2005-01-01 | BWBR0004800 | Leidraad invordering 1990
This commit is contained in:
parent
bf9f659e1f
commit
03ee6ee7e9
1 changed files with 357 additions and 587 deletions
|
|
@ -3,7 +3,7 @@ titel: Leidraad invordering 1990
|
|||
bwb_id: BWBR0004800
|
||||
type: circulaire
|
||||
status: geldend
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2007-04-19'
|
||||
datum_inwerkingtreding: '1990-06-01'
|
||||
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0004800
|
||||
citeertitel: Leidraad invordering 1990
|
||||
---
|
||||
|
|
@ -28,12 +28,10 @@ In deze leidraad wordt verstaan onder:
|
|||
- het besluit: het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990;
|
||||
- de regeling: de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990;
|
||||
- (rijks)belastingen: belastingen die van rijkswege door de Belastingdienst worden geheven alsmede de opcenten;
|
||||
- loonbelasting: de loonbelasting alsmede de sociale verzekeringspremies;
|
||||
- sociale verzekeringspremies: de premie volksverzekeringen, de premies werknemersverzekeringen alsmede de ingevolge de Zorgverzekeringswet geheven inkomensafhankelijke bijdrage;.
|
||||
- negatieve definitieve aanslag: de aanslag als bedoeld in artikel 15 AWR, waarbij de aldaar bedoelde verrekeningen hebben geleid tot een per saldo negatief bedrag;
|
||||
- negatieve voorlopige aanslag of voorlopige teruggaaf: de aanslag als bedoeld in artikel 13 AWR, waarbij de aldaar bedoelde verrekeningen hebben geleid tot een per saldo negatief bedrag;
|
||||
- Uitvoeringsinstituut: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
|
||||
- wettelijke schuldsaneringsregeling: de schuldsaneringsregeling op grond van titel III van de Faillissementswet in verband met de sanering van schulden van natuurlijke personen, ook wel de WSNP genoemd.
|
||||
- wettelijke schuldsaneringsregeling: de schuldsaneringsregeling op grond van de Wet tot wijziging van de Faillissementswet in verband met de sanering van schulden van natuurlijke personen, ook wel de WSNP genoemd.
|
||||
- Onder de overige in deze leidraad gebezigde begrippen wordt hetzelfde verstaan als hetgeen daaromtrent in de wet wordt verstaan.
|
||||
|
||||
De inning van de eigen middelen voor de Europese Unie vindt voor een belangrijk gedeelte plaats met toepassing van hetgeen is vastgelegd in verordeningen. Met name het CDW vormt in dit verband een belangrijk gedeelte van het raamwerk waarbinnen geopereerd moet worden.
|
||||
|
|
@ -48,23 +46,17 @@ Ook op de bij beschikking vast te stellen bestuurlijke boete (hoofdstuk 5 DW), c
|
|||
|
||||
Op grond van overgangsrechtelijke bepalingen vindt de invordering van rechten bij invoer die formeel verschuldigd zijn geworden vóór 1 juni 1996 nog plaats met inachtneming van de artikelen 144a tot en met 160a van de Wet inzake de douane.
|
||||
|
||||
Ter wille van de leesbaarheid is vermeden telkens wanneer beleidsvoorschriften inzake de rijksbelastingen worden uiteengezet, te vermelden dat één en ander tevens van toepassing is op de sociale verzekeringspremies en op heffingen waarvan de inning aan de Belastingdienst is opgedragen. Voorzover echter de wet hierop van toepassing is en uit het zinsverband niet anders volgt, strekken de in deze leidraad vervatte beleidsvoorschriften zich ook uit tot de invordering door de Belastingdienst van die premies en heffingen, tenzij uit aanwijzingen van derden voor wie de Belastingdienst invordert anders volgt.
|
||||
Ter wille van de leesbaarheid is vermeden telkens wanneer beleidsvoorschriften inzake de rijksbelastingen worden uiteengezet, te vermelden dat één en ander tevens van toepassing is op de premies volksverzekeringen, de premies ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en op heffingen waarvan de inning aan de Belastingdienst is opgedragen. Voorzover echter de wet hierop van toepassing is en uit het zinsverband niet anders volgt, strekken de in deze leidraad vervatte beleidsvoorschriften zich ook uit tot de invordering door de Belastingdienst van die premies en heffingen, tenzij uit aanwijzingen van derden voor wie de Belastingdienst invordert anders volgt.
|
||||
|
||||
De invordering met betrekking tot aansprakelijkgestelden en andere derden vindt voor een groot deel op overeenkomstige wijze plaats als ten aanzien van belastingschuldigen. Ook hier is ter wille van de leesbaarheid op de daarvoor geëigende plaatsen vermeden tevens de aansprakelijkgestelden en andere derden te noemen, zonder dat hiermee wordt beoogd de toepasselijkheid van die voorschriften op de invordering met betrekking tot aansprakelijkgestelden en andere derden te beperken.
|
||||
|
||||
De wet bevat voorschriften ter verwezenlijking van de aanspraken die de Staat op de belastingschuldigen heeft. Deze voorschriften beogen de invordering op eenvoudige, weinig kostbare en doeltreffende wijze te doen plaatshebben. De bepalingen van deze leidraad strekken er toe het invorderingsbeleid te formuleren en te formaliseren. De leidraad beoogt niet een uiteenzetting te geven van de bestaande jurisprudentie.
|
||||
|
||||
Hoewel artikel 3:40, hoofdstuk 4, afdeling 5.2, de hoofdstukken 6 en 7 en afdeling 10.2.1. Awb niet van toepassing zijn op de wet, handelt de ontvanger in het kader van de invordering, zoveel als mogelijk is, in overeenstemming met de Awb en het Besluit Fiscaal bestuursrecht.
|
||||
Hoewel artikel 3:40, hoofdstuk 4, afdeling 5.2, de hoofdstukken 6 en 7 en afdeling 10.2.1, Awb niet van toepassing zijn op de wet, wordt, zoveel als mogelijk is, in overeenstemming met de Awb en het daarop gebaseerde Voorschrift Awb 1997 (besluit van juli 1997, AFZ97/2526M) gehandeld.
|
||||
|
||||
Zoveel als mogelijk handelen in overeenstemming met de Awb betekent onder meer dat de beslistermijnen uit de Awb, inclusief de mogelijkheden tot verlenging, van toepassing zijn, tenzij de wet, de regeling of deze leidraad anders bepaalt.
|
||||
De ontvanger dient bij zijn handelen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen, ook als sprake is van privaatrechtelijke handelingen (beslag, executoriale verkoop, e.d.). Zie in dit verband het tiende lid van deze paragraaf.
|
||||
|
||||
Voor beschikkingen op aanvraag geldt derhalve een termijn van 8 weken met de mogelijkheid hiervan af te wijken door het noemen van een redelijke termijn: zie de artikelen 4:13, 4:14 en 4:15 Awb;
|
||||
|
||||
Voor bezwaarschriften en beroepschriften in het kader van administratief beroep geldt een termijn van 6 weken met de mogelijkheid tot verlenging met 4 weken en de mogelijkheid tot verder uitstel in gezamenlijk overleg: zie de artikelen 7:10 en 7:24 Awb.
|
||||
|
||||
Een ander voorbeeld van een bepaling uit de Awb die van toepassing is in het kader van de invordering is artikel 4.84 Awb. Op grond van die bepaling is het mogelijk af te wijken van de beleidsregels zoals opgenomen in deze leidraad. Afwijking van die beleidsregels is gerechtvaardigd als toepassing van die regels voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de leidraad te dienen doelen. Dit laatste zal slechts bij hoge uitzondering aan de orde zijn. Het afwijken van beleidsregels leidt in de regel immers tot schending van het gelijkheidsbeginsel. Er dient dus sprake te zijn van daadwerkelijk bijzondere omstandigheden, op grond waarvan onverkorte toepassing van de leidraad onevenredig nadeel voor de betrokkene zou opleveren in verhouding tot de door de ontvanger te dienen belangen. Dit criterium gaat aanzienlijk verder dan een belangenafweging als bedoeld in art. 3:4 Awb.
|
||||
|
||||
Naast het zoveel als mogelijk is handelen in overeenstemming met de Awb dient de ontvanger bij zijn handelen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen, ook als sprake is van privaatrechtelijke handelingen (beslag, executoriale verkoop, e.d.). Zie in dit verband het tiende lid.
|
||||
Het voorgaande betekent onder meer dat de ontvanger handelt overeenkomstig deze leidraad, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de leidraad te dienen doelen (vgl. art. 4:84 Awb). Dit laatste zal slechts bij hoge uitzondering aan de orde zijn. Het afwijken van beleidsregels leidt in de regel immers tot schending van het gelijkheidsbeginsel. Er dient dus sprake te zijn van daadwerkelijk bijzondere omstandigheden, op grond waarvan onverkorte toepassing van de leidraad onevenredig nadeel voor de betrokkene zou opleveren in verhouding tot de door de ontvanger te dienen belangen. Dit criterium gaat aanzienlijk verder dan een belangenafweging als bedoeld in art. 3:4 Awb.
|
||||
|
||||
Als de invordering op verschillende wijzen kan geschieden, geldt als uitgangspunt dat de voor de fiscus eenvoudigste, snelste en minst kostbare wijze de voorkeur verdient.
|
||||
|
||||
|
|
@ -76,9 +68,11 @@ De ontvanger dient zich er steeds van bewust te zijn dat het verlengen van betal
|
|||
|
||||
Als de ontvanger het nodig acht in het kader van de invordering maatregelen te treffen, waardoor naar redelijkerwijs moet worden aangenomen het voortbestaan wordt bedreigd van een bedrijf of een geheel van bij elkaar behorende bedrijven of een zelfstandig uitgeoefend beroep waaraan in totaal meer dan vijftig werknemers zijn verbonden, vraagt hij daartoe toestemming van het ministerie.
|
||||
|
||||
De enkele maatregel van beslaglegging hoeft niet steeds het vorenbedoelde effect te hebben. Zo zijn er zeer wel gevallen denkbaar waarin op een zodanige wijze kan worden gehandeld, dat derden geheel onkundig blijven van de beslaglegging.
|
||||
De enkele maatregel van beslaglegging hoeft niet steeds het vorenbedoelde effect te hebben. Zo zijn er zeer wel gevallen denkbaar, waarin het beslag een zekerheidskarakter heeft en waarin op een zodanige wijze kan worden gehandeld, dat derden geheel onkundig blijven van de beslaglegging.
|
||||
|
||||
Daarentegen is in het algemeen van een daadwerkelijke bedreiging van het voortbestaan bijvoorbeeld wel sprake en dient dus toestemming te worden gevraagd als:
|
||||
Alsdan is voor de beslaglegging geen toestemming nodig; de zaak behoeft in dat geval pas te worden voorgelegd als verkoop nodig wordt geacht.
|
||||
|
||||
Daarentegen is in het algemeen van een daadwerkelijke bedreiging van het voortbestaan bijvoorbeeld wel sprake als:
|
||||
|
||||
- met de beslaglegging op korte termijn de verkoop van (een deel van) de activa van het bedrijf wordt beoogd;
|
||||
- door de beslaglegging de werkvoorraad en/of geldmiddelen geheel of nagenoeg geheel worden vastgelegd;
|
||||
|
|
@ -168,7 +162,7 @@ Het beroep wordt in de sfeer van de invordering ingesteld bij de civiele rechter
|
|||
|
||||
### Artikel 1
|
||||
|
||||
Het eerste lid van artikel 1 van de wet regelt het toepassingsgebied van de wet. Allereerst is de wet van toepassing op belastingaanslagen die zijn vastgesteld op de voet van de AWR. Bovendien is de wet van toepassing op belastingaanslagen in de premieheffing volksverzekeringen, de premieheffing werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage op grond van de Zorgverzekeringswet. Daarnaast zijn de bepalingen van de wet geheel of ten dele van toepassing op velerlei andere heffingen.
|
||||
Het eerste lid van artikel 1 van de wet regelt het toepassingsgebied van de wet. Allereerst is de wet van toepassing op belastingaanslagen die zijn vastgesteld op de voet van de AWR. Bovendien is de wet van toepassing op belastingaanslagen in de premieheffing volksverzekeringen, belastingaanslagen ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en belastingaanslagen ingevolge de Wet zelfstandigen in de Ziekenfondswet. Daarnaast zijn de bepalingen van de wet geheel of ten dele van toepassing op velerlei andere heffingen.
|
||||
|
||||
Een verdere uitbreiding van de reikwijdte van de wet is te vinden in artikel 6.
|
||||
|
||||
|
|
@ -234,7 +228,7 @@ Ingeval van faillissement van de belastingschuldige dient direct de borg te word
|
|||
|
||||
Voor particulieren heeft een faillissement doorgaans vergaande emotionele en sociale gevolgen. Om die reden blijft voor deze groep belastingschuldigen het aanvragen van het faillissement achterwege als op voorhand kan worden verwacht dat de aanwezige vermogensbestanddelen ook geheel of nagenoeg geheel zonder faillissement door de ontvanger kunnen worden uitgewonnen, zelfs als daarbij niet de gehele schuld wordt voldaan. Onder particulieren moet in dit verband worden verstaan natuurlijke personen die niet een onderneming drijven c.q. zelfstandig een beroep uitoefenen en waarvan niet aannemelijk is dat zij van plan zijn dit te doen. Natuurlijke personen die hun bedrijf of zelfstandige beroepsuitoefening hebben gestaakt, worden in dit verband niet beschouwd als particulieren.
|
||||
|
||||
Vervallen.
|
||||
De beleidsuitgangspunten die zijn verwoord in de hiervoor opgenomen leden van deze paragraaf gelden niet ingeval sprake is van een onbeheerde nalatenschap.
|
||||
|
||||
Als de belastingschuldige, voordat de faillissementsaanvraag in behandeling is genomen, een verzoek om kwijtschelding of een verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling van de Belastingdienst doet, dan wel een buitengerechtelijk akkoord aanbiedt, één en ander in de zin van artikel 26, § 2a, van de leidraad" zal de ontvanger de faillissementsaanvraag aanhouden dan wel intrekken om het verzoek c.q. het aanbod aan een nader oordeel te onderwerpen. Hiervan wordt afgeweken als op voorhand duidelijk is dat het verzoek c.q. het aanbod louter is gedaan om de behandeling van de faillissementsaanvraag te traineren of als het aanbod onvoldoende past binnen het door de fiscus gehanteerde kwijtscheldingsbeleid respectievelijk het in het kwijtscheldingsbeleid opgenomen saneringsbeleid en/of gebaseerd is op een onjuiste voorstelling van zaken. In deze gevallen wijst de ontvanger het verzoek c.q. het aanbod bij beschikking gemotiveerd af zonder de faillissementsaanvraag in te trekken of aan te houden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -248,7 +242,7 @@ Onmiddellijk na kennisname van de in het buitenland geopende hoofdprocedure, beo
|
|||
|
||||
Vervallen.
|
||||
|
||||
Wanneer de ontvanger bij zijn faillissementsaanvraag gebruik wil maken van de vordering van het Uitvoeringsinstituut als zogenaamde steunvordering doet hij dit alleen als het Uitvoeringsinstituut schriftelijk te kennen heeft gegeven hiertegen geen bezwaar te hebben.Een steunvordering van het Uitvoeringsinstituut kan alleen worden gevraagd voorzover de vordering betrekking heeft op premies werknemersverzekeringen over tijdvakken gelegen voor 1 januari 2006.
|
||||
Wanneer de ontvanger bij zijn faillissementsaanvraag gebruik wil maken van de vordering van het Uitvoeringsinstituut als zogenaamde steunvordering doet hij dit alleen als het Uitvoeringsinstituut schriftelijk te kennen heeft gegeven hiertegen geen bezwaar te hebben.
|
||||
|
||||
Als een andere schuldeiser van de belastingschuldige het initiatief neemt om tot een faillissementsaanvraag over te gaan en hij daartoe de ontvanger om gegevens over de belastingschuld van de belastingschuldige verzoekt om deze te gebruiken als zogenaamde steunvordering bij de faillissementsaanvraag, verstrekt de ontvanger deze gegevens alleen als dit in het belang van de invordering is. Voor het verstrekken van deze gegevens geldt niet hetgeen in het eerste tot en met zevende lid van deze paragraaf is vermeld met betrekking tot een faillissementsaanvraag door de ontvanger. Wel is voor het verstrekken van de gegevens toestemming van het ministerie vereist als het een belastingschuldige betreft die een bedrijf voert of zelfstandig een beroep uitoefent waaraan in totaal meer dan vijftig werknemers zijn verbonden (zie Inleidende opmerkingen, § 1, negende lid, van deze leidraad).
|
||||
|
||||
|
|
@ -258,35 +252,28 @@ Wanneer de ontvanger zelf het initiatief neemt om een andere schuldeiser van de
|
|||
|
||||
Als de ontvanger gebruik wenst te maken van de mogelijkheid tot verzet als bedoeld in artikel 10 Fw heeft hij hiervoor toestemming van het ministerie nodig.
|
||||
|
||||
1. Aan de advocaat aan wie de rechtsbijstand van de Belastingdienst in invorderingszaken is opgedragen, wordt de persoonlijke titel van rijksadvocaat verleend. In overleg met de rijksadvocaat kan aan één of meer van zijn kantoorgenoten de persoonlijke titel van plaatsvervangend rijksadvocaat worden verleend.
|
||||
Op grond van artikel 3, derde lid, van de wet treedt de ontvanger in alle rechtsgedingen die voortvloeien uit de uitoefening van zijn taak zelfstandig in rechte op. Hij voorziet zich daarbij in alle gevallen van procesvertegenwoordiging, met uitzondering van:
|
||||
|
||||
2. In voor de burgerlijke rechter dienende zaken waarin procesvertegenwoordiging verplicht is en welke voortvloeien uit dan wel direct of indirect samenhangen met de invordering van door de Belastingdienst geheven belastingen, premies, toeslagen en andere heffingen (hierna: de invordering), treedt de rijksadvocaat op als advocaat ten behoeve van de ontvanger of (in het geval van invordering van toeslagen) de Staat, tenzij het ministerie van Financiën, directoraat-generaal Belastingdienst (hierna: het ministerie), anders bepaalt.
|
||||
– beroepsprocedures op grond van artikel 26 AWR,
|
||||
– hoger beroepsprocedures op grond van artikel 27h AWR,
|
||||
– beroepsprocedures en hoger beroepsprocedures op grond van artikel 7 Kostenwet invordering rijksbelastingen,
|
||||
– kantonzaken,
|
||||
– kortgedingprocedures, indien de ontvanger gedaagde is.
|
||||
|
||||
In zaken waarin zowel de ontvanger als de Staat zijn gedagvaard, treedt in beginsel de rijksadvocaat op, tenzij het geschil niet in overwegende mate betrekking heeft op de invordering, in welk geval de landsadvocaat optreedt.
|
||||
Met betrekking tot vorenvermelde juridische bijstand wordt gehandeld overeenkomstig het bepaalde in de Instructie rechtskundige bijstand.
|
||||
|
||||
In afwijking in zoverre van het voorgaande treedt de landsadvocaat op in alle cassatieprocedures bij de Hoge Raad der Nederlanden, met inbegrip van procedures welke direct of indirect samenhangen met de invordering.
|
||||
Alle door ontvangers te voeren gerechtelijke procedures waarin als eiser wordt opgetreden, behoeven de toestemming van het ministerie. Het vorenstaande geldt niet voor, behoudens voorzover in het kader van hoger beroep te voeren:
|
||||
|
||||
3. In overleg met het ministerie kan voor zaken die dienen voor andere dan de onder het tweede lid bedoelde instanties alsook voor bij de burgerlijke rechter dienende zaken waarin procesvertegenwoordiging niet verplicht is, de rijksadvocaat worden opgedragen ten behoeve van de ontvanger of (in het geval van invordering van toeslagen) de Staat op te treden.
|
||||
|
||||
4. Ingeval de te verlenen rechtskundige bijstand betrekking of mede betrekking mocht hebben op een cliënt van de rijksadvocaat of van één van diens kantoorgenoten, wordt de rechtsbijstand verleend door de landsadvocaat.
|
||||
|
||||
5. De ontvanger voorziet zich in alle voor de burgerlijke rechter dienende zaken van procesvertegenwoordiging, met uitzondering van:
|
||||
|
||||
– procedures voor de kantonrechter;
|
||||
– procedures voor de voorzieningenrechter in kort geding, voor zover de ontvanger daarin de gedaagde partij is.
|
||||
|
||||
6. Alle door ontvangers te voeren gerechtelijke procedures waarin als eiser wordt opgetreden, behoeven de toestemming van het ministerie. Het vorenstaande geldt niet voor, behoudens voor zover in het kader van hoger beroep te voeren:
|
||||
|
||||
– verklaringsprocedures in het kader van derdenbeslagen;
|
||||
– procedures voor de kantonrechter;
|
||||
– procedures tot het instellen van een eis in hoofdzaak als bedoeld in artikel 700, derde lid, Rv.
|
||||
|
||||
Van deze procedures dient echter uiterlijk nadat het vonnis is uitgesproken mededeling aan het ministerie te worden gedaan;
|
||||
– procedures die worden ingesteld naar aanleiding van een verzet ex artikel 435, derde lid dan wel artikel 708, tweede lid, Rv.
|
||||
- verklaringsprocedures in het kader van derdenbeslagen;
|
||||
- kantonzaken;
|
||||
- procedures tot het instellen van een eis in hoofdzaak als bedoeld in artikel 700, derde lid, Rv. Van deze procedures dient echter uiterlijk nadat het vonnis is uitgesproken mededeling aan het ministerie te worden gedaan;
|
||||
- procedures die worden ingesteld naar aanleiding van een verzet ex artikel 435, derde lid, dan wel artikel 708, tweede lid, Rv.
|
||||
|
||||
Opgemerkt wordt dat voor andere verzoekschriftprocedures dan de hiervoor genoemde ex artikel 700, derde lid, Rv en 708, tweede lid, Rv ook geen toestemming van het ministerie nodig is. Te denken valt in dit verband aan de procedure ter verkrijging van verlof tot het leggen van conservatoir beslag. Voorts kan gedacht worden aan de verzoekschriftprocedure die is voorgeschreven om tot verkoop van aandelen over te gaan en aan de verzoekschriftprocedure tot opening van een rangregeling.
|
||||
|
||||
7. Alvorens een standpunt in te nemen naar aanleiding van een rechtsvraag, legt de ontvanger de vraag voor aan de kennisgroep op het gebied van de rechtstoepassing (zie het Besluit van 25 februari 2004, nr. DGB2003/6662 M). In overleg met het ministerie kan de kennisgroep of de ontvanger de rijksadvocaat ter zake om advies vragen. In het geval invorderingsmaatregelen worden overwogen tegen personen of bedrijven terwijl verwacht mag worden dat die maatregelen publicitair of anderszins de aandacht zullen trekken, wordt het ministerie zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
|
||||
In de gevallen waarin de ontvanger behoefte heeft aan een advies inzake de juridische haalbaarheid van door hem voorgenomen handelingen of standpunten dan wel het daaraan verbonden procesrisico wendt hij zich schriftelijk tot het ministerie. In spoedeisende gevallen kan telefonisch contact worden opgenomen met het ministerie of de rijksadvocaat. In de gevallen waarin (naast het juridische advies) tevens een advies nodig is inzake het te voeren invorderingsbeleid wordt, in zaken die een meer dan incidenteel belang vertegenwoordigen, in ieder geval contact opgenomen met het ministerie.
|
||||
|
||||
Indien onherroepelijke invorderingsmaatregelen worden overwogen tegen personen of bedrijven en verwacht moet worden dat die maatregelen publicitair of anderszins de aandacht zullen trekken, wordt het ministerie zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
|
||||
|
||||
### Artikel 4
|
||||
|
||||
|
|
@ -304,7 +291,7 @@ Naast de rijksbelastingen (en andere heffingen) is de wet ook van toepassing op
|
|||
|
||||
### Artikel 7
|
||||
|
||||
Als tijdstip van betaling geldt de datum van bijschrijving op de rekening van de Belastingdienst. Bij betaling door middel van storting van contant geld op het postkantoor geldt als tijdstip van betaling de eerste werkdag volgend op de dag van storting. Bij betaling door middel van een pin- of creditcardtransactie geldt de dag van de pin- of creditcardtransactie als tijdstip van betaling.
|
||||
Als tijdstip van betaling geldt de datum van bijschrijving op de rekening van de B/CA, van de Belastingdienst/Centrum voor informatie- en communicatietechnologie of van de ontvanger, dan wel de datum van creditering van de rekening van 's-Rijks schatkist bij de Nederlandse Bank. Bij betaling door storting op het postkantoor of bij contante betaling aan de kas van een organisatieonderdeel van de Belastingdienst, belast met douaneaangelegenheden, geldt als tijdstip de dag waarop het bedrag op het postkantoor is gestort onderscheidenlijk de dag waarop het bedrag aan het loket van dat organisatieonderdeel is betaald.
|
||||
|
||||
Zowel bij vrijwillige betalingen als bij betalingen die door invorderingsmaatregelen zijn afgedwongen kunnen zich vragen voordoen over de afboeking van de ontvangen bedragen, wanneer de belastingschuldige meer dan één belastingaanslag heeft openstaan. In dat geval gelden de volgende richtlijnen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -330,7 +317,7 @@ Onder rente wordt uitsluitend verstaan de invorderingsrente en niet de heffingsr
|
|||
|
||||
Als een door middel van executie ingevorderd bedrag onvoldoende is om daaruit alle kosten te bestrijden worden in de eerste plaats de aan de belastingschuldige in rekening gebrachte kosten die toekomen aan derden voor de door hen in het kader van de tenuitvoerlegging verrichte handelingen voldaan.
|
||||
|
||||
Behoudens voorzover daarvan moet worden afgeweken vanwege hetgeen voortvloeit uit de wet, bijvoorbeeld in het kader van de aansprakelijkheid, vindt op grond van artikel 7, tweede lid, van de wet toerekening van betalingen op een belastingaanslag plaats naar evenredigheid, te weten aan de belasting, de premies voor de werknemersverzekeringen, aan de heffingsrente, aan de revisierente, aan de compenserende rente, aan de kosten van ambtelijke werkzaamheden, aan de bestuurlijke boete en aan de opcenten, met dien verstande dat als artikel 9.1, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 of artikel 27, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 toepassing heeft gevonden, de toerekening in de laatste plaats geschiedt aan de premie volksverzekeringen.
|
||||
Behoudens voorzover daarvan moet worden afgeweken vanwege hetgeen voortvloeit uit de wet, bijvoorbeeld in het kader van de aansprakelijkheid, vindt op grond van artikel 7, tweede lid, van de wet toerekening van betalingen op een belastingaanslag plaats naar evenredigheid, te weten aan de belasting, aan de heffingsrente, aan de revisierente, aan de compenserende rente, aan de kosten van ambtelijke werkzaamheden, aan de bestuurlijke boete en aan de opcenten, met dien verstande dat als artikel 9.1, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 of artikel 27, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 toepassing heeft gevonden, de toerekening in de eerste plaats geschiedt aan de belasting en vervolgens aan de premie volksverzekeringen.
|
||||
|
||||
Als sprake is van een belastingaanslag en een in verband met die aanslag vastgestelde bestuurlijke boete vindt toerekening van betalingen niet plaats naar evenredigheid aan de belasting en aan de bestuurlijke boete, maar vindt toerekening uitsluitend plaats aan de belasting, als voor de betaling van de bestuurlijke boete uitstel van betaling is verleend in verband met een ingediend bezwaarschrift of beroepschrift (in hoger beroep).
|
||||
|
||||
|
|
@ -354,18 +341,6 @@ De belastingschuldige wordt van iedere afboeking van een betaling schriftelijk o
|
|||
|
||||
Als bij de verwerking van een bedrag dat als vrijwillig betaalde belasting (het zogenaamde gewetensgeld) zou kunnen worden verantwoord blijkt dat terzake nog een belastingaanslag (navorderings- of naheffingsaanslag) kan worden opgelegd, wordt die aanslag, nadat deze is opgelegd, zoveel mogelijk uit het gestorte bedrag voldaan.
|
||||
|
||||
### Artikel 7a
|
||||
|
||||
Waar in dit artikel wordt gesproken van belastingteruggaven wordt daaronder verstaan een terug te geven bedrag aan rijksbelastingen dan wel andere belastingen of heffingen voorzover de invordering daarvan aan de ontvanger is opgedragen alsmede andere door de ontvanger uit te betalen bedragen.
|
||||
|
||||
Uitbetaling van belastingteruggaven vindt primair plaats door bijschrijving op een daartoe door de belastingschuldige aangewezen rekening, bestemd voor girale betaling. Het maakt daarbij niet uit of bedoelde rekening op naam staat van de belastingschuldige of van een andere persoon. In gevallen waarbij vorenbedoelde aanwijzing door de belastingschuldige niet heeft plaatsgevonden, kan uitbetaling van de belastingteruggave plaatsvinden door middel van bijschrijving op een rekening, bestemd voor girale betaling, die op naam staat van de belastingschuldige.
|
||||
|
||||
De aanwijzing door de belastingschuldige vindt in beginsel plaats bij de aangifte of het verzoek in verband waarmee de desbetreffende belastingteruggave wordt vastgesteld. Het uitblijven van een reactie op het schriftelijk ter verificatie aanbieden van het bij de Belastingdienst bekende rekeningnummer door de Belastingdienst aan de belastingschuldige, geldt in dat verband mede als aanwijzing. Wanneer de belastingschuldige bij een volgende gelegenheid met betrekking tot hetzelfde belastingmiddel en hetzelfde soort teruggave een ander rekeningnummer aanwijst, wordt laatstbedoeld rekeningnummer geacht mede te zijn aangewezen voor het doen van terugbetalingen uit hoofde van eerdere aangiften of verzoeken. Aanwijzing dient voor het overige schriftelijk en op teruggave-niveau plaats te vinden en wel op een zodanig tijdstip dat daarmee redelijkerwijze bij de uitbetaling rekening kan worden gehouden.
|
||||
|
||||
Indien uitbetaling van een belastingteruggave plaatsvindt op een andere rekening van de belastingschuldige dan die welke daartoe door hem is aangewezen, dient de ontvanger in beginsel opnieuw uit te betalen. De ontvanger verbindt daaraan de voorwaarde dat het eerder betaalde bedrag eerst wordt gerestitueerd. Indien en voorzover echter blijkt dat het eerder betaalde bedrag niet ter beschikking van de belastingschuldige is gekomen – bijvoorbeeld omdat de rekening ten tijde van de bijschrijving een debetstand kent en ook de (eventuele) kredietfaciliteit van de rekening de restitutie niet toelaat – vindt hernieuwde uitbetaling direct plaats. Indien en voorzover aan de daartoe gestelde (wettelijke) voorwaarden wordt voldaan, zal de ontvanger het aldus teveel betaalde bedrag vervolgens terug vorderen uit ongerechtvaardigde verrijking.
|
||||
|
||||
Uitbetalingsfouten die het gevolg zijn van een onjuiste aanwijzing door de belastingschuldige, blijven voor diens rekening. De ontvanger beroept zich in dat geval op het bevrijdende karakter van de (uit)betaling (art. 6:34 BW). Desgevraagd wordt belastingschuldige op de hoogte gesteld omtrent de naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de derde aan wie onverschuldigd is betaald.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk II. Invordering in eerste aanleg
|
||||
|
||||
### Artikel 8
|
||||
|
|
@ -506,7 +481,7 @@ In artikel 10, tweede lid, van de wet worden bepaalde belastingaanslagen van de
|
|||
|
||||
Artikel 10, derde lid, van de wet bepaalt dat in het geval genoemd onder h, het versneld opeisbaar worden alleen geldt voor een uitnodiging tot betaling en een met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake compenserende rente, kosten van ambtelijke werkzaamheden of een bestuurlijke boete als bedoeld in hoofdstuk 5 DW.
|
||||
|
||||
Ook als op grond van de wettelijke bepalingen de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is, wordt op het aanslagbiljet de vervaldag vermeld zoals die bij artikel 9 van de wet aan de belastingaanslag is toegekend.
|
||||
Ook als op grond van de wettelijke bepalingen de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is, worden, behoudens de gevallen bedoeld in de eerste volzin van het volgende lid van deze paragraaf, op het aanslagbiljet desalniettemin de vervaldagen vermeld, die bij artikel 9 van de wet zijn toegekend.
|
||||
|
||||
Als de ontvanger het in een specifiek geval noodzakelijk acht daadwerkelijk tot versnelde invordering als bedoeld in artikel 10 van de wet over te gaan, vermeldt hij op het uit te reiken of te verzenden aanslagbiljet dat de belastingaanslag terstond en tot het volle bedrag invorderbaar is. Voorts vermeldt de ontvanger op het aanslagbiljet het onderdeel van het eerste lid van artikel 10 op grond waarvan hij tot versnelde invordering overgaat.
|
||||
|
||||
|
|
@ -532,7 +507,7 @@ Naast het redelijke vermoeden van de ontvanger dat de belastingschuldige van pla
|
|||
|
||||
Het enkele feit dat de belastingschuldige buiten Nederland woont of is gevestigd, is op zichzelf geen reden voor de ontvanger om de belastingaanslag dadelijk en tot het volle bedrag in te vorderen. Er dient een situatie te bestaan waarin de ontvanger er redelijkerwijs vanuit kan gaan dat de belastingschuld niet binnen de termijnen zal worden voldaan en de belastingschuld niet in Nederland kan worden verhaald. In dit verband valt te denken aan een situatie waarin een in het buitenland wonende belastingschuldige al zijn goederen in Nederland gaat verkopen. In de gevallen waarin de belastingschuldige in Nederland geen vaste woonplaats of plaats van vestiging heeft, is deze veelal moeilijk traceerbaar. Als in zo'n situatie ook geen duidelijk traceerbare verhaalsmogelijkheden aanwezig zijn, vormen deze omstandigheden in onderlinge samenhang voldoende reden om gegronde vrees voor de verhaalbaarheid van de belastingaanslag aanwezig te achten.
|
||||
|
||||
Als beslag is gelegd voor belastingschuld van de belastingschuldige en tijdens de duur van dat beslag worden nieuwe belastingaanslagen opgelegd dan kan de ontvanger die nieuwe belastingaanslagen, net als de al opgelegde belastingaanslagen waarvoor hij nog geen beslag heeft gelegd, versneld invorderen, dit uiteraard met uitzondering van de in artikel 10, tweede lid, van de wet genoemde gevallen. Onder belastingschulden vallen in dit verband niet alleen de rijksbelastingen, maar ook belastingen die zijn opgelegd door andere overheidsorganen en door de ontvanger worden ingevorderd, alsmede de vorderingen die door de ontvanger als belasting moeten worden ingevorderd, zoals de sociale verzekeringspremies.
|
||||
Als beslag is gelegd voor belastingschuld van de belastingschuldige en tijdens de duur van dat beslag worden nieuwe belastingaanslagen opgelegd dan kan de ontvanger die nieuwe belastingaanslagen, net als de al opgelegde belastingaanslagen waarvoor hij nog geen beslag heeft gelegd, versneld invorderen, dit uiteraard met uitzondering van de in artikel 10, tweede lid, van de wet genoemde gevallen. Onder belastingschulden vallen in dit verband niet alleen de rijksbelastingen, maar ook belastingen die zijn opgelegd door andere overheidsorganen en door de ontvanger worden ingevorderd, alsmede de vorderingen die door de ontvanger als belasting moeten worden ingevorderd, zoals de premies volksverzekeringen.
|
||||
|
||||
De in artikel 10, eerste lid, onderdeel e, van de wet bedoelde goederen kunnen tevens zogenaamde "bodemzaken" als bedoeld in artikel 22, derde lid, van de wet zijn. Artikel 10, eerste lid, onderdeel e, van de wet kan evenwel geen toepassing vinden ten aanzien van een belastingschuldige onder wie beslag is gelegd voor de belastingschuld van een ander (bijvoorbeeld door middel van derdenbeslag). Het zal hier doorgaans gaan om goederen van die ander die zich bij de belastingschuldige bevinden. Door de onderhavige beslaglegging worden belastingaanslagen van de belastingschuldige, waarvan de betalingstermijnen nog niet zijn verschenen, niet dadelijk en tot het volle bedrag invorderbaar, want het betreft hier geen beslaglegging voor de belastingschuld van de genoemde belastingschuldige.
|
||||
|
||||
|
|
@ -628,7 +603,7 @@ Indien de betekening echter geschiedt overeenkomstig artikel 47 Rv, luidt het he
|
|||
|
||||
De tenuitvoerlegging van tegen dezelfde belastingschuldige uitgevaardigde dwangbevelen heeft zoveel mogelijk tegelijkertijd plaats. Bij de tenuitvoerlegging wordt onnodige ruchtbaarheid vermeden. Tevens dient de nodige souplesse te worden betracht. Dit brengt met zich mee dat zo nodig de formeel voorgeschreven handelwijze wordt onderbroken, als het uit menselijk of tactisch oogpunt wenselijk is eerst persoonlijk contact met de belastingschuldige op te nemen. In dit verband kan het verantwoord zijn dat de belastingdeurwaarder niet dadelijk tot beslaglegging overgaat, dan wel deze onderbreekt of beëindigt, als hij reden heeft te vermoeden dat de ontvanger niet tot het geven van de beslagopdracht zou zijn overgegaan als hem alle omstandigheden bekend waren geweest, dan wel aangetoond kan worden dat de betaling c.q. een verzoek om uitstel van betaling of kwijtschelding, dan wel een verzoekschrift als genoemd in artikel 25, § 1, eerste lid, van deze leidraad en de beslagopdracht elkaar hebben gekruist.
|
||||
|
||||
Als degene tegen wie het dwangbevel is uitgevaardigd, is overleden, wordt niet eerder tot tenuitvoerlegging overgegaan dan nadat de termijn van drie maanden als bedoeld in artikel 4:185 BW, is verstreken, tenzij alle erfgenamen de nalatenschap zuiver hebben aanvaard. De termijn van drie maanden kan door de kantonrechter worden verlengd. In het geval dat de nalatenschap wordt vereffend, kan de ontvanger gedurende de vereffening zijn vordering niet op de nalatenschap verhalen. Wanneer het dwangbevel eenmaal ten uitvoer is gelegd door middel van beslag, wordt onverwijld tot uitwinning van de beslagen goederen overgegaan. Hiervan kan worden afgeweken als de belastingschuldige een voorstel doet tot minnelijke afdoening van het beslag en met een dergelijke afdoening, gelet op het geheel der omstandigheden, naar het oordeel van de ontvanger akkoord kan worden gegaan. Hierbij geldt als uitgangspunt dat een minnelijke afdoening moet passen binnen het in deze leidraad geformuleerde beleid.
|
||||
Als degene tegen wie het dwangbevel is uitgevaardigd, is overleden, wordt niet eerder tot tenuitvoerlegging overgegaan dan nadat de termijn van drie maanden als bedoeld in artikel 4:18 BW, is verstreken, tenzij alle erfgenamen de nalatenschap zuiver hebben aanvaard. De termijn van drie maanden kan door de kantonrechter worden verlengd. In het geval dat de nalatenschap wordt vereffend, kan de ontvanger gedurende de vereffening zijn vordering niet op de nalatenschap verhalen. Wanneer het dwangbevel eenmaal ten uitvoer is gelegd door middel van beslag, wordt onverwijld tot uitwinning van de beslagen goederen overgegaan. Hiervan kan worden afgeweken als de belastingschuldige een voorstel doet tot minnelijke afdoening van het beslag en met een dergelijke afdoening, gelet op het geheel der omstandigheden, naar het oordeel van de ontvanger akkoord kan worden gegaan. Hierbij geldt als uitgangspunt dat een minnelijke afdoening moet passen binnen het in deze leidraad geformuleerde beleid.
|
||||
|
||||
De belastingdeurwaarder kan op grond van artikel 438, vierde lid, Rv bij een executiegeschil dat om een onverwijlde voorziening vraagt zich rechtstreeks tot de voorzieningenrechter wenden met een van het bezwaar opgemaakt proces-verbaal. Hij zal van deze bevoegdheid slechts gebruikmaken met toestemming van de ontvanger.
|
||||
|
||||
|
|
@ -640,7 +615,7 @@ Artikel 431a Rv geldt niet voor de overdracht van de invordering aan een andere
|
|||
|
||||
Waar in de navolgende paragrafen wordt gesproken over de bewaarder wordt hiermee bedoeld de gerechtelijke bewaarder als bedoeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, tenzij anders is aangegeven.
|
||||
|
||||
Ingeval goederen aan het beslag zijn onttrokken - hetgeen strafbaar is op grond van artikel 198 Sr - kan van dat feit op grond van artikel 162 Sv aangifte worden gedaan.
|
||||
Ingeval goederen aan het beslag zijn onttrokken - hetgeen strafbaar is op grond van artikel 198 Sr - kan van dat feit op grond van artikel 162 Sv aangifte worden gedaan. De ontvanger beslist over de inzending van een relaas van onttrekking aan de directeur of, als laatstgenoemde dit wenselijker acht, rechtstreeks aan de Officier van Justitie aan de hand van de daartoe in overleg met het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken.
|
||||
|
||||
Als de ontvanger wordt geconfronteerd met een situatie waarin hij door één of meer rechtshandelingen in zijn verhaalsmogelijkheden wordt benadeeld, kan de ontvanger deze rechtshandeling(en) vernietigen. Daarbij geldt het bepaalde in artikel 3:45 e.v. BW. Een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging als bedoeld in artikel 3:49 BW geschiedt zoveel mogelijk schriftelijk. In daartoe aanleiding gevende gevallen kan direct beslaglegging plaatsvinden op de goederen die door de rechtshandeling buiten het verhaalsbereik van de ontvanger zijn gebracht, mits gelijktijdig de desbetreffende rechtshandeling buitengerechtelijk wordt vernietigd. De buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging kan in het beslagexploot zelf worden opgenomen. Voorts dient een verklaring tot vernietiging ook tot de andere bij de rechtshandeling betrokken partijen te worden gericht. Ten aanzien van registergoederen kan de vernietiging niet altijd buitengerechtelijk geschieden: zie hiervoor artikel 3:50, tweede lid, BW. Voor conservatoir paulianabeslag in afwachting van een rechterlijke uitspraak tot vernietiging wordt verwezen naar artikel 737 Rv.
|
||||
|
||||
|
|
@ -719,7 +694,7 @@ Vervallen.
|
|||
|
||||
Wanneer op de wijze van artikel 439 e.v. Rv beslag op computerapparatuur is gelegd, dan valt alleen de zogenaamde "hard-ware" onder dit beslag. De belastingdeurwaarder dient, voordat tot executoriale verkoop wordt overgegaan, na te gaan of deze apparatuur nog de zogenaamde "soft-ware", zoals bestanden, programma's, e.d., bevat. Is dat het geval, dan dient de belastingschuldige de mogelijkheid te worden geboden om die bestanden, etc. te verwijderen en een back-up te maken. Hierna kan worden overgegaan tot het formatteren van de harde schijf op een zodanige wijze dat alle bestanden, etc. worden gewist. Zo nodig dient voor deze werkzaamheden (extern) deskundige hulp te worden ingeroepen. De kosten die de Belastingdienst in verband met deze hulp moet maken, worden aan de belastingschuldige op grond van artikel 6 Kostenwet invordering rijksbelastingen in rekening gebracht.
|
||||
|
||||
De ontvanger dient er voor zorg te dragen dat geen zilveren, gouden of platina werken die niet zijn voorzien van de volgens de Waarborgwet 1986 vereiste stempeltekenen, in openbare verkoop worden gebracht of met dat doel worden tentoongesteld. Van het houden van een openbare verkoop waarin zilveren, gouden of platina werken voorkomen, is de ontvanger verplicht ten minste drie dagen tevoren aangifte te doen bij Waarborg Holland.
|
||||
De ontvanger dient er voor zorg te dragen dat geen zilveren, gouden of platina werken die niet zijn voorzien van de volgens de Waarborgwet 1986 vereiste stempeltekenen, in openbare verkoop worden gebracht of met dat doel worden tentoongesteld. Van het houden van een openbare verkoop waarin zilveren, gouden of platina werken voorkomen, is de ontvanger verplicht ten minste drie dagen tevoren aangifte te doen bij Verispect BV, Postbus 654, 2600 AR te Delft (tel. nr. 015-2691500 en fax nr. 015-2850507).
|
||||
|
||||
Bij de aangifte vermeldt de ontvanger in ieder geval de navolgende gegevens:
|
||||
|
||||
|
|
@ -797,7 +772,7 @@ In het beslagexploot worden specifiek vermeld:
|
|||
|
||||
In daartoe aanleiding gevende gevallen kan de ontvanger de omvang van het beslag bij de beslaglegging beperken. Voorzover niet door een andere schuldeiser beslag is gelegd, kan de omvang ook op een later tijdstip nog worden beperkt. Van de beperking wordt in het beslagexploot of in een afzonderlijk geschrift aan de derde uitdrukkelijk melding gemaakt.
|
||||
|
||||
Als beslag is gelegd op periodieke betalingen als bedoeld in artikel 475c Rv is het beslag slechts geldig voorzover de periodieke betalingen de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475b en 475d Rv overtreffen. De voor de bepaling van de beslagvrije voet relevante bedragen, de normen in het kader van de studiefinanciering en de normen in het kader van de huurstoeslag zijn vermeld in de bijlagen Ia tot en met Ic. Het gestelde in artikel 19, § 3, derde en vierde lid, van deze leidraad is van overeenkomstige toepassing. Als beslag is gelegd in een situatie als bedoeld in artikel 475e, dan wel artikel 475f Rv en de belastingschuldige toont aan dat hij voor zijn levensonderhoud volledig afhankelijk is van de beslagen betalingen dan past de ontvanger zonder rechterlijke tussenkomst de regeling van de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475b en 475d Rv toe.
|
||||
Als beslag is gelegd op periodieke betalingen als bedoeld in artikel 475c Rv is het beslag slechts geldig voorzover de periodieke betalingen de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475b en 475d Rv overtreffen. De voor de bepaling van de beslagvrije voet relevante bedragen, de normen in het kader van de studiefinanciering en de normen in het kader van de huursubsidie zijn vermeld in de bijlagen Ia tot en met Ic. Het gestelde in artikel 19, § 3, derde en vierde lid, van deze leidraad is van overeenkomstige toepassing. Als beslag is gelegd in een situatie als bedoeld in artikel 475e, dan wel artikel 475f Rv en de belastingschuldige toont aan dat hij voor zijn levensonderhoud volledig afhankelijk is van de beslagen betalingen dan past de ontvanger zonder rechterlijke tussenkomst de regeling van de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475b en 475d Rv toe.
|
||||
|
||||
Bij de beslaglegging wordt aan de derde-beslagene een formulier Besluit Verklaring derdenbeslag in tweevoud betekend. Op dit formulier moet de derde-beslagene verklaren of en zo ja welke vorderingen en/of zaken hij van de belastingschuldige onder zich heeft. De derde-beslagene dient, zodra vier weken zijn verstreken na het leggen van het beslag, in alle gevallen een exemplaar van het door hem ingevulde, gedagtekende en ondertekende formulier aan de belastingdeurwaarder te verstrekken. Omdat de afwikkeling van het derdenbeslag namens de belastingdeurwaarder zal plaatsvinden door de ontvanger die de opdracht tot het leggen daarvan heeft gegeven, wordt aan de derde-beslagene bij de uitreiking van het formulier een antwoordenvelop verstrekt met het adres van de desbetreffende ontvanger van het kantoor van het organisatieonderdeel van de Belastingdienst. Wordt de verklaring door de derde-beslagene overhandigd of ingeleverd bij de belastingdeurwaarder, dan zendt deze de verklaring zo snel mogelijk naar de opdrachtgever. Op grond van voornoemd besluit kan ook genoegen worden genomen met een ander door de derde-beslagene ingevuld geschrift, mits de daarop vermelde verklaring inhoudelijk aansluit bij het uitgereikte formulier. Binnen drie dagen na ontvangst van de verklaring zendt de ontvanger namens de belastingdeurwaarder een afschrift ervan aan de belastingschuldige.
|
||||
|
||||
|
|
@ -813,13 +788,9 @@ Bij de beslaglegging dringt de belastingdeurwaarder niet aan op het doen van ver
|
|||
|
||||
Door het leggen van een derdenbeslag ondergaat de opeisbaarheid van de onder het beslag vallende vordering geen wijziging. De beslaglegger, i.c. de ontvanger, heeft echter de bevoegdheid niet opeisbare vorderingen, die door opzegging opeisbaar gemaakt kunnen worden, op te zeggen. De ontvanger dient bij het terughoudend gebruikmaken van deze bevoegdheid de belangen van de belastingschuldige niet uit het oog te verliezen.
|
||||
|
||||
Bij een derdenbeslag op een polis van levens- of spaarverzekering of lijfrente geldt – naast de voorschriften in artikel 479l en volgende Rv – het volgende:
|
||||
Derdenbeslag op een polis van levens- of spaarverzekering of lijfrente en de daar op volgende afkoop of belening van die polis kan voor de belastingschuldige verstrekkende financiële gevolgen hebben. Voor het leggen van derdenbeslag onder een verzekeringsmaatschappij op een polis van levens- of spaarverzekering of lijfrente is daarom vooralsnog toestemming van het ministerie vereist. Bij de beslissing of tot het aanvragen om toestemming voor het leggen van derdenbeslag op een polis van levens- of spaarverzekering of lijfrente moet worden overgegaan, weegt de ontvanger alle betrokken belangen zorgvuldig af en gaat na of de belastingschuldige niet onredelijk wordt benadeeld. Ook wordt in de overwegingen betrokken of sprake is van een niet-bovenmatige oudedagsvoorziening. Tevens besteedt de ontvanger aandacht aan de verhouding tussen de openstaande belastingschuld en de opbrengst bij afkoop of belening van de polis. Bij de bepaling van de opbrengst moet tevens rekening worden gehouden met het feit dat een (voortijdige) afkoop of belening van de polis in bepaalde gevallen wordt aangemerkt als een verboden handeling (zie ook art. 44a, § 1, tweede lid, van deze leidraad) die tot negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen leiden als gevolg waarvan een aanslag in de inkomstenbelasting kan worden opgelegd.
|
||||
|
||||
– De ontvanger stelt zich terughoudend op bij het leggen van derdenbeslag als er sprake is van een niet-bovenmatige oudedagsvoorziening.
|
||||
– De ontvanger betrekt in zijn overwegingen de verhouding tussen de openstaande belastingschuld en de opbrengst bij afkoop of belening van de polis. Bij de bepaling van de opbrengst houdt de ontvanger rekening met het feit dat een (voortijdige) afkoop of belening van de polis in bepaalde gevallen wordt aangemerkt als een verboden handeling (zie ook artikel 44, paragraaf 1, lid 2, van deze leidraad) die tot negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen leiden als gevolg waarvan een aanslag in de inkomstenbelasting kan worden opgelegd.
|
||||
– Als de netto-opbrengst van de polis minder dan € 2.500 bedraagt, de polis wordt afgekocht of het derdenbeslag is gelegd drie jaren voor de expiratiedatum, wint de ontvanger het derdenbeslag niet uit en gaat hij niet over tot afkoop of belening. In dat geval laat de ontvanger – in overleg met belastingschuldige – het beslag liggen tot de expiratiedatum.
|
||||
– De omstandigheid dat het verzekerde bedrag pas na lange tijd tot uitkering komt, staat op zich een derdenbeslag niet in de weg.
|
||||
– De belastingaanslagen waarvoor het derdenbeslag wordt gelegd moeten onherroepelijk vaststaan en in redelijkheid materieel verschuldigd worden geacht.
|
||||
Indien de netto-opbrengst van de polis minder dan € 2.500 bedraagt of de polis wordt afgekocht of het derdenbeslag is gelegd drie jaren voor de expiratiedatum, wordt niet tot uitwinning van het derdenbeslag, afkoop of belening overgegaan, maar laat de ontvanger, in overleg met belastingschuldige, het beslag liggen tot de expiratiedatum. Voorts is van belang dat de omstandigheid dat het verzekerde bedrag pas na lange tijd tot uitkering komt, op zichzelf niet aan derdenbeslag in de weg hoeft te staan. De belastingaanslagen waarvoor de toestemming wordt gevraagd moeten onherroepelijk vaststaan en ze moeten in redelijkheid materieel verschuldigd kunnen worden geacht. Na de verleende toestemming handelt de ontvanger bij het leggen van het derdenbeslag overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 479l tot en met 479q Rv.
|
||||
|
||||
Als de derde-beslagene een retentierecht heeft op de zaken die door het derdenbeslag van de ontvanger zijn getroffen, kan de ontvanger op grond van artikel 6:30 BW overgaan tot betaling van het bedrag waarvoor het retentierecht geldt in afwachting van verrekening met de belastingschuldige. Genoemd bedrag moet dan wel beduidend lager zijn dan de executiewaarde van de desbetreffende zaak.
|
||||
|
||||
|
|
@ -877,7 +848,7 @@ Artikel 17 van de wet geeft een zelfstandige regeling voor het instellen van ver
|
|||
|
||||
Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel voorzover deze door het verzet wordt bestreden. Dit brengt met zich mee dat wanneer het verzet zich richt tegen een bepaalde wijze van tenuitvoerlegging of tegen de beslaglegging op bepaalde goederen deze wijze van tenuitvoerlegging c.q. het beslag voor die bepaalde goederen niet wordt voortgezet totdat daarover in de verzetprocedure is beslist. De tenuitvoerlegging van het dwangbevel op andere wijze c.q. voortzetting van het beslag op andere goederen kan ongehinderd doorgang vinden. Richt het verzet zich tegen de rechtsgeldigheid van het dwangbevel, dan wordt iedere vorm van tenuitvoerlegging van dat dwangbevel geschorst omdat bij toewijzing van dat verzet tevens de rechtsongeldigheid van iedere vorm van tenuitvoerlegging vaststaat.
|
||||
|
||||
Als het verzet zich richt tegen de tenuitvoerlegging voor een deel van het bedrag waarvoor het dwangbevel is uitgevaardigd (bijvoorbeeld alleen de bestuurlijke boete), wordt de tenuitvoerlegging voor het resterende bedrag niet geschorst. Is sprake van een beslag onder een derde en de derde heeft een buitengerechtelijke verklaring afgelegd die de ontvanger onjuist of onvolledig acht, dan deelt de ontvanger de schorsing van de executie schriftelijk aan de derde mee, onder vermelding van de grond waarop deze schorsing berust en vermeldt daarbij tevens onder verwijzing naar artikel 476 Rv dat door deze mededeling de schorsing ook tegen de derde werkt. Tevens wordt in de mededeling vermeld dat de verklaring wordt betwist en dat tot dagvaarding zal worden overgegaan, nadat de schorsende werking van het verzet is opgeheven. Als naar de mening van de ontvanger het doen van verzet zo duidelijk kansloos is dat er sprake is van misbruik van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:13 BW, kan hij, na verkregen toestemming van het ministerie, team ondernemingen, besluiten de tenuitvoerlegging van het dwangbevel voort te zetten.
|
||||
Als het verzet zich richt tegen de tenuitvoerlegging voor een deel van het bedrag waarvoor het dwangbevel is uitgevaardigd (bijvoorbeeld alleen de bestuurlijke boete), wordt de tenuitvoerlegging voor het resterende bedrag niet geschorst. Is sprake van een beslag onder een derde en de derde heeft een buitengerechtelijke verklaring afgelegd die de ontvanger onjuist of onvolledig acht, dan deelt de ontvanger de schorsing van de executie schriftelijk aan de derde mee, onder vermelding van de grond waarop deze schorsing berust en vermeldt daarbij tevens onder verwijzing naar artikel 476 Rv dat door deze mededeling de schorsing ook tegen de derde werkt. Tevens wordt in de mededeling vermeld dat de verklaring wordt betwist en dat tot dagvaarding zal worden overgegaan, nadat de schorsende werking van het verzet is opgeheven. Als het verzet wordt gedaan op de dag van de openbare verkoop, wordt overleg gepleegd met het ministerie over het al dan niet doorzetten van de executoriale verkoop.
|
||||
|
||||
Artikel 17 van de wet vermeldt geen gronden voor verzet. Als voorbeelden van deze gronden worden hier genoemd: de belastingschuld is voldaan, verminderd of kwijtgescholden; het recht op dwanginvordering is verjaard of het dwangbevel is tegen de verkeerde persoon uitgevaardigd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -901,11 +872,11 @@ Vervallen.
|
|||
|
||||
De in artikel 19 van de wet omschreven vordering geeft de ontvanger de mogelijkheid om in bepaalde gevallen op eenvoudige wijze belastingschuld te verhalen op hetgeen een derde aan de belastingschuldige is verschuldigd of ten behoeve van hem onder zich heeft of zal krijgen. Als het doen van een vordering rechtens mogelijk is, wordt mede ter besparing van kosten aan dit eenvoudige invorderingsmiddel de voorkeur gegeven boven derdenbeslag. Ingeval van twijfel of degene aan wie de vordering zou moeten worden gericht wel houder van penningen is, moet naargelang de omstandigheden worden beoordeeld of het leggen van derdenbeslag de voorkeur verdient.
|
||||
|
||||
Een vordering kan slechts worden gedaan voor de door de ontvanger in te vorderen bedragen waarvoor artikel 19 van toepassing is. Het doen van een vordering is niet mogelijk voor belastingaanslagen ten aanzien waarvan de wettelijke schuldsaneringsregeling werkt. Voor belastingaanslagen die niet onder de werking van de wettelijke schuldsaneringsregeling vallen, blijft de mogelijkheid voor de ontvanger om ten laste van de belastingschuldige een vordering onder derden te doen echter wel bestaan.
|
||||
Een vordering kan slechts worden gedaan voor de door de ontvanger in te vorderen bedragen waarvoor artikel 19 van toepassing is, waaronder ook de aan het Uitvoeringsinstituut verschuldigde premies voor de werknemersverzekeringen worden verstaan. Indien echter de premieschuldige failliet is verklaard ligt het niet in de rede dat de ontvanger bij de curator een vordering indient voor de aan het Uitvoeringsinstituut verschuldigde premies. Het doen van een vordering is niet mogelijk voor belastingaanslagen ten aanzien waarvan de wettelijke schuldsaneringsregeling werkt. Voor belastingaanslagen die niet onder de werking van de wettelijke schuldsaneringsregeling vallen, blijft de mogelijkheid voor de ontvanger om ten laste van de belastingschuldige een vordering onder derden te doen echter wel bestaan.
|
||||
|
||||
Voor het doen van een vordering dient de ontvanger, met uitzondering van faillissementssituaties, te beschikken over een betekend dwangbevel met bevel tot betaling. Bij het bevel tot betaling wordt de belastingschuldige een termijn van twee dagen gegeven. De vordering wordt pas na afloop van deze termijn gedaan. Ingeval van versnelde invordering op grond van artikel 15 van de wet wordt veelal bevel tot onmiddellijke betaling gedaan. In dat geval behoeft voor het doen van een vordering uiteraard geen termijn van twee dagen in acht te worden genomen.
|
||||
|
||||
In het geval het dwangbevel per post is betekend en de invordering wordt vervolgd door middel van een vordering onder de werkgever (artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet) dan wel een andere vordering wordt gedaan op een periodieke uitkering waaraan een beslagvrije voet is verbonden is de ontvanger verplicht de belastingschuldige vooraf schriftelijk in kennis te stellen van zijn voornemen een vordering te doen. De vooraankondiging wordt niet eerder gedaan dan nadat vier dagen zijn verstreken na de datum waarop het afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling ter post is bezorgd door de ontvanger. De betreffende vordering wordt niet eerder gedaan dan zeven dagen na de dagtekening van de vooraankondiging. De vooraankondiging blijft achterwege indien de vordering wordt gedaan jegens een werkgever of uitkeringsinstantie die reeds op vordering van de ontvanger een belastingaanslag van de belastingschuldige betaalt of zou moeten betalen.
|
||||
In het geval het dwangbevel per post is betekend en de invordering wordt vervolgd door middel van een vordering onder de werkgever (artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet) is de ontvanger verplicht de belastingschuldige vooraf schriftelijk in kennis te stellen van zijn voornemen een vordering te doen. De vooraankondiging wordt niet eerder gedaan dan nadat vier dagen zijn verstreken na de datum waarop het afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling ter post is bezorgd door de ontvanger. De loonvordering wordt niet eerder gedaan dan zeven dagen na de dagtekening van de vooraankondiging. De vooraankondiging blijft achterwege indien de vordering wordt gedaan jegens een werkgever die reeds op vordering van de ontvanger een belastingaanslag van de belastingschuldige betaalt of zou moeten betalen.
|
||||
|
||||
Een vordering geschiedt bij beschikking die wordt bekendgemaakt aan degene jegens wie de vordering is gedaan en aan de belastingschuldige door toezending of, als de ontvanger dat wenselijk acht, door betekening. Bij de betekening van een vordering wordt gehandeld overeenkomstig de voor betekening van exploten geldende regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Voor de betekening worden geen kosten in rekening gebracht. Als de belastingschuldige in gemeenschap van goederen is gehuwd, wordt de vordering ten name van de echtgenoot van de belastingschuldige gesteld, wanneer de echtgenoot alleen gerechtigd is de gelden, penningen of periodieke betalingen te vorderen, tenzij op voorhand duidelijk is dat de gelden, penningen of periodieke betalingen niet in de tussen beiden bestaande huwelijksgemeenschap vallen. De bekendmaking van de vordering dient zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen acht dagen na het doen van de vordering, te geschieden aan de belastingschuldige en de echtgenoot afzonderlijk.
|
||||
|
||||
|
|
@ -923,16 +894,7 @@ Wanneer de derde voldoet aan de vordering van de ontvanger, maar later blijkt da
|
|||
|
||||
Wanneer een derde op vordering van de ontvanger betaalt en naderhand wordt de belastingaanslag verminderd of vernietigd wordt de hieruit voortvloeiende teruggaaf verrekend of terugbetaald aan de belastingschuldige. Aan de derde zal geen terugbetaling plaatshebben, omdat de derde jegens de belastingschuldige is gekweten en dus geen partij meer is.
|
||||
|
||||
Bij de toepassing van artikel 19, eerste lid, van de wet (het vereenvoudigd beslag op vorderingen tot bepaalde periodieke betalingen) bestaat onder voorwaarden de mogelijkheid een wettelijk beslagverbod gedeeltelijk te negeren. Van deze mogelijkheid maakt de ontvanger alleen gebruik als de belastingschuldige kan worden gekwalificeerd als een notoire wanbetaler in de zin van artikel 19, tweede lid, van de wet. De vordering waarbij een beroep wordt gedaan op de verruimde beslagmogelijkheid vindt steeds separaat plaats en wordt vooraf schriftelijk aangekondigd aan de belastingschuldige, onder vermelding van het bijzondere karakter daarvan. De vordering kan niet plaatsvinden voor kinderbijslag onder welke benaming dan ook. In voorkomend geval wordt voor de toepassing van de verruimde beslagmogelijkheid uitgegaan van het maximale bereik: een tiende deel van het bedrag dat op grond van de wet niet vatbaar is voor beslag.
|
||||
|
||||
In afwijking in zoverre van artikel 19, tweede lid, van de wet, vindt de vordering waarbij de doorbreking van een wettelijk beslagverbod wordt ingeroepen slechts plaats indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:
|
||||
|
||||
a. op het tijdstip waarop de vordering plaats vindt heeft de belastingschuldige meer dan één aanslag onbetaald gelaten;
|
||||
b. de enige of laatste betalingstermijn van deze aanslagen is op het tijdstip waarop de vordering plaats vindt met ten minste twee maanden overschreden;
|
||||
c. de belastingschuldige komt niet voor uitstel van betaling of kwijtschelding in aanmerking omdat hij, naar de ontvanger bekend is, beschikt over voldoende vermogen of voldoende betalingscapaciteit om de belastingaanslagen te voldoen;
|
||||
d. de onder c vermelde voorwaarde geldt niet voor aanslagen in de motorrijtuigenbelasting. Voor deze aanslagen geldt naast de voorwaarden genoemd onder a en b als extra voorwaarde dat op het tijdstip waarop de vordering plaats vindt sprake moet zijn van een motorrijtuigenbelastingschuld die door middel van reguliere invorderingsmiddelen (voor particulieren: de vordering, voor ondernemers: de tenuitvoerlegging van het dwangbevel) naar verwachting niet zal worden voldaan binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf genoemd tijdstip.
|
||||
|
||||
In een faillissement vallen de belastingschulden (als ook invorderingsrente en heffingsrente) voorzover zij materieel zijn ontstaan vóór de dag van de faillietverklaring. Met betrekking tot bijvoorbeeld de inkomsten- en de vennootschapsbelasting wordt, tenzij het tegendeel blijkt, ervan uitgegaan dat de materiële belastingschuld ontstaat van dag tot dag. Hieruit volgt dat in het faillissement de bedragen moeten worden geverifieerd die verschuldigd zijn tot aan de dag van de faillietverklaring, terwijl de nadien verschuldigd geworden bedragen niet verifieerbaar zijn en eventueel als boedelschuld moeten worden aangemeld. Omdat een ander standpunt tot welhaast onoverkomelijke moeilijkheden zou leiden, kan bij de splitsing van een belastingaanslag worden uitgegaan van een toerekening naar tijdsgelang. Wanneer een belastingaanslag is gesplitst worden voor het gedeelte dat ter verificatie kan worden aangemeld en het gedeelte dat als boedelschuld kan worden aangemerkt twee aparte vorderingen gedaan.
|
||||
In een faillissement vallen de belastingschulden (als ook invorderingsrente en heffingsrente) voorzover zij materieel zijn ontstaan vóór de dag van de faillietverklaring. Met betrekking tot bijvoorbeeld de inkomsten- en de vennootschapsbelasting wordt, tenzij het tegendeel blijkt, ervan uitgegaan dat de materiële belastingschuld ontstaat van dag tot dag. Hieruit volgt dat in het faillissement moeten worden geverifieerd de bedragen die tot aan de dag van de faillietverklaring geacht kunnen worden verschuldigd te zijn, terwijl de nadien verschuldigd geworden bedragen in beginsel als boedelschuld worden aangemeld. Omdat een ander standpunt tot welhaast onoverkomelijke moeilijkheden zou leiden, kan bij de splitsing van een belastingaanslag worden uitgegaan van een toerekening naar tijdsgelang. Wanneer een belastingaanslag is gesplitst worden voor het gedeelte dat ter verificatie kan worden aangemeld en het gedeelte dat als boedelschuld kan worden aangemerkt twee aparte vorderingen gedaan.
|
||||
|
||||
Omdat het vorenstaande betrekking heeft op de materiële belastingschuld is het niet van belang of de schuld is belichaamd in een voorlopige, definitieve, navorderings- of naheffingsaanslag (conserverende belastingaanslagen daaronder begrepen), terwijl evenmin de dagtekening terzake doet. Wel wordt er zoveel mogelijk voor gezorgd dat de belastingaanslagen - als het juiste bedrag nog niet kan worden bepaald zo nodig in de vorm van een voorlopige of een nadere voorlopige aanslag - op een zodanig tijdstip tot stand komen, dat indiening ter verificatie tijdig kan plaatshebben. Voor de vraag of een bestuurlijke boete in een faillissement valt, is uitsluitend van belang de dagtekening van de desbetreffende beschikking. Indien die beschikking is gedagtekend voor het faillissement, kan de boete in het faillissement worden aangemeld. Ligt de dagtekening na uitspraak van het faillissement, ook al heeft de boete betrekking op een situatie van vóór het faillissement, dan kan de boete niet meer in het faillissement worden aangemeld.
|
||||
|
||||
|
|
@ -942,7 +904,7 @@ Voor de in het faillissement vallende belastingschulden waarvoor artikel 19 van
|
|||
|
||||
Bij de beoordeling van de vraag of een vordering met betrekking tot een periodieke betaling zal worden gedaan, komt een doorslaggevende rol toe aan het feit dat de vordering een bijzonder invorderingsinstrument betreft waarmee een doelmatige en doeltreffende invordering van belastingschulden is beoogd. Dit betekent dat de vordering in beginsel de voorkeur verdient boven andere invorderingsmaatregelen waarbij het dwangbevel ten uitvoer wordt gelegd door middel van beslag. Wanneer het de invordering van zeer geringe bedragen betreft, bestaat er aanleiding eerst andere invorderingsmaatregelen te beproeven alvorens de derde via de vordering bij de invordering te betrekken.
|
||||
|
||||
Voor de meeste periodieke betalingen bestaat er een uniforme regeling over de beslagvrije voet die in aanmerking moet worden genomen wanneer beslag is gelegd op die betalingen. Deze regeling, die is opgenomen in artikel 475b e.v. Rv, geldt ook als een vordering wordt gedaan. Bij een vordering voor een periodieke betaling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet valt onder de vordering slechts dat deel van de periodieke betaling dat de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475b e.v. Rv overtreft. Hetzelfde geldt bij een vordering voor bezoldigingen als bedoeld in artikel 115 Ambtenarenwet. De voor de bepaling van de beslagvrije voet relevante bedragen, de normen in het kader van de studiefinanciering en de normen in het kader van de huurstoeslag zijn vermeld in de bijlagen Ia tot en met Ic.
|
||||
Voor de meeste periodieke betalingen bestaat er een uniforme regeling over de beslagvrije voet die in aanmerking moet worden genomen wanneer beslag is gelegd op die betalingen. Deze regeling, die is opgenomen in artikel 475b e.v. Rv, geldt ook als een vordering wordt gedaan. Bij een vordering voor een periodieke betaling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet valt onder de vordering slechts dat deel van de periodieke betaling dat de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475b e.v. Rv overtreft. Hetzelfde geldt bij een vordering voor bezoldigingen als bedoeld in artikel 115 Ambtenarenwet. De voor de bepaling van de beslagvrije voet relevante bedragen, de normen in het kader van de studiefinanciering en de normen in het kader van de huursubsidie zijn vermeld in de bijlagen Ia tot en met Ic.
|
||||
|
||||
Als een vordering wordt gedaan voor periodieke betalingen die niet vallen onder de opsomming van artikel 19, eerste lid (en waarvoor geen beslagvrije voet geldt) en de belastingschuldige toont aan dat hij voor zijn levensonderhoud volledig afhankelijk is van deze betalingen, dan past de ontvanger de artikelen 475b en 475d Rv toe. In dat geval geldt de vordering nog slechts voor het gedeelte waarmee de periodieke betaling de beslagvrije voet overtreft. Hetzelfde geldt bij vorderingen ten laste van een belastingschuldige die niet in Nederland woont of vast verblijft.
|
||||
|
||||
|
|
@ -988,7 +950,7 @@ Lijfsdwang op grond van artikel 20 van de wet is ten aanzien van een aansprakeli
|
|||
|
||||
### Artikel 21
|
||||
|
||||
Dit artikel voorziet in een voorrecht voor alle rijksbelastingen en de hierop verschuldigde opcenten, sociale verzekeringspremies, rente en kosten, op alle zaken en vermogensrechten waarop verhaal mogelijk is.
|
||||
Dit artikel voorziet in een voorrecht voor alle rijksbelastingen en de hierop verschuldigde opcenten, rente en kosten, op alle zaken en vermogensrechten waarop verhaal mogelijk is.
|
||||
|
||||
Artikel 3:277 BW geeft aan dat de kosten die aan een executie zijn verbonden steeds bij voorrang uit de opbrengst kunnen worden voldaan. Onder executiekosten kunnen in dit verband worden verstaan de kosten die met betrekking tot de uitwinning na het bevel tot betaling zijn gemaakt. Na een executie spitst de verdeling zich - met inachtneming van de rangorde - dus toe op de netto-opbrengst.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1042,9 +1004,9 @@ Ook zonder toepassing van het bodemrecht en afgezien van aansprakelijkheid van d
|
|||
|
||||
Voor zaken waarop met toepassing van het bodemrecht verhaal kan worden gezocht, wordt in het algemeen niet in de eerste plaats gebruik gemaakt van artikel 3:45 BW. Hieraan staat overigens niet in de weg dat subsidiair op dit artikel een beroep kan worden gedaan.
|
||||
|
||||
Een met toepassing van het bodemrecht gelegd beslag op niet aan de belastingschuldige toebehorende zaken vervalt niet door het uitspreken van de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling of door het faillissement van de belastingschuldige. Het beslag op dergelijke bodemzaken kan ook nog worden gelegd na het uitspreken van de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling of van het faillissement, mits de zaken zich op het moment van de beslaglegging nog op de bodem van de belastingschuldige bevinden. Ook tijdens een zogenoemde afkoelingsperiode is het mogelijk bodembeslag te leggen. Een bodembeslag dat tijdens een afkoelingsperiode in een faillissement of surseance wordt gelegd, kan echter niet worden tegengeworpen aan de derde-eigenaar van een zaak, als deze voordat het beslag was gelegd bij deurwaardersexploot aanspraak heeft gemaakt op afgifte van de zaak (artt. 63c en 241c Fw.). Als de derde-eigenaar de bodemzaak heeft verpand, geldt hetzelfde voor de pandhouder van die zaak die een dergelijk exploot heeft uitgebracht.
|
||||
Een met toepassing van het bodemrecht gelegd beslag op niet aan de belastingschuldige toebehorende zaken vervalt niet door het uitspreken van de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling of door het faillissement van de belastingschuldige. Het beslag op bodemzaken kan ook nog worden gelegd na het uitspreken van de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling of van het faillissement, mits de zaken zich op het moment van de beslaglegging nog op de bodem van de belastingschuldige bevinden. Bodembeslag is ook mogelijk tijdens de zogenaamde afkoelingsperiode van artikel 63a en 309 FW. Gedurende de afkoelingsperiode kan het beslag, anders dan met toestemming van de rechter-commissaris, echter niet verder worden vervolgd. Het voor of tijdens de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling gelegde beslag vervalt zodra ten aanzien van de derde de uitspraak, houdende de vaststelling van het saneringsplan in kracht van gewijsde is gegaan, tenzij de rechter op voordracht van de rechter-commissaris of op verzoek van de bewindvoerder dan wel van de schuldenaar reeds een vroeger tijdstip daarvoor heeft bepaald.
|
||||
|
||||
Het voor of tijdens de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling gelegde beslag vervalt zodra ten aanzien van de derde-eigenaar de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken. Het voor of tijdens het faillissement gelegde beslag vervalt wanneer de derde-eigenaar in staat van faillissement wordt verklaard. De ontvanger meldt zijn vordering alsdan ter verificatie aan in de schuldsaneringsregeling dan wel het faillissement van de derde tot een bedrag gelijk aan de waarde in het economisch verkeer van de in beslag genomen zaken, maar ten hoogste tot het bedrag van de vordering. Hij beroept zich hierbij op de fiscale voorrang. Een vordering op grond van artikel 19 van de wet kan in dit geval niet worden gedaan.
|
||||
Het voor of tijdens het faillissement gelegde beslag vervalt wanneer de derde-eigenaar in staat van faillissement wordt verklaard. De ontvanger meldt zijn vordering alsdan ter verificatie aan in de schuldsaneringsregeling dan wel het faillissement van de derde tot een bedrag gelijk aan de waarde in het economische verkeer van de in beslag genomen zaken, maar ten hoogste tot het bedrag van de vordering. Hij beroept zich hierbij op de fiscale voorrang. Een vordering op grond van artikel 19 van de wet kan in dit geval niet worden gedaan.
|
||||
|
||||
De ontvanger gaat ervan uit dat een verzet op de voet van artikel 456 Rv of artikel 538 e.v. Rv tegen de verkoop van roerende c.q. onroerende zaken de voortgang van de executie niet van rechtswege opschort.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1054,7 +1016,7 @@ Voor de toepasselijkheid van artikel 22, derde lid, van de wet is in de eerste p
|
|||
|
||||
Het bodemrecht geldt voor:
|
||||
|
||||
- naheffingsaanslagen in de loonbelasting en sociale verzekeringspremies ten laste van inhoudingsplichtigen met uitzondering van naheffingsaanslagen terzake van huispersoneel
|
||||
- naheffingsaanslagen in de loonbelasting en premieheffing volksverzekeringen ten laste van inhoudingsplichtigen met uitzondering van naheffingsaanslagen terzake van huispersoneel
|
||||
- de omzetbelasting, alsmede de belasting van personenauto's en motorrijwielen ten laste van een ander dan degene op wiens naam het kenteken is gesteld
|
||||
- de dividendbelasting
|
||||
- de kansspelbelasting ten laste van inhoudingsplichtigen
|
||||
|
|
@ -1065,13 +1027,18 @@ Het bodemrecht geldt voor:
|
|||
|
||||
Voorts geldt het bodemrecht voor uitnodigingen tot betaling en voor op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de wet met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikkingen inzake heffingsrente, inzake bestuurlijke boeten die worden opgelegd in verband met vorenbedoelde naheffingsaanslagen, inzake bestuurlijke boeten als bedoeld in hoofdstuk 5 DW, inzake compenserende rente of inzake kosten van ambtelijke werkzaamheden.
|
||||
|
||||
Op losse boetebeschikkingen die niet in verband staan tot een belastingaanslag is het bodemrecht niet van toepassing. Het bodemrecht geldt onder andere niet voor de verzekeringspremies over tijdvakken gelegen vóór 1 januari 2006 die zijn verschuldigd aan het Uitvoeringsinstituut.
|
||||
Op losse boetebeschikkingen die niet in verband staan tot een belastingaanslag is het bodemrecht niet van toepassing. Het bodemrecht geldt onder andere niet voor de verzekeringspremies die zijn verschuldigd aan het Uitvoeringsinstituut.
|
||||
|
||||
In artikel 22 van de wet is geen bepaling omtrent voorrang opgenomen, maar volgens vaste jurisprudentie kan de ontvanger ook bij toepassing van dit artikel zich op de fiscale voorrang beroepen. Dit is onder meer van belang wanneer de derde-eigenaar van de bodemzaken in staat van faillissement is verklaard.
|
||||
|
||||
Het beroepschrift ex artikel 22 van de wet moet worden ingediend bij de ontvanger, waaronder de belastingschuldige ressorteert. Een beroepschrift kan niet meer worden ingediend als het beslag is opgeheven of vervallen, bijvoorbeeld omdat de inbeslaggenomen zaken inmiddels zijn verkocht of de belastingschuldige failliet is verklaard en het gaat om bezitloos verpande zaken die door het faillissement weer in de boedel vallen. Wordt desalniettemin toch een beroepschrift ingediend, dan zal dit beroepschrift door de directeur over het algemeen in verband met termijnoverschrijding niet ontvankelijk worden verklaard en niet in behandeling worden genomen, gelet op het feit dat het beslag niet meer ligt.
|
||||
|
||||
Als uit het beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het beroep gebaseerd is, verzoekt de ontvanger de belastingschuldige het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De ontvanger wijst daarbij op een mogelijke niet-ontvankelijk verklaring bij het niet voldoen aan deze motiveringsplicht.
|
||||
Onverminderd het bepaalde in artikel 22 van de wet is op de beroepsfase naast hetgeen in dit artikel is bepaald hoofdstuk 6 van het Voorschrift Awb 1997 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
|
||||
|
||||
- met betrekking tot een beroepschrift waaruit niet direct duidelijk blijkt waarop het beroep gebaseerd is geldt dat de indiener wordt verzocht het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. Deze termijn kan ook terstond zijn. De ontvanger wijst de indiener op een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring bij het niet voldoen aan de motiveringsplicht;
|
||||
- de directeur op het beroepschrift binnen acht weken na ontvangst daarvan dient te beslissen, met de mogelijkheid tot verlenging (zie voor de mogelijkheid tot verlenging § 6.2.7, eerste alinea, Voorschrift Awb 1997).
|
||||
|
||||
In dit verband wordt nog opgemerkt dat als voorbeelden van gevallen waarin sprake kan zijn van een kennelijk ongegrond beroep als bedoeld in § 6.2.2 van het Voorschrift Awb 1997 de volgende kunnen worden genoemd: gehele of gedeeltelijke tegemoetkoming aan het beroep is duidelijk in strijd met een wettelijk voorschrift of met door de Staatssecretaris van Financiën vastgesteld en gepubliceerd beleid; het beroep richt zich tegen een beslissing die geheel overeenkomt met bestaand - bijvoorbeeld door de rechter, de Commissie voor de Verzoekschriften of de Nationale ombudsman, getoetst - beleid.
|
||||
|
||||
Een beroepschrift dat te laat is ingediend, maar dat betrekking heeft op een beslag dat nog steeds ligt, zal door de directeur niet ontvankelijk worden verklaard, tenzij hij van oordeel is dat de indiener niet in verzuim is geweest. Een in verband met te late indiening niet-ontvankelijk verklaard beroepschrift, zal de directeur, ambtshalve in behandeling nemen. In dat geval wordt de executie van de desbetreffende zaken, indien redelijkerwijs nog mogelijk, opgeschort. De ontvanger prolongeert, ongeacht de eventuele wettelijke noodzaak daartoe, in het algemeen eveneens als een tijdig ingediend beroepschrift niet op alle inbeslaggenomen zaken betrekking heeft. Als de belanghebbende zich, voordat hij een beroepschrift indient of een procedure aanspant, met zijn bezwaren tot de ontvanger wendt, wijst deze de belanghebbende voor zoveel nodig op de mogelijkheid een beroepschrift tot de directeur te richten. Als de ontvanger in dit stadium met de belanghebbende tot een oplossing kan komen, verdient dit uiteraard aanbeveling. In geval van leasing geldt echter dat de opheffing van een beslag door de ontvanger in dat geval niet plaatsvindt dan na overleg met de directeur. Komt de ontvanger na de indiening van een beroepschrift, maar voordat doorzending aan de directeur heeft plaatsgevonden, tot de slotsom dat ten onrechte beslag is gelegd, dan heft hij het beslag op en bevordert de intrekking van het beroepschrift. Heeft doorzending van het beroepschrift aan de directeur reeds plaatsgevonden dan wordt het beslag na overleg met de directeur opgeheven. Er volgt dan nog wel een beslissing van de directeur op het beroepschrift.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1115,15 +1082,7 @@ Voorts geeft het besluit nog een bijzondere regeling voor specifieke lease-objec
|
|||
- zaken die door de derde onder enige titel ter beschikking zijn gesteld, terwijl zodanige afspraken zijn gemaakt tussen de belastingschuldige en de derde dat de belastingschuldige, hoewel hij formeel zelfstandig ondernemer is en hij dientengevolge risico's draagt, in feite de vrije beschikkingsmacht over zijn bedrijf en de beslissingsbevoegdheid, die normaliter bij het ondernemerschap past, geheel of ten dele mist, omdat hij deze in een van de situatie afhankelijke mate feitelijk moet overlaten aan die derde, zonder welke de bedrijfsvoering (of een deel daarvan) zoals die plaatsvindt niet denkbaar is;
|
||||
- zaken die zijn vervreemd in het kader van de uitoefening van een pandrecht of een ander tot zekerheid strekkend recht (mede) met het oogmerk deze zaken aan verhaal door de ontvanger te onttrekken.
|
||||
|
||||
Bij beëindiging van een lease-overeenkomst door het verstrijken van de overeengekomen leaseperiode of door opzegging geldt in het algemeen als uitgangspunt dat een aanvankelijke kwalificatie ook na opzegging blijft gelden. Dit uitgangspunt lijdt echter uitzondering indien de lessor het object na beëindiging van de lease-overeenkomst (regulier dan wel voortijdig) zonder rechtsgeldige titel bij de lessee in gebruik laat.
|
||||
|
||||
De lessor dient, bij beëindiging van de lease, het gebruiksrecht aan de lessee te ontzeggen; zowel formeel als de facto.
|
||||
|
||||
Indien ten tijde van de beslaglegging blijkt dat het object, ondanks de opzegging van de lease-overeenkomst, nog in gebruik is bij de lessee zal de lessor aan moeten tonen dat hij – naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid – al het mogelijke heeft gedaan en nog steeds doet, om het voortgezette gebruik door de lessee te beëindigen. Onder ‘al het mogelijke’ wordt met name meer verstaan dan een formeel verbod op het gebruik: er moet sprake zijn van controle daarop en zo mogelijk het fysiek onmogelijk maken van voortgezet gebruik.
|
||||
|
||||
Deze voorwaarde is niet van toepassing indien de periode tussen opzegging en beslaglegging dusdanig kort is dat van de lessor redelijkerwijs niet kan worden gevergd al de nodige actie te hebben ondernomen.
|
||||
|
||||
De directeur pleegt met betrekking tot de te nemen beslissing voor zoveel nodig overleg met zijn bij de zaak betrokken ambtgenoten. De beslissing wordt, ook als sprake is van een te laat ingediend beroepschrift, gemotiveerd. De directeur zendt zijn beslissing op een ontvankelijk verklaard beroepschrift aan de ontvanger. Deze draagt zorg voor onmiddellijke betekening van de beslissing aan de derde, aan de belastingschuldige of hun gemachtigden en - zo nodig - aan de bewaarder. De verkoop mag niet eerder plaatsvinden dan op de achtste dag na die van de betekening van de beslissing van de directeur op een tijdig ingediend beroepschrift. Voor de betekening van de beslissing van de directeur worden geen kosten in rekening gebracht. Ten overvloede wordt opgemerkt dat het verbod de verkoop te laten plaatsvinden eerder dan op de achtste dag na die van de betekening, uitsluitend geldt als sprake is van tijdig ingediende beroepschriften. Een beslissing op een niet-ontvankelijk verklaard beroepschrift wordt door de directeur rechtstreeks aan de derde, aan de belastingschuldige of hun gemachtigden en - zo nodig - aan de bewaarder toegezonden. Een beslissing op een niet-ontvankelijk verklaard beroepschrift wordt hetzij door de directeur rechtstreeks aan de adressant of zijn gemachtigde en - zo nodig - aan de bewaarder gezonden, hetzij op verzoek van de directeur verzonden en betekend op de wijze die geldt voor een ontvankelijk verklaard beroepschrift.
|
||||
De directeur pleegt met betrekking tot de te nemen beslissing voor zoveel nodig overleg met zijn bij de zaak betrokken ambtgenoten. De beslissing wordt, ook als sprake is van een te laat ingediend beroepschrift, gemotiveerd. De directeur zendt zijn beslissing op een ontvankelijk verklaard beroepschrift aan de ontvanger. Deze draagt zorg voor onmiddellijke betekening van de beslissing aan de derde, aan de belastingschuldige of hun gemachtigden en - zo nodig - aan de bewaarder. De verkoop mag niet eerder plaatsvinden dan op de achtste dag na die van de betekening van de beslissing van de directeur op een tijdig ingediend beroepschrift. Voor de betekening van de beslissing van de directeur worden geen kosten in rekening gebracht. Ten overvloede wordt opgemerkt dat het verbod de verkoop te laten plaatsvinden eerder dan op de achtste dag na die van de betekening, uitsluitend geldt als sprake is van tijdig ingediende beroepschriften. Een beslissing op een niet-ontvankelijk verklaard beroepschrift wordt door de directeur rechtstreeks aan de derde, aan de belastingschuldige of hun gemachtigden en - zo nodig - aan de bewaarder toegezonden. Als het gewenst is dat de zaken, in afwachting van de beslissing op het beroepschrift, spoedig worden verkocht, kan de ontvanger na overleg met de directeur erin toestemmen dat de verkoop door de derde geschiedt mits de opbrengst - die in dit opzicht in de plaats van de zaken treedt - in afwachting van de beslissing bij de ontvanger wordt gedeponeerd.
|
||||
|
||||
Als een derde bezwaar maakt tegen een beslaglegging op roerende zaken en uit het ingediende geschrift niet kan worden opgemaakt of is beoogd administratief beroep in te stellen op grond van artikel 22 van de wet dan wel verzet aan te tekenen op grond van artikel 435, derde lid, Rv, nodigt de ontvanger de derde uit zich daaromtrent binnen tien dagen uit te laten. Als de derde niet reageert, wordt het geschrift aangemerkt als een beroepschrift ex artikel 22 van de wet.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1171,9 +1130,9 @@ De verrekening vindt niet van rechtswege plaats. De ontvanger bepaalt of al dan
|
|||
|
||||
In het algemeen blijft verrekening met een te betalen bedrag dat door de belastingschuldige wordt betwist achterwege, indien voor dit bedrag uitstel van betaling in de zin van artikel 25, § 2, van deze leidraad is verleend. Hiervan kan worden afgeweken als de financiële situatie van de belastingschuldige, bijvoorbeeld gelet op de solvabiliteit van diens onderneming in relatie met de hoogte van de bestreden belastingschuld, zodanig is dat vrees voor onverhaalbaarheid bestaat en voorts geen voldoende zekerheid is gesteld. Bovendien vindt, in afwijking van de eerste volzin, verrekening wel plaats als de belastingschuldige hierom verzoekt.
|
||||
|
||||
De ontvanger kan aan een belastingschuldige uit te betalen bedragen verrekenen met van deze belastingschuldige te innen bedragen. Dat geldt niet alleen voor bedragen die betrekking hebben op rijksbelastingen en andere belastingen en heffingen waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen maar ook voor bedragen van de daarmee verband houdende (bestuurs- of civielrechtelijke) vorderingen van belastingschuldige op de Staat of de ontvanger. Opgemerkt wordt dat artikel 24 van de wet ook geldt voor vorderingen van het Uitvoeringsinstituut die betrekking hebben op tijdvakken gelegen vóór 1 januari 2006, zolang de ontvanger met de invordering van die vorderingen is belast. In dat geval is verrekening van uit te betalen bedragen met een openstaande vordering van het Uitvoeringsinstituut ook mogelijk. Verrekening met een belastingaanslag kan plaatsvinden vanaf de datum van de dagtekening van het aanslagbiljet
|
||||
De ontvanger kan aan een belastingschuldige uit te betalen bedragen verrekenen met van deze belastingschuldige te innen bedragen. Opgemerkt wordt dat artikel 24 van de wet ook geldt voor vorderingen van het Uitvoeringsinstituut, zolang de ontvanger met de invordering van die vorderingen is belast, zodat verrekening van uit te betalen bedragen met een openstaande vordering van het Uitvoeringsinstituut ook mogelijk is.
|
||||
|
||||
In het geval van een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting waarvan het aanslagbiljet een dagtekening heeft die ligt in het jaar waarover deze is vastgesteld, kan verrekening pas plaatsvinden voorzover er betalingstermijnen zijn verstreken, tenzij sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen b, c of d, van de wet, in welk geval verrekening mogelijk is vanaf het moment dat zich één van de daar genoemde situaties voordoet. Ondanks dat de wet daartoe wel de mogelijkheid biedt, worden uit te betalen bedragen door de B/CA niet automatisch verrekend met belastingaanslagen die (nog) niet invorderbaar zijn. Dit betekent echter niet dat in het geheel niet tot verrekening binnen de betalingstermijn wordt overgegaan. De ontvanger is bevoegd om in daartoe aanleiding gevende gevallen binnen de betalingstermijn te verrekenen.
|
||||
Verrekening met een belastingaanslag kan plaatsvinden vanaf de datum van de dagtekening van het aanslagbiljet. In het geval van een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting waarvan het aanslagbiljet een dagtekening heeft die ligt in het jaar waarover deze is vastgesteld, kan verrekening pas plaatsvinden voorzover er betalingstermijnen zijn verstreken, tenzij sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen b, c of d, van de wet, in welk geval verrekening mogelijk is vanaf het moment dat zich één van de daar genoemde situaties voordoet. Ondanks dat de wet daartoe wel de mogelijkheid biedt, worden uit te betalen bedragen door de B/CA niet automatisch verrekend met belastingaanslagen die (nog) niet invorderbaar zijn. Dit betekent echter niet dat in het geheel niet tot verrekening binnen de betalingstermijn wordt overgegaan. De ontvanger is bevoegd om in daartoe aanleiding gevende gevallen binnen de betalingstermijn te verrekenen.
|
||||
|
||||
Verrekening met andere bedragen waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen kan plaatsvinden vanaf het moment waarop de invordering feitelijk aan de ontvanger is opgedragen, welk moment wordt gemarkeerd door de toezending van het dwangbevel door de heffende instantie. Laatstbedoelde verrekening is echter niet meer mogelijk zodra de belastingschuldige failliet is verklaard.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1195,9 +1154,9 @@ De betalingskorting (zie hiervoor hetgeen bij artikel 27a van deze leidraad is v
|
|||
|
||||
Als met betrekking tot een conserverende belastingaanslag dan wel met betrekking tot de in een belastingaanslag inkomstenbelasting begrepen belasting uitstel van betaling is verleend op de voet van artikel 25, paragrafen 4, 5a, 5b, 5c, 5d, 5e, 5f, 6 of 6a van deze leidraad wordt gedurende de looptijd van het uitstel niet tot verrekening overgegaan. Verrekening van uit te betalen bedragen met bestuurlijke boeten die nog niet onherroepelijk vaststaan en die samenhangen met de conserverende belastingaanslag dan wel samenhangen met de belasting waarvoor ingevolge artikel 25, negende, dertiende, veertiende, zestiende of achttiende lid, van de wet uitstel van betaling is verleend kan zonder enig bezwaar plaatsvinden, tenzij voor de bestuurlijke boete uitstel van betaling is verleend in verband met bezwaar of beroep. Voor een zodanige bestuurlijke boete wordt in elk geval geen uitstel van betaling verleend als bedoeld in artikel 25, paragrafen 4, 5a, 5b, 5c, 5d, 5e, 5f, 6 of 6a van deze leidraad. Zie in dit verband artikel 25, §4, zesde lid, van deze leidraad.
|
||||
|
||||
In het geval de belastingschuldige periodieke inkomsten geniet en zijn partner maandelijks voorlopige teruggaven ontvangt, kunnen die teruggaven zonder toestemming van de partner niet met de de belastingschulden van de belastingschuldige worden verrekend. Zie in dit verband hoofdstuk III, artikel 19, §3, lid 7 a.
|
||||
Bij verrekening van een voorlopige teruggaaf dient rekening te worden gehouden met de beslagvrije voet. Indien de voorlopige teruggaaf om doelmatigheidsredenen in één keer kan worden uitbetaald, wordt daarvan bij de berekening van de beslagvrije voet niet uitgegaan. Indien de ontvanger derhalve het bedrag van de voorlopige teruggaaf wil verrekenen met een belastingaanslag, zal die verrekening slechts betrekking kunnen hebben op het vervallen termijnbedrag, althans voor zover dit bedrag op grond van het voorgaande voor verrekening in aanmerking komt. In het geval de belastingschuldige periodieke inkomsten geniet en zijn partner maandelijks voorlopige teruggaven ontvangt, kunnen die teruggaven zonder toestemming van de partner niet met de de belastingschulden van de belastingschuldige worden verrekend. Zie in dit verband hoofdstuk III, artikel 19, §3, lid 7 a.
|
||||
|
||||
Als sprake is van een belastingaanslag die betrekking heeft op dezelfde belasting en hetzelfde tijdvak als een voorlopige teruggaaf, is verrekening mogelijk van die teruggaaf met de belastingaanslag in weerwil van instemming met cessie of verpanding van de teruggaaf.
|
||||
Als sprake is van een belastingaanslag die betrekking heeft op dezelfde belasting en hetzelfde tijdvak als een voorlopige teruggaaf, is verrekening mogelijk van die teruggaaf met de belastingaanslag in weerwil van instemming met cessie of verpanding van de teruggaaf. Bij verrekening van de voorlopige teruggaaf met de betreffende belastingaanslag in deze situatie wordt ook geen rekening gehouden met de beslagvrije voet. Immers de belastingaanslag kan worden gezien als een correctie op de vastgestelde voorlopige teruggaaf.
|
||||
|
||||
Vervallen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1225,9 +1184,14 @@ De ontvanger maakt zijn beschikking aan de belastingschuldige en aan de derde, i
|
|||
|
||||
Wanneer de instemming is geweigerd en de belastingaanslagen die destijds aan de weigering ten grondslag hebben gelegen ten tijde van de uitbetaling van het terug te geven bedrag inmiddels zijn voldaan, dient uitbetaling plaats te vinden aan de cessionaris of pandhouder. Evenzo kan, in het geval na verrekening van het terug te geven bedrag met belastingaanslagen die destijds aan de weigering ten grondslag hebben gelegen nog een saldo om uit te betalen resteert, bevrijdende uitbetaling daarvan slechts plaatsvinden aan de cessionaris of pandhouder.
|
||||
|
||||
Vervallen.
|
||||
Op verzoeken om instemming met een cessie of een pandrecht is hoofdstuk 5 van het Voorschrift Awb 1997 van toepassing, waarbij de beslissing op een dergelijk verzoek wordt aangemerkt als een financiële beschikking.
|
||||
|
||||
Als uit het beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het beroep gebaseerd is, verzoekt de ontvanger de belastingschuldige het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De ontvanger wijst daarbij op een mogelijke niet-ontvankelijk verklaring bij het niet voldoen aan deze motiveringsplicht.
|
||||
Onverminderd het bepaalde in artikel 24 van de wet is op de beroepsfase naast hetgeen in deze paragraaf is bepaald hoofdstuk 6 van het Voorschrift Awb 1997 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
|
||||
|
||||
- met betrekking tot een beroepschrift waaruit niet direct duidelijk blijkt waarop het beroep gebaseerd is geldt dat de indiener wordt verzocht het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De ontvanger wijst de indiener op een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring bij het niet voldoen aan deze motiveringsplicht;
|
||||
- de directeur op het beroepschrift binnen acht weken na ontvangst daarvan dient te beslissen, met de mogelijkheid tot verlenging (zie voor de mogelijkheid tot verlenging § 6.2.7, eerste alinea, Voorschrift Awb 1997).
|
||||
|
||||
In dit verband wordt nog opgemerkt dat als voorbeelden van gevallen waarin sprake kan zijn van een kennelijk ongegrond beroep als bedoeld in § 6.2.2 van het Voorschrift Awb 1997, de volgende kunnen worden genoemd: gehele of gedeeltelijke tegemoetkoming aan het beroep is duidelijk in strijd met een wettelijk voorschrift of met door de Staatssecretaris van Financiën vastgesteld en gepubliceerd beleid; het beroep richt zich tegen de afwijzing van een herhaalde aanvraag zonder dat in het beroepschrift melding wordt gemaakt van sedert het eerste besluit nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden; het beroep richt zich tegen een beslissing die geheel overeenkomt met bestaand - bijvoorbeeld door de rechter, de Commissie voor de Verzoekschriften of de Nationale ombudsman, getoetst - beleid.
|
||||
|
||||
De beslissing van de directeur geschiedt bij beschikking. De bekendmaking van de beschikking geschiedt door toezending of uitreiking aan zowel de belastingschuldige als de derde, in casu de pandhouder of cessionaris. Als op het beroepschrift afwijzend is beslist, vindt verrekening niet eerder plaats dan nadat, na de dagtekening van de kennisgeving waarmee de beslissing van de directeur is bekendgemaakt, acht dagen zijn verstreken. Gedurende deze termijn wordt het uit te betalen bedrag noch uitbetaald noch verrekend.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1259,7 +1223,7 @@ In dat geval wordt geen beschikking gegeven. Het uitstelbeleid is niet van toepa
|
|||
|
||||
Gedurende de behandeling van het verzoek om uitstel van betaling handelt de ontvanger overeenkomstig het beleid dat wordt gevoerd als ware het verzoek toegewezen. Als er aanwijzingen bestaan dat de belangen van de Staat kunnen worden geschaad, kan de ontvanger ondanks het verzoek om uitstel wel invorderingsmaatregelen treffen.
|
||||
|
||||
Bij toewijzing van het verzoek worden de voorwaarden waaronder uitstel van betaling is verleend in de beschikking vermeld. (Zie ook lid 15 van deze paragraaf).
|
||||
Op het schriftelijk ingediende verzoek om uitstel van betaling is naast hetgeen in deze paragraaf en de volgende paragrafen is bepaald hoofdstuk 5 van het Voorschrift Awb 1997 van toepassing, voorzover daarvan hierna niet wordt afgeweken. Bij toewijzing van het verzoek worden de voorwaarden waaronder uitstel van betaling is verleend in de beschikking vermeld. (Zie ook lid 15 van deze paragraaf).
|
||||
|
||||
Een verzoek om uitstel van betaling wordt onder meer afgewezen als:
|
||||
|
||||
|
|
@ -1298,9 +1262,7 @@ Gelegde beslagen blijven liggen. De bepaling verhindert uiteraard niet dat een v
|
|||
|
||||
Als de ontvanger geen (verder) uitstel van betaling verleent of een verleend uitstel beëindigt, dan wel de directeur afwijzend heeft beslist op een ingediend beroepschrift tegen de afwijzing of beëindiging, wordt de vervolging in beginsel niet aangevangen of voortgezet binnen een termijn van tien dagen na dagtekening van de beschikking. Hetzelfde geldt als het uitstel van betaling van rechtswege is vervallen en daarvan een mededeling is gedaan. Een dergelijke mededeling blijft overigens achterwege, als op telefonisch verzoek uitstel is verleend. In dat geval geldt de termijn van tien dagen dus niet. Verkorting of het niet verlenen van deze termijn vindt onder meer plaats als er aanwijzingen zijn dat de belangen van de Staat kunnen worden geschaad. Voorts geldt deze termijn niet als het uitstel is verleend in het kader van een prolongatie (zie artikel 14, § 1, lid 11a, van deze leidraad).
|
||||
|
||||
Als uitstel van betaling wordt gevraagd voor een ambtshalve opgelegde belastingaanslag kan de ontvanger dit alleen voor een korte termijn verlenen om verzoeker in de gelegenheid te stellen alsnog het aangiftebiljet in te dienen. De door de ontvanger te bepalen termijn waarbinnen het biljet moet worden ingediend zal worden gesteld op ten hoogste één maand na dagtekening van zijn beschikking. Wanneer het biljet niet binnen deze termijn wordt ingediend, wordt aan de belastingschuldige medegedeeld dat het uitstel derhalve is vervallen. Aan de belastingschuldige wordt niet nogmaals uitstel van betaling verleend om het biljet alsnog in te dienen. Geen uitstel als hiervoor bedoeld wordt verleend wanneer het een heffing van een andere instantie betreft waarvan de invordering aan de Belastingdienst is opgedragen en die andere instantie al in een eerder stadium uitstel heeft verleend om betrokkene de gelegenheid te geven alsnog aangifte te doen.
|
||||
|
||||
Voor een aanslag die uitsluitend wordt opgelegd met het doel de bevoegdheid tot het vaststellen van een aanslag te behouden, een en ander als bedoeld in artikel 11, lid 3, artikel 16, lid 3 en artikel 20, lid 3, van de AWR, verleent de ontvanger ambtshalve uitstel van betaling. Het uitstel wordt verleend voor het gehele bedrag van de aanslag en duurt voort tot het moment waarop de inspecteur de belastingplichtige de precieze elementen van de aanslag heeft meegedeeld.
|
||||
Als uitstel van betaling wordt gevraagd voor een ambtshalve opgelegde belastingaanslag kan de ontvanger dit alleen voor een korte termijn verlenen om verzoeker in de gelegenheid te stellen alsnog het ingevulde en ondertekende aangiftebiljet in te dienen. De door de ontvanger te bepalen termijn waarbinnen het biljet moet worden ingediend zal worden gesteld op ten hoogste één maand na dagtekening van zijn beschikking. Wanneer het biljet niet binnen deze termijn wordt ingediend, wordt aan de belastingschuldige medegedeeld dat het uitstel derhalve is vervallen. Aan de belastingschuldige wordt niet nogmaals uitstel van betaling verleend om het biljet alsnog in te dienen. Geen uitstel als hiervoor bedoeld wordt verleend wanneer het een heffing van een andere instantie betreft waarvan de invordering aan de Belastingdienst is opgedragen en die andere instantie al in een eerder stadium uitstel heeft verleend om betrokkene de gelegenheid te geven alsnog aangifte te doen.
|
||||
|
||||
Uitstel van betaling voor een bestuurlijke boete wordt verleend in verband met bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de bestuurlijke boete. Voorts wordt uitstel van betaling verleend van een bestuurlijke boete als sprake is van een bezwaarschrift tegen een belastingaanslag en de bedragen van die belastingaanslag en van een voor bezwaar vatbare beschikking waarbij een bestuurlijke boete wordt opgelegd op één aanslagbiljet zijn vermeld, tenzij uit het bezwaarschrift blijkt dat het bezwaar zicht niet richt tegen de bestuurlijke boete. Aan het uitstel kan de voorwaarde worden verbonden dat maatregelen worden getroffen die ertoe strekken de belangen van de Staat veilig te stellen. Het uitstel wordt verleend tot het moment waarop op het bezwaarschrift is beslist.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1326,7 +1288,13 @@ Om de belangen van de Staat niet te schaden, kan de beschikking op een vlak voor
|
|||
|
||||
Als de ontvanger een schriftelijk ingediend verzoek om uitstel afwijst of een verleend uitstel beëindigt kan de belastingschuldige daartegen schriftelijk opkomen bij de directeur. Het gemotiveerde beroepschrift dient te worden gericht tot de directeur. Het beroepschrift wordt ingediend bij de ontvanger die de beschikking heeft genomen. Als ambtelijke beroepsinstantie toetst de directeur de beschikking van de ontvanger aan het beleid, waarbij de directeur zal bezien in hoeverre de ontvanger in de concrete situatie in redelijkheid tot zijn beschikking heeft kunnen komen. Zodra de ontvanger blijkt van een zodanig beroepschrift aan de directeur neemt hij een overeenkomstige houding aan als tijdens de behandeling van een verzoek om uitstel.
|
||||
|
||||
Met overeenkomstige toepassing van artikel 24 van de regeling geldt dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift tien dagen bedraagt. Als uit het beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het beroep gebaseerd is, verzoekt de ontvanger de belastingschuldige het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De ontvanger wijst daarbij op een mogelijke niet-ontvankelijk verklaring bij het niet voldoen aan deze motiveringsplicht.
|
||||
Op de beroepsfase is naast hetgeen in deze paragraaf is bepaald hoofdstuk 6 van het Voorschrift Awb 1997 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
|
||||
|
||||
- in afwijking in zoverre van het bepaalde in artikel 6.1.2 van het Voorschrift Awb 1997 de termijn voor het indienen van een beroepschrift tien dagen bedraagt;
|
||||
- met betrekking tot een beroepschrift waaruit niet duidelijk blijkt waarop het beroep gebaseerd is geldt dat de indiener wordt verzocht het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De ontvanger wijst de indiener op een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring bij het niet voldoen aan deze motiveringsplicht;
|
||||
- de directeur op het beroepschrift binnen acht weken na ontvangst daarvan dient te beslissen, met de mogelijkheid tot verlenging (zie voor de mogelijkheid tot verlenging § 6.2.7, eerste alinea, Voorschrift Awb 1997).
|
||||
|
||||
In dit verband wordt nog opgemerkt dat als voorbeelden van gevallen waarin sprake kan zijn van een kennelijk ongegrond beroep als bedoeld in hoofdstuk 6, § 6.2.2, van het Voorschrift Awb 1997 de volgende kunnen worden genoemd; gehele of gedeeltelijke tegemoetkoming aan het beroep is duidelijk in strijd met een wettelijk voorschrift of met door de Staatssecretaris van Financiën vastgesteld en gepubliceerd beleid; het beroep richt zich tegen de afwijzing van een herhaalde aanvraag zonder dat in het beroepschrift melding wordt gemaakt van sedert het eerste besluit nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden; het beroep richt zich tegen een beslissing die geheel overeenkomt met bestaand - bijvoorbeeld door de rechter, de Commissie voor de Verzoekschriften of de Nationale ombudsman, getoetst - beleid.
|
||||
|
||||
Tegen het niet tijdig nemen van een beslissing door de ontvanger op een verzoek om uitstel kan beroep worden ingesteld. Het indienen van een beroepschrift is in deze situatie niet aan een termijn gebonden. Blijkt tijdens de beroepsprocedure dat uitstel had moeten worden verleend, dan behoeft de directeur niet te volstaan met de uitspraak dat de ontvanger niet tijdig heeft beslist, maar kan hij op het beroepschrift van de belastingschuldige inhoudelijk beslissen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1338,7 +1306,7 @@ Bezwaren tegen de hoogte van een belastingaanslag kunnen door middel van een bez
|
|||
|
||||
Naast bezwaren tegen de hoogte van een belastingaanslag kunnen ook bezwaren worden ingebracht tegen een op grond van enige bepaling van de (belasting)wet door de inspecteur of de ontvanger genomen beschikking of kennisgeving. Te denken valt bijvoorbeeld aan een beschikking heffings- of invorderingsrente en aan een beschikking aansprakelijkstelling. Het beleid is daarop zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
In § 1, hiervoor, is aangegeven dat uitstel van betaling in beginsel wordt verleend op schriftelijk verzoek van de belastingschuldige. Als de belastingschuldige een bezwaarschrift tegen een belastingaanslag indient, wordt het bezwaarschrift ook als een verzoek om uitstel van betaling aangemerkt. Dit geldt echter uitsluitend, indien in het bezwaarschrift het be-streden bedrag van de belastingaanslag en de berekening van dat bedrag zijn vermeld. Een expliciet verzoek om uitstel is in dat geval niet nodig.
|
||||
In § 1, hiervoor, is aangegeven dat uitstel van betaling in beginsel wordt verleend op schriftelijk verzoek van de belastingschuldige. Als de belastingschuldige een bezwaarschrift tegen een belastingaanslag indient, wordt het bezwaarschrift ook als een verzoek om uitstel van betaling aangemerkt. Dit geldt echter uitsluitend, indien in het bezwaarschrift het be-streden bedrag van de belastingaanslag en de berekening van dat bedrag zijn vermeld. Een afzonderlijk verzoek om uitstel is in dat geval niet nodig.
|
||||
|
||||
Een beroepschrift tegen de uitspraak van de inspecteur op het bezwaarschrift en een door de belastingschuldige ingesteld beroep tegen een rechterlijke uitspraak over de juistheid van een dergelijke uitspraak, gelden niet als een verzoek om uitstel van betaling. In die gevallen moet de belastingschuldige dus een afzonderlijk verzoek om uitstel van betaling indienen bij de ontvanger.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1350,18 +1318,7 @@ Als het bestreden bedrag of de berekening daarvan niet in het verzoek om uitstel
|
|||
|
||||
Het verschil tussen het bedrag van de belastingaanslag en het bestreden bedrag dient tijdig te worden voldaan.
|
||||
|
||||
Als een belastingschuldige van mening is dat het opleggen van een aanslag door de inspecteur niet in overeenstemming is met een door Nederland gesloten belastingverdrag, kan hij verzoeken om een overlegprocedure. Als beide verdragspartners de overlegprocedure accepteren, verleent de ontvanger uitstel van betaling voor de aanslag(en) in kwestie als:
|
||||
|
||||
– de inspecteur een verrekenprijscorrectie heeft aangebracht;
|
||||
– de inspecteur in tegenstelling tot de belastingschuldige van mening is wel degelijk een heffingsrecht te hebben.
|
||||
|
||||
Het uitstel duurt in beginsel tot het tijdstip waarop de nationale en internationale procedures ter oplossing van het geschil zijn afgerond. Lid 3 van deze paragraaf is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
In de situatie waarin een overlegprocedure start omdat de verdragspartner een verrekenprijscorrectie aanbrengt of meent een heffingsrecht te hebben, zal de verdragspartner uitstel van betaling dienen te verlenen. Gebeurt dat niet, dan verleent de ontvanger slechts uitstel van betaling als er sprake is van ernstige liquiditeitsproblemen.
|
||||
|
||||
Als voorwaarde voor het verlenen van uitstel van betaling kan de ontvanger zekerheid verlangen voor de betwiste belastingschuld. In beginsel wordt alleen zekerheid gevraagd als de aard en omvang van de belastingschuld in relatie tot de bij de ontvanger bekende verhaalsmogelijkheden daartoe aanleiding geven. Het in het verleden getoonde aangifte- en betalingsgedrag wordt mede bij de beslissing van de ontvanger betrokken. Voor het geval voor de betwiste belastingschuld geen uitstel van betaling wordt verleend omdat de verlangde zekerheid niet wordt verstrekt, zij verwezen naar het bepaalde in § 2, lid 3a.
|
||||
|
||||
Zolang de belastingaanslag waartegen een bezwaarschrift is ingediend niet onherroepelijk vaststaat, worden voor de betwiste belastingschuld in beginsel geen onherroepelijke invorderingsmaatregelen getroffen. Wanneer echter aanwijzingen bestaan dat de belangen van de Staat of de belangen van belastingschuldige door het achterwege laten van onherroepelijke invorderingsmaatregelen zouden worden geschaad, kunnen bedoelde maatregelen wel worden getroffen. Het enkel leggen van beslagen die feitelijk dienst doen als bewaringsmaatregel, geldt in dit verband niet als een onherroepelijke invorderingsmaatregel.
|
||||
Voor de betwiste belastingschuld kan de ontvanger zekerheid verlangen. De ontvanger zal in het algemeen zekerheid vragen als de aard en de omvang van de belastingschuld in relatie tot de bekende verhaalsmogelijkheden daartoe aanleiding geven. Ook het in het verleden getoonde aangifte- en betalingsgedrag kan aanleiding zijn voor het vragen van zekerheid. (Zie verder § 1, lid 16, hiervoor). Vooruitlopend op de uiteindelijke uitspraak op het bezwaarschrift kan de ontvanger ook een betalingsregeling met de belastingschuldige overeenkomen als bedoeld in § 7 e.v. hierna.
|
||||
|
||||
Als het bezwaarschrift te laat is ingediend, verleent de ontvanger eveneens in het algemeen desgevraagd uitstel van betaling tot op het bezwaarschrift ambtshalve door de inspecteur uitspraak is gedaan, tenzij het bezwaarschrift volstrekt ongegrond is of slechts tot doel heeft het invorderingsproces te traineren dan wel betalingsfaciliteiten te verkrijgen. Voordat een beslissing wordt genomen, pleegt de ontvanger in de daartoe aanleiding gevende gevallen overleg met de inspecteur.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1383,6 +1340,8 @@ Uit te betalen bedragen waarop het uitstel niet ziet worden in het algemeen niet
|
|||
|
||||
Het verzoek om uitstel van betaling van een te betalen belastingaanslag in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag wordt afgewezen als geen sprake is van een binnen afzienbare tijd te verwachten uit te betalen bedrag, dan wel andere belastingaanslagen aanwezig zijn waarmee de ontvanger verrekening beoogt en wettelijke bepalingen verrekening niet verhinderen. Ook zal de ontvanger geen uitstel verlenen of zelfs een al verleend uitstel intrekken als van de kant van de belastingschuldige onvoldoende medewerking wordt verleend voor het spoedig realiseren van het uit te betalen bedrag.
|
||||
|
||||
Indien het verzoek betrekking heeft op een voorlopige teruggaaf, wordt de verrekeningsbevoegdheid van de ontvanger - na inwilliging van het verzoek - niet beperkt door het bepaalde in artikel 24, §1, lid 11a, van deze leidraad.
|
||||
|
||||
In artikel 25 van de wet zijn in het vierde, vijfde, zesde, achtste, negende, veertiende, zestiende en zeventiende lid uitstelfaciliteiten opgenomen voor belastingaanslagen betreffende de inkomstenbelasting. In artikel 6 van het besluit en in de hoofdstukken I en IA van de regeling zijn terzake nadere regels gesteld. De op de uitstelregeling van artikel 25, vierde, vijfde, zesde, achtste en zeventiende lid, van de wet betrekking hebbende inkomstenbelasting wordt geheven bij een afzonderlijke conserverende belastingaanslag. Het is mogelijk dat een conserverende belastingaanslag betrekking heeft op verschillende te conserveren inkomensbestanddelen, bijvoorbeeld aanspraken op een pensioen, een lijfrente en een voordeel uit kapitaalverzekering eigen woning. Bij de uitstelregeling ingevolge artikel 25, negende, veertiende, zestiende en achttiende lid, van de wet is geen sprake van een afzonderlijke belastingaanslag, maar vormt de belasting waarvoor men uitstel van betaling kan krijgen onderdeel van de gewone belastingaanslag. De verschillende uitstelfaciliteiten kennen een aantal gemeenschappelijke kenmerken die in deze paragraaf aan de orde komen.
|
||||
|
||||
De ontvanger verleent met ingang van 11 maart 2004 automatisch uitstel van betaling voor een conserverende aanslag die is opgelegd in verband met verschuldigde inkomstenbelasting als bedoeld in:
|
||||
|
|
@ -1420,13 +1379,13 @@ Indien voor een bedrag uitstel van betaling is verleend op de voet van artikel 2
|
|||
|
||||
Voor een bestuurlijke boete die samenhangt met een conserverende belastingaanslag, dan wel samenhangt met de belasting waarvoor anderszins een uitstelfaciliteit van toepassing is, wordt nooit uitstel van betaling verleend als bedoeld in artikel 25, vierde, vijfde, zesde, achtste, negende, veertiende, zestiende, zeventiende of achttiende lid, van de wet. Uitstel van betaling voor de bestuurlijke boete kan wel worden verleend in verband met redenen als omschreven in de paragrafen 2, 3, 7 e.v. van dit artikel. Zie tevens § 1, lid 14, hiervoor. Behoudens in de gevallen dat uitstel van betaling voor de bestuurlijke boete is verleend, kan de bestuurlijke boete die samenhangt met een conserverende belastingaanslag, dan wel samenhangt met de belasting waarvoor ingevolge artikel 25, negende, veertiende of zestiende lid, van de wet uitstel is verleend, worden ingevorderd zodra die boete opeisbaar is. De boete hoeft dus niet onherroepelijk vast te staan. Ook verrekening is mogelijk, ondanks het feit dat de bestuurlijke boete niet onherroepelijk vaststaat, zelfs in het geval uitstel van betaling is verleend, tenzij uistel van betaling is verleend in verband met bezwaar, beroep en hoger beroep.
|
||||
|
||||
Als uitstel van betaling is verleend ingevolge artikel 25, vierde, vijfde, zesde, achtste, negende, veertiende, zestiende tot en met negentiende lid, van de wet, wordt gedurende de looptijd van het uitstel niet tot verrekening van uit te betalen bedragen met de bedragen waarvoor uitstel van betaling is verleend overgegaan. Met betrekking tot verrekening van uit te betalen bedragen met bestuurlijke boeten wordt verwezen naar het zesde lid van deze paragraaf.
|
||||
Als uitstel van betaling is verleend ingevolge artikel 25, vierde, vijfde, zesde, achtste, negende, veertiende, zestiende of zeventiende lid, van de wet, wordt gedurende de looptijd van het uitstel niet tot verrekening van uit te betalen bedragen met de bedragen waarvoor uitstel van betaling is verleend overgegaan. Met betrekking tot verrekening van uit te betalen bedragen met bestuurlijke boeten wordt verwezen naar het zesde lid van deze paragraaf.
|
||||
|
||||
Wanneer uitstel van betaling is verleend voor een conserverende belastingaanslag, wordt dat uitstel niet beëindigd als zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet. Bij uitstel van betaling ingevolge artikel 25, negende, veertiende of zestiende lid, van de wet is artikel 25, §1, zevende lid, van deze leidraad van toepassing. Dit houdt in dat het op grond van artikel 25, negende, veertiende of zestiende lid, van de wet verleende uitstel onder meer wordt beëindigd als er een situatie is ontstaan zoals omschreven in de artikelen 10/15 van de wet en de ontvanger van oordeel is dat de verhaalbaarheid van de belastingschuld, waarvoor uitstel is verleend, ernstig in gevaar komt. Hierbij wordt opgemerkt dat bij het uitstel van betaling ingevolge artikel 25, veertiende of zestiende lid, van de wet, reeds zonder meer uit de wettekst volgt dat het uitstel wordt beëindigd in geval van faillissement van de belastingschuldige of in het geval de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen ten aanzien van de belastingschuldige van toepassing is.
|
||||
|
||||
De uitstelfaciliteit strekt zich bij toepassing van artikel 25, vijfde lid, van de wet, eveneens uit tot de verschuldigde revisierente.
|
||||
De betreffende uitstelfaciliteiten strekken zich ook uit tot de verschuldigde heffingsrente en bij de toepassing van artikel 25, vijfde lid, van de wet eveneens tot de verschuldigde revisierente.
|
||||
|
||||
Indien een voorlopige conserverende aanslag is opgelegd en die aanslag wordt gevolgd door een definitieve conserverende aanslag vindt geen verrekening van de voorlopige aanslag plaats ingevolge artikel 15 AWR. De voorlopige aanslag vervalt op het moment waarop de definitieve conserverende aanslag wordt opgelegd. Een ter zake van de voorlopige conserverende aanslag verleend uitstel van betaling, de daartoe gestelde zekerheid en eventuele betalingen op de voorlopige conserverende aanslag worden van rechtswege dan toegerekend aan de definitieve. De ontvanger stelt de belastingschuldige hiervan schriftelijk in kennis. Voor zover de definitieve conserverende aanslag meer bedraagt dan de voorlopige conserverende aanslag verleent de ontvanger, met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in lid 2 van deze paragraaf, uitstel van betaling voor het bedrag dat de voorlopige conserverende aanslag te boven gaat. Het uitstel wordt verleend met inachtneming van de voor die conserverende aanslag geldende bepalingen, hetgeen onder meer inhoudt dat alleen voor de duur van het uitstel van betaling voor het bedrag van de definitieve conserverende aanslag dat de voorlopige conserverende aanslag te boven gaat, wordt uitgegaan van de vervaldag van de definitieve conserverende aanslag.
|
||||
Indien een voorlopige conserverende aanslag is opgelegd en die aanslag wordt gevolgd door een definitieve conserverende aanslag vindt geen verrekening van de voorlopige aanslag plaats ingevolge artikel 15 AWR. De voorlopige aanslag vervalt op het moment waarop de definitieve conserverende aanslag wordt opgelegd. Een ter zake van de voorlopige conserverende aanslag verleend uitstel van betaling, de daartoe gestelde zekerheid en eventuele betalingen op de voorlopige conserverende aanslag worden van rechtswege dan toegerekend aan de definitieve. De ontvanger stelt de belastingschuldige hiervan schriftelijk in kennis. Voor zover de definitieve conserverende aanslag meer bedraagt dan de voorlopige conserverende aanslag verleent de ontvanger, op schriftelijk verzoek, mits voldoende zekerheid wordt gesteld en wordt ingestemd met door de ontvanger nader te stellen voorwaarden, uitstel van betaling voor het bedrag dat de voorlopige conserverende aanslag te boven gaat. Het uitstel wordt verleend met inachtneming van de voor die conserverende aanslag geldende bepalingen, hetgeen onder meer inhoudt dat alleen voor de duur van het uitstel van betaling voor het bedrag van de definitieve conserverende aanslag dat de voorlopige conserverende aanslag te boven gaat, wordt uitgegaan van de vervaldag van de definitieve conserverende aanslag.
|
||||
|
||||
Op de uitstelregeling ingevolge artikel XIVa van de Wet ondernemerspakket 2001 is het in deze leidraad opgenomen beleid zoals dat geldt voor de uitstelregeling ingevolge artikel 25, vijftiende lid, van de wet van overeenkomstige toepassing, tenzij daarvan uitdrukkelijk in deze leidraad wordt afgeweken.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1440,7 +1399,7 @@ Over de periode waarover voor een conserverende belastingaanslag uitstel van bet
|
|||
|
||||
In artikel 25, vijfde lid, van de wet is een uitstelregeling opgenomen in verband met conserverende belastingaanslagen inkomstenbelasting die in bepaalde grensoverschrijdende situaties worden opgelegd aan belastingplichtigen die ten laste van Nederlands inkomen pensioen- en/of lijfrentekapitaal hebben opgebouwd. Deze belastingaanslagen worden opgelegd indien het pensioen- of lijfrentekapitaal wordt ondergebracht bij een niet aangewezen buitenlandse verzekeraar in het kader van het aanvaarden van een dienstbetrekking in het buitenland of bij een voortzetting van de premiebetaling aan een buitenlandse niet aangewezen verzekeraar door immigranten. Daarnaast worden belastingaanslagen opgelegd bij emigratie.
|
||||
|
||||
Het uitstel loopt uiterlijk tot het begin van het tiende jaar na afloop van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft. Na die tien jaar wordt het nog openstaande bedrag van de conserverende belastingaanslag kwijtgescholden, tenzij zich een situatie heeft voorgedaan als bedoeld in het vijfde lid van deze paragraaf.
|
||||
Het uitstel loopt maximaal tien jaar, te rekenen vanaf de dag na de laatste vervaldag van de voor de belastingaanslag geldende enige of laatste betalingstermijn. Na die tien jaar wordt het nog openstaande bedrag van de conserverende belastingaanslag kwijtgescholden, tenzij zich een situatie heeft voorgedaan als bedoeld in het vijfde lid van deze paragraaf.
|
||||
|
||||
Naast de normale vormen van zekerheid, zie in dit verband artikel 25, § 1, lid 16, van deze leidraad, kan zekerheidsstelling ook plaatsvinden door verpanding van het pensioenkapitaal aan de Belastingdienst, mits de buitenlandse verzekeraar instemt met die verpanding. In dit verband wordt gewezen op artikel 32 van de Pensioen- en spaarfondsenwet dat een zodanige verpanding voor pensioenen mogelijk maakt. Verpanding van het pensioenkapitaal in het kader van artikel 25, vijfde lid, van de wet is geen handeling die tot invordering van de conserverende belastingaanslag leidt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1452,7 +1411,7 @@ a. indien een aanspraak ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor verv
|
|||
b. indien een aanspraak op lijfrente zodanig wordt gewijzigd dat deze niet langer aan de gestelde voorwaarden voldoet, de aanspraak wordt afgekocht of vervreemd, de aanspraak formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid wordt, anders dan ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25, vijfde lid, van de wet, de aanspraak - onder bepaalde omstandigheden - wordt prijsgegeven, de verzekeraar of de belastingplichtige niet langer voldoen aan de gestelde voorwaarden, de lijfrenteverplichting overgaat op een andere verzekeraar dan bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 1(, onderdeel b of onderdeel d, van de Wet inkomstenbelasting 2001, dan wel een pensioentekort waarvoor premies voor lijfrenten in aanmerking zijn genomen nadien wordt gecompenseerd door middel van verbetering van een aanspraak ingevolge een pensioenregeling;
|
||||
c. indien de aanspraak uit een pensioenregeling als bedoeld in artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 zodanig wordt gewijzigd dat deze niet langer is aan te merken als een aanspraak uit een zodanige pensioenregeling, dan wel deze geheel of gedeeltelijk niet langer bestaat uit een recht op belastbare periodieke uitkeringen of verstrekkingen, de aanspraak wordt afgekocht of vervreemd, de aanspraak formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid, anders dan ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25, vijfde lid, van de wet wordt, of de verplichting inzake de aanspraak geheel of gedeeltelijk overgaat op een andere instelling dan de instelling waarbij de aanspraak op grond van de in artikel 1.7, tweede lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 genoemde wettelijke regelingen is ondergebracht.
|
||||
|
||||
Over de periode waarover uitstel van betaling wordt verleend wordt geen invorderingsrente berekend. Indien echter het uitstel wordt beëindigd in verband met een omstandigheid als bedoeld in artikel 25, vijfde lid, eerste volzin, van de wet, en mitsdien de belasting invorderbaar is, wordt invorderingsrente berekend vanaf 1 september van het jaar waarin de handeling of omstandigheid zich voordoet op grond waarvan het uitstel wordt beëindigd. Zie ook artikel 28, § 1, tweede lid, van deze leidraad.
|
||||
Over de conserverende belastingaanslagen inkomstenbelasting, terzake waarvan in verband met een omstandigheid als bedoeld in artikel 25, vijfde lid, tweede volzin, van de wet, het verleende uitstel als bedoeld in artikel 25, vijfde lid, eerste volzin, van de wet wordt beëindigd en mitsdien de belasting invorderbaar is, is over de gehele periode waarover het uitstel heeft gelopen, invorderingsrente verschuldigd. Zie ook artikel 28, § 1, tweede lid, van deze leidraad.
|
||||
|
||||
Wanneer een belastingaanslag is opgelegd die betrekking heeft op meer dan één lijfrentecontract of pensioenregelingen en vervolgens worden één of meer van die contracten of regelingen op niet-reguliere wijze afgewikkeld, dan dient het uitstel te worden ingetrokken voor die contracten of regelingen en wordt het uitstel gecontinueerd voor de contracten en regelingen die niet zodanig zijn afgewikkeld. Hierbij wordt gehandeld met inachtneming van het bepaalde in § 4 en met inachtneming van het bepaalde in deze paragraaf. De hierbij noodzakelijke toerekening van het uitstel enerzijds aan de contracten of regelingen ten aanzien waarvan zich een omstandigheid als hiervoor bedoeld heeft voorgedaan en anderzijds de overige contracten en regelingen, zal naar evenredigheid kunnen plaatsvinden. Zie voor een nadere uitwerking en enkele voorbeelden bijlage X bij deze leidraad.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1464,7 +1423,7 @@ Het uitstel vangt aan vanaf de dag na de vervaldag van de voor de belastingaansl
|
|||
|
||||
Het uitstel eindigt van rechtswege als zich een omstandigheid voordoet waardoor de woning ophoudt een eigen woning te zijn in de zin van artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001, indien de belastingschuldige een voordeel geniet als gevolg van een kapitaalsuitkering op grond van de kapitaalsverzekering eigen woning (vgl. artikel 3.116, eerste lid, Wet inkomstenbelasting 2001) of indien de kapitaalsverzekering eigen woning geacht wordt tot uitkering te zijn gekomen in de zin van artikel 3.116, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001. De ontvanger trekt alsdan het uitstel in bij voor bezwaar vatbare beschikking. De belastingaanslag wordt vervolgens invorderbaar.
|
||||
|
||||
Over de periode waarover voor een conserverende belastingaanslag uitstel van betaling op grond van artikel 25, zesde lid, van de wet is verleend, is geen invorderingsrente verschuldigd. Indien echter krachtens artikel 25, zesde lid, van de wet het uitstel wordt beëindigd wordt invorderingsrente berekend vanaf 1 september van het jaar waarin de handeling of omstandigheid zich voordoet op grond waarvan het uitstel wordt beëindigd. Zie ook artikel 28, § 1, tweede lid, van deze leidraad.
|
||||
Over de periode waarover voor een conserverende belastingaanslag uitstel van betaling op grond van artikel 25, zesde lid, van de wet is verleend, is invorderingsrente verschuldigd. Zie ook artikel 28, § 1, tweede lid, van deze leidraad.
|
||||
|
||||
In artikel 25, achtste lid, van de wet is een uitstelregeling opgenomen voor conserverende belastingaanslagen betreffende de inkomstenbelasting die is verschuldigd wegens inkomen (vervreemdingsvoordelen) uit aanmerkelijk belang geheven ter zake van:
|
||||
|
||||
|
|
@ -1473,7 +1432,7 @@ b. verplaatsing van de werkelijke leiding van een vennootschap uit Nederland;
|
|||
c. een aandelenfusie door een buitenlandse belastingplichtige waarbij deze zijn aandelen of winstbewijzen in een in Nederland gevestigde vennootschap ruilt voor aandelen of winstbewijzen in een buiten Nederland gevestigd lichaam;
|
||||
d. de overgang onder algemene titel alsmede de overgang krachtens erfrecht onder bijzondere titel van aandelen of winstbewijzen naar een niet in Nederland woonachtige natuurlijke persoon.
|
||||
|
||||
Het uitstel loopt uiterlijk tot het begin van het tiende jaar na afloop van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft. Na die tien jaar wordt het nog openstaande bedrag van de conserverende belastingaanslag kwijtgescholden, tenzij zich een situatie heeft voorgedaan als bedoeld in het derde lid van deze paragraaf.
|
||||
Het uitstel loopt maximaal tien jaar, te rekenen vanaf de dag na de laatste vervaldag van de voor de belastingaanslag geldende enige of laatste betalingstermijn. Na die tien jaar wordt het nog openstaande bedrag van de conserverende belastingaanslag kwijtgescholden, tenzij zich een situatie heeft voorgedaan als bedoeld in het derde lid van deze paragraaf.
|
||||
|
||||
Het uitstel wordt bij voor bezwaar vatbare beschikking beëindigd als:
|
||||
|
||||
|
|
@ -1490,7 +1449,7 @@ d. wanneer een aanmerkelijk belang niet langer aanwezig is doordat de belastings
|
|||
|
||||
Het uitstel als bedoeld in het vierde lid, onderdelen b en c, van deze paragraaf zal slechts worden voortgezet als de belastingschuldige instemt met door de ontvanger nader te stellen voorwaarden. Ingeval van overgang naar de ondernemings- of resultaatssfeer zullen de voorwaarden er op zijn gericht het uitstel te beëindigen in dezelfde situaties als ware de aandelen of winstbewijzen niet overgebracht naar de ondernemings- of resultaatssfeer. Ingeval van overgang onder algemene titel zal het uitstel worden voortgezet wanneer de belastingschuldige ermee instemt dat het uitstel wordt beëindigd in dezelfde situaties als wanneer de aandelen of winstbewijzen nog tot zijn vermogen zouden behoren. Voorts kan de voorwaarde worden gesteld dat degene op wie de aandelen of winstbewijzen onder algemene titel zijn overgegaan, zich aansprakelijk stelt voor de belastingschuld waarvoor uitstel van betaling is verleend.
|
||||
|
||||
Over de periode waarover voor een conserverende belastingaanslag uitstel is verleend, is geen invorderingsrente verschuldigd. Indien echter krachtens artikel 25, achtste lid, van de wet het uitstel wordt beëindigd wordt invorderingsrente berekend vanaf 1 september van het jaar waarin de handeling of omstandigheid zich voordoet op grond waarvan het uitstel wordt beëindigd. Zie ook artikel 28, § 1, vijfde lid, van deze leidraad.
|
||||
Over de periode waarover voor een conserverende belastingaanslag uitstel is verleend, is geen invorderingsrente verschuldigd. Wanneer het recht op uitstel geheel of ten dele is vervallen, wordt invorderingsrente berekend vanaf het moment dat de rechtvaardigingsgrond voor het uitstel niet langer bestaat. Zie ook artikel 28, § 1, vijfde lid, van deze leidraad.
|
||||
|
||||
In artikel 25, negende lid, van de wet is een uitstelregeling opgenomen met betrekking tot belastingaanslagen inkomstenbelasting voorzover daarin is begrepen belasting die is verschuldigd in verband met vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen in de familiesfeer. Het gaat om de belasting terzake van vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen - waarbij de koopsom schuldig is gebleven of de aandelen of winstbewijzen zijn geschonken - aan de partner, aan de kinderen van de belastingschuldige of hun partner, dan wel aan een lichaam waarvan alle aandelen of winstbewijzen door de partner, de kinderen of hun partner worden gehouden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1531,7 +1490,7 @@ Over de periode waarover uitstel van betaling op grond van artikel 25, veertiend
|
|||
|
||||
Indien de belastingschuldige ten tijde van het uitstelverzoek niet aannemelijk maakt dat hij in staat zal zijn de verschuldigde belasting binnen een periode van tien jaar te voldoen, komt hij niet voor de faciliteit in aanmerking doch kan de ontvanger hem in beginsel en onder het stellen van nadere voorwaarden - waaronder zekerheidsstelling - in de gelegenheid stellen de zaken, aandelen of winstbewijzen die voor de uitstelfaciliteit buiten de beoordeling van de betalingscapaciteit worden gehouden binnen één jaar te vervreemden teneinde uit de daarbij te behalen opbrengst de verschuldigde belasting te voldoen.
|
||||
|
||||
Het uitstel van betaling ingevolge artikel 25, zeventiende lid, van de wet heeft betrekking op conserverende belastingaanslagen betreffende de inkomstenbelasting die kan worden toegerekend aan winst die wordt gerealiseerd bij overlijden van de ondernemer of een medegerechtigde als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Het verzoek om uitstel van betaling kan door of namens de gezamenlijke erfgenamen van de overleden ondernemer of medegerechtigde worden ingediend.
|
||||
Het uitstel van betaling ingevolge artikel 25, zeventiende lid, van de wet heeft betrekking op conserverende belastingaanslagen betreffende de inkomstenbelasting die kan worden toegerekend aan winst die wordt gerealiseerd bij overlijden van de ondernemer of een medegerechtigde als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
|
||||
|
||||
Voor het verlenen van uitstel van betaling op grond van artikel 25, zeventiende lid, van de wet wordt geen zekerheid verlangd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1591,7 +1550,7 @@ Indien de belastingschuldige ten tijde van het uitstelverzoek niet aannemelijk m
|
|||
|
||||
In artikel 25, elfde tot en met dertiende lid, van de wet is de gewijzigde uitstelregeling opgenomen op grond waarvan uitstel van betaling kan worden verleend voor conserverende belastingaanslagen betreffende de rechten van successie of schenking bij bedrijfsopvolging (artikel 25, elfde en twaalfde lid, van de wet) dan wel voor belastingaanslagen successie- of schenkingsrecht als bedoeld in artikel 25, dertiende lid, van de wet. Deze faciliteiten zijn bedoeld om te voorkomen dat de continuïteit van een onderneming in gevaar zou komen doordat op korte termijn liquiditeiten aan de onderneming dienen te worden onttrokken om de successie- of schenkingsrechten te kunnen voldoen. In artikel 6 van het besluit en in de hoofdstukken I en IB van de regeling zijn terzake nadere regels gesteld.
|
||||
|
||||
De ontvanger verleent uitsluitend uitstel van betaling wanneer de belastingschuldige daartoe een schriftelijk verzoek heeft ingediend. Het indienen van een aangiftebiljet voor het recht van successie waarin een beroep wordt gedaan op de invorderingsfaciliteiten bedoeld in artikel 25, leden 11 en 12, van de wet, wordt als een zodanig verzoek aangemerkt.
|
||||
De ontvanger verleent uitsluitend uitstel van betaling wanneer de belastingschuldige daartoe een schriftelijk verzoek heeft ingediend.
|
||||
|
||||
Besluiten tot afwijzing, verlening, herziening of gehele of gedeeltelijke beëindiging van het uitstel geschieden bij voor bezwaar vatbare beschikking. Met betrekking tot bezwaar tegen de beschikking, met betrekking tot beroep ter zake van een uitspraak op het desbetreffende bezwaar, alsmede met betrekking tot hoger beroep en beroep in cassatie ter zake van de desbetreffende rechterlijke uitspraak, gelden dezelfde regels als die welke van toepassing zijn op bezwaar, beroep of beroep in cassatie als bedoeld in hoofdstuk V van de AWR.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1603,7 +1562,7 @@ Wanneer uitstel van betaling is verleend voor een (conserverende) belastingaansl
|
|||
|
||||
Het uitstel van betaling ingevolge artikel 25, elfde lid, van de wet betreft het recht van successie of schenking over de waarde van het ondernemingsvermogen vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 31a, derde lid, en 35c, eerste en tweede lid, van de Successiewet 1956.
|
||||
|
||||
Het uitstel vangt aan op 1 januari van het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de verkrijging heeft plaats gevonden en eindigt uiterlijk vijf jaar later. De inspecteur vermindert overeenkomstig het bepaalde in artikel 53c van de Successiewet 1956 de in de conserverende aanslag begrepen belasting, als bedoeld in artikel 31a, derde lid, van de Successiewet 1956, na een periode van voortzetting van de onderneming of het aandeelhouderschap van vijf jaren, tot nihil.
|
||||
Het uitstel eindigt uiterlijk op de dag waarop sedert de vervaldag van de voor de belastingaanslag geldende enige of laatste betalingstermijn vijf jaar zijn verstreken. De inspecteur vermindert overeenkomstig het bepaalde in artikel 53c van de Successiewet 1956 de in de conserverende aanslag begrepen belasting, als bedoeld in artikel 31a, derde lid, van de Successiewet 1956, na een periode van voortzetting van de onderneming of het aandeelhouderschap van vijf jaren, tot nihil.
|
||||
|
||||
Het uitstel wordt beëindigd:
|
||||
|
||||
|
|
@ -1616,7 +1575,7 @@ Indien voor een bedrag uitstel van betaling is verleend op de voet van artikel 2
|
|||
|
||||
Het uitstel van betaling ingevolge artikel 25, twaalfde lid, van de wet betreft het recht van successie of schenking over de waarde van het ondernemingsvermogen vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 31a, vierde lid, en 35c, derde lid, van de Successiewet 1956.
|
||||
|
||||
Het uitstel vangt aan op 1 januari van het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de verkrijging heeft plaats gevonden en eindigt uiterlijk tien jaar later. Na die tien jaar wordt de aanslag dus invorderbaar.
|
||||
Het uitstel eindigt van rechtswege uiterlijk op de dag waarop sedert de vervaldag van de voor de belastingaanslag geldende enige of laatste betalingstermijn tien jaar zijn verstreken. Na die tien jaar wordt de aanslag dus invorderbaar.
|
||||
|
||||
Het uitstel wordt beëindigd:
|
||||
|
||||
|
|
@ -1629,7 +1588,7 @@ Indien voor een bedrag uitstel van betaling is verleend op de voet van artikel 2
|
|||
|
||||
Ingevolge artikel 25, dertiende lid, van de wet kan uitstel van betaling worden verleend voor belastingaanslagen in de rechten van successie of schenking voorzover die rechten kunnen worden toegerekend aan een (overbedelings)vordering die de belastingschuldige heeft verkregen op de medeverkrijger(s) terzake van een door deze medeverkrijger(s) verkregen ondernemingsvermogen als bedoeld in artikel 35b, tweede lid, van de Successiewet 1956.
|
||||
|
||||
Het uitstel vangt aan op 1 januari van het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de verkrijging heeft plaats gevonden en eindigt uiterlijk tien jaar later. Na die tien jaar wordt de aanslag dus invorderbaar.
|
||||
Het uitstel eindigt van rechtswege uiterlijk op de dag waarop sedert de vervaldag van de voor de belastingaanslag geldende enige of laatste betalingstermijn tien jaar zijn verstreken. Na die tien jaar wordt de aanslag dus invorderbaar.
|
||||
|
||||
Het uitstel wordt beëindigd:
|
||||
|
||||
|
|
@ -1670,9 +1629,9 @@ Vervallen.
|
|||
|
||||
Vervallen.
|
||||
|
||||
Wanneer aan een belastingschuldige, al dan niet in het kader van een prolongatieregeling als bedoeld in artikel 14, § 1, lid 11a, van deze leidraad uitstel van betaling is verleend onder de voorwaarde dat periodiek uiterlijk op een bepaalde dag een bepaald bedrag is betaald, wordt de belastingschuldige slechts geacht hieraan te hebben voldaan als genoemd bedrag op genoemde dag op de rekening van de Belastingdienst is bijgeschreven. Voor wat betreft het in aanmerking te nemen tijdstip van betaling door middel van storting op het postkantoor wordt verwezen naar artikel 7, § 1, eerste lid, van deze leidraad. Zo nodig kan de ontvanger van de belastingschuldige verlangen dat hij aantoont dat de desbetreffende betaling heeft plaatsgevonden. Voor hetgeen daarbij geldt als betalingsbewijs wordt verwezen naar artikel 7, § 1, tiende lid, van deze leidraad.
|
||||
Wanneer aan een belastingschuldige, al dan niet in het kader van een prolongatieregeling als bedoeld in artikel 14, § 1, lid 11a, van deze leidraad uitstel van betaling is verleend onder de voorwaarde dat periodiek uiterlijk voor of op een bepaalde dag een bepaald bedrag is betaald, wordt de belastingschuldige slechts geacht hieraan te hebben voldaan als genoemd bedrag vóór respectievelijk op genoemde dag op de rekening van de ontvanger of de Belastingdienst is bijgeschreven, dan wel vóór respectievelijk op genoemde dag het bedrag op het postkantoor op één van beide rekeningen is gestort. Zo nodig kan de ontvanger van de belastingschuldige verlangen dat hij aantoont dat de desbetreffende betaling heeft plaatsgevonden. Voor hetgeen daarbij geldt als betalingsbewijs wordt verwezen naar artikel 7, § 1, tiende lid, van deze leidraad.
|
||||
|
||||
Voor zowel particulieren als ondernemers geldt dat belastingteruggaven en teruggaven uit anderen hoofde alsmede andere uit te betalen bedragen tijdens de looptijd van een betalingsregeling in het algemeen afgeboekt worden op de openstaande belastingschuld. Verlaging van de belastingschuld door vermindering of kwijtschelding van een belastingaanslag of door verrekening met een uit te betalen bedrag is niet van invloed op de hoogte van het periodiek af te lossen bedrag. De verrekening kan wel tot gevolg hebben dat het aantal termijnen dat de belastingschuldige moet aflossen wordt verminderd en/of de laatste aflossing afwijkt van het overeengekomen bedrag. Als ten gevolge van een eventuele verrekening van met name teruggaven omzetbelasting volgens de ontvanger de continuïteit van de bedrijfsvoering direct gevaar loopt en niet behoeft te worden gevreesd voor onverhaalbaarheid van de schuld kan hij in bijzondere gevallen de teruggaven (gedeeltelijk) uitbetalen.
|
||||
Voor zowel particulieren als ondernemers geldt dat belastingteruggaven en teruggaven uit anderen hoofde alsmede andere uit te betalen bedragen tijdens de looptijd van een betalingsregeling in het algemeen afgeboekt worden op de openstaande belastingschuld. Indien verrekening plaats kan vinden met een voorlopige teruggaaf, geldt het bepaalde in artikel 24, § 1, lid 11a, van deze leidraad. Verlaging van de belastingschuld door vermindering of kwijtschelding van een belastingaanslag of door verrekening met een uit te betalen bedrag is niet van invloed op de hoogte van het periodiek af te lossen bedrag. De verrekening kan wel tot gevolg hebben dat het aantal termijnen dat de belastingschuldige moet aflossen wordt verminderd en/of de laatste aflossing afwijkt van het overeengekomen bedrag. Als ten gevolge van een eventuele verrekening van met name teruggaven omzetbelasting volgens de ontvanger de continuïteit van de bedrijfsvoering direct gevaar loopt en niet behoeft te worden gevreesd voor onverhaalbaarheid van de schuld kan hij in bijzondere gevallen de teruggaven (gedeeltelijk) uitbetalen.
|
||||
|
||||
Uitgangspunt van het uitstelbeleid voor particulieren is dat een te verlenen betalingsregeling zich over een zo kort mogelijke periode dient uit te strekken, zodat de verschuldigde belasting, waarvan betaling binnen de wettelijke termijnen achterwege is gebleven, alsnog zo snel mogelijk wordt betaald. Voor deze categorie verzoekers geldt dat de termijn van uitstelverlening zich in beginsel uitstrekt tot een periode van ten hoogste 12 maanden, te rekenen vanaf de datum waarop op grond van de beschikking de ontvanger de betalingsregeling toestaat. Slechts als er volgens de ontvanger bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, kan de ontvanger van de termijn van 12 maanden afwijken en de belastingschuldige een langere termijn gunnen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1680,12 +1639,12 @@ Een betalingsregeling dient steeds een op de toekomst gerichte oplossing te bied
|
|||
|
||||
Aan het verlenen van een betalingsregeling kan de ontvanger bovendien de voorwaarde verbinden dat zekerheid wordt gesteld (zie § 1, lid 16, hiervoor). De ontvanger zal in het algemeen zekerheid vragen als de aard en de omvang van de schuld in relatie tot de uitsteltermijn en de bekende verhaalsmogelijkheden daartoe aanleiding geven. Ook het in het verleden getoonde aangifte- en betalingsgedrag kan aanleiding zijn voor het eisen van zekerheid.
|
||||
|
||||
Als een particulier een (schriftelijk of telefonisch) verzoek om een betalingsregeling heeft ingediend dat de strekking heeft de betaling enkele maanden te verschuiven, zal de ontvanger in de regel zonder nader onderzoek een betalingsregeling toestaan die zich uitstrekt tot maximaal vier maanden na de laatste vervaldag van de (oudste) aanslag als aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:
|
||||
Als een particulier een (schriftelijk of telefonisch) verzoek om een betalingsregeling heeft ingediend dat de strekking heeft de betaling enkele maanden te verschuiven, zal de ontvanger dit verzoek in de regel zonder nader onderzoek inwilligen als aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:
|
||||
|
||||
a. De totale openstaande schuld van de belastingschuldige bedraagt minder dan € 20.000. Hierbij wordt geen rekening gehouden met belastingschuld waarvoor uitstel van betaling in verband met een ingediend bezwaar- of beroepschrift is verleend.
|
||||
b. Ten name van de belastingschuldige staat geen zakelijke schuld open in de zin van artikel 22, derde lid, van de wet.
|
||||
c. Aan de belastingschuldige is niet voor dezelfde belastingaanslag of voor andere belastingaanslagen uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen of uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag verleend.
|
||||
d. Het verzoek betreft niet een voorlopige aanslag als bedoeld in artikel 9, vijfde lid, van de wet die in meerdere termijnen betaald mag worden.
|
||||
c. Aan de belastingschuldige is niet voor andere belastingaanslagen uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen of uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag verleend.
|
||||
d. De betalingsregeling strekt zich tot maximaal vier maanden na de laatste vervaldag van de (oudste) aanslag uit.
|
||||
e. Aan de belastingschuldige is geen dwangbevel betekend (voor openstaande schuld), waarvan de betalingstermijn reeds is verstreken.
|
||||
|
||||
Als het verzoek niet kan worden toegewezen op grond van het voorgaande lid, alsmede in daartoe aanleiding gevende gevallen, zal de ontvanger overgaan tot de berekening van de betalingscapaciteit en de beoordeling van de vermogenspositie, tenzij hij van mening is dat door een andere factor of omstandigheid uitstel niet in de rede ligt. De ontvanger zal in ieder geval geen uitstel van betaling verlenen als voor de belastingschuld waarvoor uitstel wordt gevraagd reeds uitstel van betaling op grond van het vorige lid is verleend.
|
||||
|
|
@ -1702,7 +1661,7 @@ Daarnaast kan de ontvanger onder door hem te stellen voorwaarden uitstel verlene
|
|||
|
||||
Naast het aanwezige vermogen speelt bij de beoordeling van de financiële omstandigheden de zogenoemde betalingscapaciteit van de verzoeker een belangrijke rol, zowel ten tijde van het indienen van het verzoek als gedurende de looptijd van de betalingsregeling. In het algemeen kan nog worden opgemerkt dat de door de ontvanger berekende betalingscapaciteit van de belastingschuldige in belangrijke mate het bedrag bepaalt dat (periodiek) op de achterstallige schuld dient te worden afgelost, alsmede aangeeft in hoeverre een betalingsregeling zinvol is.
|
||||
|
||||
Uitgangspunt voor de berekening van de betalingscapaciteit bij een verzoek om een betalingsregeling tot en met 12 maanden is het inkomen van de belastingschuldige en diens echtgenoot als bedoeld in artikel 3 Wwb. Zoals reeds onder § 13, lid 3a, hiervoor, is uiteengezet, wordt onder echtgenoot mede verstaan de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad.
|
||||
Uitgangspunt voor de berekening van de betalingscapaciteit bij een verzoek om een betalingsregeling tot en met 12 maanden is het inkomen van de belastingschuldige en diens echtgenoot als bedoeld in artikel 3 Wwb. Zoals reeds onder § 13, vijfde lid, hiervoor, is uiteengezet, wordt onder echtgenoot mede verstaan de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad.
|
||||
|
||||
Het inkomen en de uitgaven ten behoeve van eventueel bij de belastingschuldige inwonende kinderen zal bij de berekening van de betalingscapaciteit niet in aanmerking worden genomen. Een uitzondering daarop vormen de inkomsten voor, door of ten behoeve van minderjarige kinderen ontvangen alimentatie.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1726,27 +1685,17 @@ Als een belastingschuldige uitstel vraagt en tegelijkertijd een betalingsregelin
|
|||
|
||||
Het beleid zoals omschreven bij de berekening van de betalingscapaciteit bij regelingen tot en met 12 maanden, is aanvankelijk van overeenkomstige toepassing op een regeling die vanwege bijzondere omstandigheden langer dan 12 maanden duurt, met dien verstande dat de regeling zodanig door de ontvanger wordt vastgesteld dat de belastingschuldige zijn van de kwijtscheldingsnormen afwijkende uitgaven in de eerste 12 maanden van de betalingsregeling zodanig dient te verminderen zodat, zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, na de twaalfde maand de volledige aan het kwijtscheldingsbeleid ontleende betalingscapaciteit kan worden benut om de schuld te voldoen. Het inkomen en de uitgaven ten behoeve van eventueel bij de belastingschuldige inwonende kinderen zal echter niet in aanmerking worden genomen bij de berekening van de betalingscapaciteit bij een regeling die langer dan 12 maanden duurt.
|
||||
|
||||
In het kader van uitstel van betaling kan samenloop plaatsvinden van belastingschuld met toeslagenschuld als bedoeld in hoofdstuk XVIII.
|
||||
|
||||
Als uitgangspunt geldt dat als belanghebbende tegelijkertijd om uitstel van betaling verzoekt voor zowel een belastingschuld als een toeslagenschuld, het verzoek om uitstel van betaling voor de belastingschuld als eerste dient te worden behandeld.
|
||||
|
||||
Ieder verzoek om uitstel van betaling dient te worden beoordeeld naar het terzake geldende beleid, dus hetzij het beleid voor uitstel van betaling voor rijksbelastingen, hetzij het beleid voor uitstel van betaling voor toeslagen.
|
||||
|
||||
Zo geldt bijvoorbeeld voor belastingschuld een betalingsregeling van in het algemeen 12 maanden gebaseerd op de betalingscapaciteit en voor een toeslagenschuld een betalingsregeling van maximaal 24 maanden, terwijl voor toeslagen ook een standaardregeling van € 20 mogelijk is, die niet is gebaseerd op de betalingscapaciteit.
|
||||
|
||||
Indien de belastingschuldige die ook een toeslagenschuld heeft verzoekt om een langdurige betalingsregeling voor de ene schuld, terwijl er reeds een langdurige betalingsregeling loopt voor de andere schuld, worden voor dat verzoek voor de berekening van de betalingscapaciteit in aanmerking genomen de betalingen die op de eerder afgesloten, nog lopende, betalingsregeling worden voldaan. Het kan dus voorkomen dat uitstelregelingen naast elkaar lopen: een uitstelregeling voor rijksbelastingen en – tegelijkertijd – een uitstelregeling voor toeslagen.
|
||||
|
||||
De ontvanger verleent uitstel van betaling voor een periode van maximaal 36 maanden gedurende de periode van schuldregeling indien:
|
||||
|
||||
a. een schuldregelingsovereenkomst in de zin van de Gedragscode Schuldregeling van de Nederlandse Vereniging van Volkskrediet tot stand is gekomen, dan wel een overeenkomst tot stand is gekomen waarvan de strekking overeenkomt met die gedragscode en waarbij voor de berekening van de aflossingscapaciteit wordt uitgegaan van de door Recofa gepubliceerde normen;
|
||||
b. de schuldhulpverlener lid of geassocieerd lid is van de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet, dan wel de schuldregeling wordt uitgevoerd door een gemeente in eigen beheer;
|
||||
c. de schuldregeling betrekking heeft op natuurlijke personen, niet zijnde ondernemers;
|
||||
d. redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de belastingschuldige, afgezien van de daarvoor te vervullen formaliteiten, met uitzondering van het bepaalde in artikel 288, lid 2, onderdeel b. van de Faillissementswet, in aanmerking zou komen voor de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen; en
|
||||
e. aan het eind van de looptijd van de schuldregelingsovereenkomst een bedrag zal zijn betaald van tenminste dezelfde omvang als kan worden verkregen indien er sprake zou zijn van een wettelijke schuldsanering.
|
||||
d. redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de belastingschuldige, afgezien van de daarvoor te vervullen formaliteiten, in aanmerking zou komen voor de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen; en
|
||||
e. aan het eind van de looptijd van de schuldregelingsovereenkomst zal zijn betaald een bedrag van ten minste dezelfde omvang als kan worden verkregen indien in het kader van een wettelijke schuldsanering in rechte een saneringsplan zou worden vastgesteld.
|
||||
|
||||
Het uitstel wordt pas verleend als schriftelijk is bericht door de schuldhulpverlener dat de overeenkomst tot schuldregeling zal worden voortgezet. Met betrekking tot de voorwaarde onder c wordt opgemerkt dat de betreffende regeling ook van toepassing is op een natuurlijk persoon die zijn bedrijf of zelfstandige beroepsuitoefening heeft gestaakt en aannemelijk is dat die belastingschuldige in de toekomst geen bedrijf of niet zelfstandig een beroep meer zal uitoefenen. Voorts wordt opgemerkt dat, gelet op de onder d gestelde voorwaarde, nu de wettelijke schuldsaneringsregeling ook betrekking kan hebben op belastingaanslagen, waarvan in beginsel geen kwijtschelding wordt verleend, zoals belastingaanslagen motorrijtuigenbelasting, de onderhavige regeling ook van toepassing is op die belastingaanslagen. Met andere woorden ook voor belastingaanslagen waarvan in beginsel geen kwijtschelding wordt verleend, kan in dit kader gedurende 36 maanden uitstel van betaling worden verleend. In dit verband wordt verwezen naar art. 26, § 2a, lid 14, van deze leidraad.
|
||||
|
||||
De belastingaanslagen die in de uitstelregeling kunnen worden opgenomen zijn de aanslagen die betrekking hebben op de (materieel) verschuldigde belasting tot en met de dag waarop het verzoek van de schuldhulpverlener om een gespecificeerde schriftelijke opgave van de openstaande vorderingen is ontvangen. Vanaf het moment dat de schuldhulpverlener verzoekt om een gespecificeerde schriftelijke opgave van de openstaande vorderingen, worden gedurende drie maanden geen dwanginvorderingsmaatregelen genomen en worden lopende invorderingsmaatregelen, zo nodig, in overleg met de schuldhulpverlener, opgeschort. Onder bijzondere omstandigheden kan de ontvanger deze termijn verlengen. In afwijking van het voorgaande neemt de ontvanger de invordering weer ter hand, nadat hij een schriftelijke kennisgeving van de schuldhulpverlener heeft ontvangen, waaruit blijkt dat de overeenkomst tot schuldregeling niet wordt voortgezet. Eventuele gelegde beslagen vervallen zodra het voormelde uitstel is verleend. Gedurende het uitstel is verrekening mogelijk van belastingaanslagen waarvoor uitstel van betaling is verleend met teruggaven die betrekking hebben op belasting die (materieel) is ontstaan tot en met de dag waarop het verzoek van de schuldhulpverlener om een gespecificeerde schriftelijke opgave van de openstaande vorderingen is ontvangen. Als de belastingschuldige verzoekt om kwijtschelding van belastingschulden die materieel zijn ontstaan na de dag waarop het verzoek van de schuldhulpverlener om een gespecificeerde schriftelijke opgave van de openstaande vorderingen is ontvangen, dan wordt het verzoek behandeld overeenkomstig het bestaande beleid. Dit houdt onder meer in dat bij de berekening van de betalingscapaciteit op het inkomen van de belastingschuldige niet in mindering wordt gebracht dat deel van het inkomen dat door de schuldhulpverlener wordt beheerd. Verder wordt opgemerkt dat de middelen die onder beheer van de schuldhulpverlener berusten, niet beschouwd worden als vermogen in de zin van artikel 12 van de regeling. Nieuw opkomende belastingschulden, die (materieel) betrekking hebben op belasting verschuldigd na de dag waarop het verzoek van de schuldhulpverlener om een gespecificeerde schriftelijke opgave van de openstaande vorderingen is ontvangen, kunnen echter gedurende de periode dat uitstel van betaling is verleend worden kwijtgescholden, indien, ware er geen sprake van een overeenkomst tot schuldregeling, kwijtschelding zou hebben plaatsgevonden op grond van de betreffende bepalingen van artikel 26 van deze leidraad. De ontvanger trekt in de situaties genoemd bij het tweede, derde en vierde gedachtestreepje het uitstel niet eerder in dan nadat hij de schuldhulpverlener een brief heeft gestuurd over zijn voornemen het uitstel in te trekken als belastingschuldige niet binnen 14 dagen zijn verplichtingen correct nakomt.
|
||||
De belastingaanslagen die in de uitstelregeling kunnen worden opgenomen zijn de aanslagen die betrekking hebben op de (materieel) verschuldigde belasting tot en met de dag waarop het verzoek van de schuldhulpverlener om een gespecificeerde schriftelijke opgave van de openstaande vorderingen is ontvangen. Vanaf het moment dat de schuldhulpverlener verzoekt om een gespecificeerde schriftelijke opgave van de openstaande vorderingen, worden gedurende drie maanden geen dwanginvorderingsmaatregelen genomen en worden lopende invorderingsmaatregelen, zo nodig, in overleg met de schuldhulpverlener, opgeschort. Onder bijzondere omstandigheden kan de ontvanger deze termijn verlengen. In afwijking van het voorgaande neemt de ontvanger de invordering weer ter hand, nadat hij een schriftelijke kennisgeving van de schuldhulpverlener heeft ontvangen, waaruit blijkt dat de overeenkomst tot schuldregeling niet wordt voortgezet. Eventuele gelegde beslagen vervallen zodra het voormelde uitstel is verleend. Gedurende het uitstel is verrekening mogelijk van belastingaanslagen waarvoor uitstel van betaling is verleend met teruggaven die betrekking hebben op belasting die (materieel) is ontstaan tot en met de dag waarop het verzoek van de schuldhulpverlener om een gespecificeerde schriftelijke opgave van de openstaande vorderingen is ontvangen. Als sprake is van een verleend uitstel van betaling in het kader van een overeenkomst tot schuldregeling handelt de ontvanger in voorkomende gevallen gedurende de periode van uitstel als ware sprake van een wettelijke schuldsaneringsregeling. Nieuw opkomende belastingschulden, die (materieel) betrekking hebben op belasting verschuldigd na de dag waarop het verzoek van de schuldhulpverlener om een gespecificeerde schriftelijke opgave van de openstaande vorderingen is ontvangen, kunnen echter gedurende de periode dat uitstel van betaling is verleend worden kwijtgescholden, indien, ware er geen sprake van een overeenkomst tot schuldregeling, kwijtschelding zou hebben plaatsgevonden op grond van de betreffende bepalingen van artikel 26 van deze leidraad.
|
||||
|
||||
De ontvanger trekt het uitstel in indien:
|
||||
|
||||
|
|
@ -1757,7 +1706,7 @@ De ontvanger trekt het uitstel in indien:
|
|||
|
||||
Indien de ontvanger uitstel van betaling heeft verleend voor de periode van de schuldregeling op grond van dit lid wordt een schriftelijke kennisgeving van de schuldhulpverlener na afloop van de overeenkomst tot schuldregeling, waarin gesteld wordt dat de overeenkomst na eindcontrole is beëindigd en de schuldenaar aan zijn verplichtingen heeft voldaan, aangemerkt als het aanbieden van een buitengerechtelijk akkoord in de zin van artikel 19a van de regeling.
|
||||
|
||||
Een aan ondernemers te verlenen betalingsregeling dient zich over een zo kort mogelijke periode uit te strekken. Bij het vaststellen van de duur van de betalingsregeling houdt de ontvanger rekening met de omstandigheden van het geval, bijvoorbeeld de aard en de omvang van de schuld, de betalingscapaciteit en de vermogenspositie van de onderneming en het in het verleden getoonde aangifte- en betalingsgedrag. Zo nodig vraagt de ontvanger nadere gegevens bij de verzoeker op. De betalingsregeling zal in elk geval een looptijd van twaalf maanden - gerekend vanaf de (laatste) vervaldag van de belastingaanslag - niet te boven gaan.
|
||||
Een aan ondernemers te verlenen betalingsregeling dient zich over een zo kort mogelijke periode uit te strekken. Bij het vaststellen van de duur van de betalingsregeling houdt de ontvanger rekening met de omstandigheden van het geval, bijvoorbeeld de aard en de omvang van de schuld, de betalingscapaciteit en de vermogenspositie van de onderneming en het in het verleden getoonde aangifte- en betalingsgedrag. Zo nodig vraagt de ontvanger nadere gegevens bij de verzoeker op. De betalingsregeling zal in elk geval een looptijd van twaalf maanden - gerekend vanaf de vervaldag van de belastingaanslag - niet te boven gaan.
|
||||
|
||||
Een betalingsregeling dient steeds een op de toekomst gerichte oplossing te bieden. Aan het verlenen van een betalingsregeling stelt de ontvanger dan ook de voorwaarde dat de nieuw opkomende fiscale en andere financiële verplichtingen, waarvan de invordering aan de ontvanger is opgedragen, worden bijgehouden. Tevens wordt rekening gehouden met de op het moment van aangaan van de be-talingsregeling reeds verschuldigde kosten en invorderingsrente en met de invorderingsrente die tijdens de looptijd van de betalingsregeling verschuldigd zal worden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1785,7 +1734,7 @@ Artikel 7 van de regeling bepaalt dat het de ontvanger is, die op een verzoek va
|
|||
|
||||
In artikel 8, tweede lid, van de regeling is bepaald dat geen kwijtschelding wordt verleend voor belastingaanslagen motorrijtuigenbelasting, belastingaanslagen belasting van personenauto's en motorrijwielen, belastingaanslagen belasting zware motorrijtuigen, belastingaanslagen die zijn opgelegd wegens verschuldigde rente op grond van de Ruilverkavelingswet 1954, de Herverkavelingswet Walcheren 1947, de Reconstructiewet Midden-Delfland, de Herinrichtingswet Oost-Groningen en Gronings-Drentse Veenkoloniën en de Landinrichtingswet en voor belastingaanslagen die zijn opgelegd wegens verschuldigde kosten op grond van de Reconstructiewet concentratiegebieden. Wanneer een belastingschuldige de ontvanger kwijtschelding vraagt van de hiervoor genoemde belastingen c.q. heffingen deelt de ontvanger hem mee dat daarvoor geen kwijtschelding wordt verleend. Toezending van een verzoekformulier kan in dat geval achterwege blijven.
|
||||
|
||||
Vervallen.
|
||||
Op verzoeken om kwijtschelding is naast hetgeen in dit artikel is bepaald hoofdstuk 5 van het Voorschrift Awb 1997 van toepassing, voor zo ver daarvan hierna niet wordt afgeweken.
|
||||
|
||||
Het verzoek om kwijtschelding moet worden ingediend op een daartoe ingesteld verzoekformulier, bij de ontvanger, waaronder de belastingschuldige ressorteert. Als het verzoek wordt ingediend door een belastingschuldige/niet-ondernemer moet gebruik worden gemaakt van het verzoekformulier voor particulieren. Ook als firmanten van een vennootschap onder firma om kwijtschelding verzoeken moet naast het verzoekformulier voor ondernemers ook van het verzoekformulier voor particulieren gebruik gemaakt worden. Als het verzoek wordt ingediend door een ondernemer moet gebruik worden gemaakt van het verzoekformulier voor ondernemers. Wanneer ex-ondernemers een verzoek om kwijtschelding indienen voor belastingaanslagen die verband houden met de uitoefening van het - inmiddels gestaakte - bedrijf of zelfstandige beroep moet eveneens gebruik worden gemaakt van het verzoekformulier voor ondernemers. De formulieren zijn (op aanvraag) verkrijgbaar bij de ontvanger.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1818,7 +1767,6 @@ Om de belangen van de Staat niet te schaden kan de beschikking op een vlak voor
|
|||
Geen kwijtschelding wordt verleend als:
|
||||
|
||||
- de gevraagde gegevens voor de beoordeling van het verzoek niet, niet volledig, onjuist of niet op het door de ontvanger uitgereikte formulier (zie ook de leden 9 en 10) zijn verstrekt;
|
||||
- uit de verstrekte gegevens voor de beoordeling van het verzoek een onevenredige verhouding blijkt tussen de omvang van de uitgaven enerzijds en het inkomen anderzijds die de ontvanger aanleiding geeft om de belastingschuldige opheldering te vragen over zijn financiële situatie en de belastingschuldige deze opheldering niet, of naar het oordeel van de ontvanger, in onvoldoende mate verschaft;
|
||||
- de belastingschuldige heeft nagelaten de vereiste aangifte in te dienen. De belastingschuldige wordt meegedeeld dat een nieuw verzoek om kwijtschelding niet eerder kan worden ingediend dan nadat de inspecteur op grond van de alsnog verstrekte gegevens de belastingaanslag tot het juiste bedrag heeft kunnen vaststellen. Het verzoek dat wordt ingediend nadat de belastingaanslag tot het juiste bedrag is vastgesteld, behandelt de ontvanger als een eerste verzoek;
|
||||
- een bezwaarschrift tegen de hoogte van de belastingaanslag in behandeling is bij de inspecteur, dan wel een beroepschrift tegen de hoogte van de belastingaanslag in behandeling is bij de rechtbank of (in hoger beroep) bij het gerechtshof. Een eventuele vermindering of vernietiging van de belastingaanslag dient namelijk aan kwijtschelding vooraf te gaan. De belastingschuldige wordt meegedeeld dat een nieuw verzoek om kwijtschelding niet eerder kan worden ingediend dan nadat op het bezwaarschrift of beroepschrift (in hoger beroep) is beslist;.
|
||||
- voor de desbetreffende belastingaanslag zekerheid is gesteld;
|
||||
|
|
@ -1829,14 +1777,14 @@ Geen kwijtschelding wordt verleend als:
|
|||
Daarvan is onder andere sprake als:
|
||||
|
||||
a. het aan opzet of grove schuld van de belastingschuldige is te wijten dat te weinig belasting is geheven;
|
||||
b. vervallen;
|
||||
c. een uitbetaald bedrag (bijvoorbeeld een belastingteruggaaf) niet is aangewend ter voldoening van de schuld waarvan kwijtschelding wordt gevraagd, tenzij het betreft een voorlopige teruggaaf voorzover die niet voor beslag vatbaar is;
|
||||
d. vanaf de bekendmaking van de belastingaanslag tot aan de indiening van het verzoek om kwijtschelding op enig moment voldoende middelen aanwezig waren om de aanslag te kunnen voldoen;
|
||||
b. bij afwezigheid van betalingscapaciteit aan andere schuldeisers meer dan € 136 per maand wordt voldaan. Zie overigens ook hetgeen is vermeld in § 2, lid 25, hierna;
|
||||
c. c. een uitbetaald bedrag (bijvoorbeeld een belastingteruggaaf) niet is aangewend ter voldoening van de schuld waarvan kwijtschelding wordt gevraagd, tenzij het betreft een voorlopige teruggaaf voorzover die niet voor beslag vatbaar is;
|
||||
d. ten tijde van het invorderbaar zijn van de belastingaanslag, dan wel ten tijde van een verleend uitstel in verband met een bezwaar- of beroepsprocedure tegen de belastingaanslag, voldoende middelen aanwezig waren om de aanslag te kunnen voldoen;
|
||||
e. belastingschuldige wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat een belastingaanslag zou worden opgelegd;
|
||||
f. het verzoek is ingediend voor een belastingaanslag die het gevolg is van het feit dat een loonbelastingverklaring niet of onjuist is ingevuld, tenzij de belastingschuldige aantoont dat het niet of onjuist invullen niet aan hem kan worden verweten;
|
||||
g. het verzoek is ingediend voor een belastingaanslag die het gevolg is van het feit dat de belastingschuldige ten onrechte een verzoek, dan wel een onjuist verzoek om een voorlopige teruggaaf heeft ingediend, tenzij de belastingschuldige aantoont dat hem dit niet kan worden verweten;
|
||||
h. de belastingschuldige geen gebruik heeft gemaakt van het recht op aanvullende bijstand, waardoor de belastingaanslag (gedeeltelijk) zou kunnen worden betaald;
|
||||
i. aan de belastingaanslag een negatieve voorlopige aanslag is voorafgegaan, tenzij de belastingschuldige niet kan worden verweten dat een correctie heeft plaats gevonden van de door hem ingediende aangifte. Vermoed wordt dat de belastingschuldige verwijtbaar heeft gehandeld, als de negatieve voorlopige aanslag gebaseerd is op de gegevens die op het aangiftebiljet zijn verstrekt. Dit klemt te meer nu de belastingschuldige er bij zijn aangifte op wordt gewezen dat de definitieve aanslag wordt vastgesteld nadat de aangifte is gecontroleerd, hetgeen ertoe kan leiden dat nog een bedrag moet worden betaald. Kwijtschelding wordt alsdan niet verleend voor het bedrag dat overeenkomt met het bedrag van de negatieve voorlopige aanslag vermeerderd met de daarin begrepen heffingsrente. Voor het bedrag van de belastingaanslag dat resteert, wordt op het kwijtscheldingsverzoek beslist met inachtneming van het beleid zoals dat is verwoord in de regeling en in dit artikel van de leidraad.
|
||||
i. aan de belastingaanslag een negatieve voorlopige aanslag is voorafgegaan, tenzij de belastingschuldige niet kan worden verweten dat een correctie heeft plaats gevonden van de door hem ingediende aangifte. Vermoed wordt dat de belastingschuldige verwijtbaar heeft gehandeld, als de negatieve voorlopige aanslag gebaseerd is op de gegevens die op het aangiftebiljet zijn verstrekt. Dit klemt te meer nu de belastingschuldige er bij zijn aangifte op wordt gewezen dat de definitieve aanslag wordt vastgesteld nadat de aangifte is gecontroleerd, hetgeen ertoe kan leiden dat nog een bedrag moet worden betaald. Kwijtschelding wordt alsdan niet verleend voor het bedrag dat overeenkomt met het bedrag van de negatieve voorlopige aanslag. Voor het bedrag van de belastingaanslag dat resteert, wordt op het kwijtscheldingsverzoek beslist met inachtneming van het beleid zoals dat is verwoord in de regeling en in dit artikel van de leidraad.
|
||||
|
||||
- de belastingschuldige in surseance van betaling of in staat van faillissement verkeert tenzij een akkoord is gesloten als bedoeld in de artikelen 138 en 252 FW;
|
||||
- ten aanzien van de belastingschuldige de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, tenzij sprake is van een akkoord als bedoeld in artikel 329 FW, dan wel van een belastingaanslag, niet zijnde een belastingaanslag als bedoeld in artikel 8 tweede lid, van de regeling, voor zover die materieel verschuldigd is geworden op een tijdstip of over een tijdvak dat is gelegen na de uitspraak waarbij de schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard en niet kan worden aangemerkt als een boedelschuld;
|
||||
|
|
@ -1869,7 +1817,7 @@ Wanneer de belastingschuldige niet beschikt over vermogen of betalingscapaciteit
|
|||
- het aanwezige vermogen is gebruikt ter voldoening van de openstaande belastingaanslag;
|
||||
- ten minste 80% van de aanwezige betalingscapaciteit is gebruikt voor de voldoening van de belastingaanslag.
|
||||
|
||||
Als de belastingschuldige voldoet aan de hiervoor gestelde voorwaarden, maar kwijtschelding verzoekt voor de in artikel 8, tweede lid, van de regeling genoemde belastingen, dan wel een omstandigheid aanwezig is als bedoeld in artikel 18 van de regeling of in § 1, lid 16, hiervoor, wordt geen kwijtschelding verleend.
|
||||
Als de belastingschuldige voldoet aan de hiervoor gestelde voorwaarden, maar kwijtschelding verzoekt voor de in artikel 8, tweede lid, van de regeling genoemde belastingen, dan wel een omstandigheid aanwezig is als bedoeld in artikel 17 of 18 van de regeling of in § 1, lid 16, hiervoor, wordt geen kwijtschelding verleend.
|
||||
|
||||
Onder vermogen wordt verstaan de waarde in het economische verkeer van de bezittingen van de belastingschuldige en zijn echtgenoot als bedoeld in artikel 3 Wwb, verminderd met de schulden van de belastingschuldige en deze persoon die hoger bevoorrecht zijn dan de rijksbelastingen. Ook wanneer de belastingschuldige onder huwelijkse voorwaarden is gehuwd of bij ongehuwd samenlevenden, wanneer sprake is van een samenlevingscontract, is het vorenstaande van overeenkomstige toepassing, ondanks het feit dat de partner niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de voldoening van de belastingaanslag. Als het verzoek wordt ingediend voor een gemeentelijke belasting, waterschapsbelasting of enige andere belasting of heffing, wordt voor "rijksbelasting" gelezen: gemeentebelasting, waterschapsbelasting of andere belasting dan wel heffing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1892,9 +1840,13 @@ Bij de behandeling van een verzoek om kwijtschelding wordt de personenauto niet
|
|||
|
||||
Als "waarde" wordt de prijs in aanmerking genomen die de autohandel bereid is te betalen bij inkoop van een gebruikte auto zonder gelijktijdige verkoop van een andere auto. De auto wordt niet als een vermogensbestanddeel in aanmerking genomen als aan de ontvanger aannemelijk kan worden gemaakt dat die auto absoluut onmisbaar is voor de uitoefening van het beroep dan wel absoluut onmisbaar is in verband met invaliditeit, of ziekte van de belastingschuldige of zijn gezinsleden (zijn echtgenoot als bedoeld in artikel 3 Wwb, of zijn kind(eren) voorzover deze geen eigen inkomen/vermogen heeft (hebben) waaruit de auto in beginsel zou kunnen worden betaald). De belastingschuldige moet de onmisbaarheid (zo nodig) ná een verzoek van de ontvanger aannemelijk kunnen maken. Het is dus niet noodzakelijk dat de belastingschuldige al bij de indiening van het verzoek om kwijtschelding die onmisbaarheid aannemelijk maakt.
|
||||
|
||||
Met betrekking tot de onmisbaarheid in verband met de uitoefening van een beroep wordt opgemerkt dat in artikel 12, tweede lid, onderdeel c, van de regeling sprake is van "die" auto. Daarmee wordt aangegeven dat de auto waarover de belastingschuldige beschikt, moet passen binnen de uitoefening van zijn functie. De onmisbaarheid van de auto in verband met invaliditeit of ziekte kan aannemelijk worden gemaakt met een verklaring van een vertrouwensarts, niet zijnde de huisarts of behandelend specialist. De onmisbaarheid kan ook aannemelijk worden gemaakt door het feit dat de auto niet met eigen middelen is voldaan maar is betaald door de Gemeentelijke Sociale Dienst of het Uitvoeringsinstituut.
|
||||
Met betrekking tot de onmisbaarheid in verband met de uitoefening van een beroep wordt opgemerkt dat in artikel 12, tweede lid, onderdeel c, van de regeling sprake is van "die" auto. Daarmee wordt aangegeven dat de auto waarover de belastingschuldige beschikt, moet passen binnen de uitoefening van zijn functie. De onmisbaarheid van de auto in verband met invaliditeit of ziekte kan aannemelijk worden gemaakt met een verklaring van een vertrouwensarts, niet zijnde de huisarts of behandelend specialist. De onmisbaarheid kan ook aannemelijk worden gemaakt door het feit dat de auto niet met eigen middelen is voldaan maar is betaald door de Gemeentelijke Sociale Dienst of het Uitvoeringsinstituut. Met betrekking tot de auto wordt nog opgemerkt dat de aanwezigheid van een auto kan leiden tot afwijzing van een verzoek om kwijtschelding op grond van de overweging dat het feit dat de belastingaanslag niet kan worden voldaan aan de belastingschuldige is toe te rekenen. Daarvan zal sprake zijn als:
|
||||
|
||||
Een tegoed op een bank- of girorekening wordt aangemerkt als een vermogensbestanddeel. Voor wat het vrij opneembare deel daarvan betreft alleen voorzover dit tegoed meer bedraagt dan het voor de belastingschuldige geldende normbedrag voor kosten van levensonderhoud, vermeerderd met de op de belastingschuldige drukkende huurprijs dan wel hypotheekrente en erfpachtcanon tot maximaal het bedrag als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag voorzover dit meer is dan de minimale eigen bijdrage in de laagste inkomenscategorie volgens artikel 17, tweede lid, Wet op de huurtoeslag en ook met de niet door de werkgever ingehouden premies ziektekostenverzekering, de premie voor een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet en de premie, bedoeld in artikel 17 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, verminderd met de normpremie, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag, voor zover reeds begrepen in de bijstandsnorm zoals die voor de belastingschuldige geldt ingevolge artikel 475d, eerste, tweede en vierde lid Rv, en met de krachtens de Wet op de zorgtoeslag ontvangen zorgtoeslag. Wanneer de huur, de hypotheekrente, de erfpachtcanon, de niet door de werkgever ingehouden premies ziektekostenverzekering, de premie voor een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet en de premie, bedoeld in artikel 17 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten moeten worden voldaan over een termijn die langer is dan een maand, wordt dat termijnbedrag in aanmerking genomen voorzover dat - gelet op de vervaldatum van de termijnbetaling - op het moment waarop het verzoek om kwijtschelding wordt gedaan, redelijkerwijs kan worden aangemerkt als reservering voor die termijnbetaling.
|
||||
- de auto is aangeschaft in of na het jaar waarop de belastingaanslag waarvan kwijtschelding wordt verzocht betrekking heeft, zonder dat de noodzaak tot de aanschaf ten koste van het betalen van de belastingschuld aanwezig was;
|
||||
- de auto is ingeruild in of na het jaar waarop de belastingaanslag, waarvan kwijtschelding wordt verzocht, betrekking heeft en er sprake was van bijbetaling, zonder dat de noodzaak hiertoe ten tijde van het betalen van de belastingschuld aanwezig was. In dit geval wordt het verzoek om kwijtschelding afgewezen voor het bedrag van de bijbetaling;
|
||||
- het de ontvanger duidelijk is dat de minimaal aan het bezit van een auto verbonden kosten niet uit het opgegeven inkomen kunnen worden voldaan. De belastingschuldige wordt dan in de gelegenheid gesteld aannemelijk te maken dat deze kosten wel uit het inkomen kunnen worden voldaan.
|
||||
|
||||
Een tegoed op een bank- of girorekening wordt aangemerkt als een vermogensbestanddeel. Voor wat het vrij opneembare deel daarvan betreft alleen voorzover dit tegoed meer bedraagt dan het voor de belastingschuldige geldende normbedrag voor kosten van levensonderhoud, vermeerderd met de op de belastingschuldige drukkende huurprijs dan wel hypotheekrente en erfpachtcanon tot maximaal het bedrag als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Huursubsidiewet voorzover dit meer is dan de minimale eigen bijdrage in de laagste inkomenscategorie volgens artikel 17, tweede lid, Huursubsidiewet en ook met de niet door de werkgever ingehouden premies voor een ziektekostenverzekering en de nominale premies op grond van de Ziekenfondswet en de Algemene wet bijzondere ziektekosten. Wanneer de huur, de hypotheekrente, de erfpachtcanon, de premies voor de ziektekostenverzekering of de nominale premies op grond van de Ziekenfondswet en de Algemene wet bijzondere ziektekosten moeten worden voldaan over een termijn die langer is dan een maand, wordt dat termijnbedrag in aanmerking genomen voorzover dat - gelet op de vervaldatum van de termijnbetaling - op het moment waarop het verzoek om kwijtschelding wordt gedaan, redelijkerwijs kan worden aangemerkt als reservering voor die termijnbetaling.
|
||||
|
||||
Een bedrag op een bank- of girorekening dat is verkregen in het kader van de WSF of Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten in de vorm van een lening, wordt niet als een vermogensbestanddeel in aanmerking genomen. Een spaartegoed dat geacht mag worden te zijn verkregen in de vorm van een zodanige lening wordt evenmin als een vermogensbestanddeel in aanmerking genomen, voorzover het gespaarde bedrag de component lening in de studietoelage niet overschrijdt. Ook een bedrag op een bank- of girorekening dat is verkregen in het kader van een regeling voor een persoonsgebonden budget wordt niet als een vermogensbestanddeel in aanmerking genomen. Incidentele ontvangsten op bank- of girorekening (zoals bijvoorbeeld vakantiegeld) worden voor de bepaling van een aanwezig vermogensbestanddeel mede in aanmerking genomen, tenzij bij de berekening van de betalingscapaciteit met dat bedrag rekening is gehouden. Deze situatie zal zich met name voordoen bij de vakantiegelduitkering (zie lid 15 van deze paragraaf). De nog beschikbare kredietruimte van een doorlopend krediet wordt in het kader van de kwijtscheldingsregeling niet als een vermogensbestanddeel aangemerkt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1904,7 +1856,7 @@ Als bij de belastingschuldige kinderen thuis wonen die over een eigen vermogen b
|
|||
|
||||
Voor de beoordeling van verzoeken om kwijtschelding van belastingaanslagen ten name van overledenen zijn de financiële omstandigheden van de erfgenamen in beginsel niet van belang. Alleen de vraag of de belastingaanslagen uit het actief van de nalatenschap (hadden) kunnen worden voldaan is van belang. Dit uitgangspunt geldt niet als het verzoek wordt gedaan door de overblijvende partner/erfgenaam. In dat geval worden de persoonlijke financiële omstandigheden wel mede in aanmerking genomen, ook al zouden bijvoorbeeld de kinderen als mede-erfgenamen voor een deel van de belastingschuld kunnen worden aangesproken. Als een erfgenaam op grond van een ingediend verzoek voor kwijtschelding in aanmerking zou komen, wordt betrokkene bij beschikking voor zijn aandeel in de belastingschuld ontslag van betalingsverplichting verleend. Deze beschikking wordt bekendgemaakt. Deze werkwijze wordt ook gevolgd als de partner van de erflater het verzoek om kwijtschelding indient (zie ook hetgeen is opgemerkt in § 1, derde lid, hiervoor).
|
||||
|
||||
Spaarsaldi en spaarloonsaldi worden als vermogensbestanddeel in aanmerking genomen. Daarbij moet wel rekening worden gehouden met hetgeen is opgemerkt in de leden 5 en 7 van deze paragraaf. Een spaarsaldo ingevolge een levensloopregeling wordt niet als een vermogensbestanddeel in aanmerking genomen.
|
||||
Spaarsaldi en spaarloonsaldi worden als vermogensbestanddeel in aanmerking genomen. Daarbij moet wel rekening worden gehouden met hetgeen is opgemerkt in de leden 5 en 7 van deze paragraaf.
|
||||
|
||||
Als sprake is van een belastingschuldige die een uitkering geniet ingevolge de Wet werk en inkomen kunstenaars wordt het vermogen dat noodzakelijk is voor de uitoefening van het beroep van kunstenaar niet als vermogensbestanddeel in aanmerking genomen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1912,22 +1864,13 @@ Als is vastgesteld dat geen of onvoldoende vermogensbestanddelen aanwezig zijn o
|
|||
|
||||
Het netto-besteedbare inkomen van de belastingschuldige wordt vermeerderd met het gemiddeld per maand te verwachten netto-besteedbare inkomen van zijn echtgenoot als bedoeld in artikel 3 Wwb in de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het verzoek om kwijtschelding is ingediend. Dit artikel merkt als echtgenoot mede aan de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Inkomensoptelling vindt dus plaats ten aanzien van twee personen die in de zin van artikel 3 Wwb een gezamenlijke huishouding voeren, zoals bijvoorbeeld een broer en een zus (zie voor de definitie het derde lid van deze paragraaf). Ook wanneer de belastingschuldige onder huwelijkse voorwaarden is gehuwd of, bij ongehuwd samenlevenden, wanneer sprake is van een samenlevingscontract, is het vorenstaande van toepassing, ondanks het feit dat de partner niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de voldoening van de belastingaanslag. De vaststelling van het totale netto-besteedbare inkomen staat los van de aansprakelijkheid tot betaling van de belastingaanslagen waarvan kwijtschelding wordt verzocht. De verantwoordelijkheid van de echtgenoot als bedoeld in artikel 3 Wwb, voor schulden van de belastingschuldige, wordt beperkt tot de (materiële) belastingschulden die stammen uit de huwelijkse periode dan wel uit de periode waarin de gezamenlijke huishouding is gevoerd. Dat kan tot gevolg hebben dat in voorkomende gevallen de belastingaanslag moet worden gesplitst. Het vermogen en de betalingscapaciteit van de in artikel 3 Wwb bedoelde echtgenoot van belastingschuldige, worden dus buiten beschouwing gelaten voorzover een door de belastingschuldige ingediend verzoek om kwijtschelding betrekking heeft op belastingschulden die zijn ontstaan vóór de aanvang van de huwelijkse periode dan wel de gezamenlijke huishouding. Het toe te passen normbedrag is in dit geval (afhankelijk van de omstandigheden) het normbedrag voor een alleenstaande dan wel het normbedrag voor een alleenstaande ouder (zie lid 26 hierna).
|
||||
|
||||
Als na aftrek van de norm voor de kosten van bestaan het saldo nihil of negatief is, wordt volledige kwijtschelding verleend, tenzij zich een omstandigheid voordoet als vermeld in § 1, lid 16, hiervoor. Is sprake van een belastingschuldige ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard en die belastingschuldige verzoekt om kwijtschelding van een belastingaanslag als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel d, van de regeling, dan wordt het verzoek behandeld als ware geen sprake van een schuldsaneringsregeling overeenkomstig het terzake geldende bestaande beleid. Dit betekent dus onder meer dat bij de berekening van de betalingscapaciteit op het inkomen van de belastingschuldige niet in mindering wordt gebracht dat deel van het inkomen dat onder beheer van de bewindvoerder naar de boedel gaat. Voorts wordt opgemerkt dat de middelen die de boedel vormen en onder beheer van de bewindvoerder berusten, niet beschouwd worden als vermogen in de zin van artikel 12 van de regeling.
|
||||
Als na aftrek van de norm voor de kosten van bestaan het saldo nihil of negatief is, wordt volledige kwijtschelding verleend, tenzij zich een omstandigheid voordoet als vermeld in § 1, lid 16, hiervoor. Is sprake van een belastingschuldige ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard en die belastingschuldige verzoekt om kwijtschelding van een belastingaanslag als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel d, van de regeling, dan wordt het verzoek behandeld als ware geen sprake van een schuldsaneringsregeling overeenkomstig het terzake geldende bestaande beleid. Dit betekent dus onder meer dat bij de berekening van de betalingscapaciteit op het inkomen van de belastingschuldige niet in mindering wordt gebracht dat deel van het inkomen dat onder beheer van de bewindvoerder naar de boedel gaat. Uitdrukkelijk wordt opgemerkt dat dat deel niet wordt beschouwd als een aflossing op schulden aan andere schuldeisers als bedoeld in artikel 17 van de regeling. Voorts wordt opgemerkt dat de middelen die de boedel vormen en onder beheer van de bewindvoerder berusten, niet beschouwd worden als vermogen in de zin van artikel 12 van de regeling.
|
||||
|
||||
Het netto-besteedbare inkomen wordt gevormd door:
|
||||
|
||||
- de aan inhouding van loonheffing onderworpen inkomsten verminderd met de wettelijke inhoudingen, zonder rekening te houden met de daarbij eventueel in mindering gebrachte jonggehandicaptenkorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001, en de ingehouden pensioenpremies, de bijdragen ingevolge een levensloopregeling, de inkomensafhankelijke bijdrage als bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet en de premies ziektekostenverzekering. Als terugbetalingen of verrekeningen plaatsvinden tussen de belastingschuldige en degene die de aan de loonheffing onderworpen inkomsten betaalbaar stelt, zal het uit te betalen bedrag lager zijn dan het na de wettelijke inhoudingen netto te ontvangen bedrag. Voor de berekening van de betalingscapaciteit wordt rekening gehouden met het netto te ontvangen bedrag (inclusief het bedrag dat wordt gereserveerd in het kader van een zogenaamde spaarloonregeling) na de wettelijke inhoudingen;
|
||||
- de aan inhouding van loonheffing onderworpen inkomsten verminderd met de wettelijke inhoudingen, zonder rekening te houden met de daarbij eventueel in mindering gebrachte jonggehandicaptenkorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001, en de ingehouden pensioenpremies en premies ziektekostenverzekering. Als terugbetalingen of verrekeningen plaatsvinden tussen de belastingschuldige en degene die de aan de loonheffing onderworpen inkomsten betaalbaar stelt, zal het uit te betalen bedrag lager zijn dan het na de wettelijke inhoudingen netto te ontvangen bedrag. Voor de berekening van de betalingscapaciteit wordt rekening gehouden met het netto te ontvangen bedrag (inclusief het bedrag dat wordt gereserveerd in het kader van een zogenaamde spaarloonregeling) na de wettelijke inhoudingen;
|
||||
- uitkeringen voor levensonderhoud op grond van de artikelen 1:157, 158 en 404 BW (de alimentatie-uitkering);
|
||||
- overige inkomsten, met uitzondering van:
|
||||
|
||||
a. de in een voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting begrepen combinatiekorting, aanvullende combinatiekorting en aanvullende alleenstaande-ouderkorting voor een alleenstaande ouder met een kind jonger dan vijf jaar;
|
||||
b. een toeslag op grond van de Wet kinderopvang of de Wet op het kindgebonden budget;
|
||||
c. een vergoeding voor pleegouders ten behoeve van het levensonderhoud van een pleegkind;
|
||||
d. een ouderlijke bijdrage in geld of bijstand die niet strekt ter bestrijding van de bijzondere noodzakelijke kosten van bestaan;
|
||||
e. uitkeringen op grond van de Algemene Kinderbijslagwet en daarmee vergelijkbare buitenlandse uitkeringen;
|
||||
f. toegekende bedragen in het kader van een regeling van een persoonsgebonden budget;
|
||||
g. de bedragen bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen j, k en o van de Wwb (zie lid 17b van artikel 26 van deze leidraad);
|
||||
h. de langdurigheidstoeslag bedoeld in artikel 36 van de Wwb (zie lid 18 van artikel 26 van deze leidraad).
|
||||
- overige inkomsten (bijvoorbeeld vorderingen tot periodieke betaling van inkomstenbelasting begrepen in een voorlopige teruggaaf als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de AWR, daaronder begrepen de aanspraak op een zodanige teruggaaf, met uitzondering van de daarin begrepen kinderkorting, aanvullende kinderkorting, toetrederskorting, alsmede voor alleenstaande ouders van wie het jongste kind jonger dan vijf jaar is, aanvullende alleenstaande-ouderkorting, combinatiekorting en aanvullende combinatiekorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 of een ouderlijke bijdrage in geld of bijstand die niet strekt ter bestrijding van bijzondere noodzakelijke kosten van bestaan) met uitzondering van de uitkeringen op grond van de Algemene Kinderbijslagwet en daarmee vergelijkbare buitenlandse uitkeringen alsmede de uitkeringen op grond van artikel 229d, tweede lid, Gemeentewet (negatieve aanslag), artikel 255a Gemeentewet (uitbetaling aan degene die om kwijtschelding verzoekt) en bedragen die in het kader van een regeling van persoonsgebonden budget worden toegekend en bedragen bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen j, k en o, Wwb (zie lid 17b) en de langdurigheidstoeslag, bedoeld in artikel 36 van de Wwb. Zie ook artikel 26, § 2, lid 18, van deze leidraad.
|
||||
|
||||
Inkomsten van een inwonende worden in de berekening van het netto-besteedbare inkomen van de belastingschuldige betrokken als deze inwonende met de belastingschuldige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Het feit dat een ouder of kind inwoont, kan dus niet leiden tot bijtelling van inkomsten. Inkomensoptelling vindt dus plaats ten aanzien van in gezins-verband levende echtgenoten, ongeacht hun huwelijksgoederenregime, en twee personen die een gezamenlijke huishouding voeren, mits geen bloedverwanten in de eerste graad. Het inkomen van een inwonend kind en een inwonende ouder blijft buiten beschouwing. Een uitzondering daarop vormen de inkomsten voor, door of ten behoeve van minderjarige kinderen ontvangen alimentatie.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1935,7 +1878,7 @@ Tot het inkomen wordt ook het vakantiegeld gerekend. Het vakantiegeld wordt gest
|
|||
|
||||
Bij de berekening van het netto besteedbare inkomen wordt rekening gehouden met inkomsten die studenten ontvangen op grond van de WSF en de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten 18+. Studenten in het voortgezet onderwijs of speciaal voortgezet onderwijs ontvangen een basistoelage en eventueel (afhankelijk van het inkomen van de ouders) een tegemoetkoming in de schoolkosten op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten 18+. Studenten in het middelbaar beroepsonderwijs of het hoger onderwijs ontvangen een basisbeurs en eventueel (afhankelijk van het inkomen van de ouders) een aanvullende beurs en een lening op grond van de WSF.
|
||||
|
||||
De inkomsten worden gesteld op een forfaitair bedrag. Dit forfaitaire bedrag is het betreffende bedrag van kolom A van bijlage 1b van deze leidraad. Indien belastingschuldige naast studiefinanciering beschikt over eigen inkomsten wordt eveneens uitgegaan van het forfaitaire bedrag vermeld in kolom A. Echter voorzover het totaal van de daadwerkelijk genoten studiefinanciering en de eigen inkomsten meer bedraagt dan het forfaitaire bedrag vermeld in kolom C van bijlage 1b, wordt als inkomsten in dat geval in aanmerking genomen: dat verschil vermeerderd met het forfaitaire bedrag vermeld in kolom A. Indien sprake is van een partnertoeslag of een éénoudertoeslag worden bij de voormelde berekeningen de forfaitaire bedragen van kolom A en kolom C verhoogd met die toeslagen.
|
||||
De inkomsten worden gesteld op een forfaitair bedrag. Dit forfaitaire bedrag is het betreffende bedrag van kolom A van bijlage 1b van deze leidraad vermeerderd met het in kolom C betreffende bedrag voor een ziektekostenverzekering. Indien belastingschuldige naast studiefinanciering beschikt over eigen inkomsten wordt eveneens uitgegaan van het forfaitaire bedrag vermeld in kolom A vermeerderd met het in kolom C vermelde bedrag. Echter voorzover het totaal van de daadwerkelijk genoten studiefinanciering en de eigen inkomsten meer bedraagt dan het forfaitaire bedrag vermeld in kolom E van bijlage 1b, wordt als inkomsten in dat geval in aanmerking genomen: dat verschil vermeerderd met het forfaitaire bedrag vermeld in kolom A en vermeerderd met het in kolom C betreffende bedrag voor een ziektekostenverzekering. Indien sprake is van een partnertoeslag of een éénoudertoeslag worden bij de voormelde berekeningen de forfaitaire bedragen van kolom A en kolom E verhoogd met die toeslagen.
|
||||
|
||||
Uitkeringen die worden ontvangen in het kader van bijzondere bijstand en die zijn bestemd voor bestrijding van specifieke kosten waarin de reguliere bijstandsuitkering niet voorziet, worden niet als inkomen in aanmerking genomen. De bijzondere (aanvullende) bijstand voor personen jonger dan 21 jaar, wordt daarentegen wèl als inkomen in aanmerking genomen, evenals de ouderlijke bijdrage in geld die deze jongeren ontvangen. In dit geval is de bijzondere bijstand niet bestemd voor bestrijding van specifieke kosten waarin de reguliere bijstandsuitkering niet voorziet. De bijzondere bijstand voor jongeren dient ter aanvulling van de zeer lage bijstandsnorm, als de ouderlijke bijdrage, die geacht wordt deze lage bijstandsnorm aan te vullen tot het niveau van de bijstandsnorm voor personen van 21 tot 65 jaar, geheel of gedeeltelijk ontbreekt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1945,10 +1888,9 @@ Niet betrokken als inkomsten bij de berekening van de betalingscapaciteit worden
|
|||
|
||||
Het gaat in casu om de volgende bedragen:
|
||||
|
||||
- een eenmalige premie in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling van ten hoogste € 2160 per kalenderjaar;
|
||||
- een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk van ten hoogste € 95 per maand met een maximum van € 764 per jaar;
|
||||
- een kostenvergoeding in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling van ten hoogste € 150 per maand met een maximum van € 1500 per jaar;
|
||||
- inkomsten uit arbeid gedurende ten hoogste zes aaneengesloten maanden tot 25% van deze inkomsten, met een maximum van € 181 per maand, voor zover betrokkene algemene bijstand ontvangt en dit bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling.
|
||||
- een eenmalige premie in het kader van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling van ten hoogste € 1.976 per kalenderjaar;
|
||||
- een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk van ten hoogste € 21 per week met een maximum van € 735 per jaar;
|
||||
- inkomsten uit arbeid gedurende ten hoogste zes aaneengesloten maanden tot 25% van deze inkomsten, met een maximum van € 165 per maand, voor zover betrokkene algemene bijstand ontvangt en dit bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling.
|
||||
|
||||
Tot de overige inkomsten kunnen worden gerekend de ouderlijke bijdrage in geld die jongeren ontvangen en de (aanvullende) bijzondere bijstand voor jongeren (zie lid 17, hiervoor). Ook de inkomsten uit het houden van kostgangers en de inkomsten uit kamerverhuur en onderverhuur worden tot de overige inkomsten gerekend. Zie in dit verband ook artikel 26, lid 24A, van deze leidraad.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1956,34 +1898,39 @@ Natuurlijke personen die een uitkering genieten op grond van de Wet werk en inko
|
|||
|
||||
Voordat van het netto-besteedbare inkomen de kosten van bestaan worden afgetrokken ter bepaling van de betalingscapaciteit, worden de inkomsten genoemd in artikel 14 van de regeling verminderd met de uitgaven genoemd in artikel 15 van de regeling. Een nadere toelichting op de aftrekbare uitgaven volgt in de leden 20 tot en met 25 van deze paragraaf. NB. Uitgaven die niet zijn genoemd in artikel 15 van de regeling kunnen bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen niet in mindering worden gebracht.
|
||||
|
||||
Bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen wordt rekening gehouden met betalingen die nog moeten worden gedaan op geformaliseerde belastingaanslagen, waarop het verzoek om kwijtschelding geen betrekking heeft. Als uit de administratie van de ontvanger niet blijkt dat de belastingschuldige die het verzoek heeft ingediend (een) andere belastingaanslag(en) heeft te voldoen dan die waarvan kwijtschelding wordt verzocht, kan de ontvanger de belastingschuldige bewijsstukken laten overleggen waaruit van die belastingaanslagen blijkt. Met belastingaanslagen die in de loop van de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het verzoek is ingediend nog zullen worden opgelegd, wordt geen rekening gehouden. In voorkomend geval kan - als het rijksbelastingen betreft - bij de ontvanger een aanvullend verzoek om kwijtschelding worden ingediend. Betreft het belastingen van lokale overheden, dan kan bij de betreffende instantie om kwijtschelding worden verzocht. Onder betaling op belastingschulden wordt ook begrepen een betaling ter zake van premie voor de volksverzekeringen, ter zake van de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet en een betaling ter zake van een terugvorderingsbeschikking toeslagen. Tot betalingen op belastingschulden worden ook de betalingen gerekend die worden verricht op gemeentelijke belastingen (met uitzondering van de rechten die zijn vermeld in artikel 229 van de Gemeentewet), waterschapsbelastingen en andere belastingen en heffingen van lokale overheden. De ontvanger kan de belastingschuldige te zijner tijd bewijsstukken laten overleggen waaruit van de betalingen op die belastingen en/of heffingen blijkt. Bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen wordt geen rekening gehouden met de betalingen op belastingschulden bedoeld in § 1, zesde lid, hiervoor.
|
||||
Bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen wordt rekening gehouden met betalingen die nog moeten worden gedaan op geformaliseerde belastingaanslagen, waarop het verzoek om kwijtschelding geen betrekking heeft. Als uit de administratie van de ontvanger niet blijkt dat de belastingschuldige die het verzoek heeft ingediend (een) andere belastingaanslag(en) heeft te voldoen dan die waarvan kwijtschelding wordt verzocht, kan de ontvanger de belastingschuldige bewijsstukken laten overleggen waaruit van die belastingaanslagen blijkt. Met belastingaanslagen die in de loop van de periode van twaalf maanden vanaf de datum waarop het verzoek is ingediend nog zullen worden opgelegd, wordt geen rekening gehouden. In voorkomend geval kan - als het rijksbelastingen betreft - bij de ontvanger een aanvullend verzoek om kwijtschelding worden ingediend. Betreft het belastingen van lokale overheden, dan kan bij de betreffende instantie om kwijtschelding worden verzocht. Tot betalingen op belastingschulden worden ook de betalingen gerekend die worden verricht op gemeentelijke belastingen (met uitzondering van de rechten die zijn vermeld in artikel 229 van de Gemeentewet), waterschapsbelastingen en andere belastingen en heffingen van lokale overheden. De ontvanger kan de belastingschuldige te zijner tijd bewijsstukken laten overleggen waaruit van de betalingen op die belastingen en/of heffingen blijkt. Bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen wordt geen rekening gehouden met de betalingen op belastingschulden waarvoor geen kwijtschelding kan worden verleend (zie § 1, zesde lid, hiervoor).
|
||||
|
||||
Omdat de kwijtscheldingsnorm aansluit bij 90% van de normuitkering van de bijstand, analoog aan het regime voor de beslagwetgeving, heeft dit tot gevolg dat woonlasten die bij de toepassing van de Wet op de huurtoeslag minimaal voor eigen rekening blijven al in de kwijtscheldingsnorm zijn verwerkt. Thans is dit een bedrag van € 184,85 per maand. Dit bedrag, dat dus ook in de bijstandsuitkering is begrepen, is het minimale eigen aandeel in de woonlasten overeenkomstig de systematiek van de Wet op de huurtoeslag voor iemand met een minimuminkomen. Bij de berekening van de betalingscapaciteit wordt rekening gehouden met de woonlasten die niet in de kwijtscheldingsnorm zijn verwerkt (dus het bedrag boven de normhuur, te weten € 184,85: voor éénpersoonsouderenhuishoudens is dit bedrag € 183,03 en voor meerpersoonsouderenhuishoudens is dit bedrag € 181,22) tot het bedrag van de maximum huurgrens (€ 621,78 per maand). Het bij de berekening van de betalingscapaciteit in aanmerking te nemen bedrag bedraagt dus maximaal € 621,78 – € 184,85 = € 436,93.
|
||||
Omdat de kwijtscheldingsnorm aansluit bij 90% van de normuitkering van de bijstand, analoog aan het regime voor de beslagwetgeving, heeft dit tot gevolg dat woonlasten die bij de toepassing van de Huursubsidiewet minimaal voor eigen rekening blijven al in de kwijtscheldingsnorm zijn verwerkt. Voor het tijdvak 1 juli 2004 - 1 juli 2005 is dit een bedrag van € 179,61 per maand. Dit bedrag, dat dus ook in de bijstandsuitkering is begrepen, is het minimale eigen aandeel in de woonlasten overeenkomstig de systematiek van de Huursubsidiewet voor iemand met een minimuminkomen. Bij de berekening van de betalingscapaciteit wordt rekening gehouden met de woonlasten die niet in de kwijtscheldingsnorm zijn verwerkt (dus het bedrag boven de normhuur, te weten € 179,61: voor éénpersoonsouderenhuishoudens is dit bedrag € 177,79 en voor meerpersoonsouderenhuishoudens is dit bedrag € 175,98) tot maximaal het bedrag van de hoogste subsidiabele huur (€ 597,54 per maand voor het tijdvak 1 juli 2004 - 1 juli 2005). Het bij de berekening van de betalingscapaciteit in aanmerking te nemen bedrag bedraagt dus maximaal € 597,54 - € 179,61 = € 417,93.
|
||||
|
||||
Onder (netto-)woonlasten wordt verstaan de op belastingschuldige drukkende huurprijs als bedoeld in artikel 5 van de Wet op de huurtoeslag, dan wel hypotheekrente (niet de aflossingen op de hypotheek!) en erfpachtcanon terzake van een door de belastingschuldige bewoonde woning voorzover deze hem voor gebruik ter beschikking staat, verminderd met de ontvangen huurtoeslag en andere tegemoetkomingen in de woonlasten. Onder netto-woonlasten vallen dus ook de subsidiabele servicekosten. De huur die bij de berekening van de betalingscapaciteit in aanmerking wordt genomen, is de huur zoals van toepassing op het moment waarop het verzoek wordt ingediend. Met eventuele (voorzienbare) huurverhogingen wordt bij de berekening van de betalingscapaciteit over de toekomstige periode van twaalf maanden geen rekening gehouden. Wanneer het verzoek om kwijtschelding wordt gedaan voor belastingschulden die zijn ontstaan voor de aanvang van de huwelijkse periode, dan wel de gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3 Wwb (zie lid 12 van deze paragraaf), wordt slechts het door belastingschuldige zelf betaalde gedeelte van de woonlasten in aanmerking genomen, dit tot een maximum van 50% van de woonlasten. Wanneer de belastingschuldige die een verzoek om kwijtschelding heeft ingediend tegen betaling kost en inwoning geniet of op commerciële basis een kamer huurt, wordt bij de berekening van de betalingscapaciteit uitsluitend rekening gehouden met het bedrag dat voor inwoning c.q. de kamerhuur wordt betaald. De "kost" wordt dus niet in aanmerking genomen. In een aantal gevallen wordt huurtoeslag verstrekt ook als de huur hoger is dan de maximumgrens als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag. Dat is het geval als: - het huishouden van de belastingschuldige uit meer dan 8 personen bestaat; - belastingschuldige gehandicapt is en in een aangepaste woning woont. Het vorenstaande houdt in dat in deze gevallen een hogere huur in aanmerking kan worden genomen dan het maximumbedrag van de huurtoeslag.
|
||||
Onder (netto-)woonlasten wordt verstaan de op belastingschuldige drukkende huurprijs als bedoeld in artikel 5 van de Huursubsidiewet, dan wel hypotheekrente (niet de aflossingen op de hypotheek!) en erfpachtcanon terzake van een door de belastingschuldige bewoonde woning voorzover deze hem voor gebruik ter beschikking staat, verminderd met de ontvangen huursubsidie en andere tegemoetkomingen in de woonlasten. Onder netto-woonlasten vallen dus ook de subsidiabele servicekosten. De huur die bij de berekening van de betalingscapaciteit in aanmerking wordt genomen, is de huur zoals van toepassing op het moment waarop het verzoek wordt ingediend. Met eventuele (voorzienbare) huurverhogingen wordt bij de berekening van de betalingscapaciteit over de toekomstige periode van twaalf maanden geen rekening gehouden. Wanneer het verzoek om kwijtschelding wordt gedaan voor belastingschulden die zijn ontstaan voor de aanvang van de huwelijkse periode, dan wel de gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3 Wwb (zie lid 12 van deze paragraaf), wordt slechts het door belastingschuldige zelf betaalde gedeelte van de woonlasten in aanmerking genomen, dit tot een maximum van 50% van de woonlasten. Wanneer de belastingschuldige die een verzoek om kwijtschelding heeft ingediend tegen betaling kost en inwoning geniet of op commerciële basis een kamer huurt, wordt bij de berekening van de betalingscapaciteit uitsluitend rekening gehouden met het bedrag dat voor inwoning c.q. de kamerhuur wordt betaald. De "kost" wordt dus niet in aanmerking genomen. In een aantal gevallen wordt huursubsidie verstrekt ook als de huur hoger is dan de maximumgrens als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Huursubsidiewet. Dat is het geval als: - het huishouden van de belastingschuldige uit meer dan 8 personen bestaat; - belastingschuldige gehandicapt is en in een aangepaste woning woont. Het vorenstaande houdt in dat in deze gevallen een hogere huur in aanmerking kan worden genomen dan het maximumbedrag van de huursubsidie.
|
||||
|
||||
In het vorige lid dient voor:
|
||||
|
||||
a. € 184,85 in de tweede en vierde volzin gelezen te worden: € 183,03 voor éénpersoonsouderenhuishoudens en € 181,22 voor meerpersoonsouderenhuishoudens;
|
||||
b. € 621,78 – € 184,85 = € 436,93 in de vijfde volzin gelezen te worden voor éénpersoonsouderenhuishoudens en meerpersoonsouderenhuishoudens: € 621,78 – € 183,03 = € 438,75 onderscheidenlijk € 621,78 – € 181,22 = € 440,56.
|
||||
a. "€ 179,61" in de tweede en vierde volzin gelezen te worden: "€ 177,79" voor éénpersoonsouderenhuishoudens en "€ 175,98" voor meerpersoonsouderenhuishoudens;
|
||||
b. "€ 597,54 - € 179,61 = € 417,93" in de vijfde volzin gelezen te worden voor éénpersoonsouderenhuishoudens en meerpersoonsouderenhuishoudens: € 597,54 - € 177,79 = € 419,75 onderscheidenlijk € 597,54 - € 175,98 = € 421,56.
|
||||
|
||||
De niet door de werkgever ingehouden premies ziektekostenverzekering, de premie voor een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet en de premie, bedoeld in artikel 17 van de Algemene wet bijzondere ziektekosten, verminderd met de normpremie, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag, voor zover reeds begrepen in de bijstandsnorm zoals die voor de belastingschuldige geldt ingevolge artikel 475d, eerste, tweede en vierde lid Rv (de normpremie voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder is € 54 per maand; de normpremie voor echtgenoten is € 77 per maand), en met de krachtens de Wet op de zorgtoeslag ontvangen zorgtoeslag, mogen bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen in mindering worden gebracht. Alle overige uitgaven in verband met ziekte en/of invaliditeit worden niet in aanmerking genomen bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen. Voor de bestrijding van de noodzakelijke (extra) kosten die de belastingschuldige maakt in verband met ziekte of invaliditeit kan hij zo nodig een beroep doen op de Wwb, voorzover geen beroep kan worden gedaan op andere voorzieningen, zoals bijvoorbeeld een uitkering krachtens de AWBZ. Voordat de gevraagde bijstand wordt verleend, moet de aanvrager/belastingschuldige zelf in een kalenderjaar een vastgesteld maximumbedrag uit eigen middelen hebben bijgedragen. Ook met de eigen bijdrage wordt geen rekening gehouden bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen. Omdat de belastingschuldige zijn uitgaven in verband met ziekte of invaliditeit óf uit eigen middelen moet voldoen zolang het vastgestelde maximumbedrag niet wordt overschreden, óf een beroep kan doen op de Wwb of een andere voorziening wordt met die uitgaven bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen geen rekening gehouden.
|
||||
Premies voor een ziektekostenverzekering die niet door de werkgever worden ingehouden, de nominale ziekenfondspremie en aanvullende premies en de AWBZ-premies die niet door de werkgever worden ingehouden mogen bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen in mindering worden gebracht. Alle overige uitgaven in verband met ziekte en/of invaliditeit worden niet in aanmerking genomen bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen. Voor de bestrijding van de noodzakelijke (extra) kosten die de belastingschuldige maakt in verband met ziekte of invaliditeit kan hij zo nodig een beroep doen op de Wwb, voorzover geen beroep kan worden gedaan op andere voorzieningen, zoals bijvoorbeeld een uitkering krachtens de AAW, AWBZ of ZFW. Voordat de gevraagde bijstand wordt verleend, moet de aanvrager/belastingschuldige zelf in een kalenderjaar een vastgesteld maximumbedrag uit eigen middelen hebben bijgedragen. Ook met de eigen bijdrage wordt geen rekening gehouden bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen. Omdat de belastingschuldige zijn uitgaven in verband met ziekte of invaliditeit óf uit eigen middelen moet voldoen zolang het vastgestelde maximumbedrag niet wordt overschreden, óf een beroep kan doen op de Wwb of een andere voorziening wordt met die uitgaven bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen geen rekening gehouden.
|
||||
|
||||
Uitkeringen voor levensonderhoud op grond van de artikelen 1:157, 158 en 404 BW (de zogenaamde alimentatieverplichtingen) en de daadwerkelijk betaalde onderhoudsbijdrage (de bijdrage die een gemeente op grond van de Wwb van een ex-partner vordert in de kosten van bijstand) worden bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen in mindering gebracht.
|
||||
|
||||
Aflossingen op leningen waarbij het geleende bedrag is aangewend voor de betaling van belastingschulden, andere dan die genoemd in artikel 8, tweede lid, van de regeling, worden bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen in aanmerking genomen. De ontvanger kan de belastingschuldige vragen om aan te tonen dat het geleende bedrag inderdaad voor betaling van de belastingaanslagen is aangewend.
|
||||
|
||||
Is sprake van onderverhuur c.q. kamerverhuur dan wordt hetgeen door de onderhuurder c.q. kamerhuurder wordt betaald, geheel als overige inkomsten aangemerkt. Ook inkomsten uit het houden van kostgangers worden tot de overige inkomsten gerekend. Anders dan bij onderverhuur c.q. kamerverhuur worden op de inkomsten uit het houden van kostgangers wel kosten in mindering gebracht, voor zover die kosten de met het houden van kostgangers genoten inkomsten niet overschrijden. De kosten die in mindering worden gebracht bedragen forfaitair € 8,90 per dag, dus ongeacht de werkelijke kosten, waarbij een maand op 30 dagen wordt gesteld. Als sprake is van kostgangers die niet een volle week de kost genieten, vindt toepassing van dit forfait naar evenredigheid plaats.
|
||||
Is sprake van onderverhuur c.q. kamerverhuur dan wordt hetgeen door de onderhuurder c.q. kamerhuurder wordt betaald, geheel als overige inkomsten aangemerkt. Ook inkomsten uit het houden van kostgangers worden tot de overige inkomsten gerekend. Anders dan bij onderverhuur c.q. kamerverhuur worden op de inkomsten uit het houden van kostgangers wel kosten in mindering gebracht, voor zover die kosten de met het houden van kostgangers genoten inkomsten niet overschrijden. De kosten die in mindering kunnen worden gebracht bedragen forfaitair € 240 per maand, dus ongeacht de werkelijke kosten. Als sprake is van het houden van kostgangers die niet een volle week de kost genieten, vindt toepassing van dit forfait naar evenredigheid plaats, waarbij een maand op 30 dagen wordt gesteld.
|
||||
|
||||
Bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen wordt geen rekening gehouden met aflossingen op schulden die de belastingschuldige verricht aan andere schuldeisers ongeacht het doel waarvoor de schulden zijn aangegaan. Onder aflossing moet in dit verband worden verstaan de bruto-betaling, dus zowel de betaling op de hoofdsom, als de betaling op rente en kosten. Dit beginsel dat geen rekening wordt gehouden met aflossingen aan andere schuldeisers is gebaseerd op het uitgangspunt dat de fiscus als preferent schuldeiser niet behoeft terug te treden ten voordele van andere schuldeisers aan wie substantiële bedragen worden voldaan. Een uitzondering op dit uitgangspunt geldt voor de aflossingen genoemd in lid 24 van deze paragraaf.
|
||||
Bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen wordt geen rekening gehouden met aflossingen op schulden die de belastingschuldige verricht aan andere schuldeisers ongeacht het doel waarvoor de schulden zijn aangegaan. Onder aflossing moet in dit verband worden verstaan de bruto-betaling, dus zowel de betaling op de hoofdsom, als de betaling op rente en kosten. Dit beginsel dat geen rekening wordt gehouden met aflossingen aan andere schuldeisers is gebaseerd op het uitgangspunt dat de fiscus als preferent schuldeiser niet behoeft terug te treden ten voordele van andere schuldeisers aan wie substantiële bedragen worden voldaan. Een uitzondering op dit uitgangspunt geldt voor de aflossingen genoemd in lid 24 van deze paragraaf. Hoewel de aflossingen aan andere crediteuren bij de berekening van het netto-besteedbare inkomen niet in aanmerking worden genomen, kunnen die aflossingen wel van invloed zijn op de vraag of al dan niet kwijtschelding moet worden verleend. Voor de aflossing aan andere crediteuren in samenhang met de betalingscapaciteit geldt het navolgende:
|
||||
|
||||
- als geen betalingscapaciteit aanwezig is, wordt behoudens in de gevallen genoemd in § 1, lid 16, hiervoor, kwijtschelding verleend wanneer aan de concurrente crediteuren niet meer dan € 136 per maand wordt betaald;
|
||||
- als geen betalingscapaciteit aanwezig is en de aflossing meer dan € 136 per maand bedraagt, wordt het verzoek om kwijtschelding in beginsel afgewezen. De ontvanger moet in dat geval de betrokken belastingschuldige eerst in de gelegenheid stellen schriftelijk een nadere toelichting te geven op het feit dat hij, ondanks het ontbreken van enige betalingscapaciteit, niettemin kans ziet aan andere schuldeisers meer dan € 136 per maand te voldoen. Slechts in zeer bijzondere omstandigheden zal de nadere toelichting van de belastingschuldige aanleiding geven tot het nemen van een beslissing die afwijkt van het hiervoor genoemde beleid. Om te voorkomen dat bij de belastingschuldige al te positieve verwachtingen worden gewekt, moet deze, als hij in de gelegenheid wordt gesteld tot het geven van een nadere toelichting, worden gewezen op het feit dat slechts in zeer bijzondere omstandigheden van het geldende beleid wordt afgeweken (zie bijlage IV). Dit laat onverlet toepassing van de schuldenregeling als bedoeld in § 3, hierna;
|
||||
- als gedeeltelijke betalingscapaciteit aanwezig is en de aflossing aan andere crediteuren bedraagt minder dan € 136 per maand, moet de aanwezige gedeeltelijke betalingscapaciteit worden gebruikt ter voldoening van de openstaande schuld. Het deel van de belastingaanslag dat daarna onbetaald is gebleven, kan worden kwijtgescholden;
|
||||
- als gedeeltelijke betalingscapaciteit aanwezig is en de aflossing meer dan € 136 per maand bedraagt, vindt kwijtschelding uitsluitend plaats in het kader van een schuldenregeling als bedoeld in § 3, hierna.
|
||||
|
||||
Nadat het netto-besteedbare inkomen is vastgesteld, kunnen de kosten van bestaan daarop in mindering worden gebracht ter bepaling van de betalingscapaciteit. De normbedragen voor de kosten van bestaan bedragen 90% van het feitelijke inkomen (het gezamenlijke bedrag van de in artikel 14 van de regeling genoemde inkomensbestanddelen) met als maximum 90% van de voor het desbetreffende huishoudtype geldende maximale bijstandsnorm en als minimum 90% van de voor dat huishoudtype geldende minimale bijstandsnorm. Dit geldt niet voor de in artikel 22 Wwb bedoelde ouderennormen. Op deze ouderennormen is het gemeentelijke toeslagen- en verlagingenbeleid niet van toepassing. Dit betekent dat echtparen en alleenstaanden, die inwonen bij hun kinderen, dan wel inwonende kinderen hebben, onafhankelijk van het inkomen c.q. de bijdragen van die kinderen de volledige norm ontvangen. De normbedragen voor de kosten van bestaan bedragen 90% van de voor de desbetreffende huishoudtype geldende ouderennormen. Uit een oogpunt van doelmatigheid worden de normbedragen altijd op één hele euro naar boven afgerond. De voor de kwijtschelding van belang zijnde huishoudtypen die de bijstand onderkent, zijn echtgenoten, een alleenstaande ouder en een alleenstaande en de "ouderen" volgens de zogenaamde ouderennormen.
|
||||
|
||||
Voor echtgenoten die beiden jonger zijn dan 65 jaar is de kwijtscheldingsnorm maximaal 90% van de bijstandsnorm genoemd in artikel 21, onderdeel c, Wwb (de basisbijstandsnorm) en minimaal 90% van die bijstandsnorm verminderd met een korting die wordt gesteld op 20% van de voor echtgenoten geldende hoogste bijstandsnorm. Deze korting is gelijk aan het bedrag van de toeslag genoemd in artikel 25, tweede lid, Wwb. Voor echtgenoten die beiden ouder zijn dan 65 jaar, of waarvan één echtgenoot ouder is dan 65 jaar, geldt een afwijkende kwijtscheldingsnorm (zie hierna). Voor een alleenstaande ouder, jonger dan 65 jaar, is de kwijtscheldingsnorm minimaal 90% van de bijstandsnorm genoemd in artikel 21, onderdeel b, Wwb (de basisbijstandsnorm) en maximaal 90% van die bijstandsnorm verhoogd met de toeslag als bedoeld in artikel 25, tweede lid, Wwb. Deze toeslag bedraagt 20% van de voor echtgenoten geldende hoogste bijstandsnorm. Voor een alleenstaande ouder die ouder is dan 65 jaar, geldt een afwijkende kwijtscheldingsnorm (zie hierna). Voor een alleenstaande is de kwijtscheldingsnorm minimaal 90% van de bijstandsnorm genoemd in artikel 21, onderdeel a, Wwb (de basisbijstandsnorm) en maximaal 90% van die bijstandsnorm verhoogd met de toeslag als bedoeld in artikel 25, tweede lid, Wwb. Deze toeslag bedraagt 20% van de voor echtgenoten geldende hoogste bijstandsnorm. De minimum- en maximumkwijtscheldingsnormen per maand voor de verschillende huishoudtypen op basis van de bijstandsnormen zoals die thans gelden en de afwijkende kwijtscheldingsnormen voor "ouderen", zijn:
|
||||
Voor echtgenoten die beiden jonger zijn dan 65 jaar is de kwijtscheldingsnorm maximaal 90% van de bijstandsnorm genoemd in artikel 21, onderdeel c, Wwb (de basisbijstandsnorm) en minimaal 90% van die bijstandsnorm verminderd met een korting die wordt gesteld op 20% van de voor echtgenoten geldende hoogste bijstandsnorm. Deze korting is gelijk aan het bedrag van de toeslag genoemd in artikel 25, tweede lid, Wwb. Voor echtgenoten die beiden ouder zijn dan 65 jaar, of waarvan één echtgenoot ouder is dan 65 jaar, geldt een afwijkende kwijtscheldingsnorm (zie hierna). Voor een alleenstaande ouder, jonger dan 65 jaar, is de kwijtscheldingsnorm minimaal 90% van de bijstandsnorm genoemd in artikel 21, onderdeel b, Wwb (de basisbijstandsnorm) en maximaal 90% van die bijstandsnorm verhoogd met de toeslag als bedoeld in artikel 25, tweede lid, Wwb. Deze toeslag bedraagt 20% van de voor echtgenoten geldende hoogste bijstandsnorm. Voor een alleenstaande ouder die ouder is dan 65 jaar, geldt een afwijkende kwijtscheldingsnorm (zie hierna). Voor een alleenstaande is de kwijtscheldingsnorm minimaal 90% van de bijstandsnorm genoemd in artikel 21, onderdeel a, Wwb (de basisbijstandsnorm) en maximaal 90% van die bijstandsnorm verhoogd met de toeslag als bedoeld in artikel 25, tweede lid, Wwb. Deze toeslag bedraagt 20% van de voor echtgenoten geldende hoogste bijstandsnorm. De minimum- en maximumkwijtscheldingsnormen per maand voor de verschillende huishoudtypen op basis van de bijstandsnormen zoals die vanaf 1 januari 2005 gelden en de afwijkende kwijtscheldingsnormen voor "ouderen", zijn:
|
||||
|
||||
- voor echtgenoten die beiden jonger zijn dan 65 jaar: minimum € 908 en maximum € 1135; voor echtgenoten die beiden 65 jaar of ouder zijn: € 1190; voor echtgenoten waarvan een echtgenoot 65 jaar of ouder is en de andere echtgenoot jonger is dan 65 jaar: € 1190. Als echtgenoot wordt mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is. Zie voor de definitie van het begrip gezamenlijke huishouding het derde lid van deze paragraaf;
|
||||
- voor een alleenstaande ouder die jonger is dan 65 jaar: minimum € 794 en maximum € 1021; voor een alleenstaande ouder die 65 jaar of ouder is: € 1070. Onder een alleenstaande ouder wordt verstaan: de ongehuwde die de volledige zorg heeft voor één of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is;
|
||||
- voor een alleenstaande die jonger is dan 65 jaar: minimum € 568 en maximum € 794; voor een alleenstaande die 65 jaar of ouder is: € 868. Onder een alleenstaande wordt verstaan: de ongehuwde die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is.
|
||||
- voor echtgenoten die beiden jonger zijn dan 65 jaar: minimum € 828 en maximum € 1.035; voor echtgenoten die beiden 65 jaar of ouder zijn: € 1.095; voor echtgenoten waarvan een echtgenoot 65 jaar of ouder is en de andere echtgenoot jonger is dan 65 jaar: € 1095. Als echtgenoot wordt mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is. Zie voor de definitie van het begrip gezamenlijke huishouding het derde lid van deze paragraaf;
|
||||
- voor een alleenstaande ouder die jonger is dan 65 jaar: minimum € 725 en maximum € 932; voor een alleenstaande ouder die 65 jaar of ouder is: € 983. Onder een alleenstaande ouder wordt verstaan: de ongehuwde die de volledige zorg heeft voor één of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is;
|
||||
- voor een alleenstaande die jonger is dan 65 jaar: minimum € 518 en maximum € 725; voor een alleenstaande die 65 jaar of ouder is: € 780. Onder een alleenstaande wordt verstaan: de ongehuwde die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander tenzij die ander een bloedverwant in de eerste graad is.
|
||||
|
||||
NB: Onder "kind" wordt verstaan het in Nederland woonachtige eigen kind of stiefkind. Onder "kind" wordt verstaan het in Nederland woonachtige kind.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1991,20 +1938,20 @@ Voorbeelden
|
|||
|
||||
Voorbeeld 1
|
||||
|
||||
X is een alleenstaande jonger dan 65 jaar. Zijn inkomen (nà de gebruikelijke inhoudingen) is € 890. Zijn netto besteedbare inkomen bedraagt, na aftrek woonlasten minus de minimale eigen bijdrage en zijn premie ziektekostenverzekering € 800. De (theoretische) kwijtscheldingsnorm is 90% van het inkomen ad € 890 en bedraagt dus € 801. Dit bedrag is hoger dan de maximum kwijtscheldingsnorm ad € 794. Voor X geldt dus een kwijtscheldingsnorm van € 794. Zijn betalingscapaciteit per maand bedraagt € 800 minus € 794 = € 6 × 80% = € 4,80.
|
||||
X is een alleenstaande jonger dan 65 jaar. Zijn inkomen (nà de gebruikelijke inhoudingen) is € 830. Zijn netto besteedbare inkomen bedraagt, na aftrek woonlasten minus de minimale eigen bijdrage en zijn premie ziektekostenverzekering € 750. De (theoretische) kwijtscheldingsnorm is 90% van het inkomen ad € 830 en bedraagt dus € 747. Dit bedrag is hoger dan de maximum kwijtscheldingsnorm ad € 725. Voor X geldt dus een kwijtscheldingsnorm van € 725. Zijn betalingscapaciteit per maand bedraagt € 750 minus € 725 = € 25 x 80% = € 20.
|
||||
|
||||
Voorbeeld 2
|
||||
|
||||
Y is een alleenstaande ouder, jonger dan 65 jaar. Zijn inkomen is € 900. Zijn netto besteedbaar inkomen bedraagt, na aftrek woonlasten minus de minimale eigen bijdrage en zijn premie ziektekostenverzekering € 720. De kwijtscheldingsnorm is in beginsel 90% van het inkomen ad € 900 en bedraagt dus € 810. Dit bedrag is lager dan de maximum kwijtscheldingsnorm ad € 1021 en hoger dan de minimum kwijtscheldingsnorm ad € 794. Voor Y geldt dus een kwijtscheldingsnorm van € 810. Zijn betalingscapaciteit per maand bedraagt € 770 minus € 794 = nihil.
|
||||
Y is een alleenstaande ouder, jonger dan 65 jaar. Zijn inkomen is € 820. Zijn netto besteedbaar inkomen bedraagt, na aftrek woonlasten minus de minimale eigen bijdrage en zijn premie ziektekostenverzekering € 720. De kwijtscheldingsnorm is in beginsel 90% van het inkomen ad € 820 en bedraagt dus € 738. Dit bedrag is lager dan de maximum kwijtscheldingsnorm ad € 932 en hoger dan de minimum kwijtscheldingsnorm ad € 725. Voor Y geldt dus een kwijtscheldingsnorm van € 738. Zijn betalingscapaciteit per maand bedraagt € 720 minus € 738 = nihil.
|
||||
|
||||
Voorbeeld 3
|
||||
|
||||
X en Y zijn echtgenoten. X is 20 jaar, Y is 22 jaar. Het inkomen is € 729. Het netto besteedbare inkomen bedraagt, na aftrek woonlasten minus de minimale eigen bijdrage en zijn premie ziektekostenverzekering € 610. De kwijtscheldingsnorm is in beginsel 90% van het inkomen ad € 700 en bedraagt dus € 657. Dit bedrag is lager dan de minimum kwijtscheldingsnorm ad € 908. Voor dit echtpaar geldt dus een kwijtscheldingsnorm van € 828. De betalingscapaciteit per maand bedraagt € 610 minus € 828 = nihil.
|
||||
X en Y zijn echtgenoten. X is 20 jaar, Y is 22 jaar. Het inkomen is € 729. Het netto besteedbare inkomen bedraagt, na aftrek woonlasten minus de minimale eigen bijdrage en zijn premie ziektekostenverzekering € 610. De kwijtscheldingsnorm is in beginsel 90% van het inkomen ad € 700 en bedraagt dus € 657. Dit bedrag is lager dan de minimum kwijtscheldingsnorm ad € 830. Voor dit echtpaar geldt dus een kwijtscheldingsnorm van € 828. De betalingscapaciteit per maand bedraagt € 610 minus € 828 = nihil.
|
||||
|
||||
Bij een verblijf in een inrichting in de zin van artikel 1 Wwb is de kwijtscheldingsnorm per maand de eventuele eigen bijdrage voor verzorging dan wel verpleging vermeerderd met
|
||||
|
||||
- voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder: € 187,09 verhoogd met een vergoeding Zorgverzekeringswet van € 54;
|
||||
- voor gehuwden: € 291,00 verhoogd met een vergoeding Zorgverzekeringswet van € 77.
|
||||
- voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder: € 171;
|
||||
- voor gehuwden: € 266.
|
||||
|
||||
Indien één van de gehuwden in een inrichting verblijft, is de kwijtscheldingsnorm de som van de bijstandsnormen die voor ieder van hen als alleenstaande of alleenstaande ouder zouden gelden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2019,15 +1966,16 @@ In deze paragraaf wordt verstaan onder:
|
|||
- schuldsaneringsregeling van de Belastingdienst: de schuldsaneringsregelingen zoals bedoeld in artikel 26, § 3 van deze leidraad en de artikelen 20 t/m 22 van de regeling juncto artikel 26, § 4 van deze leidraad;
|
||||
- aangeboden akkoord: een akkoord dat wordt aangeboden om te komen tot een gerechtelijk of buitengerechtelijk akkoord als bedoeld in de artikelen 19a en 22a van de regeling; gerechtelijk akkoord: het akkoord als bedoeld in de artikelen 19a, eerste lid en 22a, eerste lid, van de regeling;
|
||||
- buitengerechtelijk akkoord: het akkoord als bedoeld in de artikelen 19a, tweede lid en 22a, tweede lid, van de regeling;
|
||||
- dwangakkoord: een akkoord, als gevolg waarvan de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling eindigt, waaraan de ontvanger is gebonden, doch waarmee hij niet heeft ingestemd.
|
||||
- dwangakkoord: een akkoord, als gevolg waarvan de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling eindigt, waaraan de ontvanger is gebonden, doch waarmee hij niet heeft ingestemd;
|
||||
- saneringsplan: een door de rechter op grond van titel III afdeling 7 van de Faillissementswet vastgesteld plan in het kader van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
|
||||
|
||||
Met de WSNP wordt bereikt dat een natuurlijk persoon, waarvan rederlijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of die in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, niet tot in lengte van jaren door zijn schuldeisers achtervolgd kan worden. Uitgangspunt is namelijk de "schone lei". Voor het van toepassing verklaren van de wettelijke schuldsaneringsregeling is niet vereist dat gedurende de looptijd van de regeling een bepaald minimumbedrag aan de schuldeisers kan worden uitgekeerd. Het is dus mogelijk dat de schuldeisers niets of vrijwel niets op hun vorderingen ontvangen. Wel moet de schuldenaar een zo groot mogelijke bijdrage en inspanning leveren om zoveel mogelijk activa in de boedel te brengen in het belang van de schuldeisers. De wettelijke schuldsaneringsregeling kan van toepassing worden verklaard op zowel natuurlijke personen die geen onderneming drijven als op natuurlijke personen die wel een onderneming drijven. Het gaat daarbij dus om natuurlijke personen met een eenmanszaak, zij die in een maatschap een zelfstandig beroep uitoefenen of zij die (beherend) vennoot zijn in een vennootschap onder firma of een commanditaire vennootschap. De WSNP beoogt in belangrijke mate de bereidheid van schuldeisers tot het treffen van een buitengerechtelijk akkoord te bevorderen. De WSNP bevat namelijk bepalingen die door schuldeisers als ongunstig zullen worden ervaren:
|
||||
|
||||
- vèrgaande bevoegdheden van de rechter: de rechter kan de toepassing van de schuldsanering uitspreken zonder instemming van de schuldeisers (ook de bevoorrechte);
|
||||
- vèrgaande bevoegdheden van de rechter: de rechter kan een saneringsplan vaststellen zonder instemming van de schuldeisers (ook de bevoorrechte);
|
||||
- de rechter-commissaris heeft onder omstandigheden de bevoegdheid om een aangeboden akkoord dat door de schuldeisers is verworpen toch bindend vast te stellen;
|
||||
- er treedt een moratorium in werking in die zin dat schuldeisers
|
||||
- de separatisten uitgezonderd
|
||||
- geen verhaal meer kunnen zoeken voor vorderingen waarop de wettelijke schuldsaneringsregeling ziet (gelegde beslagen vervallen met ingang van de dag waarop de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken en een eventuele gijzeling van de belastingschuldige eindigt van rechtswege door de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling);
|
||||
- geen verhaal meer kunnen zoeken voor vorderingen waarop de wettelijke schuldsaneringsregeling ziet (gelegde beslagen vervallen zodra de uitspraak houdende de vaststelling van het saneringsplan in kracht van gewijsde is gegaan en een eventuele gijzeling van de belastingschuldige eindigt van rechtswege door de uitspraak tot de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling);
|
||||
- naast de bevoorrechte schuldeisers ontvangen ook de concurrente schuldeisers een uitkering.
|
||||
|
||||
De artikelen 19a en 22a van de regeling, waarin bepalingen zijn opgenomen voor die situaties waarin een akkoord wordt aangeboden, strekken ertoe de doelstellingen van de WSNP, namelijk het zoveel mogelijk treffen van buitengerechtelijke akkoorden, ook voor de Belastingdienst te laten gelden. De bepalingen in artikel 19a zien op natuurlijke personen die geen bedrijf of zelfstandig beroep uitoefenen. Die in artikel 22a op natuurlijke personen die wel een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefenen. De bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op het ontslag van de betalingsverplichting van een aansprakelijk gestelde. Opgemerkt wordt dat als omzetting van een faillissement in een wettelijke schuldsaneringsregeling mogelijk is, een door de schuldenaar in het faillissement aangeboden akkoord kan worden getoetst aan het terzake geldende beleid ingevolge artikel 19a of artikel 22a van de regeling, als de schuldenaar daarom uitdrukkelijk verzoekt. Verwezen wordt in dit verband naar hoofdstuk XI, § 5, eerste lid, van deze leidraad.
|
||||
|
|
@ -2048,42 +1996,33 @@ Belastingteruggaven die zijn vastgesteld nadat de toepassing van de wettelijke s
|
|||
|
||||
Boedelschuldeisers
|
||||
|
||||
Belastingschulden die (materieel) zijn ontstaan gedurende de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling vormen in de praktijk veelal boedelschulden. De wettelijke schuldsaneringsregeling werkt niet ten aanzien van de vorderingen van de boedelschuldeisers. Boedelschuldeisers moeten uit de boedel worden betaald. De ontvanger ziet er op toe dat de boedelschulden tijdig door de bewindvoerder worden voldaan. Als belastingschulden, die als boedelschulden kunnen worden aangemerkt, ten onrechte niet worden voldaan, wendt de ontvanger zich in beginsel eerst tot de bewindvoerder om langs minnelijke weg alsnog voldoening te bewerkstelligen. Als dit niet leidt tot een bevredigende oplossing wendt de ontvanger zich met zijn grieven tot de rechter-commissaris. In het uiterste geval is beslag op en uitwinning van tot de boedel behorende goederen mogelijk. De boedelschuldeisers die niet uit de boedel voldaan kunnen worden, behouden na afloop van de toepassing van de regeling een volledig afdwingbare vordering op de schuldenaar. De ontvanger kan tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling in het kader van de invordering van boedelschulden niet het faillissement van de schuldenaar aanvragen.
|
||||
|
||||
Kwijtschelding
|
||||
|
||||
Als belastingschuldige verzoekt om kwijtschelding van na de toepassing van de WSNP opgekomen belastingschulden die niet zijn aan te merken als boedelschuld, dan wordt het verzoek behandeld overeenkomstig het bestaande beleid. Dit betekent dus onder meer dat bij de berekening van de betalingscapaciteit op het inkomen van de belastingschuldige niet in mindering wordt gebracht dat deel van het inkomen dat onder beheer van de bewindvoerder naar de boedel gaat. Verder wordt opgemerkt dat de middelen die de boedel vormen en onder beheer van de bewindvoerder berusten, niet beschouwd worden als vermogen in de zin van artikel 12 van de regeling.
|
||||
Belastingschulden die (materieel) zijn ontstaan gedurende de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling worden in beginsel aangemerkt als boedelschulden. De wettelijke schuldsaneringsregeling werkt niet ten aanzien van de vorderingen van de boedelschuldeisers. Boedelschuldeisers moeten uit de boedel worden betaald. De ontvanger ziet er op toe dat de boedelschulden tijdig door de bewindvoerder worden voldaan. Als belastingschulden, die als boedelschulden kunnen worden aangemerkt, ten onrechte niet worden voldaan, wendt de ontvanger zich in beginsel eerst tot de bewindvoerder om langs minnelijke weg alsnog voldoening te bewerkstelligen. Als dit niet leidt tot een bevredigende oplossing wendt de ontvanger zich met zijn grieven tot de rechter-commissaris. In het uiterste geval is beslag op en uitwinning van tot de boedel behorende goederen mogelijk. De boedelschuldeisers die niet uit de boedel voldaan kunnen worden, behouden na afloop van de toepassing van de regeling een volledig afdwingbare vordering op de schuldenaar. De ontvanger kan tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling in het kader van de invordering van boedelschulden niet het faillissement van de schuldenaar aanvragen.
|
||||
|
||||
De schuldsaneringsregelingen van de Belastingdienst voor particulieren en ex-ondernemers (artikel 26, § 3 van deze leidraad) en ondernemers (de artikelen 20 t/m 22 van de regeling juncto artikel 26, § 4 van deze leidraad) blijven van kracht voor die gevallen waarin een (buiten)gerechtelijk akkoord op grond van artikel 19a of artikel 22a van de regeling dan wel toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling niet mogelijk is. Te denken valt in dit verband aan de situatie waarin een verzoek om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen (artikel 288 FW, zie hierna). De schuldsaneringsregeling van de Belastingdienst voor ondernemers blijft overigens in ieder geval van toepassing op ondernemers/niet-natuurlijke personen (B.V.'s, maar ook eenmans-B.V.'s.).
|
||||
|
||||
De ontvanger zal alleen tot een (buiten)gerechtelijk akkoord als bedoeld in de artikelen 19a en 22a van de regeling toetreden als aan een aantal voorwaarden wordt voldaan (zie hierna). Bij het toetreden tot een buitengerechtelijk akkoord zal de ontvanger er zich eerst van moeten vergewissen of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing zal worden verklaard (artikel 19a, tweede lid en artikel 22a, tweede lid, van de regeling). Van belang voor de beantwoording van die vraag is artikel 288 FW, dat dwingend voorschrijft welke toelatingsvereisten en afwijzingsgronden gelden voor de rechter met betrekking tot een verzoek om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
|
||||
De ontvanger zal alleen tot een (buiten)gerechtelijk akkoord als bedoeld in de artikelen 19a en 22a van de regeling toetreden als aan een aantal voorwaarden wordt voldaan (zie hierna). Bij het toetreden tot een buitengerechtelijk akkoord zal de ontvanger er zich eerst van moeten vergewissen of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing zal worden verklaard (artikel 19a, tweede lid en artikel 22a, tweede lid, van de regeling). Van belang voor de beantwoording van die vraag is artikel 288 FW, welk artikel de weigeringsgronden voor de rechter bevat ten aanzien van een verzoek om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Deze zijn:
|
||||
|
||||
Een schuldenaar wordt toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling:
|
||||
|
||||
a. als aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met betalen van zijn schulden.
|
||||
b. Als aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden te goeder trouw is geweest. De hier bedoelde ‘goede trouw’ houdt niet direct verband met artikel 3:11 BW of met de redelijkheid en billijkheid, maar moet vooral gezien worden als een gedragsmaatstaf. Omstandigheden die kunnen worden meegewogen zijn de aard (bijvoorbeeld fraudeschulden) en omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden, de inspanningen die de schuldenaar heeft gedaan om tot betaling te komen, het frustreren van verhaalsacties en de vraag of en wanneer eerder een faillissement of wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest.
|
||||
c. Als aannemelijk is dat de schuldenaar zijn verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De schuldenaar zal globaal moeten aangeven hoe en wat hij denkt te kunnen verdienen, besparen, sparen en aflossen. Bovendien zal hij aandacht moeten besteden aan de vraag hoe hij specifieke problemen het hoofd denkt te bieden. Bij deze toelatingseis komt ook door de schuldenaar in het verleden getoonde betalingsgedrag aan de orde.
|
||||
imperatieve afwijzingsgronden
|
||||
|
||||
Een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wanneer:
|
||||
|
||||
a. de wettelijke schuldsaneringsregeling al op de schuldenaar van toepassing is. Dit is denkbaar wanneer de schuldenaar tijdens de (eerste) wettelijke schuldsaneringsregeling nieuwe schulden maakt waarop die schuldsaneringsregeling niet van toepassing is.
|
||||
b. De poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling niet is uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Wet op het consumentenkrediet.
|
||||
- de schuldenaar in staat geacht wordt te kunnen voortgaan met betalen;
|
||||
- er gegronde vrees is dat de schuldenaar tijdens de toepassing van de regeling zal trachten zijn schuldeisers te benadelen of zijn uit de regeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen. Dit kan worden getoetst aan het door de schuldenaar in het verleden getoonde betalingsgedrag. Heeft de schuldenaar getracht goederen aan het verhaal van zijn schuldeisers te onttrekken (door verbergen of vervreemden) of voortdurend getracht zijn betalingsverplichtingen te ontlopen, dan zou deze afwijzingsgrond aan de orde kunnen zijn;
|
||||
- de wettelijke schuldsaneringsregeling al op de schuldenaar van toepassing is. Dit is denkbaar wanneer de schuldenaar tijdens de (eerste) wettelijke schuldsaneringsregeling nieuwe schulden maakt waarop die schuldsaneringsregeling niet van toepassing is.
|
||||
|
||||
Deze afwijzingsgrond blijft overigens buiten toepassing bij de beoordeling door de ontvanger van een akkoord in het kader van een minnelijke schuldsaneringsregeling.
|
||||
c. Er schulden uit misdrijf zijn als bedoeld in artikel 358, lid 4, FW die niet langer dan vijf jaar vóór indiening van het verzoekschrift zijn opgelegd.
|
||||
d. In de tien jaar voorafgaande aan het verzoekschrift de wettelijke schuldsaneringsregeling op de schuldenaar van toepassing is geweest. Hierop zijn twee uitzonderingen voor het geval de schuldsaneringsregeling eerder voortijdig is beëindigd:
|
||||
facultatieve afwijzingsgronden
|
||||
|
||||
– omdat de schuldenaar tijdens de regeling al zijn schulden heeft afgelost dan wel in staat bleek zijn betalingen te hervatten;
|
||||
– vanwege het ontstaan van bovenmatige schulden zonder dat dit aan de schuldenaar is toe te rekenen.
|
||||
Een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling kan worden afgewezen wanneer:
|
||||
|
||||
Ondanks het ontbreken van goede trouw en van het hebben van schulden uit misdrijven kan de schuldenaar toch worden toegelaten tot de WSNP als hij de omstandigheden onder controle heeft gekregen die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden (artikel 288 lid 3 FW). Dat voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar die omstandigheden onder controle heeft gekregen, zal moeten blijken uit de door de schuldenaar getroffen maatregelen.
|
||||
- de schuldenaar binnen tien jaar voorafgaand aan de dag waarop een verzoek om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is ingediend in staat van faillissement heeft verkeerd of wanneer na 1 december 1998 binnen tien jaar voorafgaand aan de dag waarop een verzoek om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is ingediend de wettelijke schuldsaneringsregeling op hem van toepassing is geweest;
|
||||
- aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest. De hier bedoelde "goede trouw" houdt niet direct verband met artikel 3:11 BW of met de redelijkheid en billijkheid, maar is meer een gedragsmaatstaf. Omstandigheden die kunnen worden meegewogen zijn de aard (bijvoorbeeld fraudeschulden) en omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden, de inspanningen die de schuldenaar heeft gedaan om tot betaling te komen, het frustreren van verhaalsacties en de vraag of en wanneer eerder een faillissement of wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest. De ontvanger zal in een concreet geval aan de hand van deze gronden moeten beoordelen wat de rechter in die situatie zou besluiten: wel of geen wettelijke schuldsaneringsregeling. De inlichtingenverplichtingen van hoofdstuk VII van de wet kunnen de ontvanger daarbij helpen.
|
||||
|
||||
De ontvanger zal in een concreet geval aan de hand van bovengenoemde gronden moeten beoordelen wat de rechter in die situatie zou besluiten: wel of geen wettelijke schuldsaneringsregeling. De inlichtingenverplichtingen van hoofdstuk VII van de wet kunnen de ontvanger daarbij helpen. Een ‘vertaling’ van artikel 288 FW levert de volgende checklist op (niet limitatief):
|
||||
Een "vertaling" van artikel 288 FW levert de volgende checklist op (niet limitatief):
|
||||
|
||||
– kan belastingschuldige doorgaan met betalen van schulden (er is voldoende geld/vermogen beschikbaar of komt op korte termijn beschikbaar; onderneming maakt nog winst; er zijn teruggaven te verwachten etc.) of is er sprake van een uitzichtloze situatie;
|
||||
– is er gegronde vrees voor benadeling van de fiscus of niet behoorlijke nakoming van een te sluiten buitengerechtelijk akkoord (dit kan worden getoetst aan de hand van ervaringen ten aanzien van aan-gifte- en betalingsgedrag, strafrechtelijk verleden, vertrek naar het buitenland etc.);
|
||||
– is de wettelijke schuldsaneringsregeling op belastingschuldige van toepassing geweest;
|
||||
– is aannemelijk dat de belastingschuldige niet te goeder trouw is geweest (bijvoorbeeld blijkend uit het ontstaan en het onbetaald laten van de schulden of het doen van pogingen tot frustreren van verhaalsacties) en in hoeverre is er sprake van verwijtbaarheid (tijdstip en frequentie van aangaan van schulden, zijn er inspanningen geweest om schulden te verminderen); relevant is ook de vraag of de belastingschuldige inmiddels de omstandigheden onder controle heeft die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden.
|
||||
- kan belastingschuldige doorgaan met betalen van schulden (er is voldoende geld/vermogen beschikbaar of komt op korte termijn beschikbaar; onderneming maakt nog winst; er zijn teruggaven te verwachten etc.) of is er sprake van een uitzichtloze situatie;
|
||||
- is er gegronde vrees voor benadeling van de fiscus of niet behoorlijke nakoming van een te sluiten buitengerechtelijk akkoord (dit kan worden getoetst aan de hand van ervaringen ten aanzien van aangifte- en betalingsgedrag, strafrechtelijk verleden, vertrek naar het buitenland etc.);
|
||||
- is de belastingschuldige in het verleden al failliet geweest of is de wettelijke schuldsaneringsregeling op hem van toepassing geweest;
|
||||
- is aannemelijk dat de belastingschuldige niet te goeder trouw is geweest (bijvoorbeeld blijkend uit het ontstaan en het onbetaald laten van de schulden/frustreren c.q. pogingen tot frustreren van verhaalsacties) en in hoeverre is er sprake van verwijtbaarheid dat het zover is gekomen (tijdstip en frequentie van aangaan van schulden, zijn er inspanningen geweest om schulden te verminderen).
|
||||
|
||||
In artikel 19a van de regeling zijn met betrekking tot particulieren twee situaties geregeld waarin sprake is van een (buiten)gerechtelijk akkoord. De eerste situatie, uitgewerkt in het eerste lid, is die waarin, nadat de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken, toch nog een akkoord aan de schuldeisers wordt aangeboden. De tweede situatie, geregeld in het tweede lid, heeft betrekking op een akkoord dat wordt aangeboden in het geval dat er geen of nog geen sprake is van een door de rechter (al dan niet voorlopig) uit te spreken wettelijke schuldsaneringsregeling. Het gaat hierbij om de gevallen waarin, naar redelijkerwijs mag worden aangenomen, de belastingschuldige in een situatie verkeert waarin hij materieel in aanmerking komt voor de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Onder de in artikel 19a, tweede lid, van de regeling opgenomen zinsnede "afgezien van de daarvoor te vervullen formaliteiten" dient tevens te worden begrepen de overlegging van de in artikel 285, eerste lid, onderdeel e, FW bedoelde verklaring die door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van de woon- of verblijfplaats van de schuldenaar moet worden afgegeven omtrent de financiële positie van de schuldenaar. Mocht uit die verklaring blijken dat de belastingschuldige niet beschikt over enige aflossingsmogelijkheid dan heeft de rechter de bevoegdheid de wettelijke schuldsaneringsregeling zonder verificatievergadering na een jaar te beëindigen. Deze bepaling houdt dus in dat in dit soort gevallen de belastingschuldige na een jaar al een "schone lei" kan krijgen, zonder dat er enigerlei uitkering is gedaan.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2093,11 +2032,11 @@ Bij de beoordeling van het (buiten)gerechtelijk akkoord moet allereerst worden v
|
|||
|
||||
De inhoud van een akkoord, niet zijnde een dwangakkoord, wordt door de wilsovereenstemming tussen de onderhandelende partijen bepaald en kan van alles behelzen. Echter de ontvanger verleent uitsluitend zijn medewerking aan een dergelijk akkoord als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
|
||||
|
||||
De ontvanger dient in het kader van een gerechtelijk of buitengerechtelijk akkoord als preferent schuldeiser op zijn vorderingen ten minste het dubbele percentage te ontvangen van hetgeen de concurrente schuldeisers op hun vorderingen krijgen uitgekeerd en het te ontvangen bedrag dient ten minste dezelfde omvang te hebben als kan worden verkregen indien de rechter de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaart. Er moet een reële verwachting zijn dat de belastingschuldige in staat zal zijn de fiscale verplichtingen na te komen die ontstaan nadat de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken (artikel 19a, eerste lid en artikel 22a, eerste lid, van de regeling), dan wel die ontstaan nadat een akkoord om een buitengerechtelijk akkoord te bewerkstelligen is aangeboden (artikel 19a, tweede lid en artikel 22a, tweede lid, van de regeling). De ontvanger mag niet worden achtergesteld bij gelijkbevoorrechte schuldeisers voor wat betreft de omvang van het te ontvangen percentage en het tempo van uitbetaling daarvan. De ontvanger dient er naar te streven dat in het kader van een (buiten)gerechtelijk akkoord betaling ineens plaatsvindt. Wanneer echter in een uitzonderingssituatie betaling in termijnen is overeengekomen, dient de ontvanger zoveel als mogelijk is zekerheid te eisen, bijvoorbeeld door het leggen van beslag. Opgemerkt wordt dat indien in het (buiten)gerechtelijk akkoord belastingschulden zullen worden begrepen waarvoor derden aansprakelijk zijn of kunnen worden gesteld, in de voorwaarden waaronder het (buiten)gerechtelijk akkoord wordt gesloten, dient te worden opgenomen dat de kwijtschelding pas zal worden geëffectueerd op het moment dat op grond van die aansprakelijkheid geen baten meer door de ontvanger kunnen worden verkregen. De ontvanger kan overigens van opneming van een zodanige voorwaarde afzien. In dat geval zal hij echter in het bedrag dat hij in het kader van het (buiten)gerechtelijk akkoord zal eisen, deze eventuele baten in het kader van de aansprakelijkheid tot uitdrukking moeten laten komen.
|
||||
De ontvanger dient in het kader van een gerechtelijk of buitengerechtelijk akkoord als preferent schuldeiser op zijn vorderingen ten minste het dubbele percentage te ontvangen van hetgeen de concurrente schuldeisers op hun vorderingen krijgen uitgekeerd en het te ontvangen bedrag dient ten minste dezelfde omvang te hebben als kan worden verkregen indien de rechter een saneringsplan vaststelt. Er moet een reële verwachting zijn dat de belastingschuldige in staat zal zijn de fiscale verplichtingen na te komen die ontstaan nadat de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken (artikel 19a, eerste lid en artikel 22a, eerste lid, van de regeling), dan wel die ontstaan nadat een akkoord om een buitengerechtelijk akkoord te bewerkstelligen is aangeboden (artikel 19a, tweede lid en artikel 22a, tweede lid, van de regeling). De ontvanger mag niet worden achtergesteld bij gelijkbevoorrechte schuldeisers voor wat betreft de omvang van het te ontvangen percentage en het tempo van uitbetaling daarvan. De ontvanger dient er naar te streven dat in het kader van een (buiten)gerechtelijk akkoord betaling ineens plaatsvindt. Wanneer echter in een uitzonderingssituatie betaling in termijnen is overeengekomen, dient de ontvanger zoveel als mogelijk is zekerheid te eisen, bijvoorbeeld door het leggen van beslag. Opgemerkt wordt dat indien in het (buiten)gerechtelijk akkoord belastingschulden zullen worden begrepen waarvoor derden aansprakelijk zijn of kunnen worden gesteld, in de voorwaarden waaronder het (buiten)gerechtelijk akkoord wordt gesloten, dient te worden opgenomen dat de kwijtschelding pas zal worden geëffectueerd op het moment dat op grond van die aansprakelijkheid geen baten meer door de ontvanger kunnen worden verkregen. De ontvanger kan overigens van opneming van een zodanige voorwaarde afzien. In dat geval zal hij echter in het bedrag dat hij in het kader van het (buiten)gerechtelijk akkoord zal eisen, deze eventuele baten in het kader van de aansprakelijkheid tot uitdrukking moeten laten komen.
|
||||
|
||||
Gelet op de doelstellingen van de WSNP dient de ontvanger aan de totstandkoming van een (buiten)gerechtelijk akkoord als bedoeld in artikel 19a, eerste en tweede lid en artikel 22a, eerste en tweede lid, van de regeling mee te werken indien hij naar redelijke verwachting daarmee hetzelfde resultaat kan boeken als in het geval de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing zou zijn verklaard. In laatstbedoeld geval zou hij een tweemaal zo hoog percentage op zijn vorderingen uitgekeerd krijgen als aan de concurrente schuldeisers zou worden uitbetaald. Dit is dan ook één van de voorwaarden die de ontvanger stelt in het geval een (buiten)gerechtelijk akkoord wordt aangeboden.
|
||||
Gelet op de doelstellingen van de WSNP dient de ontvanger aan de totstandkoming van een (buiten)gerechtelijk akkoord als bedoeld in artikel 19a, eerste en tweede lid en artikel 22a, eerste en tweede lid, van de regeling mee te werken indien hij naar redelijke verwachting daarmee hetzelfde resultaat kan boeken als het geval zou zijn indien de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zou uitmonden in een door de rechter vastgesteld saneringsplan. In laatstbedoeld geval zou hij een tweemaal zo hoog percentage op zijn vorderingen uitgekeerd krijgen als aan de concurrente schuldeisers zou worden uitbetaald. Dit is dan ook één van de voorwaarden die de ontvanger stelt in het geval een (buiten)gerechtelijk akkoord wordt aangeboden.
|
||||
|
||||
Een volgende voorwaarde voor toetreding tot een (buiten)gerechtelijk akkoord is dat het te ontvangen bedrag ten minste dezelfde omvang moet hebben als kan worden verkregen indien de rechter de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaart. Deze voorwaarde kan met name van belang zijn in die situaties waarin sprake is van verpande zaken van de belastingschuldige waarop het bodemvoorrecht van de ontvanger (artikel 21, tweede lid, van de wet) van toepassing is. Indien de rechter de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaart, komt het bodemvoorrecht van de ontvanger tot uitdrukking in de omvang van het bedrag dat de ontvanger op zijn vorderingen krijgt uitgekeerd. Dit vloeit voort uit artikel 299, derde lid, FW dat de artikelen 57 tot en met 59 van die wet van overeenkomstige toepassing verklaart. Dat houdt in dat de bewindvoerder erop moet toezien dat de executie-opbrengst van verpande zaken in de boedel valt voorzover er sprake is van schuldeisers met vorderingen waaraan een hogere rang dan (stil) pand verbonden is. De systematiek van verdeling bij het doen van uitkeringen uit de boedel brengt overigens met zich mee dat - anders dan in geval van faillissement - deze opbrengst niet alleen aan de ontvanger maar ook aan de andere schuldeisers ten goede komt. Wanneer een (buiten)gerechtelijk akkoord wordt aangeboden is de kans echter groot dat - anders dan in het geval de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing wordt verklaard - het bodemvoorrecht niet tot uitdrukking komt in het bedrag dat de ontvanger wordt aangeboden. Immers, de pandhouder - separatist - neemt in principe niet deel aan een (buiten)gerechtelijk akkoord. Na de totstandkoming van een (buiten)gerechtelijk akkoord vindt kwijtschelding plaats van de bevoorrechte schuld voorzover deze niet is voldaan. Zou de pandhouder vervolgens tot executie overgaan van de verpande zaken dan zou de gehele opbrengst ten goede komen aan de pandhouder zonder dat de ontvanger nog enig recht op de opbrengst kan doen gelden. Door de eis te stellen dat het in een (buiten)gerechtelijk akkoord aan de ontvanger aangeboden bedrag ten minste van dezelfde omvang is als kan worden verkregen indien de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing wordt verklaard, wordt voorkomen dat de ontvanger door zijn medewerking te verlenen aan de totstandkoming van het (buiten)gerechtelijk akkoord een geringere opbrengst ten deel zou vallen dan het geval zou zijn indien de wettelijke schuldsaneringsregeling zou worden afgewikkeld. Aangezien de ontvanger het recht behoudt om lopende de wettelijke schuldsaneringsregeling over te gaan tot beslaglegging en executie van bodemzaken ex artikel 22, derde lid, van de wet, zal hij, indien hij afziet van executie van de bodemzaken en deelneemt aan een (buiten)gerechtelijk akkoord, de waarde van de bodemzaken tot uitdrukking laten komen in het bedrag dat hij in het kader van het (buiten)gerechtelijk akkoord zal eisen. Komt in het bedrag dat hij in het kader van een (buiten)gerechtelijk akkoord zal eisen niet het bodemvoorrecht of de waarde van de bodemzaken tot uiting, dan stemt de ontvanger in beginsel niet in met een akkoord.
|
||||
Een volgende voorwaarde voor toetreding tot een (buiten)gerechtelijk akkoord is dat het te ontvangen bedrag ten minste dezelfde omvang moet hebben als kan worden verkregen indien de rechter een saneringsplan vaststelt. Deze voorwaarde kan met name van belang zijn in die situaties waarin sprake is van verpande zaken van de belastingschuldige waarop het bodemvoorrecht van de ontvanger (artikel 21, tweede lid, van de wet) van toepassing is. Indien de rechter een saneringsplan vaststelt, komt het bodemvoorrecht van de ontvanger tot uitdrukking in de omvang van het bedrag dat de ontvanger op zijn vorderingen krijgt uitgekeerd. Dit vloeit voort uit artikel 299, derde lid, FW dat de artikelen 57 tot en met 59 van die wet van overeenkomstige toepassing verklaart. Dat houdt in dat de bewindvoerder erop moet toezien dat de executie-opbrengst van verpande zaken in de boedel valt voorzover er sprake is van schuldeisers met vorderingen waaraan een hogere rang dan (stil) pand verbonden is. De systematiek van verdeling bij het doen van uitkeringen uit de boedel brengt overigens met zich mee dat - anders dan in geval van faillissement - deze opbrengst niet alleen aan de ontvanger maar ook aan de andere schuldeisers ten goede komt. Wanneer een (buiten)gerechtelijk akkoord wordt aangeboden is de kans echter groot dat - anders dan in het geval een saneringsplan wordt vastgesteld - het bodemvoorrecht niet tot uitdrukking komt in het bedrag dat de ontvanger wordt aangeboden. Immers, de pandhouder - separatist - neemt in principe niet deel aan een (buiten)gerechtelijk akkoord. Na de totstandkoming van een (buiten)gerechtelijk akkoord vindt kwijtschelding plaats van de bevoorrechte schuld voorzover deze niet is voldaan. Zou de pandhouder vervolgens tot executie overgaan van de verpande zaken dan zou de gehele opbrengst ten goede komen aan de pandhouder zonder dat de ontvanger nog enig recht op de opbrengst kan doen gelden. Door de eis te stellen dat het in een (buiten)gerechtelijk akkoord aan de ontvanger aangeboden bedrag ten minste van dezelfde omvang is als kan worden verkregen indien een saneringsplan wordt vastgesteld, wordt voorkomen dat de ontvanger door zijn medewerking te verlenen aan de totstandkoming van het (buiten)gerechtelijk akkoord een geringere opbrengst ten deel zou vallen dan het geval zou zijn indien de wettelijke schuldsaneringsregeling zou worden afgewikkeld. Aangezien de ontvanger het recht behoudt om lopende de wettelijke schuldsaneringsregeling over te gaan tot beslaglegging en executie van bodemzaken ex artikel 22, derde lid, van de wet, zal hij, indien hij afziet van executie van de bodemzaken en deelneemt aan een (buiten)gerechtelijk akkoord, de waarde van de bodemzaken tot uitdrukking laten komen in het bedrag dat hij in het kader van het (buiten)gerechtelijk akkoord zal eisen. Komt in het bedrag dat hij in het kader van een (buiten)gerechtelijk akkoord zal eisen niet het bodemvoorrecht of de waarde van de bodemzaken tot uiting, dan stemt de ontvanger in beginsel niet in met een akkoord.
|
||||
|
||||
Tevens een voorwaarde om toe te treden tot een (buiten)gerechtelijk akkoord is dat er reële vooruitzichten dienen te zijn dat de belastingschuldige in staat zal zijn de lopende verplichtingen tijdig na te komen. Het gaat in casu dan om (materiële) belastingschuld ontstaan na de uitspraak tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, dan wel ontstaan na de aanbieding van een akkoord ter bewerkstelliging van een buitengerechtelijk akkoord. In tegenstelling tot de wettelijke schuldsaneringsregeling komt bij het (buiten)gerechtelijk akkoord de liquidatie van het ondernemingsvermogen niet aan de orde. Na de totstandkoming van het (buiten)gerechtelijke akkoord moet de onderneming echter weer voldoende levensvatbaar zijn. Wanneer is te voorzien dat de belastingschuldige de lopende verplichtingen niet zal kunnen nakomen, kan ook worden getwijfeld aan de levensvatbaarheid van het bedrijf. De ontvanger zal in dat geval niet zijn medewerking aan een (buiten)gerechtelijk akkoord verlenen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2232,7 +2171,7 @@ Het aangeboden bedrag moet van substantiële omvang zijn, zowel absoluut als in
|
|||
|
||||
Het bij een akkoord aangeboden bedrag moet ten minste gelijk zijn aan het bedrag dat bij de voortgezette invordering kan worden ontvangen.
|
||||
|
||||
De ontvanger mag bij een akkoord niet in uitkeringspercentage worden achtergesteld bij gelijk bevoorrechte schuldeisers. Evenmin mag de ontvanger in tempo van betaling worden achtergesteld bij enige andere schuldeiser.
|
||||
De ontvanger mag bij een akkoord niet in uitkeringspercentage worden achtergesteld bij gelijk bevoorrechte schuldeisers. Evenmin mag de ontvanger in tempo van betaling worden achtergesteld bij enige andere schuldeiser. Naast de ontvanger kan nog een aantal schuldeisers aanwezig zijn met dezelfde preferentie als de ontvanger. In het algemeen zal dat het Uitvoeringsinstituut zijn. Als zich onder de overige schuldeisers niet het Uitvoeringsinstituut bevindt of de vordering van het Uitvoeringsinstituut relatief laag is, verdient het aanbeveling na te gaan of de vordering van het Uitvoeringsinstituut wellicht met voorrang, voordat een akkoord werd aangeboden, is afgelost. Als dit zich inderdaad heeft voorgedaan, kan dit voor de ontvanger aanleiding zijn een hoger percentage te eisen. De ontvanger dient geen saneringsafspraken te maken voordat het Uitvoeringsinstituut een standpunt inzake het saneringsvoorstel heeft kunnen innemen. De ontvanger en het Uitvoeringsinstituut kunnen elkaar niet op voorhand binden, ook al weet de ontvanger uit praktijkervaring wel wat het standpunt van het Uitvoeringsinstituut (vermoedelijk) zal zijn. Het Uitvoeringsinstituut moet daarom zo tijdig mogelijk in de besluitvorming worden betrokken. Daartoe treedt de ontvanger in overleg met de incasso-afdeling van het Uitvoeringsinstituut.
|
||||
|
||||
Vervallen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2255,7 +2194,7 @@ Na de eventuele totstandkoming van het akkoord moeten reële perspectieven aanwe
|
|||
- een specificatie van de werkelijke waarde van de activa (executiewaarde en waarde going-concern);
|
||||
- een overzicht van de (eventuele) overige getroffen maatregelen, zoals betere kostenbeheersing, sanering personeelsbestand, nieuw management.
|
||||
|
||||
Een sanering moet voor de ondernemer duidelijkheid verschaffen over zijn positie ten opzichte van de ontvanger. Er mogen geen misverstanden rijzen over de voorwaarden waaronder de ontvanger tot het akkoord is toegetreden noch nieuwe voorwaarden aan het akkoord worden toegevoegd nadat het akkoord tot stand is gekomen. Op grond hiervan worden belastingteruggaven en andere uit te betalen bedragen die betrekking hebben op tijdvakken gelegen vóór het tijdstip van de sanering niet uitbetaald maar in eerste instantie verrekend met belastingaanslagen en vervolgens met vorderingen van het Uitvoeringsinstituut. Belastingteruggaven en andere uit te betalen bedragen die betrekking hebben op tijdvakken ná de sanering worden in de regel niet verrekend maar aan de belanghebbende ter beschikking gesteld. In verband met het vorenstaande moet tijdens de behandeling van het aanbod tot een akkoord worden nagegaan of er nog uit te betalen bedragen zijn te verwachten. Tevens moet nagegaan worden of de van het Uitvoeringsinstituut ontvangen nota's (die uitsluitend betrekking hebben op tijdvakken gelegen vóór 1 januari 2006) wijziging ondergaan. Hierbij kan van belang zijn een sterk verminderd personeelsbestand c.q. afslanking in de toekomst, terwijl de nota nog uitgaat van een groter personeelsbestand.
|
||||
Een sanering moet voor de ondernemer duidelijkheid verschaffen over zijn positie ten opzichte van de ontvanger. Er mogen geen misverstanden rijzen over de voorwaarden waaronder de ontvanger tot het akkoord is toegetreden noch nieuwe voorwaarden aan het akkoord worden toegevoegd nadat het akkoord tot stand is gekomen. Op grond hiervan worden belastingteruggaven en andere uit te betalen bedragen die betrekking hebben op tijdvakken gelegen vóór het tijdstip van de sanering niet uitbetaald maar in eerste instantie verrekend met belastingaanslagen en vervolgens met vorderingen van het Uitvoeringsinstituut. Belastingteruggaven en andere uit te betalen bedragen die betrekking hebben op tijdvakken ná de sanering worden in de regel niet verrekend maar aan de belanghebbende ter beschikking gesteld. In verband met het vorenstaande moet tijdens de behandeling van het aanbod tot een akkoord worden nagegaan of er nog uit te betalen bedragen zijn te verwachten. Tevens moet nagegaan worden of de van het Uitvoeringsinstituut ontvangen nota's wijziging ondergaan. Hierbij kan van belang zijn een sterk verminderd personeelsbestand c.q. afslanking in de toekomst, terwijl de nota nog uitgaat van een groter personeelsbestand.
|
||||
|
||||
Uit te betalen bedragen die door cessie of verpanding niet voor verrekening in aanmerking komen, worden uiteraard niet op de openstaande belastingschuld in mindering gebracht. Wanneer de ontvanger het aanbod tot een akkoord accepteert en vaststaat dat ten name van de belastingschuldige nog uit te betalen bedragen zullen volgen, vermeldt de ontvanger bij de bekendmaking van de beschikking dat kwijtschelding zal worden verleend. Tevens vermeldt hij op welke belastingaanslagen de te verwachten uit te betalen bedragen zullen worden afgeboekt. Voor die belastingaanslagen wordt - tot het bedrag van de te verwachten uit te betalen bedragen - geen kwijtschelding verleend. Wanneer de ontvanger het aanbod tot een akkoord accepteert, maar nog niet definitief vaststaat of en tot welke bedragen uitbetaling is te verwachten, vermeldt de ontvanger bij de bekendmaking van de beschikking dat kwijtschelding zal worden verleend. Hij vermeldt tevens dat de (vermoedelijke) uit te betalen bedragen niet zullen worden uitbetaald maar zullen worden verrekend met de onbetaald gebleven schuld. Voor de belastingaanslagen waarmee de vermoedelijke uit te betalen bedragen zullen worden verrekend, wordt geen kwijtschelding verleend. De belastingschuldige wordt toegezegd dat voor die belastingaanslagen geen verdere invorderingsmaatregelen zullen worden getroffen. Als in een situatie waarin nog uit te betalen bedragen zijn te verwachten alle belastingaanslagen worden kwijtgescholden, kan in een later stadium geen verrekening plaatsvinden omdat kwijtschelding de schuldvordering i.c. de belastingaanslag teniet doet gaan ten belope van het bedrag waarvoor kwijtschelding is verleend. Voor verminderingen op de belastingaanslagen waarvoor kwijtschelding is verleend, wordt verwezen naar § 1, leden 17 en 18, hiervoor.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2275,9 +2214,15 @@ Wanneer de belastingschuldige zich niet kan verenigen met de beschikking van de
|
|||
|
||||
Wanneer een belastingschuldige geen administratief beroep instelt tegen de afwijzende beschikking van de ontvanger maar voor dezelfde aanslag opnieuw een verzoek om kwijtschelding indient, handelt de ontvanger overeenkomstig hetgeen in het eerste lid hiervoor is vermeld, tenzij de ontvanger op dat moment tot een voor belastingschuldige gunstigere beslissing zou komen dan in zijn eerdere beschikking, in welk geval hij het herhaalde verzoek zelf afdoet. Wanneer het verzoek is afgewezen op grond van artikel 8, eerste lid, onderdelen a of c, van de regeling, dan wel als gevolg van een duidelijke, ambtelijke fout en de belastingschuldige dient voor dezelfde belastingaanslag opnieuw een verzoek om kwijtschelding in, wordt het verzoek behandeld als een eerste verzoek om kwijtschelding en dus niet ter beoordeling voorgelegd aan de directeur. Het vorenstaande houdt in dat in deze gevallen de belastingschuldige desgewenst nog een beroepschrift bij de directeur kan indienen na de beslissing van de ontvanger.
|
||||
|
||||
Als uit het beroepschrift niet duidelijk blijkt waarop het beroep gebaseerd is, verzoekt de ontvanger de belastingschuldige het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De ontvanger wijst daarbij op een mogelijke niet-ontvankelijk verklaring bij het niet voldoen aan deze motiveringsplicht.
|
||||
Op de beroepfase is naast hetgeen in dit artikel is bepaald hoofdstuk 6 van het Voorschrift Awb 1997 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
|
||||
|
||||
Bij de beoordeling van het beroepschrift of het herhaalde verzoek om kwijtschelding wordt uitgegaan van de gegevens die zijn vermeld in het eerste verzoek en van de normen die van toepassing waren bij de beoordeling van het eerste verzoek. Als bij de behandeling van het beroepschrift of het herhaalde verzoek blijkt dat het inkomen van de belastingschuldige zodanig is gedaald dat de bij het eerste verzoek berekende betalingscapaciteit over de periode van twaalf maanden - te rekenen vanaf de datum waarop het eerste verzoek is ingediend - in belangrijke mate tot een te hoog bedrag is vastgesteld, vindt een herberekening van de betalingscapaciteit plaats. Daarbij wordt het inkomen in aanmerking genomen dat wordt genoten over een periode van twaalf maanden te rekenen vanaf de datum waarop het eerste verzoek is ingediend. Ook wijzigingen in de aanspraak inzake huurtoeslag kunnen leiden tot een herberekening. Een herberekening van de betalingscapaciteit vindt niet plaats als in de periode van twaalf maanden wijzigingen in de betalingscapaciteit optreden ten gevolge van wijzigingen in bijvoorbeeld de huur of de normen van de kosten van levensonderhoud.
|
||||
- in afwijking in zoverre van het bepaalde in artikel 6.1.2 van het Voorschrift Awb 1997 de termijn voor het indienen van een beroepschrift tien dagen bedraagt;
|
||||
- met betrekking tot een beroepschrift waaruit niet direct duidelijk blijkt waarop het beroep gebaseerd is geldt dat de indiener wordt verzocht het beroepschrift binnen een redelijke termijn (nader) te motiveren. De ontvanger wijst de indiener op een mogelijke niet-ontvankelijkverklaring bij het niet voldoen aan deze motiveringsplicht;
|
||||
- de directeur op het beroepschrift binnen acht weken na ontvangst daarvan dient te beslissen, met de mogelijkheid tot verlenging (zie voor de mogelijkheid tot verlenging § 6.2.7, eerste alinea, Voorschrift Awb 1997).
|
||||
|
||||
In dit verband wordt nog opgemerkt dat als voorbeelden van gevallen waarin sprake kan zijn van een kennelijk ongegrond beroep als bedoeld in hoofdstuk 6, § 6.2.2, van het Voorschrift Awb 1997 de volgende kunnen worden genoemd: gehele of gedeeltelijke tegemoetkoming aan het beroep is duidelijk in strijd met een wettelijk voorschrift of met door de Staatssecretaris van Financiën vastgesteld en gepubliceerd beleid; het beroep richt zich tegen de afwijzing van een herhaalde aanvraag zonder dat in het beroepschrift melding wordt gemaakt van sedert het eerste besluit nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden; het beroep richt zich tegen een beslissing die geheel overeenkomt met bestaand - bijvoorbeeld door de rechter, de Commissie voor de Verzoekschriften of de Nationale ombudsman, getoetst - beleid.
|
||||
|
||||
Bij de beoordeling van het beroepschrift of het herhaalde verzoek om kwijtschelding wordt uitgegaan van de gegevens die zijn vermeld in het eerste verzoek en van de normen die van toepassing waren bij de beoordeling van het eerste verzoek. Als bij de behandeling van het beroepschrift of het herhaalde verzoek blijkt dat het inkomen van de belastingschuldige zodanig is gedaald dat de bij het eerste verzoek berekende betalingscapaciteit over de periode van twaalf maanden - te rekenen vanaf de datum waarop het eerste verzoek is ingediend - in belangrijke mate tot een te hoog bedrag is vastgesteld, vindt een herberekening van de betalingscapaciteit plaats. Daarbij wordt het inkomen in aanmerking genomen dat wordt genoten over een periode van twaalf maanden te rekenen vanaf de datum waarop het eerste verzoek is ingediend. Ook wijzigingen in de ontvangen huursubsidie kunnen leiden tot een herberekening. Een herberekening van de betalingscapaciteit vindt niet plaats als in de periode van twaalf maanden wijzigingen in de betalingscapaciteit optreden ten gevolge van wijzigingen in bijvoorbeeld de huur of de normen van de kosten van levensonderhoud.
|
||||
|
||||
Wanneer een verzoek om kwijtschelding wordt afgewezen, wordt de invordering niet eerder voortgezet dan nadat 10 dagen zijn verstreken. Artikel 9 van de regeling is van overeenkomstige toepassing. Wordt binnen de termijn van 10 dagen een beroepschrift ingediend dan wordt gedurende de behandeling van dit beroepschrift ook gehandeld overeenkomstig artikel 9 van de regeling. Indiening van het beroepschrift na de termijn van 10 dagen leidt tot niet-ontvankelijkheid. Dit neemt echter niet weg dat, als het belang van de invordering zich daartegen niet verzet, van de directeur mag worden verwacht dat hij alsnog ambtshalve de in het beroepschrift aangedragen grieven op hun merites beoordeelt. Ook in dat geval wordt gehandeld overeenkomstig artikel 9 van de regeling. Wanneer het belang van de invordering zich tegen ambtshalve behandeling verzet, hangt af van de omstandigheden van het geval. Hiervan is echter in ieder geval sprake wanneer inmiddels onherroepelijke invorderingsmaatregelen zijn genomen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2289,7 +2234,7 @@ Wanneer een belastingschuldige de ontvanger verzoekt om kwijtschelding van zijn
|
|||
|
||||
De ontvanger kan ook besluiten de belastingschuldige niet verder te bemoeilijken voor de nog openstaande schuld onder de voorwaarde dat eventuele uit te betalen bedragen verrekend worden met de buiten invordering gelaten schuld. De termijn waarbinnen verrekening plaatsvindt bedraagt maximaal drie jaar, te rekenen vanaf de datum van de beschikking, dan wel als dit minder, is de tijd die nog overblijft voordat de verjaring van de belastingaanslag intreedt. Deze verrekeningsvoorwaarde wordt uitdrukkelijk in de beschikking van de ontvanger opgenomen.
|
||||
|
||||
Als de ontvanger besluit de belastingschuldige voorshands niet verder te bemoeilijken voor de nog openstaande schuld zal hij voorwaarden stellen. Wanneer de belastingschuldige die voorwaarden niet nakomt, kan de ontvanger zijn eerdere toezegging bij beschikking intrekken. De ontvanger gaat hier pas toe over nadat hij belastingschuldige een brief heeft gestuurd over zijn voornemen de toezegging in te trekken als niet binnen 14 dagen alsnog aan de voorwaarden wordt voldaan.
|
||||
Als de ontvanger besluit de belastingschuldige voorshands niet verder te bemoeilijken voor de nog openstaande schuld zal hij voorwaarden stellen. Wanneer de belastingschuldige die voorwaarden niet nakomt, kan de ontvanger zijn eerdere toezegging bij beschikking intrekken.
|
||||
|
||||
Anders dan kwijtschelding is een toezegging onder voorwaarden herroepelijk. De meest voorkomende voorwaarden/situaties waarin de ontvanger besluit tot niet verder bemoeilijken, zijn:
|
||||
|
||||
|
|
@ -2303,7 +2248,7 @@ Vervallen.
|
|||
|
||||
Vervallen.
|
||||
|
||||
Van een belastingschuld waarvoor een buitenlandse belastingadministratie om bijstand bij de invordering heeft verzocht, kan hier te lande geen kwijtschelding worden verleend. Als een belastingschuldige zich met een verzoek om kwijtschelding tot de ontvanger wendt, stelt de ontvanger een onderzoek in naar de persoonlijke en financiële omstandigheden van de belastingschuldige. Na ontvangst van de reactie op zijn verzoek om bericht en raad aan de FIOD-ECD, kantoor Amsterdam, team Internationaal c.q. aan de Belastingdienst/Douane Noord/kantoor Nijmegen, zal de beslissing van de ontvanger luiden dat de Nederlandse Belastingdienst niet bevoegd is kwijtschelding te verlenen van buitenlandse aanslagen. Als daartoe echter aanleiding bestaat, wordt tevens besloten dat de belastingschuldige voor zijn buitenlandse belastingschuld niet verder zal worden bemoeilijkt. In de beschikking van de ontvanger waarin deze beslissing aan de belastingschuldige wordt bekendgemaakt, wordt gesproken over het niet meer treffen van invorderingsmaatregelen in plaats van "niet verder bemoeilijken". Als betalingscapaciteit aanwezig is voor de voldoening van een deel van de schuld wordt de belastingschuldige niet verder bemoeilijkt na betaling van een deel van de schuld. Als voldoende betalingscapaciteit aanwezig is, bestaat er geen aanleiding om belastingschuldige niet verder te bemoeilijken.
|
||||
Van een belastingschuld waarvoor een buitenlandse belastingadministratie om bijstand bij de invordering heeft verzocht, kan hier te lande geen kwijtschelding worden verleend. Als een belastingschuldige zich met een verzoek om kwijtschelding tot de ontvanger wendt, stelt de ontvanger een onderzoek in naar de persoonlijke en financiële omstandigheden van de belastingschuldige. Nadat de ontvanger bericht en raad heeft uitgebracht aan de FIOD-ECD, kantoor Haarlem Internationaal c.q. aan de Belastingdienst/Douane Noord/kantoor Arnhem zal de beslissing luiden dat de Nederlandse Belastingdienst niet bevoegd is kwijtschelding te verlenen van buitenlandse belastingaanslagen. Als daartoe echter aanleiding bestaat, wordt tevens besloten dat de belastingschuldige voor zijn buitenlandse belastingschuld niet verder zal worden bemoeilijkt. In de beschikking waarin deze beslissing aan de belastingschuldige wordt bekendgemaakt, wordt gesproken over het niet meer treffen van invorderingsmaatregelen in plaats van "niet verder bemoeilijken". Als betalingscapaciteit aanwezig is voor de voldoening van een deel van de schuld wordt de belastingschuldige niet verder bemoeilijkt na betaling van een deel van de schuld. Als voldoende betalingscapaciteit aanwezig is, bestaat er geen aanleiding om belastingschuldige niet verder te bemoeilijken.
|
||||
|
||||
Zoals uit het eerste lid van deze paragraaf blijkt, maakt de toezegging dat ten aanzien van de belastingschuldige, eventueel onder het stellen van voorwaarden, geen invorderingsmaatregelen zullen worden getroffen, onderdeel uit van de kwijtscheldingsbeschikking. Dit laatste betekent dat tegen deze beschikking beroep openstaat bij de directeur.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2311,7 +2256,7 @@ Ingevolge artikel 26, tweede lid, van de wet vindt kwijtschelding van de belasti
|
|||
|
||||
Kwijtschelding kan alleen op schriftelijk verzoek worden verleend. De kwijtschelding wordt niet verleend als de voor de beoordeling van het verzoek benodigde gegevens niet, onjuist of onvolledig zijn verstrekt.
|
||||
|
||||
De ontvanger maakt zijn beslissing bekend bij voor bezwaar vatbare beschikking. Binnen zes weken na de dagtekening van de kennisgeving waarmee de beschikking is bekendgemaakt, kan tegen de beslissing bezwaar worden gemaakt bij de ontvanger. Tegen de uitspraak op het bezwaar staat voorts beroep open bij de rechtbank en tegen de uitspraak van de rechtbank staat vervolgens hoger beroep open bij het gerechtshof. De Awb en het daarop gebaseerde Besluit Fiscaal Bestuursrecht zijn op de beschikking van toepassing.
|
||||
De ontvanger maakt zijn beslissing bekend bij voor bezwaar vatbare beschikking. Binnen zes weken na de dagtekening van de kennisgeving waarmee de beschikking is bekendgemaakt, kan tegen de beslissing bezwaar worden gemaakt bij de ontvanger. Tegen de uitspraak op het bezwaar staat voorts beroep open bij de rechtbank en tegen de uitspraak van de rechtbank staat vervolgens hoger beroep open bij het gerechtshof. De Awb en het daarop gebaseerde Voorschrift Awb 1997 zijn op de beschikking van toepassing.
|
||||
|
||||
In het geval dat een aanmerkelijk-belanghouder emigreert wordt een fictieve vervreemding van het aanmerkelijk belang verondersteld en is de vervreemding belast voor de inkomstenbelasting. Voor de opgelegde belastingaanslag die betrekking heeft op de fictieve vervreemding wordt aan de aanmerkelijkbelanghouder een zogenaamde conserverende belastingaanslag opgelegd. Op grond van artikel 25, achtste lid, van de wet kan, nadat voldoende zekerheid is gesteld, voor de duur van tien jaren uitstel van betaling worden verleend voor die belastingaanslagen betreffende de inkomstenbelasting die is verschuldigd door de toepassing van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomstenbelasting 2001 indien de verkrijger een natuurlijk persoon is die niet in Nederland woont en de verkregen aandelen of winstbewijzen geen deel uitmaken van het vermogen van een voor zijn rekening gedreven Nederlandse onderneming als bedoeld in artikel 7.2 van die wet of behoren tot het resultaat uit een werkzaamheid in Nederland van hem, of door toepassing van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel h, of van artikel 7.5, vierde, vijfde of zevende lid, van die wet.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2328,7 +2273,7 @@ In de hiervoor bedoelde gevallen kan voor een aandeel of winstbewijs het bedrag
|
|||
|
||||
Kwijtschelding van conserverende belastingaanslagen kan alleen op verzoek worden verleend. De kwijtschelding wordt niet verleend als de voor de beoordeling van het verzoek benodigde gegevens niet, onjuist of onvolledig zijn verstrekt. Evenmin wordt kwijtschelding verleend van een voorlopige conserverende aanslag.
|
||||
|
||||
De ontvanger maakt zijn beslissing kenbaar bij voor bezwaar vatbare beschikking. Binnen zes weken na de dagtekening van de kennisgeving waarmee de beschikking is bekendgemaakt, kan tegen de beslissing bezwaar worden gemaakt bij de ontvanger. Tegen de uitspraak op het bezwaar staat voorts beroep open bij de rechtbank en tegen de uitspraak van de rechtbank staat vervolgens hoger beroep open bij het gerechtshof. De Awb en het daarop gebaseerde Besluit Fiscaal Bestuursrecht zijn op de beschikking van toepassing.
|
||||
De ontvanger maakt zijn beslissing kenbaar bij voor bezwaar vatbare beschikking. Binnen zes weken na de dagtekening van de kennisgeving waarmee de beschikking is bekendgemaakt, kan tegen de beslissing bezwaar worden gemaakt bij de ontvanger. Tegen de uitspraak op het bezwaar staat voorts beroep open bij de rechtbank en tegen de uitspraak van de rechtbank staat vervolgens hoger beroep open bij het gerechtshof. De Awb en het daarop gebaseerde Voorschrift Awb 1997 zijn op de beschikking van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 27
|
||||
|
||||
|
|
@ -2338,7 +2283,7 @@ Als een ander dan de belastingschuldige op grond van een fiscale of civielrechte
|
|||
|
||||
Artikel 27 van de wet stelt buiten twijfel dat de verjaring alleen wordt gestuit door de betekening van een akte van vervolging aan de belastingschuldige. Daaronder valt iedere betekening aan de belastingschuldige van een vervolgingsstuk, bijvoorbeeld een dwangbevel, een hernieuwd bevel tot betaling of een beslag, ongeacht of de desbetreffende vervolgingsmaatregel overigens resultaat oplevert. Bij de betekening van een dwangbevel uitsluitend ter stuiting van de verjaring, wordt de belastingschuldige over het doel van die betekening ingelicht; kosten worden voor een zodanige betekening niet in rekening gebracht. Ter stuiting van de verjaring kan een dwangbevel meer dan éénmaal worden betekend. Uitdrukkelijk wordt opgemerkt dat ingeval van stuiting van de verjaring door middel van het betekenen van een dwangbevel per post als betekeningsdatum geldt de dag van de ter post bezorging. Met betrekking tot de belastingaanslag van een overledene wordt stuiting verkregen door betekening aan de erfgenamen overeenkomstig hetgeen is bepaald in artikel 53 Rv.
|
||||
|
||||
Schorsing van de verjaring op grond van artikel 27, tweede lid, onderdeel a., van de wet heeft alleen plaats op grond van een formeel verleend uitstel van betaling dat hetzij op verzoek hetzij ambtshalve is verleend. Eenzijdige opschorting van de invordering uit welken hoofde dan ook heeft geen schorsende werking. Als een verleend uitstel voortijdig wordt beëindigd wordt slechts de termijn gedurende welke de belastingschuldige daadwerkelijk uitstel van betaling heeft genoten in aanmerking genomen als de termijn waarmee de verjaring wordt geschorst, ongeacht de termijn waarvoor oorspronkelijk het uitstel van betaling is verleend. De schorsing eindigt dus op de dag waarop het uitstel formeel wordt beëindigd. Wanneer een verleend uitstel van rechtswege vervalt (zie in dit verband artikel 25, § 1, tiende lid, van deze leidraad) eindigt de schorsing op de dag waarop dat uitstel van rechtswege is vervallen en dus niet op de dag dat de belastingschuldige schriftelijk in kennis wordt gesteld van het feit dat het uitstel van rechtswege is vervallen. Uitstel van betaling voor een gedeelte van de belastingaanslag verlengt de verjaringstermijn voor de gehele belastingaanslag met de tijd gedurende welke het uitstel loopt.
|
||||
Schorsing van de verjaring op grond van artikel 27, tweede lid, onderdeel a, van de wet heeft alleen plaats op grond van een formeel verleend uitstel van betaling. Eenzijdige opschorting van de invordering uit welken hoofde dan ook heeft geen schorsende werking. Als een verleend uitstel voortijdig wordt beëindigd wordt slechts de termijn gedurende welke de belastingschuldige daadwerkelijk uitstel van betaling heeft genoten in aanmerking genomen als de termijn waarmee de verjaring wordt geschorst, ongeacht de termijn waarvoor oorspronkelijk het uitstel van betaling is verleend. De schorsing eindigt dus op de dag waarop het uitstel formeel wordt beëindigd. Wanneer een verleend uitstel van rechtswege vervalt (zie in dit verband artikel 25, § 1, tiende lid, van deze leidraad) eindigt de schorsing op de dag waarop dat uitstel van rechtswege is vervallen en dus niet op de dag dat de belastingschuldige schriftelijk in kennis wordt gesteld van het feit dat het uitstel van rechtswege is vervallen. Uitstel van betaling voor een gedeelte van de belastingaanslag verlengt de verjaringstermijn voor de gehele belastingaanslag met de tijd gedurende welke het uitstel loopt.
|
||||
|
||||
Door de beëindiging van de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling op grond van artikel 356, tweede lid, FW zijn belastingaanslagen ten aanzien waarvan de wettelijke schuldsaneringsregeling werkt, voorzover deze onvoldaan zijn gebleven, niet langer afdwingbaar. Deze (onvoldaan gebleven) belastingaanslagen zijn aan te merken als natuurlijke verbintenissen in de zin van artikel 6:3, tweede lid, onderdeel a, BW. De verlenging van de verjaringstermijn inzake het recht tot dwanginvordering en verrekening heeft dan ook geen effect ten aanzien van belastingaanslagen die onder de werking van de wettelijke schuldsaneringsregeling vallen. Echter in het geval de ontvanger met betrekking tot die belastingaanslagen zijn rechten wel op de gewone wijze zou kunnen uitoefenen (vergelijk bijvoorbeeld artikel 350, derde lid, onderdelen c, d en e, en artikel 358, tweede lid, juncto artikel 358a, eerste lid, FW) heeft verlenging van de verjaringstermijn wel zin. De verjaringstermijn wordt dan verlengd met de tijd gedurende welke de wettelijke schuldsaneringsregeling heeft gelopen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2358,14 +2303,14 @@ De op een belastingaanslag belopen rente en kosten zijn onlosmakelijk met de bel
|
|||
|
||||
### Artikel 27a
|
||||
|
||||
In artikel 27a van de wet is de mogelijkheid opgenomen om bij betaling van een belastingaanslag een betalingskorting te verlenen. De betalingskorting wordt verleend met betrekking tot belastingaanslagen die een te innen bedrag behelzen en die invorderbaar zijn in meer dan één termijn waarvan ten minste één termijn vervalt voor de laatste dag van de eerste helft van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven. De betalingskorting wordt verleend indien het volledige bedrag van de belastingaanslag verminderd met het bedrag van de te verlenen betalingskorting, op de eerste vervaldag van de belastingaanslag is voldaan. Oók als het bedrag van de belastingaanslag door de belastingplichtige bestreden wordt moet het volledige bedrag van de belastingaanslag worden voldaan om voor de betalingskorting in aanmerking te komen. Als de belastingaanslag waarover de betalingskorting is verleend nog voor het eind van de eerste helft van het tijdvak wordt verminderd wordt de betalingskorting teruggenomen over het bedrag van de vermindering maar ten hoogste over het positieve bedrag van die belastingaanslag.
|
||||
In artikel 27a van de wet is de mogelijkheid opgenomen om bij betaling van een belastingaanslag een betalingskorting te verlenen. De betalingskorting wordt verleend met betrekking tot belastingaanslagen die een te innen bedrag behelzen en die invorderbaar zijn in meer dan één termijn. De betalingskorting wordt verleend indien het volledige bedrag van de belastingaanslag verminderd met het bedrag van de te verlenen betalingskorting, op de eerste vervaldag van de belastingaanslag is voldaan. Oók als het bedrag van de belastingaanslag door de belastingplichtige bestreden wordt moet het volledige bedrag van de belastingaanslag worden voldaan om voor de betalingskorting in aanmerking te komen. Als de belastingaanslag waarover de betalingskorting is verleend nog in hetzelfde jaar wordt verminderd wordt de betalingskorting teruggenomen over het bedrag van de vermindering maar ten hoogste over het positieve bedrag van die belastingaanslag.
|
||||
|
||||
De belastingaanslagen waarop de betalingskorting wordt verleend zijn:
|
||||
|
||||
- voorlopige aanslagen inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen, vennootschapsbelasting en premieheffing arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen tot een positief bedrag waarvan het aanslagbiljet een dagtekening heeft die ligt in het jaar waarover deze is vastgesteld;
|
||||
- voorlopige aanslagen waarvan het aanslagbiljet een dagtekening heeft die ligt in het jaar van de peildatum (de toestand aan het begin van het jaar) waarop de aanslag is gebaseerd.
|
||||
|
||||
Het bedrag van de betalingskorting wordt berekend over het bedrag van de belastingaanslag en wordt vastgesteld met behulp van een percentage van het bedrag van de belastingaanslag. Dit percentage is gelijk aan het percentage van de invorderingsrente dat geldt op de vervaldag van de eerste termijn. De te verlenen betalingskorting wordt berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na de vervaldag van de eerste termijn en eindigt op de laatste dag van de eerste helft van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven. Het bedrag van de betalingskorting wordt vermeld op het aanslagbiljet. Dit bedrag kan de belastingschuldige bij tijdige betaling in mindering brengen op het verschuldigde bedrag. De terug te nemen betalingskorting wordt berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na de dagtekening van de uitspraak of de kennisgeving waarmee de vermindering wordt bekend gemaakt en eindigt op de laatste dag van de eerste helft van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven. Het percentage dat in aanmerking wordt genomen bij de berekening van de terug te nemen betalingskorting is gelijk aan het percentage dat in aanmerking is genomen bij de berekening van de op de belastingaanslag in mindering te brengen betalingskorting.
|
||||
Het bedrag van de betalingskorting wordt berekend over het bedrag van de belastingaanslag en wordt vastgesteld met behulp van een percentage van het bedrag van de belastingaanslag. Dit percentage is gelijk aan het percentage van de invorderingsrente dat geldt op de vervaldag van de eerste termijn, waarbij de gemiddelde resterende looptijd van die termijnen in aanmerking wordt genomen. De gemiddelde looptijd is gelijk aan de helft van het tijdvak dat aanvangt op de eerste dag na de vervaldag van de voor de belastingaanslag geldende eerste betalingstermijn en eindigt op de vervaldag van de laatste betalingstermijn. Het bedrag van de betalingskorting wordt vermeld op het aanslagbiljet. Dit bedrag kan de belastingschuldige bij tijdige betaling in mindering brengen op het verschuldigde bedrag. De terug te nemen betalingskorting wordt berekend over de resterende gemiddelde looptijd die wordt gesteld op de helft van het tijdvak dat aanvangt op de dag na de dagtekening van de uitspraak of de kennisgeving waarmee de vermindering wordt bekend gemaakt en eindigt op de vervaldag van de voor de belastingaanslag geldende laatste betalingstermijn. Het percentage dat in aanmerking wordt genomen bij de berekening van de terug te nemen betalingskorting is gelijk aan het percentage dat in aanmerking is genomen bij de berekening van de op de belastingaanslag in mindering te brengen betalingskorting.
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 24, vierde lid, van de wet is de ontvanger gehouden de verleende betalingskorting te verrekenen met het bedrag van de belastingaanslag waarvoor de betalingskorting wordt verleend. Wanneer de belastingaanslag terzake waarvan een betalingskorting is verleend wordt verminderd, moet de ontvanger de in verband met de vermindering terug te nemen betalingskorting verrekenen met het uit te betalen bedrag van de vermindering. Zie hiervoor ook artikel 24, § 1, tiende lid, van deze leidraad.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2381,21 +2326,21 @@ a. de conserverende belastingaanslagen inkomstenbelasting terzake waarvan door v
|
|||
b. de conserverende belastingaanslagen inkomstenbelasting, terzake waarvan in verband met een omstandigheid als bedoeld in 25, vijfde lid, tweede volzin, van de wet, het verleende uitstel als bedoeld in artikel 25, vijfde lid, eerste volzin, van de wet wordt beëindigd;
|
||||
c. de conserverende belastingaanslagen inkomstenbelasting, terzake waarvan in verband met een omstandigheid als bedoeld in artikel 25, zesde lid, onder a, b of c, van de wet, het verleende uitstel als bedoeld in artikel 25, zesde lid, eerste volzin, van de wet, is of wordt beëindigd;
|
||||
d. de in belastingaanslagen inkomstenbelasting begrepen belasting als bedoeld in artikel 25, dertiende lid, van de wet, terzake waarvan bij het niet nakomen van de betalingsregeling of in verband met een omstandigheid als bedoeld in de vierde volzin van dat artikel, het op grond van dat artikel verleende uitstel wordt beëindigd;
|
||||
e. de in belastingaanslagen inkomstenbelasting begrepen belasting als bedoeld in artikel 25, veertiende lid, terzake waarvan bij het niet nakomen van de betalingsregeling of in verband met een omstandigheid als bedoeld in de derde volzin van dat artikel, het op grond van dat artikel verleende uitstel wordt beëindigd; geldt voor de situaties beschreven in de onderdelen a, d en e, dat invorderingsrente is verschuldigd met ingang van de dag na de vervaldag van de voor de belastingaanslag enige of laatste betalingstermijn. Voor de situaties beschreven in de onderdelen b en c geldt dat invorderingsrente is verschuldigd vanaf 1 september van het jaar waarin zich een handeling of omstandigheid voordoet op grond waarvan het uitstel wordt beëindigd.
|
||||
e. de in belastingaanslagen inkomstenbelasting begrepen belasting als bedoeld in artikel 25, vijftiende lid, van de wet, terzake waarvan bij het niet nakomen van de betalingsregeling of in verband met een omstandigheid als bedoeld in de derde volzin van dat artikel, het op grond van dat artikel verleende uitstel wordt beëindigd; is invorderingsrente verschuldigd met ingang van de dag na de vervaldag van de voor de belastingaanslag enige of laatste betalingstermijn.
|
||||
|
||||
Bij overschrijding van de betalingstermijn is rente verschuldigd (slechts voor vorderingen die al voor 1 januari 1994 waren geformaliseerd geldt een ander regime). Hierbij geldt het bepaalde in de artikelen 28 tot en met 31a van de wet. Als tot terugbetaling van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt overgegaan op grond van de artikelen 236, 237 of 238 van het CDW, omdat het oorspronkelijk op de uitnodiging tot betaling betaalde bedrag niet wettelijk verschuldigd is, wordt invorderingsrente vergoed. Deze rente wordt vergoed over ten hoogste het bedrag dat op de oorspronkelijke uitnodiging tot betaling is voldaan. Er wordt op gewezen dat in artikel 28, derde lid, van de wet nog eens uitdrukkelijk is onderstreept dat geen invorderingsrente is verschuldigd over de tijd waarover uitstel van betaling is verleend in de zin van artikel 224 e.v. CDW.
|
||||
|
||||
Voor de berekening van de verschuldigde invorderingsrente geldt als dag van betaling bij een girale betaling de dag van bijschrijving op de bankrekening van de Belastingdienst. Bij betaling op het postkantoor door middel van storting op de bankrekening van de Belastingdienst geldt als dag van betaling de eerste werkdag volgend op de dag van storting. Bij een uit het buitenland ontvangen cheque wordt de dag van ontvangst van de cheque als dag van betaling beschouwd, tenzij de ontvanger constateert dat sprake is van misbruik.
|
||||
Voor de berekening van de verschuldigde invorderingsrente geldt als dag van betaling bij een girale betaling de dag van bijschrijving op de bank- of giro-rekening van de B/CA of van de ontvanger. Bij betaling op het postkantoor door storting op de girorekening van de B/CA of de ontvanger geldt als dag van betaling de dag van storting. Bij een uit het buitenland ontvangen cheque wordt de dag van ontvangst van de cheque als dag van betaling beschouwd, tenzij de ontvanger constateert dat sprake is van misbruik.
|
||||
|
||||
Voor de conserverende belastingaanslagen als bedoeld in artikel 25, derde, vijfde, zesde, achtste, elfde of zeventiende tot en met negentiende lid, van de wet en voor de in de belastingaanslag inkomstenbelasting begrepen belasting als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de wet, waarvoor op grond van artikel 25, negende lid, eerste volzin, van de wet uitstel van betaling is verleend, wordt renteloos uitstel van betaling verleend. Invorderingsrente wordt wel in rekening gebracht voorzover in het kader van de betalingsregeling ingevolge artikel 25, negende lid, van de wet, niet tijdig betaling plaatsvindt van de verschenen termijnen. Invorderingsrente is alsdan verschuldigd vanaf het tijdstip waarop de desbetreffende termijnen zijn versterken tot het moment van feitelijke voldoening. Als de ontvanger het uitstel als bedoeld in artikel 25, vijfde, zesde en achtste lid, beëindigt, wordt invorderingsrente in rekening gebracht vanaf 1 september van het jaar waarin zich een handeling of omstandigheid voordoet die aanleiding is om het uitstel te beëindigen. Als de ontvanger het uitstel als bedoeld in artikel 25, negende of elfde lid, van de wet geheel of gedeeltelijk beëindigt naar aanleiding van omstandigheden, andere dan de niet betaling van de verschenen termijnen ingevolge artikel 25, negende lid, van de wet, die aanleiding geven het verleende uitstel in te trekken, wordt invorderingsrente in rekening gebracht met ingang van de dag volgende op de dag waarop zich die omstandigheden hebben voorgedaan. Wanneer uitstel van betaling is verleend ingevolge artikel 25, zeventiende lid, van de wet wordt rente in rekening gebracht over het tijdvak dat aanvangt op de dag na de dag waarop het uitstel is geëindigd.
|
||||
Voor de conserverende belastingaanslagen als bedoeld in artikel 25, achtste, elfde en zeventiende lid, van de wet en voor de in de belastingaanslag inkomstenbelasting begrepen belasting als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de wet, waarvoor op grond van artikel 25, negende lid, eerste volzin, van de wet uitstel van betaling is verleend, wordt renteloos uitstel van betaling verleend. Invorderingsrente wordt wel in rekening gebracht voorzover in het kader van de betalingsregeling ingevolge artikel 25, negende lid, van de wet, niet tijdig betaling plaatsvindt van de verschenen termijnen. Invorderingsrente is alsdan verschuldigd vanaf het tijdstip waarop de desbetreffende termijnen zijn versterken tot het moment van feitelijke voldoening. Als de ontvanger het uitstel als bedoeld in artikel 25, achtste, negende of elfde lid, van de wet geheel of gedeeltelijk beëindigt naar aanleiding van omstandigheden, andere dan de niet betaling van de verschenen termijnen ingevolge artikel 25, negende lid, van de wet, die aanleiding geven het verleende uitstel in te trekken, wordt invorderingsrente in rekening gebracht met ingang van de dag volgende op de dag waarop zich die omstandigheden hebben voorgedaan. Wanneer uitstel van betaling is verleend ingevolge artikel 25, zeventiende lid, van de wet wordt rente in rekening gebracht over het tijdvak dat aanvangt op de dag na de dag waarop het uitstel is geëindigd.
|
||||
|
||||
Naast de gevallen waarin ten aanzien van de renteberekening abusievelijk onjuiste data of een onjuist percentage of bedrag wordt gehanteerd zal geen rente in rekening worden gebracht, dan wel rente worden terugbetaald ingeval van verrekening met een belastingaanslag, waaraan naderhand een nieuwe dagtekening is toegekend.
|
||||
Naast de gevallen waarin ten aanzien van de renteberekening abusievelijk onjuiste data of een onjuist percentage of bedrag wordt gehanteerd zal geen rente in rekening worden gebracht, dan wel rente worden terugbetaald ingeval van verrekening met een belastingaanslag, waaraan naderhand een nieuwe dagtekening is toegekend. Een verzoek van de belastingschuldige tot vermindering van in rekening gebrachte invorderingsrente wordt aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de beschikking waarbij de invorderingsrente in rekening is gebracht. Bij afwijzing van het bezwaarschrift dat binnen de bezwaartermijn is ingediend staat dus beroep bij de belastingrechter open. Als het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend dient de belastingschuldige niet ontvankelijk te worden verklaard in zijn bezwaar. Ambtshalve toetsing van het bezwaarschrift dient overigens wel plaats te vinden. Met een bezwaarschrift tegen de voorlopige aanslag als bedoeld in dit lid moet worden gelijkgesteld de situatie waarin de belastingschuldige uiterlijk of kort na de indiening van het aangiftebiljet heeft verzocht om uitstel van betaling tot het bedrag van de te verwachten negatieve definitieve aanslag. Voorts wordt een aangifte volgens welke de voorlopige aanslag tot een te hoog bedrag is opgelegd aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de voorlopige aanslag als bedoeld in dit lid.
|
||||
|
||||
Indien als gevolg van een te late betaling terecht rente in rekening wordt gebracht, dient deze te worden betaald. In uitzonderlijke situaties kan er echter aanleiding bestaan rente - hoezeer ook verschuldigd - te verminderen. Deze (strikt individueel te beoordelen) situaties doen zich alleen voor als de ontvanger van mening is dat het feit dat de belastingschuld niet tijdig is voldaan aan de belastingschuldige niet kan worden verweten en bovendien de invordering van rente - gezien de omstandigheden van het specifieke geval - onredelijk en onbillijk is. Een reden voor niet-verwijtbaarheid kan een verhuizing zijn, waardoor de belastingschuldige niet op de hoogte was van de aanslag, terwijl hij wel datgene heeft gedaan dat redelijkerwijs van hem mag worden verwacht om de Belastingdienst in kennis te stellen van zijn nieuwe adres. De ontvanger kan slechts naar aanleiding van een ingediend bezwaarschrift in vorengenoemde gevallen de verschuldigde rente verminderen. Hij maakt zijn beslissing bij beschikking aan de belastingschuldige kenbaar.
|
||||
|
||||
Wanneer de behandeling van een bezwaarschrift meer tijd heeft gevergd dan gebruikelijk is, dient de hierdoor belopen rente volledig te worden voldaan. Er kan slechts aanleiding bestaan voor wat betreft de belopen rente een tegemoetkoming te verlenen als sprake is van een buitensporig lange behandeling van een bezwaarschrift, zonder dat de belastingschuldige daarop invloed heeft kunnen uitoefenen. Alsdan kan in extreme, schrijnende situaties, voorzover de alsdan geleden schade hoofdzakelijk het gevolg is van een duidelijk verzuim van de Belastingdienst, een deel van de rente worden verminderd. Dit deel stemt overeen met het aan de Belastingdienst te wijten rentenadeel, dat door de belastingschuldige aannemelijk moet worden gemaakt. De ontvanger kan slechts naar aanleiding van een ingediend bezwaarschrift in vorengenoemde gevallen de verschuldigde rente verminderen. Hij maakt zijn beslissing bij beschikking aan de belastingschuldige kenbaar.
|
||||
|
||||
Als na formalisering van een uit te betalen bedrag de daadwerkelijke uitbetaling veel langer op zich laat wachten dan gebruikelijk is en deze vertraging aan de Belastingdienst is te wijten, wordt rente vergoed over de periode gedurende welke van vertraging sprake is geweest. Voorzover het gaat om zaken waarbij kan worden verwacht dat er van de besluitvorming een precedentwerking zal uitgaan, dient voorafgaand aan de besluitvorming contact te worden opgenomen met het ministerie, directie Bestuursondersteuning Belastingdienst. Verzoeken om rentevergoeding die via het Kabinet der Koningin, de Commissie voor de Verzoekschriften uit de Eerste of Tweede Kamer of de Nationale ombudsman worden ingediend worden behandeld op het ministerie, door voornoemd team. Dit geldt ook voor alle gevallen waarin het verzoek om rentevergoeding tevens een verzoek om schadevergoeding bevat, tenzij de vordering in het verzoek om schadevergoeding niet meer dan € 5000 bedraagt. Een gehele of gedeeltelijke afwijzing van een verzoek om rente- of schadevergoeding wordt door de ontvanger gemotiveerd. Als de rechthebbende verzoekt om herziening van de beschikking van de ontvanger wordt dit verzoek ter behandeling doorgezonden aan het directoraat-generaal Belastingdienst, team Juridische Zaken.
|
||||
Als na formalisering van een uit te betalen bedrag de daadwerkelijke uitbetaling veel langer op zich laat wachten dan gebruikelijk is en deze vertraging aan de Belastingdienst is te wijten, wordt rente vergoed over de periode gedurende welke van vertraging sprake is geweest. Voorzover het gaat om zaken waarbij kan worden verwacht dat er van de besluitvorming een precedentwerking zal uitgaan, dient voorafgaand aan de besluitvorming contact te worden opgenomen met het ministerie, directie Bestuursondersteuning Belastingdienst. Verzoeken om rentevergoeding die via het Kabinet der Koningin, de Commissie voor de Verzoekschriften uit de Eerste of Tweede Kamer of de Nationale ombudsman worden ingediend worden behandeld op het ministerie, door voornoemd team. Dit geldt ook voor alle gevallen waarin het verzoek om rentevergoeding tevens een verzoek om schadevergoeding bevat. Een gehele of gedeeltelijke afwijzing van een verzoek om rentevergoeding wordt door de ontvanger gemotiveerd. Als de rechthebbende verzoekt om herziening van de beschikking van de ontvanger wordt dit verzoek ter behandeling doorgezonden aan het directoraat-generaal Belastingdienst, team Juridische Zaken.
|
||||
|
||||
Kwijtschelding is niet mogelijk op grond van vermeende betalingsonmacht. Evenzo zal in die gevallen ook geen toezegging worden gedaan dat deze rente niet zal worden ingevorderd. Het vorenstaande laat onverlet dat kwijtschelding wordt verleend c.q. rente buiten invordering wordt gelaten als de hoofdsom wordt kwijtgescholden c.q. buiten invordering gelaten. Hiervoor wordt verwezen naar hetgeen is vermeld bij artikel 26 van deze leidraad.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2407,6 +2352,8 @@ Als de vermindering van een belastingaanslag tevens een gevolg is van het feit d
|
|||
|
||||
Als een nog openstaande belastingaanslag wordt verminderd op één van de gronden als genoemd in artikel 28, zesde lid, van de wet, blijft invorderingsrente verschuldigd over het voor de vermindering openstaande bedrag, omdat bij deze verminderingen de laatste zinsnede van het eerste lid van artikel 28 van de wet niet van toepassing is (zie voorbeeld 3 in bijlage VB bij deze leidraad). De rente wordt berekend over de periode vanaf de eerste dag na de laatste vervaldag tot en met de dag van dagtekening van de verminderingsbeschikking. Als deze rente niet wordt betaald, kan hiervoor de invordering worden opgestart.
|
||||
|
||||
Als gevolg van het vervallen van het drempeltijdvak per 1 juli 1997 bestaat geen behoefte meer aan de specifieke bepalingen van artikel 28, zesde lid, onderdelen b, c en d, van de wet. Dit heeft tot gevolg dat bij een vermindering van een belastingaanslag - over het jaar 1997 of later - in verband met het feit dat zich één van de situaties voordoet als bedoeld in artikel 28, zesde lid, onderdelen b, c of d, van de wet vergoeding van invorderingsrente plaatsvindt, met inachtneming van het bepaalde in artikel 28, vierde lid, van de wet.
|
||||
|
||||
### Artikel 29
|
||||
|
||||
In artikel 29 van de wet is de hoogte van het percentage van de invorderingsrente geregeld. Peildata voor de vaststelling van het rentepercentage zijn 1 februari, 1 mei, 1 augustus en 1 november van ieder jaar. Daadwerkelijke wijziging van het percentage kan plaatsvinden per 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober. Het rentepercentage dat geldt voor vorderingen van het Uitvoeringsinstituut is gelijk aan dat van de wettelijke rente. Het percentage van de wettelijke rente kan per 1 januari en per 1 juli worden gewijzigd.
|
||||
|
|
@ -2420,11 +2367,11 @@ In artikel 30, eerste lid, van de wet is bepaald dat de ontvanger het bedrag van
|
|||
- de door de deurwaarder verstrekte kwitantie;
|
||||
- de formulieren NRK 001 en 002.
|
||||
|
||||
Deze bescheiden geven kennis van de genoemde beschikking waartegen op grond van artikel 30, tweede lid, van de wet overeenkomstig de bepalingen van de AWR in bezwaar kan worden gekomen (zie het tweede lid van deze paragraaf). Wordt een bezwaarschrift door de ontvanger gedeeltelijk gehonoreerd, waarna een acceptgiro wordt gezonden waarop de herstelboeking is vermeld, dan kan tegen hetgeen op deze acceptgiro ten aanzien van de betalingskorting en de invorderingsrente is vermeld niet opnieuw bezwaar worden gemaakt als de belastingschuldige van mening is dat onvoldoende aan het bezwaar is tegemoetgekomen. Alsdan zal tegen de uitspraak beroep moeten worden aangetekend. Uitdrukkelijk wordt vermeld dat afschriften van een giro- of bankrekening niet het karakter hebben van een beschikking waartegen bezwaar mogelijk is. Dit geldt ook voor betalingsoverzichten die ten behoeve van belastingschuldigen worden verstrekt en waarop de betalingskorting en de afgeboekte rente staat vermeld, alsmede voor overige correspondentie waarin om enigerlei reden een betalingskorting of afgeboekte rente wordt vermeld. Op de beschikking is de Awb en het Besluit Fiscaal Bestuursrecht van toepassing.
|
||||
Deze bescheiden geven kennis van de genoemde beschikking waartegen op grond van artikel 30, tweede lid, van de wet overeenkomstig de bepalingen van de AWR in bezwaar kan worden gekomen (zie het tweede lid van deze paragraaf). Wordt een bezwaarschrift door de ontvanger gedeeltelijk gehonoreerd, waarna een acceptgiro wordt gezonden waarop de herstelboeking is vermeld, dan kan tegen hetgeen op deze acceptgiro ten aanzien van de betalingskorting en de invorderingsrente is vermeld niet opnieuw bezwaar worden gemaakt als de belastingschuldige van mening is dat onvoldoende aan het bezwaar is tegemoetgekomen. Alsdan zal tegen de uitspraak beroep moeten worden aangetekend. Uitdrukkelijk wordt vermeld dat afschriften van een giro- of bankrekening niet het karakter hebben van een beschikking waartegen bezwaar mogelijk is. Dit geldt ook voor betalingsoverzichten die ten behoeve van belastingschuldigen worden verstrekt en waarop de betalingskorting en de afgeboekte rente staat vermeld, alsmede voor overige correspondentie waarin om enigerlei reden een betalingskorting of afgeboekte rente wordt vermeld. Op de beschikking is de Awb en het daarop gebaseerde Voorschrift Awb 1997 van toepassing.
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 30, tweede lid, van de wet kan de belastingschuldige bezwaar maken tegen de hoogte van de in de belastingaanslag vastgestelde of bij de vermindering van die aanslag teruggenomen betalingskorting en de in rekening gebrachte dan wel vergoede invorderingsrente. Als een belastingschuldige ten kantore mondeling - terecht - bezwaar maakt, bevordert de ontvanger zoveel mogelijk dat hij dit ten kantore op schrift stelt. De ontvanger vraagt de belastingschuldige die telefonisch zijn bezwaren uit, deze schriftelijk in te dienen. Een verzoek van de belastingschuldige tot vermindering van in rekening gebrachte invorderingsrente wordt aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de beschikking waarbij de invorderingsrente in rekening is gebracht. Tegen de afwijzing van dit bezwaarschrift dat binnen de bezwaartermijn is ingediend staat derhalve beroep bij de belastingrechter open. Als dit bezwaarschrift tegen de rentebeschikking niet-ontvankelijk is vindt ambtshalve toetsing van het bezwaar plaats.
|
||||
Op grond van artikel 30, tweede lid, van de wet kan de belastingschuldige bezwaar maken tegen de hoogte van de in de belastingaanslag vastgestelde of bij de vermindering van die aanslag teruggenomen betalingskorting en de in rekening gebrachte dan wel vergoede invorderingsrente. Als een belastingschuldige ten kantore mondeling - terecht - bezwaar maakt, bevordert de ontvanger zoveel mogelijk dat hij dit ten kantore op schrift stelt. De ontvanger vraagt de belastingschuldige die telefonisch zijn bezwaren uit, deze schriftelijk in te dienen. Aangezien de Awb en het daarop gebaseerde Voorschrift Awb 1997 van toepassing zijn op de desbetreffende beschikking wordt opgemerkt dat als voorbeelden van gevallen waarin sprake kan zijn van een kennelijk ongegrond bezwaar als bedoeld in hoofdstuk 6, § 6.2.2, van het Voorschrift Awb 1997 de volgende kunnen worden genoemd: gehele of gedeeltelijke tegemoetkoming aan het bezwaar is duidelijk in strijd met een wettelijk voorschrift of met door de Staatssecretaris van Financiën vastgesteld en gepubliceerd beleid; het bezwaar richt zich tegen een beslissing die geheel overeenkomt met bestaand - bijvoorbeeld door de rechter, de Commissie voor de Verzoekschriften of de Nationale ombudsman, getoetst - beleid. De ontvanger beslist op een bezwaarschrift tegen de in de belastingaanslag vastgestelde of bij de vermindering van die aanslag teruggenomen betalingskorting en de in rekening gebrachte dan wel vergoede invorderingsrente binnen zes weken na ontvangst daarvan, met de mogelijkheid tot verlenging (zie voor de mogelijkheid tot verlenging § 6.2.7, eerste alinea, Voorschrift Awb 1997).
|
||||
|
||||
Als de belastingschuldige in beroep gaat tegen de uitspraak op het bezwaar, handelt de ontvanger overeenkomstig de voorschriften van het Besluit beroep in belastingzaken 2005, met dien verstande dat de ontvanger in een procedure niet dezelfde stukken hoeft over te leggen als de inspecteur. De ontvanger kan zich beperken tot de stukken die in de procedure over de toepassing van de regeling betalingskorting relevant zijn.
|
||||
In geval door de belastingschuldige een beroepschrift (in hoger beroep) is ingediend wordt gehandeld overeenkomstig het bepaalde in het Besluit beroep in belastingzaken 2000, met dien verstande dat voor "inspecteur" dient te worden gelezen: ontvanger. Het bepaalde in de paragrafen 2, 6a, onderdelen 3 a en b, 16a, 19, onderdelen 2 a en b, en 24, onderdeel 2, van het genoemde besluit is niet van toepassing. In de plaats van § 15c van het genoemde besluit geldt hetgeen in deze leidraad in het eerste lid van § 4 bij artikel 3 is vermeld.
|
||||
|
||||
Als om uitstel van betaling wordt verzocht voor een teruggenomen betalingskorting - daarvan kan sprake zijn als de ontvanger de teruggenomen betalingskorting abusievelijk niet heeft verrekend met het uit te betalen bedrag van de vermindering - is het beleid dat is verwoord in artikel 25, paragrafen 1 en 2, van deze leidraad van overeenkomstige toepassing. Indiening van een bezwaar- of beroepschrift (in hoger beroep) schort de verplichting om de invorderingsrente te betalen niet op. Als om uitstel van betaling wordt verzocht is het beleid dat is verwoord in artikel 25, paragrafen 1 en 2, van deze leidraad van overeenkomstige toepassing, onverminderd het bepaalde in artikel 34 van de regeling.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2544,6 +2491,8 @@ Artikel 33, vierde lid, van de wet bevat voor degene die op grond van het eerste
|
|||
|
||||
### Artikel 34
|
||||
|
||||
De aansprakelijkheid van inleners van arbeidskrachten voor loon- en omzetbelasting is een equivalent van de aansprakelijkheid zoals geregeld in artikel 16a CSV.
|
||||
|
||||
Van inlening is sprake als een werkgever zijn werknemers ter beschikking stelt aan een derde -de zogenaamde inlener- om onder diens toezicht of leiding arbeid te verrichten. De betreffende werknemers staan gedurende de periode waarin ze zijn uitgeleend in dienstbetrekking tot de werkgever, de zogenaamde uitlener. Op grond van dit artikel is de inlener hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting die de uitlener verschuldigd is en voor de omzetbelasting die de uitlener, en -in het geval doorlening plaatsvindt- de zogenaamde doorlener(s) verschuldigd is (zijn).
|
||||
|
||||
Uitdrukkelijk anders dan op grond van de ketenaansprakelijkheidsregeling geldt voor de aannemer, is de inlener ook aansprakelijk voor de terzake van de prestatie door de uitlener verschuldigde omzetbelasting. Vrijwaring van die aansprakelijkheid kan worden verkregen door middel van de g-betaling en, voor situaties waarin de uitlener niet over een g-rekening beschikt, door middel van een -separate- rechtstreekse storting.
|
||||
|
|
@ -2554,7 +2503,7 @@ In twee situaties kan sprake zijn van meerdere aansprakelijken terzake van één
|
|||
|
||||
Doorlener I leent de van de uitlener ingeleende arbeidskrachten door aan doorlener II die deze arbeidskrachten op zijn beurt doorleent aan de inlener. Voor de terzake door de uitlener/werkgever verschuldigde loon- en omzetbelasting zijn zowel doorlener I en II als de inlener hoofdelijk aansprakelijk. Doorlener II en de inlener zijn bovendien hoofdelijk aansprakelijk voor de terzake door doorlener I verschuldigde omzetbelasting en de inlener is tenslotte aansprakelijk voor de terzake door doorlener II verschuldigde omzetbelasting. De tweede situatie doet zich voor indien de werkgever arbeidskrachten heeft uitgeleend aan een onderaannemer als bedoeld in artikel 35, eerste lid, onderdeel b, van de wet.
|
||||
|
||||
Onderaannemer 2 leent van de uitlener personeel in ten behoeve van het werk dat hij in onderaanneming uitvoert voor onderaannemer 1. Zowel de hoofdaannemer als de onderaannemers 1 en 2 zijn in dit geval hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting die de uitlener verschuldigd is:
|
||||
Onderaannemer 2 leent van de uitlener personeel in ten behoeve van het werk dat hij in onderaanneming uitvoert voor onderaannemer 1. Zowel de hoofdaannemer als de onderaannemers 1 en 2 zijn in dit geval hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting en premies volksverzekeringen die de uitlener verschuldigd is:
|
||||
|
||||
- Onderaannemer 2 is aansprakelijk op grond van het eerste lid van dit artikel (ook voor de omzetbelasting die de uitlener verschuldigd is).
|
||||
- De hoofdaannemer en onderaannemer 1 zijn aansprakelijk op grond van artikel 35, eerste lid, onderdeel b, van de wet (niet voor de omzetbelasting die de uitlener verschuldigd is).
|
||||
|
|
@ -2571,11 +2520,11 @@ Onder de tot 1 juli 1998 geldende wetgeving werd aangenomen dat de inlenersaansp
|
|||
|
||||
Bij situaties waarin sprake is van doorlenen alsmede in situaties als bedoeld in artikel 35, eerste lid, onderdeel b, van de wet zijn meerdere derden aansprakelijk voor dezelfde schuld. Voor wat betreft de volgorde waarin deze derden aansprakelijk worden gesteld, is het bepaalde in artikel 35, § 14, eerste lid, van deze leidraad van overeenkomstige toepassing. Dit betekent in doorleensituaties dat over het algemeen de doorlener als eerste aansprakelijk wordt gesteld en pas daarna de uiteindelijke inlener.
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel 2 van de Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004 verleent de ontvanger zijn medewerking aan het totstandkomen van een g-rekeningovereenkomst met een uitlener onder voorwaarde dat laatstgenoemde zijn bedrijf uitsluitend of nagenoeg uitsluitend maakt van het tegen vergoeding uitlenen van personeel dan wel diens bedrijf, naar redelijkerwijs mag worden aangenomen, op korte termijn die hoedanigheid zal verwerven. Het voorgaande leidt ertoe dat met uitleners wier bedrijf niet uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bestaat uit het uitlenen van personeel geen g-rekeningovereenkomst kan worden afgesloten. Inleners die gebruik maken van de diensten van de in de vorige zin bedoelde uitlener zullen dus op andere wijze vrijwaring moeten zien te verkrijgen. Zij kunnen dit onder andere doen door de terzake van de prestatie verschuldigde loonbelasting en omzetbelasting rechtstreeks te storten bij de B/CA te Apeldoorn.
|
||||
Ingevolge artikel 2 van de Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004 verlenen de ontvanger en het Uitvoeringsinstituut hun medewerking aan het totstandkomen van een g-rekeningovereenkomst met een uitlener onder voorwaarde dat laatstgenoemde zijn bedrijf uitsluitend of nagenoeg uitsluitend maakt van het tegen vergoeding uitlenen van personeel dan wel diens bedrijf, naar redelijkerwijs mag worden aangenomen, op korte termijn die hoedanigheid zal verwerven. Het voorgaande leidt ertoe dat met uitleners wier bedrijf niet uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bestaat uit het uitlenen van personeel geen g-rekeningovereenkomst kan worden afgesloten. Inleners die gebruik maken van de diensten van de in de vorige zin bedoelde uitlener zullen dus op andere wijze vrijwaring moeten zien te verkrijgen. Zij kunnen dit onder andere doen door de terzake van de prestatie verschuldigde loonbelasting en omzetbelasting rechtstreeks te storten bij de B/CA te Apeldoorn.
|
||||
|
||||
In afwijking van het vorenstaande wordt wel een g-rekeningovereenkomst afgesloten met de ondernemer die zijn bedrijf maakt van het opleiden van leerlingen die bij hem in dienst zijn en die deze leerlingen in het kader van hun opleiding tegen vergoeding uitleent.
|
||||
|
||||
Op grond van het bepaalde in artikel 34, derde lid, van de wet, verkrijgt de inlener, ten belope van het bedrag dat hij stort op de g-rekening van de werkgever van de ingeleende arbeidskrachten, vrijwaring van zijn aansprakelijkheid voor de loonbelasting en omzetbelasting. Deze vrijwaring geldt in beginsel ongeacht of de g-betaling de ontvanger of de uitvoeringsinstelling daadwerkelijk bereikt. De vrijwaring geldt echter niet indien de inlener wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de werkgever in gebreke zou blijven het op de g-rekening gestorte bedrag aan te wenden voor de betaling van loonbelasting en omzetbelasting. Met dit laatste wordt voorkomen dat bijvoorbeeld bij een "opzetje" het enkele feit dat betrokkene stort op een g-rekening al tot vrijwaring zou moeten leiden.
|
||||
Op grond van het bepaalde in artikel 34, derde lid, van de wet, verkrijgt de inlener, ten belope van het bedrag dat hij stort op de g-rekening van de werkgever van de ingeleende arbeidskrachten, vrijwaring van zijn aansprakelijkheid voor de loonbelasting, omzetbelasting en sociale verzekeringspremies. Deze vrijwaring geldt in beginsel ongeacht of de g-betaling de ontvanger of de uitvoeringsinstelling daadwerkelijk bereikt. De vrijwaring geldt echter niet indien de inlener wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de werkgever in gebreke zou blijven het op de g-rekening gestorte bedrag aan te wenden voor de betaling van loonbelasting, omzetbelasting of sociale verzekeringspremies. Met dit laatste wordt voorkomen dat bijvoorbeeld bij een "opzetje" het enkele feit dat betrokkene stort op een g-rekening al tot vrijwaring zou moeten leiden.
|
||||
|
||||
Zoals in het vorige lid is aangegeven, kan slechts een g-rekeningovereenkomst worden gesloten met de uitlener van arbeidskrachten die er zijn bedrijf uitsluitend of nagenoeg uitsluitend van maakt om tegen vergoeding personeel uit te lenen dan wel wiens bedrijf, naar redelijkerwijs mag worden aangenomen, op korte termijn die hoedanigheid zal verwerven. Het kan echter voorkomen dat degene die feitelijk optreedt als uitlener reeds uit hoofde van onderaannemerschap beschikt over een g-rekening. In dat geval zal de inlener die gebruik maakt van die g-rekening vrijwaring verkrijgen op de voet van artikel 34, derde en zesde lid, van de wet. Dit betekent dus dat aan de vrijwaring niet in de weg staat dat de uitlener feitelijk niet beschikt over het juiste type g-rekening.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2587,27 +2536,31 @@ Aan het gebruik van de g-rekening zijn voorwaarden verbonden. Deze voorwaarden z
|
|||
|
||||
Bovendien moet de inlener van de arbeidskrachten een manurenadministratie voeren aan de hand waarvan (o.a. de omvang van) zijn aansprakelijkheid kan worden vastgesteld. De strekking van deze voorwaarden is, dat de prestaties van de ter beschikking gestelde arbeidskrachten als het ware in de administratie van de inlener kunnen worden geïdentificeerd en geïndividualiseerd zodat op basis daarvan de (omvang van de) aansprakelijkheid of juist de afwezigheid daarvan - bijvoorbeeld in verband met een correct en toereikend gebruik van de g-rekening- kan worden vastgesteld. Het niet of onvolledig nakomen van de hiervoor bedoelde voorwaarden leidt er in beginsel toe dat aan de g-betaling de vrijwarende werking wordt ontzegd. Het bepaalde in artikel 35, § 11, eerste lid, van deze leidraad is van overeenkomstige toepassing op laatstbedoelde betalingen.
|
||||
|
||||
4. Op grond van het bepaalde in artikel 8 van de Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004 is de ontvanger bevoegd het saldo van de g-rekening uit te winnen. Hij is eveneens bevoegd om in het geval de g-rekening onjuist is gebruikt, een vordering wegens wanprestatie of onrechtmatige daad in te stellen.
|
||||
Op grond van het bepaalde in artikel 8 van de Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004 zijn zowel de ontvanger als het Uitvoeringsinstituut bevoegd het saldo van de g-rekening uit te winnen. Zij zijn eveneens bevoegd om in het geval de g-rekening onjuist is gebruikt, een vordering wegens wanprestatie of onrechtmatige daad in te stellen. In voorkomend geval geschiedt zowel de uitwinning van het pandrecht als het instellen van de voornoemde vorderingen steeds voor gemeenschappelijke rekening. De uit hoofde daarvan ontvangen (netto) bedragen worden steeds verdeeld naar rato van ieders vorderingen inzake de loon- en omzetbelasting enerzijds en sociale verzekeringspremies anderzijds. Van de voorgeschreven verdelingswijze kan in onderling overleg worden afgeweken. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan situaties waarin de vordering van de ene pandhouder een heel andere periode bestrijkt dan die van de andere pandhouder of waarin de vordering van de ene pandhouder gebaseerd is op schattingen terwijl de vordering van de andere pandhouder gebaseerd is op rechtens relevante feiten. In dit verband wordt opgemerkt dat met betrekking tot de uitwinning van de g-rekening die onder vigeur van de regeling is totstandgekomen, geen uitvoeringsbepalingen gelden met betrekking de verdeling van het uitgewonnen bedrag.
|
||||
|
||||
Als de inlener ten behoeve van de uitlener de verschuldigde loonbelasting en omzetbelasting waarvoor hij aansprakelijk is rechtstreeks heeft gestort bij de B/CA, strekt deze betaling tot vermindering van de primaire aansprakelijkheid (zoals namelijk ten tijde van de verloning respectievelijk het verrichten van de dienst belopen uit de wet) mits de betaling voldoende gespecificeerd is. De betaling is in elk geval voldoende gespecificeerd als daarbij naast de gegevens van de uitlener, diens loonbelastingnummer respectievelijk omzetbelastingnummer, het betreffende factuurnummer en de periode waarin het werk is verricht, zijn vermeld. Rechtstreekse storting van de terzake verschuldigde loonbelasting en van de omzetbelasting dient bij afzonderlijke betalingen plaats te vinden.
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 34, vijfde lid, van de wet is de inlener niet aansprakelijk, indien aannemelijk is dat het niet betalen van de loonbelasting en de omzetbelasting noch aan de uitlener noch aan een inlener -waaronder mede wordt verstaan: de doorlener- is te wijten. In de ketenaansprakelijkheidsregeling, die overigens een vergelijkbare discupatiebepaling kent, speelt nadrukkelijk een rol dat, teneinde de disculpatieregeling van toepassing te verklaren, geen van de bij het werk betrokken (onder)aannemers (de gehele keten) een verwijt moet kunnen worden gemaakt. In de inlenersaansprakelijkheidsregeling zal het, doorleenconstructies daargelaten, slechts gaan om twee partijen van wie beoordeeld moet worden of sprake is van verwijtbaarheid terzake. Dit betekent dat de inlener in de praktijk naar verwachting beter in staat is om op dit punt zijn positie te bepalen. De vraag of in voorkomend geval sprake is van disculpatie, hetgeen in beginsel door de aansprakelijke inlener(s) aannemelijk zal moeten worden gemaakt, dient steeds op individuele basis te worden beoordeeld. In dit verband geldt dat aan branche-initiatieven die erop gericht zijn eventuele malversaties bij aangesloten uitzendbedrijven tegen te gaan, geen doorslaggevende betekenis wordt toegekend.
|
||||
|
||||
Om het de inlener mogelijk te maken zich een beeld te vormen van het betalingsgedrag van de uitlener met wie hij een contract wil sluiten, kan de uitlener zich tot de ontvanger wenden met het verzoek hem een verklaring inzake zijn betalingsgedrag te verstrekken. De uitlener kan de aan hem afgegeven verklaring tonen aan zijn wederpartij de inlener. Deze verklaring inzake het betalingsgedrag is geen beschikking in de zin van de Awb. Op de procedure met betrekking tot de afgifte van de verklaring alsmede op de inhoud ervan is het bepaalde in artikel 35, § 15, tweede, vierde tot en met elfde lid, en § 16 van deze leidraad van overeenkomstige toepassing. De door de ontvanger afgegeven verklaring heeft betrekking op de loonbelasting en omzetbelasting die bekend zijn op het moment van afgifte van de verklaring. De verklaring geeft geen garantie dat de materieel verschuldigde loonbelasting en omzetbelasting ten volle zijn voldaan en evenmin dat de uitlener de omzetbelasting, de loonbelasting en premies volksverzekeringen die hij na afgifte van de verklaring verschuldigd zal worden, zal voldoen. Als een onderdeel van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting optreedt als uitlener wordt de omzetbelasting niet in de af te geven verklaring betrokken. In dat geval is niet de feitelijke uitlener maar de fiscale eenheid voor de omzetbelasting de belastingschuldige.
|
||||
Om het de inlener mogelijk te maken zich een beeld te vormen van het betalingsgedrag van de uitlener met wie hij een contract wil sluiten, kan de uitlener zich tot de ontvanger wenden met het verzoek hem een verklaring inzake zijn betalingsgedrag te verstrekken. De uitlener kan de aan hem afgegeven verklaring tonen aan zijn wederpartij de inlener. Deze verklaring inzake het betalingsgedrag is geen beschikking in de zin van de Awb. Op de procedure met betrekking tot de afgifte van de verklaring alsmede op de inhoud ervan is het bepaalde in artikel 35, § 15, tweede, vierde tot en met elfde lid, en § 16 van deze leidraad van overeenkomstige toepassing. De door de ontvanger afgegeven verklaring heeft betrekking op de omzetbelasting, de loonbelasting en premies volksverzekeringen die bekend zijn op het moment van afgifte van de verklaring. De verklaring geeft geen garantie dat de materieel verschuldigde omzetbelasting, loonbelasting en premies volksverzekeringen ten volle zijn voldaan en evenmin dat de uitlener de omzetbelasting, de loonbelasting en premies volksverzekeringen die hij na afgifte van de verklaring verschuldigd zal worden, zal voldoen. Als een onderdeel van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting optreedt als uitlener wordt de omzetbelasting niet in de af te geven verklaring betrokken. In dat geval is niet de feitelijke uitlener maar de fiscale eenheid voor de omzetbelasting de belastingschuldige.
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 27 van de Wet op de loonbelasting 1964 is de werkgever verplicht om op het tijdstip waarop het loon aan de werknemer wordt uitbetaald de verschuldigde loonbelasting in te houden. De aansprakelijkheid voor de loonbelasting van de inlener ontstaat op datzelfde tijdstip en primair ook tot hetzelfde bedrag. Ten tijde van de aansprakelijkstelling dient te worden vastgesteld in hoeverre het bedrag van de aansprakelijkheid - zoals ontstaan ten tijde van de wettlelijke inhoudingsplicht - nog verschuldigd is. Daartoe wordt het bedrag van de (primaire) aansprakelijkheid verminderd met de betalingen door de werkgever/uitlener (op aangifte en/of op naheffingsaanslag), voorzover deze betalingen althans toegerekend kunnen worden aan de werknemer die de werkzaamheden heeft verricht. De toerekening van betalingen aan de "werknemer" kan bijvoorbeeld plaatsvinden aan de hand van de (loon)administratie van de werkgever/uitlener en/of aan de hand van de afdrachten/betalingen met betrekking tot de verschillende aangiftetijdvakken. Als afdrachten/betalingen ten tijde van de aansprakelijkstelling rederlijkerwijs niet kunnen worden toegerekend aan bepaalde werknemers, vindt een evenredige toedeling daarvan plaats aan alle werknemers die gedurende het heffingstijdvak in dienst zijn geweest van de uitlener. Het bedrag waarvoor de aansprakelijkheid - pro resto - bestaat, wordt verkregen door het bedrag van de primaire aansprakelijkheid te verminderen met de aan de werknemer toe te rekenen afdrachten en/of betalingen.
|
||||
Op grond van artikel 27 van de Wet op de loonbelasting 1964 is de werkgever verplicht om op het tijdstip waarop het loon aan de werknemer wordt uitbetaald de verschuldigde loonbelasting in te houden. De aansprakelijkheid voor de loonbelasting van de inlener ontstaat op datzelfde tijdstip en primair ook tot hetzelfde bedrag. Ten tijde van de aansprakelijkstelling dient te worden vastgesteld in hoeverre het bedrag van de aansprakelijkheid - zoals ontstaan ten tijde van de wettlelijke inhoudingsplicht - nog verschuldigd is. Daartoe wordt het bedrag van de (primaire) aansprakelijkheid verminderd met de betalingen door de werkgever/uitlener (op aangifte en/of op naheffingsaanslag), voorzover deze betalingen althans toegerekend kunnen worden aan de werknemer die de werkzaamheden heeft verricht. De toerekening van betalingen aan de "werknemer" kan bijvoorbeeld plaatsvinden aan de hand van de (loon)administratie van de werkgever/uitlener en/of aan de hand van de afdrachten/betalingen met betrekking tot de verschillende aangiftetijdvakken. Voor deze toerekening kan in voorkomend geval ook gebruik gemaakt worden van de administratie die de inlener op grond van artikel 16a, juncto artikel 10 CSV dient te voeren. Als afdrachten/betalingen ten tijde van de aansprakelijkstelling rederlijkerwijs niet kunnen worden toegerekend aan bepaalde werknemers, vindt een evenredige toedeling daarvan plaats aan alle werknemers die gedurende het heffingstijdvak in dienst zijn geweest van de uitlener. Het bedrag waarvoor de aansprakelijkheid - pro resto - bestaat, wordt verkregen door het bedrag van de primaire aansprakelijkheid te verminderen met de aan de werknemer toe te rekenen afdrachten en/of betalingen.
|
||||
|
||||
De inlener die zich niet met vrucht op disculpatie kan beroepen is in beginsel ten volle aansprakelijk voor de loonbelasting die verschuldigd is in verband met het verrichten van de werkzaamheden door de werknemer van de uitlener, ook als deze loonbelasting berekend is met toepassing van het anoniementarief. Een matiging van de primaire aansprakelijkheid dient evenwel te worden verleend als de inlener op deugdelijke wijze de identiteit van de werknemer kan aantonen en tevens gegevens overlegt aan de hand waarvan diens loon - terzake van de werkzaamheden - kan worden geïndividualiseerd. De inlener kan dit doen door een door hemzelf bijgehouden administratie te overleggen waarin de naam, adres, woonplaatsgegevens, de geboortedatum, het BSN/sofinummer van de werknemer, een specificatie van de gewerkte uren en een kopie van het identiteitsbewijs zijn opgenomen. In dat geval zal de ontvanger de hoogte van de aansprakelijkheid voor de betreffende inlener verlagen. Deze verlaging kan al plaatsvinden ten tijde van de aansprakelijkstelling maar ook in de bezwaar- of (hoger) beroepsfase en geschiedt aan de hand van de volgende herrekeningsregels. Het terzake van de werkzaamheden betaalde loon van de werknemer wordt gebruteerd met gebruikmaking van een marginaal percentage, welk percentage wordt verkregen door het gemiddelde van tweemaal het evenredig gemiddelde van de "geknipte" tarieven in de laagste tariefschijf en eenmaal het percentage van de middelste tariefschijf volgens artikel 20a, juncto artikel 27, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. Voornoemde berekeningsmethode is uitgewerkt in bijlage VIA bij deze leidraad. De belasting terzake van de werkzaamheden waarvoor de aansprakelijkheid bestaat, wordt vervolgens berekend met toepassing van hetzelfde (marginale) percentage. Vanwege het feit dat de matiging uitsluitend de betreffende inlener zelf aangaat en noch de positie van de inhoudingsplichtige noch die van andere voor de naheffingsaanslag aansprakelijken regardeert, wordt het voorgaande uitsluitend betrokken in de berekening als uiteengezet in het van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 35, § 11, eerste lid, en niet in de berekening als bedoeld in artikel 34, § 5, eerste lid, van deze leidraad.
|
||||
De inlener die zich niet met vrucht op disculpatie kan beroepen is in beginsel ten volle aansprakelijk voor de loonbelasting die verschuldigd is in verband met het verrichten van de werkzaamheden door de werknemer van de uitlener, ook als deze loonbelasting berekend is met toepassing van het anoniementarief. Een matiging van de primaire aansprakelijkheid dient evenwel te worden verleend als de inlener op deugdelijke wijze de identiteit van de werknemer kan aantonen en tevens gegevens overlegt aan de hand waarvan diens loon - terzake van de werkzaamheden - kan worden geïndividualiseerd. De inlener kan dit doen door een door hemzelf bijgehouden administratie te overleggen waarin de naam, adres, woonplaatsgegevens, de geboortedatum, het sofi-nummer van de werknemer, een specificatie van de gewerkte uren en een kopie van het identiteitsbewijs zijn opgenomen. In dat geval zal de ontvanger de hoogte van de aansprakelijkheid voor de betreffende inlener verlagen. Deze verlaging kan al plaatsvinden ten tijde van de aansprakelijkstelling maar ook in de bezwaar- of (hoger) beroepsfase en geschiedt aan de hand van de volgende herrekeningsregels. Het terzake van de werkzaamheden betaalde loon van de werknemer wordt gebruteerd met gebruikmaking van een marginaal percentage, welk percentage wordt verkregen door het gemiddelde van tweemaal het evenredig gemiddelde van de "geknipte" tarieven in de laagste tariefschijf en eenmaal het percentage van de middelste tariefschijf volgens artikel 20a, juncto artikel 27, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. Voornoemde berekeningsmethode is uitgewerkt in bijlage VIA bij deze leidraad. De belasting terzake van de werkzaamheden waarvoor de aansprakelijkheid bestaat, wordt vervolgens berekend met toepassing van hetzelfde (marginale) percentage. Vanwege het feit dat de matiging uitsluitend de betreffende inlener zelf aangaat en noch de positie van de inhoudingsplichtige noch die van andere voor de naheffingsaanslag aansprakelijken regardeert, wordt het voorgaande uitsluitend betrokken in de berekening als uiteengezet in het van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 35, § 11, eerste lid, en niet in de berekening als bedoeld in artikel 34, § 5, eerste lid, van deze leidraad.
|
||||
|
||||
Deze "tariefmatiging", die overigens niet van invloed is op de hoogte van de naheffingsaanslag, vindt niet plaats en beperking van de hoogte van de aansprakelijkheid blijft mitsdien achterwege als de inlener wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de uitlener met anoniem (zwart) personeel werkte.
|
||||
|
||||
In het geval er voordat tot aansprakelijkstelling wordt overgegaan, door de ontvanger ten laste van de uitlener derdenbeslag wordt gelegd onder de aansprakelijke inlener, is de inlener ingevolge het bepaalde bij artikel 476a e.v. Rv verplicht verklaring te doen van hetgeen hij onder zich heeft en de door het beslag getroffen geldsom aan de ontvanger af te dragen. Bij een daarop volgende aansprakelijkstelling van de inlener, zal de ontvanger het uit hoofde van het eerdere derdenbeslag verhaalde bedrag op het bedrag van de aansprakelijkstelling in mindering brengen indien blijkt dan zowel het door het derdenbeslag getroffen bedrag - ongeacht op welke belastingschuld dit bedrag is afgeboekt - als de aansprakelijkheidsvordering van de ontvanger beide betrekking hebben op dezelfde rechtsverhouding (de overeenkomst van inlening) tussen de inlener en de uitlener. De hierbedoelde vermindering wordt betrokken in de berekening als uiteengezet in het van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 35, § 11, eerste lid, en niet in de berekening als bedoeld in artikel 34, § 5, eerste lid, van deze leidraad. Indien de aansprakelijke inlener onder wie derdenbeslag is gelegd zich, in verband met het voorgaande, in zijn op grond van artikel 476a Rv af te leggen verklaring beroept op verrekening ter verzekering van zijn (voorwaardelijke) regresvordering op de uitlener, verklaart de ontvanger schriftelijk dat hij de inlener niet aansprakelijk zal houden voor het beloop van de in totaal ingevolge het derdenbeslag af te dragen geldsommen.
|
||||
In het geval er voordat tot aansprakelijkstelling wordt overgegaan, door de ontvanger ten laste van de uitlener derdenbeslag wordt gelegd onder de aansprakelijke inlener, is de inlener ingevolge het bepaalde bij artikel 476a e.v. Rv verplicht verklaring te doen van hetgeen hij onder zich heeft en de door het beslag getroffen geldsom aan de ontvanger af te dragen. Bij een daarop volgende aansprakelijkstelling van de inlener, zal de ontvanger het uit hoofde van het eerdere derdenbeslag verhaalde bedrag op het bedrag van de aansprakelijkstelling in mindering brengen indien blijkt dan zowel het door het derdenbeslag getroffen bedrag - ongeacht op welke belastingschuld dit bedrag is afgeboekt - als de aansprakelijkheidsvordering van de ontvanger beide betrekking hebben op dezelfde rechtsverhouding (de overeenkomst van inlening) tussen de inlener en de uitlener. De hierbedoelde vermindering wordt betrokken in de berekening als uiteengezet in het van overeenkomstige toepassing verklaarde artikel 35, § 11, eerste lid, en niet in de berekening als bedoeld in artikel 34, § 5, eerste lid, van deze leidraad. Indien de aansprakelijke inlener onder wie derdenbeslag is gelegd zich, in verband met het voorgaande, in zijn op grond van artikel 476a Rv af te leggen verklaring beroept op verrekening ter verzekering van zijn (voorwaardelijke) regresvordering op de uitlener, verklaart de ontvanger schriftelijk dat hij de inlener niet aansprakelijk zal houden voor het beloop van de in totaal ingevolge het derdenbeslag af te dragen geldsommen. In het geval de aansprakelijkheid van de inlener zich mede uitstrekt tot de door het Uitvoeringsinstituut geheven verzekeringspremies, treedt de ontvanger in overleg met het Uitvoeringsinstituut teneinde de hiervoor bedoelde schriftelijke verklaring mede te kunnen doen namens het Uitvoeringsinstituut.
|
||||
|
||||
Vervallen.
|
||||
Ingevolge het bepaalde in artikel 9 van de Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004 kan de inlener aansprakelijk worden gesteld voor ten hoogste het verschil tussen het gezamenlijke bedrag aan loonbelasting, omzetbelasting en sociale verzekeringspremies waarvoor in eerste aanleg aansprakelijkheid is ontstaan (namelijk uit de wet en zonder rekening te houden met vervolgens in verband daarmee verrichtte betalingen door de uitlener) en het gezamenlijke bedrag van de terzake door de inlener op de g-rekening van de uitlener gestorte bedragen. Het gezamenlijke bedrag van de aansprakelijkstellingen door de ontvanger en het Uitvoeringsinstituut mag niet uitgaan boven het in de vorige zin bedoelde verschil. Dit betekent dat de ontvanger in de praktijk, in de fase van voorbereiding van de aansprakelijkstelling, intensief overleg zal moeten voeren met de betreffende uitvoeringsinstelling. In dit overleg zal over en weer moeten worden uitgewisseld tot welke bedragen de aansprakelijkheid voor de loon- en omzetbelasting enerzijds en voor de sociale verzekeringspremies anderzijds in eerste aanleg is ontstaan. Ook zal moeten worden afgesproken of en tot welk beloop beide partijen daadwerkelijk tot aansprakelijkstelling wensen over te gaan.
|
||||
|
||||
Terzake van een bepaalde prestatie wordt de verschuldigdheid in eerste aanleg als volgt berekend:
|
||||
|
||||
De ontvanger kan de inlener voor de loon- en omzetbelasting ten hoogste aansprakelijk stellen voor € 750 - € 380 € 370 (het gezamenlijke bedrag waarvoor in eerste aanleg aansprakelijkheid is ontstaan -let wel: terzake van de verschuldigde de loon- en omzetbelasting èn van de sociale verzekeringspremies- minus de g-betaling, maar niet meer dan de eigen vordering voorzover die onbetaald is gebleven). De uitvoeringsinstelling kan de inlener voor de sociale verzekeringspremies ten hoogste aansprakelijk stellen voor € 200 (het gezamenlijke bedrag waarvoor in eerste aanleg aansprakelijkheid is ontstaan -dus weer van de sociale verzekeringspremies èn van de loon- en omzetbelasting tezamen- minus de g-betaling, maar niet meer dan de eigen vordering voorzover die onbetaald is gebleven). Het gezamenlijke bedrag van de aansprakelijkstelling door de ontvanger en door de uitvoeringsinstelling kan echter niet meer belopen dan € 370 (het gezamenlijke bedrag waarvoor in eerste aanleg aansprakelijkheid is ontstaan minus de g-betaling). In goed overleg zal hier moeten worden besloten wie tot welke bedragen aansprakelijk stelt, waarbij het overigens voor de hand ligt overeen te komen dat de aansprakelijkstellingen zullen worden vastgesteld naar rato van ieders vordering, voorzover die althans onbetaald is gebleven, i.c.: de ontvanger 550/750 x € 370 = € 271 en de uitvoeringsinstelling 200/750 x € 370 = € 99.
|
||||
|
||||
### Artikel 35
|
||||
|
||||
In dit artikel is de regeling opgenomen die bekend staat als de ketenaansprakelijkheid. Deze regeling heeft tot doel de malafide onderaanneming te bestrijden door middel van een hoofdelijke aansprakelijkheid van de aannemer van een werk voor de loonbelasting en omzetbelasting die zijn onderaannemer in verband met het aan hem uitbestede werk verschuldigd is en voorts, als dat werk geheel of gedeeltelijk door volgende onderaannemers is uitgevoerd, ook voor de loonbelasting van die onderaannemers. Omdat iedere onderaannemer zelf ook hoofdelijk aansprakelijk is voor de loonbelasting van de onderaannemer, waarmee hij op zijn beurt heeft gecontracteerd, en van eventuele volgende onderaannemers, ontstaat een keten van aansprakelijke aannemers die bij een bepaald werk betrokken zijn. Voor de toepassing van de in artikel 35 van de wet omschreven begrippen en daarmee van de aansprakelijkheidsregeling, is niet van doorslaggevend belang hoe partijen een gegeven opdracht hebben benoemd, maar wat de werkelijke aard, inhoud en uitvoering van de tussen hen gesloten overeenkomst is.
|
||||
In dit artikel is de regeling opgenomen die bekend staat als de ketenaansprakelijkheid. Deze regeling heeft tot doel de malafide onderaanneming te bestrijden door middel van een hoofdelijke aansprakelijkheid van de aannemer van een werk voor de loonbelasting en de premies volksverzekeringen die zijn onderaannemer in verband met het aan hem uitbestede werk verschuldigd is en voorts, als dat werk geheel of gedeeltelijk door volgende onderaannemers is uitgevoerd, ook voor de loonbelasting en premies van die onderaannemers. Omdat iedere onderaannemer zelf ook hoofdelijk aansprakelijk is voor de loonbelasting en premies van de onderaannemer, waarmee hij op zijn beurt heeft gecontracteerd, en van eventuele volgende onderaannemers, ontstaat een keten van aansprakelijke aannemers die bij een bepaald werk betrokken zijn. In de artikelen 16b, 16ba en 16bb van de CSV is de ketenaansprakelijkheid geregeld voor de premies werknemersverzekeringen. Voor de toepassing van de in artikel 35 van de wet omschreven begrippen en daarmee van de aansprakelijkheidsregeling, is niet van doorslaggevend belang hoe partijen een gegeven opdracht hebben benoemd, maar wat de werkelijke aard, inhoud en uitvoering van de tussen hen gesloten overeenkomst is.
|
||||
|
||||
De mogelijkheid bestaat dat de onderaannemer het werk niet door zijn eigen werknemers laat uitvoeren, maar door arbeidskrachten die hem door een ander ter beschikking zijn gesteld. Onder bepaalde voorwaarden is de onderaannemer (inlener) dan op grond van artikel 34 van de wet aansprakelijk voor de loon- en omzetbelasting, die degene die zijn werknemers ter beschikking heeft gesteld, verschuldigd is. Op zijn beurt is de aannemer op grond van artikel 35, eerste lid, onderdeel b, van de wet hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting voor de betaling waarvan de onderaannemer (inlener) aansprakelijk is op grond van artikel 34 (zie het voorbeeld in artikel 34, § 1, eerste lid, van deze leidraad). De aannemer is echter niet aansprakelijk voor de door de uitlener verschuldigde omzetbelasting.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2711,7 +2664,7 @@ Ook in de confectiesector kan sprake zijn van eigenbouwerschap. Daarbij is het n
|
|||
|
||||
Voorbeeld: het winkelbedrijf/opdrachtgever dat zelf modellen ontwerpt, de patronen vervaardigt, de te gebruiken stoffen aanlevert of specificeert en daarnaast op grond van de voorwaarden van de met het confectiebedrijf gesloten overeenkomst bevoegd is om toezicht uit te oefenen op het produktieproces, is in elk geval eigenbouwer in de zin van de wet. Als het winkelbedrijf in de hoedanigheid van opdrachtgever aansprakelijk kan worden gesteld (zie artikel 35a, § 3, eerste lid) blijft een aansprakelijkstelling op grond van het zogenoemde eigenbouwerschap ex artikel 35, derde lid, onderdeel b, van de wet achterwege. Het vorenstaande laat onverlet dat aansprakelijkstellingen van winkelbedrijven die vóór de inwerkingtreding van het wetsvoorstel 'Opdrachtgeversaansprakelijkheid in de confectiesector' aansprakelijk zijn gesteld op grond van het eigenbouwerschap, in stand blijven.
|
||||
|
||||
Als een onderaannemer het werk in het buitenland uitvoert en over het loon van zijn werknemers in Nederland loonbelasting verschuldigd is, is artikel 35 van de wet niet van toepassing op de buitenlandse aannemer.
|
||||
Als een onderaannemer het werk in het buitenland uitvoert en over het loon van zijn werknemers in Nederland loonbelasting en premies volksverzekeringen verschuldigd is, is artikel 35 van de wet niet van toepassing op de buitenlandse aannemer.
|
||||
|
||||
In artikel 35, derde lid, onderdeel c, van de wet wordt de verkoper van een toekomstige zaak ten opzichte van de aannemer - onder wie ook de op grond van de onderdelen a en b met een aannemer gelijkgestelde personen worden verstaan - als onderaannemer beschouwd, dit voorzover de koop en verkoop verband houden met het aangenomen werk.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2738,7 +2691,7 @@ Of van ondergeschiktheid sprake is, wordt van geval tot geval bezien. Veelal zal
|
|||
|
||||
De eerste onderaannemer(/verkoper) is daarentegen wel aansprakelijk voor de belasting, die de tweede onderaannemer terzake van die werkzaamheden verschuldigd is. Bij de onderaannemer(/verkoper) kan terzake van die werkzaamheden dus een (nieuwe) keten van aansprakelijke personen ontstaan.
|
||||
|
||||
Op grond van het bepaalde in artikel 35, vijfde lid, van de wet, verkrijgt de aannemer, ten belope van het bedrag dat hij stort op de g-rekening van de onderaannemer vrijwaring van zijn aansprakelijkheid voor de loonbelasting. Deze vrijwaring geldt in beginsel ongeacht of de g-betaling de ontvanger daadwerkelijk bereikt. De vrijwaring geldt echter niet indien de aannemer wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de onderaannemer in gebreke zou blijven het op de g-rekening gestorte bedrag aan te wenden voor de betaling van loonbelasting. Met dit laatste wordt voorkomen dat bijvoorbeeld bij samenspanning tussen de aannemer en de onderaannemer het enkele feit dat betrokkene op een g-rekening stort al tot vrijwaring leidt.
|
||||
Op grond van het bepaalde in artikel 35, vijfde lid, van de wet, verkrijgt de aannemer, ten belope van het bedrag dat hij stort op de g-rekening van de onderaannemer vrijwaring van zijn aansprakelijkheid voor de loonbelasting en de sociale verzekeringspremies. Deze vrijwaring geldt in beginsel ongeacht of de g-betaling de ontvanger of het Uitvoeringsinstituut daadwerkelijk bereikt. De vrijwaring geldt echter niet indien de aannemer wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de onderaannemer in gebreke zou blijven het op de g-rekening gestorte bedrag aan te wenden voor de betaling van loonbelasting of sociale verzekeringspremies. Met dit laatste wordt voorkomen dat bijvoorbeeld bij samenspanning tussen de aannemer en de onderaannemer het enkele feit dat betrokkene op een g-rekening stort al tot vrijwaring leidt.
|
||||
|
||||
In § 3, hiervoor, is aangegeven dat bij de berekening en vaststelling van het bedrag waarvoor de aannemer aansprakelijk is in eerste instantie geen rekening wordt gehouden met de vrijwarende betalingen door de aannemer op de g-rekening van de onderaannemer. Na de vaststelling van het bedrag waarvoor de aansprakelijkheid geldt als bedoeld in § 3 brengt de ontvanger de vrijwarende betalingen op de g-rekening in mindering op het in eerste aanleg verschuldigd geworden bedrag aan aansprakelijkheidsschuld. Voor de toepassing van de in artikel 35, vijfde lid, van de wet bedoelde wettelijke vrijwaring moet tevens zijn voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 6 van de Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2746,19 +2699,19 @@ Als de aannemer niet heeft voldaan aan de hiervoor genoemde voorwaarden voor een
|
|||
|
||||
De aannemer kan ook aansprakelijk worden gesteld voor bedragen die vanaf de datum van het faillissement van de onderaannemer op diens g-rekening zijn bijgeschreven aangezien op die bedragen geen pandrecht meer wordt gevestigd zodat de ontvanger daarop geen bijzondere aanspraken meer kan doen gelden. Het vorenstaande geldt ook met betrekking tot bedragen die op de g-rekening zijn bijgeschreven vanaf de datum van de uitspraak tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Mede in verband met de afwikkeling van de wettelijke schuldsaneringsregeling of het faillissement door de bewindvoerder onderscheidenlijk door de curator, vinden eventuele aansprakelijkstellingen door de ontvanger zo spoedig mogelijk na de datum waarop de wettelijke schuldsanering of het faillissement is uitgesproken plaats.
|
||||
|
||||
De ontvanger kan zich beroepen op toerekenbare tekortkoming (wanprestatie) door de storter van g-geld als deze bedragen heeft overgeboekt in strijd met de g-rekeningovereenkomst (bijvoorbeeld omdat aan de storting geen aanneming van het werk ten grondslag lag) waardoor het pandrecht van de fiscus is gefrustreerd. De g-rekeninghouder die deze bedragen op zijn g-rekening ontvangt begaat een toerekenbare tekortkoming (wanprestatie) als hij deze bedragen niet onmiddellijk terugstort op de g-rekening van de storter.
|
||||
De ontvanger kan zich beroepen op toerekenbare tekortkoming (wanprestatie) door de storter van g-geld als deze bedragen heeft overgeboekt in strijd met de g-rekeningovereenkomst (bijvoorbeeld omdat aan de storting geen aanneming van het werk ten grondslag lag) waardoor het pandrecht van de fiscus en het Uitvoeringsinstituut is gefrustreerd. De g-rekeninghouder die deze bedragen op zijn g-rekening ontvangt begaat een toerekenbare tekortkoming (wanprestatie) als hij deze bedragen niet onmiddellijk terugstort op de g-rekening van de storter.
|
||||
|
||||
Een beroep op onrechtmatig handelen behoort eveneens tot de mogelijkheden. Dit betekent dat de ontvanger in voorkomend geval moet bewijzen dat gehandeld is in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt en dat hij schade heeft geleden.
|
||||
|
||||
Van strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt, zal al sprake zijn door het enkele storten/ontvangen van g-geld op de g-rekening terwijl de storter/ontvanger van het g-geld wist dat er geen sprake was van aanneming van werk en niet heeft teruggestort. De ontvanger van het g-geld handelt vervolgens onrechtmatig wanneer hij het ontvangen geld zonder meer behoudt. De schade voor de ontvanger bestaat uit de niet op de g-rekening verhaalbare loonbelasting zoals die ten tijde van de onttrekking verschuldigd is en/of later verschuldigd wordt, één en ander tot ten hoogste het onttrokken bedrag.
|
||||
|
||||
In het geval van faillissement van de g-rekeninghouder geeft de ontvanger daarvan schriftelijk kennis aan het hoofd van de B/CA. Het verzoek tot uitwinning vindt zo spoedig mogelijk plaats. De B/CA neemt vervolgens de verdere uitwinning namens deze ontvanger ter hand. In voorkomende gevallen zal de B/CA het saldo van de rekening op de faillissementsdatum nagaan en tevens het totaalbedrag van de bijschrijvingen na de faillissementsdatum overmaken aan de curator ten gunste van de boedel. De B/CA zendt de ontvanger een bericht over de uitwinning. Het vorenstaande is van overeenkomstige toepassing in het geval ten aanzien van de g-rekeninghouder de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken, waarbij voor "faillissementsdatum" dient te worden gelezen: de datum waarop de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken.
|
||||
In het geval van faillissement van de g-rekeninghouder geeft de ontvanger daarvan schriftelijk kennis aan het hoofd van de B/CA. Het verzoek tot uitwinning vindt zo spoedig mogelijk plaats. De B/CA neemt vervolgens de verdere uitwinning namens deze ontvanger ter hand. In voorkomende gevallen zal de B/CA het saldo van de rekening op de faillissementsdatum nagaan en tevens het totaalbedrag van de bijschrijvingen na de faillissementsdatum overmaken aan de curator ten gunste van de boedel. De B/CA zal het saldo van de g-rekening met inachtneming van het bovenstaande ponds-pondsgewijze verdelen tussen het Uitvoeringsinstituut en de fiscus. De B/CA zendt de ontvanger een bericht over de uitwinning. Het vorenstaande is van overeenkomstige toepassing in het geval ten aanzien van de g-rekeninghouder de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken, waarbij voor "faillissementsdatum" dient te worden gelezen: de datum waarop de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken.
|
||||
|
||||
Zodra de ontvanger bekend is met een surséanceverlening, verzoekt hij de bewindvoerder schriftelijk of hij, binnen een door de ontvanger te stellen termijn, schriftelijk wil instemmen met de vestiging van een pandrecht op de saldi op de g-rekening die ontstaan vanaf de datum van surséanceverlening. Indien de bewindvoerder instemming weigert, zegt de ontvanger de g-rekening onmiddellijk op.
|
||||
|
||||
Als het saldo van een g-rekening hoger is dan de belastingschuld voor de werken waarvoor gelden op de desbetreffende g-rekening zijn gestort kan de onderaannemer een verzoek doen om de g-rekening tot het verschil van deze bedragen te deblokkeren.
|
||||
Als het saldo van een g-rekening hoger is dan de belasting- en premieschuld voor de werken waarvoor gelden op de desbetreffende g-rekening zijn gestort kan de onderaannemer een verzoek doen om de g-rekening tot het verschil van deze bedragen te deblokkeren.
|
||||
|
||||
Voor deblokkering is toestemming van de ontvanger vereist. De ontvanger deelt de B/CA schriftelijk mee of het ter beschikking komende bedrag geheel of gedeeltelijk moet worden ingehouden ter verrekening met openstaande belastingschuld. De B/CA draagt zorg voor uitbetaling aan de onderaannemer.
|
||||
Voor deblokkering is toestemming van de ontvanger en het Uitvoeringsinstituut vereist. De ontvanger deelt de B/CA schriftelijk mee of het ter beschikking komende bedrag geheel of gedeeltelijk moet worden ingehouden ter verrekening met openstaande belastingschuld. De B/CA draagt zorg voor overmaking aan het Uitvoeringsinstituut en/of uitbetaling aan de onderaannemer.
|
||||
|
||||
Als de aannemer ten behoeve van zijn onderaannemer de terzake van het werk verschuldigde loonbelasting rechtstreeks heeft gestort bij de B/CA, strekt deze betaling tot vermindering van de primaire aansprakelijkheid (zoals aanvankelijk, namelijk ten tijde van de loonbelasting, belopen uit de wet) mits de betaling voldoende gespecificeerd is. De betaling is in elk geval voldoende gespecificeerd als daarbij naast de gegevens van de onderaannemer, diens loonbelastingnummer, de benaming van het werk en de periode waarin het werk is verricht zijn vermeld. De rechtstreekse stortingen worden betrokken in de vergelijking als bedoeld aan het slot van het eerste lid van deze paragraaf.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2768,7 +2721,7 @@ In het geval er voordat tot aansprakelijkstelling wordt overgegaan, door de ontv
|
|||
|
||||
Bij een daarop volgende aansprakelijkstelling van de aannemer, zal de ontvanger het uit hoofde van het eerdere derdenbeslag verhaalde bedrag op het bedrag van de aansprakelijkstelling in mindering brengen indien blijkt dat zowel het door het derdenbeslag getroffen bedrag - ongeacht op welke belastingschuld dit bedrag is afgeboekt - als de aansprakelijkheidsvordering van de ontvanger beide betrekking hebben op dezelfde rechtsverhouding (de overeenkomst van aanneming van werk) tussen de aannemer en de onderaannemer.
|
||||
|
||||
De hierbedoelde vermindering wordt betrokken in de berekening als uiteengezet in artikel 35, § 11, eerste lid, van deze leidraad en dus niet als zodanig in de berekening als bedoeld in artikel 35, § 3, eerste lid, van deze leidraad. Indien de aansprakelijke aannemer onder wie derdenbeslag is gelegd zich, in verband met het voorgaande, in zijn op grond van artikel 476a Rv af te leggen verklaring beroept op verrekening ter verzekering van zijn (voorwaardelijke) regresvordering op de onderaannemer, verklaart de ontvanger schriftelijk dat hij de aannemer niet aansprakelijk zal houden voor het beloop van de in totaal ingevolge het derdenbeslag af te dragen geldsommen.
|
||||
De hierbedoelde vermindering wordt betrokken in de berekening als uiteengezet in artikel 35, § 11, eerste lid, van deze leidraad en dus niet als zodanig in de berekening als bedoeld in artikel 35, § 3, eerste lid, van deze leidraad. Indien de aansprakelijke aannemer onder wie derdenbeslag is gelegd zich, in verband met het voorgaande, in zijn op grond van artikel 476a Rv af te leggen verklaring beroept op verrekening ter verzekering van zijn (voorwaardelijke) regresvordering op de onderaannemer, verklaart de ontvanger schriftelijk dat hij de aannemer niet aansprakelijk zal houden voor het beloop van de in totaal ingevolge het derdenbeslag af te dragen geldsommen. In het geval de aansprakelijkheid van de aannemer zich mede uitstrekt tot de door het Uitvoeringsinstituut geheven verzekeringspremies, treedt de ontvanger in overleg met het Uitvoeringsinstituut teneinde de hiervoor bedoelde schriftelijke verklaring mede te kunnen doen namens het Uitvoeringsinstituut.
|
||||
|
||||
De aansprakelijkheid op grond van artikel 35, eerste lid, van de wet geldt niet met betrekking tot de belasting verschuldigd door een onderaannemer, als aannemelijk is dat de niet-betaling noch aan hem, noch aan een aannemer te wijten is. Als de niet-betaling kan worden verweten aan één onderaannemer of aannemer in de keten, is elke aannemer in de keten in beginsel aansprakelijk. Wat de niet-verwijtbaarheid betreft wordt in zijn algemeenheid naar redelijkheid en billijkheid beoordeeld of sprake is van niet-verwijtbaarheid. Daarbij hangt veel af van de feitelijke omstandigheden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2778,27 +2731,29 @@ Ook kan zich voordoen dat plotseling betalingsonmacht ontstaat door een bijzonde
|
|||
|
||||
De volgende omstandigheden kunnen worden genoemd waarin een beroep op niet-verwijtbaarheid, zonder dat nader een gegronde oorzaak kan worden aangetoond, in het algemeen moet falen:
|
||||
|
||||
- De onderaannemer heeft geen of onvoldoende (loon- )administratie, zodat niet getoetst kan worden hoeveel aan loonbelasting verschuldigd is.
|
||||
- De onderaannemer heeft geen of onvoldoende (loon- )administratie, zodat niet getoetst kan worden hoeveel aan belasting en premies verschuldigd is.
|
||||
- De onderaannemer heeft medewerkers in dienst die niet in de loonadministratie zijn opgenomen.
|
||||
- De onderaannemer betaalt hogere lonen dan zijn administratie aangeeft.
|
||||
- De onderaannemer betaalt onverantwoord hoge netto-lonen uit.
|
||||
- De onderaannemer komt zijn wettelijke verplichtingen als inhoudingsplichtige niet na, zoals het opmaken van loonstaten en het doen van aangifte van de verschuldigde loonbelasting over verstreken tijdvakken.
|
||||
- De onderaannemer heeft de verschuldigde loonbelasting niet betaald hoewel het saldo op zijn geblokkeerde rekening daartoe toereikend was.
|
||||
- De onderaannemer komt zijn wettelijke verplichtingen als inhoudingsplichtige niet na, zoals het opmaken van loonstaten en het doen van aangifte van de verschuldigde loonbelasting en premies over verstreken tijdvakken.
|
||||
- De onderaannemer heeft de verschuldigde loonbelasting en premies niet betaald hoewel het saldo op zijn geblokkeerde rekening daartoe toereikend was.
|
||||
- De onderaannemer is zijn wettelijke verplichtingen ter bescherming van crediteuren niet nagekomen, zoals de inschrijving in het handelsregister overeenkomstig de feitelijke situatie en de voorgeschreven minimale storting op het geplaatste aandelenkapitaal.
|
||||
- De onderaannemer heeft financiële verplichtingen aangegaan zonder dat zijn liquiditeitspositie dit rechtvaardigt.
|
||||
- De onderaannemer heeft werk aangenomen tegen zodanig lage prijs dat de ruimte ontbreekt zijn betalingsverplichtingen onverkort na te komen.
|
||||
- De aannemer heeft geen of onvoldoende administratie aan de hand waarvan het bedrag aan loon, dat in de door de aannemer te betalen prijs voor de uitvoering van een werk door een onderaannemer is begrepen, kan worden vastgesteld.
|
||||
- De aannemer heeft overeenkomsten van onderaanneming gesloten met onderaannemers van wie hij wist of kon weten dat zij hun betalingsverplichtingen aan de Belastingdienst niet of slechts ten dele nakomen.
|
||||
- De aannemer heeft overeenkomsten van onderaanneming gesloten met onderaannemers van wie hij wist of kon weten dat zij hun betalingsverplichtingen aan fiscus en het Uitvoeringsinstituut niet of slechts ten dele nakomen.
|
||||
|
||||
Ingeval de werknemer zijn naam, adres of woonplaats niet aan zijn werkgever heeft verstrekt dan wel de identiteit van de werknemer niet is vastgesteld overeenkomstig artikel 28, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964, en ingeval de werknemer terzake onjuiste gegevens heeft verstrekt en de werkgever (inhoudingsplichtige) dit weet of redelijkerwijs moet weten, bedraagt de belasting op grond van het bepaalde in artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964 52% van het loon (anoniementarief). De aannemer is voor de met toepassing van het anoniementarief berekende en door zijn onderaannemer terzake van het werk verschuldigde loonbelasting aansprakelijk.
|
||||
|
||||
Een matiging is echter op zijn plaats als de aansprakelijke aannemer op deugdelijke wijze de identiteit van de werknemer kan aantonen en tevens gegevens overlegt aan de hand waarvan diens loon - terzake van het werk - kan worden geïndividualiseerd. De aannemer kan dit doen door een door hemzelf bijgehouden administratie te overleggen waarin de naam-, adres- en woonplaatsgegevens, de geboortedatum, het BSN/sofinummer van de werknemer, een specificatie van de gewerkte uren en een kopie van het identiteitsbewijs zijn opgenomen.
|
||||
Een matiging is echter op zijn plaats als de aansprakelijke aannemer op deugdelijke wijze de identiteit van de werknemer kan aantonen en tevens gegevens overlegt aan de hand waarvan diens loon - terzake van het werk - kan worden geïndividualiseerd. De aannemer kan dit doen door een door hemzelf bijgehouden administratie te overleggen waarin de naam-, adres- en woonplaatsgegevens, de geboortedatum, het sofi-nummer van de werknemer, een specificatie van de gewerkte uren en een kopie van het identiteitsbewijs zijn opgenomen.
|
||||
|
||||
In het laatste geval zal de ontvanger de hoogte van de aansprakelijkheid voor de betreffende aannemer verlagen aan de hand van de hierna gegeven herrekeningsregels. Deze matiging van de hoogte van de aansprakelijkheid kan plaatsvinden hetzij ten tijde van de aansprakelijkstelling hetzij naar aanleiding van een tegen de aansprakelijkstelling ingediend bezwaarschrift als bedoeld in artikel 49, derde lid, van de wet en is overigens niet van invloed op de hoogte en de verschuldigdheid van de naheffingsaanslag zelf. De herrekening vindt plaats door het loon terzake van het werk te bruteren tegen een marginaal percentage dat wordt verkregen door het gemiddelde van tweemaal het evenredig gemiddelde van de "geknipte" tarieven in de laagste tariefschijf en eenmaal het percentage van de middelste tariefschijf volgens artikel 20a, juncto artikel 27, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. Voornoemde berekeningsmethode is uitgewerkt in bijlage VIA. De belasting terzake van het werk waarvoor de aansprakelijkheid bestaat wordt vervolgens berekend met toepassing van hetzelfde (marginale) percentage. Vanwege het feit dat de matiging uitsluitend de betreffende aannemer zelf aangaat en noch de positie van de inhoudingsplichtige noch die van andere voor de naheffingsaanslag aansprakelijken regardeert, wordt het voorgaande uitsluitend betrokken in de berekening als uiteengezet in artikel 35, § 11, eerste lid, en dus niet in de berekening als bedoeld in artikel 35, § 3, eerste lid, van deze leidraad. Deze "tariefmatiging" vindt niet plaats en beperking van de hoogte van de aansprakelijkheid blijft mitsdien achterwege als de aannemer wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de onderaannemer met anoniem (zwart) personeel werkte.
|
||||
|
||||
De aannemer is ook aansprakelijk voor de loonbelasting die verschuldigd is als gevolg van een latere brutering. Een latere brutering kan zich bijvoorbeeld voordoen als blijkt dat de onderaannemer de nageheven loonbelasting niet op zijn werknemer(s) heeft verhaald en dus voor eigen rekening neemt. De loonbelasting die als gevolg van dit "voor eigen rekening nemen" verschuldigd is, wordt aangemerkt als "belasting terzake van het werk".
|
||||
|
||||
Vervallen.
|
||||
Over het onderzoek dat ter voorbereiding van aansprakelijkstelling dient te worden ingesteld vindt in daartoe aanleiding gevende gevallen overleg plaats met het Uitvoeringsinstituut.
|
||||
|
||||
Als tot aansprakelijkstelling wordt overgegaan, overlegt de ontvanger met het Uitvoeringsinstituut over het tijdstip, de volgorde en de grondslagen van de aansprakelijkstelling.
|
||||
|
||||
Tot invordering ten laste van een hoofdelijk aansprakelijke aannemer wordt in het algemeen pas overgegaan nadat is komen vast te staan dat en in hoeverre invordering ten laste van de belastingschuldige zelf (bijvoorbeeld door uitwinning van diens g-rekening) geen of onvoldoende kans van slagen biedt. Aansprakelijkstelling kan overigens al plaatsvinden vanaf het tijdstip dat de belastingschuldige in gebreke is met de betaling van zijn belastingschuld. Hierbij wordt de onderstaande volgorde in acht genomen:
|
||||
|
||||
|
|
@ -2812,22 +2767,22 @@ Om het de aannemer mogelijk te maken zich een beeld te vormen van het betalingsg
|
|||
|
||||
Een verzoek om afgifte van een verklaring inzake nakoming van fiscale verplichtingen moet worden ingediend bij de ontvanger waaronder de onderaannemer ressorteert
|
||||
|
||||
De verklaring die de ontvanger afgeeft heeft alleen betrekking op de formeel verschuldigde loonbelasting. De verklaring geeft geen garantie dat de materieel verschuldigde loonbelasting ten volle is voldaan en geeft evenmin de garantie dat de onderaannemer de loonbelasting die hij na afgifte van de verklaring verschuldigd zal worden, zal voldoen.
|
||||
De door de ontvanger afgegeven verklaring heeft alleen betrekking op de loonbelasting en premies volksverzekeringen die bekend zijn op het moment van afgifte van de verklaring. De verklaring geeft geen garantie dat de materieel verschuldigde loonbelasting en premies volksverzekeringen ten volle zijn voldaan en evenmin dat de onderaannemer de loonbelasting en premies volksverzekeringen die hij na afgifte van de verklaring verschuldigd zal worden, zal voldoen.
|
||||
|
||||
De ontvanger meldt in de verklaring dat aan de inhoud ervan geen vrijwaring kan worden ontleend ten aanzien van de aansprakelijkheid op grond van artikel 35 van de wet en dat de Belastingdienst niet aansprakelijk kan worden gesteld voor enig nadeel van welke aard dan ook dat eventueel voortvloeit uit het gebruik van de verklaring.
|
||||
|
||||
De verklaring kan afhankelijk van de situatie het volgende inhouden:
|
||||
|
||||
a. de volgens aangifte verschuldigde loonbelasting alsmede de nageheven loonbelasting zijn voldaan (zogenaamde "schone verklaring");
|
||||
b. de volgens aangifte verschuldigde loonbelasting alsmede de nageheven loonbelasting zijn voldaan met uitzondering van de bedragen waarvoor uitstel van betaling is verleend in verband met ingediend bezwaar, beroep of hoger beroep (de zogenoemde 'voorbehoudverklaring');
|
||||
c. de volgens aangifte verschuldigde loonbelasting alsmede de nageheven loonbelasting zijn voldaan met uitzondering van de bedragen waarvoor (in verband met liquiditeitsproblemen) een betalingsregeling is getroffen, die tot het tijdstip van afgifte van de verklaring wordt nagekomen (de zogenaamde "voorbehoudverklaring").
|
||||
a. de volgens aangifte verschuldigde loonbelasting en premies volksverzekeringen alsmede de nageheven loonbelasting en premies volksverzekeringen zijn voldaan (zogenaamde "schone verklaring");
|
||||
b. de volgens aangifte verschuldigde loonbelasting en premies volksverzekeringen alsmede de nageheven loonbelasting en premies volksverzekeringen zijn voldaan met uitzondering van de bedragen waarvoor uitstel van betaling is verleend in verband met ingediend bezwaar, beroep of hoger beroep (de zogenoemde 'voorbehoudverklaring');
|
||||
c. de volgens aangifte verschuldigde loonbelasting en premies volksverzekeringen alsmede de nageheven loonbelasting en premies volksverzekeringen zijn voldaan met uitzondering van de bedragen waarvoor (in verband met liquiditeitsproblemen) een betalingsregeling is getroffen, die tot het tijdstip van afgifte van de verklaring wordt nagekomen (de zogenaamde "voorbehoudverklaring").
|
||||
|
||||
De bij de ontvanger ingekomen verzoeken om afgifte van een verklaring inzake de nakoming van fiscale verplichtingen worden met spoed behandeld. De ontvanger streeft er naar dat binnen een week na ontvangst van een verzoek daarop wordt beslist.
|
||||
|
||||
De ontvanger geeft geen verklaring af als:
|
||||
|
||||
- achterstand bestaat in de betaling van loonbelasting en voor de desbetreffende belastingaanslagen geen uitstel van betaling is verleend in verband met ingesteld bezwaar, beroep of hoger beroep;
|
||||
- achterstand bestaat in de betaling van loonbelasting en voor de desbetreffende belastingaanslagen geen betalingsregeling is getroffen;
|
||||
- achterstand bestaat in de betaling van loonbelasting en premies volksverzekeringen en voor de desbetreffende belastingaanslagen geen uitstel van betaling is verleend in verband met ingesteld bezwaar, beroep of hoger beroep;
|
||||
- achterstand bestaat in de betaling van loonbelasting en premies volksverzekeringen en voor de desbetreffende belastingaanslagen geen betalingsregeling is getroffen;
|
||||
- een betalingsregeling is getroffen die niet wordt nagekomen.
|
||||
|
||||
De weigering een verklaring af te leggen geschiedt bij beschikking. Deze wordt bekendgemaakt onder vermelding waarom niet kan worden overgegaan tot afgifte van een verklaring.
|
||||
|
|
@ -2842,27 +2797,27 @@ De schone verklaring zal in deze gevallen slechts worden afgegeven als de inhoud
|
|||
|
||||
Tevens vermeldt hij dat de onderaannemer voor deze belastingaanslagen zekerheid heeft gesteld.
|
||||
|
||||
De ontvanger geeft ook een schone verklaring als tot het bedrag van de belastingaanslag(en) zekerheid is verstrekt.
|
||||
De ontvanger geeft ook een schone verklaring als tot het bedrag van de belastingaanslag(en) zekerheid is verstrekt. Wil of kan de onderaannemer geen zekerheid verstrekken, dan geeft de ontvanger enkel een beschikking betreffende een verklaring inzake betalingsgedrag onder voorbehoud.
|
||||
|
||||
Als een nieuwe ondernemer een verklaring aanvraagt in verband met het sluiten van een onderaannemingscontract kan geen verklaring worden afgegeven omdat nog geen betalingsverplichting bestaat. In dat geval deelt de ontvanger de onderaannemer schriftelijk mee dat de gevraagde verklaring nog niet kan worden afgegeven omdat nog niet eerder loonbelasting loonbelasting moet worden afgedragen.
|
||||
Als een nieuwe ondernemer een verklaring aanvraagt in verband met het sluiten van een onderaannemingscontract kan geen verklaring worden afgegeven omdat nog geen betalingsverplichting bestaat. In dat geval deelt de ontvanger de onderaannemer schriftelijk mee dat de gevraagde verklaring nog niet kan worden afgegeven omdat nog niet eerder loonbelasting en premies volksverzekeringen moesten worden afgedragen.
|
||||
|
||||
Onder een nieuwe ondernemer wordt in dit verband tevens verstaan de hervattende ondernemer en de nieuwe ondernemer die de werkzaamheden voortzet van een ex-ondernemer.
|
||||
|
||||
Zelfstandigen zonder personeel (verder: z.z.p.-ers) hoeven geen loonbelasting op aangifte af te dragen omdat ze geen werknemers in dienst hebben. Vaak worden deze zelfstandigen door de aannemer niettemin verplicht een verklaring inzake het betalingsgedrag over te leggen. De ontvanger geeft echter geen verklaring af. De weigering een verklaring af te geven geschiedt bij beschikking. In deze gevallen vermeldt de ontvanger bij de bekendmaking van de beschikking aan de z.z.p.-er dat aan hem geen verklaring inzake betalingsgedrag kan worden verstrekt omdat hij op grond van de voorhanden zijnde gegevens op dat moment geen werknemers in dienst heeft en dus uit dien hoofde geen loonbelasting hoeft te betalen. De ontvanger vermeldt daarbij ook dat hij geen aansprakelijkheid aanvaardt als mocht blijken dat degene aan wie hij de verklaring heeft verstrekt geen z.z.p.-er is en dat deze beschikking niet betekent dat een eventueel aansprakelijke aannemer niet aansprakelijk wordt gesteld.
|
||||
Zelfstandigen zonder personeel (verder: z.z.p.-ers) hoeven geen loonbelasting en sociale premies op aangifte af te dragen omdat ze geen werknemers in dienst hebben. Ze doen dan ook geen aangifte en zijn niet aangesloten bij het Uitvoeringsinstituut. Vaak worden deze zelfstandigen door de aannemer niettemin verplicht een verklaring inzake het betalingsgedrag over te leggen. De ontvanger geeft echter geen verklaring af. De weigering een verklaring af te geven geschiedt bij beschikking. In deze gevallen vermeldt de ontvanger bij de bekendmaking van de beschikking aan de z.z.p.-er dat aan hem geen verklaring inzake betalingsgedrag kan worden verstrekt omdat hij op grond van de voorhanden zijnde gegevens op dat moment geen werknemers in dienst heeft en dus uit dien hoofde geen loonbelasting en premies hoeft te betalen. De ontvanger vermeldt daarbij ook dat hij geen aansprakelijkheid aanvaardt als mocht blijken dat degene aan wie hij de verklaring heeft verstrekt geen z.z.p.-er is en dat deze beschikking niet betekent dat een eventueel aansprakelijke aannemer niet aansprakelijk wordt gesteld.
|
||||
|
||||
De ontvanger geeft geen verklaring inzake betalingsgedrag af in een situatie waarin het bedrijf door de curator of bewindvoerder wordt voortgezet en bij de ontvanger onvoldoende bekendheid bestaat of de loonbelastingschuld die ontstaan is vanwege de voortzetting van het bedrijf, door curator en bewindvoerder zal (kunnen) worden afgedragen.
|
||||
De ontvanger geeft geen verklaring inzake betalingsgedrag af in een situatie waarin het bedrijf door de curator of bewindvoerder wordt voortgezet en bij de ontvanger onvoldoende bekendheid bestaat of de belasting en/of premieschulden die ontstaan zijn vanwege de voortzetting van het bedrijf, door curator en bewindvoerder zullen (kunnen) worden afgedragen.
|
||||
|
||||
Als het bedrijf echter gedurende langere tijd wordt voortgezet en er dan door curator of bewindvoerder om een verklaring wordt verzocht, geeft de ontvanger, afhankelijk van de omstandigheden, een "schone"- of een "voorbehoudverklaring" (bijvoorbeeld in verband met bezwaar/beroep/hoger beroep tegen de belastingaanslag) af.
|
||||
|
||||
De wetswijziging op grond waarvan de confectiesector onder de ketenaansprakelijkheid is gebracht, is op 1 februari 1994 in werking getreden.
|
||||
|
||||
De aansprakelijkheid geldt voor de niet afgedragen loonbelastingschulden die betrekking hebben op werk dat op of na 1 februari 1994 is verricht, ongeacht de datum waarop de aan deze werkzaamheden ten grondslag liggende overeenkomst tot aanneming van werk is gesloten.
|
||||
De aansprakelijkheid geldt voor de niet afgedragen loonbelasting- en premieschulden die betrekking hebben op werk dat op of na 1 februari 1994 is verricht, ongeacht de datum waarop de aan deze werkzaamheden ten grondslag liggende overeenkomst tot aanneming van werk is gesloten.
|
||||
|
||||
### Artikel 35a
|
||||
|
||||
In dit artikel wordt de aansprakelijkheid van de opdrachtgever in de confectiesector (en de koper van nog te vervaardigen kleding, die met de opdrachtgever wordt gelijkgesteld) voor door de aannemer en alle onderaannemers in de keten verschuldigde loonbelasting geregeld. Omwille van de leesbaarheid is op de daarvoor geëigende plaatsen vermeden telkens de 'koper van nog te vervaardigen kleding' te vermelden. Voorzover van toepassing kan hierna voor de term 'opdrachtgever' ook `koper van nog te vervaardigen kleding' worden gelezen.
|
||||
In dit artikel wordt de aansprakelijkheid van de opdrachtgever in de confectiesector (en de koper van nog te vervaardigen kleding, die met de opdrachtgever wordt gelijkgesteld) voor door de aannemer en alle onderaannemers in de keten verschuldigde belasting en premies geregeld. Omwille van de leesbaarheid is op de daarvoor geëigende plaatsen vermeden telkens de 'koper van nog te vervaardigen kleding' te vermelden. Voorzover van toepassing kan hierna voor de term 'opdrachtgever' ook `koper van nog te vervaardigen kleding' worden gelezen.
|
||||
|
||||
Op de aansprakelijkheid van de aannemer voor de loonbelasting van de onderaannemers blijft artikel 35 van de wet van toepassing. Artikel 35a bewerkstelligt dat - alleen voor de confectiesector - de keten met één schakel wordt verlengd, namelijk met de opdrachtgever, en dat uit dien hoofde de opdrachtgever aansprakelijk is voor de voldoening van de loonbelasting van alle onder hem in de keten gelegen schakels met betrekking tot het werk waartoe hij opdracht heeft gegeven.
|
||||
Op de aansprakelijkheid van de aannemer voor de belasting en premies van de onderaannemers blijft artikel 35 van de wet van toepassing. Artikel 35a bewerkstelligt dat - alleen voor de confectiesector - de keten met één schakel wordt verlengd, namelijk met de opdrachtgever, en dat uit dien hoofde de opdrachtgever aansprakelijk is voor de voldoening van de loonbelasting en premie van alle onder hem in de keten gelegen schakels met betrekking tot het werk waartoe hij opdracht heeft gegeven.
|
||||
|
||||
De in artikel 35a van de wet opgenomen aansprakelijkheid van de opdrachtgever komt overigens overeen met de aansprakelijkheidsregels van de aannemer op grond van artikel 35 van de wet. De in artikel 35 van deze leidraad opgenomen bepalingen zijn daarom van overeenkomstige toepassing op artikel 35a en worden in dit artikel niet herhaald. Voorzover andere (beleids)regels van kracht zijn met betrekking tot de opdrachtgever zijn die in dit artikel opgenomen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2892,15 +2847,15 @@ De opdrachtgeversaansprakelijkheid is van toepassing op alle werkzaamheden met b
|
|||
|
||||
### Artikel 35b
|
||||
|
||||
Naast de invoering van de opdrachtgeversaansprakelijkheid en de aansprakelijkheid van een bedrijfsmatige koper van een toekomstige zaak (zie artikel 35a van deze leidraad) is ook een aansprakelijkheid van de bedrijfsmatig handelende koper van kleding, die al is vervaardigd, ingevoerd. Ook van een koper van reeds vervaardigde kleding kan worden gevergd dat hij attent is op mogelijke fraude met loonbelasting. Daarnaast is met de invoering van de aansprakelijkheid van een bedrijfsmatige koper van reeds vervaardigde kleding beoogd problemen vanwege het onderscheid tussen toekomstige en bestaande kleding te voorkomen en om uit te sluiten dat bij de invoering van de aansprakelijkheid van de opdrachtgever en de koper van nog te vervaardigen kleding er zoveel mogelijk koopovereenkomsten ter zake van bestaande zaken kleding zouden worden gesloten.
|
||||
Naast de invoering van de opdrachtgeversaansprakelijkheid en de aansprakelijkheid van een bedrijfsmatige koper van een toekomstige zaak (zie artikel 35a van deze leidraad) is ook een aansprakelijkheid van de bedrijfsmatig handelende koper van kleding, die al is vervaardigd, ingevoerd. Ook van een koper van reeds vervaardigde kleding kan worden gevergd dat hij attent is op mogelijke fraude met premies en belasting. Daarnaast is met de invoering van de aansprakelijkheid van een bedrijfsmatige koper van reeds vervaardigde kleding beoogd problemen vanwege het onderscheid tussen toekomstige en bestaande kleding te voorkomen en om uit te sluiten dat bij de invoering van de aansprakelijkheid van de opdrachtgever en de koper van nog te vervaardigen kleding er zoveel mogelijk koopovereenkomsten ter zake van bestaande zaken kleding zouden worden gesloten.
|
||||
|
||||
De aansprakelijkheid ziet op iedere bedrijfsmatig handelende koper van de door een atelier vervaardigde kleding. Het gaat hierbij niet alleen om de eerste bedrijfsmatige koper, maar ook om iedere opvolgende bedrijfsmatig handelende koper. Hierdoor is ook de zogenaamde tussenhandelaar onder de aansprakelijkheidsregeling gebracht.
|
||||
|
||||
Bij de aansprakelijkheid waaraan een koopovereenkomst ter zake van reeds vervaardigde kleding ten grondslag ligt, heeft de koper van reeds vervaardigde kleding niet de mogelijkheid zich te vrijwaren van de aansprakelijkheid door storting van de verschuldigde belastingen op een g-rekening. De belasting had immers veelal in een veel eerder stadium reeds betaald moeten worden.
|
||||
Bij de aansprakelijkheid waaraan een koopovereenkomst ter zake van reeds vervaardigde kleding ten grondslag ligt, heeft de koper van reeds vervaardigde kleding niet de mogelijkheid zich te vrijwaren van de aansprakelijkheid door storting van de verschuldigde belastingen en premies op een g-rekening. De premies en belasting hadden immers veelal in een veel eerder stadium reeds betaald moeten worden.
|
||||
|
||||
De ondernemer of onderneming die op termijn te leveren kleding koopt en die op het tijdstip van de koop niet weet noch redelijkerwijs behoort te weten of die kleding reeds geheel of gedeeltelijk is vervaardigd, mag zich voor wat betreft de vrijwaring voor de gehele order beschouwen als koper van een toekomstige zaak die wordt gelijkgesteld met een opdrachtgever bedoeld in artikel 35a van de wet. Het staat die ondernemer dan vrij om gebruik te maken van het g-rekeningensysteem. Op die wijze kan hij een wettelijke vrijwaring verkrijgen door gelden op de g-rekening van zijn (onder)aannemer te storten. Met deze safe-harbour regeling wordt het door de confectiesector gesignaleerde probleem weggenomen dat het in de praktijk niet altijd mogelijk is onderscheid te maken tussen koop van een bestaande zaak en koop van een nog geheel of gedeeltelijk te vervaardigen zaak.
|
||||
De ondernemer of onderneming die op termijn te leveren kleding koopt en die op het tijdstip van de koop niet weet noch redelijkerwijs behoort te weten of die kleding reeds geheel of gedeeltelijk is vervaardigd, mag zich voor wat betreft de vrijwaring voor de gehele order beschouwen als koper van een toekomstige zaak die wordt gelijkgesteld met een opdrachtgever bedoeld in de artikelen 35a van de wet en artikel 16ba CSV. Het staat die ondernemer dan vrij om gebruik te maken van het g-rekeningensysteem. Op die wijze kan hij een wettelijke vrijwaring verkrijgen door gelden op de g-rekening van zijn (onder)aannemer te storten. Met deze safe-harbour regeling wordt het door de confectiesector gesignaleerde probleem weggenomen dat het in de praktijk niet altijd mogelijk is onderscheid te maken tussen koop van een bestaande zaak en koop van een nog geheel of gedeeltelijk te vervaardigen zaak.
|
||||
|
||||
De koper van een bestaande zaak is gedisculpeerd als aannemelijk is dat hij op het tijdstip van de koop niet wist of behoorde te weten dat ter zake van de vervaardiging van de kleding te weinig of geen belasting zouden worden betaald. Voor de disculpatievraag wordt - anders dan bij de opdrachtgever en de koper van nog te vervaardigen kleding - niet de gehele voorliggende vervaardigings- en handelsketen in de beschouwing betrokken, maar wordt uitsluitend het handelen van de koper zelf beoordeeld. Alleen als de koper van reeds vervaardigde kleding ten tijde van de koop zelf wist of behoorde te weten dat de loonbelasting ter zake van het vervaardigen van kleding niet zijn betaald, dient hij de gevolgen van die wetenschap - in de vorm van aansprakelijkheid voor het niet-betaalde - te dragen. Zowel de koper van de bestaande zaak als de ontvanger zijn gehouden een bijdrage te leveren aan de bewijsvoering. De toedeling van de bewijslast is dan ook geobjectiveerd. Dit betekent dat de rechter de bewijslast zodanig kan verdelen dat beide partijen naar rato van hun mogelijkheden hieraan zullen moeten bijdragen. In de praktijk betekent dit dat de ontvanger naar de disculpatiemogelijkheid van de koper een onderzoek moet instellen voordat tot aansprakelijkstelling kan worden overgegaan en dat in de motivering van de aansprakelijkstelling op de afwezigheid van de disculpatiemogelijkheid wordt ingegaan. Van de koper kan worden verlangd dat hij eveneens een bijdrage in de bewijsvoering levert, aangezien hij het beste in staat is voor het bewijs te zorgen. Een bedrijfsmatig handelende koper die een goede administratie bijhoudt, de aan hem uitgereikte facturen bewaart en zoveel mogelijk slechts met bonafide kopers in zee gaat, zal daarmee minder moeite hebben dan degene die minder nauwgezet aan zijn administratie en bewaarverplichtingen voldoet en die regelmatig contracteert met twijfelachtige bedrijven.
|
||||
De koper van een bestaande zaak is gedisculpeerd als aannemelijk is dat hij op het tijdstip van de koop niet wist of behoorde te weten dat ter zake van de vervaardiging van de kleding te weinig of geen premie en belasting zouden worden betaald. Voor de disculpatievraag wordt - anders dan bij de opdrachtgever en de koper van nog te vervaardigen kleding - niet de gehele voorliggende vervaardigings- en handelsketen in de beschouwing betrokken, maar wordt uitsluitend het handelen van de koper zelf beoordeeld. Alleen als de koper van reeds vervaardigde kleding ten tijde van de koop zelf wist of behoorde te weten dat de premie of loonbelasting ter zake van het vervaardigen van kleding niet zijn betaald, dient hij de gevolgen van die wetenschap - in de vorm van aansprakelijkheid voor het niet-betaalde - te dragen. Zowel de koper van de bestaande zaak als de ontvanger zijn gehouden een bijdrage te leveren aan de bewijsvoering. De toedeling van de bewijslast is dan ook geobjectiveerd. Dit betekent dat de rechter de bewijslast zodanig kan verdelen dat beide partijen naar rato van hun mogelijkheden hieraan zullen moeten bijdragen. In de praktijk betekent dit dat de ontvanger naar de disculpatiemogelijkheid van de koper een onderzoek moet instellen voordat tot aansprakelijkstelling kan worden overgegaan en dat in de motivering van de aansprakelijkstelling op de afwezigheid van de disculpatiemogelijkheid wordt ingegaan. Van de koper kan worden verlangd dat hij eveneens een bijdrage in de bewijsvoering levert, aangezien hij het beste in staat is voor het bewijs te zorgen. Een bedrijfsmatig handelende koper die een goede administratie bijhoudt, de aan hem uitgereikte facturen bewaart en zoveel mogelijk slechts met bonafide kopers in zee gaat, zal daarmee minder moeite hebben dan degene die minder nauwgezet aan zijn administratie en bewaarverplichtingen voldoet en die regelmatig contracteert met twijfelachtige bedrijven.
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 35b van de wet is de koper van een bestaande zaak niet aansprakelijk voor de in verband met de heffing van loonbelasting opgelegde bestuurlijke boete. Deze bepaling laat echter onverlet de mogelijkheid de aansprakelijke koper van een bestaande zaak op grond van artikel 32, tweede lid, van de wet aansprakelijk te stellen voor heffingsrente, invorderingsrente en kosten, voorzover het belopen daarvan aan hem is te wijten. Zie ook artikel 32, paragrafen 3 tot en met 6, van deze leidraad.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2912,7 +2867,7 @@ De kopersaansprakelijkheid is van toepassing op alle werkzaamheden met betrekkin
|
|||
|
||||
Dit artikel bevat de regeling van de zogenaamde bestuurdersaansprakelijkheid. Artikel 36 is ook van toepassing op belastingaanslagen (met name belastingaanslagen omzetbelasting) bij invoer. De regeling komt in het kort hierop neer dat in beginsel iedere bestuurder van een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat volledig rechtsbevoegd is, voorzover dat lichaam aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen, hoofdelijk aansprakelijk is voor de door het lichaam verschuldigde loonbelasting, omzetbelasting, de accijns, de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van pruimtabak en snuiftabak en voor de in artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag genoemde belastingen.
|
||||
|
||||
Een gelijke regeling inzake de hoofdelijke aansprakelijkheid is opgenomen in de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds voor niet afgedragen bijdragen.
|
||||
Een gelijke regeling inzake de hoofdelijke aansprakelijkheid is opgenomen in de CSV en in de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds voor niet afgedragen bijdragen.
|
||||
|
||||
Als voor de door een onderaannemer (rechtspersoon) verschuldigde loonbelasting zowel de bestuurder(s) als de aannemer(s) hoofdelijk aansprakelijk zijn, wordt - afhankelijk van de omstandigheden van het geval - bepaald of (in eerste instantie) de bestuurder(s) dan wel de aannemer(s) aansprakelijk zal (zullen) worden gesteld.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2976,7 +2931,7 @@ Voor het geval de bestuurder van het lichaam een lichaam is, worden dat lichaam
|
|||
|
||||
Op vorenstaande wijze kan een keten van aansprakelijke bestuurders ontstaan met aan het einde één of meer natuurlijke personen. Er is geen voorgeschreven volgorde bij de aansprakelijkstelling van deze bestuurders.
|
||||
|
||||
In de regeling wordt ervan uitgegaan dat het financiële beleid een zaak is van het gehele bestuur en dat de bestuurders daarvoor collectief verantwoordelijk zijn. Als de belasting als gevolg van kennelijk onbehoorlijk bestuur niet wordt betaald, is de bestuurder die op grond van de interne taakverdeling binnen het bestuur daar weinig of niets van afweet, toch aansprakelijk. De wet gaat ervan uit dat iedere bestuurder persoonlijk een verwijt treft als de belasting niet wordt betaald als gevolg van kennelijk onbehoorlijk bestuur, omdat zij van de financiële gang van zaken op de hoogte behoren te zijn.
|
||||
In de regeling wordt ervan uitgegaan dat het financiële beleid een zaak is van het gehele bestuur en dat de bestuurders daarvoor collectief verantwoordelijk zijn. Als de belasting en premies als gevolg van kennelijk onbehoorlijk bestuur niet worden betaald, is de bestuurder die op grond van de interne taakverdeling binnen het bestuur daar weinig of niets van afweet, toch aansprakelijk. De wet gaat ervan uit dat iedere bestuurder persoonlijk een verwijt treft als belasting en premies niet worden betaald als gevolg van kennelijk onbehoorlijk bestuur, omdat zij van de financiële gang van zaken op de hoogte behoren te zijn.
|
||||
|
||||
Een exacte afbakening van het begrip kennelijk onbehoorlijk bestuur is moeilijk aan te geven.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2984,7 +2939,7 @@ De rechter zal hieraan invulling moeten geven. De vraag of in een bepaalde situa
|
|||
|
||||
De regeling van de bestuurdersaansprakelijkheid beoogt het misbruik van rechtspersonen te bestrijden. Van misbruik is in ieder geval sprake wanneer een bestuurder zichzelf of zijn verwanten ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van het lichaam door onverantwoorde onttrekkingen van gelden aan het lichaam, zoals het anders dan incidenteel beschikken over gelden van het lichaam voor privédoeleinden, het afsluiten van voor het lichaam onvoordelige transacties met de bestuurder in privé of het opeisen van vorderingen op het lichaam terwijl de liquiditeitspositie van het lichaam dit niet toelaat.
|
||||
|
||||
Ook een bedrijfsvoering waarbij de belangen van de crediteuren van het lichaam worden verwaarloosd, bijvoorbeeld door stelselmatig werken aan te nemen tegen zodanig lage prijzen dat betaling van belastingen niet mogelijk is en dus de opzet tot niet-betaling aanwezig kan worden geacht, is te beschouwen als misbruik.
|
||||
Ook een bedrijfsvoering waarbij de belangen van de crediteuren van het lichaam worden verwaarloosd, bijvoorbeeld door stelselmatig werken aan te nemen tegen zodanig lage prijzen dat betaling van premies en belastingen niet mogelijk is en dus de opzet tot niet-betaling aanwezig kan worden geacht, is te beschouwen als misbruik.
|
||||
|
||||
In deze gevallen is steeds sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3013,7 +2968,7 @@ Bij de parlementaire behandeling inzake de regeling van de bestuurdersaansprakel
|
|||
- het zodanig verwaarlozen van het personeelsbeleid en de betrekkingen met werknemers, dat er arbeidsonrust ontstaat en stakingen uitbreken;
|
||||
- het nalaten zich voldoende te vergewissen van de kredietwaardigheid van contractpartners, aan wie men leveranties op krediet verstrekt en het krediet te lang laten voortduren.
|
||||
|
||||
Een melding van betalingsonmacht kan zowel mondeling (ten kantore dan wel telefonisch) als schriftelijk worden gedaan. Ten behoeve van een schriftelijke melding hebben de bij de uitvoering van de regeling betrokken instanties gezamenlijk een formulier ontwikkeld dat daarvoor kan worden gebruikt. Omdat aan elk van de uitvoeringsorganen afzonderlijk dient te worden gemeld bestaat dit meldingsformulier uit drie exemplaren (één exemplaar voor elk van de uitvoeringsorganen en een afschrift voor belanghebbende zelf).
|
||||
Een melding van betalingsonmacht kan zowel mondeling (ten kantore dan wel telefonisch) als schriftelijk worden gedaan. Ten behoeve van een schriftelijke melding hebben de bij de uitvoering van de regeling betrokken instanties gezamenlijk een formulier ontwikkeld dat daarvoor kan worden gebruikt. Omdat aan elk van de uitvoeringsorganen afzonderlijk dient te worden gemeld bestaat dit meldingsformulier uit vier exemplaren (één exemplaar voor elk van de uitvoeringsorganen en een afschrift voor belanghebbende zelf).
|
||||
|
||||
Er bestaat geen verplichting om van het meldingsformulier gebruik te maken.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3049,7 +3004,7 @@ Als over een tijdvak geen aangifte is gedaan en dientengevolge over dat tijdvak
|
|||
|
||||
Als aan het lichaam geen aangiften zijn uitgereikt en de inspecteur de belastingschuldige heeft meegedeeld dat de niet op aangifte afgedragen of voldane belasting te zijner tijd zal worden geheven door middel van een naheffingsaanslag, dient de melding niettemin plaats te vinden overeenkomstig het zesde lid van deze paragraaf. In de praktijk betekent dit dat het lichaam de betalingsonmacht dient te melden zodra gebleken is dat het niet (meer) tot betaling in staat is.
|
||||
|
||||
Vervallen.
|
||||
Inhoudingsplichtigen die de loonbelasting over een kwartaal afdragen, dienen op vordering van de inspecteur in de 2e en 3e maand van het kwartaal, een voorlopige betaling te verrichten. Het lichaam hoeft van gebleken betalingsonmacht terzake van deze voorlopige betalingen geen melding te doen.
|
||||
|
||||
Ondernemers die voor de omzetbelasting gebruik maken van een schattingsregeling dienen op normale wijze hun betalingsonmacht te melden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3110,6 +3065,7 @@ Bij de beoordeling of al dan niet om nadere gegevens en inlichtingen en/of gegev
|
|||
- Bekendheid met de actuele financiële situatie van het lichaam en/of de bestuurder(s)
|
||||
- Omstandigheden die hebben geleid tot het niet kunnen betalen
|
||||
- De aard van het uitgeoefende bedrijf
|
||||
- Een melding bij het Uitvoeringsinstituut
|
||||
- Het bedrag van de schuld waarvoor wordt gemeld en het totaal van de openstaande belasting-/premieschulden
|
||||
|
||||
De ontvanger dient per geval een redelijke termijn te stellen waarbinnen de nadere gegevens en inlichtingen en/of gegevensdragers moeten zijn verstrekt.
|
||||
|
|
@ -3137,11 +3093,19 @@ Deze beslissing kan eventueel wel aan de orde komen bij de behandeling van het b
|
|||
|
||||
De geldigheidsduur vangt aan op de datum van ontvangst van de (uiteindelijk) als rechtsgeldig beoordeelde mededeling van betalingsonmacht.
|
||||
|
||||
Een melding wordt gedaan voor de over een bepaald tijdvak verschuldigde belasting. Blijft de toestand van betalingsonmacht voortduren, dan hoeft dit voor de na de melding op aangifte verschuldigde belasting en vervallen naheffingsaanslagen (waarvoor op grond van het zevende lid van deze paragraaf rechtsgeldige melding mogelijk is) niet opnieuw te worden gemeld. Zie voor de drie-jaarsperiode waarin het kennelijk onbehoorlijk bestuur zich in dat geval moet hebben afgespeeld § 6, derde lid, hierna.
|
||||
Een melding wordt gedaan voor de over een bepaald tijdvak verschuldigde belasting en/of premie. Blijft de toestand van betalingsonmacht voortduren, dan hoeft dit voor de na de melding op aangifte verschuldigde belasting en premie en vervallen naheffingsaanslagen (waarvoor op grond van het zevende lid van deze paragraaf rechtsgeldige melding mogelijk is) niet opnieuw te worden gemeld. Zie voor de drie-jaarsperiode waarin het kennelijk onbehoorlijk bestuur zich in dat geval moet hebben afgespeeld § 6, derde lid, hierna.
|
||||
|
||||
De toestand van betalingonmacht als bedoeld in de derde volzin eindigt in beginsel eerst vanaf het tijdstip waarop de naheffingsaanslagen ter zake waarvan de melding heeft plaatsgevonden, zijn betaald. Dit is slechts anders indien naar het oordeel van de ontvanger feitelijk geen sprake meer is van een toestand van betalingsonmacht omdat afdracht en voldoening op aangifte weer zijn hervat.
|
||||
Zodra over een tijdvak een bedrag aan belasting en/of premies **tijdig op aangifte** wordt voldaan is de melding vanaf de datum van voldoening *niet* meer geldig voor de na die datum op aangifte verschuldigde belasting en premies en vervallen naheffingsaanslagen. Vorenstaande voorwaarde is niet van toepassing wanneer een bedrag aan belasting en/of premies tijdig op aangifte wordt voldaan en die voldoening vindt plaats in het kader van een prolongatieregeling of betalingsregeling. De betalingsonmacht hoeft dan niet opnieuw te worden gemeld. De melding blijft uiteraard wel geldig voor **reeds opgelegde **naheffingsaanslagen over tijdvakken waarvoor de melding eerder als rechtsgeldig is aangemerkt.
|
||||
|
||||
In het laatste geval herleeft de meldingsplicht op voorwaarde dat de ontvanger het lichaam daarover tijdig en schriftelijk heeft geïnformeerd.
|
||||
Wat de geldigheidsduur van de melding betreft, moeten loonbelasting en premies volksverzekeringen enerzijds en omzetbelasting anderzijds afzonderlijk in aanmerking worden genomen.
|
||||
|
||||
Bijvoorbeeld:
|
||||
|
||||
Een rechtspersoon doet een rechtsgeldige melding voor de op aangifte verschuldigde loon- en omzetbelasting over het tijdvak mei 1997. Ook de loon- en omzetbelasting over het tijdvak juni 1997 kan niet tijdig op aangifte worden betaald.
|
||||
|
||||
De melding geldt voor beide belastingen nu ook voor het laatstgenoemde tijdvak. Vervolgens wordt over juli 1997 een bedrag aan loonbelasting tijdig op aangifte betaald, maar voor de omzetbelasting niet.
|
||||
|
||||
De eerder gedane melding geldt nu vanaf de datum van betaling niet meer voor de na die datum op aangifte verschuldigde loonbelasting en premies of vervallen naheffingsaanslagen loonbelasting en premieheffing, met uitzondering van de reeds opgelegde naheffingsaanslagen over de tijdvakken mei en juni 1997. Voor deze twee tijdvakken was de melding immers als rechtsgeldig aangemerkt. De melding blijft evenwel voor de omzetbelasting ook voor tijdvakken na juni 1997 gelden.
|
||||
|
||||
Het voldoen aan de verplichting om de ontvanger van de betalingsonmacht in kennis te stellen, heeft niet tot gevolg dat van de gebruikelijke heffingsmaatregelen wordt afgeweken.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3244,12 +3208,6 @@ Aan de tweede eis waaraan de bestuurder moet voldoen is in elk geval niet voldaa
|
|||
|
||||
De bestuurders zijn niet op grond van artikel 36 van de wet aansprakelijk op grond van de bestuurdersaansprakelijkheid voor de onbetaald gebleven vennootschapsbelasting van het lichaam die verschuldigd is uit anderen hoofde dan de heffing op grond van artikel 23a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Eén en ander laat onverlet de aansprakelijkheid uit enige andere wettelijke bepaling.
|
||||
|
||||
### Artikel 36b
|
||||
|
||||
Artikel 36b van de wet voorziet in een aansprakelijkheid voor de bestuurder van een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam dat aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen, voor de onbetaald gebleven aansprakelijkheidsschuld van dat lichaam. Onder aansprakelijkheidsschuld moet worden verstaan: loon- of omzetbelasting waarvoor een lichaam bij beschikking als bedoeld in artikel 49, lid 1, van de wet, aansprakelijk is gesteld.
|
||||
|
||||
Als de ontvanger bestuurders van verschillende vennootschappen die deel uitmaken van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting aansprakelijk kan stellen op grond van artikel 36b van de wet en het de ontvanger bekend is bij welk onderdeel van de fiscale eenheid de materiële omzetbelastingschuld is ontstaan, zal hij als eerste de bestuurder van dat onderdeel aansprakelijk stellen. Dat betekent dat bestuurders van andere onderdelen van de fiscale eenheid pas aansprakelijk kunnen worden gesteld indien de invordering ten laste van de in de vorige volzin bedoelde bestuurder onvoldoende soelaas biedt.
|
||||
|
||||
### Artikel 37
|
||||
|
||||
De ratio van het eerste lid van dit artikel is gelegen in de veelal voorkomende nauwe relatie tussen de in dit artikel genoemde personen en lichamen en de in het buitenland wonende of gevestigde belastingschuldige c.q. aansprakelijke, op grond waarvan ervan mag worden uitgegaan dat zij invloed (hadden) kunnen uitoefenen op de betaling van de belastingschulden. Artikel 37, tweede lid, strekt ertoe bij sportbeoefening tegen beloning door buitenlanders of bij optredens van niet in Nederland wonende artiesten en buitenlandse gezelschappen de betaling van de dientengevolge verschuldigde loonbelasting zoveel als mogelijk is zeker te stellen.
|
||||
|
|
@ -3272,8 +3230,6 @@ De rechtsgrond voor deze aansprakelijkstelling is gelegen in het feit dat de wer
|
|||
|
||||
Naast de in het eerste lid opgenomen aansprakelijkheid van het buitenlands gezelschap zijn tevens hoofdelijk aansprakelijk voor de ten onrechte van een buitenlands gezelschap niet ingehouden loonbelasting als bedoeld in artikel 38, eerste lid, onderdeel a, van de wet: de leden van het buitenlands gezelschap.
|
||||
|
||||
Ingevolge het derde lid van artikel 60 Wfsv vinden de regels die gelden voor het invorderen van de loonbelasting, met uitzondering van artikel 38, eerste lid, onderdeel a, van de wet overeenkomstige toepassing bij het invorderen van (verplichte) premies voor de werknemersverzekeringen. Op grond van artikel 38, eerste lid, onderdeel a, van de wet is de werknemer, artiest, beroepssporter, buitenlands gezelschap of lid van een buitenlands gezelschap hoofdelijk aansprakelijk voor de van deze personen of van een dergelijk gezelschap ten onrechte niet ingehouden loonbelasting. Voorzover de werknemer, artiest, beroepssporter of lid van een buitenlands gezelschap verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen staat een overeenkomstige toepassing van artikel 38, eerste lid, onderdeel a, van de wet op gespannen voet met het voor de financiering van werknemersverzekeringen gehanteerde uitgangspunt dat alleen de werkgever kan worden aangesproken voor de premieschuld ook als het de betaling van het werknemersgedeelte van de premies betreft. Voor eventueel bij de loonbetaling ten onrechte niet ingehouden premies voor de werknemersverzekeringen wordt geen verhaal gezocht bij de werknemer.
|
||||
|
||||
Met gevallen waarin werkelijk belasting is ingehouden worden gelijkgesteld de gevallen waarin de inhoudingsplichtige niet voldoet aan zijn verplichting tot inhouding, maar de werknemer, de artiest, de beroepssporter, het buitenlands gezelschap of de leden van dat gezelschap c.q de belastingplichtige te dien aanzien te goeder trouw is. Te goeder trouw houdt in dit verband in dat de werknemer, de artiest, de beroepssporter, het buitenlands gezelschap of de leden van dat buitenlands gezelschap c.q. de belastingplichtige meende en ook bij inachtneming van de door hem/hen, gelet op de omstandigheden, te betrachten zorgvuldigheid rederlijkerwijze mocht menen dat de inhoudingsplichtige aan zijn verplichting tot inhouding zou voldoen.
|
||||
|
||||
Als de belasting van de werknemer, de artiest, de beroepssporter, het buitenlands gezelschap c.q. de belastingplichtige wel is ingehouden maar ten onrechte niet is afgedragen bestaat geen aansprakelijkheid op grond van artikel 38 van de wet.
|
||||
|
|
@ -3397,7 +3353,7 @@ Voor situaties waarin geen sprake is van aangewezen "risico-goederen" zal in dit
|
|||
|
||||
### Artikel 43
|
||||
|
||||
Natuurlijke personen en/of lichamen in de zin van de AWR die in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig zijn verweven dat zij een eenheid vormen, worden voor de omzetbelasting als één ondernemer aangemerkt. Als aan een fiscale eenheid (de belastingschuldige) een naheffingsaanslag in de omzetbelasting wordt opgelegd en deze wordt niet betaald, is het mogelijk de gehele omzetbelastingschuld ten name van de fiscale eenheid te verhalen op elk van de personen of lichamen die de fiscale eenheid vormen, ongeacht bij welk(e) persoon/lichaam de schuld materieel is ontstaan. Artikel 43 is ook van toepassing op de omzetbelasting bij invoer.
|
||||
Natuurlijke personen en/of lichamen in de zin van de AWR die in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig zijn verweven dat zij een eenheid vormen, worden voor de omzetbelasting als één ondernemer aangemerkt. De inspecteur stelt de belanghebbende(n) van zijn besluit in kennis door middel van een voor bezwaar vatbare beschikking. Als aan een fiscale eenheid (de belastingschuldige) een naheffingsaanslag in de omzetbelasting wordt opgelegd en deze wordt niet betaald, is het mogelijk de gehele omzetbelastingschuld ten name van de fiscale eenheid te verhalen op elk van de personen of lichamen die de fiscale eenheid vormen, ongeacht bij welk(e) persoon/lichaam de schuld materieel is ontstaan. Artikel 43 is ook van toepassing op de omzetbelasting bij invoer.
|
||||
|
||||
Wanneer niet langer aan de vereisten voor een fiscale eenheid wordt voldaan, blijft elk onderdeel hoofdelijk aansprakelijk voor de omzetbelasting van de onderdelen van de fiscale eenheid totdat de belanghebbende de inspecteur schriftelijk ervan in kennis heeft gesteld dat de vereiste eenheid in financieel, organisatorisch en/of economisch opzicht is beëindigd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3409,12 +3365,6 @@ Als een onderdeel van de fiscale eenheid met een beroep op het bepaalde in artik
|
|||
|
||||
De hoofdelijke aansprakelijkheid van de onderdelen van de fiscale eenheid (zie het eerste lid van deze paragraaf) geldt niet voor de omzetbelastingschuld die materieel is ontstaan voor 1 januari 1989. Voor deze tijdvakken geldt dat de ondernemingen die deel uitmaken van een fiscale eenheid slechts aansprakelijk zijn voor de omzetbelastingschuld ten name van de fiscale eenheid die bij hen materieel is ontstaan.
|
||||
|
||||
### Artikel 43a
|
||||
|
||||
Artikel 43a van de wet creëert voor de verpakkingenbelasting een risicoaansprakelijkheid voor ondernemers die deel uitmaken van een concern als bedoeld in artikel 36s, onderdeel g, van de Wbm. Betreft het concern een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968, dan zijn alle delen van de fiscale eenheid hoofdelijk aansprakelijk voor de verpakkingenbelastingschuld van het concern en kan deze schuld op ieder van hen worden verhaald. Betreft het concern echter een franchiseverband of een vrijwillig filiaalbedrijf (als bedoeld in dat onderdeel g), dan is slechts sprake van een partiële aansprakelijkheid: een producent of een importeur (als bedoeld in artikel 36s, onderdeel e onderscheidenlijk f) – of een producent tevens importeur – die een onderdeel vormt van het concern, is slechts aansprakelijk voor het gedeelte van de verpakkingenbelastingschuld van het concern dat aan hem kan worden toegerekend.
|
||||
|
||||
Doordat artikel 43, tweede lid, van de wet ook van overeenkomstige toepassing wordt verklaard, kan de ontvanger een vermindering of teruggaaf verpakkingenbelasting bevrijdend voldoen aan één van de ondernemers die deel uitmaken van het concern.
|
||||
|
||||
### Artikel 44
|
||||
|
||||
De in artikel 44 van de wet opgenomen aansprakelijkheidsbepaling ziet op de gevallen waarin met toepassing van artikel 2.15 en artikel 2.17, tweede tot en met zesde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 inkomensbestanddelen van een derde zijn toegerekend aan de belastingschuldige.
|
||||
|
|
@ -3521,7 +3471,7 @@ In de praktijk zal de belastingschuldige om uitstel van betaling als bedoeld in
|
|||
|
||||
Zodra de aansprakelijkheid ingevolge de in het eerste lid van deze paragraaf genoemde artikelen ontstaan, wordt de verzekeraar, ongeacht of de belastingplichtige te zijner tijd tot betaling van de verschuldigde belasting zal overgaan, daarvan zo spoedig mogelijk door de inspecteur, waaronder de belastingplichtige ressorteert, op de hoogte gesteld. Daarbij wordt tevens mededeling gedaan van het bedrag waarvoor de verzekeraar eventueel aansprakelijk kan worden gesteld. De inspecteur informeert de ontvanger over de verzending van de mededeling aan de verzekeraar. Indien jaarlijks een aangepaste conserverende belastingaanslag aan de belastingplichtige moet worden opgelegd, stelt de inspecteur de verzekeraar op de hoogte van de wijziging van de aansprakelijkheid.
|
||||
|
||||
De ontvanger zal zich in beginsel eerst verhalen op de vermogensbestanddelen van de belastingschuldige voordat hij overgaat tot uitwinning ten laste van de verzekeraar. Pas nadat de belastingschuldige in gebreke is - hetgeen het geval is wanneer de belastingschuld niet is voldaan binnen de voor de aanslag geldende betalingstermijn of, bij toepassing van artikel 10 van de wet, terstond - vindt aansprakelijkstelling plaats. Zie artikel 49 van deze leidraad dat integraal van toepassing is. De in Nederland gevestigde verzekeraar is niet langer aansprakelijk als hij zijn medewerking heeft verleend aan de overgang van verplichtingen ingevolge een pensioenregeling als bedoeld in artikel 19b, vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 aan een pensioenfonds of lichaam dat het verzekeringsbedrijf uitoefent dat niet wordt aangemerkt als een toegestane pensioenverzekeraar als bedoeld in artikel 19a van de Wet op de loonbelasting 1964 en dit pensioenfonds of lichaam een civiele overeenkomst met de ontvanger heeft gesloten waarin het de aansprakelijkheid aanvaardt voor de door de verzekeringnemer verschuldigde belasting en revisierente. Desgevraagd zendt de ontvanger de in Nederland gevestigde verzekeraar een verklaring dat hij niet langer aansprakelijk is zodra de civiele overeenkomst als bedoeld in de vorige volzin is gesloten.
|
||||
De ontvanger zal zich in beginsel eerst verhalen op de vermogensbestanddelen van de belastingschuldige voordat hij overgaat tot uitwinning ten laste van de verzekeraar. Pas nadat de belastingschuldige in gebreke is - hetgeen het geval is wanneer de belastingschuld niet is voldaan binnen de voor de aanslag geldende betalingstermijn of, bij toepassing van artikel 10 van de wet, terstond - vindt aansprakelijkstelling plaats. Zie artikel 49 van deze leidraad dat integraal van toepassing is. De in Nederland gevestigde verzekeraar is niet langer aansprakelijk als hij zijn medewerking heeft verleend aan de overgang van verplichtingen ingevolge een pensioenregeling als bedoeld in artikel 19b, vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 aan een niet in Nederland gevestigd pensioenfonds of lichaam dat het verzekeringsbedrijf uitoefent en dit pensioenfonds of lichaam een civiele overeenkomst met de ontvanger heeft gesloten waarin het de aansprakelijkheid aanvaardt voor de door de verzekeringnemer verschuldigde belasting en revisierente. Desgevraagd zendt de ontvanger de in Nederland gevestigde verzekeraar een verklaring dat hij niet langer aansprakelijk is zodra de civiele overeenkomst als bedoeld in de vorige volzin is gesloten.
|
||||
|
||||
De omvang van de aansprakelijkheid wordt gevormd door de verschuldigde belasting, vermeerderd met de heffings-, revisie- en invorderingsrente (zie het eerste lid van deze paragraaf). De verschuldigde belasting wordt gesteld op het evenredige gedeelte van de belasting die meer is verschuldigd terzake van alle in het jaar ingevolge artikel 19b, eerste of tweede lid, eerste volzin, van de Wet op de loonbelasting 1964 of artikel 3.83, eerste en tweede lid, dan wel artikel 7.2, achtste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 tot loon gerekende aanspraken.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3629,7 +3579,7 @@ Indien de ontvanger de derde aansprakelijk wenst te stellen voor een vergrijpboe
|
|||
|
||||
De ontvanger stelt de aansprakelijke op diens verzoek in de gelegenheid inzage te nemen in, dan wel kopieën, leesbare afdrukken of uittreksels te vervaardigen van de gegevensdragers waarin informatie is opgenomen met betrekking tot de gronden waarop de aansprakelijkheid voor de bestuurlijke boete berust.
|
||||
|
||||
De beschikking aansprakelijkstelling is een voor bezwaar vatbare beschikking. Dit houdt in dat dezelfde rechtsmiddelen - bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie - open staan als die welke zijn opgenomen in hoofdstuk V van de AWR en dat ook de Awb en het Besluit Fiscaal Bestuursrecht van toepassing zijn.
|
||||
De beschikking aansprakelijkstelling is een voor bezwaar vatbare beschikking. Dit houdt in dat dezelfde rechtsmiddelen - bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie - open staan als die welke zijn opgenomen in hoofdstuk V van de AWR en dat ook de Awb en het Voorschrift Awb 1997 van toepassing zijn.
|
||||
|
||||
Indien aan de aansprakelijk gestelde invorderingsrente in rekening moet worden gebracht, wordt de rente berekend over het bedrag waarvoor hij aansprakelijk is gesteld. Voorzover in het bedrag van de aansprakelijkstellingsbeschikking tevens een bedrag aan invorderingsrente is opgenomen - zie artikel 32, § 3 , eerste lid - wordt over dat bedrag geen rente in rekening gebracht.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3656,11 +3606,9 @@ Als de ontvanger een derde aansprakelijk stelt op grond van de artikelen 34, 35,
|
|||
- de in aanmerking te nemen vrijwarende betalingen van de inlener/aannemer (rechtstreekse stortingen en/of betalingen via de g-rekening);
|
||||
- voorzover de aansprakelijkstelling de koper van reeds vervaardigde kleding betreft, wordt gemotiveerd aangegeven waarom geen beroep op de disculpatiemogelijkheid kan worden gedaan.
|
||||
|
||||
Op grond van het bepaalde in artikel 49, vijfde lid, van de wet dient de ontvanger de aansprakelijk gestelde desgevraagd op de hoogte te stellen van de gegevens met betrekking tot de belasting waarvoor hij aansprakelijk is gesteld. Tot de gegevens die op grond van genoemde bepaling moeten worden verstrekt, behoren in elk geval de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in de artikelen 7:4 en 8:42 Awb. Onder de op de zaak betrekking hebbende stukken worden verstaan alle stukken die bij het nemen van het besluit een rol hebben gespeeld. Naast de gegevens die zijn vastgelegd in de genoemde stukken dienen desgevraagd ook andere gegevens te worden verstrekt, mits die gegevens redelijkerwijs van belang kunnen worden geacht voor het maken van bezwaar of het instellen van beroep.
|
||||
Op grond van het bepaalde in artikel 49, vijfde lid, van de wet dient de ontvanger de aansprakelijkgestelde desgevraagd op de hoogte te stellen van de gegevens met betrekking tot de belasting waarvoor hij aansprakelijk is gesteld. Derhalve kan aan de aansprakelijkgestelde alle informatie worden verstrekt die de ontvanger bij bezwaar, beroep, hoger beroep of beroep in cassatie zou moeten overleggen. Een dergelijke informatieplicht bestaat niet met betrekking tot gegevens die geen rechtstreeks verband houden met de belasting. Gegevens en/of bescheiden met betrekking tot de aansprakelijkheid zelf, de berekening van de omvang van de aansprakelijkheid, de g-rekening of de depotrekening van de belastingschuldige, andere belastingaanslagen van de belastingschuldige, diens (ex-)werknemers, overige aansprakelijke bestuurders, aannemers en andere derden, vallen in beginsel onder de verbodsbepaling van artikel 67 van de wet.
|
||||
|
||||
De gegevens worden, na een daartoe strekkend verzoek van de aansprakelijk gestelde, vooruitlopend op het indienen van een bezwaarschrift of op het instellen van beroep verstrekt.
|
||||
|
||||
Hoewel artikel 49, vijfde lid, van de wet ziet op de gegevens met betrekking tot de belasting, is goedgekeurd dat de gegevensverstrekking zich daartoe niet beperkt maar mede betrekking heeft op (alle) andere aspecten van de aansprakelijkheidsbeslissing mits deze gegevens hetzij gerekend kunnen worden tot de op de zaak betrekking hebbende stukken als hiervoor genoemd hetzij redelijkerwijs van belang kunnen worden geacht voor het maken van bezwaar tegen de aansprakelijkheidsbeschikking of het instellen van beroep tegen daarop volgende beslissingen.
|
||||
In verband echter met het motiveringsvereiste met betrekking tot beroep, hoger beroep en beroep in cassatie, zal de ontvanger in dat kader bepaalde gegevens en bescheiden moeten verstrekken. Deze gegevens en/of bescheiden kunnen desgevraagd aan de aansprakelijkgestelde worden verstrekt.
|
||||
|
||||
Vervallen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3670,7 +3618,7 @@ De beschikking waarbij een derde aansprakelijk wordt gesteld is een voor bezwaar
|
|||
|
||||
Op grond van artikel 49, derde lid, van de wet, staan met betrekking tot de beschikking aansprakelijkstelling dezelfde rechtsmiddelen open (bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie) als die welke zijn opgenomen in hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen met betrekking tot de door de inspecteur vastgestelde belastingaanslagen en voor bezwaar vatbare beschikkingen.
|
||||
|
||||
Vervallen.
|
||||
De toepasselijkheid van hoofdstuk V van de AWR op de beschikking aansprakelijkstelling houdt in dat tevens de Awb en het Voorschrift Awb 1997 van toepassing zijn.
|
||||
|
||||
De aansprakelijk gestelde kan tegen de beschikking aansprakelijkstelling een bezwaarschrift indienen. Het bezwaarschrift kan zowel tegen de aansprakelijkstelling zelf als tegen de hoogte van de aansprakelijkstelling zijn gericht. De termijn voor het instellen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken en gaat in op de dag na de dagtekening van de beschikking, tenzij de dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Het bezwaarschrift tegen de beschikking aansprakelijkstelling moet worden ingediend bij de ontvanger.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3678,7 +3626,7 @@ Als het bezwaarschrift (mede) is gericht tegen de hoogte van de aan de aansprake
|
|||
|
||||
Een bezwaarschrift tegen de beschikking aansprakelijkstelling kan tevens worden aangemerkt als een verzoek om uitstel van betaling. Artikel 25, § 2, van deze leidraad is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
Voor de afdoening van bezwaarschriften tegen aansprakelijkstellingen geldt, dat deze in beginsel binnen de termijnen van de Algemene wet bestuursrecht (artikel 7:10 Awb) worden afgehandeld. De hoofdregel daarbij is dat de ontvanger binnen zes weken na ontvangst van het bezwaarschrift uitspraak doet. Voldoet het bezwaarschrift niet aan de minimumeisen dan stelt de ontvanger belanghebbende in de gelegenheid het bezwaarschrift binnen de termijn volgens onderdeel 5. van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht aan te vullen. De termijn die de belanghebbende nodig heeft om het bezwaarschrift aan te vullen dan wel ongebruikt laat verstrijken, schort de beslistermijn van de ontvanger op.
|
||||
Voor de afdoening van bezwaarschriften tegen aansprakelijkstellingen geldt, dat deze in beginsel binnen de termijnen van de Algemene wet bestuursrecht (artikel 7:10 Awb) worden afgehandeld. De hoofdregel daarbij is dat de ontvanger binnen zes weken na ontvangst van het bezwaarschrift uitspraak doet. Voldoet het bezwaarschrift niet aan de minimumeisen dan stelt de ontvanger belanghebbende in de gelegenheid het bezwaarschrift binnen de termijn volgens artikel 6.1.1 van het Voorschrift Awb 1997 aan te vullen. De termijn die de belanghebbende nodig heeft om het bezwaarschrift aan te vullen dan wel ongebruikt laat verstrijken, schort de beslistermijn van de ontvanger op.
|
||||
|
||||
Kan de ontvanger niet binnen zes weken (of binnen zes weken verlengd met de periode gedurende welke de beslistermijn is opgeschort) op het bezwaarschrift beslissen, dan kan hij de termijn met ten hoogste vier weken verlengen. Hij doet hiervan schriftelijk mededeling aan belanghebbende. In overleg met de belanghebbende is verder uitstel mogelijk. De wet (artikel 49, derde lid) geeft de ontvanger formeel een beslistermijn van één jaar met de mogelijkheid deze termijn - met schriftelijke toestemming van of vanwege de minister - met maximaal één jaar te verlengen. Van deze mogelijkheid maakt de ontvanger alleen in uitzonderingsgevallen gebruik.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3824,7 +3772,7 @@ De ontvanger houdt de betaling van de teruggaaf als bedoeld in artikel 54, eerst
|
|||
|
||||
### Artikel 55
|
||||
|
||||
Als een aansprakelijkgestelde op grond van de artikelen 33, eerste lid, onderdelen a, b of c, 34, 35, 35a, 35b, 36, 36a of 37 van de wet heeft betaald en geen verhaal mogelijk is op de belastingschuldige zelf en op grond van het desbetreffende artikel verschillende hoofdelijk aansprakelijken zijn aan te wijzen, behoort een onverhaald gebleven bedrag door alle op grond van het artikel hoofdelijk aansprakelijken tezamen en in beginsel voor gelijke delen te worden gedragen. Als op grond van de inlenersaansprakelijkheid (artikel 34 van de wet) belasting is voldaan, bedraagt de bijdrage van elk van de hoofdelijk aansprakelijke inleners c.q. doorleners niet meer dan het bedrag waarvoor ieders aansprakelijkheid op grond van artikel 34 van de wet bestaat.
|
||||
Als een aansprakelijkgestelde op grond van de artikelen 34, 35, 35a, 35b, 36 of 36a van de wet heeft betaald en geen verhaal mogelijk is op de belastingschuldige zelf en op grond van het desbetreffende artikel verschillende hoofdelijk aansprakelijken zijn aan te wijzen, behoort een onverhaald gebleven bedrag door alle op grond van het artikel hoofdelijk aansprakelijken tezamen en in beginsel voor gelijke delen te worden gedragen. Als op grond van de inlenersaansprakelijkheid (artikel 34 van de wet) belasting is voldaan, bedraagt de bijdrage van elk van de hoofdelijk aansprakelijke inleners c.q. doorleners niet meer dan het bedrag waarvoor ieders aansprakelijkheid op grond van artikel 34 van de wet bestaat.
|
||||
|
||||
Als op grond van de ketenaansprakelijkheid (artikelen 35, 35a of 35b van de wet) belasting is voldaan, dragen de hoofdelijk aansprakelijken naar evenredigheid bij als het aandeel in het totaal van het uit te voeren werk van ieder van hen kan worden vastgesteld. Bij de vaststelling van het bij te dragen bedrag wordt rekening gehouden met een eventuele beperking van de aansprakelijkheid als gevolg van een vrijwarende storting die op de g-rekening heeft plaatsgevonden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3996,11 +3944,9 @@ Verwezen wordt in dit verband naar het Voorschrift fiscaal-strafrechtelijke bepa
|
|||
|
||||
### Artikel 67
|
||||
|
||||
In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat de geheimhoudingsplicht niet geldt als bekendmaking verplicht is volgens een wettelijk voorschrift, als sprake is van structurele gegevensverstrekking aan bestuursorganen die bij ministeriële regeling zijn aangewezen of als de bekendmaking plaatsvindt aan de belastingschuldige zelf voorzover deze gegevens door of namens hem zijn verstrekt. Daarnaast kan de Minister van Financiën op grond van het derde lid ontheffing van de geheimhoudingsplicht verlenen.
|
||||
Artikel 67 van de wet regelt de geheimhoudingsplicht. In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat de Minister van Financiën van deze plicht ontheffing kan verlenen. In het Voorschrift Informatieverstrekking 1993 is van deze bevoegdheid gebruik gemaakt.
|
||||
|
||||
Als de belastingschuldige zelf verzoekt informatie te geven over de belastingschulden die hij heeft, zal de ontvanger die informatie ook kunnen verstrekken zonder de geheimhoudingsplicht te schenden. Ontheffing door de Minister is in dat geval niet nodig.
|
||||
|
||||
Overigens kunnen er situaties zijn die het verstrekken van informatie op verzoek van de belastingschuldige zelf om andere reden onwenselijk maken (bijvoorbeeld in strafzaken).
|
||||
Ten aanzien van de vraag welke informatie aan een aansprakelijkgestelde kan worden verstrekt en welke informatie hem op grond van artikel 67, eerste lid, van de wet moet worden geweigerd, wordt verwezen naar artikel 49, § 2, zesde lid, van deze leidraad.
|
||||
|
||||
Verzoeken van derden die hetzij met een uitdrukkelijk beroep op de Wet Openbaarheid van bestuur (Wob), hetzij in combinatie met een verzoek om ontheffing van de geheimhoudingsplicht, feitelijke informatie verzoeken over de (onder andere fiscale) aangelegenheden van degene voor wiens belastingschulden zij aansprakelijk zijn gesteld, worden in beginsel afgewezen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4008,14 +3954,6 @@ Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de Wob uitsluitend het algemene openbaar
|
|||
|
||||
Voor de mogelijkheden tot informatieverstrekking aan derden die voor de belastingschuld van een ander aansprakelijk zijn gesteld wordt verwezen naar artikel 49, § 2, zesde lid, van deze leidraad.
|
||||
|
||||
Desgevraagd is de ontvanger op grond van artikel 475g, lid 3, Rv, verplicht aan de gerechtsdeurwaarder die gerechtigd is beslag te leggen tegen een schuldenaar, schriftelijk informatie te verstrekken over periodieke betalingen die hij aan die schuldenaar verricht c.q. gaat verrichten op grond van een verleende voorlopige teruggaafbeschikking. Deze informatieplicht behelst uitsluitend gegevens met betrekking tot:
|
||||
|
||||
– de vraag of een voorlopige teruggaaf is verleend;
|
||||
– de termijn en de omvang van de betalingen van een voorlopige teruggaaf, onder vermelding van een eventuele verrekening die plaats vindt;
|
||||
– de vraag of op de voorlopige teruggaaf in kwestie beslag is gelegd en, zo ja, door welke gerechtsdeurwaarder beslag is gelegd en in wiens opdracht dat is gebeurd.
|
||||
|
||||
Het verstrekken van andere informatie dan hiervoor genoemd is in strijd met de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de wet. Aan het enkele feit dat de gerechtsdeurwaarder een verzoek doet op grond van artikel 475g, lid 3, Rv, mag de ontvanger het vertrouwen ontlenen dat er een gerechtigdheid bestaat tot het leggen van beslag tegen de schuldenaar in kwestie.
|
||||
|
||||
### Artikel 68
|
||||
|
||||
In artikel 68 van de wet is een specifiek op de invordering van de rechten van successie, van overgang en van schenking gerichte bepaling opgenomen. In de gevallen waarin sprake is van meer dan één erfgenaam worden, als de werkelijke woonplaats van de erfgenamen niet of slechts met zeer veel moeite is te achterhalen, de stukken met betrekking tot de invordering van het successierecht gezonden c.q. betekend aan de op grond van artikel 43 van de Successiewet 1956 in de aangifte gekozen woonplaats.
|
||||
|
|
@ -4052,7 +3990,7 @@ In tegenstelling tot de vorige invorderingswet heeft deze wet een officiële cit
|
|||
|
||||
Voor de beleidsuitgangspunten die door de fiscus worden gehanteerd waar het het aanvragen van het faillissement van belastingschuldigen betreft wordt verwezen naar artikel 3, § 3, van deze leidraad.
|
||||
|
||||
Uiterlijk binnen drie maanden na de van toepassingverklaring van de wettelijke schuldsaneringsregeling vindt de verificatie plaats. Uiterlijk veertien dagen voorafgaand aan dat tijdstip dienen de vorderingen bij de bewindvoerder ter verificatie te zijn aangemeld. Het is zaak de vorderingen zo snel als mogelijk is ter verificatie aan te melden, waarbij de voorkeur uitgaat naar geformaliseerde belastingschulden. Ook nog niet geformaliseerde vorderingen kunnen worden gemeld, vergelijk artikel 133 FW
|
||||
Uiterlijk binnen drie maanden na de definitieve van toepassingverklaring van de wettelijke schuldsaneringsregeling vindt de verificatie plaats. Uiterlijk veertien dagen voorafgaand aan dat tijdstip dienen de vorderingen bij de bewindvoerder ter verificatie te zijn aangemeld. Het is zaak de vorderingen zo snel als mogelijk is ter verificatie aan te melden, waarbij de voorkeur uitgaat naar geformaliseerde belastingschulden. Ook nog niet geformaliseerde vorderingen kunnen worden gemeld, vergelijk artikel 133 FW
|
||||
|
||||
Daarbij wordt er van uitgegaan dat belastingschulden die naar tijdvak worden geheven geacht worden van dag tot dag te ontstaan naarmate zich belastbare feiten voordoen. Opgemerkt wordt dat conserverende belastingschulden eveneens ter verificatie bij de bewindvoerder dienen te worden aangemeld.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4070,7 +4008,7 @@ Schuldvorderingen waarvoor zekerheid is gesteld worden op de gewone wijze onder
|
|||
|
||||
Gedurende het faillissement worden geen vorderingen gedaan onder schuldenaren van de gefailleerde. Het vorenstaande is van overeenkomstige toepassing op de invordering van belastingaanslagen die onder de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling vallen.
|
||||
|
||||
Belastingschulden die (materieel) zijn ontstaan na de uitspraak van het faillissement vormen in de praktijk veelal boedelschulden. De ontvanger ziet er op toe dat de boedelschulden tijdig door de curator worden voldaan.
|
||||
Over het algemeen zijn belastingschulden die materieel na de uitspraak van het faillissement zijn ontstaan boedelschulden. De ontvanger ziet er op toe dat de boedelschulden tijdig door de curator worden voldaan.
|
||||
|
||||
Als de totale boedelschulden niet integraal kunnen worden voldaan dient de ontvanger er op toe te zien dat de boedelschulden met inachtneming van de toegekende preferenties worden gerangschikt. Het salaris van de curator is bevoorrecht boven de belastingschulden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4085,23 +4023,7 @@ De ontvanger bevordert zoveel mogelijk dat eventuele geschilpunten met de bewind
|
|||
|
||||
Wanneer de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken woont de ontvanger, indien sprake is van voldoende belang, de verificatievergadering bij. Bezwaren tegen de hoogte van een belastingaanslag vormen geen geschilpunt voor een renvooiprocedure als bedoeld in artikel 122 Fw. Degene die de ontvanger vertegenwoordigt tijdens een verificatievergadering dient in het bezit te zijn van een schriftelijke volmacht van de ontvanger, welke volmacht desgevraagd aan de rechter-commissaris kan worden overgelegd.
|
||||
|
||||
In het faillissement van een belastingschuldige kan een schuldenaar van de belastingschuldige, indien deze schuldenaar door de ontvanger aansprakelijk kan worden gesteld op grond van artikel 34, 35, 35a of 35b van de wet, zich beroepen op een voorwaardelijke regresrecht. Door dit beroep van de schuldenaar op zijn voorwaardelijk regresrecht kan de vordering niet worden geïnd. Het beroep op het regresrecht vervalt als zeker is dat de ontvanger de schuldenaar van de belastingschuldige niet aansprakelijk stelt. In een dergelijke situatie kan (uitsluitend) de curator zich wenden tot de ontvanger met het verzoek om een besluit te nemen over het wel of niet aansprakelijk stellen van de schuldenaar van de belastingschuldige. De ontvanger dient het hiermee gemoeide belang van de curator en door hem vertegenwoordigde schuldeisers te betrekken bij de besluitvorming of hij tot aansprakelijkstelling zal overgaan.
|
||||
|
||||
De curator overlegt aan de ontvanger alle relevante gegevens met betrekking tot de voorwaardelijke regresvordering. In ieder geval maakt de curator inzichtelijk, ook kwantitatief, hoe groot het belang van de ontvanger is bij afwikkeling van de boedel mét en zónder inning van de vordering waarvoor een beroep op de voorwaardelijke regresvordering wordt gedaan. De ontvanger verzendt de curator binnen 10 dagen na ontvangst van de gegevens een ontvangstbevestiging. Indien de ontvanger naar aanleiding van de verstrekte gegevens nadere informatie wenst, geeft hij dat aan in de ontvangstbevestiging, alsmede de – redelijke – termijn waarop de aanvullende gegevens moeten zijn verstrekt.
|
||||
|
||||
De volgende aspecten betrekt de ontvanger in ieder geval bij de mogelijke door hem te nemen beslissingen:
|
||||
|
||||
– het financiële belang van de ontvanger bestaande uit het zo veel mogelijk innen van openstaande belastingschulden op de voor de ontvanger minst belastende wijze;
|
||||
– de beschikbare capaciteit – nu en in de nabije toekomst – voor het doen van haalbaarheidsonderzoeken en het aansprakelijk stellen door de ontvanger;
|
||||
– het belang dat de curator en de schuldeisers hebben bij een zo optimaal mogelijke incasso van de uitstaande vordering en/of bij een zo spoedig mogelijke afwikkeling van een faillissement;
|
||||
– hoe de omvang van de vordering van de belastingschuldige op zijn schuldenaar (= de aansprakelijke) zich verhoudt tot het mogelijke bedrag waarvoor die schuldenaar in totaliteit aansprakelijk zou kunnen worden gesteld.
|
||||
|
||||
De ontvanger deelt binnen een redelijke termijn aan de curator gemotiveerd één van de volgende beslissingen mede:
|
||||
|
||||
– dat hij binnen 6 maanden zal overgaan tot een aansprakelijkstelling van de debiteur van de belastingschuldige;
|
||||
– dat hij binnen 6 weken zal overgaan tot een haalbaarheidsonderzoek van een aansprakelijkstelling;
|
||||
– dat bij een toekomstige aansprakelijkstelling een bedrag in mindering zal worden gebracht op de aansprakelijkheidsschuld ter grootte van het met de ontvanger overeen gekomen en ook daadwerkelijk door de aansprakelijke schuldenaar van de belastingschuldige betaalde bedrag;
|
||||
– dat hij de schuldenaar in het geheel niet aansprakelijk zal stellen voor de op dat moment bestaande belastingschulden.
|
||||
Vervallen.
|
||||
|
||||
Als de curator een gerechtelijke procedure moet aanspannen om een bate voor de boedel te kunnen realiseren, maar de aanwezige baten van de boedel zijn niet toereikend om de proceskosten te voldoen kan door de curator een verzoek worden gedaan om garantstelling voor het bedrag dat zal blijken niet uit de boedel te kunnen worden voldaan.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4117,7 +4039,7 @@ Indien een bewindvoerder in de wettelijke schuldsaneringsregeling de ontvanger v
|
|||
2e. Is de wederpartij (tegen wie de aktie wordt ingesteld) voldoende gegoed. Als aannemelijk is dat de wederpartij geen of nauwelijks verhaal biedt, wordt geen garantie verleend.
|
||||
3e. Staat het bedrag, waarvoor een proceskostengarantie wordt gevraagd, in een redelijke verhouding tot het bedrag, waarmee de boedel zal zijn gebaat als de procedure wordt gewonnen.
|
||||
4e. Heeft de gevraagde proceskostengarantie uitsluitend betrekking op de kosten, die rechtstreeks verband houden met de te voeren procedure (zoals salaris curator voor de uren besteed aan de procedure, griffie- en kantoorkosten, proceskostenveroordeling bij een eventuele minder succesvolle afloop van de procedure).
|
||||
5e. Zijn de schuldeisers die, bij een verdeling van de activa volgens de wettelijke regels, eveneens zullen profiteren van de vermoedelijke opbrengst van de procedure bereid naar evenredigheid mede garant te staan voor de proceskosten. Hetzelfde geldt voor boedelschuldeisers.
|
||||
5e. Zijn de schuldeisers (waaronder het Uitvoeringsinstituut) die, bij een verdeling van de activa volgens de wettelijke regels, eveneens zullen profiteren van de vermoedelijke opbrengst van de procedure bereid naar evenredigheid mede garant te staan voor de proceskosten. Hetzelfde geldt voor boedelschuldeisers.
|
||||
|
||||
N.B. Wanneer, bij verdeling volgens de normale wettelijke regels, deze verdeling er naar verwachting toe zou leiden dat ook andere (faillissements- en boedel)schuldeisers door de opbrengst die met de procedure wordt beoogd een hoger bedrag krijgen uitgekeerd dan zij zouden ontvangen zonder deze opbrengst, is het redelijk dat zij naar evenredigheid van hun geschatte "aandeel" in de te verwachten opbrengst (na aftrek van de kosten en salaris van de curator) een garantie afgeven.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4126,7 +4048,7 @@ Wanneer één of meer schuldeisers een zodanige garantie niet afgeven, geeft de
|
|||
|
||||
Als de toestand van de boedel zodanig is dat het faillissement zou moeten worden opgeheven bij gebrek aan baten, maar er anderzijds bij voortduring van het faillissement in de toekomst baten zijn te verwachten waarmee de curator wil trachten in de boedel enig bedrag bij elkaar te sparen waaruit alsnog een uitdeling aan de schuldeisers kan worden gedaan, kan de ontvanger met een dergelijke werkwijze akkoord gaan als de daardoor voor de fiscus te verwachten uitkering substantieel is. De ontvanger gaat niet met deze werkwijze akkoord als het meer dan 5 jaren gaat duren om een acceptabel bedrag bij elkaar te vergaren. Als de curator deze werkwijze dan toch wil voortzetten, wendt de ontvanger zich tot de rechter-commissaris.
|
||||
|
||||
De ontvanger dient erop toe te zien dat de bewindvoerder of de curator zijn belangenbehartigingsplicht als neergelegd in artikel 57, derde lid, Fw op juiste wijze nakomt. Op grond van deze bepaling is de bewindvoerder of de curator onder andere verplicht erop toe te zien dat bij executie door de pandhouder van zaken die vallen onder artikel 21, tweede lid, tweede volzin, van de wet de pandhouder dat deel van de opbrengst aan de curator afstaat waarop de ontvanger op grond van zijn voorrecht recht kan doen gelden. Op de executie-opbrengst die aldus door de pandhouder moet worden afgestaan ten gunste van de boedel, kan UWV geen rechten doen gelden voor zijn vorderingen met betrekking tot tijdvakken gelegen vóór 1 januari 2006. De bevoegdheid ex artikel 57, derde lid, FW kan eerst door de bewindvoerder dan wel de curator worden uitgeoefend indien en voorzover vaststaat dat de met bodemvoorrecht beklijfde vordering van de ontvanger niet uit het vrije boedelactief kan worden voldaan. De bevoegdheid wordt pas uitgeoefend voorzover bij het vaststellen van de (slot) uitdelingslijst in het faillissement blijkt dat de boven de pandhouder bevoorrechte vorderingen van de ontvanger niet uit het vrije actief kunnen worden voldaan of voorzover op voorhand duidelijk is dat de hoogte van de belastingschuld aantasting van de rechten van de pandhouder onvermijdelijk maakt. Indien de ontvanger niet alleen een boven de pandhouder bevoorrechte vordering ter verificatie heeft ingediend maar ook een vordering waarvoor het bodemvoorrecht niet geldt, vindt voor de beantwoording van de vraag of, en in hoeverre, voldoening uit het vrije boedelactief mogelijk is, primair toerekening plaats van het vrije boedelactief aan de laatstgenoemde vordering. Voorts dient de bewindvoerder of de curator erop toe te zien dat de pandhouder de bezitloos verpande bodemzaken niet onnodig voor een zodanig laag bedrag verkoopt dat daardoor de belangen van de ontvanger worden geschaad.
|
||||
De ontvanger dient erop toe te zien dat de bewindvoerder of de curator zijn belangenbehartigingsplicht als neergelegd in artikel 57, derde lid, Fw op juiste wijze nakomt. Op grond van deze bepaling is de bewindvoerder of de curator onder andere verplicht erop toe te zien dat bij executie door de pandhouder van zaken die vallen onder artikel 21, tweede lid, tweede volzin, van de wet de pandhouder dat deel van de opbrengst aan de curator afstaat waarop de ontvanger op grond van zijn voorrecht recht kan doen gelden. De bevoegdheid ex artikel 57, derde lid, FW kan eerst door de bewindvoerder dan wel de curator worden uitgeoefend indien en voorzover vaststaat dat de met bodemvoorrecht beklijfde vordering van de ontvanger niet uit het vrije boedelactief kan worden voldaan. De bevoegdheid wordt pas uitgeoefend voorzover bij het vaststellen van de (slot) uitdelingslijst in het faillissement blijkt dat de boven de pandhouder bevoorrechte vorderingen van de ontvanger niet uit het vrije actief kunnen worden voldaan of voorzover op voorhand duidelijk is dat de hoogte van de belastingschuld aantasting van de rechten van de pandhouder onvermijdelijk maakt. Voorts dient de bewindvoerder of de curator erop toe te zien dat de pandhouder de bezitloos verpande bodemzaken niet onnodig voor een zodanig laag bedrag verkoopt dat daardoor de belangen van de ontvanger worden geschaad.
|
||||
|
||||
Belastingvorderingen ten aanzien waarvan de wettelijke schuldsaneringsregeling werkt en voorzover die na de beëindiging van de toepassing van die regeling op grond van artikel 356, tweede lid, FW onvoldaan zijn gebleven, zijn, ongeacht of de vorderingen door de ontvanger bij de bewindvoerder zijn aangemeld, aan te merken als natuurlijke verbintenissen. Een natuurlijke verbintenis is een rechtens niet afdwingbare verbintenis.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4178,7 +4100,9 @@ Artikel 7 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen opent een bijzondere rec
|
|||
|
||||
Tegen het in rekening brengen van de aanmaningskosten en de betekeningskosten van een per post betekend dwangbevel staat bezwaar open bij de ontvanger. Tegen het in rekening brengen van de betekeningskosten van een dwangbevel dat door de belastingdeurwaarder is betekend, staat administratief beroep open bij de ontvanger. Ter zake van de beslissing van de ontvanger staat beroep en vervolgens hoger beroep open bij de fiscale rechter. Geschillen over andere in rekening gebrachte vervolgingskosten dan die van de aanmaning en van de betekening van het dwangbevel, kunnen aan het oordeel van de rechter worden onderworpen door het instellen van verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel.
|
||||
|
||||
Op een bezwaarschrift tegen de in rekening gebrachte kosten van een aanmaning zijn de Awb en het Besluit Fiscaal Bestuursrecht van toepassing.
|
||||
Op een bezwaarschrift tegen de in rekening gebrachte kosten van een aanmaning zijn de Awb en het daarop gebaseerde Voorschrift Awb 1997 van toepassing. De ontvanger beslist op een bezwaarschrift binnen zes weken na ontvangst daarvan, met de mogelijkheid tot verlenging (zie voor de mogelijkheid tot verlenging § 6.2.7, eerste alinea, Voorschrift Awb 1997).
|
||||
|
||||
Voorts wordt opgemerkt dat als voorbeelden van gevallen waarin sprake kan zijn van een kennelijk ongegrond bezwaar als bedoeld in hoofdstuk 6, § 6.2.2, van het Voorschrift Awb 1997 de volgende worden genoemd: gehele of gedeeltelijke tegemoetkoming aan het bezwaar is duidelijk in strijd met een wettelijk voorschrift of met door de Staatssecretaris van Financiën vastgesteld en gepubliceerd beleid; het bezwaar richt zich tegen een beslissing die geheel overeenkomt met bestaand - bijvoorbeeld door de rechter, de Commissie voor de Verzoekschriften of de Nationale ombudsman, getoetst - beleid.
|
||||
|
||||
Als sprake is van administratief beroep bij de ontvanger is het tweede lid van deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4201,7 +4125,7 @@ De bedoelde gevallen zijn:
|
|||
|
||||
Naast de gevallen waarin ten aanzien van de kostenberekening rekenfouten zijn gemaakt dan wel een onjuist tarief is gehanteerd zijn kosten niet verschuldigd in de volgende gevallen.
|
||||
|
||||
- Als de betaling op de rekening van de Belastingdienst is bijgeschreven op of voorafgaand aan de dag waarop de kosten verschuldigd zijn geworden.
|
||||
- Als de betaling op de rekening van de Belastingdienst is bijgeschreven dan wel op het postkantoor is gestort, op dezelfde dag als die waarop de kosten verschuldigd zijn geworden.
|
||||
- Voorzover na het in rekening brengen van de kosten een afname van de schuld, anders dan door betaling, kwijtschelding of verrekening tot stand is gekomen. Deze situatie zal zich voordoen bij vermindering van belastingaanslagen, alsmede bij afboeking van definitieve negatieve aanslagen op voorlopige positieve aanslagen van hetzelfde jaar.
|
||||
- Wanneer er, achteraf bezien, al voor het in rekening brengen van de kosten om beleidsmatige redenen aanleiding is geweest om de invordering op te schorten.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4221,17 +4145,25 @@ Kosten worden in afwijking van het vorenstaande altijd in rekening gebracht als
|
|||
|
||||
De beslissing om de kosten terug te brengen tot het juiste bedrag dan wel de kosten terug te betalen, geschiedt ambtshalve dan wel na een daartoe ingediend verzoekschrift.
|
||||
|
||||
In uitzonderlijke situaties kan er voor de ontvanger aanleiding bestaan de in rekening gebrachte vervolgingskosten – hoezeer ook verschuldigd – te verminderen als de belastingschuldige hier schriftelijk om verzoekt. Van zo’n situatie kan sprake zijn als de belastingschuldige aantoont in omstandigheden te hebben verkeerd die het hem feitelijk onmogelijk maakten zijn verplichtingen tijdig na te komen en bovendien de invordering van vervolgingskosten – gezien de omstandigheden van het specifieke geval – onredelijk en onbillijk is.
|
||||
Als vervolgingskosten terecht in rekening zijn gebracht, dienen deze te worden voldaan. In uitzonderlijke situaties kan er echter aanleiding bestaan vervolgingskosten - hoezeer ook verschuldigd - te verminderen. Deze (strikt individueel te beoordelen) situaties doen zich alleen voor als de ontvanger van mening is dat het feit dat de belastingschuld niet tijdig is voldaan aan de belastingschuldige niet kan worden verweten en bovendien de invordering van vervolgingskosten - gezien de omstandigheden van het specifieke geval - onredelijk en onbillijk is. Redenen voor niet-verwijtbaarheid kunnen zijn:
|
||||
|
||||
- een verhuizing, waardoor de belastingschuldige niet op de hoogte was van de belastingaanslag, terwijl hij wel datgene heeft gedaan dat redelijkerwijs van hem mag worden verwacht om de Belastingdienst in kennis te stellen van zijn nieuwe adres;
|
||||
- een ongeval, ernstige ziekte of overlijden van de belastingschuldige dan wel van degene die zijn belastingzaken behandelt, waardoor deze niet in staat kon worden geacht zijn verplichtingen te voldoen;
|
||||
- een onvoorzien vertrek wegens dringende omstandigheden, waarbij de persoonlijke aanwezigheid werd vereist en waardoor men geen kans heeft gehad een regeling te treffen, om de verplichtingen tegenover de fiscus na te komen.
|
||||
|
||||
De ontvanger kan slechts naar aanleiding van een ingediend verzoekschrift tegen de in rekening gebrachte kosten in vorengenoemde situaties die kosten verminderen.
|
||||
|
||||
Indien invorderingsmaatregelen zijn getroffen met inachtneming van de artikelen 10 en 15 van de wet, worden de daaraan verbonden vervolgingskosten niet ten tijde van het treffen van de genoemde maatregelen in rekening gebracht, indien en voorzover de belastingschuldige op dat tijdstip nog niet in de gelegenheid is geweest om van zijn belastingschuld kennis te nemen en deze te voldoen.
|
||||
|
||||
De belastingschuldige wordt in elk geval geacht kennis te hebben genomen van zijn belastingschuld en ook in de gelegenheid te zijn geweest deze te voldoen, indien na de dag waarop het aanslagbiljet aan hem of - in het geval van rechtspersonen - aan zijn bestuurder is uitgereikt, twee werkdagen zijn verstreken. Na ommekomst van de in de vorige volzin genoemde termijn van twee dagen stelt de belastingdeurwaarder de vervolgingskosten vast bij voor beroep vatbare beschikking. De beschikking wordt aan de belastingschuldige bekend gemaakt. In de beschikking wordt er melding van gemaakt dat de kosten dadelijk en ineens invorderbaar zijn.
|
||||
|
||||
Er bestaat geen aanleiding de kosten, die zijn verbonden aan een zogenaamd zekerheidsbeslag, te verminderen. Een zekerheidsbeslag komt aan de orde, wanneer uitstel wordt verleend met als voorwaarde dat zekerheid wordt gesteld en andere vormen van zekerheid niet mogelijk of wenselijk zijn.
|
||||
|
||||
Met betrekking tot de door aansprakelijkgestelden verschuldigde kosten die het gevolg zijn van invorderingsmaatregelen die ten aanzien van de aansprakelijkgestelde zijn genomen is deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
Kwijtschelding is niet mogelijk wegens vermeende betalingsonmacht. Evenzo zal in die gevallen ook geen toezegging worden gedaan dat deze kosten niet zullen worden ingevorderd. Het vorenstaande laat onverlet dat kwijtschelding wordt verleend c.q. kosten buiten invordering worden gelaten wanneer de hoofdsom wordt kwijtgescholden c.q. buiten invordering gelaten. Hiervoor wordt verwezen naar hetgeen is vermeld bij artikel 26 van deze leidraad.
|
||||
|
||||
Indien op dezelfde dag aan een belastingschuldige meerdere ten name van die belastingschuldige gestelde dwangbevelen worden betekend en die betekeningskosten in totaal alsdan meer zouden bedragen dan € 10.283 zijn niet meer betekeningskosten verschuldigd dan € 10.283.
|
||||
Indien op dezelfde dag aan een belastingschuldige meerdere ten name van die belastingschuldige gestelde dwangbevelen worden betekend en die betekeningskosten in totaal alsdan meer zouden bedragen dan € 10 295 zijn niet meer betekeningskosten verschuldigd dan € 10 295.
|
||||
|
||||
### Artikel XIII
|
||||
|
||||
|
|
@ -4272,7 +4204,7 @@ Wanneer sprake is van een in het buitenland gevestigde schuldenaar, waarvan beke
|
|||
|
||||
In de Paspoortwet zijn aan de paspoortafgevende autoriteiten voorschriften gegeven betreffende afgifte, vervanging, wijziging, beperking van de geldigheid, vervallenverklaring, weigering en inhouding van paspoorten en andere reisdocumenten. De in de Paspoortwet gegeven voorschriften zijn nader uitgewerkt in de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001, de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001 en de Paspoortuitvoeringsregeling Nederlandse Antillen en Aruba 2001. Voor de wijze waarop de gegevens worden opgenomen, kunnen worden geraadpleegd en worden verwijderd van personen waarvan de vervallenverklaring of weigering van een reisdocument is gevraagd, zijn voorschriften gegeven in het (hoewel vervallen, maar nog steeds in gebruik zijnde) "Privacyreglement register paspoortsignaleringen".
|
||||
|
||||
In de hierna volgende paragrafen zal nader worden ingegaan op de mogelijkheden tot vervallenverklaring of weigering van een reisdocument in verband met een belastingschuld. Het gebruik maken van deze mogelijkheid wordt aangeduid als signalering bij de paspoortafgevende autoriteiten, korter gezegd: paspoortsignalering.
|
||||
In de hierna volgende paragrafen zal nader worden ingegaan op de mogelijkheden tot vervallenverklaring of weigering van een reisdocument in verband met een belasting- en/of premieschuld. Het gebruik maken van deze mogelijkheid wordt aangeduid als signalering bij de paspoortafgevende autoriteiten, korter gezegd: paspoortsignalering.
|
||||
|
||||
Paspoortsignalering houdt in dat een aantal persoonsgegevens van de belastingschuldige van wie om vervallenverklaring of weigering van het reisdocument is gevraagd, door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt opgenomen in het register paspoortsignaleringen en de daarop gebaseerde signaleringslijst. Dit is een lijst met namen van personen aan wie zonder voorkennis van de signalerende autoriteit geen nieuw reisdocument mag worden verstrekt. Zie ook hetgeen is opgemerkt onder § 5 hierna.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4295,7 +4227,7 @@ In het algemeen zullen, wanneer de betrokkene nog hier te lande is gevestigd, al
|
|||
|
||||
Tot slot wordt opgemerkt dat signalering door de Belastingdienst uitsluitend plaatsvindt als er aanwijzingen zijn dat signalering tot succes kan leiden. Als de belastingschuldige bijvoorbeeld geen Nederlands paspoort nodig heeft, is signalering zinloos.
|
||||
|
||||
In de signalering kunnen worden begrepen alle belastingen verschuldigd aan het rijk, provincie en gemeente. Hoewel dit niet uitdrukkelijk in artikel 22, letter a, van de Paspoortwet is vermeld, vallen ook heffingen, rechten, boeten, kosten en rente waarvan de heffing en inning is opgedragen aan het rijk, de provincie of de gemeente onder de werking van dit artikel.
|
||||
In de signalering kunnen worden begrepen alle belastingen verschuldigd aan het rijk, provincie en gemeente alsmede de premies volksverzekeringen en de premies sociale verzekeringen waarvoor het Uitvoeringsinstituut als uitvoeringsorgaan is aangewezen. Hoewel dit niet uitdrukkelijk in artikel 22, letter a, van de Paspoortwet is vermeld, vallen ook heffingen, rechten, boeten, kosten en rente waarvan de heffing en inning is opgedragen aan het rijk, de provincie of de gemeente onder de werking van dit artikel.
|
||||
|
||||
Omdat een gegrond vermoeden moet bestaan dat betrokkene door verblijf in het buitenland zich aan de wettelijke mogelijkheden tot invordering wil onttrekken, is in beginsel geen begrenzing aan de omvang van de schuld gesteld.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4348,33 +4280,6 @@ Naast het tenietgaan van de schuld bestaat ook de mogelijkheid dat de ontvanger
|
|||
|
||||
Eveneens bestaat de mogelijkheid dat de hoop op een positief resultaat moet worden opgegeven, omdat ondanks alle aangewende pogingen de gesignaleerde niet meer kan worden achterhaald. Ook in deze gevallen kan de ontvanger door tussenkomst van het ministerie aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties meedelen dat de fiscale bezwaren tegen de afgifte van een reisdocument met normale geldigheidsduur zijn opgeheven. De mededeling dat de signalering kan worden opgeheven heeft tot gevolg dat de persoonsgegevens van de gesignaleerde uit het register paspoortsignaleringen worden verwijderd, tenzij tevens op verzoek van andere instanties signalering heeft plaatsgevonden.
|
||||
|
||||
### Artikel XVa
|
||||
|
||||
1. Het verplichtingensignaal is een signalering in het kentekenregister van de RDW Centrum voor voertuigtechniek en informatie. Het verplichtingensignaal wordt in het kentekenregister aangebracht voor een ieder die tenminste vijf aanslagen motorrijtuigenbelasting niet of niet volledig heeft betaald terwijl invordering niet op andere wijze mogelijk is gebleken. Het signaal zorgt ervoor dat een natuurlijke persoon of rechtspersoon geen kenteken meer op zijn naam kan zetten.
|
||||
|
||||
2. Er moet sprake zijn van tenminste vijf aanslagen motorrijtuigenbelasting, die onherroepelijk vaststaan. Het is niet noodzakelijk dat de betreffende aanslagen zien op aaneensluitende tijdvakken of op hetzelfde voertuig. Voor toepassing van het verplichtingensignaal tellen echter niet mee aanslagen motorrijtuigenbelasting:
|
||||
|
||||
a. die betrekking hebben op het belastingjaar 2004 of eerder;
|
||||
b. die niet meer worden ingevorderd, omdat invordering een onverdedigbare hardheid zou zijn;
|
||||
c. die niet meer worden ingevorderd omdat belastingschuldige de toezegging heeft gekregen dat hij voor die aanslagen verder niet meer zal worden bemoeilijkt;
|
||||
d. die niet meer worden ingevorderd omdat sprake is van een restbedrag;
|
||||
e. die als natuurlijke verbintenis worden aangemerkt, zoals bijvoorbeeld na verjaring of na beëindiging van een wettelijke schuldsaneringsregeling.
|
||||
|
||||
3. Voordat een signalering in de zin van dit hoofdstuk wordt aangebracht krijgt de belastingschuldige vooraf minimaal één waarschuwingsbrief. In die brief wordt belastingschuldige uitgenodigd alsnog de betreffende motorrijtuigenbelasting binnen 14 dagen te voldoen, zodat signalering kan worden voorkomen.
|
||||
|
||||
4. Als na afloop van de termijn van 14 dagen na de waarschuwingsbrief geen betaling heeft plaatsgevonden, wordt het verplichtingensignaal aangebracht. De ontvanger stelt de belastingschuldige in kennis van het aanbrengen van het verplichtingensignaal. Een verplichtingensignaal kan ook worden aangebracht gedurende een faillissement, minnelijke schuldsaneringsregeling of wettelijke schuldsaneringsregeling.
|
||||
|
||||
5. Een aangebrachte signalering wordt uit het register verwijderd als alle ten name van belastingschuldige openstaande aanslagen motorrijtuigenbelasting, met uitzondering van die genoemd in het tweede lid, onderdelen a tot en met e, van dit hoofdstuk zijn voldaan. Daartoe dient belastingschuldige een schriftelijk verzoek te richten aan de ontvanger.
|
||||
|
||||
De ontvanger zal het verplichtingensignaal ambtshalve opheffen op het moment dat ten name van belastingschuldige geen openstaande aanslagen motorrijtuigenbelasting meer invorderbaar zijn als gevolg van het feit dat deze aanslagen:
|
||||
|
||||
– zijn kwijtgescholden;
|
||||
– na homologatie van een akkoord worden aangemerkt als een natuurlijke verbintenis.
|
||||
|
||||
De ontvanger stelt belastingschuldige in kennis van het beëindigen van het verplichtingensignaal.
|
||||
|
||||
6. Het verplichtingensignaal dat wordt aangebracht voor belastingschuldigen van wie uit onderzoek is gebleken dat het motorrijtuig of de motorrijtuigen waarvan hij kentekenhouder is, hem niet toebehoort of toebehoren, wordt voorzien van de aantekening ‘katvanger’. Het gevolg van deze aantekening is dat het betreffende motorrijtuig of de betreffende motorrijtuigen actief wordt c.q. worden opgespoord. De uitzonderingsbepalingen van het tweede lid, onderdelen a tot en met e, alsmede – in verband met de vereiste spoed – het bepaalde in het derde lid van dit hoofdstuk blijven ten aanzien van de in dit lid bedoelde belastingschuldigen buiten toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel XVI
|
||||
|
||||
Richtlijn 90/435/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lid-staten voorziet in een verruiming van de deelnemingsvrijstelling en in het achterwege blijven van inhouding van dividendbelasting. De Richtlijn is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd door middel van de Wet van 10 september 1992, houdende wijziging van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies etc.), die terugwerkende kracht heeft tot 1 januari 1992.
|
||||
|
|
@ -4410,8 +4315,8 @@ In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
|
|||
°. aangezochte autoriteit: de bevoegde autoriteit van een staat aan wie een verzoek om bijstand bij de invordering is gericht; staat: hetzij
|
||||
|
||||
1. een lidstaat van de Benelux (België, Nederland en Luxemburg);
|
||||
2. een lidstaat van de Europese Unie (België, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, Italië, Letland, Litouwen, Luxemburg, Malta, Nederland, Oostenrijk, Polen, Portugal, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië, Verenigd Koninkrijk en Zweden);
|
||||
3. een lidstaat van de OESO/Raad van Europa, die het WABB-verdrag heeft geratificeerd (Azerbaidzian, België, Finland, Noorwegen, V.S., Nederland, Zweden, Denemarken, IJsland en Polen);
|
||||
2. een lidstaat van de Europese Unie (België, Nederland, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Oostenrijk, Portugal, Spanje, Verenigd Koninkrijk en Zweden)
|
||||
3. een lidstaat van de OESO/Raad van Europa, die het WABB-verdrag heeft geratificeerd (Finland, Noorwegen, V.S., Nederland, Zweden, Denemarken, IJsland en Polen);
|
||||
4. een mogendheid waarmee Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, alsmede
|
||||
5. de Nederlandse Antillen en Aruba; Internationale regelingen
|
||||
|
||||
|
|
@ -4419,17 +4324,15 @@ In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
|
|||
- Verordeningen en Richtlijnen van de Europese Unie,
|
||||
- Verdrag inzake de Wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken (WABB-Verdrag),
|
||||
- het Benelux Invorderingsverdrag,
|
||||
– het invorderingsverdrag met Duitsland,
|
||||
– het invorderingsverdrag met Nieuw-Zeeland,
|
||||
- de Belastingregeling voor het Koninkrijk,
|
||||
- overige regelingen waarbij Nederland betrokken is;
|
||||
- WWB: Wet wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingschulden en enkele andere schuldvorderingen (Wet van 24 oktober 1979, Stb. 572);
|
||||
- FIOD-ECD: de voorzitter van het managementteam van de FIOD-ECD;
|
||||
- Centraal aanspreekpunt: aanduiding voor de FIOD-ECD te Amsterdam respectievelijk de Belastingdienst/Douane Noord kantoor Nijmegen.
|
||||
- WWB: Wet wederzijdse bijstand bij de invordering van enkele EEG-heffingen, de omzetbelasting en de accijnzen (Wet van 24 oktober 1979, Stb. 572);
|
||||
- FIOD-ECD: de voorzitter van het managementteam van de FIOD-ECD te Haarlem;
|
||||
- Centraal aanspreekpunt: aanduiding voor de FIOD-ECD te Haarlem respectievelijk de Belastingdienst/Douane Noord kantoor Arnhem.
|
||||
|
||||
Onder de overige in dit hoofdstuk gebezigde begrippen wordt hetzelfde verstaan als in de andere hoofdstukken van deze leidraad wordt verstaan.
|
||||
|
||||
De internationale invordering ziet op alle maatregelen die in het buitenland kunnen worden getroffen om Nederlandse belasting en overige schuldvorderingen in te vorderen en op alle maatregelen die op verzoek van een andere staat in Nederland genomen kunnen worden om een buitenlandse schuld in te vorderen. Onder het begrip internationale invordering valt ook de wederzijdse bijstand bij de invordering waarbij de bevoegde fiscale en/of premie autoriteiten elkaar bijstaan, zulks op grond van afspraken die neergelegd zijn in internationale regelingen.
|
||||
De internationale invordering ziet op alle maatregelen die in het buitenland kunnen worden getroffen om Nederlandse belasting-, premie en overige schuldvorderingen in te vorderen en op alle maatregelen die op verzoek van een andere staat in Nederland genomen kunnen worden om een buitenlandse schuld in te vorderen. Onder het begrip internationale invordering valt ook de wederzijdse bijstand bij de invordering waarbij de bevoegde fiscale en/of premie autoriteiten elkaar bijstaan, zulks op grond van afspraken die neergelegd zijn in internationale regelingen.
|
||||
|
||||
De wederzijdse bijstand bij de invordering betreft vier hoofdvormen:
|
||||
|
||||
|
|
@ -4447,8 +4350,8 @@ Voor wat betreft de internationale invordering gelden de volgende algemene uitga
|
|||
- de aangezochte staat mag er op vertrouwen dat de mogelijkheden tot invordering op het grondgebied van de verzoekende staat onvoldoende zijn om de schuld te delgen;
|
||||
- de aangezochte autoriteit hoeft geen middelen toe te passen waarvoor de wet van de verzoekende staat geen voorziening kent;
|
||||
- de belastingvorderingen van de verzoekende staat hebben in de aangezochte staat geen voorrecht;
|
||||
- de wederzijdse bijstand tussen staten beperkt zich tot de belastingen en/of de andere middelen die het onderwerp van de regeling uitmaken;
|
||||
- wederzijdse bijstand heeft betrekking op de invordering van belastingen en/of overige schuldvorderingen, inclusief eventuele vervolgingskosten, rente en bestuurlijke boeten;
|
||||
- de wederzijdse bijstand tussen staten beperkt zich tot de belastingen, de premies en/of de andere middelen die het onderwerp van de regeling uitmaken;
|
||||
- wederzijdse bijstand heeft betrekking op de invordering van belastingen en/of premies en/of overige schuldvorderingen, inclusief eventuele vervolgingskosten, rente en bestuurlijke boeten;
|
||||
- de aangezochte staat spant zich zoveel mogelijk in om op juiste en snelle wijze wederzijdse bijstand te verlenen terzake van de invordering van de schuldvorderingen van de verzoekende staat.
|
||||
|
||||
Van deze uitgangspunten wordt uitgegaan tenzij de desbetreffende internationale regeling anderszins bepaalt.
|
||||
|
|
@ -4461,9 +4364,9 @@ De wederzijdse bijstand gaat uit van contacten tussen bevoegde autoriteiten. Voo
|
|||
|
||||
De directeur-generaal Belastingdienst is belast met de internationale wederzijdse bijstand namens de Staatssecretaris van Financiën. De werkzaamheden van met name beleidsmatige aard en bijzondere werkzaamheden van uitvoerende aard op dit gebied worden uitgevoerd door het team Internationaal van het directoraat-generaal Belastingdienst. De teams Ondernemingen en Particulieren en formeel recht van het directoraat-generaal Belastingdienst zijn belast met de behandeling van verzoeken aan H.M. de Koningin, de Commissie voor de Verzoekschriften van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal, de Benelux Ombudsman, de Commissie voor de Verzoekschriften van het Europese Parlement en andere soortgelijke organen, waarvan klachten op het gebied van de internationale invordering kunnen worden voorgelegd. De directeur-generaal Belastingdienst is gemachtigd om met betrekking tot het nemen van besluiten in het kader van de internationale invordering (onder)mandaat te verlenen aan daartoe door hem aan te wijzen functionarissen. De uitvoerende werkzaamheden op het gebied van de internationale invordering zijn zo veel mogelijk verlegd naar de Belastingdienst.
|
||||
|
||||
De directe contacten tussen de Nederlandse en buitenlandse belastingadministraties vinden uit een oogpunt van herkenbaarheid plaats door het ministerie en een beperkt aantal Centrale aanspreekpunten, die functioneel onder de directeur-generaal Belastingdienst vallen. Voor de organisatieonderdelen van de Belastingdienst, niet belast met douaneaangelegenheden, fungeert de FIOD-ECD te Amsterdam als Centraal aanspreekpunt. Voor de organisatieonderdelen van de Belastingdienst, belast met douaneaangelegenheden, is het Centrale aanspreekpunt de Belastingdienst/Douane Noord/kantoor Nijmegen.
|
||||
De directe contacten tussen de Nederlandse en buitenlandse belastingadministraties vinden uit een oogpunt van herkenbaarheid plaats door het ministerie en een beperkt aantal Centrale aanspreekpunten, die functioneel onder de directeur-generaal Belastingdienst vallen. Voor de organisatieonderdelen van de Belastingdienst, niet belast met douaneaangelegenheden, fungeert de FIOD-ECD te Haarlem als Centraal aanspreekpunt. Voor de organisatieonderdelen van de Belastingdienst, belast met douaneaangelegenheden, is het Centrale aanspreekpunt de Belastingdienst/Douane Noord/kantoor Arnhem.
|
||||
|
||||
Voor de invordering van premies zijn andere instanties actief. De ontvanger richt zijn verzoek om bijstand bij de invordering van sociale verzekeringspremies rechtstreeks aan die instanties.
|
||||
Voor de invordering van premies zijn andere instanties actief. De ontvanger richt zijn verzoek om bijstand bij de invordering van premies sociale zekerheid rechtstreeks aan die instanties.
|
||||
|
||||
Ten aanzien van de wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingen naar het inkomen, de winst en het vermogen, van belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht en schenkingen, alsmede de omzetbelasting is de FIOD-ECD belast met het, namens de Staatssecretaris van Financiën, behandelen van verzoek om bijstand bij de invordering, die gebaseerd zijn op een internationale regeling, waarin een bepaling is opgenomen inzake de internationale invordering van belastingen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4481,7 +4384,7 @@ Ten aanzien van de wederzijdse bijstand bij de invordering van schuldvorderingen
|
|||
|
||||
De directeur is gemachtigd om met betrekking tot het nemen van besluiten (onder) mandaat te verlenen aan daartoe door hem aan te wijzen functionarissen.
|
||||
|
||||
De feitelijke werkzaamheden terzake van de internationale invordering worden in opdracht van de directeur uitgevoerd door de Belastingdienst/Douane Noord/kantoor Nijmegen.
|
||||
De feitelijke werkzaamheden terzake van de internationale invordering worden in opdracht van de directeur uitgevoerd door de Belastingdienst/Douane Noord/kantoor Arnhem.
|
||||
|
||||
Verzoeken waarvan de voldoening kan leiden tot aantasting van de openbare orde of andere wezenlijke belangen van de staat dan wel invloed kunnen hebben op het gevoerde beleid worden voorgelegd aan het ministerie.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4489,7 +4392,7 @@ Hiervan is in ieder geval sprake bij strafrechtelijke aspecten en grote financi
|
|||
|
||||
De ontvanger wendt zich ook tot het ministerie in gevallen van internationale invordering waarin het vragen van toestemming nodig is dan wel hij overleg moet voeren. Dit doet zich voor bij het aanvragen van een faillissement of lijfsdwang en voor alle in het buitenland te voeren procedures waarin de ontvanger als eiser wil optreden.
|
||||
|
||||
Indien de ontvanger niet via de gebruikelijke mogelijkheden in staat is inlichtingen te verkrijgen, die van nut kunnen zijn voor de invordering van een Nederlandse schuldvordering, doet hij een verzoek om inlichtingen aan een andere staat. De ontvanger kan in elk stadium van de invordering een dergelijk verzoek doen. Inlichtingen kunnen dus ook worden gevraagd wanneer een schuld nog niet onherroepelijk vaststaat. Een verzoek tot het verstrekken van inlichtingen wordt door tussenkomst van de FIOD-ECD, de Belastingdienst/Douane Noord/kantoor Nijmegen of de bevoegde autoriteit op het terrein van de premie-invordering gedaan.
|
||||
Indien de ontvanger niet via de gebruikelijke mogelijkheden in staat is inlichtingen te verkrijgen, die van nut kunnen zijn voor de invordering van een Nederlandse schuldvordering, doet hij een verzoek om inlichtingen aan een andere staat. De ontvanger kan in elk stadium van de invordering een dergelijk verzoek doen. Inlichtingen kunnen dus ook worden gevraagd wanneer een schuld nog niet onherroepelijk vaststaat. Een verzoek tot het verstrekken van inlichtingen wordt door tussenkomst van de FIOD-ECD, de Belastingdienst/Douane Noord/kantoor Arnhem of de bevoegde autoriteit op het terrein van de premie-invordering gedaan.
|
||||
|
||||
Alvorens een voorstel tot een verzoek te doen gaat de ontvanger na of dit op grond van internationale afspraken mogelijk is.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4533,10 +4436,6 @@ Wanneer invordering plaatsvindt voor een buitenlandse schuld van een overledene,
|
|||
|
||||
Op basis van Richtlijn 76/308 kan Nederland worden gevraagd een individu (of bedrijf) te confronteren met een verzoek van een andere lidstaat en vervolgens - op basis van een buitenlandse executoriale titel - invorderingsactiviteiten te verrichten, terwijl niet uitgesloten is dat de vordering later als gevolg van betwisting c.q. aanvechting door de schuldenaar onterecht blijkt te zijn geweest. Strikt genomen leidt een dergelijk verzoek niet tot schorsing van de invorderingsactiviteiten. Toch blijven de gevolgen van een verzoek tot onmiddellijke invordering zonder schorsing beperkt, aangezien op basis van artikel 9, tweede lid, van de Richtlijn (artikel 19 van de WWB) uitstel van betaling zal worden verleend. Slechts in de situatie waarin in het kader van de bestrijding van fraude een verzoek wordt gedaan een belastingschuld of andere schuldvordering onmiddellijk in te vorderen zonder schorsing wordt dit uitstel niet verleend.
|
||||
|
||||
Op basis van de Richtlijn 76/308 is de aangezochte lidstaat niet gehouden de gevraagde bijstand te verlenen wanneer het verzoek betrekking heeft op een schuldvordering die meer dan vijf jaar bestaat, te rekenen vanaf het tijdstip van vaststelling van de executoriale titel. In de gevallen waarin de schuldvordering of de titel wordt betwist, wordt de termijn berekend vanaf het tijdstip waarop de verzoekende staat vaststelt dat de schuldvordering of de titel niet langer kunnen worden betwist.
|
||||
|
||||
Het beleid is er op gericht een dergelijk verzoek in behandeling te nemen.
|
||||
|
||||
Voor verzoeken om conservatoire maatregelen aan een andere staat geldt in zijn algemeenheid hetzelfde als voor een verzoek om bijstand bij de invordering, met dat verschil dat de belastingaanslag niet onbetwist of onherroepelijk vast hoeft te staan en zekerheidsmaatregelen noodzakelijk zijn. In een aantal gevallen dient de ontvanger bij het verzoek om conservatoire maatregelen te treffen een executoriale titel te overleggen.
|
||||
|
||||
De ontvanger laat een voorstel tot het nemen van conservatoire maatregelen in het buitenland achterwege indien het verschuldigde bedrag lager is dan € 2269, tenzij bijzondere omstandigheden maatregelen een lager bedrag rechtvaardigen.
|
||||
|
|
@ -4549,174 +4448,37 @@ Indien (nog) geen verzoek om wederzijdse bijstand bij de invordering kan worden
|
|||
|
||||
Het door het ministerie gevoerde beleid is er op gericht om slechts in bijzondere gevallen door middel van een procedure te trachten de Nederlandse belastingschuld met behulp van de rechter in te vorderen. Voor dergelijke gevallen geldt dat een substantieel deel van de schuld materieel verschuldigd kan worden geacht en van voldoende omvang is, dat de schuld vermoedelijk verhaalbaar is in het buitenland, alsmede dat een verzoek om wederzijdse bijstand niet mogelijk is.
|
||||
|
||||
### Artikel XVIII
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
Hoofdstuk 2 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) bevat de procedureregels die gelden voor inkomensafhankelijke regelingen die door Belastingdienst/Toeslagen worden uitgevoerd.
|
||||
|
||||
De inkomensafhankelijke regelingen die door Belastingdienst/Toeslagen worden uitgevoerd zijn: de Wet op het kindgebonden budget, de Wet op de zorgtoeslag en de Wet kinderopvangtoeslag. In dit hoofdstuk van de Leidraad zal, gemakshalve, steeds gebruik worden gemaakt van de term ‘toeslag’ daar waar de Awir in algemene termen spreekt van een ‘tegemoetkoming op grond van een inkomensafhankelijke regeling’. Daarnaast wordt de term ‘toeslagenschuld’ gehanteerd ter aanduiding van de betalingsverplichting die belanghebbende heeft jegens Belastingdienst/Toeslagen op grond van een terugvorderingsbeschikking.
|
||||
|
||||
Paragraaf 3 van hoofdstuk 2 Awir heeft betrekking op de wijze van uitbetaling en terugvordering van een toeslag en omschrijft tevens de bevoegdheden die Belastingdienst/Toeslagen heeft om een teruggevorderde toeslag in te vorderen. Behalve de invorderingsbevoegdheden die Belastingdienst/Toeslagen heeft op grond van de Awir kan Belastingdienst/Toeslagen ook gebruik maken van de bevoegdheden die het civiele recht een schuldeiser biedt.
|
||||
|
||||
Belastingdienst/Toeslagen is belast met het toekennen, uitbetalen en terugvorderen van een toeslag. De voorzitter van het managementteam van Belastingdienst/Toeslagen heeft de voorzitters van de managementteams van de onderdelen van de Belastingdienst die zijn belast met de invordering van rijksbelastingen mandaat verleend om namens Belastingdienst/Toeslagen toeslagenschuld in te vorderen. In de uitoefening van die invorderingstaak treden zij niet op in hun hoedanigheid van ontvanger maar als – het bestuursorgaan – Belastingdienst/Toeslagen. De belastingdeurwaarder is in de Awir bevoegd verklaard voor het verrichten van deurwaarderswerkzaamheden in opdracht van Belastingdienst/Toeslagen.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
De Belastingdienst/Toeslagen kan teveel of ten onrechte uitbetaalde toeslag terugvorderen. Een toeslagenschuld wordt aan de belanghebbende bekend gemaakt door middel van toezending van een beschikking. Deze beschikking is voor bezwaar vatbaar.
|
||||
|
||||
De aanleiding voor het terugvorderen op grond van de Awir kan gelegen zijn in het feit dat:
|
||||
|
||||
– het te verlenen voorschot op de toeslag is herzien tot een lager bedrag dan reeds is uitbetaald ;
|
||||
– de toegekende toeslag is vastgesteld tot een lager bedrag dan het voorschot dat is verleend;
|
||||
– de toegekende toeslag is herzien tot een lager bedrag.
|
||||
|
||||
De Awir geeft aan dat op de belanghebbende de verplichting rust het bedrag van de terugvordering te betalen. Met ‘de belanghebbende’ wordt de persoon bedoeld aan wie de toeslag of het voorschot op de toeslag dat ten grondslag ligt aan de terugvordering is toegekend.
|
||||
|
||||
Een terugvordering kent ingevolgde artikel 28 Awir een betalingstermijn van twee maanden, te rekenen vanaf de dagtekening die is vermeld op de terugvorderingsbeschikking. Deze termijn geldt voor iedere terugvordering ongeacht de aanleiding om tot terugvordering over te gaan.
|
||||
|
||||
Voor een door Belastingdienst/Toeslagen opgelegde boete geldt ook een betalingstermijn van twee maanden, te rekenen vanaf de dagtekening die is vermeld op de boetebeschikking.
|
||||
|
||||
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op deze termijnen.
|
||||
|
||||
Indien de betalingstermijn van een terugvordering wordt overschreden, wordt op grond van artikel 29 Awir invorderingsrente in rekening gebracht op dezelfde wijze als dat voor belastingschulden is geregeld in de artikelen 28 en 29 van de wet. Dat houdt onder meer in dat de rente enkelvoudig wordt berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na de vervaldag van de betalingstermijn en eindigt op de dag voorafgaand aan die van de betaling. Tevens vloeit daaruit voort dat rente ook kan worden vergoed door Belastingdienst/Toeslagen. Dat gebeurt met name in het geval de belanghebbende aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan en het bedrag van de terugvorderingsbeschikking naderhand wordt verminderd.
|
||||
|
||||
Als de terugvordering niet of niet volledig binnen de betalingstermijn wordt voldaan zendt Belastingdienst/Toeslagen de belanghebbende eerst (kosteloos) een schriftelijke betalingsherinnering voordat tot dwanginvordering wordt overgegaan. Het betalingsgedrag van de belanghebbende of diens gedrag met betrekking tot het verstrekken van informatie ten behoeve van de toekenning van een toeslag of voorschot op een toeslag kan aanleiding zijn om het zenden van een betalingsherinnering achterwege te laten en direct tot dwanginvordering over te gaan.
|
||||
|
||||
Als de toeslagenschuld niet of niet volledig binnen de betalingstermijn wordt voldaan zendt Belastingdienst/Toeslagen belanghebbende een aanmaning om alsnog binnen een termijn van tien dagen na dagtekening van de aanmaning te betalen. Zie in dit verband artikel 32, eerste lid, Awir. Een aanmaning wordt eveneens verzonden als de betalingsherinnering niet of niet tijdig tot algehele voldoening van de toeslagenschuld leidt.
|
||||
|
||||
Als na het verstrijken van de aanmaningstermijn de openstaande schuld nog steeds niet is voldaan, heeft Belastingdienst/Toeslagen op grond van artikel 32, tweede lid, Awir de bevoegdheid een dwangbevel uit te vaardigen.
|
||||
|
||||
De betekening van het dwangbevel vindt op grond van artikel 32, derde lid, Awir plaats met overeenkomstige toepassing van artikel 13 van de wet. Dit houdt in dat naast de in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorgeschreven wijze van betekening van het dwangbevel door een belastingdeurwaarder, betekening ook kan geschieden door verzending van een afschrift van het dwangbevel per post.
|
||||
|
||||
De tenuitvoerlegging van het dwangbevel dient ingevolge artikel 32, vierde lid, Awir te geschieden volgens de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dan wel, indien er sprake is van een per post betekend dwangbevel, volgens de specifieke regels van tenuitvoerlegging op grond van artikel 14, tweede lid, van de wet.
|
||||
|
||||
Tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel is op grond van artikel 32, vijfde lid, Awir verzet mogelijk met overeenkomstige toepassing van artikel 17 van de wet. Uit het van overeenkomstige toepassing verklaren van artikel 17 van de wet vloeit voort dat het instellen van verzet een schorsende werking heeft ten aanzien van de tenuitvoerlegging. Ook de uitsluitingsgronden van artikel 17 voor het kunnen instellen van verzet zijn van toepassing. Zo kan het verzet niet gegrond zijn op de stelling dat de terugvorderingsbeschikking niet ontvangen zou zijn.
|
||||
|
||||
Op grond van artikel 32, zesde lid, Awir kan Belastingdienst/Toeslagen gebruik maken van de bevoegdheid tot het doen van een vordering ex artikel 19 van de wet onder de werkgever, de uitkeringsinstantie of een andere derde als bedoeld in het eerste lid van laatstgenoemd artikel. Belastingdienst Toeslagen kan overigens geen gebruik maken van de bevoegdheid opgenomen in artikel 19, tweede lid, van de wet. Een toeslagenschuld moet namelijk worden aangemerkt als een concurrente schuld. Daarbij hoort niet dat Belastingdienst/Toeslagen, als ware het een preferente schuldeiser, jegens de in dat lid genoemde derden het middel van de vordering in stelling kan brengen. Ingeval van faillissement of toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal Belastingdienst/Toeslagen de toeslagenschuld ter verificatie moeten indienen bij de curator of bewindvoerder.
|
||||
|
||||
De overeenkomstige toepassing van artikel 19 van de wet houdt wel in dat aan het doen van een vordering een vooraankondiging vooraf gaat, ook als het gaat om een vordering onder een uitkeringsinstantie. Bovendien moet rekening worden gehouden met de beslagvrije voet regeling van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dat wil zeggen dat de vordering slechts wordt gedaan voor zover er sprake is van periodieke inkomsten (zoals loon of een uitkering), die uitstijgen boven het vrij te laten normbedrag bestemd om te kunnen voorzien in de kosten van het bestaan.
|
||||
|
||||
Zodra Belastingdienst/Toeslagen bekend is met het feit dat ten aanzien van een belanghebbende het faillissement is uitgesproken, dan wel de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard, zullen eventuele invorderingsmaatregelen worden gestaakt en lopende betalingsregelingen worden beëindigd. Zoals in het vierde lid van deze paragraaf al is opgemerkt dient de openstaande toeslagenschuld met betrekking tot de periode voorafgaand aan het tijdstip van faillissement of schuldsanering, ter verificatie te worden aangemeld bij de curator of de bewindvoerder. Voorafgaand aan de aanmelding van de toeslagenschuld blijft verrekening van die schuld met uit te betalen bedragen op basis van een voorschot achterwege. Gedurende het faillissement of de wettelijke schuldsaneringsregeling vindt eveneens geen verrekening plaats van de openstaande toeslagenschuld met uit te betalen bedragen op basis van een verleend voorschot. Uitbetalingen met een eenmalig karakter (nabetaling van een toeslag of een teruggaaf inkomstenbelasting) kunnen wel worden verrekend indien en voor zover zij betrekking hebben op de periode gelegen vóór datum faillissement c.q. datum van de van toepassing verklaring van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Uit artikel 45 Awir (beslagverbod) vloeit voort dat een eventuele toeslag niet in de boedel vloeit. Gedurende de looptijd van een faillissement of schuldsaneringsregeling geldt dat een eventuele toeslag uitbetaald zal worden op het door de belanghebbende daartoe bestemde rekeningnummer, hetgeen ook het rekeningnummer van de curator of de bewindvoerder kan zijn.
|
||||
|
||||
Na afloop van het faillissement kan met betrekking tot de dan nog resterende toeslagenschuld dwanginvordering en verrekening plaats vinden door de Belastingdienst/Toeslagen. Dat geldt niet voor de na afloop van een wettelijke schuldsaneringsregeling resterende toeslagenschuld. De nakoming daarvan kan niet rechtens worden afgedwongen.
|
||||
|
||||
Voor toeslagenschuld geldt dat het invorderingsbeleid voor belastingschulden zoals dat thans is verwoord in artikel 25, paragraaf 13A, van deze leidraad overeenkomstig wordt toepast. Dit betekent dat Belastingdienst/Toeslagen na de totstandkoming van een zogenoemde ‘minnelijke schuldsaneringsregeling’ volgens de gedragscode van de Nederlandse vereniging voor Volkskrediet, onder voorwaarden gedurende 36 maanden uitstel van betaling verleent voor toeslagenschuld.
|
||||
|
||||
Artikel 32, zevende lid, Awir verklaart artikel 27 van de wet van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat voor het door Belastingdienst/Toeslagen uit te oefenen recht van dwanginvordering en de bevoegdheid tot verrekening een verjaringstermijn van vijf jaren geldt, te rekenen vanaf de dag waarop de toeslagenschuld opeisbaar is. De verjaringstermijn voor wat betreft de terugvordering van een toeslag kan op dezelfde gronden kan worden gestuit of verlengd als de verjaringstermijn van een belastingaanslag.
|
||||
|
||||
Artikel 30 Awir bevat het verrekeningsregime zoals dat geldt voor toeslagen. Voorwaarde voor verrekening is dat er sprake moet zijn van een toeslagenschuld. Verrekening van die schuld is in de eerste plaats mogelijk met een aan dezelfde belanghebbende uit te betalen toeslag. In de regel zal het dan gaan om een uit te betalen toeslag op grond van dezelfde inkomensafhankelijke regeling als die waar de toeslagenschuld betrekking op heeft. Verrekening van de schuld met een uit te betalen toeslag op grond van een andere inkomensafhankelijke regeling is echter ook mogelijk. Voor de verrekening is niet relevant op welk berekeningsjaar de terugvordering of het uit te betalen bedrag betrekking hebben.
|
||||
|
||||
In de tweede plaats kan een toeslagenschuld ook verrekend worden met een aan dezelfde belanghebbende uit te betalen teruggaaf die voortvloeit uit een aanslag of voorlopige aanslag inkomstenbelasting. Van deze bevoegdheid zal alleen gebruik worden gemaakt als de belastingontvanger de belastingteruggaaf niet met belastingschulden wil verrekenen.
|
||||
|
||||
In de Awir is bepaald dat de toeslagenschuld opeisbaar moet zijn alvorens tot verrekening kan worden overgaan. Dat houdt in dat na het vaststellen van de beschikking waaruit de betalingsverplichting voortvloeit de belanghebbende niet direct met een verrekening – van bijvoorbeeld lopende voorschotten – wordt geconfronteerd. De belanghebbende krijgt eerst de gelegenheid om de betalingstermijn te benutten om betalingsmaatregelen te treffen.
|
||||
|
||||
Het initiatief om tot verrekening over te gaan zal in de regel liggen bij Belastingdienst/Toeslagen. De belanghebbende kan Belastingdienst/Toeslagen echter ook verzoeken om van de verrekeningsbevoegdheid gebruik te maken. In dat geval kan ook verrekening plaats vinden voordat de betalingstermijn is verstreken.
|
||||
|
||||
Voor de eventueel in rekening gebrachte rente of bestuurlijke boete geldt dat zij de verrekening zoals die wordt toegepast op de hoofdsom (de toeslagenschuld) volgen.
|
||||
|
||||
Zolang door Belastingdienst/Toeslagen uitstel is verleend voor de betaling van een toeslagenschuld, vindt met betrekking tot deze toeslagenschuld in beginsel geen verrekening plaats met termijnbedragen die worden uitbetaald op basis van een verleend voorschot op de toeslag of met termijnbedragen die worden uitbetaald op grond van een voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting. Verrekening met termijnbedragen is echter wel toegestaan indien en voor zover deze worden aangewend in het kader van de aflossing van een toeslagenschuld door middel van een betalingsregeling als bedoeld in paragraaf 5 hierna.
|
||||
|
||||
De Awir biedt Belastingdienst/Toeslagen de mogelijkheid uitstel van betaling te verlenen voor een teruggevorderd bedrag. Op grond van een delegatiebepaling zijn nadere regels voor het verlenen van uitstel van betaling opgenomen in de Uitvoeringsregeling Awir. Artikel 7 van deze regeling geeft de regels die gelden voor uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen. Artikel 8 bevat de regels die gelden voor uitstel van betaling in verband met een ingediend bezwaar tegen de toeslagenschuld.
|
||||
|
||||
Zie in dit verband ook artikel 25, § 13, lid 11, van deze leidraad.
|
||||
|
||||
2. Als uitgangspunt geldt dat de belanghebbende die teveel ontvangen toeslag moet terugbetalen in de gelegenheid wordt gesteld om het bedrag dat is teruggevorderd te voldoen met behulp van een standaardbetalingsregeling.
|
||||
|
||||
Deze betalingsregeling (hierna: de standaardregeling) wordt zonder nader onderzoek in te stellen, door Belastingdienst/Toeslagen aangeboden en gaat uit van een af te lossen bedrag van € 20 per maand voor iedere terugvordering afzonderlijk.
|
||||
|
||||
De periode waarover de regeling zich uitstrekt is maximaal 24 maanden te rekenen vanaf één maand na de dagtekening van de terugvorderingsbeschikking. De eerste termijn moet voldaan zijn op de vervaldag van de terugvorderingsbeschikking. Als het teruggevorderde bedrag groter is dan € 480 wordt het maandelijks af te lossen bedrag zodanig verhoogd dat aflossing binnen 24 maanden mogelijk is. Een teruggevorderd bedrag van € 1200 zal, bijvoorbeeld, met behulp van de standaardregeling afgelost kunnen worden in 24 maandelijkse termijnen van € 50.
|
||||
|
||||
Aflossing kan op twee manieren plaatsvinden:
|
||||
|
||||
a. de belanghebbende maakt maandelijks het termijnbedrag over naar de rekening van de Belastingdienst;
|
||||
b. Belastingdienst/Toeslagen verrekent het termijnbedrag met het maandelijks uit te keren voorschot van de belanghebbende.
|
||||
|
||||
De situatie kan zich voordoen dat belanghebbende tijdens de looptijd van een standaardregeling te maken krijgt met een nieuwe terugvordering in het kader van dezelfde toeslag. In die gevallen vindt een vernieuwing van de standaardregeling plaats door het bedrag van de nieuwe terugvordering op te tellen bij het nog resterende bedrag van de terugvordering waarvoor de standaardregeling loopt. Voor het totaal geldt dan weer de hiervoor omschreven aflossingssystematiek van € 20 per maand gedurende maximaal 24 maanden.
|
||||
|
||||
Belanghebbende A maakt gebruik van de standaardregeling voor een terugvordering huurtoeslag van € 400. Op een tijdstip dat A nog € 240 moet aflossen, ontvangt hij een nieuwe terugvordering huurtoeslag van € 80. A kan dan (opnieuw) gebruik maken van de standaardregeling door gedurende 16 maanden € 20 af te lossen.
|
||||
|
||||
In daartoe aanleiding gevende situaties kan Belastingdienst/Toeslagen een andere betalingsregeling toestaan dan de standaardregeling. Hiervan kan slechts sprake zijn als de belanghebbende schriftelijk kenbaar maakt dat hij niet in staat is om de toeslagenschuld te voldoen onder de condities die gelden voor de standaardregeling. Hij is dan tevens gehouden om, op het daartoe bestemde formulier, de benodigde informatie te verstrekken aan Belastingdienst/Toeslagen om te kunnen beoordelen of er sprake is van onvoldoende betalingscapaciteit om een maandelijkse aflossing overeenkomstig de standaardregeling te kunnen verrichten.
|
||||
|
||||
Als maatstaf voor de beoordeling of iemand over voldoende betalingscapaciteit beschikt gelden de regels zoals die ook voor de invordering van belastingschulden gelden. Daarnaast geldt het uitgangspunt, zoals dat ook voor de invordering van belastingschulden geldt, dat het beschikken over vermogen een uitsluitingsgrond vormt om in aanmerking te komen voor een betalingsregeling die rekening houdt met de betalingscapaciteit.
|
||||
|
||||
De artikelen 11, 12 en 13 van de regeling zijn in dit kader van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
|
||||
|
||||
– naast het netto-besteedbaar inkomen van de belanghebbende ook rekening wordt gehouden met het netto-besteedbaar inkomen van een eventuele partner als bedoeld in artikel 3 van de Awir;
|
||||
– bevoorrechte schulden (zoals belastingschulden) op het vermogen in mindering mogen worden gebracht.
|
||||
|
||||
Als uit de verstrekte gegevens blijkt dat de betalingscapaciteit voldoende is om de toeslagenschuld af te lossen volgens de standaardregeling, zal Belastingdienst/Toeslagen het verzoek om een andere betalingsregeling afwijzen. Mocht echter blijken dat de betalingscapaciteit lager is dan € 20 per maand maar voldoende om het bedrag van de toeslagenschuld in maximaal 24 maanden te voldoen, zij het met een lager bedrag dan € 20, dan zal Belastingdienst/Toeslagen een betalingsregeling die is gebaseerd op de betalingscapaciteit toestaan.
|
||||
|
||||
Indien de belanghebbende wel over betalingscapaciteit beschikt, maar niet voldoende om de toeslagenschuld af te lossen in 24 maanden, zal Belastingdienst/Toeslagen een regeling voor 24 maanden treffen, gebaseerd op de betalingscapaciteit. In de uitstelbeschikking zal worden opgenomen dat de regeling opnieuw wordt bezien na verloop van twaalf maanden. Na die twaalf maanden zal Belastingdienst/Toeslagen de belanghebbende opnieuw een vragenformulier toesturen. Wordt na ontvangst van dat formulier een inkomensverbetering geconstateerd, dan wordt het lopende uitstel ingetrokken en een nieuwe uitstelregeling getroffen op basis van het hogere bedrag van de betalingscapaciteit, gedurende de resterende twaalf maanden. Als een inkomensvermindering wordt geconstateerd, dan wordt een nieuwe uitstelregeling getroffen op basis van het lagere bedrag voor de resterende periode van twaalf maanden.
|
||||
|
||||
Als de belanghebbende een betalingsregeling is toegestaan als bedoeld in het derde lid die rekening houdt met een betalingscapaciteit die ontoereikend is om het teruggevorderde bedrag binnen 24 maanden te voldoen, zal Belastingdienst/Toeslagen na afloop van die regeling de belanghebbende meedelen geen invorderingsmaatregelen te zullen nemen voor de nog openstaande schuld.
|
||||
|
||||
Indien aan de hand van de gegevens op het door belanghebbende ingevulde vragenformulier is vastgesteld dat hij niet over enige betalingscapaciteit beschikt, dan zal Belastingdienst/Toeslagen de belanghebbende na die vaststelling meedelen geen invorderingsmaatregelen te zullen nemen met betrekking tot de toeslagenschuld in kwestie.
|
||||
|
||||
In beide situaties wordt aan de mededeling de voorwaarde verbonden dat eventuele toeslagen en teruggaven inkomstenbelasting, voor zover die niet in maandelijkse termijnen worden uitbetaald, zullen worden verrekend met de buiten invordering gelaten schuld.
|
||||
|
||||
Vervallen.
|
||||
|
||||
Als het ontstaan van de toeslagenschuld te wijten is aan opzet of grove schuld van de belanghebbende of diens partner, dan komt belanghebbende niet in aanmerking voor een betalingsregeling of voor een beschikking niet verder bemoeilijken als bedoeld in deze paragraaf. In dat geval is er ook geen plaats voor enige terughoudendheid in de uitoefening van de bevoegdheid tot dwanginvordering of verrekening.
|
||||
|
||||
Belastingdienst/Toeslagen verleent uitstel voor de betaling van een toeslagenschuld indien de belanghebbende tegen die toeslagenschuld bezwaar indient. Het bezwaarschrift moet dan wel vóór het verstrijken van de bezwaartermijn zijn ingediend en zijn voorzien van de gronden van het bezwaar. Een en ander brengt met zich mee dat voor een niet-ontvankelijk bezwaar in de regel geen uitstel van betaling zal worden verleend.
|
||||
|
||||
Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing op een ingediend bezwaar van de belanghebbende tegen de herzienings- of toekenningsbeschikking van Belastingdienst/Toeslagen die de aanleiding vormt om tot terugvordering over te gaan.
|
||||
|
||||
Belastingdienst/Toeslagen zal automatisch uitstel van betaling verlenen voor een toeslagenschuld indien sprake is van een (fiscale) procedure die belanghebbende voert met de inspecteur over de aanslag inkomstenbelasting die aan de toeslagenschuld ten grondslag ligt.
|
||||
|
||||
De partner van de belanghebbende, als bedoeld in artikel 3 Awir, is op grond van 33 Awir aansprakelijk voor de schuld die voortvloeit uit een toeslagenschuld die de belanghebbende onbetaald laat. Conform de systematiek van de Awir zal de partner alleen aansprakelijk worden gesteld voor zover die ook feitelijk partner van de belanghebbende was gedurende de periode waarop de toeslagenschuld betrekking heeft. Een nieuwe partner kan dus niet aansprakelijk worden gesteld voor een toeslagenschuld die ziet op de periode waarin er nog geen sprake was van partnerschap. Van aansprakelijkheid voor eventueel met de terugvordering samenhangende schulden in de vorm van een bestuurlijke boete kan slechts sprake zijn wanneer sprake is van een gedraging van de partner die ten grondslag ligt aan of mede ten grondslag ligt aan het feit dat een boete is opgelegd.
|
||||
|
||||
De aansprakelijkstelling van de partner vindt bij beschikking plaats. Voor de aansprakelijkgestelde partner staat dezelfde rechtsgang open als de rechtsgang die de belanghebbende heeft tegen de toeslagenschuld. Dat wil zeggen dat voor wat betreft het bezwaar de aansprakelijkgestelde zich zal moeten richten tot Belastingdienst/Toeslagen en voor wat betreft het beroep tegen die uitspraak tot de bestuursrechter van de rechtbank. Als hogere beroepsinstantie fungeert de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Ook voor de aansprakelijkheidschuld geldt een betalingstermijn van twee maanden. Ten aanzien van de in te vorderen aansprakelijkheidsschuld gelden dezelfde verrekening- en dwanginvorderingsbepalingen als die voor de belanghebbende gelden. Dat geldt ook voor het verkrijgen van uitstel van betaling.
|
||||
|
||||
De door Belastingdienst/Toeslagen uit te betalen toeslagen zijn slechts beperkt vatbaar voor beslag. Zo kan:
|
||||
|
||||
– de verhuurder (voor niet betaalde huur) beslag leggen op de huurtoeslag;
|
||||
– de zorgverzekeraar (voor niet betaalde premie) beslag leggen op de zorgtoeslag;
|
||||
– de kinderopvangstelling (voor niet betaalde kinderopvangkosten) beslag leggen op de kinderopvangtoeslag, en
|
||||
– Belastingdienst/Toeslagen (voor niet betaalde terugvorderingsbeschikkingen) beslag leggen op alle toeslagen.
|
||||
|
||||
Voor het overige geldt een beslagverbod.
|
||||
|
||||
Een verhuurder, een zorgverzekeraar en een kinderopvanginstelling kunnen dus beslag leggen op een toeslag. Daarbij geldt echter de eis dat de vordering die zij jegens de toeslaggerechtigde hebben (in verband met, bijvoorbeeld, het onbetaald laten van de verzekeringspremie) betrekking moet hebben op het niet naleven van betalingsverplichtingen in hetzelfde jaar als het berekeningsjaar van de toeslag. Voor vorderingen die zijn ontstaan vóór 2006 is in het geheel geen beslag op een door Belastingdienst/Toeslagen uit te betalen toeslag mogelijk.
|
||||
|
||||
Voor de vraag onder wie derdenbeslag moet worden gelegd, onder de Belastingdienst/Toeslagen dan wel onder de regiokantoren, wordt opgemerkt dat derdenbeslag moet worden gelegd onder het organisatieonderdeel Belastingdienst/Toeslagen. Dat Belastingdienstonderdeel is namelijk het bestuursorgaan dat op grond van de Awir is belast met de uitbetaling van de toeslagen. Een gelegd beslag onder (de ontvanger van) de regiokantoren is niet rechtsgeldig. In die gevallen meldt ( de ontvanger van) het regiokantoor op het verklaringsformulier geen toeslag onder zich te hebben en wordt voor nadere informatie verwezen naar Belastingdienst/Toeslagen.
|
||||
|
||||
Een gerechtsdeurwaarder die gerechtigd is beslag te leggen ten laste van een schuldenaar is bevoegd aan Belastingdienst/Toeslagen te vragen of er periodieke betalingen worden verricht aan de schuldenaar. Belastingdienst/Toeslagen is verplicht schriftelijk te antwoorden en kan zich daarbij niet beroepen op een geheimhoudingsplicht, mits de gerechtsdeurwaarder in zijn verzoek om informatie duidelijk maakt dat hij handelt in opdracht van een schuldeiser die bevoegd is beslag te leggen op een toeslag.
|
||||
|
||||
Artikel 67, § 1, lid 4, van deze leidraad is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
Op de uitvoeringsprocedure van Belastingdienst/Toeslagen is de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met uitzondering van titel 4.2. Voorts zijn artikel 3:40 en de hoofdstukken 4, 6 en 7 Awb niet van toepassing op de verrekeningsbeschikking, de aanmaning en het dwangbevel.
|
||||
|
||||
Een en ander houdt onder meer in dat tegen de verrekeningsbeschikking, de aanmaning en het dwangbevel geen bezwaar en beroep mogelijk is, maar dat wél bezwaar en beroep mogelijk is tegen andere beschikkingen van Belastingdienst/Toeslagen, bijvoorbeeld met betrekking tot uitstel van betaling.
|
||||
|
||||
Omdat in de Awir de Kostenwet invordering rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing is verklaard, is voorts bezwaar en beroep mogelijk tegen eventuele vervolgingskosten die in verband met een aanmaning of een dwangbevel in rekening zijn gebracht.
|
||||
|
||||
In de uitoefening van invorderingstaken door Belastingdienst/Toeslagen kan de Staat betrokken worden in een procedure voor de civiele rechter. Artikel 3, § 4, van deze leidraad, is in dat geval van overeenkomstige toepassing. Dit brengt onder meer met zich mee dat in de daartoe aangewezen situaties de rijksadvocaat optreedt als procesvertegenwoordiger.
|
||||
|
||||
## Bijlage I
|
||||
|
||||
Vervallen.
|
||||
|
||||
## Bijlage 1a. Beslagvrije voet per 1 januari 2008
|
||||
## Bijlage 1a. Beslagvrije voet per 1 januari 2005
|
||||
|
||||
Gehuwden
|
||||
*[afbeelding]*
|
||||
|
||||
Bij een verblijf in een inrichting in de zin van artikel 1 van de Wwb bedraagt de beslagvrije voet per maand de eventuele eigen bijdrage voor verzorging dan wel verpleging vermeerderd met:
|
||||
|
||||
|
||||
Bij een verblijf in een inrichting in de zin van artikel 1 van de ABW bedraagt de beslagvrije voet per maand de eventuele eigen bijdrage voor verzorging dan wel verpleging vermeerderd met:
|
||||
|
||||
Indien één van de gehuwden in een inrichting verblijft, bedraagt de beslagvrije voet de som van 90% van de bijstandsnorm die voor ieder van hen als alleenstaande of alleenstaande ouder zouden gelden.
|
||||
|
||||
^1 > = 21/65 jaar of ouder
|
||||
|
||||
< = jonger dan 21/65 jaar
|
||||
|
||||
## Bijlage 1b. Overzicht normen studiefinanciering
|
||||
|
||||
Partnertoeslag per maand € 535,11
|
||||
Partnertoeslag per maand € 514,07
|
||||
|
||||
Eenoudertoeslag per maand € 428,21
|
||||
Eenoudertoeslag per maand € 411,73
|
||||
|
||||
Partnertoeslag per maand € 535,11
|
||||
*[afbeelding]*
|
||||
|
||||
Eenoudertoeslag per maand € 428,21.
|
||||
## Bijlage 1c. Overzicht normen huursubsidie
|
||||
|
||||
## Bijlage 1c. Overzicht normen huurtoeslag
|
||||
De vermelde bedragen zijn op maandbasis
|
||||
|
||||
Onder huurprijs in de zin van de Huursubsidiewet wordt verstaan de prijs die bij huur en verhuur is verschuldigd voor het enkele gebruik van een woning (de zgn. kale huur), verminderd met het eventueel daarin begrepen bedrag voor bedrijfsruimte en met een vast bedrag voor de huur van een garage (€ 22) en vermeerderd met een aantal servicekosten (de zgn. subsidiabele servicekosten: artikel 5, derde lid, Huursubsidiewet). Deze servicekosten zijn:
|
||||
|
||||
## Bijlage II. Samenloop van vorderingen
|
||||
|
||||
|
|
@ -4740,7 +4502,15 @@ Vordering van de Belastingdienst op grond van de wet: € 29.000. Voor de douane
|
|||
|
||||
## Bijlage IV. Artikel 26, § 2, lid 25. Model
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
Naar aanleiding van een te mijnen kantore ingediend verzoek om kwijtschelding deel ik u het volgende mee.
|
||||
|
||||
Bij de beoordeling van de door u verstrekte financiële gegevens is mij gebleken dat u aan (een) andere schuldeiser(s) dan de belastingdienst per maand een bedrag ad € ... aflost.
|
||||
|
||||
Het is vast beleid dat bij een aflossing aan (een) andere schuldeiser(s) welke meer dan € 136 per maand bedraagt ook de belastingdienst niet van zijn vordering afziet en dus het verzoek om kwijtschelding afwijst (zie ook de folder "Kwijtschelding van belasting voor particulieren"). Aan dit beleid ligt enerzijds de gedachte ten grondslag dat de fiscus als (preferent) crediteur niet hoeft terug te treden ten voordele van andere schuldeisers aan wie substantiële bedragen worden voldaan, terwijl anderzijds de vraag kan rijzen hoe de mogelijkheid bestaat bij het ontbreken van de betalingscapaciteit (volgens de door de belastingdienst gehanteerde normen) substantiële aflossingen te verrichten. Van het uitgangspunt geen kwijtschelding te verlenen wordt slechts bij zeer bijzondere omstandigheden afgeweken.
|
||||
|
||||
In verband met het vorenstaande stel ik u in de gelegenheid mij binnen 10 dagen na dagtekening van deze brief gemotiveerd uiteen te zetten of en zo ja welke zeer bijzondere omstandigheden in uw geval aanwezig zijn.
|
||||
|
||||
De ontvanger,
|
||||
|
||||
## Bijlage VA. Percentage invorderingsrente
|
||||
|
||||
|
|
@ -4774,7 +4544,7 @@ Aan BV A wordt een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 2001 opgelegd van
|
|||
|
||||
**Toelichting bij voorbeeld 1: **
|
||||
|
||||
Onderaannemer A is over het jaar 2005 € 100.000 loonbelasting verschuldigd. A heeft m.b.t. 2005 op aangifte dan wel anderszins € 25.000 betaald. De inspecteur legt derhalve een naheffingsaanslag op voor een bedrag van € 75.000.
|
||||
Onderaannemer A is over het jaar 1995 € 100.000 loonbelasting verschuldigd. A heeft m.b.t. 1995 op aangifte dan wel anderszins € 25.000 betaald. De inspecteur legt derhalve een naheffingsaanslag op voor een bedrag van € 75.000.
|
||||
|
||||
De verschuldigde loonbelasting kan als volgt worden toegerekend. Loonbelasting begrepen in:
|
||||
|
||||
|
|
@ -4782,7 +4552,7 @@ Het door A betaalde bedrag (€ 25.000) dient redelijkerwijs te worden toegereke
|
|||
|
||||
Vervolgens gaat de ontvanger na welke vrijwarende betaling X, Y en Z hebben verricht:
|
||||
|
||||
A heeft in 2005 vanaf zijn g-rekening € 25.000 aan de ontvanger betaald. Vervolgens wordt bezien of de vermindering van de aansprakelijkheid vanwege door A afgedragen en/of betaalde loonbelasting groter of kleiner is dan de vrijwaring wegens stortingen op de g-rekening of de rechtstreekse stortingen. Voor zover de vrijwaring wegens stortingen op de g-rekening en de rechtstreekse stortingen groter is dan de vermindering van de aansprakelijkheid vanwege de door A afgedragen of betaalde loonbelasting, wordt de aansprakelijkheid met dit meerdere verminderd. Dat leidt tot de volgende berekening:
|
||||
A heeft in 1995 vanaf zijn g-rekening € 25.000 aan de ontvanger betaald. Vervolgens wordt bezien of de vermindering van de aansprakelijkheid vanwege door A afgedragen en/of betaalde loonbelasting groter of kleiner is dan de vrijwaring wegens stortingen op de g-rekening of de rechtstreekse stortingen. Voor zover de vrijwaring wegens stortingen op de g-rekening en de rechtstreekse stortingen groter is dan de vermindering van de aansprakelijkheid vanwege de door A afgedragen of betaalde loonbelasting, wordt de aansprakelijkheid met dit meerdere verminderd. Dat leidt tot de volgende berekening:
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
|
|
@ -4798,9 +4568,9 @@ Vervolgens wordt het bedrag van de aansprakelijkstelling berekend:
|
|||
|
||||
**Toelichting bij voorbeeld 2:**
|
||||
|
||||
Onderaannemer A is over het jaar 2005 € 100.000 loonbelasting verschuldigd.
|
||||
Onderaannemer A is over het jaar 1995 € 100.000 loonbelasting verschuldigd.
|
||||
|
||||
A heeft m.b.t. 2005 op aangifte dan wel anderszins € 56.000 betaald. De inspecteur legt derhalve een naheffingsaanslag op voor een bedrag van € 44.000.
|
||||
A heeft m.b.t. 1995 op aangifte dan wel anderszins € 56.000 betaald. De inspecteur legt derhalve een naheffingsaanslag op voor een bedrag van € 44.000.
|
||||
|
||||
De verschuldigde loonbelasting kan als volgt worden toegerekend. Loonbelasting begrepen in:
|
||||
|
||||
|
|
@ -4816,7 +4586,7 @@ Vervolgens gaat de ontvanger na welke vrijwarende betalingen X, Y en Z hebben ve
|
|||
|
||||
- hoofdaannemer Z heeft € 30.000 gestort op de g-rekening van A. Z is daarbij alle administratieve voorwaarden nagekomen.
|
||||
|
||||
A heeft vanaf de g-rekening in 2005 € 35.000 aan de ontvanger betaald.
|
||||
A heeft vanaf de g-rekening in 1995 € 35.000 aan de ontvanger betaald.
|
||||
|
||||
Z komt in aanmerking voor vrijwaring tot 50 % 1.Of elk ander percentage dat de verhouding tussen fiscus en Uitvoeringsinstituut tot uitdrukking brengt. van het op de g-rekening gestorte bedrag.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4836,9 +4606,9 @@ Vervolgens wordt het bedrag van de aansprakelijkstelling berekend:
|
|||
|
||||
**Toelichting bij voorbeeld 3: **
|
||||
|
||||
Onderaannemer A is over het jaar 2005 € 100.000 loonbelasting verschuldigd.
|
||||
Onderaannemer A is over het jaar 1995 € 100.000 loonbelasting verschuldigd.
|
||||
|
||||
A heeft m.b.t. 2005 op aangifte dan wel anderszins € 80.000 betaald. De inspecteur legt derhalve een naheffingsaanslag op voor een bedrag van € 20.000
|
||||
A heeft m.b.t. 1995 op aangifte dan wel anderszins € 80.000 betaald. De inspecteur legt derhalve een naheffingsaanslag op voor een bedrag van € 20.000
|
||||
|
||||
De verschuldigde loonbelasting kan als volgt worden toegerekend. Loonbelasting begrepen in:
|
||||
|
||||
|
|
@ -4850,7 +4620,7 @@ Uitgaande van deze toedeling wordt de aansprakelijkheid als volgt vastgesteld:
|
|||
|
||||
Vervolgens gaat de ontvanger na welke vrijwarende betalingen X, Y en z hebben verricht:
|
||||
|
||||
A heeft vanaf de g-rekening in 2005 35.000 aan de ontvanger betaald.
|
||||
A heeft vanaf de g-rekening in 1995 35.000 aan de ontvanger betaald.
|
||||
|
||||
Dit bedrag wordt naar evenredigheid tussen X en Y verdeeld:
|
||||
|
||||
|
|
@ -4870,9 +4640,9 @@ Vervolgens wordt het bedrag van de aansprakelijkstelling berekend:
|
|||
Toelichting bij voorbeeld 4:
|
||||
*
|
||||
|
||||
Onderaannemer A is over het jaar 2005 € 100.000 loonbelasting verschuldigd.
|
||||
Onderaannemer A is over het jaar 1995 € 100.000 loonbelasting verschuldigd.
|
||||
|
||||
A heeft in 2005 op aangifte dan wel anderszins € 40.000 betaald. De inspecteur legt derhalve een naheffingsaanslag op voor een bedrag van € 60.000.
|
||||
A heeft in 1995 op aangifte dan wel anderszins € 40.000 betaald. De inspecteur legt derhalve een naheffingsaanslag op voor een bedrag van € 60.000.
|
||||
|
||||
De verschuldigde loonbelasting kan als volgt worden toegerekend. Loonbelasting begrepen in:
|
||||
|
||||
|
|
@ -4884,7 +4654,7 @@ Uitgaande van deze toedeling wordt de aansprakelijkheid als volgt vastgesteld:
|
|||
|
||||
Vervolgens gaat de ontvanger na welke vrijwarende betalingen X, Y en Z hebben verricht:
|
||||
|
||||
A. De administratieve voorwaarden zijn nagekomen. A heeft vanaf de g-rekening in 2005 € 35.000 aan de ontvanger betaald. X, Y en Z komen in aanmerking voor vrijwaring tot 50 %1.Of elk ander percentage dat de verhouding tussen fiscus en Uitvoeringsinstituut tot uitdrukking brengt.van het op de g-rekening gestorte bedrag:
|
||||
A. De administratieve voorwaarden zijn nagekomen. A heeft vanaf de g-rekening in 1995 € 35.000 aan de ontvanger betaald. X, Y en Z komen in aanmerking voor vrijwaring tot 50 %1.Of elk ander percentage dat de verhouding tussen fiscus en Uitvoeringsinstituut tot uitdrukking brengt.van het op de g-rekening gestorte bedrag:
|
||||
|
||||
Vervolgens wordt bezien of de vermindering van aansprakelijkheid vanwege door A afgedragen en/of betaalde loonbelasting groter of kleiner is dan de vrijwaring wegens stortingen op de g-rekening of de rechtstreekse stortingen. Voor zover de vrijwaring wegens stortingen op de g-rekening en de rechtstreekse stortingen groter is dan de vermindering van de aansprakelijkheid vanwege de door A afgedragen of betaalde loonbelasting, wordt de aansprakelijkheid met dit meerdere verminderd. Dat leidt tot de volgende berekening:
|
||||
|
||||
|
|
@ -4902,9 +4672,9 @@ Vervolgens wordt het bedrag van de aansprakelijkstelling berekend:
|
|||
|
||||
**Toelichting bij voorbeeld 5:**
|
||||
|
||||
Onderaannemer A is over het jaar 2005 € 100.000 loonbelasting verschuldigd.
|
||||
Onderaannemer A is over het jaar 1995 € 100.000 loonbelasting verschuldigd.
|
||||
|
||||
A heeft in 2005 op aangifte dan wel anderszins € 40.000 betaald. De inspecteur legt derhalve een naheffingsaanslag op voor een bedrag van € 60.000.
|
||||
A heeft in 1995 op aangifte dan wel anderszins € 40.000 betaald. De inspecteur legt derhalve een naheffingsaanslag op voor een bedrag van € 60.000.
|
||||
|
||||
In beginsel is de aansprakelijkheid voor dit bedrag als volgt:
|
||||
|
||||
|
|
@ -4912,7 +4682,7 @@ Voor de berekening wordt verwezen naar voorbeeld 4.
|
|||
|
||||
Vervolgens gaat de ontvanger na welke vrijwarende betalingen X, Y en Z hebben verricht:
|
||||
|
||||
A heeft vanaf de g-rekening in 2005 € 35.000 aan de ontvanger betaald.
|
||||
A heeft vanaf de g-rekening in 1995 € 35.000 aan de ontvanger betaald.
|
||||
|
||||
X en Z komen in aanmerking voor vrijwaring tot 50 %1.Of elk ander percentage dat de verhouding tussen fiscus en Uitvoeringsinstituut tot uitdrukking brengt. van het op de g-rekening gestorte bedrag:
|
||||
|
||||
|
|
@ -4936,9 +4706,9 @@ Vervolgens wordt het bedrag van de aansprakelijkstelling berekend:
|
|||
|
||||
**Toelichting bij voorbeeld 6: **
|
||||
|
||||
Onderaannemer A is over het jaar 2005 € 100.000 loonbelasting verschuldigd.
|
||||
Onderaannemer A is over het jaar 1995 € 100.000 loonbelasting verschuldigd.
|
||||
|
||||
A heeft in 2005 op aangifte dan wel anderszins € 60.000 betaald. De inspecteur legt derhalve een naheffingsaanslag op voor een bedrag van € 40.000.
|
||||
A heeft in 1995 op aangifte dan wel anderszins € 60.000 betaald. De inspecteur legt derhalve een naheffingsaanslag op voor een bedrag van € 40.000.
|
||||
|
||||
De verschuldigde loonbelasting kan als volgt worden toegerekend:
|
||||
|
||||
|
|
@ -4956,7 +4726,7 @@ Vervolgens gaat de ontvanger na welke vrijwarende betalingen X, Y en Z hebben ve
|
|||
|
||||
- hoofdaannemer Z heeft € 30.000 gestort op de g-rekening van A. De administratieve voorwaarden zijn nagekomen.
|
||||
|
||||
A heeft vanaf de g-rekening in 2005 € 35.000 aan de ontvanger betaald.
|
||||
A heeft vanaf de g-rekening in 1995 € 35.000 aan de ontvanger betaald.
|
||||
|
||||
Z komt in aanmerking voor vrijwaring tot 50 %1.Of elk ander percentage dat de verhouding tussen fiscus en Uitvoeringsinstituut tot uitdrukking brengt. van het op de g-rekening gestorte bedrag.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4992,9 +4762,9 @@ HA-Y wordt na betwisting uiteindelijk aansprakelijk gehouden voor € 15.000.
|
|||
|
||||
**Toelichting bij voorbeeld 8:**
|
||||
|
||||
Onderaannemer A is over het jaar 2005 € 100.000 loonbelasting verschuldigd.
|
||||
Onderaannemer A is over het jaar 1995 € 100.000 loonbelasting verschuldigd.
|
||||
|
||||
A heeft in 2005 op aangifte dan wel anderszins € 80.000 betaald. De inspecteur legt derhalve een naheffingsaanslag op voor een bedrag van € 20.000.
|
||||
A heeft in 1995 op aangifte dan wel anderszins € 80.000 betaald. De inspecteur legt derhalve een naheffingsaanslag op voor een bedrag van € 20.000.
|
||||
|
||||
De verschuldigde loonbelasting kan worden toegerekend aan werkzaamheden verricht voor:
|
||||
|
||||
|
|
@ -5010,7 +4780,7 @@ Vervolgens gaat de ontvanger na welke vrijwarende betalingen X, Y en Z hebben ve
|
|||
|
||||
- hoofdaannemer Z heeft € 30.000 gestort op de g-rekening van A. De administratieve voorwaarden zijn nagekomen.
|
||||
|
||||
A heeft vanaf de g-rekening in 2005 € 35.000 aan de ontvanger betaald.
|
||||
A heeft vanaf de g-rekening in 1995 € 35.000 aan de ontvanger betaald.
|
||||
|
||||
Z komt in aanmerking voor vrijwaring tot 50 %1.Of elk ander percentage dat de verhouding tussen fiscus en Uitvoeringsinstituut tot uitdrukking brengt. van het op de g-rekening gestorte bedrag.
|
||||
|
||||
|
|
@ -5034,9 +4804,9 @@ Vervolgens wordt het bedrag van de aansprakelijkstelling berekend:
|
|||
|
||||
**Toelichting bij voorbeeld 9:**
|
||||
|
||||
Onderaannemer A is over het jaar 2005 € 100.000 loonbelasting verschuldigd.
|
||||
Onderaannemer A is over het jaar 1995 € 100.000 loonbelasting verschuldigd.
|
||||
|
||||
A heeft in 2005 op aangifte dan wel anderszins € 80.000 betaald. De inspecteur legt derhalve een naheffingsaanslag op voor een bedrag van € 20.000.
|
||||
A heeft in 1995 op aangifte dan wel anderszins € 80.000 betaald. De inspecteur legt derhalve een naheffingsaanslag op voor een bedrag van € 20.000.
|
||||
|
||||
De verschuldigde loonbelasting kan als volgt worden toegerekend:
|
||||
|
||||
|
|
@ -5048,7 +4818,7 @@ Uitgaande van deze toedeling wordt de aansprakelijkheid als volgt vastgesteld:
|
|||
|
||||
Vervolgens gaat de ontvanger na welke vrijwarende betalingen X, Y en Z hebben verricht:
|
||||
|
||||
A heeft vanaf de g-rekening in 2005 € 70.000 aan de ontvanger betaald.
|
||||
A heeft vanaf de g-rekening in 1995 € 70.000 aan de ontvanger betaald.
|
||||
|
||||
Dit bedrag wordt naar evenredigheid verdeeld tussen X, Y en Z:
|
||||
|
||||
|
|
@ -5066,9 +4836,9 @@ Vervolgens wordt het bedrag van de aansprakelijkstelling berekend:
|
|||
|
||||
**Toelichting bij voorbeeld 10:**
|
||||
|
||||
Onderaannemer A is over het jaar 2005 € 100.000 loonbelasting verschuldigd.
|
||||
Onderaannemer A is over het jaar 1995 € 100.000 loonbelasting verschuldigd.
|
||||
|
||||
A heeft in 2005 op aangifte dan wel anderszins € 65.000 betaald. De inspecteur legt derhalve een naheffingsaanslag op voor een bedrag van € 35.000.
|
||||
A heeft in 1995 op aangifte dan wel anderszins € 65.000 betaald. De inspecteur legt derhalve een naheffingsaanslag op voor een bedrag van € 35.000.
|
||||
|
||||
De verschuldigde loonbelasting kan als volgt worden toegerekend:
|
||||
|
||||
|
|
@ -5086,7 +4856,7 @@ Vervolgens gaat de ontvanger na welke vrijwarende betalingen X, Y en Z hebben ve
|
|||
|
||||
- hoofdaannemer Z heeft € 30.000 gestort op de g-rekening van A. De administratieve voorwaarden zijn nagekomen.
|
||||
|
||||
A heeft vanaf de g-rekening in 2005 € 10.000 aan de ontvanger betaald.
|
||||
A heeft vanaf de g-rekening in 1995 € 10.000 aan de ontvanger betaald.
|
||||
|
||||
Z komt in aanmerking voor vrijwaring tot 501.Of elk ander percentage dat de verhouding tussen fiscus en Uitvoeringsinstituut tot uitdrukking brengt.% (€ 15.000) van het op de g-rekening gestorte bedrag. X en Y komen niet in aanmerking voor enige vorm van vrijwaring nu het door A van zijn g-rekening aan de ontvanger overgemaakte bedrag (meer dan) geheel is "opgesoupeerd" door Z.
|
||||
|
||||
|
|
@ -5106,9 +4876,9 @@ Vervolgens wordt het bedrag van de aansprakelijkstelling berekend:
|
|||
|
||||
Tijdens de controle c.q. enige tijd daarna blijkt dat de onderaannemer de nageheven loonbelasting niet op zijn personeel zal verhalen. Dientengevolge legt de inspecteur een aparte bruteringsaanslag op van € 15.000.
|
||||
|
||||
Onderaannemer A is over het jaar 2005 € 75.000 loonbelasting verschuldigd.
|
||||
Onderaannemer A is over het jaar 1995 € 75.000 loonbelasting verschuldigd.
|
||||
|
||||
A heeft in 2005 op aangifte dan wel anderszins € 65.000 betaald. De inspecteur legt derhalve een naheffingsaanslag op voor een bedrag van € 10.000. Nadat gebleken is dat A de nageheven loonbelasting niet heeft verhaald op zijn werknemers gaat de inspecteur alsnog over tot brutering hetgeen een aparte naheffingsaanslag tengevolge heeft ad € 15.000.
|
||||
A heeft in 1995 op aangifte dan wel anderszins € 65.000 betaald. De inspecteur legt derhalve een naheffingsaanslag op voor een bedrag van € 10.000. Nadat gebleken is dat A de nageheven loonbelasting niet heeft verhaald op zijn werknemers gaat de inspecteur alsnog over tot brutering hetgeen een aparte naheffingsaanslag tengevolge heeft ad € 15.000.
|
||||
|
||||
De (in eerste aanleg) verschuldigde loonbelasting kan als volgt worden toegerekend:
|
||||
|
||||
|
|
@ -5124,7 +4894,7 @@ Uitgaande van deze toedeling wordt de aansprakelijkheid als volgt vastgesteld:
|
|||
|
||||
Vervolgens gaat de ontvanger na welke vrijwarende betalingen X, Y en Z hebben verricht.
|
||||
|
||||
A heeft vanaf de g-rekening in 2005 € 35.000 aan de ontvanger betaald.
|
||||
A heeft vanaf de g-rekening in 1995 € 35.000 aan de ontvanger betaald.
|
||||
|
||||
Z komt in aanmerking voor vrijwaring tot 50 % van het op de g-rekening gestorte bedrag.
|
||||
|
||||
|
|
@ -5148,11 +4918,11 @@ Ingevolge artikel 34, § 5, tweede lid en artikel 35, § 12, derde lid, van de l
|
|||
|
||||
Bv X is failliet. De boedel bevat geen activa. De passiva luiden als volgt:
|
||||
|
||||
De curator beoogt een procedure aan te spannen. De geschatte kosten bedragen € 30.000 (inclusief € 5.000 kostenveroordeling bij verlies). De vermoedelijke opbrengst bij gunstige afloop bedraagt € 150.000.
|
||||
De curator beoogt een procedure aan te spannen. De geschatte kosten bedragen € 30.000 (inclusief € 5.000 kostenveroordeling bij verlies). De vermoedelijke opbrengst bij gunstige afloop bedraagt € 150.000.
|
||||
|
||||
Als de procedure zou worden gewonnen, luidt de uitdeling volgens de uitdelingslijst als volgt (eenvoudigheidshalve wordt hierna de omslag in de algemene faillissementskosten buiten beschouwing gelaten):
|
||||
|
||||
Uiteraard wordt van de curator niet verlangd om zelf een garantie te verstrekken. Aangezien de ontvanger van de opbrengst die naar schatting aan de schuldeisers zal toevallen (€ 150.000 – € 35.000 salaris curator = € 115.000) een bedrag zal ontvangen van € 85.000, zal hij een proceskostengarantie afgeven van 80/115 × € 30.000 = € 22.174. De hoogte van de proceskostengarantie van de lager bevoorrrechte en concurrente schuldeisers zal moeten bedragen 30/115 × € 30.000 = € 7.826 (uiteraard naar rato verdeeld).
|
||||
Uiteraard wordt van de curator niet verlangd om zelf een garantie te verstrekken. Aangezien de ontvanger van de opbrengst die naar schatting aan de schuldeisers zal toevallen (€ 115.000) een bedrag zal ontvangen van € 50.000, zal hij een proceskostengarantie afgeven van 50/115 x € 30.000 = € 13.044. De hoogte van de proceskostengarantie van de Uitvoeringsinstituut zal daarbij 35/115 x € 30.000 = € 9.130 moeten bedragen, die van de lager bevoorrechte schuldeiser 10/115 x € 30.000 € 2.609, en die van de concurrente schuldeisers in totaal 20/115 x € 30.000 = € 5.217 (uiteraard onderling naar rato verdeeld).
|
||||
|
||||
## Bijlage IX. Adressen
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue