2017-01-01 | BWBR0034987 | Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, investeringsaftrek
This commit is contained in:
parent
eba2baac5e
commit
031675a60c
1 changed files with 3 additions and 7 deletions
|
|
@ -212,9 +212,7 @@ b. Als blijkt dat is uitgegaan van een te hoge grondslag voor het berekenen van
|
|||
|
||||
Als blijkt dat de belastingplichtige bij vervreemding van het bedrijfsmiddel waarvoor de investeringsaftrek op basis van het onderhavige besluit in aanmerking is genomen, – in strijd met voorwaarde *a* – zich alsnog op het standpunt stelt dat de boekwaarde van het afgestane bedrijfsmiddel de grondslag voor de desinvesteringsbijtelling moet vormen, dan wel als blijkt dat een situatie zoals beschreven bij voorwaarde *b *zich heeft voorgedaan, kan in ieder geval gedurende vijf kalender (boek-)jaren na het jaar waarin deze situaties zijn geconstateerd, geen beroep op dit onderdeel van het besluit worden ingewilligd. Voor de relevante (toekomstige) investeringen zal dan overeenkomstig de opvatting van de Hoge Raad investeringsaftrek worden verleend en desinvesteringsbijtelling worden toegepast.
|
||||
|
||||
De belastingplichtige die in aanmerking wenst te komen voor investeringsaftrek volgens bovenstaande regeling, moet voor elk jaar waarin een dergelijke investering plaatsvindt, een opgemaakte en ondertekende verklaring overleggen (volgens het model in bijlage 1), onder vermelding van de overigens voor de toepassing van dit besluit van belang zijnde gegevens. De verklaring moet zijn ingediend vóór het moment waarop de aanslag inkomstenbelasting of vennootschapbelasting van het jaar waarop de investering betrekking heeft, onherroepelijk vaststaat.
|
||||
|
||||
Zonder de bovenvermelde verklaring kan van de onderhavige goedkeuring geen gebruik worden gemaakt. Zie bijlage 1 bij dit besluit.
|
||||
De belastingplichtige die in aanmerking wenst te komen voor investeringsaftrek volgens bovenstaande regeling, moet voor elk jaar waarin een dergelijke investering plaatsvindt, een verzoek hiertoe in de aangifte opnemen. Dat kan door middel van het beantwoorden van een ja/nee-vraag. Als de belastingplichtige deze vraag met ‘ja’ beantwoordt, verklaart hij zich akkoord met de aan deze goedkeuring verbonden voorwaarden. In de jaarstukken komt bij het desbetreffende bedrijfsmiddel tot uitdrukking of van deze goedkeuring gebruik is gemaakt. Als de vraag niet met ‘ja’ wordt beantwoord, kan van de onderhavige goedkeuring geen gebruik gemaakt worden.
|
||||
|
||||
De hiervoor onder *b* genoemde voorwaarde alsmede de sancties hierop, strekken ertoe misbruik van bovenstaande regeling te voorkomen. Een dergelijk misbruik acht ik bijvoorbeeld aanwezig als de inruilprijs van het vervangen bedrijfsmiddel doelbewust wordt verhoogd teneinde voor het nieuw aangeschafte bedrijfsmiddel een hoge grondslag voor de berekening van investeringsaftrek te creëren. Dit geldt eveneens als bij de bepaling van de grondslag voor de berekening van investeringsaftrek doelbewust wordt uitgegaan van de – in vele branches gebruikelijke – zogenoemde bruto-adviesprijzen, zonder dat rekening gehouden wordt met de aldaar gebruikelijke kortingen die zouden worden verleend als geen sprake is van inruil. De kortingen worden dan verleend in de vorm van een hogere inruilprijs. Ik wijs hierbij op de uitspraken van Hof Leeuwarden van 11 februari 1983, nr. 915/82, en Hof Arnhem 8 februari 1989, nr. 2693/1987, gewezen onder de werking van artikel 61a van de Wet IB 1964. Ik acht het onjuist dat de grondslag voor het berekenen van investeringsaftrek elementen bevat die op deze wijze leiden tot een te hoge investeringsaftrek.
|
||||
|
||||
|
|
@ -292,7 +290,7 @@ Bij de bepaling van de investeringsaftrek over het jaar waarin de verplichtingen
|
|||
|
||||
#### 5.1.4. Verzoek
|
||||
|
||||
Een verzoek om toepassing van investeringsaftrek in de bovenbedoelde situaties wordt door de inspecteur slechts ingewilligd, als hij in het bezit is van een volgens bijgevoegd model opgemaakt en door de belastingplichtige ondertekend verzoek om ontheffing, de verklaring met betrekking tot de bijtelling bij het niet nakomen van de verplichtingen (beide bijlage 2), alsmede van een afschrift van de schriftelijk vastgelegde overeenkomst. Het verzoek moet zijn ingediend vóór het moment waarop de aanslag inkomstenbelasting van het jaar waarop de investering betrekking heeft, onherroepelijk vaststaat.
|
||||
De belastingplichtige die in aanmerking wenst te komen voor investeringsaftrek bij het aangaan van verplichtingen in het kader van transacties tussen naaste verwanten, moet voor elk jaar waarin een dergelijke investering plaatsvindt, in de aangifte een verzoek opnemen tot ontheffing van hetgeen is bepaald in artikel 3.46, eerste lid, onderdeel a en b, van de Wet IB 2001. Dat kan door middel van het beantwoorden van een ja/nee-vraag. Als de belastingplichtige deze vraag met ‘ja’ beantwoordt, verklaart hij zich akkoord met hetgeen is opgenomen in onderdeel 5.1 van dit besluit omtrent verandering of niet-nakoming van verplichtingen.
|
||||
|
||||
#### 5.1.5. Overige situaties
|
||||
|
||||
|
|
@ -377,9 +375,7 @@ Bij de bepaling van de investeringsaftrek over het jaar waarin de verplichtingen
|
|||
|
||||
#### 5.2.5. Verzoek
|
||||
|
||||
Een verzoek om toepassing van investeringsaftrek in de onder 5.2.2 genoemde gevallen wordt door de inspecteur slechts ingewilligd, als hij in het bezit is van een volgens bijgevoegd model opgemaakt en door de belastingplichtige ondertekend verzoek om ontheffing, de verklaring met betrekking tot het nakomen van de verplichtingen (beide bijlage 3), alsmede van afschriften van de notariële akte van verdeling en van de schriftelijk vastgelegde overeenkomst.
|
||||
|
||||
Het verzoek moet zijn ingediend vóór het moment waarop de aanslag inkomstenbelasting van het jaar waarop de investering betrekking heeft, onherroepelijk vaststaat.
|
||||
De belastingplichtige die in aanmerking wenst te komen voor investeringsaftrek in het kader van de overname van een onderneming uit een nalatenschap waarbij verplichtingen worden aangegaan tussen gerechtigden tot die nalatenschap, moet voor elk jaar waarin dergelijke verplichtingen worden aangegaan, in de aangifte een verzoek opnemen tot ontheffing van hetgeen is opgenomen in artikel 3.46, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001. Dat kan door middel van het beantwoorden van een ja/nee-vraag. Als de belastingplichtige deze vraag met ‘ja’ beantwoordt, verklaart hij zich akkoord met hetgeen is opgenomen in onderdeel 5.2 van dit besluit omtrent verandering of niet-nakoming van verplichtingen.
|
||||
|
||||
#### 5.2.6. Overige situaties
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue