en bussen, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. @@ -4567,9 +3676,7 @@ Indien de bedrijfsauto na 30 juni 1967 in gebruik is genomen en is voorzien van a. het hulpremsysteem goed functioneren; b. de remwerking redelijk gelijkmatig over de wielen links en rechts van de as zijn verdeeld. -Aan deze eisen wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. - -**2.** De remvertraging van het in het eerste lid bedoelde hulpremsysteem moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,0 m/s2 bedragen indien het een bedrijfsauto, niet zijnde een bus, betreft, en ten minste 2,2 m/s2 bedragen indien het een bus betreft. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. +**2.** De remvertraging van het in het eerste lid bedoelde hulpremsysteem moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,0 m/s2 bedragen indien het een bedrijfsauto, niet zijnde een bus, betreft, en ten minste 2,2 m/s2 bedragen indien het een bus betreft. #### Paragraaf 9. Carrosserie @@ -4581,31 +3688,7 @@ Aan deze eisen wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van **3.** De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. -**4.** Bedrijfsdeuren en nooddeuren van een stilstaande bus die na 12 februari 2004 in gebruik is genomen, moeten van binnen en van buiten kunnen worden geopend. - -**5.** Constructie en bedieningssysteem van een bedrijfsdeur van een bus in gebruik genomen na 12 februari 2004, moet zodanig zijn dat een passagier niet door een deur verwond kan worden of bij het sluiten tussen de deur bekneld kan raken. - -**6.** Bedrijfsdeuren en nooddeuren van een bus in gebruik genomen na 12 februari 2004 die niet volledig zijn gesloten, dienen een verklikker te activeren die voor de bestuurder goed waarneembaar is. - -**7.** Noodluiken van een bus in gebruik genomen na 12 februari 2004, dienen gemakkelijk van binnen en van buiten te kunnen worden geopend of verwijderd. De vrije doorgang mag daarbij niet worden belemmerd. - -**8.** Noodramen van een bus in gebruik genomen na 12 februari 2004, moeten op geschikte wijze kunnen worden geopend met een als toereikend beschouwde voorziening. Een scharnierend noodraam dat niet duidelijk vanuit de bestuurderszitplaats zichtbaar is, dient te zijn uitgerust met een akoestische voorziening om de bestuurder te waarschuwen wanneer het raam niet volledig gesloten is. - -**9.** Nooduitgangen en de noodbedieningsinrichtingen van bedrijfsdeuren en van alle nooduitgangen van een bus in gebruik genomen na 12 februari 2004, dienen als zodanig aan de binnen- en buitenzijde van het voertuig te zijn aangeduid, hetzij door een representatief symbool, hetzij door een duidelijk geformuleerd opschrift, en voorzien van duidelijke aanwijzingen over de bedieningswijze. - -**10.** Bij regeling van Onze Minister kunnen regels gesteld worden omtrent het bepaalde in het derde tot en met negende lid. - -### Artikel 5.3.41a - -**1.** - -Een bus in gebruik genomen na 12 februari 2004, moet voor wat betreft de binneninrichting voldoen aan de volgende eisen: - -a. de toegang tot bedrijfsdeuren, nooddeuren en noodramen moet vrij zijn van obstakels en uitstekende voorwerpen die tot de inrichting behoren. -b. er moeten voorzieningen zijn om de bestuurder te beschermen tegen verblinding door en weerkaatsing van de binnenverlichting; -c. vormen van visueel vermaak voor passagiers moeten zich buiten het gezichtsveld van de bestuurder bevinden. - -**2.** Bij regeling van Onze Minister kunnen regels gesteld worden omtrent het bepaalde in het eerste lid. +**4.** Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het derde lid. ### Artikel 5.3.42 @@ -4631,11 +3714,11 @@ die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. ### Artikel 5.3.43 -**1.** Bedrijfsauto's met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. +**1.** Bedrijfsauto's met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitewisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. -**2.** Bedrijfsauto's met een voorruit, die na 31 december 1997 in gebruik zijn genomen, met uitzondering van bussen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie. +**2.** Bedrijfsauto's met een voorruit, die na 31 december 1995 in gebruik zijn genomen, met uitzondering van bussen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitesproeierinstallatie. -**3.** Bussen die na 30 juni 1985 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie. +**3.** Bussen die na 30 juni 1985 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitesproeierinstallatie. ### Artikel 5.3.44 @@ -4647,94 +3730,37 @@ die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. **1.** Bedrijfsauto's moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en van een rechterbuitenspiegel. -**2.** In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mogen voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, in gebruik genomen voor 26 januari 2011, zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en van een binnenspiegel indien het gezichtsveld van de binnenspiegel zodanig is dat de bestuurder ten minste een vlak en horizontaal weggedeelte, waarvan het midden in het verticale vlak door de lengte-as van het voertuig ligt, kan overzien vanaf een afstand van 60,00 m van de achterzijde van het voertuig tot aan de horizon over een breedte van 20,00 m. +**2.** In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mogen voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en van een binnenspiegel indien het gezichtsveld van de binnenspiegel zodanig is dat de bestuurder ten minste een vlak en horizontaal weggedeelte, waarvan het midden in het verticale vlak door de lengte-as van het voertuig ligt, kan overzien vanaf een afstand van 60,00 m van de achterzijde van het voertuig tot aan de horizon over een breedte van 20,00 m. -**3.** Voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, in gebruik genomen na 25 januari 2010, zijn tevens voorzien van een binnenspiegel tenzij het gezichtsveld van deze spiegel niet zodanig is dat de bestuurder ten minste een vlak en horizontaal weggedeelte, waarvan het midden in het verticale vlak door de lengteas van het voertuig ligt, kan overzien vanaf een afstand van 60,00 m van de achterzijde van het voertuig tot aan de horizon over een breedte van 20,00 m. +**3.** Bedrijfsauto's, bestemd voor het vervoer van goederen, met een toegestane maximum massa van meer dan 7500 kg, alsmede rijdende werktuigen, moeten tevens zijn voorzien van een trottoirspiegel. -**4.** +**4.** De trottoirspiegel moet zodanig zijn aangebracht dat geen enkel punt van de spiegel of van de steun waarop deze is gemonteerd, zich op een hoogte van minder dan 2,00 m boven het wegdek bevindt. Indien de hoogte van de cabine zodanig is dat niet aan dit voorschrift kan worden voldaan, mag de bedrijfsauto niet van een trottoirspiegel zijn voorzien. -De volgende bedrijfsauto’s zijn aan de rechterzijde tevens voorzien van een trottoirspiegel: +**5.** Bedrijfsauto's, bestemd voor het vervoer van goederen, met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, waarvan de rechterbuitenspiegel niet convex is, en bedrijfsauto's, bestemd voor het vervoer van goederen, met een toegestane maximum massa van meer dan 7500 kg, moeten tevens zijn voorzien van een breedtespiegel. -a. voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto's met een toegestane maximummassa van meer dan 7500 kg, in gebruik genomen voor 1 januari 2000; -b. rijdende werktuigen; -c. voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto's met een toegestane maximummassa van meer dan 3500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1999. +**6.** De aan de zijde van de bestuurder bevestigde buitenspiegel moet vanuit de binnenzijde bij gesloten portier kunnen worden versteld. Deze eis geldt niet voor bedrijfsauto's die vóór 1 januari 1975 in gebruik zijn genomen. De spiegels van deze voertuigen moeten, na door een duw te zijn omgeklapt, zonder verstelling in de oorspronkelijke stand terug kunnen klappen. -**5.** +**7.** De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd. -De verplichting, genoemd in het vierde lid, geldt niet indien het onmogelijk is om op een bedrijfsauto een trottoirspiegel zodanig te monteren dat deze aan de volgende voorwaarden voldoet: +**8.** Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd. -a. geen enkel punt van de spiegel bevindt zich op een hoogte van minder dan 2,00 m boven het wegdek, bij een belasting die overeenkomt met het maximale technisch toelaatbare gewicht; en -b. de spiegel is volledig zichtbaar vanaf de bestuurdersplaats. - -**6.** - -De volgende bedrijfsauto’s zijn tevens voorzien van een breedtespiegel: - -a. voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto's met een toegestane maximummassa van meer dan 3500 kg, waarvan de linker- of rechterbuitenspiegel niet convex is en die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 2000; -b. voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto's met een toegestane maximummassa van meer dan 3500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1999; en -c. voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto's met een toegestane maximummassa van meer dan 7500 kg. - -**7.** De verplichting, genoemd in het zesde lid, geldt niet indien het voertuig is voorzien van een breedtespiegel waarmee wordt voldaan aan artikel 5.3.45a, eerste of tweede lid. - -**8.** - -De verplichtingen, genoemd in het vierde en zesde lid, gelden niet indien: - -a. het voertuig is voorzien van andere inrichtingen voor indirect zicht, die zijn voorgeschreven door maatregelen van de lidstaten van de Europese Unie die voor de data, genoemd in de artikelen 2 en 5 van richtlijn nr. 2003/97/EG, in werking zijn getreden en waarmee minstens 95% van het in die richtlijn voor spiegels van klasse IV (breedtespiegels) en V (trottoirspiegels) voorgeschreven totale gezichtsveld op grondniveau kan worden overzien; -b. het voertuig is voorzien van breedtespiegels en trottoirspiegels, waarmee minstens 95% voor een spiegel van klasse IV (breedtespiegels) en minstens 85% voor een spiegel van klasse V (trottoirspiegels) van het in richtlijn nr. 2003/97/EG voorgeschreven totale gezichtsveld op grondniveau kan worden overzien; -c. het voertuig bij gebrek aan beschikbare en economisch haalbare technische oplossingen niet kan worden uitgerust met spiegels die voldoen aan de uitzondering, genoemd in onderdeel b, of aan de verplichtingen, genoemd in het vierde en het zesde lid, en het is voorzien van extra spiegels of andere inrichtingen voor indirect zicht, mits daarmee minstens 95% voor een spiegel van klasse IV (breedtespiegel) en minstens 85% voor spiegels van klasse V (trottoirspiegel) van het in richtlijn nr. 2003/97/EG voorgeschreven totale gezichtsveld op grondniveau kan worden overzien. - -**9.** - -Voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met frontstuur, met een toegestane maximum massa van meer dan 7500 kg, in gebruik genomen na 25 januari 2008, zijn tevens voorzien van: - -a. een vooruitkijkspiegel dan wel een camera-monitorsysteem en -b. een breedtespiegel aan de bestuurderszijde. - -**10.** De vooruitkijkspiegel is zodanig aangebracht dat geen enkel punt van de spiegel of van de steun waarop deze is gemonteerd, zich op een hoogte van minder dan 2,00 m boven het wegdek bevindt. Indien de hoogte van de cabine zodanig is dat niet aan dit voorschrift kan worden voldaan, mag de bedrijfsauto niet van een vooruitkijkspiegel zijn voorzien en is geen andere inrichting voor indirect zicht vereist. - -**11.** In afwijking van het vierde lid is een trottoirspiegel niet vereist indien het daarvoor voorgeschreven gezichtsveld wordt verkregen door een combinatie van een vooruitkijkspiegel en een breedtespiegel. - -**12.** De aan de zijde van de bestuurder bevestigde buitenspiegel moet vanuit de binnenzijde bij gesloten portier kunnen worden versteld. Deze eis geldt niet voor bedrijfsauto's die vóór 1 januari 1975 in gebruik zijn genomen. De spiegels van deze voertuigen moeten, na door een duw te zijn omgeklapt, zonder verstelling in de oorspronkelijke stand terug kunnen klappen. - -**13.** De spiegels en camera-monitorsystemen zijn deugdelijk bevestigd. - -**14.** Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd. - -**15.** Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de gezichtsvelden van de verplichte spiegels en camera-monitorsystemen. +**9.** Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de gezichtsvelden van de verplichte spiegels. ### Artikel 5.3.45a -**1.** Onverminderd artikel 5.3.45 zijn bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, niet zijnde bussen of kampeerauto’s, die in gebruik zijn genomen na 31 december 1977, voorzien van een gezichtsveldverbeterende voorziening die de bestuurder een beter zicht verschaft op de weggebruikers die zich rechts van het voertuig bevinden. - -**2.** In afwijking van het eerste lid zijn bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, niet zijnde bussen of kampeerauto’s, die in gebruik zijn genomen na 31 december 1977 en met een bestuurderszitplaats aan de rechterzijde van het voertuig, voorzien van een gezichtsveldverbeterende voorziening die de bestuurder een beter zicht verschaft op de weggebruikers die zich links van het voertuig bevinden. - -**3.** - -Het eerste en tweede lid gelden niet voor bedrijfsauto’s: - -a. die in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen zijn geregistreerd, of -b. die voldoen aan de in de artikelen 2.9.15 en 2.9.16 van de Regeling permanente eisen vereiste gezichtsvelden voor voertuigen in gebruik genomen na 31 december 1999. - -**4.** Onze Minister stelt regels vast omtrent het eerste en tweede lid. +Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden ### Artikel 5.3.46 -**1.** Bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg en bussen behorende tot de klasse III of B als bedoeld in artikel 1.1, in gebruik genomen na 19 oktober 2008, zijn niet voorzien van zijdelings gerichte zitplaatsen. +**1.** De zitplaatsen van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De verstelinrichtingen van de zitplaatsen moeten goed kunnen worden vergrendeld. -**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op ambulances, bedrijfsauto’s ten dienste van de politie of brandweer en andere door Onze Minister aangewezen categorieën voertuigen ten dienste van de burgerbescherming of ordehandhaving. - -**3.** Het eerste lid is tot 21 oktober 2010 niet van toepassing op bussen met een toegestane maximum massa van meer dan 10.000 kg behorende tot de klasse III of B als bedoeld in artikel 1.1, waarin de zijdelings gerichte zitplaatsen achterin het voertuig bijeen zijn geplaatst tot een zitgroep met maximaal 10 plaatsen, met dien verstande dat deze zijdelings gerichte zitplaatsen, onverminderd artikel 5.3.47, zijn voorzien van een hoofdsteun en een tweepuntsgordel met oprolmechanisme. - -**4.** De zitplaatsen van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De verstelinrichtingen van de zitplaatsen moeten goed kunnen worden vergrendeld. - -**5.** Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging, bedoeld in het vierde lid. +**2.** Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging, bedoeld in het eerste lid. ### Artikel 5.3.47 **1.** -bedrijfsauto's, die na 31 december 1997 in gebruik zijn genomen, en T100-bussen moeten zijn voorzien van autogordels voor: +bedrijfsauto's, die na 31 december 1997 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van autogordels voor: a. de zitplaats van de bestuurder en de ernaast gelegen naar voren gerichte zitplaatsen, en b. de overige naar voren gerichte zitplaatsen indien op een afstand van maximaal 1.30 m voor de rugleuning van deze zitplaats zich geen veiligheidsscherm of rugleuning van een ervoor gelegen zitplaats bevindt. @@ -4743,8 +3769,8 @@ b. de overige naar voren gerichte zitplaatsen indien op een afstand van maximaal In afwijking van het eerste lid moeten: -a. bussen met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg die na 30 september 2002 in gebruik zijn genomen, en -b. bussen met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg die na 30 september 2000 in gebruik zijn genomen, zijn voorzien van autogordels voor alle naar voren en naar achteren gerichte zitplaatsen. +a. bussen met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg die na 30 september 2001 in gebruik zijn genomen, en +b. bussen met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg die na 30 september 1999 in gebruik zijn genomen, zijn voorzien van autogordels voor alle naar voren en naar achteren gerichte zitplaatsen. **3.** Bedrijfsauto’s die na 31 december 1989 doch voor 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen en die beurtelings voor het vervoer van personen of goederen kunnen worden ingericht, moeten voorzien zijn van autogordels voor alle naar voren gerichte zitplaatsen. @@ -4759,7 +3785,7 @@ b. bussen die zijn bestemd voor stadsgebruik; c. bussen die beschikken over speciaal voor staande passagiers bedoelde plaatsen, en d. voertuigen die voor 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen en die blijkens een aantekening in het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs niet van bevestigingspunten voor autogordels hoeven te zijn voorzien. -**6.** Autogordels van bedrijfsauto's die na 30 september 2000 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een door Onze Minister vastgesteld goedkeuringsmerk. +**6.** Autogordels van bedrijfsauto's die na 30 september 1999 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een door Onze Minister vastgesteld goedkeuringsmerk. **7.** De autogordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. @@ -4769,7 +3795,13 @@ d. voertuigen die voor 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen en die blijkens ee ### Artikel 5.3.47a -Bedrijfsauto’s, niet zijnde bussen, die na 1 september 2008 in gebruik zijn genomen en zijn ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel voldoen aan bij regeling van Onze Minister vastgestelde eisen. +**1.** + +In bedrijfsauto's die na 30 september 1999 in gebruik zijn genomen, moet bij iedere passagierszitplaats met airbag duidelijk zichtbaar en duurzaam zijn aangebracht het volgende symbool + +Raadpleeg voor het plaatje Staatsblad 1999/393. + +**2.** Het eerste lid is niet van toepassing indien het voertuig is voorzien van een mechanisme dat automatisch de aanwezigheid van een naar achteren gericht bevestigingssysteem voor kinderen signaleert en dat ervoor zorgt dat de airbag niet wordt opgeblazen wanneer een dergelijk systeem is aangebracht. ### Artikel 5.3.48 @@ -4779,7 +3811,7 @@ Bedrijfsauto’s, niet zijnde bussen, die na 1 september 2008 in gebruik zijn ge **3.** Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. -**4.** De wielen onderscheidenlijk banden van bedrijfsauto's in gebruik genomen na 31 december 1974 moeten zijn afgeschermd overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde eisen en mogen niet aanlopen. De wielen onderscheidenlijk banden van bedrijfsauto's in gebruik genomen voor 1 januari 1975 moeten deugdelijk zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen. +**4.** De wielen onderscheidenlijk banden van bedrijfsauto's in gebruik genomen na 31 december 1974 moeten zijn afgeschermd overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde eisen en mogen niet aanlopen. De wielen onderscheidenlijk banden van aanhangwagens in gebruik genomen voor 1 januari 1975 moeten deugdelijk zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen. **5.** @@ -4793,41 +3825,26 @@ c. het gedeelte achter de achterste as van bedrijfsauto’s met een toegestane m **7.** Geen deel aan de buitenzijde van de bedrijfsauto mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. -**8.** De beweging van een intrekbare trede van een bus in gebruik genomen na 12 februari 2004, mag geen letsel kunnen toebrengen aan passagiers of mensen buiten de bus. - -**9.** - -Bussen van klasse I in gebruik genomen na 12 februari 2004, moeten voorzien zijn van: - -a. een deugdelijk functionerend knielsysteem tezamen met een deugdelijk functionerende lift of oprijplaat, -b. duidelijk gemarkeerde bedieningsinrichtingen voorzien van een verklikkerinrichting bij een aanwezige lift of oprijplaat, -c. een deugdelijke voorziening die de stabiliteit van de rolstoel en de veiligheid van de rolstoelgebruiker waarborgt, en -d. ten minste vier gereserveerde zitplaatsen voor mensen met een mobiliteitshandicap, voorzien van handgrepen en dichtbij een geschikte bedrijfsdeur. - -**10.** Op bussen van een andere klasse dan klasse I, in gebruik genomen na 12 februari 2004 en die voorzien zijn van technische voorzieningen ter verbetering van de toegang voor personen met een mobiliteitshandicap, is het vorige lid van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat het aantal gereserveerde zitplaatsen voor mensen met een mobiliteitshandicap voor bussen van klasse II en III ten minste twee bedraagt, en voor bussen van klasse A en B ten minste één. Een stoel die wordt ingeklapt wanneer hij niet wordt gebruikt, mag niet worden aangeduid als gereserveerde zitplaats. - -**11.** Voor bussen als bedoeld in het negende en tiende lid geldt, dat bussen van klasse I en II moeten zijn voorzien van ten minste twee, en bussen van klasse A van ten minste een naar voren of naar achteren gerichte zitplaats, speciaal bedoeld en van merktekens voorzien voor andere passagiers met een mobiliteitshandicap dan rolstoelgebruikers. Deze plaatsen moeten dicht bij een voor deze passagiers geschikte ingang geplaatst zijn. - -**12.** Bij regeling van Onze Minister kunnen regels gesteld worden omtrent het bepaalde in het vierde, vijfde en achtste tot en met elfde lid. +**8.** Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het vierde en vijfde lid. ### Artikel 5.3.49 **1.** Bedrijfsauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten aan de achterzijde op deugdelijke wijze zijn voorzien van een stootbalk, indien de afstand van de onderzijde van het voertuig tot het wegdek, gemeten over de volle breedte onder de achterzijde van het onderstel of onder de hoofddelen van het koetswerk op een afstand van meer dan 1,00 m achter de achterste as, meer bedraagt dan 0,70 m dan wel meer bedraagt dan 0,55 m indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen. -**2.** De afstand van de onderzijde van de stootbalk tot het wegdek mag voor bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 1998, niet meer bedragen dan 0,70 m en voor bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 31 december 1997, niet meer bedragen dan 0,55 m. +**2.** De afstand van de onderzijde van de stootbalk tot het wegdek mag voor bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 1996, niet meer bedragen dan 0,70 m en voor bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 31 december 1997, niet meer bedragen dan 0,55 m. -**3.** Indien de bedrijfsauto in gebruik is genomen na 31 december 2004 mag de stootbalk niet meer dan 0,40 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 3,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten. In afwijking hiervan geldt voor bedrijfsauto's, ingericht als betonmolen, dat de stootbalk niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig mag zijn gelegen. +**3.** De stootbalk moet zo dicht mogelijk bij de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht en niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. -**4.** Indien de bedrijfsauto in gebruik is genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 2005 mag de stootbalk niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 2,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten. +**4.** -**5.** - -De stootbalk van bedrijfsauto's mag niet breder zijn noch aan weerszijden meer dan 0,10 m smaller zijn dan: +De stootbalk van bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1998, mag niet breder zijn noch aan weerszijden meer dan 0,10 m smaller zijn dan: a. het voertuig op de plaats waar de stootbalk is aangebracht, dan wel b. de breedte van de breedste achteras, met inbegrip van de wielen waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten. -Voor bedrijfsauto's die zijn bestemd voor het vervoer van wissellaadbakken geldt in plaats van de genoemde maat van 0,10 m een maat van 0,20 m. +Voor bedrijfsauto’s die zijn bestemd voor het vervoer van wissellaadbakken geldt in plaats van de genoemde maat van 0,10 m een maat van 0,20 m. + +**5.** De stootbalk van bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997, moet voldoen aan het bepaalde in het vierde lid, aanhef en onderdeel *b*. **6.** De stootbalk en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt. @@ -4840,63 +3857,22 @@ Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: a. trekkers; b. voertuigen die blijkens een aantekening in het kentekenbewijs van het bepaalde in het eerste lid zijn uitgezonderd. -**9.** Bedrijfsauto's, niet zijnde bussen, met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, in gebruik genomen na 9 augustus 2004, moeten op deugdelijke wijze zijn voorzien van een beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden. - -**10.** De afstand van de onderzijde van de beschermingsinrichting tot het wegdek mag tussen de punten die meer dan 0,20 m van de zijkanten van de voorste as van het voertuig zijn gelegen, met inbegrip van de wielen, niet meer dan 0,45 m bedragen, waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten. - -**11.** De afstand van de voorzijde van het voertuig tot de voorzijde van de beschermingsinrichting mag niet meer dan 0,40 m bedragen, waarbij voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden buiten beschouwing worden gelaten. - -**12.** - -De bescherminrichting mag: - -a. niet breder zijn dan de breedte van het voertuig met inbegrip van de spatborden van de voorste as; -b. aan weerszijden niet meer dan 0,10 m smaller zijn dan de voorste as met inbegrip van de wielen, waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten, of -c. aan weerszijden niet meer dan 0,20 m smaller zijn dan het voertuig gemeten over de uiterste punten van de instaptrede naar de bestuurderscabine. - -**13.** De beschermingsinrichting aan de voorzijde en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt. - -**14.** - -Het negende lid geldt niet voor: - -a. bedrijfsauto's die blijkens een aantekening in het kentekenbewijs of blijkens gegevens in het kentekenregister de toegevoegde categorie-aanduiding« G» als beschreven in bijlage I, punt 4, van richtlijn 70/156/EEG hebben; -b. bedrijfsauto's waarvan het gebruik blijkens een aantekening in het kentekenbewijs onverenigbaar is met het voldoen aan de voorschriften voor een beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden. - -**15.** Het elfde en twaalfde lid zijn niet van toepassing op bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van niet meer dan 7500 kg. - -### Artikel 5.3.49a - -**1.** Bedrijfsauto’s met een referentiemassa van niet meer dan 1305 kg, niet zijnde bussen, die in gebruik zijn genomen na 31 december 2011 zijn niet voorzien van een klimaatregelingssysteem dat is ontworpen om gefluoreerde broeikasgassen te bevatten met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150. - -**2.** Het eerste lid is tot 1 januari 2017 niet van toepassing op bedrijfsauto’s met een referentiemassa van niet meer dan 1305 kg, niet zijnde bussen, die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 2012 en reeds voor de datum van eerste ingebruikname van een dergelijk klimaatregelingssysteem zijn voorzien. - -**3.** Aan de in het eerste en tweede lid opgenomen eisen wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. - -### Artikel 5.3.50 - -**1.** Frontbeschermingsinrichtingen van bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg, die na 24 mei 2008 in gebruik zijn genomen, zijn goedgekeurd voor het voertuig waarop zij zijn aangebracht en voorzien van een EG-typegoedkeuringsmerk dat voldoet aan de bij regeling van Onze Minister gestelde eisen. - -**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op bussen. - #### Paragraaf 10. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen ### Artikel 5.3.51 -**1.** - Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van: a. twee of vier grote lichten; -b. twee dimlichten, met dien verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december 2006, deze lichtbronnen voldoen aan door Onze Minister gestelde eisen, alsmede voor de installatie daarvan; +b. twee dimlichten; c. twee stadslichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel twee of vier stadslichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van bedrijfsauto`s in gebruik genomen na 30 juni 1967 moet knipperen; e. waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; -f. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig langer is dan 6,00 m dan wel na 31 december 1997 in gebruik is genomen; voor voertuigen die voor 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen worden de richtingaanwijzers aan de voorzijde van het voertuig beschouwd als zijrichtingaanwijzers indien het uitgestraalde licht hiervan duidelijk te zien is vanuit een punt gelegen op 6,00 m achter de voorzijde van het voertuig en 1,00 m zijwaarts; +f. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig langer is dan 6,00 m dan wel na 31 december 1997 in gebruik is genomen; g. twee achterlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel twee of vier achterlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; h. twee remlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel één of twee remlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; i. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat; -j. twee niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig, onderscheidenlijk twee driehoekige dan wel niet-driehoekige, rode retroreflectoren indien het een gelede bus betreft die in gebruik is genomen na 31 december 1994 doch voor 1 januari 2005; +j. twee niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig, onderscheidenlijk twee driehoekige rode retroreflectoren indien het een gelede bus betreft; k. één of twee mistlichten aan de achterzijde van het voertuig indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; in het geval van één mistlicht moet dit zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig; l. één of twee achteruitrijlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; m. twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m; @@ -4904,16 +3880,6 @@ n. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is ge o. niet-driehoekige ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig langer is dan 6,00 m, aangebracht overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde eisen; p. een markering aan de achterzijde van het voertuig, indien de toegestane maximum massa van het voertuig meer bedraagt dan 3500 kg en het voertuig in gebruik is genomen na 30 juni 1967; deze eis geldt niet voor trekkers, voertuigen die zijn ingericht voor het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen, alsmede door Onze Minister aangewezen voertuigen waarvan de bouw, de inrichting of het gebruik zich verzet tegen het aanbrengen van de markering. -**2.** Onverminderd het eerste lid, voldoen begeleidingsvoertuigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het BABW, aan de door Onze Minister gestelde eisen. - -### Artikel 5.3.51a - -**1.** Bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de auto herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze voertuigen zijn voorzien van geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht. - -**2.** Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de vormgeving en de installatie van de in het eerste lid genoemde striping, letters, cijfers, tekens of licht. - -**3.** Het eerste lid geldt niet voor bedrijfsauto’s gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken en bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. - ### Artikel 5.3.53 **1.** De grote lichten, dimlichten, stadslichten en achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. @@ -4942,7 +3908,7 @@ p. een markering aan de achterzijde van het voertuig, indien de toegestane maxim **4.** Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. -**5.** De in artikel 5.3.51 bedoelde lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste een vierde deel zijn afgeschermd onverminderd het bepaalde in artikel 5.18.7, eerste lid. +**5.** De in artikel 5.3.51 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen niet zijn afgeschermd, onverminderd het bepaalde in artikel 5.18.7, eerste lid. Het bepaalde in dit lid geldt niet voor bedrijfsauto's in gebruik genomen voor 1 januari 1970 voorzover de functie van de lichten en retroreflectoren niet wezenlijk wordt beïnvloed. **6.** De retroreflectoren en de markering aan de achterzijde van het voertuig mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. @@ -4977,7 +3943,7 @@ Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien van: a. twee mistlichten aan de voorzijde van het voertuig; b. parkeerlichten, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m en niet breder is dan 2,00 m; -c. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de achterzijde van het voertuig. Bedrijfsauto’s, in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen ook zijn voorzien van twee extra richtingaanwijzers aan de voorzijde van het voertuig; +c. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de achterzijde van het voertuig; d. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.3.51 verplicht zijn; e. twee herhalingswaarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand; f. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m; @@ -4989,34 +3955,14 @@ k. een bermlicht aan de voorzijde van het voertuig; l. werklichten; m. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat: -1°. het midden van het lichtdoorlatende gedeelte zich bevindt in het middenlangsvlak van het voertuig of de rand van het lichtdoorlatende gedeelte op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf dit middenlangsvlak indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw kan worden bevestigd, en -2°. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de boven zijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.3.51, onderdeel h; -n. In afwijking van onderdeel m kunnen bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw binnen 0.15m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd; -o. Bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg kunnen, in afwijking van onderdeel m, twee extra remlichten worden aangebracht; -p. twee dagrijlichten; -q. verlichte transparanten; -r. een markering aan de achterzijde van een trekker, die voldoet aan de bij regeling van Onze Minister vastgestelde eisen, indien de toegestane maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3500 kg. +1°. het midden van het lichtdoorlatende gedeelte zich bevindt in het midden langsvlak van het voertuig of op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf dit middenlangsvlak, en +2°. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de boven zijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.3.51, onderdeel h. +n. dagrijlichten die voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/756/EEG (PbEG 27 september 1976, L 262). **2.** Lichten die ingevolge artikel 5.3.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in artikel 5.3.53 met betrekking tot die lichten, met uitzondering van markeringslichten en zijmarkeringslichten, gestelde eisen. Markeringslichten en zijmarkeringslichten moeten alsdan voldoen aan het bepaalde in de onderdelen h onderscheidenlijk i van het eerste lid. **3.** Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra niet-driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. -**4.** Bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, mogen zijn voorzien van een ambergele of witte lijnmarkering aan de zijkant van het voertuig of van een ambergele, witte of rode lijnmarkering aan de achterkant van het voertuig. - -**5.** Bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, mogen zijn voorzien van een ambergele of witte contourmarkering aan de zijkant van het voertuig of een ambergele, witte of rode contourmarkering aan de achterkant van het voertuig. Binnen de contourmarkering aan de zijkant van het voertuig mogen retroreflecterende letters of afbeeldingen zijn aangebracht, voorzover deze geen nadelige invloed hebben op de effectiviteit van de contourmarkering en de verplichte lichten en retroreflecterende voorzieningen. In ieder geval mogen de retroreflecterende letters of afbeeldingen niet meer dan 1/3 deel van de totale oppervlakte binnen de omtrek van de contourmarkering uitmaken - -**6.** Ieder afzonderlijk deel van de lijn- en contourmarkering en van het materiaal voor de retroreflecterende letters of afbeeldingen binnen de contourmarkering is voorzien van een door Onze Minister vastgesteld goedkeuringsmerk. - -**7.** Bij regeling van Onze Minister worden voorschriften gesteld met betrekking tot de installatie van de lijn- en contourmarkering. - -### Artikel 5.3.58 - -**1.** Bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van blauw zwaai-, flits- of knipperlicht. - -**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. - -**3.** Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht. - ### Artikel 5.3.59 **1.** De mistlichten aan de voorzijde, het richtlicht en het bermlicht mogen naar voren niet anders dan wit of geel stralen. @@ -5035,26 +3981,12 @@ r. een markering aan de achterzijde van een trekker, die voldoet aan de bij rege **8.** De markeringslichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. -**9.** De dagrijlichten mogen niet anders dan wit stralen. - -**10.** Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen. - -**11.** - -Verlichte transparanten zijn: - -a. afzonderlijk geschakeld; -b. niet breder dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd; -c. niet langer dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd. - ### Artikel 5.3.61 -**1.** Bij bedrijfsauto's in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.3.51 en 5.3.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. +**1.** Bij bedrijfsauto's in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.3.51 en 5.3.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. **2.** Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, richtlichten, bermlichten, achteruitrijlichten, remlichten, de verlichting van de kentekenplaat aan de achterzijde van het voertuig, de markering aan de achterzijde van het voertuig, mistlichten aan de achterzijde van het voertuig en werklichten. -**3.** Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze of plaats van bevestiging van verlichte transparanten op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het BABW. - ### Artikel 5.3.62 Het ingeschakeld zijn van het mistlicht of de mistlichten aan de achterzijde van het voertuig moet door middel van een controlelampje aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. @@ -5071,7 +4003,7 @@ Achteruitrijlichten van bedrijfsauto’s mogen alleen kunnen branden indien de a ### Artikel 5.3.65 -Bedrijfsauto’s mogen onverminderd het bij of krachtens de artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.3.51 en 5.3.57 dan wel bij of krachtens artikel 5.3.51a is voorgeschreven of toegestaan. +Bedrijfsauto's mogen, onverminderd het in de artikelen 29 en 30 van het RVV bepaalde inzake zwaai- en knipperlichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.3.51 en 5.3.57 is voorgeschreven of toegestaan. #### Paragraaf 11. Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen @@ -5126,13 +4058,13 @@ a. de onvlakheid van de schotel niet meer dan 3,5 mm bedragen; b. de onvlakheid van de schotel, in afwijking van het bepaalde onder *a*, voor wat betreft de uiterste linker en rechterzijde over een breedte van 50 mm, gemeten vanaf de buitenzijde van de schotel, niet meer dan 5 mm bedragen; c. de diepte van groeven langer dan 100 mm niet meer dan 2,5 mm bedragen. -Dit lid is niet van toepassing op kunststofdelen op de schotelkoppeling die bedoeld zijn als slijtvlak. +**2.** Een schotelkoppeling van 2 inch moet met ten minste 8 bouten van minimaal klasse 8.8 op het voertuig onderscheidenlijk het subframe zijn bevestigd. De bouten moeten symmetrisch ten opzichte van de langs- en dwarsas van de koppeling zijn geplaatst. -**2.** Een schotelkoppeling moet deugdelijk zijn bevestigd. +**3.** De speling in de sluitinrichting van de in het tweede lid bedoelde schotelkoppeling mag, uitgaande van een niet gesleten 2 inch pen, in de lengterichting van het voertuig niet meer dan 2 mm bedragen. -**3.** De speling in de sluitinrichting van een schotelkoppeling van 2 inch mag, uitgaande van een niet gesleten 2 inch pen, in de lengterichting van het voertuig niet meer dan 2 mm bedragen. +**4.** Een schotelkoppeling van 3,5 inch moet met ten minste 12 bouten van minimaal klasse 8.8 op het voertuig onderscheidenlijk het subframe zijn bevestigd. -**4.** De sluit- en borginrichting moet goed functioneren. +**5.** De sluit- en borginrichting moet goed functioneren. ### Artikel 5.3.70 @@ -5146,17 +4078,7 @@ Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot bijzondere constructies voor **2.** Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen. -**3.** Bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van een tweetonige hoorn. - -**4.** Het derde lid is niet van toepassing op bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. - -**5.** Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende de tweetonige hoorn. - -**6.** Bedrijfsauto’s mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met vijfde lid. - -### Artikel 5.3.72 - -Vervallen +**3.** Bedrijfsauto’s mogen, onverminderd het in artikel 29 van het RVV 1990 bepaalde inzake twee- en drietonige hoorns, niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste en tweede lid. ### Afdeling 4. Motorfietsen @@ -5194,16 +4116,12 @@ Een aan een motorfiets gekoppelde zijspanwagen moet deugdelijk aan het frame of ### Artikel 5.4.6 -**1.** - Motorfietsen mogen: a. niet langer zijn dan 4.00 m; b. niet breder zijn dan 2.00 m; c. niet hoger zijn dan 2.50 m. -**2.** Motorfietsen met zijspanwagen alsmede motorrijtuigen op drie asymmetrisch geplaatste wielen, die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1996, mogen niet breder zijn dan 2,55 m. - #### Paragraaf 3. Motor ### Artikel 5.4.9 @@ -5244,29 +4162,6 @@ g. de automatische afsluitklep. **6.** De gasvoerende slangen van rubber mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. -### Artikel 5.4.10a - -**1.** Indien de motorfiets is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd artikel 5.4.9, voldoen aan de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen. - -**2.** - -De CNG-tank: - -a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en -b. mag geen deuken vertonen. - -**3.** Indien de CNG-tank in gebruik is genomen na 19 juli 2002, mag de geldigheid van de goedkeuring niet verstreken zijn. CNG-tanks die voor 20 juli 2002 in gebruik zijn genomen en waarvan de gegevens omtrent de geldigheid van de goedkeuring niet beschikbaar zijn, mogen niet ouder zijn dan 10 jaar, dan wel mag het voertuig niet ouder zijn dan 10 jaar. - -**4.** Op de CNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die, welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig. - -**5.** Indien het voertuig in gebruik genomen is na 1 juli 1995, moet het voertuig zijn voorzien van een goed werkende automatische tankafsluiter. - -**6.** De onderdelen van de CNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. - -**7.** De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. - -**8.** De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. - ### Artikel 5.4.11 **1.** Motorfietsen moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. @@ -5321,7 +4216,7 @@ De voor de transmissie noodzakelijke onderdelen van motorfietsen moeten deugdeli **2.** De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. -**3.** De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. +**3.** De assen mogen niet zodanig zijn beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. **4.** De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. @@ -5419,15 +4314,15 @@ e. in geval van een gecombineerde reminrichting: **2.** -Motorfietsen, in gebruik genomen na 26 november 1975 doch voor 1 april 1997, moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg: +Motorfietsen, in gebruik genomen na 26 november 1975 doch voor 1 april 1997, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg: a. bij gebruik van beide remmen tezamen ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, en bij aangekoppelde zijspanwagen ten minste 4,1 m/s2; b. bij gebruik van de voorwielrem ten minste 3,5 m/s2 bedraagt; c. bij gebruik van de achterwielrem ten minste 2,8 m/s2 bedraagt. -**3.** Motorfietsen, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 27 november 1975, moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg bij gebruik van beide remmen tezamen ten minste 4,2 m/s2 bedraagt. +**3.** Motorfietsen, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 27 november 1975, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg bij gebruik van beide remmen tezamen ten minste 4,2 m/s2 bedraagt. -**4.** Motorfietsen, in gebruik genomen vóór 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op en droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg bij gebruik van beide remmen tezamen ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. +**4.** Motorfietsen, in gebruik genomen vóór 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op en droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg bij gebruik van beide remmen tezamen ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. **5.** @@ -5485,21 +4380,13 @@ a. een of twee grote lichten; b. een of twee dimlichten; c. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van de motorfiets indien de motorfiets in gebruik is genomen na 31 december 1996; het licht van de richtingaanwijzers van motorfietsen in gebruik genomen na 30 juni 1967 moet knipperen; d. een of twee stadslichten indien het voertuig na 31 oktober 1997 in gebruik is genomen; -e. een of twee achterlichten; +e. een achterlicht indien het voertuig in gebruik is genomen na 26 november 1975, dan wel een of twee achterlichten indien het voertuig in gebruik is genomen voor 27 november 1975; f. een of twee remlichten indien het voertuig in gebruik is genomen na 26 november 1975; g. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat; h. een of twee niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig. **2.** Onverminderd het eerste lid, onderdeel *c*, mag, indien de motorfiets is voorzien van een zijspanwagen en in gebruik is genomen na 31 oktober 1997, de aan de motorfiets aangebrachte richtingaanwijzer aan de zijde van de zijspanwagen niet functioneren. -### Artikel 5.4.51a - -**1.** Motorfietsen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de motorfiets herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze voertuigen moeten zijn voorzien van geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht. - -**2.** Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de uitvoering en de installatie van de in het eerste lid genoemde striping, letters, cijfers, tekens of lichten. - -**3.** Het eerste lid geldt niet voor motorfietsen gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken en motorfietsen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. - ### Artikel 5.4.52 Zijspanwagens, verbonden aan een motorfiets, moeten zijn voorzien van: @@ -5510,14 +4397,6 @@ c. een stadslicht indien de motorfiets in gebruik is genomen na 31 oktober 1997; d. een remlicht indien de motorfiets in gebruik in genomen na 31 oktober 1997; e. een niet-driehoekige rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig. -### Artikel 5.4.52a - -**1.** Zijspanwagens, verbonden aan een motorfiets in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar bedoelde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die het zijspan herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze voertuigen moeten zijn voorzien van geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht. - -**2.** Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de uitvoering en de installatie van de in het eerste lid genoemde striping, letters, cijfers, tekens of lichten. - -**3.** Het eerste lid geldt niet voor zijspanwagens gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken en zijspanwagens in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. - ### Artikel 5.4.53 **1.** De grote lichten, dimlichten en stadslichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. @@ -5540,7 +4419,7 @@ e. een niet-driehoekige rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig. **4.** Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. De op een motorfiets zonder zijspanwagen gemonteerde lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. -**5.** De in de artikelen 5.4.51 en 5.4.52 bedoelde lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste een vierde deel zijn afgeschermd. +**5.** De in de artikelen 5.4.51 en 5.4.52 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen niet zijn afgeschermd. Het bepaalde in dit lid geldt niet voor motorfietsen in gebruik genomen voor 1 januari 1970 voorzover de functie van de lichten en retroreflectoren niet wezenlijk wordt beïnvloed. **6.** De retroreflector mag geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. @@ -5576,25 +4455,16 @@ b. een mistlicht aan de voorzijde van het voertuig; c. een mistlicht aan de achterzijde van het voertuig; d. waarschuwingsknipperlichten; e. een of twee parkeerlichten, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997; -f. ambergele retroreflectoren aan de voorste zijkanten van het voertuig, ambergele of rode retroreflectoren aan de achterste zijkanten van het voertuig; +f. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig; g. een witte retroreflector aan de voorzijde van het voertuig, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997; h. een richtlicht, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997; i. een bermlicht aan de voorzijde van het voertuig, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997; -j. werklichten, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997; -k. verlichte transparanten. +j. werklichten, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997. **2.** Lichten die ingevolge artikel 5.4.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in artikel 5.4.53 met betrekking tot die lichten gestelde eisen. **3.** Motorfietsen die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1997, mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra niet-driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. -### Artikel 5.4.57a - -**1.** Motorfietsen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar bedoelde signalen mogen voeren, zijn voorzien van blauw zwaai-, flits- of knipperlicht. - -**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op motorfietsen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. - -**3.** Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht. - ### Artikel 5.4.58 **1.** @@ -5610,14 +4480,6 @@ f. een parkeerlicht aan de verst van de motorfiets verwijderde zijkant van de zi **2.** Zijspanwagens, verbonden aan een motorfiets die in gebruik is genomen voor 1 november 1997, mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. -### Artikel 5.4.58a - -**1.** Zijspanwagens, verbonden aan een motorfiets, in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van blauw zwaai-, flits- of knipperlicht. - -**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op zijspanwagens in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. - -**3.** Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht. - ### Artikel 5.4.59 **1.** Het mistlicht aan de voorzijde, het richtlicht, het bermlicht en het stadslicht mogen naar voren niet anders dan wit of geel stralen. @@ -5632,14 +4494,6 @@ f. een parkeerlicht aan de verst van de motorfiets verwijderde zijkant van de zi **6.** Op het mistlicht aan de voorzijde van het voertuig is artikel 5.4.55, eerste tot en met vijfde lid, van overeenkomstige toepassing. -**7.** - -Verlichte transparanten zijn: - -a. afzonderlijk geschakeld; -b. niet breder dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd; -c. niet langer dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd. - ### Artikel 5.4.62 Het ingeschakeld zijn van het mistlicht aan de achterzijde van het voertuig moet door middel van een controlelampje dan wel door de stand van de schakelaar aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. @@ -5652,7 +4506,7 @@ Het ingeschakeld zijn van het mistlicht aan de achterzijde van het voertuig moet ### Artikel 5.4.65 -Motorfietsen mogen, onverminderd het bij of krachtens de artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.4.51, 5.4.52, 5.4.57 of 5.4.58 dan wel bij of krachtens, de artikelen 5.4.51a, 5.4.52a, 5.4.57a of 5.5.58a is voorgeschreven of toestaan. +Motorfietsen mogen, onverminderd het in de artikelen 29 en 30 van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai- en knipperlichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.4.51, 5.4.52, 5.4.57 en 5.4.58 is voorgeschreven of toegestaan. #### Paragraaf 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen @@ -5675,13 +4529,7 @@ b. moet de sluit- en borginrichting van een afneembare kogel goed werken en moet **2.** Motorfietsen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van de motorfiets of de zijspanwagen te voorkomen, alsmede van een geluidssignaal dat de bestuurder kenbaar maakt dat de richtingaanwijzer is ingeschakeld. -**3.** Motorfietsen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van een tweetonige hoorn. - -**4.** Het derde lid is niet van toepassing op motorfietsen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. - -**5.** Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende de tweetonige hoorn. - -**6.** Motorfietsen mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste en tot en met het vijfde lid. +**3.** Motorfietsen mogen, onverminderd het in artikel 29 van het RVV 1990 bepaalde inzake twee- en drietonige hoorns, niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste en tweede lid. ### Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen @@ -5697,9 +4545,8 @@ Driewielige motorrijtuigen moeten voldoen aan de volgende eisen: a. het voertuig moet in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens; b. het identificatienummer moet op een vast voertuigdeel zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn; -c. de kentekenplaten moeten zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport; -d. Het voertuig moet aan de achterzijde en mag aan de voorzijde zijn voorzien van een kentekenplaat. De kentekenplaten moeten deugdelijk zijn bevestigd; -e. de kentekenplaat aan de achterzijde mag niet zijn afgeschermd en het kenteken moet goed leesbaar zijn. +c. de kentekenplaten moeten zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moeten deugdelijk aan de voor- en achterzijde van het voertuig zijn bevestigd; +d. het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaten mogen niet zijn afgeschermd. #### Paragraaf 1. Algemene bouwwijze van het voertuig @@ -5805,31 +4652,6 @@ g. de automatische afsluitklep. **9.** De gasvoerende slangen van rubber mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. -### Artikel 5.5.10a - -**1.** Indien het driewielige motorrijtuig is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd artikel 5.5.9, voldoen aan de in de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen. - -**2.** - -De CNG-tank: - -a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en -b. mag geen deuken vertonen. - -**3.** De CNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. - -**4.** Indien de CNG-tank in gebruik is genomen na 19 juli 2002, mag de geldigheid van de goedkeuring niet verstreken zijn. CNG-tanks die voor 20 juli 2002 in gebruik zijn genomen en waarvan de gegevens omtrent de geldigheid van de goedkeuring niet beschikbaar zijn, mogen niet ouder zijn dan 10 jaar, dan wel mag het voertuig niet ouder zijn dan 10 jaar. - -**5.** Op de CNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die, welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de personenruimte of laadruimte. - -**6.** Indien het voertuig in gebruik genomen is na 1 juli 1995, moet het voertuig zijn voorzien van een goed werkende automatische tankafsluiter. - -**7.** De onderdelen van de CNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. - -**8.** De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. - -**9.** De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. - ### Artikel 5.5.11 **1.** Driewielige motorrijtuigen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. @@ -5864,11 +4686,9 @@ Driewielige motorrijtuigen, in gebruik genomen na 26 november 1975 doch voor 17 **1.** De onderdelen van de aandrijving van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk zijn bevestigd. -**2.** Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. +**2.** Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. -**3.** Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. - -**4.** Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot het bepaalde in het eerste lid. +**3.** Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot het bepaalde in het eerste lid. #### Paragraaf 5. Assen @@ -5878,7 +4698,7 @@ Driewielige motorrijtuigen, in gebruik genomen na 26 november 1975 doch voor 17 **2.** De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. -**3.** De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. +**3.** De assen mogen niet zodanig zijn beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. **4.** De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. @@ -5888,13 +4708,11 @@ Driewielige motorrijtuigen, in gebruik genomen na 26 november 1975 doch voor 17 **1.** De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk zijn bevestigd. -**2.** Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. +**2.** De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. -**3.** De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. +**3.** Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. -**4.** Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. - -**5.** Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het derde lid. +**4.** Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het tweede lid. ### Artikel 5.5.20 @@ -5904,12 +4722,6 @@ Driewielige motorrijtuigen, in gebruik genomen na 26 november 1975 doch voor 17 **3.** Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het eerste lid. -### Artikel 5.5.21 - -**1.** De wielbasis van driewielige motorrijtuigen mag niet meer dan 1,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister, onderscheidenlijk niet meer dan 60 mm indien het een driewielig motorrijtuig met kettingaandrijving betreft. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. - -**2.** Behoudens fabrieksmatige verschillen mag de wielbasis van driewielige motorrijtuigen op vier wielen links en rechts gemeten niet meer dan 15 mm verschillen. - ### Artikel 5.5.24 **1.** De wielen onderscheidenlijk velgen van driewielige motorrijtuigen mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk of ernstige vervorming vertonen. @@ -5954,17 +4766,15 @@ Driewielige motorrijtuigen, in gebruik genomen na 26 november 1975 doch voor 17 **3.** De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. -**4.** Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. +**4.** Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. -**5.** Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. +**5.** Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. -**6.** Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. +**6.** De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. -**7.** De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. +**7.** Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. -**8.** Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. - -**9.** Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot het bepaalde in het derde, zesde en zevende lid. +**8.** Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot het bepaalde in het derde, vijfde en zesde lid. ### Artikel 5.5.30 @@ -6068,9 +4878,7 @@ Indien het driewielig motorrijtuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen en is v a. het hulpremsysteem goed functioneren; b. de remwerking redelijk gelijkmatig over de wielen links en rechts van de as zijn verdeeld. -Aan deze eisen wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. - -**2.** De remvertraging van het in het eerste lid bedoelde hulpremsysteem moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,0 m/s2 bedragen. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. +**2.** De remvertraging van het in het eerste lid bedoelde hulpremsysteem moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,0 m/s2 bedragen. #### Paragraaf 9. Carrosserie @@ -6213,14 +5021,6 @@ d. één achterlicht; e. één remlicht; f. één niet-driehoekige rode retroreflector. -### Artikel 5.5.51a - -**1.** Driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar bedoelde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die het motorrijtuig herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze voertuigen moeten zijn voorzien van geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht. - -**2.** Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de uitvoering en de installatie van de in het eerste lid genoemde striping, letters, cijfers, tekens of licht. - -**3.** Het eerste lid geldt niet voor driewielige motorrijtuigen gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken en driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. - ### Artikel 5.5.53 **1.** De grote lichten, dimlichten en stadslichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. @@ -6280,27 +5080,18 @@ a. een of twee mistlichten aan de voorzijde van het voertuig; b. één of twee mistlichten aan de achterzijde van het voertuig; c. parkeerlichten, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m en niet breder is dan 2,00 m en in gebruik is genomen voor 1 november 1997; d. één of twee achteruitrijlichten; -e. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig. Driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar bedoelde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van één extra zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig; +e. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig; f. twee herhalingswaarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997; g. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig; h. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997; i. een richtlicht, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997; j. een bermlicht aan de voorzijde van het voertuig, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997; -k. werklichten, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997; -l. inwendig verlichte transparanten die voor het overige verkeer bij regeling van Onze Minister vast te stellen informatie over het gebruik of de bestemming van het voertuig bieden. De verlichting moet afzonderlijk zijn geschakeld en mag naar achteren niet rood stralen. Bij regeling van Onze Minister worden nadere eisen vastgesteld ten aanzien van de uitvoering van de transparanten en de plaats waar zij op of aan het voertuig zijn aangebracht. +k. werklichten, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 november 1997. **2.** Lichten die ingevolge artikel 5.5.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in artikel 5.5.53 met betrekking tot die lichten gestelde eisen. **3.** Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1997, mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra niet-driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. -### Artikel 5.5.58 - -**1.** Driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, zijn voorzien van blauw zwaai-, flits- of knipperlicht. - -**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. - -**3.** Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht. - ### Artikel 5.5.59 **1.** De mistlichten aan de voorzijde, de achteruitrijlichten, het richtlicht en het bermlicht mogen niet anders dan wit of geel stralen. @@ -6317,7 +5108,7 @@ l. inwendig verlichte transparanten die voor het overige verkeer bij regeling va ### Artikel 5.5.61 -**1.** Bij driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.5.51, eerste en tweede lid, en 5.5.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. +**1.** Bij driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.5.51, eerste en tweede lid, en 5.5.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. **2.** Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, achterlichten, richtlichten, bermlichten, achteruitrijlichten, remlichten, de verlichting van de kentekenplaat aan de achterzijde van het voertuig, mistlichten aan de achterzijde van het voertuig, en werklichten. @@ -6337,7 +5128,7 @@ Achteruitrijlichten van driewielige motorrijtuigen mogen alleen kunnen branden i ### Artikel 5.5.65 -Driewielige motorrijtuigen mogen, onverminderd het in de artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai,- flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.5.51 of 5.5.57 dan wel bij of krachtens de artikelen 5.5.51a of 5.5.58 is voorgeschreven of toegestaan. +Driewielige motorrijtuigen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.5.51 en 5.5.57 is voorgeschreven of toegestaan. #### Paragraaf 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen @@ -6360,13 +5151,7 @@ b. moet de sluit- en borginrichting van een afneembare kogel goed werken en moet **2.** Driewielige motorrijtuigen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen. -**3.** Driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, zijn voorzien van een tweetonige hoorn. - -**4.** Het derde lid is niet van toepassing op driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. - -**5.** Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende de tweetonige hoorn. - -**6.** Driewielige motorrijtuigen mogen niet zijn voorzien van andere geluidsignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met het vijfde lid. +**3.** Driewielige motorrijtuigen mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste en tweede lid. ### Afdeling 6. Bromfietsen @@ -6378,13 +5163,30 @@ b. moet de sluit- en borginrichting van een afneembare kogel goed werken en moet Bromfietsen moeten voldoen aan de volgende eisen: -a. het voertuig is in overeenstemming met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens; -b. het identificatienummer is op een vast voertuigdeel ingeslagen en is goed leesbaar; -c. de kentekenplaat is voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moet deugdelijk aan de achterzijde van het voertuig zijn bevestigd; -d. het kenteken is goed leesbaar en de kentekenplaat is niet afgeschermd; -e. het merk of de fabrieksaanduiding is goed leesbaar op het voertuig aanwezig. +a. het identificatienummer moet op een vast voertuigdeel zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn; +b. zij moeten: -**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op voertuigen als bedoeld in artikel 2.4, onderdelen a, b en g. +1°. behoren tot een door Onze Minister goedgekeurd type of exemplaar en zijn voorzien van: + +A. een goed leesbaar goedkeuringsmerk dat is aangebracht op het balhoofd of op enig ander deel van het frame, dan wel +B. zijn uitgerust met een verbrandingsmotor, behorende tot een na 1 juli 1958 doch voor 31 december 1994 door Onze Minister goedgekeurd type, voorzien van een goed leesbaar goedkeuringsmerk, dan wel +C. zijn uitgerust met een verbrandingsmotor, waarvan het merk en het type door Onze Minister vóór 1 juli 1958 in de Nederlandse Staatscourant zijn bekend gemaakt, of +2°. behoren tot een type waarvoor een typegoedkeuring als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van richtlijn 92/61/EEG is afgegeven en zijn voorzien van een constructieplaat waarop de volgende gegevens zijn vermeld: + +A. de naam van de fabrikant; +B. het goedkeuringsnummer betreffende de goedkeuring van het voertuig; +C. het identificatienummer van het voertuig; +D. het geluidsniveau tijdens stilstand in dB(A) bij een daarbij behorend aantal toeren per minuut, en +c. zij moeten zijn voorzien van een gele plaat of gele vlakken of, indien zij blijkens het in onderdeel b, genoemde goedkeuringsmerk of goedkeuringsnummer zijn geconstrueerd voor een maximum snelheid van niet meer dan 25 km/h, van een oranje plaat of oranje vlakken. + +**2.** + +Onze Minister stelt regels vast omtrent: + +a. de wijze waarop het in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde goedkeuringsmerk moet zijn aangebracht; +b. de in het eerste lid, onderdeel c, genoemde plaat of vlakken en de wijze waarop deze moeten zijn aangebracht. Bromfietsen met twee voorwielen alsmede bromfietsen waarbij om constructieve redenen de plaat niet in het midden boven het voorwiel kan worden aangebracht, moeten zijn voorzien van twee gele of twee oranje platen dan wel gele of oranje vlakken. + +**3.** In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, en het tweede lid, onderdeel b, tweede volzin, mogen bromfietsen op drie of meer wielen met een carrosserie niet zijn voorzien van een plaat of vlakken als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c. #### Paragraaf 1. Algemene bouwwijze van het voertuig @@ -6392,28 +5194,17 @@ e. het merk of de fabrieksaanduiding is goed leesbaar op het voertuig aanwezig. **1.** -De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van bromfietsen mogen: - -a. geen breuken of scheuren vertonen; -b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. - -**2.** - -Indien de bromfiets is opgebouwd uit een frame met voor- of achtervork mogen deze onderdelen: +Het frame of de zelfdragende constructie alsmede de voor- en achtervork van bromfietsen mag: a. geen breuken of scheuren vertonen; b. niet zijn doorgeroest; -c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht. +c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht dan wel dat het weggedrag van het voertuig nadelig wordt benvloed. -**3.** De onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd. - -**4.** Onze Minister stelt regels vast inzake de toelaatbare mate van corrosie van de in het eerste lid bedoelde onderdelen alsmede de bevestiging daarvan. +**2.** De onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd. ### Artikel 5.6.4 -**1.** Een aan een bromfiets gekoppelde zijspanwagen moet deugdelijk aan het frame of aan de zelfdragende constructie van de bromfiets zijn bevestigd. - -**2.** De bovenbouw van bromfietsen moet deugdelijk op het onderstel dan wel het frame zijn bevestigd. +Een aan een bromfiets gekoppelde zijspanwagen moet deugdelijk aan het frame of aan de zelfdragende constructie van de bromfiets zijn bevestigd. #### Paragraaf 2. Afmetingen en massa’s @@ -6433,11 +5224,11 @@ c. niet hoger zijn dan 2.50 m. ### Artikel 5.6.8 -**1.** Bromfietsen moeten bij voortduring blijven voldoen aan de op het kentekenbewijs of in het kentekenregister vermelde maximum constructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h. +**1.** Bromfietsen die zijn geconstrueerd voor een maximum snelheid van ten hoogste 45 km/h, moeten bij voortduring blijven voldoen aan deze door de constructie bepaalde maximum snelheid. -**2.** Bromfietsen mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de in het eerste lid genoemde maximum constructiesnelheid te bemoeilijken of te beïnvloeden. +**2.** Bromfietsen die zijn geconstrueerd voor een maximum snelheid van ten hoogste 25 km/h, moeten bij voortduring blijven voldoen aan deze door de constructie bepaalde maximum snelheid. -**3.** Onze Minister stelt regels vast omtrent de wijze van meten van de in het eerste lid bedoelde snelheid. +**3.** Onze Minister stelt regels vast omtrent de wijze van meten van de in het eerste en het tweede lid bedoelde snelheden. ### Artikel 5.6.9 @@ -6451,21 +5242,21 @@ c. niet hoger zijn dan 2.50 m. **1.** Bromfietsen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. -**2.** Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. +**2.** De uitmonding van de uitlaatleiding van bromfietsen mag niet hoger zijn gelegen dan de bovenkant van de zitplaats. -**3.** Bromfietsen moeten blijven behoren tot een goedgekeurd type als bedoeld in artikel 2 van het Besluit typekeuring bromfietsen luchtverontreiniging (*Stb.* 1984, 525). +**3.** De uitstroomrichting van de uitlaatleiding moet horizontaal en evenwijdig aan het mediaanlangsvlak van het voertuig zijn. -**4.** Bromfietsen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). +**4.** Bromfietsen moeten blijven behoren tot een goedgekeurd type als bedoeld in artikel 2 van het Besluit typekeuring bromfietsen luchtverontreiniging (*Stb.* 1984, 525). -**5.** Bromfietsen waarvoor geen waarde als bedoeld in het vierde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 97 dB(A) voor bromfietsen die blijkens de gegevens in het kentekenregister of op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs zijn geconstrueerd voor een maximumsnelheid van meer dan 25 km/h en niet meer dan 90 dB(A) voor andere bromfietsen. +**5.** Bromfietsen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 97 dB(A) voor bromfietsen die blijkens het in artikel 5.6.1, eerste lid, onderdeel *b*, genoemde goedkeuringsmerk zijn geconstrueerd voor een maximum snelheid van meer dan 25 km/h, en niet meer dan 90 dB(A) voor andere bromfietsen. -**6.** Onze Minister stelt regels vast omtrent de wijze van meten van de in het vierde en vijfde lid bedoelde geluidproductie. +**6.** In afwijking van het vijfde lid mogen bromfietsen die behoren tot een type waarvoor een typegoedkeuring als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van richtlijn 92/61/EEG is afgegeven in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan de waarde die is vermeld op de in artikel 5.6.1, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, bedoelde constructieplaat, vermeerderd met 2dB(A). + +**7.** Onze Minister stelt regels vast omtrent de wijze van meten van de in het vijfde en zesde lid bedoelde geluidproductie. ### Artikel 5.6.12 -**1.** De accu van bromfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd. - -**2.** De elektrische bedrading van bromfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. +De elektrische bedrading van bromfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. ### Artikel 5.6.13 @@ -6473,10 +5264,6 @@ De motor van bromfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd. #### Paragraaf 4. Krachtoverbrenging -### Artikel 5.6.15 - -Bromfietsen, die na 31 december 2006 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is. - ### Artikel 5.6.16 De voor de transmissie noodzakelijke onderdelen van bromfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd. @@ -6489,33 +5276,10 @@ De voor de transmissie noodzakelijke onderdelen van bromfietsen moeten deugdelij **2.** De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. -**3.** De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. +**3.** De assen mogen niet zodanig zijn beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. **4.** De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. -### Artikel 5.6.19 - -**1.** De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van bromfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd. - -**2.** Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. - -**3.** De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. - -**4.** Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. - -**5.** Onze Minister stelt regels vast omtrent het derde lid. - -### Artikel 5.6.20 - -**1.** - -Van bromfietsen met drie of vier wielen: - -a. mogen de wiellagers niet te veel speling vertonen; -b. mogen verschijnselen van slijtage of beschadiging niet hoorbaar of voelbaar zijn. - -**2.** Onze Minister stelt regels vast omtrent het eerste lid, onderdeel a. - ### Artikel 5.6.24 De wielen, alsmede de onderdelen daarvan, van bromfietsen mogen geen breuken, scheuren of ernstige vervorming vertonen. Onderdelen mogen niet loszitten of ontbreken. @@ -6544,28 +5308,11 @@ De wielen, alsmede de onderdelen daarvan, van bromfietsen mogen geen breuken, sc ### Artikel 5.6.29 -**1.** +**1.** De voor de overbrenging van de stuurkrachten noodzakelijke onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd. -Van bromfietsen met twee wielen: +**2.** De voorvork moet zonder zware punten in het balhoofd kunnen draaien. -a. moeten de voor de overbrenging van de stuurkrachten noodzakelijke onderdelen deugdelijk zijn bevestigd; -b. moet de voorvork zonder zware punten in het balhoofd kunnen draaien, en -c. mag de balhoofdlagering geen zichtbare speling vertonen. - -**2.** - -Van bromfietsen op drie of vier wielen: - -a. moeten de bestuurde wielen goed reageren op de draaiing van het stuurwiel; -b. mogen bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien; -c. moeten de voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast; -d. moeten stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten; -e. moeten kruiskoppelingen een zichtbaar spelingvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen; -f. mogen flexibele koppelingen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt; -g. mogen de verbindingen in het stangenstelsel niet te veel speling vertonen; en -h. mag, indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, dit gedeelte geen corrosie vertonen. - -**3.** Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot het tweede lid, onderdelen c, f en g. +**3.** De balhoofdlagering mag geen zichtbare speling vertonen. #### Paragraaf 8. Reminrichting @@ -6602,19 +5349,9 @@ c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is ### Artikel 5.6.38 -**1.** +**1.** Bromfietsen moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt, dan wel ten minste 2,0 m/s2 bedraagt indien het een bromfiets betreft die behoort tot een type dat door Onze Minister is goedgekeurd vóór 1 januari 1966. -Bromfietsen op twee wielen, in gebruik genomen na 31 december 2006, moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg - -a. bij gebruik van de voorwielrem ten minste 2,5 m/s^2 bedraagt; -b. bij gebruik van de achterwielrem ten minste 2,4 m/s^2 bedraagt, en -c. bij gebruik van de voorwielrem en de achterwielrem tezamen ten minste 4,0 m/s^2 bedraagt. - -**2.** Bromfietsen op twee wielen in gebruik genomen voor 1 januari 2007 moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen met onafhankelijke bedieningsorganen en overbrengingen, waarvan de één tenminste op het voorwiel en de ander tenminste op het achterwiel werkt. De remvertraging van de voorwielrem en de achterwielrem tezamen moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s^2 bedragen. - -**3.** Bromfietsen op meer dan twee wielen moeten zijn voorzien van een bedrijfsreminrichting waarmee, bij bediening van de voor- en achterrem tezamen, hetzij bij bediening van een gezamenlijke reminrichting, de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s^2 bedraagt. - -**4.** De in het derde lid bedoelde bedrijfsreminrichting moet op alle wielen werken. +**2.** De bedrijfsrem moet op alle wielen werken. ### Artikel 5.6.39 @@ -6628,51 +5365,17 @@ Van bromfietsen op meer dan twee wielen moet één van de remmen in aangezette t **2.** Windschermen, stroomlijnkappen en permanent aangebrachte inrichtingen om lading mee te kunnen vervoeren, moeten deugdelijk zijn bevestigd. -**3.** De deuren van bromfietsen moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde of vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend. - -**4.** Het slot en de scharnieren van de motorkap of het kofferdeksel aan de voorzijde van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen. - -**5.** De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. - -**6.** Onze Minister stelt regels vast omtrent het vijfde lid. - -### Artikel 5.6.43 - -**1.** Bromfietsen met een voorruit, die na 31 december 2006 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. - -**2.** Bromfietsen met een voorruit, die na 31 december 2006 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie. - -### Artikel 5.6.45 - -**1.** Bromfietsen, die na 31 december 2006 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een linker buitenspiegel. - -**2.** In afwijking van het eerste lid moeten bromfietsen op meer dan twee wielen met gesloten carrosserie, die na 31 december 2006 in gebruik zijn genomen, zijn voorzien van een binnenspiegel en een linker buitenspiegel dan wel zijn voorzien van een linker en een rechter buitenspiegel. - -**3.** De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd. - -**4.** Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd. - ### Artikel 5.6.46 **1.** De zitplaats of zitplaatsen van bromfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd. -**2.** Voetsteunen moeten deugdelijk zijn aangebracht. - -### Artikel 5.6.47 - -**1.** Bromfietsen op meer dan twee wielen met een gesloten carrosserie en een ledige massa van meer dan 250 kg, die na 31 december 2006 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van autogordels voor alle naar voren gerichte zitplaatsen. - -**2.** Het eerste lid is niet van toepassing op klapstoelen. - -**3.** De autogordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging. - -**4.** De autogordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. +**2.** Bromfietsen moeten zijn voorzien van deugdelijk bevestigde trappers of voetsteunen voor de bestuurder. ### Artikel 5.6.48 **1.** Bromfietsen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. -**2.** De wielen onderscheidenlijk banden van bromfietsen mogen niet aanlopen. +**2.** De wielen onderscheidenlijk banden van bromfietsen moeten goed zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen. **3.** Geen deel aan de buitenzijde van een bromfiets mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. @@ -6686,8 +5389,7 @@ Bromfietsen op twee wielen moeten zijn voorzien van: a. een of twee dimlichten; b. een of twee achterlichten; -c. een niet-driehoekige rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig; -d. een of twee remlichten indien de bromfiets een vermogen van meer dan 0,5 kW en een maximumsnelheid van meer dan 25 km/h heeft en in gebruik is genomen na 31 december 2006. +c. een niet-driehoekige rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig. **2.** @@ -6707,13 +5409,9 @@ Zijspanwagens, verbonden aan een bromfiets, moeten zijn voorzien van een niet-dr ### Artikel 5.6.53 -**1.** De dimlichten en stadslichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. +**1.** Het dimlicht mag niet anders dan wit of geel stralen. -**2.** De richtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen. - -**3.** De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen. - -**4.** De remlichten mogen niet anders dan rood stralen. +**2.** Het achterlicht mag niet anders dan rood stralen. ### Artikel 5.6.55 @@ -6725,12 +5423,10 @@ Zijspanwagens, verbonden aan een bromfiets, moeten zijn voorzien van een niet-dr **4.** Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. -**5.** De in de artikelen 5.6.51 en 5.6.52 bedoelde lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste een vierde deel zijn afgeschermd. +**5.** De in de artikelen 5.6.51 en 5.6.52 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen niet zijn afgeschermd. **6.** De in de artikelen 5.6.51 en 5.6.52 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. -**7.** Remlichten van bromfietsen in gebruik genomen na 31 december 2006 moeten werken bij bediening van zowel de achterwielrem als de voorwielrem. - ### Artikel 5.6.57 **1.** @@ -6743,7 +5439,7 @@ c. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de ac d. een of twee remlichten; e. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig; f. vier ambergele retroreflectoren aan de trappers voor zover de bromfiets is voorzien van niet-intrekbare trappers; -g. een installatie ter verlichting van de aan achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat; +g. een installatie ter verlichting aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat; h. een naar voren gerichte witte retroreflector. **2.** @@ -6752,13 +5448,9 @@ Bromfietsen op drie of vier wielen mogen zijn voorzien van: a. een of twee grote lichten indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en twee grote lichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt; b. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde en waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig niet is voorzien van een gesloten carrosserie; -c. een installatie ter verlichting van de aan achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat; +c. een installatie ter verlichting aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat; d. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig; -e. naar voren gerichte witte retroreflectoren; -f. twee mistlichten aan de voorzijde van het voertuig; -g. een of twee mistlichten aan de achterzijde van het voertuig; -h. een of twee achteruitrijlichten; -i. een derde remlicht. +e. een naar voren gerichte witte retroreflector. **3.** Bromfietsen mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. @@ -6779,21 +5471,19 @@ f. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. ### Artikel 5.6.59 -**1.** Het grote licht het mistlicht aan de voorzijde, het achteruitrijlicht en het stadslicht mogen niet anders dan wit of geel stralen. +**1.** Het grote licht en het stadslicht mogen niet anders dan wit of geel stralen. -**2.** Het achterlicht het mistlicht aan de achterzijde, het derde remlicht en het remlicht mogen niet anders dan rood stralen. +**2.** Het achterlicht en het remlicht mogen niet anders dan rood stralen. **3.** Richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen niet anders dan ambergeel stralen. -**4.** De kentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen. - -**5.** Artikel 5.6.55, tweede, derde en vierde lid, is van toepassing. +**4.** Artikel 5.6.55, tweede, derde en vierde lid, is van toepassing. ### Artikel 5.6.64 **1.** Bromfietsen mogen, met uitzondering van groot licht, niet zijn voorzien van verblindende verlichting. -**2.** Bromfietsen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende verlichting. +**2.** Bromfietsen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, niet zijn voorzien van knipperende verlichting. ### Artikel 5.6.65 @@ -6803,7 +5493,7 @@ Bromfietsen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voor ### Artikel 5.6.66 -**1.** Indien de bromfiets is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken of vervormd. Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging. +**1.** Indien bromfiets is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken of vervormd. Onze Minister stelt regels vast met betrekking tot de deugdelijkheid van de bevestiging. **2.** @@ -6865,7 +5555,7 @@ c. niet hoger zijn dan 4,00 m. **2.** In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de last onder enig wiel van een rijdend werktuig niet meer bedragen dan 6000 kg. -**3.** De totale massa of de som van de aslasten van motorrijtuigen met beperkte snelheid mag niet meer bedragen dan 50 000 kg. +**3.** De totale massa van motorrijtuigen met beperkte snelheid mag niet meer bedragen dan 50 000 kg. **4.** In afwijking van het bepaalde in het derde lid mag de totale massa van motorrijtuigen met beperkte snelheid die zijn voorzien van rupsbanden, niet meer bedragen dan 10 000 kg. @@ -6917,7 +5607,7 @@ De onderdelen van de aandrijving van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten **2.** De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. -**3.** De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. +**3.** De assen mogen niet zodanig zijn beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. **4.** De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. @@ -7028,7 +5718,7 @@ die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. ### Artikel 5.7.43 -Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. De installatie mag niet door handkracht worden aangedreven. +Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitewisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. De installatie mag niet door handkracht worden aangedreven. ### Artikel 5.7.45 @@ -7159,7 +5849,7 @@ b. op een hoogte van niet minder van 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het we **4.** Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. -**5.** De in artikel 5.7.51 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste een vierde deel zijn afgeschermd. +**5.** De in artikel 5.7.51 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voor zover niet anders is bepaald, niet zijn afgeschermd. **6.** De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. @@ -7262,7 +5952,7 @@ Achteruitrijlichten van motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen alleen kunnen ### Artikel 5.7.65 -Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen, onverminderd het in artikel 30 van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai-, knipper- en flitslichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.7.51 en 5.7.57 is voorgeschreven of toegestaan. +Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen, onverminderd het in artikel 30 van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaaien knipperlichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.7.51 en 5.7.57 is voorgeschreven of toegestaan. #### Paragraaf 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen @@ -7286,19 +5976,19 @@ Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen, onverminderd het in artikel 30 van h Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten, met uitzondering van walsen, aan de voorzijde zijn voorzien van een bevestigingspunt ten behoeve van het slepen van het voertuig. -### Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers +### Afdeling 8. Landbouwtrekkers #### Paragraaf 0. Algemeen ### Artikel 5.8.1 -Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een identificatienummer dat op een vast voertuigdeel is ingeslagen dan wel op de motor is aangebracht, welk nummer goed leesbaar is. +Landbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een identificatienummer dat op een vast voertuigdeel is ingeslagen dan wel op de motor is aangebracht, welk nummer goed leesbaar is. #### Paragraaf 1. Algemene bouwwijze van het voertuig ### Artikel 5.8.3 -De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van landbouw- of bosbouwtrekkers mogen: +De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van landbouwtrekkers mogen: a. geen breuken of scheuren vertonen; b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. @@ -7307,7 +5997,7 @@ b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stij ### Artikel 5.8.6 -Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen: +Landbouwtrekkers mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 3,00 m; @@ -7315,25 +6005,15 @@ c. niet hoger zijn dan 4,00 m. ### Artikel 5.8.7 -**1.** +**1.** De last onder enige as van landbouwtrekkers mag niet meer bedragen dan 10 000 kg. -De last onder enige as van landbouw- of bosbouwtrekkers mag niet meer bedragen dan: - -a. 11.500 kg voor een aangedreven as, en -b. 10.000 kg voor een niet aangedreven as. - -**2.** - -De totale massa of de som van de aslasten van landbouw- of bosbouwtrekkers mag niet meer bedragen dan: - -a. 18.000 kg voor een twee-assige landbouw- of bosbouwtrekker, en -b. 24.000 kg voor een drie-assige landbouw- of bosbouwtrekker. +**2.** De totale massa van landbouwtrekkers mag niet meer bedragen dan 14 000 kg. #### Paragraaf 3. Motor ### Artikel 5.8.9 -**1.** Alle onderdelen van het brandstofsysteem van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. +**1.** Alle onderdelen van het brandstofsysteem van landbouwtrekkers moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. **2.** Het brandstofsysteem mag geen lekkage vertonen. @@ -7341,7 +6021,7 @@ b. 24.000 kg voor een drie-assige landbouw- of bosbouwtrekker. ### Artikel 5.8.11 -**1.** Landbouw- of bosbouwtrekkers met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. De verbindingen van deelbare uitlaatleidingen moeten zoveel mogelijk gasdicht zijn. +**1.** Landbouwtrekkers met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. De verbindingen van deelbare uitlaatleidingen moeten zoveel mogelijk gasdicht zijn. **2.** Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. @@ -7349,19 +6029,19 @@ b. 24.000 kg voor een drie-assige landbouw- of bosbouwtrekker. ### Artikel 5.8.12 -**1.** De accu van landbouw- of bosbouwtrekkers moet deugdelijk zijn bevestigd. +**1.** De accu van landbouwtrekkers moet deugdelijk zijn bevestigd. -**2.** De bedrading van landbouw- of bosbouwtrekkers moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. +**2.** De bedrading van landbouwtrekkers moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. #### Paragraaf 4. Krachtoverbrenging ### Artikel 5.8.14 -De versnellingsbak van landbouw- of bosbouwtrekkers moet zijn voorzien van een achteruitversnelling die vanaf de bestuurderszitplaats kan worden bediend. +De versnellingsbak van landbouwtrekkers moet zijn voorzien van een achteruitversnelling die vanaf de bestuurderszitplaats kan worden bediend. ### Artikel 5.8.16 -**1.** De onderdelen van de aandrijving van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten deugdelijk zijn bevestigd. +**1.** De onderdelen van de aandrijving van landbouwtrekkers moeten deugdelijk zijn bevestigd. **2.** Kruiskoppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. @@ -7369,7 +6049,7 @@ De versnellingsbak van landbouw- of bosbouwtrekkers moet zijn voorzien van een a ### Artikel 5.8.18 -**1.** De assen van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. +**1.** De assen van landbouwtrekkers moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. **2.** De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. @@ -7379,21 +6059,21 @@ De versnellingsbak van landbouw- of bosbouwtrekkers moet zijn voorzien van een a ### Artikel 5.8.24 -**1.** De wielen onderscheidenlijk velgen van landbouw- of bosbouwtrekkers mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk of ernstige vervorming vertonen. +**1.** De wielen onderscheidenlijk velgen van landbouwtrekkers mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk of ernstige vervorming vertonen. **2.** De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. ### Artikel 5.8.25 -De wielnaven van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. +De wielnaven van landbouwtrekkers moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. #### Paragraaf 6. Ophanging ### Artikel 5.8.27 -**1.** Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van banden of rupsbanden, waarvan het loopvlak niet bestaat uit metaal of een materiaal dat voor wat betreft hardheid en vervormbaarheid dezelfde eigenschappen heeft. +**1.** Landbouwtrekkers moeten zijn voorzien van banden of rupsbanden, waarvan het loopvlak niet bestaat uit metaal of een materiaal dat voor wat betreft hardheid en vervormbaarheid dezelfde eigenschappen heeft. -**2.** De luchtbanden van landbouw- of bosbouwtrekkers mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. +**2.** De luchtbanden van landbouwtrekkers mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. **3.** De luchtbanden mogen geen uitstulpingen vertonen. @@ -7403,9 +6083,9 @@ De wielnaven van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten met alle daarvoor bestemde ### Artikel 5.8.29 -**1.** Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een deugdelijke stuurinrichting. +**1.** Landbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een deugdelijke stuurinrichting. -**2.** De bestuurde wielen van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel. +**2.** De bestuurde wielen van landbouwtrekkers moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel. **3.** De stuurinrichting mag niet zijn voorzien van een elektrische overbrenging of van een uitsluitend pneumatische overbrenging. @@ -7419,7 +6099,7 @@ De wielnaven van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten met alle daarvoor bestemde **1.** -Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de onderdelen: +Landbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de onderdelen: a. deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; @@ -7444,31 +6124,31 @@ c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is ### Artikel 5.8.38 -**1.** Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem die ten minste op de wielen van één as werkt; indien op meer dan één as wordt geremd, mag één as ontkoppeld zijn mits bij het in werking stellen van de bedrijfsrem deze as automatisch weer wordt gekoppeld en mits bij een storing in het koppelingssysteem dit automatisch geschiedt. +**1.** Landbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem die ten minste op de wielen van één as werkt; indien op meer dan één as wordt geremd, mag één as ontkoppeld zijn mits bij het in werking stellen van de bedrijfsrem deze as automatisch weer wordt gekoppeld en mits bij een storing in het koppelingssysteem dit automatisch geschiedt. -**2.** Landbouw- of bosbouwtrekkers met een maximum snelheid van niet meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,4 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 600 N. +**2.** Landbouwtrekkers met een maximum snelheid van niet meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,4 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 600 N. -**3.** Landbouw- of bosbouwtrekkers met een maximum snelheid van meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,1 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 600 N. +**3.** Landbouwtrekkers met een maximum snelheid van meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,1 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 600 N. **4.** Het voertuig mag door het remmen geen zijwaartse beweging maken. ### Artikel 5.8.39 -Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een parkeerrem die het voertuig op een helling van 18,0% in beide richtingen in stilstand moet kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,3 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert. +Landbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een parkeerrem die het voertuig op een helling van 18,0% in beide richtingen in stilstand moet kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,3 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert. #### Paragraaf 9. Carrosserie ### Artikel 5.8.41 -**1.** Gesloten cabines van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van ten minste twee deuren dan wel een deur en een nooduitgang, welke zijn gelegen in verschillende wanden dan wel in een wand en in het dak. +**1.** Gesloten cabines van landbouwtrekkers moeten zijn voorzien van ten minste twee deuren dan wel een deur en een nooduitgang, welke zijn gelegen in verschillende wanden dan wel in een wand en in het dak. **2.** De nooduitgang moet zodanige minimumafmetingen hebben dat daarin een ellips kan worden beschreven met een korte as van 0,44 m en een lange as van 0,64 m. -**3.** De deuren van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde of vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend. +**3.** De deuren van landbouwtrekkers moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde of vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend. ### Artikel 5.8.42 -De ruiten van landbouw- of bosbouwtrekkers mogen: +De ruiten van landbouwtrekkers mogen: a. geen beschadigingen of verkleuringen vertonen, b. niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen, @@ -7477,11 +6157,11 @@ die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. ### Artikel 5.8.43 -Landbouw- of bosbouwtrekkers met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. De installatie mag niet door handkracht worden aangedreven. +Landbouwtrekkers met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitewisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. De installatie mag niet door handkracht worden aangedreven. ### Artikel 5.8.45 -**1.** Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel waarmee de bestuurder ten minste een vlak weggedeelte van 10 m achter het voertuig, gemeten vanaf de spiegel tot aan de horizon, kan overzien, welk gedeelte een breedte heeft van 2,50 m en is gelegen links van het aan de lengte-as van het voertuig evenwijdig liggende verticale vlak door het meest links gelegen punt van de totale breedte van het voertuig onderscheidenlijk van de daardoor voortbewogen aanhangwagen. +**1.** Landbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel waarmee de bestuurder ten minste een vlak weggedeelte van 10 m achter het voertuig, gemeten vanaf de spiegel tot aan de horizon, kan overzien, welk gedeelte een breedte heeft van 2,50 m en is gelegen links van het aan de lengte-as van het voertuig evenwijdig liggende verticale vlak door het meest links gelegen punt van de totale breedte van het voertuig onderscheidenlijk van de daardoor voortbewogen aanhangwagen. **2.** De spiegel moet deugdelijk zijn bevestigd. @@ -7489,23 +6169,23 @@ Landbouw- of bosbouwtrekkers met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed ### Artikel 5.8.46 -De zitplaatsen van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De verstelinrichtingen van de zitplaatsen moeten goed kunnen worden vergrendeld. +De zitplaatsen van landbouwtrekkers moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De verstelinrichtingen van de zitplaatsen moeten goed kunnen worden vergrendeld. ### Artikel 5.8.48 -**1.** Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. +**1.** Landbouwtrekkers mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. -**2.** Onverminderd het bepaalde in het eerste lid moeten uitstekende delen van landbouw- of bosbouwtrekkers, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd. +**2.** Onverminderd het bepaalde in het eerste lid moeten uitstekende delen van landbouwtrekkers, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd. **3.** Het bepaalde in het eerste lid en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. -**4.** Geen deel van de buitenzijde van de landbouw- of bosbouwtrekker mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. +**4.** Geen deel van de buitenzijde van de landbouwtrekker mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. #### Paragraaf 10. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen ### Artikel 5.8.51 -Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van: +Landbouwtrekkers moeten zijn voorzien van: a. twee dimlichten en indien het voertuig aan de voorzijde wordt voorzien van werktuigen die de dimlichten afschermen, twee extra dimlichten; b. twee stadslichten en indien het voertuig aan de voorzijde wordt voorzien van werktuigen die de stadslichten afschermen, twee extra stadslichten; @@ -7525,7 +6205,7 @@ g. een rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek. ### Artikel 5.8.54 -**1.** De dimlichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,50 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. Indien zulks voor de bruikbaarheid als landbouw- of bosbouwtrekker noodzakelijk is, mogen de dimlichten op een hoogte van meer dan 1,20 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht. De extra dimlichten moeten zover mogelijk vooraan het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,50 m en niet meer dan 3,00 m boven het wegdek. +**1.** De dimlichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,50 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. Indien zulks voor de bruikbaarheid als landbouwtrekker noodzakelijk is, mogen de dimlichten op een hoogte van meer dan 1,20 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht. De extra dimlichten moeten zover mogelijk vooraan het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,50 m en niet meer dan 3,00 m boven het wegdek. **2.** @@ -7596,7 +6276,7 @@ b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het we **1.** -Het dimlicht van landbouw- of bosbouwtrekkers moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een verlichtingsscherm het geprojecteerde beeld, na fixatie van het scherm, voldoet aan de volgende eisen: +Het dimlicht van landbouwtrekkers moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een verlichtingsscherm het geprojecteerde beeld, na fixatie van het scherm, voldoet aan de volgende eisen: a. het lichte vlak moet zich onder het donkere vlak bevinden; b. een duidelijke, geheel of ten dele horizontale scheidingslijn tussen licht en donker moet zichtbaar zijn; @@ -7613,7 +6293,7 @@ d. indien een ten dele horizontale scheidingslijn zichtbaar is: **1.** -Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen zijn voorzien van: +Landbouwtrekkers mogen zijn voorzien van: a. twee of vier grote lichten; b. twee extra dimlichten; @@ -7630,7 +6310,7 @@ l. een richtlicht; m. een bermlicht aan de voorzijde van het voertuig; n. werklichten. -**2.** Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra niet-driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. +**2.** Landbouwtrekkers mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra niet-driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. ### Artikel 5.8.59 @@ -7675,23 +6355,23 @@ Het ingeschakeld zijn van het mistlicht of de mistlichten aan de achterzijde van ### Artikel 5.8.63 -Achteruitrijlichten van landbouw- of bosbouwtrekkers mogen alleen kunnen branden indien de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld. +Achteruitrijlichten van landbouwtrekkers mogen alleen kunnen branden indien de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld. ### Artikel 5.8.64 -**1.** Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende verlichting. +**1.** Landbouwtrekkers mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende verlichting. -**2.** Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende verlichting. +**2.** Landbouwtrekkers mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende verlichting. ### Artikel 5.8.65 -Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen, onverminderd het in artikel 30 van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai-, knipper- en flitslichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.8.51 en 5.8.57 is voorgeschreven of toegestaan. +Landbouwtrekkers mogen, onverminderd het in artikel 30 van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai- en knipperlichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.8.51 en 5.8.57 is voorgeschreven of toegestaan. -#### Paragraaf 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen +#### Paragraaf 11. Verbinding tussen landbouwtrekker en aanhangwagen ### Artikel 5.8.66 -**1.** De inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen moet van een deugdelijke constructie zijn en moet deugdelijk aan de landbouw- of bosbouwtrekker zijn bevestigd. +**1.** De inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen moet van een deugdelijke constructie zijn en moet deugdelijk aan de landbouwtrekker zijn bevestigd. **2.** De voor de overbrenging van de krachten noodzakelijke onderdelen van de in het eerste lid bedoelde inrichting mogen niet gescheurd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn. @@ -7701,15 +6381,15 @@ Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen, onverminderd het in artikel 30 van het RVV 1 ### Artikel 5.8.71 -**1.** Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd. +**1.** Landbouwtrekkers moeten zijn voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd. -**2.** Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen. +**2.** Landbouwtrekkers mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen. -**3.** Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste en tweede lid. +**3.** Landbouwtrekkers mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste en tweede lid. ### Artikel 5.8.72 -Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten aan de voorzijde zijn voorzien van een bevestigingspunt ten behoeve van het slepen van het voertuig. +Landbouwtrekkers moeten aan de voorzijde zijn voorzien van een bevestigingspunt ten behoeve van het slepen van het voertuig. ### Afdeling 9. Fietsen @@ -7815,21 +6495,27 @@ c. bij zijspanwagens aan de uiterste buitenzijde, op een hoogte van niet minder ### Artikel 5.9.57 -**1.** +**1.** Fietsen op twee wielen en fietsen op drie wielen met één voorwiel mogen zijn voorzien van een licht aan de voorzijde. + +**2.** Fietsen op meer dan twee wielen met twee voorwielen mogen zijn voorzien van twee lichten aan de voorzijde. + +**3.** Fietsen mogen zijn voorzien van een achterlicht dat is voorzien van een door Onze Minister bekendgemaakt goedkeuringsmerk. + +**4.** Fietsen mogen zijn voorzien van: a. een naar voren gerichte witte retroreflector indien deze niet reeds ingevolge artikel 5.9.51 verplicht is; b. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. -**2.** +**5.** Zijspanwagens, verbonden aan een fiets, mogen zijn voorzien van: a. een naar voren gerichte witte retroreflector; b. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. -**3.** Fietsen en zijspanwagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra niet-driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. +**6.** Fietsen en zijspanwagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra niet-driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. ### Artikel 5.9.60 @@ -7837,11 +6523,13 @@ De witte retroreflector op de zijspanwagen moet zijn aangebracht aan de uiterste ### Artikel 5.9.64 -Vervallen +**1.** Fietsen mogen niet zijn voorzien van verblindende verlichting. + +**2.** Fietsen mogen niet zijn voorzien van knipperende verlichting. ### Artikel 5.9.65 -Fietsen mogen niet zijn voorzien van meer retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.9.51, 5.9.52 en 5.9.57 is voorgeschreven of toegestaan. +Fietsen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.9.51, 5.9.52 en 5.9.57 is voorgeschreven of toegestaan. #### Paragraaf 12. Diversen @@ -8088,7 +6776,7 @@ die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. ### Artikel 5.10.43 -Gehandicaptenvoertuigen met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft, alsmede van een goed werkende ruitensproeierinstallatie. +Gehandicaptenvoertuigen met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitewisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft, alsmede van een goed werkende ruitesproeierinstallatie. ### Artikel 5.10.44 @@ -8443,10 +7131,9 @@ Aanhangwagens moeten voldoen aan de volgende eisen: a. het voertuig moet in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens; b. het identificatienummer moet op een vast voertuigdeel zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn; -c. aanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van een constructieplaat die goed leesbaar is en waarvan de gegevens in overeenstemming zijn met het kentekenregister, met dien verstande dat de maximum massa's die op de constructieplaat zijn vermeld ten minste gelijk zijn aan de massa's die zijn aangegeven in het kentekenregister en op het kentekenbewijs. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport; -d. de kentekenplaat moet zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport; -e. de kentekenplaat moet deugdelijk aan de achterzijde van het voertuig zijn bevestigd; -f. het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd. +c. aanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van een constructieplaat die goed leesbaar is en waarvan de gegevens in overeenstemming zijn met het kentekenregister, met dien verstande dat de maximum massa's die op de constructieplaat zijn vermeld ten minste gelijk zijn aan de massa's die zijn aangegeven in het kentekenregister en op het kentekenbewijs; +d. de kentekenplaat moet zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moet deugdelijk aan de achterzijde van het voertuig zijn bevestigd; +e. het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd. #### Paragraaf 1. Algemene bouwwijze van het voertuig @@ -8477,19 +7164,18 @@ De bedrading van aanhangwagens moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïs **1.** Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, mogen niet langer zijn dan 12,00 m. -**2.** +**2.** In afwijking van het eerste lid mogen kermis- of circusvoertuigen niet langer zijn dan 14,00 m. + +**3.** In afwijking van het eerste lid mogen: -a. kermis- of circusvoertuigen niet langer zijn dan 14,00 m; -b. middenasaanhangwagens die voor 1 juli 1967 in gebruik zijn genomen, niet langer zijn dan 10,00 m; -c. middenasaanhangwagens die na 30 juni 1967 maar voor 1 januari 1987 in gebruik zijn genomen, niet langer zijn dan 10,00 m indien de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 2500 kg maar niet meer dan 3500 kg. +a. middenasaanhangwagens die vóór 1 juli 1967 in gebruik zijn genomen, niet langer zijn dan 10,00 m; +b. middenasaanhangwagens die na 30 juni 1967 maar vóór 1 januari 1987 in gebruik zijn genomen, niet langer zijn dan 10,00 m indien de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 2500 kg maar niet meer dan 3500 kg. -**3.** Van opleggers die na 31 december 1997 in gebruik worden genomen, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,04 m en mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 12,00 m. +**4.** Van opleggers mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer mag bedragen dan 2,04 m en de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer mag bedragen dan 12,00 m; bij de vaststelling van de afstand worden markeringslichten, zijmarkeringslichten, richtingaanwijzers, stadslichten, zijretroreflectoren, douaneverzegelingen en bevestigingsmiddelen van het dekzeil buiten beschouwing gelaten. -**4.** Van opleggers die voor 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,05 m, met uitzondering van een puntvormige uitbouw waarvan het verticaal geprojecteerde oppervlak wordt begrensd door rechte lijnen die raken aan de uiterste voorhoeken van de oplegger en een punt op het mediaanvlak van de oplegger dat op maximaal 2,50 m voor het hart van de koppelingspen ligt. - -**5.** In afwijking van het derde lid mag van kermis- of circusvoertuigen de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 17,50 m. +**5.** In afwijking van het vierde lid mag van kermis- of circusvoertuigen de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 17,50 m. **6.** Aanhangwagens mogen niet breder zijn dan 2,55 m. @@ -8497,7 +7183,7 @@ c. middenasaanhangwagens die na 30 juni 1967 maar voor 1 januari 1987 in gebrui **8.** Aanhangwagens mogen niet hoger zijn dan 4,00 m. -**9.** In de afmetingen, bedoeld in het eerste lid, het derde lid, het zesde lid, het zevende lid en het achtste lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren begrepen. +**9.** In de afmetingen, bedoeld in het eerste lid, het vierde lid, het zesde lid, het zevende lid en het achtste lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren begrepen. ### Artikel 5.12.7 @@ -8505,8 +7191,6 @@ c. middenasaanhangwagens die na 30 juni 1967 maar voor 1 januari 1987 in gebrui **2.** De totale massa van aanhangwagens mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximum massa. -**3.** De som van de aslasten van autonome aanhangwagens mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximum massa. - #### Paragraaf 5. Assen ### Artikel 5.12.18 @@ -8515,7 +7199,7 @@ c. middenasaanhangwagens die na 30 juni 1967 maar voor 1 januari 1987 in gebrui **2.** De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. -**3.** De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. +**3.** De assen mogen niet zodanig zijn beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. **4.** De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest. @@ -8525,13 +7209,11 @@ c. middenasaanhangwagens die na 30 juni 1967 maar voor 1 januari 1987 in gebrui **1.** De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd. -**2.** Stofhoezen van de fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. +**2.** De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. -**3.** De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. +**3.** Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. -**4.** Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. - -**5.** Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het derde lid. +**4.** Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het tweede lid. ### Artikel 5.12.20 @@ -8543,7 +7225,7 @@ c. middenasaanhangwagens die na 30 juni 1967 maar voor 1 januari 1987 in gebrui ### Artikel 5.12.21 -De wielbasis van aanhangwagens mag niet meer dan 1,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. +De wielbasis van aanhangwagens mag niet meer dan 1,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister. ### Artikel 5.12.24 @@ -8588,7 +7270,7 @@ De banden van aanhangwagens mogen niet zijn opgesneden. Van opsnijden is sprake **1.** Aanhangwagens moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd. -**2.** De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. +**2.** De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. **3.** Aanhangwagens die zijn voorzien van gasvering, en aanhangwagens met een toegestane maximum massa van ten hoogste 3500 kg, die zijn voorzien van schroefveren, moeten zijn voorzien van deugdelijk bevestigde en goedwerkende schokdempers. @@ -8604,22 +7286,20 @@ De banden van aanhangwagens mogen niet zijn opgesneden. Van opsnijden is sprake **2.** De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen van de gestuurde assen van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigingsen borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. -**3.** Stofhoezen van de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. +**3.** De onderdelen van het hydraulische besturingssysteem mogen geen lekkage vertonen. -**4.** De onderdelen van het hydraulische besturingssysteem mogen geen lekkage vertonen. - -**5.** +**4.** De slangen van het hydraulische besturingssysteem mogen: a. geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is; b. geen bewegende delen raken. -**6.** De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. +**5.** De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. -**7.** Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. +**6.** Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. -**8.** Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het zesde lid. +**7.** Onze Minister stelt regels vast omtrent het bepaalde in het vijfde lid. ### Artikel 5.12.30 @@ -8690,7 +7370,7 @@ b. een drukmeetpunt waarmee de druk vóór elke drukluchtremkrachtregelaar kan w **1.** De slag van drukluchtremcylinders die door middel van een nok een trommelrem bedienen, mag niet worden begrensd door delen die daar niet voor zijn bestemd. -**2.** De slag van drukluchtremcylinders van trommelremmen mag vanuit onberemde toestand tot in beremde stand niet groter zijn dan 2/3 van de maximumslag van de betrokken remcylinder. +**2.** De slag van drukluchtremcylinders mag vanuit onberemde toestand tot in beremde stand niet groter zijn dan 2/3 van de maximumslag van de betrokken remcylinder. ### Artikel 5.12.38 @@ -8764,18 +7444,18 @@ b. het gedeelte achter de achterste as van aanhangwagens met een toegestane maxi **2.** De afstand van de onderzijde van de stootbalk tot het wegdek mag voor aanhangwagens, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 1998, niet meer bedragen dan 0,70 m en voor aanhangwagens, in gebruik genomen na 31 december 1997, niet meer bedragen dan 0,55 m. -**3.** Indien de aanhangwagen in gebruik is genomen na 31 december 2004 mag de stootbalk niet meer dan 0,40 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 3,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten. In afwijking hiervan geldt voor aanhangwagens, ingericht als betonmolen, dat de stootbalk niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig mag zijn gelegen. +**3.** De stootbalk moet zo dicht mogelijk bij de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht en niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. -**4.** Indien de aanhangwagen in gebruik is genomen na 30 juni 1967 en voor 1 januari 2005 mag de stootbalk niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 2,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten. +**4.** -**5.** - -De stootbalk van aanhangwagens mag niet breder zijn noch aan weerszijden meer dan 0,10 m smaller zijn dan: +De stootbalk van aanhangwagens die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 1998, mag niet breder zijn noch aan weerszijden meer dan 0,10 m smaller zijn dan: a. het voertuig op de plaats waar de stootbalk is aangebracht, dan wel b. de breedte van de breedste achteras, met inbegrip van de wielen waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten. -Voor aanhangwagens die zijn bestemd voor het vervoer van wissellaadbakken geldt in plaats van de genoemde maat van 0,10 m een maat van 0,20 m. +Voor aanhangwagens die zijn bestemd voor het vervoer van wissellaadbakken geldt in plaats van de genoemde maat van 0,10 m een maat van 0,20 m. + +**5.** De stootbalk van aanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997, moet voldoen aan het bepaalde in het vierde lid, aanhef en onderdeel *b*. **6.** De stootbalk en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt. @@ -8809,7 +7489,7 @@ l. een markering aan de achterzijde van het voertuig, indien de toegestane maxim ### Artikel 5.12.53 -**1.** De stadslichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. +**1.** De stadslichten mogen niet anders dan wit stralen. **2.** De richtingaanwijzers en de remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen. @@ -8833,9 +7513,9 @@ l. een markering aan de achterzijde van het voertuig, indien de toegestane maxim **4.** Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. -**5.** De in artikel 5.12.51 bedoelde lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste een vierde deel zijn afgeschermd. +**5.** De in artikel 5.12.51 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen niet zijn afgeschermd. Het bepaalde in dit lid geldt niet voor aanhangwagens in gebruik genomen voor 1 januari 1970 voorzover de functie van de lichten en retroreflectoren niet wezenlijk wordt beïnvloed. -**6.** De in artikel 5.12.51 bedoelde retroreflectoren en de markering aan de achterzijde van het voertuig mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. +**6.** De in artikel 5.12.51 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. **7.** Onze Minister kan regels vaststellen omtrent het bepaalde in het tweede en derde lid. @@ -8855,29 +7535,13 @@ g. twee niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertu h. werklichten; i. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat: -1°. het midden van het lichtdoorlatende gedeelte zich bevindt in het middenlangsvlak van het voertuig of de rand van het lichtdoorlatende gedeelte op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf dit middenlangsvlak indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw kan worden bevestigd, en -2°. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.12.51, onderdeel d; -j. in afwijking van onderdeel i kunnen twee extra remlichten worden aangebracht; -k. een lampje aan de voorzijde van het voertuig dat de werking van het antiblokkeer- of besturingssysteem aangeeft. +1°. het midden van het lichtdoorlatende gedeelte zich bevindt in het middenlangsvlak van het voertuig of op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf dit middenlangsvlak, en +2°. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.12.51, onderdeel d. **2.** Lichten die ingevolge artikel 5.12.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in artikel 5.12.53 met betrekking tot die lichten, met uitzondering van markeringslichten en zijmarkeringslichten, gestelde eisen. Markeringslichten en zijmarkeringslichten moeten alsdan voldoen aan het bepaalde in de onderdelen d onderscheidenlijk e van het eerste lid. **3.** Aanhangwagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. -**4.** Aanhangwagens mogen zijn voorzien van een ambergele of witte lijnmarkering aan de zijkant van het voertuig of van een ambergele, witte of rode lijnmarkering aan de achterkant van het voertuig. - -**5.** Aanhangwagens mogen zijn voorzien van een ambergele of witte contourmarkering aan de zijkant van het voertuig of een ambergele, witte of rode contourmarkering aan de achterkant van het voertuig. Binnen de contourmarkering aan de zijkant van het voertuig mogen retroreflecterende letters of afbeeldingen zijn aangebracht, voorzover deze geen nadelige invloed hebben op de effectiviteit van de contourmarkering en de verplichte lichten en retroreflecterende voorzieningen. In ieder geval mogen de retroreflecterende letters of afbeeldingen niet meer dan 1/3 deel van de totale oppervlakte binnen de omtrek van de contourmarkering uitmaken. - -**6.** Ieder afzonderlijk deel van de lijn- en contourmarkering en van het materiaal voor de retroreflecterende letters of afbeeldingen binnen de contourmarkering is voorzien van een door Onze Minister vastgesteld goedkeuringsmerk. - -**7.** Bij regeling van Onze Minister worden voorschriften gesteld met betrekking tot de installatie van de lijn- en contourmarkering. - -### Artikel 5.12.57a - -**1.** Aanhangwagens in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de aanhangwagen herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. - -**2.** Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de uitvoering en de installatie van de in het eerste lid genoemde striping, letters, cijfers of tekens. - ### Artikel 5.12.59 **1.** De achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. @@ -8888,11 +7552,9 @@ k. een lampje aan de voorzijde van het voertuig dat de werking van het antiblokk **4.** Artikel 5.12.55, tweede, derde, vierde en zevende lid, is van toepassing. -**5.** Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen. - ### Artikel 5.12.61 -**1.** Bij aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.12.51 en 5.12.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover de aanhangwagen in gebruik is genomen na 31 december 1997. +**1.** Bij aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.12.51 en 5.12.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. **2.** In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, moeten de stadslichten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,15 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. @@ -8904,7 +7566,7 @@ Aanhangwagens mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwi ### Artikel 5.12.65 -Aanhangwagens mogen, onverminderd het bij of krachtens de artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.12.51 of 5.12.57 dan wel bij of krachtens artikel 5.12.57a is voorgeschreven of toegestaan. +Aanhangwagens mogen, onverminderd het in artikel 30 van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai- en knipperlichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.12.51 en 5.12.57 is voorgeschreven of toegestaan. #### Paragraaf 11. Verbinding tussen trekkend motorrijtuig en aanhangwagen @@ -8956,8 +7618,6 @@ b. moet de dikte van het trekoog ten minste 19 mm bedragen. **5.** Het trekoog mag niet zijn voorzien van een ingelaste trekoogbus. -**6.** Het trekoog mag niet zijn hersteld door middel van lassen of oplassen. - ### Artikel 5.12.69 **1.** @@ -9099,8 +7759,6 @@ Aanhangwagens moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een mogelijkheid tot b ### Artikel 5.13.51 -**1.** - Aanhangwagens moeten zijn voorzien van: a. twee stadslichten indien het voertuig breder is dan 1,60 m; @@ -9109,14 +7767,12 @@ c. twee achterlichten; d. twee remlichten; e. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat; f. twee driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; -g. met ingang van 1 juli 2006, één of twee mistlichten aan de achterzijde van het voertuig; in het geval van één mistlicht moet dit zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig; +g. met ingang van 1 januari 2005, één of twee mistlichten aan de achterzijde van het voertuig; in het geval van één mistlicht moet dit zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig; h. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; i. niet-driehoekige ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig; j. met ingang van 1 januari 2005, twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig breder is dan 2,10 m; k. met ingang van 1 januari 2005, zijmarkeringslichten indien het voertuig langer is dan 6,00 m, aangebracht overeenkomstig de door Onze Minister vastgestelde eisen. -**2.** Het eerste lid, onderdeel g, is niet van toepassing op een aanhangwagen die wordt getrokken door een voertuig dat niet is voorzien van één of twee mistlichten aan de achterzijde. - ### Artikel 5.13.53 **1.** De stadslichten mogen niet anders dan wit stralen. @@ -9240,12 +7896,6 @@ f. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat: **2.** Aanhangwagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. -### Artikel 5.13.57a - -**1.** Aanhangwagens in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de aanhangwagen herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. - -**2.** Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de uitvoering en de installatie van de in het eerste lid genoemde striping, letters, cijfers, tekens. - ### Artikel 5.13.59 **1.** De markeringslichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. @@ -9268,7 +7918,7 @@ Aanhangwagens mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwi ### Artikel 5.13.65 -Aanhangwagens mogen, onverminderd het bij of krachtens de artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.13.51 of 5.13.57 dan wel bij of krachtens artikel 5.13.57a is voorgeschreven of toegestaan +Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.13.51 en 5.13.57 zijn voorgeschreven of toegestaan. #### Paragraaf 11. Verbinding tussen trekkend motorrijtuig en aanhangwagen @@ -9293,7 +7943,7 @@ Indien de aanhangwagen is voorzien van een kogelkoppeling, a. moet de sluit- en borginrichting goed functioneren; b. mogen de onderdelen niet zijn vervormd. -### Afdeling 14. Aanhangwagens achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid +### Afdeling 14. Aanhangwagens achter landbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid #### Paragraaf 1. Algemene bouwwijze van het voertuig @@ -9370,16 +8020,18 @@ c. niet hoger zijn dan 4,00 m. **1.** Aanhangwagens met een massa van meer dan 3500 kg moeten zijn voorzien van een goed werkende bedrijfsrem. -**2.** +**2.** Aanhangwagens met een massa van meer dan 750 kg moeten met ingang van 1 januari 2005 zijn voorzien van een goed werkende bedrijfsrem. -De onderdelen van de in het eerste bedoelde reminrichting moeten: +**3.** + +De onderdelen van de in het eerste en tweede lid bedoelde reminrichting moeten: a. deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; c. niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen. -**3.** +**4.** Remslangen mogen: @@ -9387,11 +8039,11 @@ a. niet in ernstige mate zijn misvormd; b. niet langs andere voertuigdelen schuren; c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. -**4.** De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van remvoering. +**5.** De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van remvoering. -**5.** De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. +**6.** De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. -**6.** Indien de oplooprem is voorzien van een automatische blokkering ten behoeve van het achteruitrijden, moet deze goed functioneren. +**7.** Indien de oplooprem is voorzien van een automatische blokkering ten behoeve van het achteruitrijden, moet deze goed functioneren. #### Paragraaf 9. Carrosserie @@ -9573,7 +8225,7 @@ Aanhangwagens mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwi ### Artikel 5.14.65 -Aanhangwagens mogen, onverminderd het in artikel 30 van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai-, knipper- en flitslichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.14.51 en 5.14.57 is voorgeschreven of toegestaan. +Aanhangwagens mogen, onverminderd het in artikel 30 van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai- en knipperlichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.14.51 en 5.14.57 is voorgeschreven of toegestaan. #### Paragraaf 11. Verbinding tussen trekkend motorrijtuig en aanhangwagen @@ -9681,7 +8333,7 @@ De sloten en de scharnieren van de deuren en laadbakkleppen van aanhangwagens mo ### Artikel 5.15.50 -Aanhangwagens achter een motorfiets of bromfiets moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een mogelijkheid tot bevestiging van een kentekenplaat. +Aanhangwagens achter een motorfiets moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een mogelijkheid tot bevestiging van een kentekenplaat. #### Paragraaf 10. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen @@ -9704,8 +8356,7 @@ Aanhangwagens achter een bromfiets moeten zijn voorzien van: a. één of twee achterlichten; b. twee niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; -c. ten minste één niet-driehoekige ambergele retroreflector aan elke zijkant van het voertuig; -d. een installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat. +c. ten minste één niet-driehoekige ambergele retroreflector aan elke zijkant van het voertuig. ### Artikel 5.15.53 @@ -10008,7 +8659,7 @@ Wagens mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieni **4.** Met een motorfiets met zijspanwagen mag geen aanhangwagen worden voortbewogen, tenzij het wiel van de zijspanwagen is beremd. -**5.** Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid. +**5.** Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op landbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid. ### Artikel 5.18.2 @@ -10020,9 +8671,7 @@ Wagens mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieni ### Artikel 5.18.3 -**1.** De bestuurder mag bij het besturen van het voertuig niet door passagiers, lading of op andere wijze worden gehinderd. - -**2.** In een voertuig waarin vervoer van een passagier in een rolstoel plaatsvindt, zijn geen losse voorwerpen aanwezig die het risico op letsel bij een noodstop, een aanrijding of een botsing kunnen verhogen. +De bestuurder mag bij het besturen van het voertuig niet door passagiers, lading of op andere wijze worden gehinderd. ### Artikel 5.18.4 @@ -10077,7 +8726,7 @@ Opklapbare delen aan de buitenzijde van voertuigen moeten tijdens het transport ### Artikel 5.18.10 -**1.** Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg afkomstig uit een land waar voor deze aanhangwagens geen afzonderlijk kenteken is opgegeven, moeten indien zij zijn gekoppeld aan een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, zijn voorzien van het kenteken van het trekkend motorrijtuig. +**1.** Aanhangwagens moeten, indien zij zijn gekoppeld aan een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, zijn voorzien van het kenteken van het trekkend motorrijtuig. **2.** De kentekenplaat moet zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moet deugdelijk aan de achterzijde van de aanhangwagen zijn bevestigd. @@ -10105,9 +8754,7 @@ c. de afstand tussen het voorste punt aan de buitenzijde van de laadruimte achte **5.** De lengte van een samenstel van voertuigen, zijnde kermis- of circusvoertuigen, mag niet meer bedragen dan 24,00 m. -**6.** In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, mag de lengte van een samenstel van rijdend werktuig en aanhangwagen niet meer bedragen dan 20,00 m. - -**7.** In de afmetingen, bedoeld in het eerste en het tweede lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren begrepen. +**6.** In de afmetingen, bedoeld in het eerste en het tweede lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren begrepen. ### Artikel 5.18.12 @@ -10119,21 +8766,19 @@ a. de lading niet meer dan 1,00 m achter het voertuig mag uitsteken; b. de lading niet meer dan 5,00 m achter de achterste as van het voertuig mag uitsteken; c. in afwijking van het bepaalde in de artikelen 5.3.49 en 5.12.49, een stootbalk moet zijn aangebracht op niet meer dan 0,60 m voor de uiterste achterzijde van de uitstekende lading indien de afstand van de onderzijde van de lading tot het wegdek meer bedraagt dan 0,55 m; d. de lading niet voor het voertuig mag uitsteken. -e. het zicht op de verlichting, de retroreflectoren, de richtingaanwijzers of de kentekenplaat aan de achterzijde van het voertuig niet mag worden belemmerd. +e. het zicht op de verlichting, de reflectoren, de richtingaanwijzers of de kentekenplaat aan de achterzijde van het voertuig niet mag worden belemmerd. **2.** Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van voertuigen, zijnde kermis- of circusvoertuigen. **3.** Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing op voertuigen of samenstellen van voertuigen die in gebruik zijn genomen na 30 juni 1967 en voor 1 januari 1996. -**4.** Het eerste lid, onderdeel e, is niet van toepassing indien aan de achterzijde van de uitstekende lading op gelijke wijze als op het betrokken voertuig zijn aangebracht verlichting, retroreflectoren, richtingaanwijzers of de kentekenplaat van dat voertuig. +**4.** Het eerste lid, onderdeel e, is niet van toepassing indien aan de achterzijde van de uitstekende lading op gelijke wijze als op het betrokken voertuig zijn aangebracht verlichting, reflectoren, richtingaanwijzers of de kentekenplaat van dat voertuig. **5.** De in het eerste lid onder *a* bedoelde lengtevermeerdering van 1,00 m mag alleen worden veroorzaakt door de lading en door een uitschuiflade of laadklep ter ondersteuning van de lading of door een uitschuifbare stootbalk. Lading mag niet uitsluitend op de uitschuiflade of op de laadklep rusten. -**6.** In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder a, mag een meeneemheftruck bevestigd aan de achterzijde van een voertuig, dat is ingericht voor het vervoer van goederen, meer dan 1,00 m doch niet meer dan 1,20 m achter het voertuig uitsteken. - ### Artikel 5.18.12a -Indien een op een voertuig gemonteerde afneembare bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur aan de achterzijde van dat voertuig uitsteekt en daardoor het zicht op de verlichting, de retroreflectoren, de richtingaanwijzers of de kentekenplaat aldaar belemmert, dient deze afneembare bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur aan de achterzijde op gelijke wijze als het betrokken voertuig te zijn voorzien van verlichting, retroreflectoren, richtingaanwijzers of de kentekenplaat van dat voertuig. +Indien een op een voertuig gemonteerde afneembare bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur aan de achterzijde van dat voertuig uitsteekt en daardoor het zicht op de verlichting, de reflectoren, de richtingaanwijzers of de kentekenplaat aldaar belemmert, dient deze afneembare bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur aan de achterzijde op gelijke wijze als het betrokken voertuig te zijn voorzien van verlichting, reflectoren, richtingaanwijzers of de kentekenplaat van dat voertuig. ### Artikel 5.18.13 @@ -10151,7 +8796,7 @@ b. onverminderd het gestelde in onderdeel *a*, de lengte van een beladen samenst **2.** -In afwijking van het bepaalde in artikel 5.18.12 mag de lengte van een beladen samenstel van bedrijfsauto en aanhangwagen, niet zijnde een oplegger, dat is ingericht voor het vervoer van voertuigen, meer bedragen dan ingevolge artikel 5.18.12 is toegestaan doch niet meer dan 20,75 m, waarbij: +In afwijking van het bepaalde in artikel 5.18.12 mag de lengte van een beladen samenstel van bedrijfsauto en aanhangwagen, niet zijnde een oplegger, dat wordt gebruikt voor het vervoer van voertuigen, meer bedragen dan ingevolge artikel 5.18.12 is toegestaan doch niet meer dan 20,00 m, waarbij: 1°. de lading niet meer dan 2,00 m achter de aanhangwagen en niet meer dan 5,00 m achter de achterste as van de aanhangwagen mag uitsteken; 2°. de lading niet meer dan 0,50 m voor de voorzijde van de bedrijfsauto mag uitsteken; @@ -10181,13 +8826,13 @@ De hoogte van personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen a **2.** Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing indien het een oplegger betreft waarvan het laadvlak zich geheel of grotendeels op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte als of lager dan de assen boven het wegdek bevindt, de oplegger wordt gebruikt voor het vervoer van ondeelbare lading en de oplegger vóór 1 april 1983 in gebruik is genomen. -**3.** Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van kermis- en circusvoertuigen, rijdende werktuigen en samenstellen van rijdende werktuigen en aanhangwagens. +**3.** Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van kermis- en circusvoertuigen. **4.** Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van trekker en oplegger als bedoeld in artikel 5.18.13, eerste lid, onderdeel b. ### Artikel 5.18.17 -**1.** Voertuigen mogen niet zodanig zijn beladen dat de toegestane maximum last van enige as of asstel, de maximum last onder de koppeling, dan wel de toegestane maximum massa van het voertuig wordt overschreden of de som van de aslasten, uitgezonderd de aslasten van niet autonome aanhangwagens, meer bedraagt dan de toegestane maximum massa. +**1.** Voertuigen mogen niet zodanig zijn beladen dat de toegestane maximum last van enige as of asstel, de maximum last onder de koppeling, dan wel de toegestane maximum massa van het voertuig wordt overschreden. **2.** Indien van een aanhangwagen met toepassing van dit besluit de waarden, bedoeld in het eerste lid, niet kunnen worden vastgesteld, geldt voor deze aanhangwagen een toegestane maximum massa van 750 kg. @@ -10195,21 +8840,21 @@ De hoogte van personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen a **1.** -Onverminderd artikel 5.12.7 mag de totale massa van aanhangwagens of de som van de aslasten van autonome aanhangwagens niet meer bedragen dan de in het kentekenregister of op het kentekenbewijs van het trekkend motorrijtuig vermelde toegestane maximum te trekken massa. De totale massa van aanhangwagens die worden voortbewogen door personenauto’s, bedrijfsauto’s of driewielige motorrijtuigen, waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 3500 kg, mag tevens niet meer bedragen dan de maximum massa die volgt uit het op de koppeling van het trekkend voertuig aangebrachte identificatiekenmerk of goedkeuringsmerk. Indien de koppeling daaromtrent geen gegevens vermeldt, mag de totale massa van de aanhangwagen niet meer bedragen dan 750 kg en niet meer dan: +Onverminderd het bepaalde in artikel 5.12.7 mag de totale massa van aanhangwagens niet meer bedragen dan in het kentekenregister of op het kentekenbewijs van het trekkend motorrijtuig is vermeld. De totale massa van aanhangwagens die worden voortbewogen door personenauto’s, bedrijfsauto’s of driewielige motorrijtuigen, waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 3500 kg, mag tevens niet meer bedragen dan de maximum massa die volgt uit het op de koppeling van het trekkend voertuig aangebrachte identificatiekenmerk of goedkeuringsmerk. Indien de koppeling daaromtrent geen gegevens vermeldt, mag de totale massa van de aanhangwagen niet meer bedragen dan 750 kg en niet meer dan: a. de ledige massa van het trekkend motorrijtuig, of b. de massa in bedrijfsklare toestand van het trekkend motorrijtuig. **2.** -De totale massa of de som van de aslasten van samenstellen van voertuigen mag niet meer bedragen dan: +De totale massa van samenstellen van voertuigen mag niet meer bedragen dan: a. de voor het samenstel van voertuigen in het kentekenregister vermelde toegestane maximum massa; b. vijf maal de toegestane maximum last onder de aangedreven as of assen van het trekkend motorrijtuig. -In elk geval mag de totale massa of de som van de aslasten van voertuigen of samenstellen van voertuigen, niet zijnde rijdende werktuigen, niet meer bedragen dan 50 000 kg en mag de totale massa of de som van de aslasten van rijdende werktuigen of samenstellen van rijdende werktuigen en aanhangwagens niet meer bedragen dan 60 000 kg. +In elk geval mag de totale massa van voertuigen of samenstellen van voertuigen, niet zijnde rijdende werktuigen, niet meer bedragen dan 50 000 kg en mag de totale massa van rijdende werktuigen niet meer bedragen dan 60 000 kg. -**3.** De last onder de bestuurde as of assen van motorrijtuigen in beladen toestand mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van het voertuig in beladen toestand. Indien het een gelede bus betreft, mag bedoelde last niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van het voorste deel van het motorrijtuig in beladen toestand. +**3.** De last onder de bestuurde as of assen van motorrijtuigen in beladen toestand mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van het voertuig in beladen toestand. Indien het een geleed motorrijtuig betreft, mag bedoelde last niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van het voorste deel van het motorrijtuig in beladen toestand. **4.** De last onder de gestuurde as of assen, niet zijnde zelfsturende assen, van autonome aanhangwagens in beladen toestand, mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van de aanhangwagen in beladen toestand. @@ -10231,7 +8876,7 @@ b. de laagste waarde van: 1°. de door de fabrikant bepaalde technisch toelaatbare getrokken maximum massa gebaseerd op de constructie van het trekkende voertuig of op de sterkte van de mechanische koppelinrichting, 2°. de toegestane maximum massa van het trekkende voertuig. -In elk geval mag de massa van aanhangwagens of de som van de aslasten van autonome aanhangwagens niet meer bedragen dan 3500 kg. +In elk geval mag de massa niet meer bedragen dan 3500 kg. **2.** @@ -10243,9 +8888,9 @@ b. de laagste waarde van: 1°. de door de fabrikant bepaalde technisch toelaatbare getrokken maximum massa van het trekkende voertuig, 2°. de helft van de massa van het trekkende voertuig in bedrijfsklare toestand. -In elk geval mag de massa van aanhangwagens of de som van de aslasten van autonome aanhangwagens niet meer bedragen dan 750 kg. +In elk geval mag de massa niet meer bedragen dan 750 kg. -**3.** De massa van aanhangwagens of de som van de aslasten van autonome aanhangwagens achter driewielige motorrijtuigen mag niet meer bedragen dan de in het kentekenregister of op het kentekenbewijs van het trekkend motorrijtuig vermelde toegestane maximum massa. In afwijking van artikel 1.1, onderdeel ad, wordt bij het bepalen van de ledige massa de massa van de brandstof of de massa van de batterijen in elektrische voertuigen buiten beschouwing gelaten. +**3.** De massa van aanhangwagens achter driewielige motorrijtuigen mag niet meer bedragen dan in het kentekenregister of op het kentekenbewijs van het trekkende voertuig is vermeld, en in elk geval niet meer dan de helft van de ledige massa van het trekkende voertuig. In afwijking van artikel 1.1, onderdeel ad, wordt bij het bepalen van de ledige massa de massa van de brandstof of de massa van de batterijen in elektrische voertuigen buiten beschouwing gelaten. ##### Paragraaf B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens @@ -10258,17 +8903,17 @@ b. de hoogte van het voertuig mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen c. de totale massa van het voertuig mag niet meer bedragen dan de helft van de ledige massa van de trekkende motorfiets; d. de afstand van de achteras van de trekkende motorfiets tot de achterzijde van de aanhangwagen met inbegrip van de lading mag niet meer bedragen dan 2,50 m. -##### Paragraaf C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens +##### Paragraaf C. Landbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens ### Artikel 5.18.20 -De lengte van samenstellen van landbouw- of bosbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens in onbeladen toestand mag niet meer bedragen dan 18,00 m. +De lengte van samenstellen van landbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens in onbeladen toestand mag niet meer bedragen dan 18,00 m. ### Artikel 5.18.21 **1.** -De lengte van een landbouw- of bosbouwtrekker, een motorrijtuig met beperkte snelheid of een samenstel van landbouw- of bosbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan de lengte van dat voertuig of samenstel van voertuigen in onbeladen toestand, vermeerderd met 1,00 m waarbij: +De lengte van een landbouwtrekker, een motorrijtuig met beperkte snelheid of een samenstel van landbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan de lengte van dat voertuig of samenstel van voertuigen in onbeladen toestand, vermeerderd met 1,00 m waarbij: a. de lading niet meer dan 1,00 m achter het voertuig mag uitsteken; b. de lading niet meer dan 5,00 m achter de achterste as van het voertuig mag uitsteken; @@ -10276,7 +8921,7 @@ c. de lading niet voor het voertuig mag uitsteken. **2.** -In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag bij het vervoer van lading die redelijkerwijs niet in de lengte deelbaar is, met uitzondering van afzetbakken, wissellaadbakken en containers, de lengte van een landbouw- of bosbouwtrekker, een motorrijtuig met beperkte snelheid, of een samenstel van landbouw- of bosbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens met inbegrip van de lading meer bedragen dan ingevolge het eerste lid is toegestaan waarbij: +In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag bij het vervoer van lading die redelijkerwijs niet in de lengte deelbaar is, met uitzondering van afzetbakken, wissellaadbakken en containers, de lengte van een landbouwtrekker, een motorrijtuig met beperkte snelheid, of een samenstel van landbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens met inbegrip van de lading meer bedragen dan ingevolge het eerste lid is toegestaan waarbij: 1°. de lading niet meer dan 5,00 m achter de achterste as van het voertuig mag uitsteken; 2°. de lading niet meer dan 3,50 m voor het hart van het stuurwiel van het voertuig mag uitsteken; @@ -10286,42 +8931,27 @@ In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag bij het vervoer van lading d ### Artikel 5.18.22 -**1.** De breedte van landbouw- of bosbouwtrekkers of motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 3,00 m. Indien de lading bestaat uit losse veldgewassen mag de breedte van de lading niet meer dan 3,50 m bedragen. +**1.** De breedte van landbouwtrekkers of motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 3,00 m. Indien de lading bestaat uit losse veldgewassen mag de breedte van de lading niet meer dan 3,50 m bedragen. **2.** Op onverharde wegen mag de breedte van walsen, met inbegrip van de lading, niet meer dan 2,60 m bedragen. ### Artikel 5.18.23 -De hoogte van landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 4,00 m. +De hoogte van landbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 4,00 m. ### Artikel 5.18.24 -**1.** De last onder de bestuurde as of assen van landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de ledige massa van het voertuig. +**1.** De last onder de bestuurde as of assen van landbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de ledige massa van het voertuig. -**2.** De last onder de gestuurde as of assen, niet zijnde zelfsturende assen, van door landbouw- of bosbouwtrekkers of door motorrijtuigen met beperkte snelheid voortbewogen autonome aanhangwagens in beladen toestand, mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van de aanhangwagen in beladen toestand. +**2.** De last onder de gestuurde as of assen, niet zijnde zelfsturende assen, van door landbouwtrekkers of door motorrijtuigen met beperkte snelheid voortbewogen autonome aanhangwagens in beladen toestand, mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van de aanhangwagen in beladen toestand. **3.** Op onverharde wegen en wegen die zijn voorzien van een klinkerverharding, mag de totale massa van walsen niet meer dan 8000 kg bedragen. -**4.** Op onverharde wegen mag de last onder enig wiel van landbouw- of bosbouwtrekkers of motorrijtuigen met beperkte snelheid niet meer dan 2400 kg bedragen. +**4.** Op onverharde wegen mag de last onder enig wiel van landbouwtrekkers of motorrijtuigen met beperkte snelheid niet meer dan 2400 kg bedragen. ### Artikel 5.18.25 -**1.** De totale massa van samenstellen van landbouw- of bosbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens mag in beladen toestand niet meer bedragen dan 50 000 kg. - -**2.** - -De last onder enige as van samenstellen van landbouw- of bosbouwtrekkers en één of meer aanhangwagens mag in beladen toestand niet meer bedragen dan: - -a. 11.500 kg voor een aangedreven as, en -b. 10.000 kg voor een niet aangedreven as. - -**3.** De last onder enige as van samenstellen van motorrijtuigen met beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens mag in beladen toestand niet meer bedragen dan 10.000 kg. - -**4.** De som van de aslasten van samenstellen van landbouw- of bosbouwtrekkers of motorrijtuigen met beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens mag in beladen toestand niet meer bedragen dan 50.000 kg. - -### Artikel 5.18.25a - -Indien met een motorrijtuig met beperkte snelheid dat een combinatie vormt met één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel ap, onder b, geen passagiers in de aanhangwagens worden vervoerd mag in het motorrijtuig slechts één passagier worden vervoerd. +De totale massa van samenstellen van landbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens mag in beladen toestand niet meer bedragen dan 50 000 kg. ##### Paragraaf D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens @@ -10372,7 +9002,7 @@ Aanhangwagens achter fietsen mogen in aangekoppelde toestand met inbegrip van de Middenasaanhangwagens moeten in aangekoppelde toestand voldoen aan de volgende eisen: -a. de som van de aslasten van een middenasaanhangwagen met een toegestane maximum massa van meer dan 12 000 kg mag niet meer bedragen dan 1,5 maal de som van de aslasten van het trekkend motorrijtuig; +a. de som van de aslasten van een middenasaanhangwagen met een toegestane maximum massa van meer dan 12 000 kg mag niet meer bedragen dan de som van de aslasten van het trekkend motorrijtuig; b. de last onder de koppeling van een middenasaanhangwagen met een massa van niet meer dan 750 kg mag alleen in neerwaartse richting zijn gericht en mag niet meer dan 50 kg bedragen; c. de last onder de koppeling van een middenasaanhangwagen met een toegestane maximum massa van meer dan 750 kg mag niet minder bedragen dan 1% van de toegestane maximum massa van het voertuig, doch behoeft niet meer dan 50 kg te bedragen. @@ -10411,13 +9041,11 @@ b. 750 kg. **2.** Indien de aanhangwagen is voorzien van een losbreekreminrichting, moet deze zodanig met een vast deel van het trekkend voertuig of met een daartoe bestemde inrichting aan de trekhaak daarvan zijn verbonden, dat de inrichting slechts in werking treedt na het losraken van de aanhangwagenkoppeling. -**3.** Indien zowel het trekkend voertuig als de aanhangwagen zijn voorzien van een ABS- of EBS-systeem moeten de daartoe bestemde ISO 7638 stekkers op beide voertuigen met elkaar verbonden worden. - ### Artikel 5.18.35 **1.** De remvertraging van de bedrijfsrem van samenstellen van trekkend voertuig en aanhangwagen moet ten minste 4,0 m/s2 bedragen. -**2.** In afwijking van het eerste lid moet de remvertraging van de bedrijfsrem van samenstellen van landbouw- of bosbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen voldoen aan de eisen die aan de remvertraging van het trekkend voertuig worden gesteld in de op die categorie voertuigen betrekking hebbende afdeling van dit hoofdstuk. +**2.** In afwijking van het eerste lid moet de remvertraging van de bedrijfsrem van samenstellen van landbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen voldoen aan de eisen die aan de remvertraging van het trekkend voertuig worden gesteld in de op die categorie voertuigen betrekking hebbende afdeling van dit hoofdstuk. ### Artikel 5.18.36 @@ -10425,15 +9053,11 @@ De parkeerrem van het trekkend motorrijtuig van een samenstel van motorrijtuig e #### Paragraaf 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen -##### Paragraaf A. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen +##### Paragraaf A. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouwtrekker en aanhangwagen ### Artikel 5.18.37 -Indien met een personenauto, bedrijfsauto, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid of landbouw- of bosbouwtrekker een aanhangwagen wordt voortbewogen, moet het trekkend voertuig zijn voorzien van één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig. - -### Artikel 5.18.37a - -Indien een aanhangwagen wordt voortbewogen door een personenauto of bedrijfsauto die is voorzien van één of twee mistlichten, behoeven alleen de één of twee mistlichten op de aanhangwagen te branden, mits de bediening van de mistlichten op het trekkende voertuig en de aanhangwagen via een schakelaar in het trekkende voertuig plaatsvindt. +Indien met een personenauto, bedrijfsauto, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid of landbouwtrekker een aanhangwagen wordt voortbewogen, moet het trekkend voertuig zijn voorzien van één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig. ##### Paragraaf B. Aanhangwagens @@ -10445,19 +9069,38 @@ De verlichtingsinstallatie van aanhangwagens moet zodanig op die van het trekken ### Artikel 5.18.39 -Vervallen +**1.** Fietsen die bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, worden gebruikt, moeten zijn voorzien van verlichting overeenkomstig het tweede tot en met het vierde lid. + +**2.** Fietsen op twee wielen en fietsen op drie wielen met één voorwiel moeten zijn voorzien van een licht aan de voorzijde. + +**3.** Fietsen op meer dan twee wielen met twee voorwielen moeten zijn voorzien van twee lichten aan de voorzijde. + +**4.** Fietsen moeten zijn voorzien van een achterlicht dat is voorzien van een door Onze Minister bekendgemaakt goedkeuringsmerk. ### Artikel 5.18.40 -Vervallen +**1.** De in artikel 5.18.39 bedoelde lichten moeten goed werken. + +**2.** De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. + +**3.** De glazen van de verlichtingsarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst dan wel de functie nadelig wordt benvloed. + +**4.** Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten op gelijke hoogte symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. + +**5.** De in artikel 5.18.39 bedoelde lichten mogen niet zijn afgeschermd. ### Artikel 5.18.41 -Vervallen +**1.** Het licht aan de voorzijde mag niet anders dan wit of geel stralen. + +**2.** Het achterlicht mag niet anders dan rood stralen. ### Artikel 5.18.42 -Vervallen +Het achterlicht moet: + +a. indien de fiets is voorzien van één achterwiel, in het midden van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek; +b. indien de fiets is voorzien van twee achterwielen of is verbonden met een zijspanwagen, aan de uiterste linkerzijde van de fiets zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. ##### Paragraaf D. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie @@ -10640,7 +9283,7 @@ c. aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, zijn voo **2.** In geval van wijziging van de constructie van een personenauto of bedrijfsauto naar kampeerauto blijft het voertuig behoren tot de oorspronkelijke categorie. -**3.** Het voertuig moet, onverminderd het bepaalde in artikel 6.2, tweede lid, voldoen aan de in de Regeling eisen individuele goedkeuring voor de nieuwe categorie opgenomen eisen zoals die golden ten tijde van de ingebruikname van het voertuig in de oorspronkelijke categorie. +**3.** Het voertuig moet, onverminderd het bepaalde in artikel 6.2, tweede lid, voldoen aan de in de hoofdstukken 3 en 5 voor de nieuwe categorie opgenomen eisen zoals die golden ten tijde van de ingebruikname van het voertuig in de oorspronkelijke categorie. ### Paragraaf 2. Eisen wijziging in de constructie @@ -10648,14 +9291,14 @@ c. aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, zijn voo **1.** -Bij wijziging van de inrichting, zoals vermeld op het kentekenbewijs dan wel in het kentekenregister, van voertuigen, niet zijnde motorfietsen, welke geen volledig dragend chassis hebben alsmede bij wijziging van een enkele cabine naar een dubbele cabine dan wel van een dubbele naar een enkele cabine, moet het voertuig voldoen aan: +Bij wijziging van de inrichting, zoals vermeld op het kentekenbewijs dan wel in het kentekenregister, van voertuigen welke geen volledig dragend chassis hebben, moet het voertuig voldoen aan: -a. de in de Regeling eisen individuele goedkeuring voor de betrokken voertuigcategorie opgenomen eisen, en +a. de in de hoofdstukken 3 en 5 voor de betrokken voertuigcategorie opgenomen eisen, en b. de door Onze Minister vastgestelde eisen met betrekking tot stijfheid en deugdelijkheid van de constructie alsmede weggedrag. **2.** -Bij wijziging van de inrichting, zoals vermeld op het kentekenbewijs dan wel in het kentekenregister, van voertuigen met een volledig dragend chassis, moet het voertuig voldoen aan de in de Regeling eisen individuele goedkeuring opgenomen eisen omtrent: +Bij wijziging van de inrichting, zoals vermeld op het kentekenbewijs dan wel in het kentekenregister, van voertuigen met een volledig dragend chassis, moet het voertuig voldoen aan de in de hoofdstukken 3 en 5 opgenomen eisen omtrent: a. algemeen, b. algemene bouwwijze van het voertuig, @@ -10667,7 +9310,7 @@ g. verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen. **3.** -Bij wijziging van de carrosserie ten behoeve van het gebruik door gehandicapten of het vervoer van gehandicapten moet het voertuig voldoen aan de in de Regeling eisen individuele goedkeuring opgenomen eisen omtrent algemeen, carrosserie, motor, ophanging en remmen, met uitzondering van de eisen betreffende: +Bij wijziging van de carrosserie ten behoeve van het gebruik door gehandicapten of het vervoer van gehandicapten moet het voertuig voldoen aan de in de hoofdstukken 3 en 5 opgenomen eisen, met uitzondering van de eisen betreffende: a. de constructie, plaatsing, verstelbaarheid, afmetingen en het gezichtsveld van spiegels, b. de inrichting, de sterkte en de bevestiging van naar voren gerichte zitplaatsen, @@ -10679,18 +9322,9 @@ voor zover noodzakelijk voor het gebruik door of het vervoer van een gehandicapt alsmede de door Onze Minister vastgestelde eisen met betrekking tot stijfheid en deugdelijkheid van de constructie alsmede het weggedrag. -**4.** In afwijking van het derde lid, zijn bij een wijziging van de carrosserie ten behoeve van het gebruik door gehandicapten of het vervoer van gehandicapten, de in de Regeling eisen individuele goedkeuring opgenomen eisen omtrent de onderdelen b, d en e, van het derde lid, wel van toepassing op bussen die na 12 februari 2004 in gebruik zijn genomen. - -**5.** - -Bij wijziging van het voertuig dat in gebruik is genomen na 31 mei 2004, zodanig dat het aantal zitplaatsen als vermeld op het kentekenbewijs dan wel in het kentekenregister wordt overschreden, moet het voertuig voldoen aan de in de Regeling eisen individuele goedkeuring opgenomen eisen omtrent: - -a. algemeen, en -b. carrosserie. - ### Artikel 6.5 -Bij wijziging van de wielbasis van een personenauto, bedrijfsauto, driewielig motorrijtuig, motorfiets of aanhangwagen met meer dan 1%, in het geval van een motorfiets of een driewielig motorrijtuig met kettingaandrijving zodanig dat deze meer dan 60 mm afwijkt, van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs dan wel in het kentekenregister, moet het voertuig voldoen aan de in de Regeling eisen individuele goedkeuring opgenomen eisen omtrent: +Bij wijziging van de wielbasis van een personenauto, bedrijfsauto, motorfiets of aanhangwagen met meer dan 1,0%, in het geval van een motorfiets zodanig dat deze meer dan 60 mm afwijkt, van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs dan wel in het kentekenregister, moet het voertuig voldoen aan de in de hoofdstukken 3 en 5 opgenomen eisen omtrent: a. algemeen, b. algemene bouwwijze van het voertuig, @@ -10703,7 +9337,7 @@ h. verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, alsmede de do ### Artikel 6.6 -Bij wijziging van de afstand tussen het hart van de koppeling en de voorzijde van een bedrijfsauto met een maximum toegestane massa van meer dan 3500 kg of de afstand tussen het hart van de koppeling en de achterzijde van een aanhangwagen moet het voertuig voldoen aan de in de Regeling eisen individuele goedkeuring opgenomen eisen omtrent: +Bij wijziging van de afstand tussen het hart van de koppeling en de voorzijde van een bedrijfsauto met een maximum toegestane massa van meer dan 3500 kg of de afstand tussen het hart van de koppeling en de achterzijde van een aanhangwagen moet het voertuig voldoen aan de in de hoofdstukken 3 en 5 opgenomen eisen omtrent: a. algemeen, b. algemene bouwwijze van het voertuig, @@ -10716,7 +9350,7 @@ f. verbinding tussen motorrijtuig en aanhangwagen. **1.** -Bij vervanging van de motor door een motor met een andere motorcode dan vermeld in het kentekenregister, dan wel wijziging van de motorbrandstof van het voertuig, anders dan in- of uitbouw van een brandstofsysteem voor al of niet tot vloeistof verdicht gas, moet het voertuig voldoen aan de in de Regeling eisen individuele goedkeuring opgenomen eisen omtrent: +Bij vervanging van de motor door een motor met een andere motorcode dan vermeld in het kentekenregister, dan wel wijziging van de motorbrandstof van het voertuig, anders dan in- of uitbouw van een brandstofsysteem voor al of niet tot vloeistof verdicht gas, moet het voertuig voldoen aan de in de hoofdstukken 3 en 5 opgenomen eisen omtrent: a. algemeen, b. afmetingen en massa’s, @@ -10729,7 +9363,7 @@ h. verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen. **2.** -Bij wijziging van de motorbrandstof van het voertuig in een al of niet tot vloeistof verdicht gas moet het voertuig voldoen aan de in de Regeling eisen individuele goedkeuring opgenomen eisen omtrent: +Bij wijziging van de motorbrandstof van het voertuig in een al of niet tot vloeistof verdicht gas moet het voertuig voldoen aan de in de hoofdstukken 3 en 5 opgenomen eisen omtrent: a. algemeen, b. afmetingen en massa’s, @@ -10740,7 +9374,7 @@ d. verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen. ### Artikel 6.8 -Bij wijziging van het aantal assen moet het voertuig voldoen aan de in de Regeling eisen individuele goedkeuring opgenomen eisen omtrent: +Bij wijziging van het aantal assen moet het voertuig voldoen aan de in de hoofdstukken 3 en 5 opgenomen eisen omtrent: a. algemeen, b. algemene bouwwijze van het voertuig, @@ -10753,7 +9387,7 @@ h. carrosserie voor zover het betreft de bescherming aan de achterzijde, wielafs ### Artikel 6.9 -Bij vergroting van de spoorbreedte van personenauto’s en van bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, met meer dan 2% van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs dan wel in het kentekenregister, moet het voertuig voldoen aan de in de Regeling eisen individuele goedkeuring opgenomen eisen omtrent: +Bij vergroting van de spoorbreedte van personenauto’s en van bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, met meer dan 2% van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs dan wel in het kentekenregister, moet het voertuig voldoen aan de in de hoofdstukken 3 en 5 opgenomen eisen omtrent: a. algemeen, b. afmetingen en massa’s, @@ -10768,17 +9402,17 @@ alsmede aan de door Onze Minister vastgestelde eisen met betrekking tot de stijf ### Artikel 6.10 -Bij wijziging van het remsysteem ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte, moet het voertuig voldoen aan de in de Regeling individuele goedkeuring opgenomen eisen omtrent algemeen en aan de in de Regeling eisen individuele goedkeuring opgenomen eisen omtrent de reminrichting, met uitzondering van richtlijn 71/320/EEG en richtlijn 93/14/EEG voor zover dit noodzakelijk is ten behoeve van de bediening van het remsysteem door een gehandicapte. +Bij wijziging van het remsysteem ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte, moet het voertuig voldoen aan de in de hoofdstukken 3 en 5 opgenomen eisen omtrent de reminrichting, met uitzondering van richtlijn 71/320/EEG (*PbEG* 6 september 1971, L 202) voor zover dit noodzakelijk is ten behoeve van de bediening van het remsysteem door een gehandicapte. ### Artikel 6.11 -Bij wijziging van de stuurinrichting ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte, moet het voertuig, niet zijnde een motorfiets, bromfiets of driewielig motorrijtuig, voldoen aan de in de Regeling individuele goedkeuring opgenomen eisen omtrent algemeen en aan de in de Regeling eisen individuele goedkeuring opgenomen eisen omtrent de stuurinrichting, met uitzondering van richtlijn 70/311/EEG voor zover dit noodzakelijk is ten behoeve van de bediening van de stuurinrichting door een gehandicapte. +Bij wijziging van de stuurinrichting ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte, moet het voertuig voldoen aan de in de hoofdstukken 3 en 5 opgenomen eisen omtrent de stuurinrichting, met uitzondering van richtlijn 70/311/EEG (*PbEG* 17 juni 1970, L 133) voor zover dit noodzakelijk is ten behoeve van de bediening van de stuurinrichting door een gehandicapte. ### Artikel 6.12 **1.** -Indien een koppelinrichting van een bedrijfsauto, welke koppeling is bestemd voor het voortbewegen van een aanhangwagen met een toegestane maximum massa van meer dan 750 kg, wordt aangebracht, moet het voertuig voldoen aan de in de Regeling eisen individuele goedkeuring opgenomen eisen omtrent: +Indien een koppelinrichting van een bedrijfsauto, welke koppeling is bestemd voor het voortbewegen van een aanhangwagen met een toegestane maximum massa van meer dan 750 kg, wordt aangebracht, moet het voertuig voldoen aan de in de hoofdstukken 3 en 5 opgenomen eisen omtrent: a. algemeen, b. algemene bouwwijze van het voertuig, @@ -10791,7 +9425,7 @@ f. verbinding tussen trekkend motorrijtuig en aanhangwagen. ### Artikel 6.13 -Indien bij bedrijfsauto’s en aanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 31 december 1994 een inrichting ten behoeve van het heffen van een as is aangebracht of verwijderd, moet het voertuig voldoen aan de in de Regeling eisen individuele goedkeuring opgenomen eisen omtrent: +Indien bij bedrijfsauto’s en aanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 31 december 1994 een inrichting ten behoeve van het heffen van een as is aangebracht of verwijderd, moet het voertuig voldoen aan de in de hoofdstukken 3 en 5 opgenomen eisen omtrent: a. algemeen, b. afmetingen en massa’s, @@ -10803,43 +9437,27 @@ e. reminrichting. **1.** -Indien een snelheidsbegrenzer wordt aangebracht in een motorrijtuig uit een van de categorieën, genoemd in artikel 5.3.15, tweede lid, moet: +Indien een snelheidsbegrenzer wordt aangebracht in een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van meer dan 12 000 kg, die na 31 december 1987 in gebruik is genomen, dan wel in een bus met een toegestane maximum massa van meer dan 10 000 kg, die na 31 december 1987 in gebruik is genomen, moet: -a. het motorrijtuig voldoen aan de in de Regeling eisen individuele goedkeuring opgenomen algemene eisen en de eisen omtrent krachtoverbrenging; +a. het voertuig voldoen aan de in de hoofdstukken 3 en 5 opgenomen eisen omtrent: + +1°. algemeen, +2°. krachtoverbrenging, en b. het aanbrengen, het afstellen en het verzegelen plaatsvinden door een door de Dienst Wegverkeer ingevolge artikel 101 van de wet erkende natuurlijke persoon of rechtspersoon, op een door Onze Minister bepaalde wijze. **2.** Het eerste lid, onderdeel *b*, is tevens van toepassing indien niet langer wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.3.15, vierde lid. ### Artikel 6.15 -Bij wijziging van de toegestane maximum massa van een bedrijfsauto moet het voertuig voldoen aan de in de Regeling eisen individuele goedkeuring opgenomen eisen. - -### Artikel 6.15a - -**1.** Indien ten aanzien van een bus die tot het verkeer op de weg is toegelaten, na die toelating een keuring als T100-bus wordt verzocht, voldoet deze bus aan de bij ministeriële regeling voor T100-bussen vastgestelde eisen. - -**2.** Indien de bouw of inrichting van een bus, ten aanzien waarvan tevens keuring als T100-bus is verzocht, wordt gewijzigd, voldoet deze bus aan de in hoofdstuk 3, afdeling 3, en hoofdstuk 5, afdeling 3, opgenomen eisen, de eisen die van toepassing zijn ingevolge de artikelen 28, eerste lid, en 75, eerste lid, onderdeel b, van de wet, alsmede de bij ministeriële regeling voor T100-bussen vastgestelde eisen. - -### Artikel 6.15b - -Bij wijziging van de maximum constructiesnelheid, zoals vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister, van bromfietsen voldoet het voertuig aan de in de Regeling eisen individuele goedkeuring opgenomen eisen omtrent: - -a. algemeen; -b. algemene bouwwijze van het voertuig; -c. motor; -d. ophanging; -e. reminrichting, en -f. verlichting. +Bij wijziging van de toegestane maximum massa van een bedrijfsauto moet het voertuig voldoen aan de in de hoofdstukken 3 en 5 opgenomen eisen. ### Paragraaf 3. Afgifte kentekenbewijs of ontvangstbewijs ### Artikel 6.16 -**1.** Indien de wijziging in de constructie wordt goedgekeurd door de Dienst Wegverkeer of de wijziging is aangebracht door een ingevolge artikel 101 van de wet erkende natuurlijke persoon of rechtspersoon, wordt, voor zover afgifte van een nieuw deel I A van het kentekenbewijs wegens wijziging van de op het bewijs vermelde gegevens noodzakelijk is, voor deel I dan wel deel I A van het kentekenbewijs een ontvangstbewijs uitgereikt van een door de Dienst Wegverkeer vastgesteld model. De aanvraag van een goedkeuring als bedoeld in artikel 99, eerste lid, van de wet, wordt aangemerkt als aanvraag van een nieuw deel I A van het kentekenbewijs en afgehandeld overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens het Kentekenreglement. Indien afgifte van een nieuw deel I A van het kentekenbewijs niet noodzakelijk is, wordt na goedkeuring van de wijziging dan wel na het aanbrengen van de wijziging het kentekenbewijs aan de aanvrager teruggegeven. Is in dat geval wijziging van de in het kentekenregister omtrent het voertuig opgenomen gegevens noodzakelijk, dan doet de erkende natuurlijke persoon of rechtspersoon daarvan mededeling aan de Dienst Wegverkeer. Indien de aanvrager bij de aanvraag een deel I van een kentekenbewijs overlegt dat is afgegeven voor 31 mei 2004, geeft de Dienst Wegverkeer een kentekenbewijs af dat bestaat uit een deel I A en B en een deel II. +**1.** Indien de wijziging in de constructie wordt goedgekeurd door de Dienst Wegverkeer of de wijziging is aangebracht door een ingevolge artikel 101 van de wet erkende natuurlijke persoon of rechtspersoon, wordt, voor zover afgifte van een nieuw deel I van het kentekenbewijs wegens wijziging van de op het bewijs vermelde gegevens noodzakelijk is, voor deel I van het kentekenbewijs een ontvangstbewijs uitgereikt van een door de Dienst Wegverkeer vastgesteld model. De aanvraag van een goedkeuring als bedoeld in artikel 99, eerste lid, van de wet, wordt aangemerkt als aanvraag van een nieuw deel I van het kentekenbewijs en afgehandeld overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens het Kentekenreglement. Indien afgifte van een nieuw deel I van het kentekenbewijs niet noodzakelijk is, wordt na goedkeuring van de wijziging dan wel na het aanbrengen van de wijziging het kentekenbewijs aan de aanvrager teruggegeven. Is in dat geval wijziging van de in het kentekenregister omtrent het voertuig opgenomen gegevens noodzakelijk, dan doet de erkende natuurlijke persoon of rechtspersoon daarvan mededeling aan de houder van het kentekenregister. -**2.** Indien de wijziging bij de keuring door de Dienst Wegverkeer niet wordt goedgekeurd, wordt voor het deel I dan wel deel I A van het kentekenbewijs een ontvangstbewijs uitgereikt als bedoeld in het eerste lid. Gedurende een door de Dienst Wegverkeer te bepalen periode wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld, tegen overlegging van het ontvangstbewijs, de aangebrachte wijziging in de constructie alsnog te laten goedkeuren. Na het verstrijken van die periode zonder dat goedkeuring heeft plaatsgevonden, wordt het kentekenbewijs overeenkomstig het bepaalde in artikel 60 van de wet ingevorderd. - -**3.** Indien is verzocht om keuring als T100-bus, maakt de Dienst Wegverkeer, indien de bus voldoet aan de eisen bedoeld in artikel 6.15a, eerste lid, dan wel tweede lid, en door de Dienst Wegverkeer is goedgekeurd als T100-bus, hiervan onverwijld een aantekening op het kentekenbewijs en in het kentekenregister, tenzij de aantekening op kentekenbewijs en in het kentekenregister reeds ingevolge artikel 3.3.1a, tweede lid, is geplaatst. +**2.** Indien de wijziging bij de keuring door de Dienst Wegverkeer niet wordt goedgekeurd, wordt voor het deel I van het kentekenbewijs een ontvangstbewijs uitgereikt als bedoeld in het eerste lid. Gedurende een door de Dienst Wegverkeer te bepalen periode wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld, tegen overlegging van het ontvangstbewijs, de aangebrachte wijziging in de constructie alsnog te laten goedkeuren. Na het verstrijken van die periode zonder dat goedkeuring heeft plaatsgevonden, wordt het kentekenbewijs overeenkomstig het bepaalde in artikel 60 van de wet ingevorderd. ## Hoofdstuk 7. Ontheffingen @@ -10847,13 +9465,17 @@ f. verlichting. ### Artikel 7.1 -Onverminderd artikel 149a, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 kan het ingevolge artikel 149 van de wet bevoegde gezag ontheffing verlenen van het bepaalde in de artikelen 5.1.1, eerste lid, aanhef en onderdeel c, en tweede lid, 5.1.2 en 5.1.3. +Het ingevolge artikel 149 van de wet bevoegde gezag kan ontheffing verlenen van het bepaalde in de artikelen 5.1.1, eerste lid, aanhef en onderdeel *c*, en tweede lid, 5.1.2 en 5.1.3. ### Paragraaf 2. Aanvraag ontheffing ### Artikel 7.2 -De aanvrager van een ontheffing dient bij zijn aanvraag het voor de ontheffing vastgestelde tarief aan het bevoegd gezag te voldoen op de door het bevoegd gezag vastgestelde wijze. +**1.** De aanvrager van een ontheffing dient bij zijn aanvraag het voor de ontheffing vastgestelde tarief aan het bevoegd gezag te voldoen op de door het bevoegd gezag vastgestelde wijze. + +**2.** De aanvrager dient bij zijn aanvraag de bescheiden over te leggen en de inlichtingen te verstrekken die het bevoegd gezag noodzakelijk acht voor de afhandeling van de aanvraag. + +**3.** Het bevoegd gezag laat de aanvraag buiten behandeling indien de aanvrager het in het eerste lid bedoelde tarief niet heeft voldaan of ter zake van het tweede lid in gebreke blijft. Het buiten behandeling laten geschiedt niet dan nadat de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bevoegd gezag gestelde termijn alsnog aan zijn verplichtingen ter zake van de aanvraag te voldoen. ### Paragraaf 3. Beschikking inzake ontheffing @@ -10879,7 +9501,7 @@ e. het bevoegd gezag. ### Artikel 8.1 -Overtreding van de artikelen 5.1.1, eerste en tweede lid, 5.1.2, 5.1.3, 5.1.4, 5.1.6 en 5.1.7 is een strafbaar feit. +Overtreding van de artikelen 5.1.1, eerste en tweede lid, 5.1.2, 5.1.3 en 5.1.4 is een strafbaar feit. ### Artikel 8.2 @@ -10923,7 +9545,9 @@ Totdat het registratiebewijs is vervangen door een kentekenbewijs, wordt voor de ### Artikel 9.4 -Vervallen +**1.** Artikel 16 van het Wegenverkeersreglement, zoals dit artikel luidde vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 9.13, eerste lid, van dit besluit, blijft van kracht ten aanzien van aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 750 kg tot het tijdstip waarop voor de betrokken aanhangwagen een kentekenbewijs is afgegeven. + +**2.** Overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 7.1 tot en met 7.4 kan het bevoegd gezag ontheffing verlenen van artikel 16, eerste lid, van het Wegenverkeersreglement. ### Artikel 9.5