2005-03-01 | BWBW33099 | Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003

This commit is contained in:
Coornhert 2005-03-01 12:00:00 +00:00
parent d080035acf
commit 0544867fce

View file

@ -24,16 +24,3840 @@ citeertitel: Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003
## 5b
Artikel
5b
1
Nederlander wordt ook het kind dat in het buitenland bij uitspraak van een ter
plaatse bevoegde autoriteit wordt geadopteerd, indien en op het tijdstip waarop
aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a.
de adoptie voldoet aan de voorwaarden voor erkenning in Nederland van
artikel 6 of artikel 7 van de Wet
conflictenrecht adoptie, en
b.
de adoptie heeft tot gevolg dat de voordien bestaande familierechtelijke
betrekkingen worden verbroken, en
c.
ten minste een der adoptiefouders is Nederlander op de dag dat de
uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen, en
d.
het kind was op de dag van de uitspraak in eerste aanleg minderjarig.
2
Nederlander wordt voorts het kind dat in het buitenland is geadopteerd bij een
adoptie die niet tot gevolg heeft dat de voordien bestaande familierechtelijke
betrekkingen worden verbroken, welke adoptie in Nederland bij rechterlijke
uitspraak in overeenstemming met artikel 9 van de Wet conflictenrecht
adoptie wordt omgezet in een adoptie naar Nederlands recht, indien en
op het tijdstip waarop aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a.
de adoptie voldoet aan de voorwaarden voor erkenning in Nederland van
artikel 6 of artikel 7 van de Wet conflictenrecht adoptie, en
b.
ten minste een der adoptiefouders is Nederlander op de dag nadat drie
maanden te rekenen van de dag van de uitspraak houdende omzetting in eerste
aanleg of in hoger beroep zijn verstreken zonder dat daartegen hoger beroep
of beroep in cassatie is ingesteld, dan wel, indien beroep in cassatie is
ingesteld, op de dag van de uitspraak in cassatie; en
c.
****het kind was op de dag van de uitspraak houdende
omzetting in eerste aanleg minderjarig.
2003
234
03-12-2003
21-11-2003
HKUIT03-5117AUB
2003
234
03-12-2003
21-11-2003
HKUIT03-5117AUB
01-01-2004
### . Toelichting
1. Op 1 januari 2004 is artikel 5b
RWN in de wet ingevoegd (Stb. 2003, 284 en 456). Dit is gebeurd in
verband met de inwerkingtreding op 1 januari 2004 van de Wet conflictenrecht adoptie (Stb. 2003, 283).
Artikel 5b RWN bepaalt de gevolgen die de Wet conflictenrecht adoptie (kort:
Wcad) meebrengt voor zover het betreft de erkenning van een buitenlandse
niet-verdragsadoptie en de verkrijging van het Nederlanderschap door de
geadopteerde minderjarige.
2. *Verhouding met Haags adoptieverdrag 1993*
Artikel 5a RWN voorziet in de
verkrijging van het Nederlanderschap als gevolg van adopties die met toepassing
van het Adoptieverdrag 1993 tot stand zijn gekomen. Het verdrag heeft
uitsluitend betrekking op interlandelijke adoptie waarbij een kind vanuit een
staat die partij is bij het verdrag ter adoptie is opgenomen door personen met
gewone verblijfplaats in een andere staat die partij is bij het verdrag. Het kan
dus gaan om adopties door personen die in Nederland gevestigd zijn, maar ook om
adopties van kinderen afkomstig uit de vreemde verdragsstaat A door personen met
gewone verblijfplaats in de vreemde verdragsstaat B. Niet ter zake doet of de
adoptie uiteindelijk in de verdragsstaat van herkomst van het kind dan wel in de
verdragsstaat van opvang is uitgesproken. Dat het om een verdragsadoptie gaat,
blijkt uit het certificaat dat wordt afgegeven in de verdragsstaat waar de
adoptie is uitgesproken. Artikel 5a RWN regelt ook de verkrijging van het
Nederlanderschap door een kind dat eerst onder het Adoptieverdrag 1993 is
geadopteerd bij een zwakke adoptie (d.w.z. een adoptie waardoor de
familierechtelijke betrekkingen met de oorspronkelijke familie niet geheel zijn
verbroken) is geadopteerd, welke adoptie vervolgens door een uitspraak van de
Nederlandse rechter is omgezet in een sterke adoptie naar Nederlands recht,
waarbij deze betrekkingen alsnog zijn verbroken.
Artikel 5b RWN regelt de verkrijging van het Nederlanderschap in gevallen van
interlandelijke adoptie waarin het Adoptieverdrag 1993 niet geldt tussen de bij
de adoptie betrokken landen. Daarnaast regelt het de verkrijging van het
Nederlanderschap als gevolg van een adoptie die is uitgesproken in de staat
waarin zowel de adoptiefouders als het kind woonachtig waren.
3. *Verkrijging Nederlanderschap ingevolge artikel 5b RWN alleen
op of na 1 januari 2004*
Een buitenslands tot stand gekomen adoptie (niet zijnde een adoptie conform
het Haags adoptieverdrag) komt slechts in aanmerking voor erkenning ingevolge de
Wet conflictenrecht adoptie indien de adoptie op of na 1 januari 2004 tot stand
is gekomen (zie art. 10
Wcad). Dit betekent voor de verkrijging van de Nederlandse
nationaliteit ex artikel 5b RWN dat verkrijging alleen plaats heeft ingeval van
een adoptie die conform de Wet conflictenrecht adoptie op of na 1 januari 2004
kan worden erkend. Kort gezegd: verkrijging op grond van artikel 5b RWN van het
Nederlanderschap kan alleen plaatshebben bij adopties die buiten het Koninkrijk
op of na 1 januari 2004 tot stand zijn gekomen.
4. *Wet conflictenrecht adoptie, korte schets*
De Wet conflictenrecht adoptie kent twee wijzen waarop een buitenslands tot
stand gekomen adoptie (niet zijnde een adoptie conform het Haags adoptieverdrag)
in de Nederlandse rechtsorde wordt dan wel kan worden erkend (artikelen 6 en 7
Wcad).
Erkende zwakke adopties kunnen in aanmerking komen voor een rechterlijke
omzetting. De omzetting is nodig voor de verkrijging van het Nederlanderschap.
Het relevante hoofdstuk 3
van de Wet conflictenrecht adoptie is als bijlage opgenomen bij dit artikel.
4.1 *Artikel 6 Wcad: van rechtswege erkenning binnen de
Nederlandse rechtsorde.*
Er is sprake van automatische werking binnen de Nederlandse rechtsorde van
de buitenlandse adoptie als wordt voldaan aan de eisen gesteld in artikel 6 Wcad.
Bij artikel 6 Wcad geldt dat het moet gaan om adoptiefouder(s) die, ten
tijde van de adoptie, gewone verblijfplaats hebben (heeft) buiten Nederland,
de Nederlandse Antillen of Aruba. (Voor uitleg hoe deze van rechtswege
erkenning in de praktijk moet worden beoordeeld, zie hieronder bij 5.3)
4.2 *Artikel 7 Wcad: de erkenning door de Nederlandse rechter
volgens de procedure van boek 1:26 BW.*
Bij artikel 7
Wcad geldt dat het altijd gaat om adoptiefouder(s) die, ten tijde
van de adoptie, gewone verblijfplaats hebben (heeft) in Nederland.
(N.B! derhalve: niet van toepassing indien de adoptiefouders woonachtig
zijn in de Nederlandse Antillen of Aruba.)
Er is een procedure in Nederland nodig om de buitenlandse adoptie te
erkennen. Het betreft de procedure op grond van artikel 1:26 Burgerlijk
Wetboek. In deze procedure geeft de rechter een verklaring voor
recht af, inhoudende dat de adoptie in Nederland rechtsgeldig is.
Alsdan beschikt betrokkene over een van een Nederlandse rechter afkomstige
verklaring inhoudende een last tot toevoeging van een latere vermelding van
de adoptie aan de daarvoor in aanmerking komende akte van de burgerlijke
stand. Inschrijving van de adoptie in de registers van de burgerlijke stand
is pas mogelijk nadat de verklaring ex art. 1:26 BW is verkregen.
4.3 *Artikel 9 Wcad: de omzetting door de rechter van een
erkende buitenlandse adoptie in een*
De mogelijkheid bestaat dat een adoptie die van rechtswege (art. 6 Wcad)
dan wel door middel van een verklaring voor recht op grond van artikel 1:26
BW (art. 7 Wcad) binnen de Nederlandse rechtsorde is erkend niet tot
rechtsgevolg heeft (gehad, naar vreemd recht) dat de bestaande
familierechtelijke betrekkingen tussen het adoptiefkind en de
oorspronkelijke ouder(s) verbroken zijn. Dit wordt een zwakke adoptie
genoemd. De erkenning in Nederland (ingevolge hetzij art. 6 of 7 Wcad)
wijzigt niets in de omstandigheid dat het een zwakke adoptie is.
In deze gevallen biedt artikel 9
Wcad de mogelijkheid een erkende zwakke adoptie om te zetten in
een adoptie naar Nederlands recht. Voor de verkrijging van het
Nederlanderschap is dat nodig. Aan een zwakke adoptie zit geen
nationaliteitsgevolg in de Rijkswet
op het Nederlanderschap.
Niet-erkende zwakke adopties kunnen niet worden omgezet
De omzetting betreft altijd een adoptie die niet leidde tot verbreking van
de oorspronkelijke familierechtelijke betrekkingen. De omzetting bereikt dat
de familierechtelijke betrekkingen tussen kind en de oorspronkelijke
ouder(s) worden verbroken.
Deze rechterlijke omzettingsprocedure verloopt conform de procedure in de
Uitvoeringswet Haags adoptieverdrag.
Overleggen betrokkenen aldus bij de gemeente de van een Nederlandse
rechter afkomstige verklaring inhoudende dat de buitenlandse adoptie is
omgezet in een Nederlandse adoptie, dan kan aan de hand van artikel 5b,
tweede lid RWN worden bepaald óf het kind Nederlander is geworden.
Hier wordt benadrukt dat **geen** van de
bovenstaande bepalingen uit de Wet conflictenrecht adoptie bepalend is voor
de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door het geadopteerde kind.
Bepalend daarentegen is artikel 5b RWN.
### . Ad artikel 5b, eerste lid
5.1 *Kern artikel 5b, eerste lid RWN: sterke adoptie*
Kern van artikel 5b, eerste lid (en onder b) RWN is dat de buitenlandse
adoptie leidde tot verbreking van de voordien bestaande familierechtelijke
betrekkingen. Dit wordt een sterke adoptie genoemd. Of sprake is (geweest) van
een sterke adoptie volgt uit het van toepassing zijnde vreemde familierecht.
(Is dit niet het geval geweest: lees verder bij artikel 5b, tweede lid
RWN).
Het moet niet alleen gaan om een sterke adoptie. De adoptie moet ook in
aanmerking komen voor erkenning in Nederland, ingevolge hetzij artikel 6 Wcad of
artikel 7 Wcad. Onderscheiden naar artikel 6 of 7 Wet conflictenrecht adoptie
volgen hieronder twee overzichten met de voorwaarden voor de verkrijging van het
Nederlanderschap. Voor de voorwaarden van artikel 6 Wcad: zie onder 5.2, en zie
voor de voorwaarden van artikel 7 Wcad onder 5.4.
5.2 *Concrete voorwaarden voor de verkrijging van het
Nederlanderschap als artikel 6 Wcad in het spel is, zijn:*
er is een buitenlandse adoptie (niet zijnde een adoptie conform het Haags
adoptieverdrag);
door deze adoptie is de familierechtelijke band tussen het kind en de
oorspronkelijke ouder(s) verbroken;
volgens artikel 6 Wcad heeft die adoptie van rechtswege werking binnen de
Nederlandse rechtsorde (zie nummer 5.3);
op de dag dat tegen die buitenlandse adoptie geen rechtsmiddel meer
openstond (in het land waar de adoptie plaatsvond) is ten minste één der
adoptiefouders Nederlander;
op de dag dat in eerste instantie de adoptie in het buitenland werd
uitgesproken, was het kind minderjarig.
Nogmaals: bij artikel 6 Wcad geldt dat het moet gaan om adoptiefouder(s) die,
ten tijde van de adoptie, gewone verblijfplaats hebben (heeft) buiten Nederland,
de Nederlandse Antillen of Aruba.
Het kind wordt Nederlander op de dag dat de buitenlandse adoptie niet langer
(naar het recht van het adoptieland) vatbaar is voor aantasting door middel van
het instellen van een rechtsmiddel tegen de adoptie.
5.3 *Uitleg beoordeling erkenning van rechtswege van buitenlandse
adoptie ex artikel 6 Wcad*
De erkenningsvraag in geval van artikel 6 Wcad zal doorgaans worden beantwoord
door de ambtenaar van de burgerlijke stand, door de ambtenaar van de
gemeentelijke basisadministratie (GBA) of door de consulaire ambtenaar bij de
Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland. Wordt die vraag positief
beantwoord dan is inschrijving van de desbetreffende registers mogelijk zonder
dat een gerechtelijke erkennings- of exequaturprocedure nodig is. Wordt de
inschrijving geweigerd, dan kan verzoeker zich tot de rechter wenden.
Leidraad bij de erkenning op grond van artikel 6 Wcad is het afschrift van de
buitenlandse adoptie-uitspraak. Dit buitenlandse document dient, zo nodig, te
zijn gelegaliseerd of voorzien van een apostille in het land van herkomst.
Tevens dient met (indien nodig: gelegaliseerde) bescheiden de gewone
verblijfplaats van betrokkenen te worden aangetoond zowel ten tijde van het
moment van indiening van het adoptieverzoek als het moment van totstandkoming
van de adoptie.
Tenzij er aanwijzingen zijn voor fraude, zal de ambtenaar zich, behalve
genoemde bescheiden, geen andere bescheiden van andere buitenlandse bij de
adoptie betrokken instanties behoeven te laten overleggen. (Nota naar aanleiding
van het verslag, Tweede Kamer, 28457, 2002-2003, nr. 6, pp. 7 en 8.)
Als vermeld: bij de toepassing van artikel 6 Wcad betreft het altijd
adoptiefouder(s) die, ten tijde van de adoptie, gewone verblijfplaats heeft
(hebben) (gehad) buiten Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba. Onderstaand
volgen twee overzichten met de voorwaarden voor de erkenning van rechtswege,
onderscheiden naar gewone verblijfplaats van adoptiefouder(s) én
adoptiefkind:
ten tijde van het indienen van het adoptieverzoek alsook,
ten tijde van de totstandkoming van de buitenlandse
adoptie-uitspraak.
Erkenning van rechtswege van een buitenlandse adoptie (niet zijnde een adoptie
conform het Haags adoptieverdrag) geschiedt in het geval dat adoptiefouders én
adoptiefkind hun gewone verblijfplaats hebben (gehad) in het land waar de
adoptie plaatsvond indien de adoptie is uitgesproken door de tot
adoptie-uitspraken bevoegde autoriteit.
Het moet altijd gaan om een in het desbetreffende buitenland tot het
uitspreken van adopties bevoegde instantie.
Zowel op het tijdstip van het indienen van het adoptieverzoek als de
totstandkoming van de buitenlandse adoptie-uitspraak moeten adoptiefouders én
adoptiefkind hun gewone verblijfplaats hebben gehad in het land waar de adoptie
plaatsvond.
Ondanks het zojuist vermelde vindt tóch geen erkenning van rechtswege plaats
indien:
aan de adoptie-uitspraak kennelijk geen behoorlijk onderzoek is
voorafgegaan; of
aan de adoptie-uitspraak kennelijk geen behoorlijke rechtspleging ten
grondslag ligt;
of
de erkenning van de adoptie kennelijk in strijd met de openbare orde zou
zijn. Dit is in elk geval zo indien de adoptie een kennelijke
schijnhandeling betreft.
Voorwaarden voor erkenning van rechtswege van een buitenlandse adoptie (niet
zijnde een adoptie conform het Haags adoptieverdrag) indien de adoptie is
uitgesproken in het land waar òf de adoptiefouder(s) zijn/hun gewone
verblijfplaats heeft/hebben (gehad), òf het kind zijn gewone verblijfplaats
heeft (gehad), zijn:
de adoptie is in den vreemde uitgesproken door de tot adoptie-uitspraken
bevoegde autoriteit.
(Het moet altijd gaan om een in het desbetreffende buitenland tot het
uitspreken van adopties bevoegde instantie.)
op het tijdstip van het indienen van het adoptieverzoek alsook op het
tijdstip van totstandkoming van de buitenlandse adoptie-uitspraak hadden
adoptiefouders hun gewone verblijfplaats in het land waar de adoptie
plaatsvond; dan wel
op het tijdstip van het indienen van het adoptieverzoek alsook op het
tijdstip van totstandkoming van de buitenlandse adoptie-uitspraak had het
adoptiefkind gewone verblijfplaats in het land waar de adoptie
plaatsvond.
Ondanks het zojuist vermelde vindt tóch geen erkenning van rechtswege plaats
indien:
aan de adoptie-uitspraak kennelijk geen behoorlijk onderzoek is
voorafgegaan; of
aan de adoptie-uitspraak kennelijk geen behoorlijke rechtspleging ten
grondslag ligt;
of
de adoptie die in de staat van herkomst van het kind is uitgesproken, niet
erkend is in de staat waarin de adoptiefouder(s) zowel ten tijde van het
adoptieverzoek als ten tijde van de uitspraak hun gewone verblijfplaats
hadden; of
de adoptie die in de staat van de gewone verblijfplaats van de
adoptiefouder(s) is uitgesproken, niet is erkend in de staat waar het kind
zowel ten tijde van het adoptieverzoek als ten tijde van de uitspraak zijn
gewone verblijfplaats had; of
de erkenning van de adoptie kennelijk in strijd met de openbare orde zou
zijn. Dit is in elk geval zo indien de adoptie een kennelijke
schijnhandeling betreft.
5.4 *Concrete voorwaarden voor de verkrijging van het
Nederlanderschap als artikel 7 Wcad in het spel is, zijn:*
er is een buitenlandse adoptie (niet zijnde een adoptie conform het Haags
adoptieverdrag);
door deze adoptie is de familierechtelijke band tussen het kind en de
oorspronkelijke ouder(s) verbroken;
er is een rechterlijke verklaring op grond van artikel 1:26 BW aanwezig
(de rechterlijke verklaring);
op de dag dat tegen die buitenlandse adoptie geen rechtsmiddel meer
openstond (in het land waar de adoptie plaatsvond) is ten minste één der
adoptiefouders Nederlander;
op de dag dat in eerste instantie de adoptie in het buitenland werd
uitgesproken, was het kind minderjarig.
Nogmaals: bij artikel 7 Wcad geldt dat het altijd gaat om adoptiefouder(s)
die, ten tijde van de adoptie, gewone verblijfplaats hebben (heeft) in
Nederland. (N.B! derhalve: niet van toepassing indien de adoptiefouders
woonachtig zijn in de Nederlandse Antillen of Aruba.)
Het kind verkrijgt het Nederlandschap met ingang van de datum waarop de
Nederlandse rechter een verklaring op grond van artikel 1:26 BW heeft afgegeven.
Deze verklaring is een constitutief vereiste voor de erkenning van de
buitenlandse adoptie.
### . Ad artikel 5b, tweede lid
6.1 *Kern artikel 5b, tweede lid RWN: zwakke adoptie*
Kern van artikel 5b,
tweede lid RWN is dat de (ingevolgde de Wcad erkende) buitenlandse
adoptie niet leidde tot verbreking van de voordien bestaande familierechtelijke
betrekkingen tussen het kind en de oorspronkelijke ouder(s). Of sprake is
(geweest) van een zwakke adoptie volgt uit het van toepassing zijnde vreemde
familierecht.
Om toch naar Nederlands recht de familierechtelijke betrekkingen tussen het
kind en de oorspronkelijke ouder(s) te verbreken, kan op grond van artikel 9 Wcad een
rechterlijke omzetting van de buitenlandse adoptie plaatsvinden in een adoptie
naar Nederlands recht.
6.2 * Concrete voorwaarden voor de verkrijging van het
Nederlanderschap als artikel 9 Wcad in het spel is, zijn:*
er is een buitenlandse adoptie (niet zijnde een adoptie conform het Haags
adoptieverdrag);
er is een rechterlijke omzetting van de buitenlandse adoptie op grond van
artikel 9 Wcad;
op de dag drie maanden na de dag van de (Nederlandse) omzettingsuitspraak
is ten minste één der adoptiefouders Nederlander; of op de dag drie maanden
na de dag van de omzettingsuitspraak in hoger beroep is ten minste één der
adoptiefouders Nederlander; of op de dag dat in cassatie uitspraak is gedaan
over de omzetting is ten minste één der adoptiefouders Nederlander;
op de dag dat in eerste instantie de (Nederlandse) omzetting werd
uitgesproken, was het kind minderjarig.
Het kind wordt Nederlander op de dag als bepaald onder b van artikel 5b,
tweede lid RWN, derhalve:
als geen hoger beroep tegen de omzetting is ingesteld: na drie maanden en
één dag na de omzetting;
als, na hoger beroep, geen cassatie wordt ingesteld: na drie maanden en
één dag na de uitspraak in hoger beroep;
als cassatie is ingesteld: op de dag van de uitspraak in cassatie.
### . bij artikel 5b RWN
#### 3. Wet conflictenrecht adoptie
De erkenning van een buitenlandse adoptie en haar
rechtsgevolgen
**Artikel 5 Wcad**
De bepalingen van dit hoofdstuk hebben betrekking op adopties die tot stand
zijn gekomen in staten die geen partij zijn bij het in artikel 1 genoemde
verdrag.
**Artikel 6 Wcad**
1.
Een buitenslands gegeven beslissing waarbij een adoptie tot stand is
gekomen, wordt in Nederland van rechtswege erkend indien zij is uitgesproken
door
a.
een ter plaatse bevoegde autoriteit van de vreemde staat waar de
adoptiefouders en het kind zowel ten tijde van het verzoek tot adoptie
als ten tijde van de uitspraak hun gewone verblijfplaats hadden; of
b.
een ter plaatse bevoegde autoriteit van de vreemde staat waar hetzij
de adoptiefouders, hetzij het kind zowel ten tijde van het verzoek tot
adoptie als ten tijde van de uitspraak hun gewone verblijfplaats
hadden.
2.
Aan een beslissing houdende adoptie wordt erkenning onthouden indien
a.
aan die beslissing kennelijk geen behoorlijk onderzoek of behoorlijke
rechtspleging is voorafgegaan, of
b.
in het geval, bedoeld in het eerste lid, onder b, de beslissing niet
is erkend in de staat waar het kind, onderscheidenlijk de staat waar de
adoptiefouders zowel ten tijde van het verzoek tot adoptie als ten tijde
van de uitspraak hun gewone verblijfplaats hadden; of
c.
de erkenning van die beslissing kennelijk in strijd met de openbare
orde zou zijn.
3.
Op de in het tweede lid, onder c, genoemde grond wordt aan een beslissing
houdende adoptie in elk geval erkenning onthouden indien de beslissing
kennelijk op een schijnhandeling betrekking heeft.
4.
De erkenning van de beslissing kan, ook wanneer daarbij een Nederlander
betrokken is, niet op de in het tweede lid, onder c, genoemde grond worden
geweigerd enkel omdat daarop een ander recht is toegepast dan uit de
bepalingen van hoofdstuk
2 zou zijn gevolgd.
**Artikel 7 Wcad**
1.
Een buitenslands gegeven beslissing waarbij een adoptie tot stand is
gekomen en die is uitgesproken door een ter plaatse bevoegde autoriteit van
de vreemde staat waar het kind zowel ten tijde van het verzoek tot adoptie
als ten tijde van de uitspraak zijn gewone verblijfplaats had, terwijl de
adoptiefouders hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, wordt erkend
indien:
a.
de bepalingen van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie in
acht zijn genomen, en
b.
de erkenning van de adoptie in het kennelijk belang van het kind is,
en
c.
erkenning niet op een grond, bedoeld in artikel 6, tweede of derde
lid, van deze wet, zou worden onthouden.
2.
Een adoptie als bedoeld in het eerste lid wordt slechts erkend indien de
rechter heeft vastgesteld dat aan de in dat lid genoemde voorwaarden voor
erkenning is voldaan. Toepasselijk is de procedure van artikel 26 van Boek 1 van het
Burgerlijk Wetboek.
3.
De rechter die vaststelt dat aan de voorwaarden voor erkenning van de
adoptie is voldaan, geeft ambtshalve een last tot toevoeging van een latere
vermelding van de adoptie aan de daarvoor in aanmerking komende akte van de
burgerlijke stand. De artikelen
25, zesde lid, 25c, derde
lid, en 25g,
tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek zijn van
overeenkomstige toepassing.
**Artikel 8 Wcad**
1.
De erkenning als bedoeld in de artikelen 6 en 7 houdt tevens in de
erkenning van:
a.
de familierechtelijke betrekkingen tussen het kind en zijn
adoptiefouders;
b.
het gezag van de adoptiefouders over het kind;
c.
de verbreking van de voordien bestaande familierechtelijke
betrekkingen tussen het kind en zijn moeder en vader, indien de adoptie
dit gevolg heeft in de staat waar zij plaatsvond.
2.
Ingeval de adoptie in de staat waar zij plaatsvond niet tot gevolg heeft
dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen worden verbroken,
mist de adoptie ook in Nederland dat gevolg.
**Artikel 9 Wcad**
In het in artikel 8, tweede lid, bedoelde geval kan, indien het kind in
Nederland gewone verblijfplaats heeft en daar voor permanent verblijf bij de
adoptiefouders is toegelaten, een verzoek tot omzetting in een adoptie naar
Nederlands recht worden ingediend. Artikel 11, tweede lid, van de Wet tot
uitvoering van het op 29 mei 1993 te s-Gravenhage tot stand gekomen verdrag
inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de
interlandelijke adoptie, is van overeenkomstige toepassing. Artikel 3, tweede lid, van deze
wet is van overeenkomstige toepassing op de toestemming van de ouders
wier toestemming tot de adoptie vereist was.
2003
234
03-12-2003
21-11-2003
HKUIT03-5117AUB
2003
234
03-12-2003
21-11-2003
HKUIT03-5117AUB
01-01-2004
## 5c
## 6
RWN: artikelen
1; 2; 8; 9; 12; 13; 14.1; 21; 22; 23; 26 en 28
RRWN: artikelen
IB; II.2 en
V.1
BVVN: artikelen 3 t/m 12 en 73
Awb: artikelen
4:5; 4:7;
4:15 en hoofdstukken 6 t/m
8
BW: artikelen
1:5; 1:253aa;
1:253sa en 1:253t
WCN: artikelen
4.2 en 5.b.b
WRvS: artikelen
37 en 39
Verdragen: artikel 1 Overeenkomst van Rome inzake de wettiging door huwelijk;
artikelen 1 en 12 Verdrag van New York ter beperking der staatloosheid;
artikelen 6.1a en 6.2b Europees Verdrag inzake nationaliteit.
Zie artikel 26 RWN voor tijdelijk
soepelere voorwaarden voor optie door bepaalde categorieën oud-Nederlanders. Zie voor
de gevolgen van een erkenning van een minderjarige door een Nederlandse man vóór 1
april 2003, de toelichting bij artikel 6, eerste
lid, aanhef en onder c, RWN, onder Erkenning van minderjarigen vóór 1
april 2003.
### 6-alg. Toelichting algemeen
### 6-1-a. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder
a
### 6-1-b. Toelichting ad artikel 6 eerste lid, aanhef en onder
b
### 6-1-c. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder
c
**Na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke
verklaring verkrijgt door een bevestiging als bedoeld in het tweede lid het
Nederlanderschap: de minderjarige vreemdeling die door een Nederlander is erkend
of zonder erkenning door wettiging het kind van een Nederlander is geworden,
indien hij na de erkenning of wettiging zonder erkenning gedurende een
onafgebroken periode van tenminste drie jaren verzorging en opvoeding heeft
genoten van de Nederlander door wie hij is erkend of wiens kind hij door
wettiging is geworden.**
2003
44
04-03-2003
2003
44
04-03-2003
01-04-2003
#### 1. Algemeen
Een vreemdeling die de optieverklaring aflegt, verkrijgt het Nederlanderschap
door de bevestiging, bedoeld in artikel 6,
tweede lid, RWN als cumulatief:
hij minderjarig is. Hij moet dus jonger dan achttien zijn en nimmer gehuwd
(geweest) zijn noch in Nederland een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan
of een buiten Nederland geregistreerd partnerschap als bedoeld in artikel 1, tweede lid,
RWN;
hij door een Nederlandse man is erkend en als gevolg daarvan naar Nederlands
(internationaal privaat)recht in een familierechtelijke betrekking tot deze
Nederlander is komen te staan of zonder erkenning door wettiging het kind van
een Nederlander is geworden;
hij na de erkenning of wettiging gedurende ten minste drie jaar
ononderbroken is verzorgd en opgevoed door deze Nederlander;
hij niet eerder de Nederlandse nationaliteit door optie heeft verkregen (zie
het achtste lid); en
de bepalingen van artikel 2
RWN in acht zijn genomen (zie de toelichting bij artikel 2
RWN);
het minderjarige kind dat op het moment van het afleggen van de verklaring
zestien jaar of ouder is daarmee uitdrukkelijk instemt. Dit moet blijken uit
een schriftelijke verklaring van instemming. Als het kind in de loop van de
procedure zestien jaar of ouder wordt, hoeft het niet opnieuw in te stemmen om
het Nederlanderschap te kunnen verkrijgen. Als het kind zich voor zijn
zestiende jaar schriftelijk heeft uitgesproken tegen de verkrijging, dan geldt
dit nadat het zestien jaar is geworden als het ontbreken van instemming. De
bevestiging van het Nederlanderschap wordt in dat geval geweigerd (tenzij het
zestienjarige kind op eigen initiatief alsnog een andere zienswijze
geeft).
#### 2. Erkenning en wettiging van minderjarigen vóór 1 april
2003
Vóór 1 april 2003 kreeg een minderjarige vreemdeling die tijdens zijn
minderjarigheid door een Nederlander werd erkend en door deze erkenning in een
familierechtelijke betrekking tot die Nederlander kwam te staan, van rechtswege de
Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 4, eerste lid, RWN
zoals dat tot die datum luidde. Op grond van artikel 4, tweede lid, RWN
zoals dit luidde tot 1 april 2003, kreeg ook het kind dat zonder erkenning door
wettiging het kind van een Nederlander werd, daardoor van rechtswege de
Nederlandse nationaliteit. Met dit laatste wordt gedoeld op gevallen waarin
Nederland een wettiging zonder voorafgaande erkenning aanvaardt op grond van de
Overeenkomst van Rome van 10 september 1970 inzake de wettiging door huwelijk
(*Trb. *1972, 61).
#### 3. Vereiste van opvoeding en verzorging door de Nederlandse
man
Een minderjarige vreemdeling die na 1 april 2003 wordt erkend door een
Nederlander of die zonder erkenning door wettiging het kind wordt van een
Nederlander, kan onder de hierboven genoemde voorwaarden de Nederlandse
nationaliteit verkrijgen door optie. Het kind moet dan wel na de erkenning of
wettiging en tijdens zijn minderjarigheid gedurende een onafgebroken periode van
ten minste drie jaar verzorging en opvoeding hebben genoten van de Nederlandse man
door wie het is erkend of wiens kind het door wettiging is geworden. Van
verzorging en opvoeding zal sprake zijn indien wordt samengeleefd in
gezinsverband. Hierdoor zal over het algemeen een nauwe persoonlijke betrekking
zijn ontstaan tussen de vader en het kind. De opvoeding en verzorging impliceert
immers dat sprake is van veelvuldig en nauw contact tussen vader en kind (en de
eventuele andere opvoeder en verzorger). Indien de vader en het kind (met de
andere opvoeder en verzorger) in gezinsverband hebben samengeleefd, mag ervan
worden uitgegaan dat het kind (mede) door de vader is verzorgd en opgevoed.
##### 3.1. Bewijslast opvoeding en verzorging
Het ligt op de weg van de optant c.q. zijn wettelijk vertegenwoordiger om
aannemelijk te maken dat sprake is geweest van opvoeding en verzorging gedurende
een onafgebroken periode van drie jaar na erkenning of wettiging. Niet iedere
optant zal daartoe op gelijke wijze in staat zijn. Van geval tot geval zal
moeten worden beoordeeld of de optant dit aannemelijk heeft gemaakt.
##### 3.2. Bewijsmiddelen
Als volgens de optant sprake is geweest van samenleving in gezinsverband in
Nederland, zal dit over het algemeen aannemelijk gemaakt kunnen worden door het
overleggen van een uittreksel uit de GBA. Als sprake is geweest van samenleving
in gezinsverband in het buitenland dan dient dit voor zover mogelijk aan de
hand van een officieel document van een overheidsinstantie, of anderszins
genoegzaam, te worden aangetoond. Uit dit/deze document(en) moet blijken dat de
vader en het minderjarige kind op hetzelfde adres ingeschreven hebben gestaan
gedurende een periode van tenminste drie jaar na de erkenning of wettiging van
het kind. Behoudens in het geval van contra-indicaties (bijvoorbeeld als uit
andere bronnen blijkt dat vader en kind in die periode niet (constant) hebben
samengeleefd op hetzelfde adres), kan met het overleggen van (een) dergelijk
document worden volstaan.
#### 4. Naamskeuze voor/door de optant
De verkrijging van de Nederlandse nationaliteit heeft op zich geen invloed op de
geslachtsnaam of op de voornamen van de optant. Dat vloeit voort uit artikel 4, tweede lid, WCN.
Omdat de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door optie ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder
c, RWN rechtstreeks verband houdt met de erkenning of de wettiging (het
betreft in feite een uitgestelde verkrijging van de Nederlandse nationaliteit),
heeft de wetgever het redelijk geacht de hier bedoelde optanten in de gelegenheid
te stellen op het tijdstip van de optie een naamskeuze te doen. In dit verband
wordt de aandacht gevestigd op artikel 5b
WCN, waarvan de tekst luidt:
Uit een relatie tussen de ongehuwde vrouw A van Turkse nationaliteit en de
Nederlander B wordt in Turkije kind C geboren. A en B treden kort na de geboorte
van C in het huwelijk. Het huwelijk wordt op 2 januari 2004 in Turkije voltrokken.
Naar Turks recht wordt C hierdoor het wettig kind van B. Hierdoor komt B op grond
van artikel 1 van de Overeenkomst van Rome van 10 september 1970 inzake de
wettiging door huwelijk, ook naar Nederlands recht in een familierechtelijke
betrekking tot C te staan. C verkrijgt daardoor echter niet de Nederlandse
nationaliteit. Gedurende de eerste tweeëneenhalf jaar na de wettiging wordt C in
het gezin van A en B opgevoed. Daarna strandt het huwelijk tussen A en B. C wordt
vervolgens opgevoed in het gezin van A. B ziet C nog eens in de drie weken op
zondagmiddag. Deze situatie duurt voort totdat C zestien jaar oud is. Ten behoeve
van C kan niet worden geopteerd. Hij is niet tijdens zijn minderjarigheid
gedurende drie jaar ononderbroken verzorgd en opgevoed door zijn vader B.
De ongehuwde vrouw D van Surinaamse nationaliteit heeft uit een relatie met de
Nederlander E kind F gekregen. Dit kind is op 30 september 2005 geboren te
Amsterdam. F is uitsluitend in het bezit van de Surinaamse nationaliteit. D en E
wonen niet samen en zijn dat ook niet van plan. E is bereid om kind F als het
zijne te erkennen en financieel bij te dragen aan zijn onderhoud. De dagelijkse
verzorging en opvoeding laat hij liever over aan D. D en E spreken af dat E zijn
kind wel af en toe mag meenemen voor bezoekjes aan oma. Zowel D als E vinden het
belangrijk dat F in het bezit komt van de Nederlandse nationaliteit. Zij vragen
daarover advies aan een ambtenaar Burgerzaken van de Gemeente Amsterdam. Deze
adviseert E het kind niet te erkennen, maar moeder D bij de Rechtbank Amsterdam
een verzoek in te laten dienen tot vaststelling van het vaderschap van F. Dit is
een goed advies. Immers, E zal vermoedelijk nooit in gezinsverband met F gaan
samenwonen en het is twijfelachtig of hij ooit intensief bij de opvoeding en
verzorging van F zal zijn betrokken. Een optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder
c, RWN zal vermoedelijk nooit met succes ten behoeve van F kunnen
worden afgelegd. Door vaststelling van het vaderschap van E krijgt F op grond van
artikel 4, eerste lid, RWN van
rechtswege de Nederlandse nationaliteit.
#### 5. Naamskeuze voor/door de optant
#### 6. Overgangsrecht
### 6-1-d. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder
d
### 6-1-e. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder
e
### 6-1-f. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder
f
### 6-1-g. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder
g
### 6-1-h. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder
h
### 6-2. Toelichting ad artikel 6, tweede lid
**De autoriteit die de verklaring in ontvangst neemt, beoordeelt
aan de hand van de haar overgelegde stukken de gronden waarop de verklaring
berust. Indien aan de vereisten is voldaan, bevestigt zij schriftelijk de
verkrijging van het Nederlanderschap.**
2003
44
04-03-2003
2003
44
04-03-2003
01-04-2003
#### 1. Algemeen
In artikel 21 RWN is bepaald dat
bij algemene maatregel van rijksbestuur de autoriteiten en ambtenaren worden
aangewezen die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen tot
verkrijging van het Nederlanderschap. Voorts is bepaald dat bij algemene maatregel
van rijksbestuur nadere voorschriften kunnen worden gesteld betreffende de wijze
van inontvangstneming van de verklaringen en de bevestigingen van de verkrijging
van het Nederlanderschap, alsmede betreffende de verdere administratieve
behandeling van de verkrijging van het Nederlanderschap. In het BVVN zijn deze voorschriften opgenomen en
vorenbedoelde autoriteiten en ambtenaren aangewezen. In artikel 2, aanhef en onder a,
BVVN is bepaald dat in Nederland de burgemeesters bevoegd zijn tot het
in ontvangst nemen van de optieverklaringen. De vormvoorschriften, procedurele
vereisten en administratieve behandeling van de verklaringen zijn voor Nederland
geregeld in de artikelen 3 tot en met 12 BVVN. In de hierna opgenomen
procedurebeschrijving is de volgorde van het BVVN aangehouden. Hierop wordt echter
een uitzondering gemaakt voor de eerste procedurestap: Informatieverstrekking
die zich naar zijn aard niet leent voor opname in het BVVN, maar in de
uitvoeringspraktijk over het algemeen wel aan het afleggen van de optieverklaring
vooraf zal gaan.
#### 2. Procedure
##### 2.1. Informatieverstrekking
Het afleggen van een optieverklaring zal worden voorafgegaan door
informatieverstrekking aan de aspirant-optant door de tot het in ontvangst nemen
van de verklaring burgemeester. Voor een deel zal daarbij gebruik kunnen worden
gemaakt van IND-brochures. Verder kan in deze fase aan de aspirant-optant
bijvoorbeeld opgave worden gedaan van de bij het afleggen van de optieverklaring
te verstrekken gegevens en over te leggen documenten. Indien al onmiddellijk
blijkt dat niet wordt voldaan aan de vereisten voor optie, kan de betrokkene
worden gewezen op de eventuele mogelijkheid en voorwaarden voor verlening van de
Nederlandse nationaliteit door naturalisatie.
##### 2.2. Afleggen van de optieverklaring
###### 2.2.1. Vormvereisten: afleggen in persoon
####### 2.2.1.1. Meerderjarige optant
Omdat in het kader van optie van belang is dat wordt aangetoond dat de
optant degene is die hij opgeeft te zijn, dient de optant bij het afleggen
van zijn verklaring in beginsel in persoon te verschijnen (artikel 2, tweede lid,
RWN; artikel 3,
eerste lid, BVVN). De burgemeester die de verklaring in ontvangst
neemt, moet zich door middel van onderzoek de nodige zekerheid verschaffen
omtrent de identiteit van de optant. In dit kader wordt de optant verzocht
een geldig buitenlands reisdocument
32
In bepaalde gevallen zijn andere identiteitsdocumenten
toegestaan. Zie bij paragraaf 2.2.5.1.
te overleggen. Daarnaast kan de optant worden verzocht andere
bewijsstukken, zoals een geboorteakte te tonen (zie hierna onder paragrafen 2.2.3 en 2.2.5 bij onderhavig artikellid).
####### 2.2.1.2. Minderjarige optant
Voor een minderjarige optant wordt de optieverklaring afgelegd door (een
van) zijn wettelijk vertegenwoordiger(s). In beginsel dient de wettelijk
vertegenwoordiger in persoon te verschijnen (artikel 2, tweede lid,
RWN; artikel 3,
eerste lid, BVVN) en zich met een geldig identiteitsbewijs te
legitimeren. Van verschijning in persoon door de wettelijk vertegenwoordiger
kan slechts om zwaarwegende redenen worden afgeweken (zie artikel 2, tweede
lid, RWN en artikel 3,
tweede lid, BVVN). De minderjarige optant die jonger dan twaalf
jaar is, wordt niet in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te
brengen omtrent de verkrijging van het Nederlanderschap (zie de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN).
Ingevolge artikel 2,
vierde lid, RWN wordt een kind van twaalf jaar of ouder op zijn
verzoek in de gelegenheid gesteld om een zienswijze omtrent de verkrijging
naar voren te brengen. Bij een minderjarige optant van twaalf tot zestien
jaar is niet voorgeschreven dat het in persoon verschijnt om een zienswijze
naar voren te brengen omtrent de verkrijging van het Nederlanderschap. Het
verdient wel de voorkeur. De minderjarige optant wordt derhalve mondeling
(indien aanwezig bij optieverklaring) of per brief gewezen op de
mogelijkheid om in persoon dan wel schriftelijk een zienswijze te geven
omtrent de verkrijging (zie de toelichting bij artikel 2,
vierde lid, RWN).
Naar analogie van artikel 6,
derde lid, BVVN dient de minderjarige optant vanaf zestien jaar
in persoon te verschijnen om een verklaring van instemming met de
verkrijging van het Nederlanderschap af te leggen. Van verschijning in
persoon kan slechts om zwaarwegende redenen worden afgeweken (zie de toelichting bij artikel 2, tweede en vierde lid, RWN).
####### 2.2.1.3. Kinderen van de optant
De minderjarige kinderen van de optant, waarvan het de bedoeling is dat
zij delen in de verkrijging van het Nederlanderschap door hun ouder, en die
twaalf jaar of ouder zijn, worden mondeling (indien aanwezig bij
optieverklaring) of per brief gewezen op de mogelijkheid om in persoon dan
wel schriftelijk een zienswijze te geven omtrent de medeverkrijging (zie de
toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN).
Ingevolge artikel 2,
vierde lid, RWN wordt een kind van twaalf jaar of ouder op zijn
verzoek in de gelegenheid gesteld om een zienswijze omtrent de
medeverkrijging naar voren te brengen.
Hebben kinderen de leeftijd van zestien jaar bereikt, dan is verschijning
in persoon voorgeschreven om een instemmingsverklaring af te geven (artikel 6, derde lid,
BVVN). Zij dienen zich met een geldig buitenlands
reisdocument
33
Zie paragraaf 2.2.5.1.
te legitimeren (zie ook hierna paragraaf 2.2.1.5.). Van verschijning in persoon kan slechts om
zwaarwegende redenen worden afgeweken (zie de toelichting bij artikel 2, tweede en vierde lid, RWN).
####### 2.2.1.4. Wettelijk vertegenwoordiger/andere ouder
De wettelijk vertegenwoordiger/andere ouder van het kind kan op verzoek
een zienswijze omtrent de (mede)verkrijging van het Nederlanderschap naar
voren brengen. Verschijning in persoon is niet voorgeschreven, maar verdient
wel de voorkeur. De wettelijk vertegenwoordiger/andere ouder wordt mondeling
(indien aanwezig bij optieverklaring) of schriftelijk gewezen op de
mogelijkheid een zienswijze omtrent de (mede)verkrijging te geven (zie de
toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN).
####### 2.2.1.5. Gemachtigde
Indien in gevallen, waarin verschijning in persoon is voorgeschreven, dit
om zwaarwegende redenen niet kan worden verlangd, kan de optieverklaring of
de verklaring van al dan niet instemming met de (mede)verkrijging van het
Nederlanderschap worden afgelegd door een daartoe schriftelijk gemachtigde
meerderjarige persoon, mits voldoende zekerheid kan worden verkregen over de
identiteit van de gemachtigde en de persoon wiens nationaliteit in het
geding is (artikel 3,
tweede lid, BVVN). Bij zwaarwegende redenen wordt gedacht aan
fysieke en/of psychische onmogelijkheid om in persoon te verschijnen. De
door betrokkene en/of zijn gemachtigde aangevoerde zwaarwegende redenen
dienen te worden aangetoond aan de hand van een medische verklaring van een
medisch specialist (zie de toelichting bij artikel 2, tweede lid, RWN).
###### 2.2.2. Uitsluitend schriftelijk optieverklaring
afleggen
De optieverklaring dient op schrift te worden gesteld (artikel 6, eerste lid, RWN)
en door de betrokkene of, in het voorkomende geval, door zijn wettelijk
vertegenwoordiger of gemachtigde te worden ondertekend (artikel 3, derde lid,
BVVN). In de verklaring dienen de minderjarige kinderen en de
kindskinderen, voor wie medeverkrijging van het Nederlanderschap wordt beoogd,
te worden vermeld (artikel 6,
zevende lid, RWN). Als beide ouders op hetzelfde moment een
optieverklaring afleggen, worden in beide optieverklaringen alle kinderen
opgenomen waarvoor medeverkrijging van het Nederlanderschap wordt gewenst.
Hierdoor wordt voorkomen dat een kind niet in de verkrijging van het
Nederlanderschap deelt, omdat het bij toeval in de optieverklaring is vermeld
van de ouder die niet aan de voorwaarden voldoet.
###### 2.2.3. Te verstrekken gegevens
Ingevolge artikel 6,
eerste lid, BVVN dient de optant bij het afleggen van de
optieverklaring betreffende zichzelf, voor zoveel mogelijk, gegevens te
verstrekken met betrekking tot:
a. geslachtsnaam en voornaam of voornamen, onderscheidenlijk naam of
namen;
b. geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland;
c. adres, postcode en woonplaats;
d. geslacht;
e. nationaliteit(en);
f. tegenwoordige en, voor zoveel nodig, eerdere verblijfsrechtelijke
status;
g. duur van huidige toegelaten verblijf in het Koninkrijk en, indien van
toepassing, duur van eerder toegelaten verblijf in het Koninkrijk;
h. indien van toepassing: bestaan en duur van het huwelijk of geregistreerd
partnerschap dan wel de ontbinding daarvan, alsmede ten aanzien van de
echtgenoot of partner de gegevens hierboven bedoeld onder a tot en met
e;
i. indien van toepassing, betreffende de minderjarige kinderen van de
optant, de gegevens hierboven bedoeld onder a tot en met e, en onder
g;
j. indien van toepassing, betreffende de ouders van de optant, de gegevens
bedoeld in de onderdelen a tot en met g;
k. indien het een minderjarige betreft over wie gezag wordt uitgeoefend, de
gegevens bedoeld in de onderdelen a tot en met e van degene of degenen die
dit gezag uitoefenen;
l. de overige gegevens die naar het oordeel van de tot het in ontvangst
nemen van de verklaring bevoegde autoriteit nodig zijn voor de beoordeling
van het geval.
Het verdient mede gelet op het bepaalde in artikel 4:7 Awb aanbeveling
deze gegevens met betrekking tot de optant zelf (en indien van toepassing met
betrekking tot in de optieverklaring genoemde (kinds)kinderen) onmiddellijk in
overleg met de optant te vergelijken met de beschikbare gegevens in de GBA.
Hiermee kunnen onnodige procedures worden voorkomen.
Behoudens in het geval dat toelating van de optant geen voorwaarde is voor
de bevestiging (zie hierboven), dient de optant zijn verblijfsrechtelijke
status (onderdeel f) aan te tonen door het overleggen van een
verblijfsdocument waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken. Toelating
voor onbepaalde tijd, zoals vereist bij de optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en
onder f, RWN, kan eveneens worden aangetoond door het overleggen
van een verblijfsdocument waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken (zie
de toelichting bij artikel 1, aanhef en onder g, RWN voor
uitleg van de begrippen toelating en toelating voor onbepaalde duur).
In sommige gevallen kan het noodzakelijk zijn nadere gegevens en
bewijsstukken te vragen (vergelijk ook artikel 6, vijfde lid,
BVVN). Te denken valt bijvoorbeeld aan:
een bewijs van eerder bezit van de Nederlandse nationaliteit. Indien de
burgemeester, na raadpleging van de GBA, twijfelt aan het gestelde
oud-Nederlanderschap of oud-Nederlands onderdaanschap, dient daarvan een
bewijs te worden overgelegd door de optant;
een bewijs van gezagsvoorziening, voorzover dit niet blijkt uit de GBA.
Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld een buitenlands rechterlijke
voogdijbeschikking of een echtscheidingsvonnis, waarbij tevens in het
gezag over de kinderen is voorzien. Het hier bedoelde bewijs kan
bijvoorbeeld nodig zijn om te kunnen beoordelen of een minderjarige al dan
niet zal delen in de naamsvaststelling van zijn ouder; om te kunnen
vaststellen wie voor een minderjarige een verzoek mag indienen of wie
gehoord moet worden;
een bewijs van verzorging en opvoeding (in geval van een optie op grond
van artikel
6, eerste lid, aanhef en onder c of d, RWN).
###### 2.2.4. Af te leggen verklaringen
####### 2.2.4.1. Waarheidsverklaring
Verder dient de optant een zogenaamde waarheidsverklaring te ondertekenen
(artikel 6, vierde lid,
BVVN). In deze verklaring, waarvan de tekst is opgenomen in de
optieverklaring (zie modellen 1.1 tot en met 1.13), verklaart de verzoeker
dat hij de gevraagde gegevens, betreffende zichzelf en de in de
optieverklaring genoemde personen naar waarheid heeft verstrekt en geen
relevant gegeven heeft verzwegen.
####### 2.2.4.2. Verklaring omtrent verblijfsstatus en gedrag
Bovendien dient de optant door middel van een zogenaamde verklaring
omtrent verblijfsstatus en gedrag (model 1.14) schriftelijk te verklaren dat
in het kader van de verkrijging en het behoud van de verblijfsvergunning van
hemzelf en de overige in de optieverklaring genoemde personen de gevraagde
gegevens naar waarheid zijn verstrekt en geen relevante gegevens zijn
verzwegen (artikel 6,
vierde lid, BVVN) en of hij of een van de in de optieverklaring
genoemde personen ouder dan zestien jaar, al dan niet in aanraking is
geweest met politie en/of justitie in verband met een misdrijf. De
burgemeester zet, voordat de optant de verklaring ondertekent, de openbare
orde richtlijnen bij optie uiteen en wijst de optant erop dat een en ander
gevolgen kan hebben voor de bevestiging van de optieverklaring. Betrokkene
wordt in de gelegenheid gesteld om op de verklaring aan te geven of er
sprake is van bijzondere feiten en/of omstandigheden op grond waarvan, naar
zijn mening, ten aanzien van hem of de betreffende minderjarige niet mag
worden geconcludeerd dat er op grond van zijn gedrag ernstige vermoedens
bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of
de veiligheid van het Koninkrijk. (Zie verder de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN en artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN.)
Enkele optanten zijn niet verplicht een verklaring omtrent verblijfsstatus
en/of gedrag af te leggen. Met betrekking tot de verklaring omtrent
verblijfsstatus gaat het om opties op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en
onder c en d,
RWN, artikel 6,
eerste lid, aanhef en onder f juncto artikel 26 RWN, artikel 28 RWN en artikel V, eerste lid,
RRWN. Met betrekking tot de verklaring omtrent gedrag gaat het om
opties op grond van artikel 6,
eerste lid, aanhef en onder b (tenzij de optant meerderjarig is)
en c, RWN en artikel 6, eerste lid, aanhef en
onder d, RWN indien de optant op het moment van het afleggen van
de optie de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt. Voorts hoeft
geen verklaring omtrent gedrag te worden ondertekend indien een optie op
grond van artikel V, eerste lid, RRWN wordt afgelegd.
###### 2.2.5. (Overige) over te leggen documenten
De burgemeester die de optieverklaring in ontvangst neemt, verlangt in
beginsel van de optant dat hij gegevens bewijst door middel van documenten.
Zie ook artikel 6,
vijfde lid, BVVN.
In de optieprocedure wordt zoveel mogelijk gestreefd naar inontvangstneming
van optieverklaringen die worden ondersteund door alle benodigde
(bewijs)stukken. Dit is ook in het belang van de optant, aangezien bij
weigering van de bevestiging van de optie, de reeds betaalde optiegelden niet
worden gerestitueerd. Indien de optant een aantal benodigde gegevens niet kan
verstrekken, wordt hem geadviseerd te wachten met het afleggen van de
optieverklaring tot het moment dat alle verlangde gegevens kunnen worden
verstrekt. Mocht de optant er echter op staan zijn optieverklaring, ondanks
het niet overleggen van de door de burgemeester gevraagde documenten af te
leggen, dan dient de burgemeester de verklaring in ontvangst te nemen.
####### 2.2.5.1. Buitenlands reisdocument
In beginsel dient de optant een geldig buitenlands reisdocument te
overleggen. Dit niet alleen in verband met de identificatie maar ook om de
nationaliteit van de optant te kunnen vaststellen en de in het
reisdocument vermelde personalia te vergelijken met de gegevens in
overgelegde akte(n) van de burgerlijke stand.
####### 2.2.5.2. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand
Voor wat betreft verklaringen en/of afschriften dan wel uittreksels van
buitenlandse akten van de burgerlijke stand geldt dat de optant in beginsel
de volgende documenten dient te overleggen (zie voor uitzonderingen ook
hierna bij paragraaf 2.2.5.3 en paragraaf 2.2.5.4):
geboorteakte van hemzelf; én
geboorteakten van kinderen waarvoor medeverkrijging van het
Nederlanderschap wordt beoogd; in geval van adoptiefkinderen eventueel
aangevuld met adoptieakte/ vonnis of andere stukken waarmee de adoptie
kan worden aangetoond; én
huwelijksakte indien optie wordt verzocht op grond van driejarig
huwelijk met een Nederlander of indien de optant als gevolg van het
huwelijk meerderjarig is geworden of indien het betreft een optie met
toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, RWN);
bewijs van erkenning of wettiging (bijvoorbeeld erkenningsakte,
geboorteakte met latere vermelding betreffende erkenning/wettiging of
huwelijksakte ouders) in geval van een optieverklaring als bedoeld in
artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN;
bewijs van gezamenlijk gezag (bijvoorbeeld akte van registratie van
het partnerschap van de moeder van de optant en haar Nederlandse
partner, of het vonnis van de Nederlandse rechter waarbij tot
gezamenlijk gezag is besloten) in geval van een optieverklaring als
bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, RWN.
####### 2.2.5.3. In het verleden overgelegde buitenlandse
akten
Uitzonderingen daargelaten (bijvoorbeeld in geval van op goede gronden
gerezen twijfel), wordt van overlegging van documenten afgezien indien deze
in eerdere instantie reeds zijn overgelegd en verwerkt in de GBA of in een
akte van de burgerlijke stand in Nederland. Hierbij geldt dat de verwerking
van gegevens in de GBA/burgerlijke stand moet hebben plaatsgevonden op basis
van gelegaliseerde en inhoudelijk geverifieerde documenten overeenkomstig de
thans geldende legalisatiecirculaire.
####### 2.2.5.4. Verkrijging, vertaling, legalisatie en inhoudelijke
verificatie van buitenlandse documenten
Voor zowel het verkrijgen van documenten als de vertalingen en eventuele
legalisatie en inhoudelijke verificatie van stukken, dient betrokkene zelf
zorg te dragen. Indien de documenten zijn opgesteld in een andere taal dan
het Nederlands, Engels, Duits of Frans, dient de optant zorg te dragen voor
een door een beëdigd vertaler gemaakte vertaling, die gehecht moet zijn aan
het originele (afschrift van het) document. De thans geldende
legalisatiecirculaire is van (overeenkomstige) toepassing (zie ook artikel
6, vijfde lid, BVVN). Dit betekent ook, dat wanneer een houder van een
verblijfsvergunning asiel, of een vreemdeling die in het kader van de
verlening/verlenging van zijn verblijfsvergunning is vrijgesteld van het
paspoortvereiste, bezwaar maakt tegen het aanvragen van documenten in het
land van herkomst, van overlegging van die documenten wordt afgezien.
Hiervan kan echter worden afgeweken indien zich een van de situaties
voordoet op grond waarvan bezwaar tegen legalisatie niet gehonoreerd zou
hoeven worden (zie de thans geldende legalisatiecirculaire bij: B.2.
Uitzonderingen op de hoofdregel).
####### 2.2.5.5. Bewijsnood
Van de voorwaarde van het overleggen van uit het buitenland afkomstige
gelegaliseerde documenten kan worden vrijgesteld de persoon die wegens
bewijsnood niet in staat is dergelijke documenten over te leggen. Indien
geen sprake is van bewijsnood, wordt geen vrijstelling verleend.
Bewijsnood zal zich met name voordoen in het geval dat registers van de
burgerlijke stand in het land waar de documenten vandaan moeten komen niet
bestaan dan wel onvolledig zijn, alsmede wanneer in het land in kwestie geen
stukken kunnen worden verkregen vanwege de op dat moment bestaande politieke
situatie.
##### 2.3. Inontvangstneming optieverklaring
###### 2.3.1. Bevoegdheid burgemeester
Ingevolge artikel 7,
eerste tot en met derde lid, BVVN neemt de burgemeester uitsluitend
optieverklaringen in ontvangst van de volgende personen:
Dit betreft de hoofdregel: optieverklaringen dienen te worden afgelegd bij
de burgemeester van de gemeente waar de optant als ingezetene is ingeschreven
in de GBA. Het feit dat de optieverklaring ook kan zien op minderjarige
kinderen die in de optieverklaring delen en hun hoofdverblijf niet in die
gemeente hebben, doet daar niet aan af. Bij een zelfstandige optieverklaring
ten behoeve van een minderjarige, is de burgemeester van de gemeente van
inschrijving van de minderjarige bevoegd. Dit geldt ook als de wettelijk
vertegenwoordiger in de GBA van een andere gemeente is ingeschreven.
Deze personen zijn vreemdelingen die vanwege hun bijzondere status niet in
de GBA van een gemeente zijn ingeschreven, maar wel hun hoofdverblijf hebben
in die gemeente. Zij kunnen de optieverklaring afleggen bij de burgemeester
van hun hoofdverblijf. Dit betreft dan in het bijzonder personen die lid zijn
van diplomatieke zendingen of consulaire posten of tot het administratieve of
technische personeel behoren, en hun gezinsleden. Ook voor militairen van
buitenlandse bases geldt dat zij niet worden ingeschreven in de GBA van hun
hoofdverblijf. Daarnaast kunnen er nog andere, bij algemene maatregel van
bestuur aangewezen, categorieën vreemdelingen zijn, die op dezelfde wijze
worden behandeld. Al deze vreemdelingen dienen hun optieverklaring af te
leggen bij de burgemeester van de plaats van hun hoofdverblijf. Overigens zal
de eis van toelating die voor de meeste opties geldt, meestal in de weg staan
aan de bevestiging van een optieverklaring afgelegd door een persoon als
bedoeld in artikel 7,
tweede lid, BVVN. Een bevestiging is wel mogelijk bij opties op
grond van artikel 6,
eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN, artikel 6, eerste lid, aanhef en
onder f juncto artikel 26
RWN, artikel 28
RWN en artikel V,
eerste lid, RRWN.
Deze personen zijn zogenaamde passanten. Dit zijn personen die nergens ter
wereld hun hoofdverblijf hebben omdat zij per voer- of vaartuig steeds van
verblijfplaats veranderen. Omdat het aantal passanten beperkt is en voor de
meeste opties als voorwaarde geldt dat de optant (al geruime tijd) zijn
hoofdverblijf in het Koninkrijk moet hebben, zal niet vaak sprake zijn van een
situatie als hier bedoeld. De situatie kan zich voordoen bij opties op grond
van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN, artikel 6, eerste lid,
aanhef en onder f juncto artikel 26 RWN, artikel 28 RWN en artikel V, eerste
lid, RRWN.
###### 2.3.2. Ontvangstbevestiging
Optieverklaringen worden voorzien van een datum en dienststempel (artikel 7, zesde lid,
BVVN). Daarna wordt een kopie van de optieverklaring, als bewijs van
ontvangst, aan de optant meegegeven (artikel 7, vierde lid,
BVVN). Vervolgens dient binnen dertien weken na de inontvangstneming
van de optieverklaring te worden beslist of de optieverklaring al dan niet
wordt bevestigd. Deze termijn kan éénmaal met ten hoogste dertien weken worden
verlengd (artikel 6,
vierde lid, RWN). Een verlenging van de termijn kan bijvoorbeeld
noodzakelijk zijn indien de burgemeester aan de Minister van Buitenlandse
Zaken verzoekt om verificatie van gegevens in het buitenland. Als de
burgemeester verlenging van de termijn noodzakelijk acht, deelt hij dit
schriftelijk aan de optant mee. De burgemeester is niet verplicht om de reden
van de verlenging te vermelden.
###### 2.3.3. Beoordeling verschuldigdheid optiegelden
Nadat de burgemeester de optieverklaring voor ontvangst heeft getekend en
een kopie van de voor ontvangst getekende verklaring aan de optant heeft
afgegeven, beoordeelt de burgemeester voorafgaand aan de verdere behandeling
van de optieverklaring of de optant al dan niet dient te betalen
overeenkomstig het BON. Indien de optant
optiegelden is verschuldigd, wordt hem de hoogte van het bedrag meegedeeld en
wordt hij terstond in de gelegenheid gesteld de betaling te verrichten
(artikel 8, tweede lid,
BVVN). Zie ook de toelichting onder artikel 13 RWN.
###### 2.3.4. Beoordeling volledigheid
optieverklaring/inverzuimstelling
Na de betaling van de optiegelden; de vaststelling dat geen betaling is
verschuldigd; of de beslissing tot gehele ontheffing van betaling, beoordeelt
de burgemeester de optieverklaring op zijn volledigheid. Zonodig verzoekt hij
de optant om aanvulling van de gegevens en stelt hij een termijn vast
waarbinnen deze gegevens alsnog moeten zijn aangeleverd (artikel 4:5, eerste lid,
Awb, artikel 8,
tweede lid, BVVN). Het verdient aanbeveling een en ander op schrift
te stellen en het bericht onmiddellijk aan de optant mee te geven. Indien de
door de burgemeester gevraagde gegevens niet worden verstrekt of de documenten
niet worden overgelegd, kan de burgemeester besluiten de verklaring buiten
behandeling te stellen met toepassing van artikel 4:5 Awb. Ingevolge
artikel 4:15 Awb wordt door
het in verzuim stellen de beslistermijn van dertien weken opgeschort tot de
dag waarop de aanvulling van de verklaring is ontvangen of de verzuimtermijn
is verstreken.
##### 2.4. Voorbereiding van de beslissing
###### 2.4.1. Toetsing juistheid verstrekte gegevens
Nadat de optiegelden zijn betaald of de burgemeester heeft vastgesteld dat
geen betaling is verschuldigd, en de burgemeester heeft vastgesteld dat de
verklaring volledig is, toetst hij de door de optant verstrekte gegevens. Hij
toetst aan de gegevens die in de GBA van zijn gemeente zijn opgenomen (artikel 9, eerste lid,
BVVN). Zijn in de optieverklaring personen genoemd die in andere
basisadministraties zijn ingeschreven (kinderen voor wie medeverkrijging van
het Nederlanderschap wordt verzocht), dan verzoekt hij de burgemeester van de
betreffende gemeente om binnen vier weken (of in voorkomend geval de
gezaghebber van het betreffende Nederlands-Antilliaanse eilandgebied, dan wel
de Minister van Algemene Zaken van Aruba om binnen tien weken) de door optant
verstrekte gegevens te toetsen (artikel 9, tweede lid,
BVVN). Zie voor een juiste adressering aangaande de Nederlandse
Antillen en Aruba het hoofdstuk Voorlichting.
De gegevens van vreemdelingen met een bijzondere status (zie paragraaf 2.3.1) worden getoetst aan de gegevens die zijn
opgenomen in het door de Minister van Buitenlandse Zaken gehouden register
protocollaire basisadministratie (PROBAS). De burgemeester verzoekt de
Minister van Buitenlandse Zaken om binnen vier weken de gegevens van de
betreffende vreemdelingen te toetsen (artikel 9, vierde lid, BVVN). Zie voor
een juiste adressering het hoofdstuk Voorlichting.
Ten aanzien van de zogenaamde passanten verzoekt de burgemeester, zo nodig,
de Minister van Buitenlandse Zaken de gegevens van de betreffende
vreemdelingen zo mogelijk binnen tien weken te toetsen (artikel 9, derde lid,
BVVN). Zie voor een juiste adressering het hoofdstuk
Voorlichting.
Voorzover mogelijk onderzoekt de burgemeester de juistheid van de gegevens
die niet op de hierboven aangegeven wijze kunnen worden getoetst (artikel 9, vijfde lid,
BVVN).
###### 2.4.2. Beoordeling of aan de (overige) voorwaarden wordt
voldaan
####### 2.4.2.1. Verblijfsrechtelijke status optant
Behoudens bij opties op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en
onder a, c
en d, RWN, artikel 6, eerste lid, aanhef en
onder f juncto artikel 26
RWN, artikel 28
RWN en artikel V,
eerste lid, RRWN, onderzoekt de burgemeester de
verblijfsrechtelijke gegevens van de optant en van de kinderen die met het
oog op medeverkrijging in de optieverklaring zijn genoemd (artikel 10, eerste lid,
BVVN). Aan de hand van het verblijfsdocument waarvan de
geldigheidsduur niet is verstreken in combinatie met de gegevens in de GBA
kan worden beoordeeld of er sprake is van toelating dan wel toelating
voor onbepaalde tijd (zie de toelichting bij artikel 1,
eerste lid, aanhef en onder g, RWN). Indien optant dan wel een
van de kinderen die in de optieverklaring wordt genoemd niet in het bezit is
van een verblijfsdocument, wordt hij verwezen naar de burgemeester van de
gemeente waar de vreemdeling in de GBA is ingeschreven dan wel hoofdverblijf
heeft, om zijn verblijfsrechtelijke positie te regelen.
####### 2.4.2.2. Geen gevaar voor de openbare orde, etc.
Daarna onderzoekt de burgemeester of er op grond van het gedrag van de
minderjarige optant van zestien jaar of ouder, de meerderjarige optant of
dat van zijn minderjarige kinderen van zestien jaar of ouder voor wie
medeverkrijging van het Nederlanderschap wordt beoogd, ernstige vermoedens
bestaan dat zij een gevaar opleveren voor de openbare orde, de goede zeden
of de veiligheid van het Koninkrijk (artikel 10, tweede lid,
BVVN).
####### 2.4.2.3. Naamsvaststelling en naamskeuze bij optie
Indien vaststelling van de naam van de optant is voorgeschreven (artikel 6, vijfde lid,
RWN), overlegt de burgemeester met de optant over de vast te
stellen geslachtsna(a)m(en) en/of voorna(a)m(en), alsmede over de
vaststelling van de namen van de personen voor wie om medeverkrijging van
het Nederlanderschap is verzocht. Voorts overlegt en beslist de burgemeester
over de in het Koninkrijk gebruikelijke lettertekens waarin de naam van de
optant, en de namen van de personen voor wie om medeverkrijging van het
Nederlanderschap is verzocht, worden overgebracht (artikel 10, derde lid,
BVVN). Het beleid inzake naamsvaststelling bij naturalisatie is
van overeenkomstige toepassing (zie de toelichting bij artikel 12
RWN).
####### 2.4.2.4. Onderzoek naar zienswijze kind/wettelijk
vertegenwoordiger/(andere) ouder
Indien dit nog niet is gebeurd in een eerdere fase van de procedure
bijvoorbeeld tegelijk met het afleggen van de optieverklaring door de
optant stelt de burgemeester de andere in de optieverklaring genoemde
personen, mits zij de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, alsook de
wettelijk vertegenwoordiger en de andere ouder (als bedoeld in artikel 2, vierde lid,
RWN) op hun verzoek in de gelegenheid hun zienswijze inzake de
optie kenbaar te maken (artikel
10, vierde lid, BVVN). Zie ook hiervoor bij 2.2.1, Verklaring afleggen in persoon en de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN.
##### 2.5. Bevestiging
Nadat de burgemeester heeft vastgesteld dat aan de optievoorwaarden is
voldaan, bevestigt hij schriftelijk de verkrijging van het Nederlanderschap
onder vermelding van de naam, woonplaats en geboortedatum van de minderjarige
kinderen die in de verkrijging delen. Indien de minderjarige kinderen in de
optieverklaringen van beide ouders zijn opgenomen en de verkrijging van het
Nederlanderschap ten aanzien van beide ouders wordt bevestigd, worden de
personalia van de minderjarige kinderen die in de verkrijging delen in de
bevestiging van zowel de vader als de moeder opgenomen. De burgemeester bericht
gelijktijdig ten aanzien van welke personen hij de bevestiging weigert (artikel 11, eerste lid,
BVVN). De bevestiging wordt aan de optant uitgereikt of per post aan de
optant verzonden. Indien sprake is van een (gedeeltelijke) weigering dan wordt
het besluit uitgereikt of per aangetekende post verzonden.
##### 2.6. Administratieve verwerking van de bevestiging
De burgemeester zendt de optieverklaring, de afgelegde verklaring omtrent
verblijfsstatus en/of gedrag, de gegevens betreffende de toelating (kopie
verblijfsdocument, verblijfstitelgegevens uit de GBA, en, in voorkomende
gevallen, een bericht omtrent toelating) en de bevestiging in afschrift aan de
Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), locatie Rijswijk met het oog op de
opname van deze documenten in het nationaliteitenregister (artikel 12, eerste lid,
BVVN). Indien van toepassing voegt hij bij deze verklaring een volledig
ingevuld uitwisselingsformulier als bedoeld in de Overeenkomst van Parijs van 10
september 1964, betreffende het uitwisselen van gegevens met betrekking tot
verkrijging van nationaliteit (Model 1.35). (Bij de verkrijging van het
Nederlanderschap door een persoon met de nationaliteit van: België, Duitsland,
Frankrijk, Griekenland, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Oostenrijk, Portugal en
Turkije).
N.B. Indien de persoon in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel wordt
geen uitwisselingsformulier opgemaakt.
##### 2.7. Archivering
Tot slot archiveert de burgemeester de optieverklaring en de daarbij behorende
documenten, alsmede afschriften van de bevestiging gedurende ten minste twaalf
jaar na de bekendmaking van de bevestiging (artikel 12, tweede lid,
BVVN). Deze bewaarplicht in het BVVN
is een uitvloeisel van artikel 14,
eerste lid, RWN waarin is voorzien in de intrekking van de
verkrijging van het Nederlanderschap binnen twaalf jaar na de bevestiging,
indien de verkrijging van het Nederlanderschap berust op een door de betrokken
persoon gegeven valse verklaring of bedrog dan wel op het verzwijgen van enig
voor de verkrijging of verlening relevant feit. Voor de bijzondere gevallen
waarin ook na twaalf jaar nog intrekking van de verkrijging van het
Nederlanderschap mogelijk is, is een langere archieftijd in het kader van de
RWN weliswaar wenselijk, maar
niet noodzakelijk, omdat het verzwijgen van dergelijke misdrijven altijd bewust
zal gebeuren. De bewaarplicht op grond van artikel 12 BVVN laat
overigens onverlet de (bewaar)verplichtingen op grond van de Archiefwet.
##### 2.8. Weigering bevestiging
###### 2.8.1. Weigering bevestiging verklaring van de optant
Indien de burgemeester concludeert dat de optieverklaring niet kan leiden
tot bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap, omdat niet aan de
voorwaarden wordt voldaan, weigert hij deze schriftelijk. Dit is een
beschikking in de zin van de Awb. Zonodig stelt de burgemeester met toepassing van artikel 4:7 Awb
belanghebbenden in de gelegenheid om een zienswijze kenbaar te maken voordat
hij het besluit neemt (bijvoorbeeld als de opgevraagde antecedentgegevens
afwijken van de gegevens op de verklaring omtrent verblijfsstatus en/of
gedrag). Het besluit vermeldt de gronden van de weigering, en vermeldt dat de
optant dan wel indien van toepassing zijn wettelijk vertegenwoordiger,
binnen zes weken na ontvangst van het besluit bij de burgemeester een
bezwaarschrift kan indienen. Een weigering van de bevestiging ten aanzien van
de optant houdt tevens een weigering in ten aanzien van de in de verklaring
genoemde personen. De beslissing wordt in persoon aan de optant of wettelijk
vertegenwoordiger uitgereikt of per aangetekende post naar het laatst bekende
adres van de optant, zijn wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde
verzonden.
###### 2.8.2. Bevestiging ten aanzien van de ouder/weigering
bevestiging medeverkrijging
Indien de burgemeester concludeert dat de verkrijging van het
Nederlanderschap wel bevestigd dient te worden ten aanzien van de optant maar
niet ten aanzien van de medeverkrijging van een kind die in de optieverklaring
is genoemd, bevestigt hij de verkrijging ten aanzien van de optant en weigert
hij medeverkrijging voor het kind (in de bevestiging worden de personalia van
dat kind niet opgenomen). Hetzelfde geldt in het geval dat het minderjarige
kind in de optieverklaring van zowel zijn vader als zijn moeder is opgenomen
en zowel zijn vader als moeder verkrijgen door bevestiging het
Nederlanderschap. De medeverkrijging zal separaat schriftelijk door de
burgemeester worden geweigerd. De schriftelijke weigering van de burgemeester
is een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, waartegen op
de gebruikelijke wijze rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.
##### 2.9. Bezwaar
###### 2.9.1. De burgemeester beslist
De beslissing op het bezwaarschrift wordt genomen door de burgemeester. De
optant of zijn wettelijk vertegenwoordiger wordt zonodig in de gelegenheid
gesteld zijn bezwaren mondeling toe te lichten. De hoofdstukken 6 en 7
Awb zijn van toepassing.
###### 2.9.2. Afhandeling van de beslissing
####### 2.9.2.1. Bezwaarschrift gegrond
Indien door de burgemeester wordt geconcludeerd dat het bezwaarschrift
gegrond is en de optant (inmiddels) wel aan de voorwaarden voor verkrijging
van het Nederlanderschap voldoet, wordt de verkrijging van het
Nederlanderschap alsnog bevestigd en/of wordt de naam van de optant alsnog
vastgesteld op de door hem verzochte manier. De bevestiging wordt door
middel van uitreiking dan wel door verzending per post aan de optant
bekendgemaakt. Indien het bezwaarschrift is ingediend door een gemachtigde
of advocaat, wordt deze uiteraard ook over het besluit ingelicht. De
verscheidene instanties worden van de bevestiging op de hoogte gebracht (zie
hierboven paragraaf 2.6). Vervolgens wordt het dossier gearchiveerd
(zie hierboven paragraaf 2.7).
####### 2.9.2.2. Bezwaarschrift tegen weigering medeverkrijging
Nederlanderschap door kind gegrond
Indien in de bezwaarfase wordt geconcludeerd dat de bevestiging van de
medeverkrijging van het Nederlanderschap ten aanzien van een minderjarig
kind van de optant ten onrechte is geweigerd, wordt ten aanzien van dit kind
alsnog een bevestiging afgegeven (model 1.33 en model 1.34). Het kind wordt
in dat geval geacht het Nederlanderschap te hebben verkregen gelijktijdig
met de ouder. Hierbij verdient aandacht dat het kind op het moment van de
bevestiging van de verkrijging van Nederlanderschap van de ouder aan alle
voorwaarden voor medeverkrijging moet hebben voldaan (ex tunc-toetsing). Van
delen in de verkrijging van het Nederlanderschap kan immers geen sprake meer
zijn als pas na de bevestiging van de ouder aan de voorwaarden wordt
voldaan. Als het kind achteraf bezien op het moment van de bevestiging van
de verkrijging van het Nederlanderschap door de ouder wél aan alle
voorwaarden voldeed, maar nadien niet meer aan de voorwaarden voldoet, wordt
de bevestiging wél alsnog afgegeven. De bevestiging wordt onverwijld aan de
wettelijk vertegenwoordiger van het kind en aan de ouder die heeft verzocht
om medeverkrijging (indien die ouder niet tevens wettelijk vertegenwoordiger
is) uitgereikt of per aangetekende post verzonden. Indien het kind inmiddels
meerderjarig is geworden, wordt tevens een kopie van de bevestiging aan
betrokkene zelf uitgereikt dan wel per post aan het kind verzonden. Indien
het bezwaarschrift is ingediend door een gemachtigde of advocaat, wordt deze
uiteraard ook over het besluit ingelicht. De verscheidene instanties worden
van de bevestiging op de hoogte gebracht (zie hierboven paragraaf 2.6). Vervolgens wordt het dossier gearchiveerd (zie
hierboven paragraaf 2.7).
####### 2.9.2.3. Bezwaarschrift niet-ontvankelijk of
ongegrond
Indien het bezwaarschrift niet-ontvankelijk of ongegrond is, wordt dit
schriftelijk en gemotiveerd aan de indiener van het bezwaarschrift kenbaar
gemaakt onder vermelding van de instantie waarbij en de termijn waarbinnen
een beroepschrift kan worden ingediend.
##### 2.10. (Hoger) beroep
Tegen een beslissing op het bezwaarschrift (bijvoorbeeld ongegrond- of
niet-ontvankelijkverklaring) kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank,
sector Bestuursrecht, binnen het rechtsgebied waarvan de indiener van het
beroepschrift zijn woonplaats in Nederland heeft (artikel 8:7, tweede lid,
Awb). De bepalingen in de hoofdstukken 6 en 8 van de
Awb met betrekking tot de beroepsprocedure zijn van toepassing. (Zie
voor de adressering het hoofdstuk Voorlichting.)
##### 2.11. Verhuizing van de optant tijdens de procedure
De burgemeester die de optieverklaring in ontvangst heeft genomen, blijft
verantwoordelijk voor de verdere afhandeling ervan. Ook indien de optant tijdens
de procedure zijn hoofdverblijf verlegt naar een andere gemeente of buiten
Nederland is uitsluitend hij bevoegd tot de bevestiging/weigering van de
verkrijging van het Nederlanderschap. Hij zendt de burgemeester van de gemeente
waarnaar de optant zijn hoofdverblijf heeft verplaatst een gewaarmerkte kopie
van de bevestiging of weigering.
### 6-3. Toelichting ad artikel 6, derde lid
### 6-4. Toelichting ad artikel 6, vierde lid
### 6-5. Toelichting ad artikel 6, vijfde lid
### 6-6. Toelichting ad artikel 6, zesde lid
### 6-7. Toelichting ad artikel 6, zevende lid
### 6-8. Toelichting ad artikel 6, achtste lid
## 7
RWN: artikelen
2; 8 t/m 13 en 21
RRWN: artikel
VII.2
BNT: artikelen 2 t/m
5
BON: artikel
8.1
BVVN: artikelen 2 t/m
5; 31 t/m 38
en 73
Awb: artikel 4:5
en hoofdstukken 6 t/m
8
WRvS: artikelen
37 en 39
Sinds 1 april 2003 worden in artikel 8, eerste
lid, aanhef en onder c en d, RWN stringentere voorwaarden gesteld aan het
verblijf en aan de inburgering voorafgaand aan de indiening van een verzoek om
naturalisatie. Echter, van personen die vóór de inwerkingtreding van RRWN een verzoek om naturalisatie hebben ingediend, kan
in redelijkheid niet worden verlangd dat zij voldoen aan deze stringentere
voorwaarden. Artikel VII, tweede
lid, RRWN bepaalt daarom dat de bepalingen van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en
d, RWN niet gelden ten aanzien van verzoeken die zijn ingediend vóór
inwerkingtreding van de RRWN. Met andere woorden, ten aanzien van verzoeken die vóór 1
april 2003 zijn ingediend, geldt niet de voorwaarde van vijf jaar toelating en
hoofdverblijf en evenmin het vereiste van het afleggen van de naturalisatietoets
bedoeld in artikel 2 BNT. Op deze verzoeken
blijft de oorspronkelijke tekst van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN
van toepassing, evenals de voormalige richtlijnen van de *Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap
1999*.
Artikel VII RRWN voorziet niet in
overgangsrecht voor minderjarige (mee te naturaliseren) kinderen. Artikel 11 RWN vereist dat
minderjarige kinderen sedert het moment van de indiening van het verzoek tot
medeverlening toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk
hebben, alsmede indien zij bij de indiening van het verzoek de leeftijd van zestien
jaar reeds hebben bereikt dat zij gedurende een onafgebroken periode van ten minste
drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf binnen
het Koninkrijk hebben. Minderjarige mee te naturaliseren kinderen zullen daarom bij
ieder verzoek om naturalisatie, waarop na inwerkingtreding van de RRWN wordt beslist, moeten voldoen aan de nieuwe
voorwaarden, ongeacht of de ouders het verzoek hebben ingediend vóór of ná de
inwerkingtreding van de RRWN.
De beleidsregel dat houders van een VVA-onbep reeds na vier jaar verblijf in
Nederland een verzoek om naturalisatie konden indienen, waarop na vijf jaar verblijf
in Nederland werd beslist, is vervallen bij de inwerkingtreding van de RRWN. Echter,
op verzoeken om naturalisatie die werden ingediend vóór 1 april 2003 blijft deze
voormalige beleidsregel nog wél van toepassing. Ook is ten aanzien van houders van een
VVA-onbep de onderstaande overgangsregeling van toepassing.
Vreemdelingen kunnen niet altijd onmiddellijk een verzoek om naturalisatie indienen
bij de gemeente, bijvoorbeeld omdat zij daartoe eerst een afspraak bij de gemeente
moeten maken en pas op een latere datum door de gemeente worden uitgenodigd om een
verzoek om naturalisatie in te dienen.
Om te voorkomen dat vreemdelingen, die zich nog vóór de inwerkingtreding van de RRWN
bij de gemeente hebben gemeld voor het indienen van een verzoek om naturalisatie, door
dit gemeentelijk afsprakensysteem zouden worden geconfronteerd met de nieuwe
regelgeving, geldt de volgende overgangsregeling op grond van artikel 73, eerste lid, BVVN (zie
ook de toelichting bij artikel 73 BVVN).
### 7-alg. Toelichting algemeen
#### 1. Algemeen
Hieronder wordt de *procedure *beschreven voor de
behandeling van verzoeken om naturalisatie.
Voor wat betreft de *voorwaarden *voor verlening van
het Nederlanderschap, zie de toelichting bij artikel 8 RWN, artikel 9,
eerste lid, RWN en artikel 11, RWN.
#### 2. Nadere regelgeving in het BVVN
Artikel 21 RWN bepaalt dat bij
algemene maatregel van rijksbestuur de autoriteiten en ambtenaren worden
aangewezen die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van verzoeken om
naturalisatie. Dit artikel bepaalt voorts dat bij algemene maatregel van
rijksbestuur nadere voorschriften kunnen worden gesteld voor de wijze van
inontvangstneming van verzoeken om naturalisatie en voor de verdere
administratieve behandeling van verlening van het Nederlanderschap. Deze nadere
regelgeving is opgenomen in de algemene maatregel van rijksbestuur BVVN. Artikel 2, aanhef en onder a,
BVVN bepaalt dat in Nederland de burgemeesters bevoegd zijn tot het in
ontvangst nemen van verzoeken om naturalisatie. De vormvoorschriften, procedurele
vereisten en administratieve behandeling van de verzoeken om naturalisatie zijn
voor Nederland geregeld in artikel 2 tot en
met 5 BVVN en artikel 31 tot
en met 38 BVVN.
#### 3. Procedure naturalisatie
##### 3.1. Voorlichtingsfase
- Voorafgaand aan de indiening van een verzoek om naturalisatie verstrekt de
burgemeester informatie aan de verzoeker. Daartoe kan gebruik worden gemaakt
van IND-brochures (zie hoofdstuk Voorlichting).
- Het spreekt voor zich dat de verzoeker erop wordt geattendeerd als hij in
aanmerking komt voor verkrijging van het Nederlanderschap door optie, in
welk geval indiening van een verzoek om naturalisatie uiteraard achterwege
kan blijven. Zie ook de toelichting bij artikel 6 RWN.
- Zonodig wordt de verzoeker verwezen naar het Regionaal Opleidingencentrum
(ROC) dat is bevoegd tot het afnemen van de naturalisatietoets als bedoeld
in artikel 2, tweede lid,
BNT. Zie ook de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN, paragraaf
2.1.
- De verzoeker dient voorts te worden geïnformeerd over de bij indiening van
het verzoek om naturalisatie te verstrekken gegevens en over te leggen
documenten. Zonodig wordt de verzoeker geadviseerd om eerst zijn
verblijfsrechtelijke positie te regelen.
- Verder dient de verzoeker te worden geïnformeerd over de verplichting om
afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Zie ook de toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN, paragraaf
5.3.
- Voorts wordt de verzoeker geïnformeerd over de te betalen
naturalisatiegelden. Daarbij wordt hij erop geattendeerd dat betaalde
naturalisatiegelden niet worden gerestitueerd in geval van afwijzing van het
verzoek om naturalisatie. Zie ook de toelichting bij artikel 13, eerste lid, RWN, paragraaf 2 en
3.
- Tot slot verdient het aanbeveling om samen met de verzoeker een
inschatting te maken van de haalbaarheid van het verzoek. Enerzijds wordt
daarmee voorkomen dat kansarme verzoeken worden ingediend. Anderzijds kan
dit worden beschouwd als dienstverlening aan de verzoeker, waarmee de kans
op teleurstelling kan worden verkleind.
##### 3.2. Indiening verzoek om naturalisatie
###### 3.2.1. Meerderjarige verzoeker
Omdat het van belang is dat de verzoeker aantoont dat hij degene is die hij
opgeeft te zijn, dient hij als hoofdregel in persoon te verschijnen bij de
indiening van zijn verzoek (artikel 2,
tweede lid, RWN; artikel 3,
eerste lid, BVVN; zie ook paragraaf 3.2.5). De burgemeester die het verzoek in ontvangst
neemt, moet zich door nader onderzoek de nodige zekerheid verschaffen omtrent
de identiteit van de verzoeker. Daartoe wordt de verzoeker gevraagd om een
geldig buitenlands reisdocument te overleggen. In bepaalde gevallen zijn
andere identiteitsdocumenten toegestaan (zie paragraaf 3.5.1). Voorts wordt de verzoeker gevraagd om andere
bewijsstukken te overleggen, bijvoorbeeld een geboorteakte (zie paragraaf 3.5).
###### 3.2.2. Zelfstandig verzoek van minderjarigen (artikelen 10
en 11, vierde lid, RWN)
*Indiening door wettelijk vertegenwoordiger*
Een zelfstandig verzoek van een minderjarige wordt ingediend door (een
van) zijn wettelijk vertegenwoordiger(s) (artikel 2, derde lid,
RWN; artikel 3,
derde lid, BVVN). De wettelijk vertegenwoordiger dient in
beginsel in persoon te verschijnen (artikel 2, tweede lid,
RWN; artikel 3,
eerste lid, BVVN) en zich te legitimeren met een geldig
identiteitsbewijs.
*Minderjarige verzoeker jonger dan 16 jaar*
De minderjarige verzoeker jonger dan zestien jaar hoeft niet in persoon te
verschijnen. Wel verdient het aanbeveling dat ook hij in persoon verschijnt.
Stuit dat op bezwaar, dan wordt hem verzocht een verklaring te ondertekenen
waarin hij aangeeft of hij al dan niet instemt met de verlening van het
Nederlanderschap en die verklaring, met een kopie van een geldig buitenlands
reisdocument, te zenden aan de burgemeester van de gemeente waar het verzoek
om naturalisatie wordt ingediend. Hierbij geldt dat in bepaalde gevallen
andere identiteitsdocumenten zijn toegestaan. Zie paragraaf 3.5.1.
De minderjarige verzoeker van twaalf jaar of ouder kan verzoeken om in de
gelegenheid te worden gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen over
de verlening van het Nederlanderschap. Zie model 2.2 en model 2.10. Zie
voorts de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN.
*Minderjarige verzoeker van 16 jaar of ouder*
De minderjarige verzoeker vanaf zestien jaar dient in persoon te
verschijnen, dit naar analogie van artikel 31, derde lid,
BVVN, waar is geregeld dat een mee te naturaliseren kind van
zestien jaar of ouder in principe in persoon dient te verschijnen (zie ook
paragraaf 3.2.5). Hij dient daarbij een geldig buitenlands
reisdocument te overleggen. Hierbij geldt dat in bepaalde gevallen andere
identiteitsdocumenten zijn toegestaan. Zie paragraaf 3.5.1. Zie ook de toelichting bij artikel 2
RWN.
2003
44
04-03-2003
2003
44
04-03-2003
01-04-2003
###### 3.2.3. Medeverlening (artikel 11, eerste lid, RWN)
*Kinderen jonger dan 12 jaar*
Deze kinderen hoeven niet in persoon te verschijnen bij de indiening van
het verzoek.
*Kinderen van 12 jaar of ouder*
Minderjarige kinderen van twaalf jaar of ouder, voor wie medeverlening
wordt verzocht, kunnen verzoeken om in de gelegenheid te worden gesteld hun
zienswijze naar voren te brengen over de medeverlening van het
Nederlanderschap. De kinderen kunnen op het moment van indiening van het
verzoek hun eventuele zienswijze naar voren brengen op model 2.1.
Voor kinderen tussen de twaalf en de zestien jaar is verschijning in
persoon niet voorgeschreven, maar het verdient wel de voorkeur dat zij in
persoon verschijnen. Stuit dat op bezwaar, dan wordt hun schriftelijk
verzocht het model 2.10 te ondertekenen, waarin zij aangeven of zij al dan
niet instemmen met de medeverlening van het Nederlanderschap en die
verklaring, met een kopie van een geldig buitenlands reisdocument, te zenden
aan de autoriteit waar het verzoek om naturalisatie van de ouder is
ingediend. Hierbij geldt dat in bepaalde gevallen andere
identiteitsdocumenten zijn toegestaan. Zie paragraaf 3.5.1. Zie ook de toelichting bij artikel 2
RWN.
*Kinderen van 16 jaar of ouder*
Voor kinderen van zestien jaar of ouder is verschijning in persoon
voorgeschreven in artikel
31, derde lid, BVVN; zij dienen zich te legitimeren met een
geldig buitenlands reisdocument. Hierbij geldt dat in bepaalde gevallen
andere identiteitsdocumenten zijn toegestaan. Zie paragraaf 3.5.1 en paragraaf 3.2.5. Zie ook de toelichting bij artikel 2
RWN.
2003
44
04-03-2003
2003
44
04-03-2003
01-04-2003
###### 3.2.4. Wettelijk vertegenwoordiger/(andere) ouder
Voor de andere ouder of wettelijk vertegenwoordiger is verschijning in
persoon niet voorgeschreven, maar verdient dat wel de voorkeur. Stuit
persoonlijke verschijning op bezwaar, dan wordt betrokkene schriftelijk
verzocht een verklaring te ondertekenen waarin staat of al dan niet wordt
ingestemd met de medeverlening van het Nederlanderschap aan het minderjarige
kind en die verklaring, met een kopie van een geldig identiteitsbewijs, te
zenden aan de burgemeester van de gemeente waar het verzoek om naturalisatie
van de ouder is ingediend. Voor de zienswijze van de andere ouder of wettelijk
vertegenwoordiger kan gebruik worden gemaakt van model 2.13 en model 2.14. Zie
ook de toelichting bij artikel 2 RWN.
###### 3.2.5. Gemachtigde
In gevallen, waarin verschijning in persoon weliswaar is voorgeschreven,
maar dit om zwaarwegende redenen niet kan worden verlangd, kan het verzoek om
naturalisatie worden ingediend c.q. de verklaring van al dan niet instemming
met de (mee)naturalisatie worden afgelegd door een daartoe schriftelijk
gemachtigde meerderjarige persoon, mits voldoende zekerheid kan worden
verkregen over de identiteit van de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren
kind van zestien jaar of ouder en de gemachtigde (artikel 3, tweede lid,
BVVN). Bij zwaarwegende redenen wordt gedacht aan fysieke en/of
psychische onmogelijkheid om in persoon te verschijnen. De door betrokkene
en/of zijn gemachtigde aangevoerde zwaarwegende redenen dienen te worden
aangetoond. De gemachtigde dient in persoon aan het loket te verschijnen en de
nodige zekerheid te verschaffen over zijn identiteit door het overleggen van
een geldig identiteitsbewijs. De machtiging dient schriftelijk te zijn en
ondertekend door de verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien
jaar of ouder. De gemachtigde dient een geldig buitenlands reisdocument van de
verzoeker c.q. het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder te
overleggen. Hierbij geldt dat in bepaalde gevallen andere
identiteitsdocumenten zijn toegestaan, zie paragraaf 3.5.1.
In voorkomende gevallen kan de burgemeester verlangen dat de verzoeker c.q.
het mee te naturaliseren kind van zestien jaar of ouder hem ontvangt om in
persoon de voor de besluitvorming benodigde gegevens in ontvangst te
nemen.
###### 3.2.6. Uitsluitend schriftelijk verzoek
Het verzoek om naturalisatie dient op schrift te worden gesteld en te worden
ondertekend door de verzoeker of, in het voorkomende geval, door zijn
wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde (artikel 3, derde lid,
BVVN). In het verzoek dienen de minderjarige kinderen en
kindskinderen, voor wie medeverlening wordt gevraagd, te worden vermeld
(artikel 11, eerste lid,
RWN; artikel 31,
tweede lid, BVVN). Een model van een verzoek om naturalisatie is
opgenomen als model 2.1.
##### 3.3. Te verstrekken gegevens
Op grond van artikel 31,
eerste lid, BVVN verstrekt de verzoeker bij de indiening van het
verzoek, voor zoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot zijn:
a. geslachtsnaam en voornaam of voornamen, onderscheidenlijk naam of
namen;
b. geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland;
c. adres, postcode en woonplaats;
d. geslacht;
e. nationaliteit(en);
f. tegenwoordige en, voor zoveel nodig, eerdere verblijfsrechtelijke
status;
g. duur van huidige toegelaten verblijf in het Koninkrijk en, indien van
toepassing, duur van eerder toegelaten verblijf in het Koninkrijk;
h. indien van toepassing, bestaan en duur van het actuele huwelijk of
geregistreerd partnerschap en van de eerdere huwelijken en van de ontbinding
daarvan, alsmede ten aanzien van de echtgenoot of partner de gegevens
bedoeld onder a tot en met e;
i. geslachtsnaam en voornamen, plaats en datum van geboorte en van huwelijk
van de ouders van de verzoeker;
j. indien van toepassing, de kinderen tot wie hij in familierechtelijke
betrekking staat;
k. indien van toepassing, bestaan, duur en plaats van samenleving met een
Nederlander;
l. de overige gegevens die naar het oordeel van de Minister van Justitie
nodig zijn voor de beoordeling van het geval.
##### 3.4. Af te leggen verklaringen
###### 3.4.1. Waarheidsverklaring
De verzoeker dient een waarheidsverklaring te ondertekenen (artikel 31, vierde lid,
BVVN). In deze verklaring, waarvan de tekst is opgenomen in het
verzoek om naturalisatie, verklaart verzoeker dat hij de gevraagde gegevens
naar waarheid heeft verstrekt, dat er ten aanzien van hem geen sprake is van
een ander huwelijk dan is vermeld op zijn persoonslijst in de GBA en dat hij
geen relevante gegevens heeft verzwegen.
###### 3.4.2. Verklaring omtrent verblijfsstatus en gedrag
De verzoeker dient door middel van de verklaring omtrent verblijfsstatus en
gedrag (model 2.3) schriftelijk te verklaren dat in het kader van de
verkrijging en het behoud van de verblijfsvergunning van hemzelf en de overige
in het verzoek om naturalisatie genoemde personen de gevraagde gegevens naar
waarheid zijn verstrekt en geen relevante gegevens zijn verzwegen (artikel 31, vierde lid,
BVVN) en of hij of een van de in het verzoek om naturalisatie
genoemde personen ouder dan zestien jaar, al dan niet in aanraking is geweest
met politie en/of Justitie. Indien verzoeker in deze verklaring aangeeft wel
in aanraking te zijn geweest met politie en/of Justitie, of aangeeft dat dit
geldt voor een in het verzoek om naturalisatie genoemd kind, dan informeert de
burgemeester de verzoeker over de openbare orde richtlijnen bij naturalisatie
en wijst verzoeker erop dat een en ander gevolgen kan hebben voor de
beslissing op het verzoek om naturalisatie. De verzoeker wordt in de
gelegenheid gesteld om in de verklaring aan te geven of er sprake is van
bijzondere feiten en/of omstandigheden op grond waarvan, naar zijn mening, ten
aanzien van hem of de betreffende minderjarige niet mag worden geconcludeerd
dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid
van het Koninkrijk. Zie ook de toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN (paragraaf
6.1).
###### 3.4.3. Bereidheidsverklaring afstand
Ten aanzien van de afstandsverplichting informeert de burgemeester voor
zover mogelijk de verzoeker of hij al dan niet behoort tot een
uitzonderingscategorie dan wel of redelijkerwijs van hem kan worden verlangd
dat hij afstand doet van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Indien geen van
de uitzonderingen van toepassing is, dient de verzoeker een verklaring te
ondertekenen dat hij bereid is het mogelijke te zullen doen om bij of na de
totstandkoming van de naturalisatie zijn oorspronkelijke nationaliteit(en) te
verliezen (artikel 32
BVVN). De bereidheidsverklaring is opgenomen als model 2.4
respectievelijk model 2.5. Zie voor de afstandsverplichting verder de toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b,
RWN.
##### 3.5. Over te leggen documenten
###### 3.5.1. Buitenlands reisdocument
De verzoeker dient in beginsel een geldig buitenlands reisdocument te
overleggen, inclusief alle paginas met in- en uitreisstempels. Dit niet
alleen in verband met identificatie van de verzoeker maar ook om zijn
nationaliteit en verblijf te kunnen vaststellen en de in het reisdocument
vermelde personalia te vergelijken met de overgelegde akte(n) van de
burgerlijke stand. Indien de verzoeker niet in het bezit is van een geldig
buitenlands reisdocument en houder is van een verblijfsvergunning asiel, of
staatloos is, mag hij óf een vluchtelingenpaspoort óf een
vreemdelingenpaspoort overleggen. Hetzelfde geldt voor verzoekers die bij de
verlening c.q. verlenging van hun verblijfsvergunning zijn vrijgesteld van het
paspoortvereiste. Indien de verzoeker is vrijgesteld van overlegging van een
geldig buitenlands reisdocument en niet in het bezit is van een
vluchtelingenpaspoort of een vreemdelingenpaspoort, kan worden volstaan met
het overleggen van het verblijfsdocument. Vrijstelling van het
paspoortvereiste blijkt uit de begeleidende brief aan de burgemeester,
behorende bij de beschikking op grond waarvan aan betrokkene verblijf is
verleend. Zonodig verifieert de burgemeester de vrijstelling van het
paspoortvereiste bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).
###### 3.5.2. Buitenlandse akten (van de burgerlijke stand)
De verzoeker dient in beginsel de volgende buitenlandse akten (van de
burgerlijke stand) te overleggen (zie voor uitzonderingen hieronder paragraaf 3.5.3):
- geboorteakte van hemzelf en geboorteakten van kinderen voor wie
medeverlening wordt gevraagd. In geval van adoptiefkinderen eventueel
aangevuld met de adoptieakte of het adoptievonnis of andere stukken
waarmee de adoptie kan worden aangetoond;
- huwelijksakte indien naturalisatie verzocht wordt op grond van driejarig
huwelijk met een Nederlander (vergelijk artikel 8, tweede lid,
RWN) of indien de verzoeker als gevolg van het huwelijk
meerderjarig is geworden;
- echtscheidings- c.q. verstotingsakte. Dit document is van belang voor de
beoordeling of er mogelijk sprake is van bigamie (artikel 8, eerste lid, aanhef en
onder d, RWN) en of wordt voldaan aan de termijn van (ongehuwd)
samenwonen als bedoeld in artikel
8, tweede en vierde lid, RWN;
- bewijs van erkenning of wettiging (bijvoorbeeld erkenningsakte,
geboorteakte met latere vermelding betreffende erkenning of wettiging of
huwelijksakte ouders) in geval van een verzoek om naturalisatie als
bedoeld in artikel
8, vijfde lid, RWN.
###### 3.5.3. In het verleden overgelegde buitenlandse akten
Indien reeds in het verleden gelegaliseerde c.q. inhoudelijk geverifieerde
documenten zijn overgelegd en verwerkt in de GBA of in een akte van de
burgerlijke stand in Nederland, wordt afgezien van het wederom overleggen van
dezelfde documenten. Het moet dan gaan om documenten die zijn gelegaliseerd
c.q. inhoudelijk geverifieerd overeenkomstig de thans geldende
legalisatiecirculaire.
###### 3.5.4. Verkrijging, vertaling, legalisatie en inhoudelijke
verificatie van buitenlandse documenten
Ten aanzien van over te leggen documenten is de thans geldende
legalisatiecirculaire van toepassing. Voor zowel het verkrijgen van documenten
als de vertaling en legalisatie en inhoudelijke verificatie van documenten
dient de verzoeker zelf zorg te dragen. Indien de documenten zijn opgesteld in
een andere taal dan het Nederlands, Engels, Duits of Frans, dient verzoeker
zorg te dragen voor een door een beëdigd vertaler gemaakte vertaling die
gehecht moet zijn aan het originele (afschrift van het) document. Wanneer een
houder van een verblijfsvergunning asiel, of een vreemdeling die in het kader
van de verlening c.q. verlenging van zijn verblijfsvergunning is vrijgesteld
van het paspoortvereiste, bezwaar maakt tegen het aanvragen van documenten in
het land van herkomst, wordt afgezien van overlegging van die documenten.
Hiervan kan echter worden afgeweken indien zich een van de situaties voordoet
op grond waarvan bezwaar tegen legalisatie niet gehonoreerd zou hoeven worden
(zie de thans geldende legalisatiecirculaire bij: B.2. *Uitzonderingen op de hoofdregel).*
###### 3.5.5. (Overige) over te leggen documenten
Het verzoek om naturalisatie dient zoveel mogelijk te worden ondersteund
door overgelegde (bewijs)stukken. De burgemeester kan van de verzoeker
verlangen dat hij gegevens bewijst door middel van documenten (artikel 31, vijfde lid,
BVVN). Volledigheid van de stukken is ook in het belang van de
verzoeker, aangezien in geval van afwijzing van het verzoek de
naturalisatiegelden niet worden gerestitueerd. Indien de verzoeker een aantal
benodigde gegevens niet kan verstrekken, dient hem te worden geadviseerd te
wachten met indiening van het verzoek tot het moment dat alle verlangde
gegevens kunnen worden verstrekt. Mocht verzoeker er echter op staan om zijn
verzoek in te dienen, ondanks het niet overleggen van de door de burgemeester
gevraagde documenten of het niet voldoen aan de voorwaarden voor
naturalisatie, dan dient de burgemeester het verzoek in ontvangst te nemen. De
burgemeester kan in dit geval verlangen dat verzoeker een verklaring
ondertekent als opgenomen in model 2.21.
###### 3.5.6. Bewijsnood
Van de voorwaarde van het overleggen van uit het buitenland afkomstige
gelegaliseerde documenten kan worden vrijgesteld de persoon die wegens
bewijsnood niet in staat is dergelijke documenten over te leggen. Indien geen
sprake is van bewijsnood, wordt geen vrijstelling verleend.
##### 3.6. Inontvangstneming verzoek
###### 3.6.1. Bevoegdheid burgemeester
Op grond van artikel 33,
eerste tot en met derde lid, BVVN neemt de burgemeester verzoeken
om naturalisatie in ontvangst van de volgende personen:
Dit betreft de hoofdregel: verzoeken om naturalisatie dienen te worden
ingediend bij de burgemeester van de gemeente waar de verzoeker als ingezetene
is ingeschreven in de GBA. Het feit dat het verzoek om naturalisatie mede
betrekking kan hebben op minderjarigen die hun hoofdverblijf hebben buiten
deze gemeente, doet hier niet aan af.
Deze personen zijn vreemdelingen die weliswaar hun hoofdverblijf hebben in
een gemeente maar die vanwege hun bijzondere status niet staan ingeschreven in
de GBA van die gemeente. Dit betreft in het bijzonder personen die deel
uitmaken van diplomatieke zendingen of consulaire posten of die behoren tot
het administratieve of technische personeel van die posten, alsmede hun
gezinsleden. Ook voor militairen van buitenlandse bases geldt dat zij niet
worden ingeschreven in de GBA van hun hoofdverblijf. Daarnaast kunnen er nog
andere, bij algemene maatregel van bestuur aangewezen, categorieën
vreemdelingen zijn, die op dezelfde wijze worden behandeld. Deze vreemdelingen
dienen hun verzoek om naturalisatie in bij de burgemeester van de gemeente van
hun hoofdverblijf. Er zij overigens op gewezen dat in het algemeen bezwaar
bestaat tegen het verblijf voor onbepaalde tijd van de hier bedoelde
vreemdelingen (zie de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en
onder b, RWN).
Dit zijn personen die nergens ter wereld hun hoofdverblijf hebben omdat zij
per voer- of vaartuig steeds van verblijfplaats veranderen. Aangezien deze
personen geen hoofdverblijf binnen het Koninkrijk hebben in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en sub
c, RWN, betreft deze categorie uitsluitend personen die
overeenkomstig het bepaalde in artikel 8, tweede lid, RWN
hetzij oud-Nederlander zijn, hetzij gehuwd zijn met of een geregistreerd
partnerschap hebben met een Nederlander, dan wel tijdens hun meerderjarigheid
binnen het Koninkrijk zijn geadopteerd door een Nederlander. Verwacht mag
worden dat passanten slechts sporadisch verzoeken om naturalisatie
indienen.
##### 3.7. Beoordeling volledigheid van het verzoek
###### 3.7.1. Beoordeling verschuldigdheid
naturalisatiegelden
Voorafgaand aan de administratieve behandeling van het verzoek om
naturalisatie beoordeelt de burgemeester of en zo ja, welk bedrag de verzoeker
dient te betalen overeenkomstig het BON. Indien de verzoeker naturalisatiegelden is verschuldigd, wordt
hem dit meegedeeld en wordt hem de gelegenheid gegeven de betaling te
verrichten (artikel 34,
tweede lid, BVVN). Zie verder de toelichting bij artikel 13,
eerste lid, RWN.
###### 3.7.2. Beoordeling verplichting afleggen
naturalisatietoets
De burgemeester beoordeelt voorts of de verzoeker is vrijgesteld (artikel 3 BNT) of ontheven
(artikel 4 BNT) van het
afleggen van de naturalisatietoets als bedoeld in artikel 2, tweede lid, BNT.
Is dat niet het geval, dan dient de verzoeker bij het verzoek om naturalisatie
een Certificaat Naturalisatietoets, bedoeld in artikel 5 BNT te
overleggen. Zie verder de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en
onder d, RWN. Zie voor vrijstelling van de toets aldaar paragraaf 2.3 en voor ontheffing paragraaf 2.4.
###### 3.7.3. Buitenbehandelingstelling
Indien de verzoeker de verschuldigde naturalisatiegelden niet voldoet op het
moment van indiening van het verzoek om naturalisatie, stelt de burgemeester
hem in de gelegenheid om daartoe alsnog over te gaan binnen een termijn van
zes weken na de indiening van het verzoek. Indien de verzoeker hieraan binnen
deze termijn geen gevolg geeft, stelt de burgemeester het verzoek om
naturalisatie buiten behandeling. In dat geval wordt geen advies uitgebracht
maar zendt de burgemeester het (incomplete) dossier aan de IND. Tegen de
beslissing tot buitenbehandelingstelling kan binnen zes weken bezwaar worden
ingediend bij de Minister van Justitie. Zie ook de toelichting bij artikel 13,
eerste lid, RWN, paragraaf 3.
##### 3.8. Voorbereiding advies
###### 3.8.1. Onderzoek juistheid verstrekte
persoonsgegevens
De administratieve behandeling van het verzoek om naturalisatie vangt aan
nadat:
- de verschuldigde naturalisatiegelden zijn voldaan, of de burgemeester
van oordeel is dat geen naturalisatiegelden zijn verschuldigd; én
- het Certificaat Naturalisatietoets, bedoeld in artikel 5 BNT, is
overgelegd, of de burgemeester van oordeel is dat de verzoeker is
vrijgesteld of ontheven van het afleggen van de naturalisatietoets; dan
wel
- de (overige) gevraagde aanvulling van het verzoek, noodzakelijk voor de
beoordeling daarvan, is ontvangen (artikel 9, vierde lid,
RWN).
###### 3.8.2. Toetsing voorwaarden
(mede)naturalisatie/naamsvaststelling en naamswijziging
Vervolgens onderzoekt de burgemeester (artikel 36 BVVN):
- of wordt voldaan aan de voorwaarden voor (mede)naturalisatie (zie de
toelichting bij artikel 8 RWN, artikel 9 RWN en artikel 11
RWN);
- of bij de naturalisatie namen moeten worden vastgesteld c.q. gewijzigd
en wie daarmee moeten in-/toestemmen (zie de toelichting bij artikel 12 RWN);
- of het verzoek om naturalisatie in aanmerking komt voor
inwilliging.
###### 3.8.3. Verhuizing tijdens de adviesfase
Verhuist de verzoeker vanuit gemeente X naar gemeente Y in de periode die
ligt tussen indienen van het verzoek om naturalisatie en het uitbrengen van
het advies, dan zijn de volgende situaties te onderscheiden.
- Het verzoek is compleet (de naturalisatiegelden zijn betaald, alle
vereiste gegevens zijn verstrekt en alle gevraagde documenten zijn
overgelegd). In dat geval brengt de burgemeester van de gemeente X advies
uit aan de IND, waarbij mededeling wordt gedaan van de verhuizing naar de
gemeente Y, onder opgave van het nieuwe adres.
- Het verzoek is nog niet compleet (de naturalisatiegelden zijn nog niet
betaald, of alle vereiste gegevens zijn nog niet verstrekt, of alle
gevraagde documenten zijn nog niet overgelegd). In dat geval wordt het
verzoek met bijbehorende gegevens en documenten doorgezonden aan de
burgemeester van de gemeente Y, met het verzoek de behandeling over te
nemen. De burgemeester van de gemeente Y zorgt voor completering van het
verzoek en brengt vervolgens advies uit aan de IND.
##### 3.9. Uitbrengen advies
De burgemeester sluit het onderzoek af met het uitbrengen van een schriftelijk
advies aan de IND over het verzoek om naturalisatie en over de eventuele
naamsvaststelling c.q. naamswijziging (artikel 36, vijfde lid, BVVN.
Zie model 2.22.
##### 3.10. Beslissing op het verzoek
Op het verzoek wordt beslist binnen één jaar na de betaling van de
naturalisatiegelden, of na de beslissing tot ontheffing daarvan, dan wel nadat
de gevraagde aanvullende stukken, noodzakelijk voor de beoordeling van het
verzoek, zijn ontvangen (artikel 9,
vierde lid, RWN). De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) stelt
de verzoeker en de burgemeester in kennis van de beslissing (artikel 38, eerste lid,
BVVN). Beslissingen tot afwijzing, tot buitenbehandelingstelling of tot
aanhouding van verzoeken worden per aangetekende post aan verzoeker verzonden.
In geval van een positieve beslissing wordt een kennisgeving betreffende
naturalisatie per gewone post aan verzoeker verzonden. De kennisgeving vermeldt
de personen die zijn genaturaliseerd, waaronder de meegenaturaliseerde
minderjarige kinderen. Benadrukt wordt dat kinderen slechts hebben gedeeld in de
naturalisatie, indien dit uitdrukkelijk is vermeld in het koninklijk besluit tot
verlening van het Nederlanderschap en dus ook in de kennisgeving betreffende de
naturalisatie. Voorzover van toepassing blijkt uit de kennisgeving tevens de bij
het naturalisatiebesluit totstandgekomen naamsvaststelling c.q.
naamswijziging.
##### 3.11. Bezwaar
Een beslissing tot buitenbehandelingstelling, aanhouding of afwijzing van een
verzoek om naturalisatie of tot afwijzing van een verzoek om medeverlening, is
een beschikking in de zin van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb), waartegen een bezwaarschrift kan worden
ingediend (de hoofdstukken 6 en 7 van de Awb zijn van toepassing). Voorts kan in
de volgende gevallen bezwaar worden ingediend:
Indien op het verzoek niet is beslist binnen een jaar na betaling van de
verschuldigde naturalisatiegelden (of na de beslissing tot ontheffing van
naturalisatiegelden) dan wel na de ontvangst van de gevraagde aanvulling van
het verzoek, noodzakelijk voor de beoordeling daarvan (zie artikel 9, vierde lid,
RWN). In dit geval kan bezwaar worden ingediend tegen het niet
tijdig nemen van een beslissing op het verzoek (vergelijk artikel 6:2, onder b,
Awb). Bij gegrondverklaring van het bezwaarschrift zal alsnog zo
snel mogelijk op het verzoek worden beslist.
Indien betrokkene het niet eens is met het besluit tot verlening van het
Nederlanderschap, bijvoorbeeld omdat hij bezwaar heeft tegen de bij het
besluit (niet) vastgestelde of gewijzigde naam. Op een dergelijk
bezwaarschrift (te richten aan Hare Majesteit de Koningin en te verzenden
aan de IND) wordt beslist door de Kroon. Bij gegrondverklaring van het
bezwaarschrift wordt het besluit voorgedragen bij Hare Majesteit de Koningin
voor herziening. De herziening werkt terug tot de datum van het
oorspronkelijke naturalisatiebesluit.
Indien betrokkene het niet eens is met het besluit tot intrekking van het
Nederlanderschap (wegens het niet nakomen van de afstandsplicht). Op het
bezwaarschrift (te richten aan de Minister van Justitie en te verzenden aan
de IND) wordt beslist door de Minister van Justitie. Bij gegrondverklaring
van het bezwaarschrift wordt het besluit tot intrekking herroepen en wordt
betrokkene geacht het Nederlanderschap niet te hebben verloren.
Indien betrokkene het niet eens is met de intrekking van het
Nederlanderschap wegens fraude.
##### 3.12. (Hoger) beroep
Tegen een beslissing op het bezwaarschrift (bijvoorbeeld
niet-ontvankelijkverklaring of ongegrondverklaring) kan beroep worden ingesteld
bij de rechtbank, sector Bestuursrecht, binnen het rechtsgebied waarvan de
indiener van het beroepschrift zijn woonplaats in Nederland heeft (artikel 8:7, tweede lid,
Awb). De bepalingen in de hoofdstukken 6 en 8
Awb met betrekking tot de beroepsprocedure, zijn van toepassing.
Verzoekers met hoofdverblijf buiten Nederland dienen beroep in te stellen bij de
Rechtbank Den Haag, sector Bestuursrecht, Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
## 8
RWN: artikelen
1.1b; 1.1f;
1.1g; 1.1h; 2; 7; 8; 9; 10; 11 en 14.1
RRWN: artikelen
II en VII.2
BNT: artikelen
2; 3; 5 en 7
BON: artikel 3
en volgende
BVVN: artikel 24;
hoofdstuk III en artikel 72
Awb: artikelen
4:2; 4:5.1 en
6:3
Bdr: artikelen
5; 6; 8 en 9
BW: artikelen
1:33; 1:63 en
1:69
Rgdr: artikel
2
Vb 2000: artikelen 3.4; 3.5; 3.59; 3.89; 3.93 en 8.12
Vc 2000: hoofdstuk B5
Vw 2000: artikelen 3; 14; 20 en 28
WCE: artikel
3
WCH: artikel
3
WNI: artikel 7
Wet gba: artikel 43
EG-richtlijnen: 73/148 en 93/96
EG-Verdrag: artikel 50
Voor artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en
d, RWN geldt overgangsrecht. Zie de toelichting bij artikel 7 RWN,
onder Overgangsrecht.
### 8-alg. Toelichting algemeen
### 8-1-a. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder
a
### 8-1-b. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder
b
### 8-1-c. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder
c
### 8-1-d. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder
d
**Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel
7 komt slechts in aanmerking de verzoeker die in de Nederlandse,
Nederlands-Antilliaanse of Arubaanse samenleving als ingeburgerd kan worden
beschouwd op grond van het feit dat hij beschikt over een bij algemene maatregel
van rijksbestuur te bepalen mate van kennis van de Nederlandse taal, dan wel
indien hij in de Nederlandse-Antillen of Aruba hoofdverblijf heeft de taal die
op het eiland van hoofdverblijf naast het Nederlands gangbaar is, alsmede van de
Nederlandse, Nederlands-Antilliaanse of Arubaanse staatsinrichting en
maatschappij, en hij zich ook overigens in de Nederlandse,
Nederlandse-Antilliaanse of Arubaanse samenleving heeft doen opnemen.**
2003
44
04-03-2003
2003
44
04-03-2003
01-04-2003
#### 1. Algemeen
N.B. Voor deze bepaling geldt overgangsrecht. Zie de toelichting
bij artikel 7 RWN, onder Overgangsrecht.
#### 2. Procedure
##### 2.1.1. Voorlichtingsfase
Aan de indiening van het verzoek om naturalisatie gaat een voorlichtingsfase
vooraf, waarin de burgemeester de aspirant-verzoeker zal informeren over de
naturalisatietoets. In dit stadium behoeft deze laatste nog geen verzoek om
naturalisatie in te dienen en dus ook geen naturalisatiegelden te voldoen. De
burgemeester legt dan ook geen dossier aan, totdat door de verzoeker een verzoek
om naturalisatie daadwerkelijk wordt ingediend. In de regel geschiedt dit pas
nadat betrokkene de naturalisatietoets heeft afgelegd en het Certificaat
Naturalisatietoets kan overleggen.
##### 2.1.2. Aanvraagfase
De verzoeker legt bij zijn verzoek om naturalisatie het in artikel 5 BNT bedoelde
certificaat over, tenzij hij voor vrijstelling of gehele ontheffing in
aanmerking komt (artikel 34,
eerste lid, BVVN). Indien verzoeker niet voor vrijstelling of
ontheffing in aanmerking komt (of daaromtrent moet in het geval van
(gedeeltelijke) ontheffing nog nader onderzoek plaatsvinden), noch het
Certificaat Naturalisatietoets kan overleggen, wordt hem door de burgemeester
ontraden een verzoek in te dienen. Staat hij er toch op een verzoek in te
dienen, dan wordt zijn verzoek in ontvangst genomen. In dit geval wordt
verzoeker door de burgemeester erop gewezen dat zijn verzoek om naturalisatie
door de IND buiten behandeling zal worden gesteld of afgewezen, en dat hij de
voor naturalisatie te betalen leges niet terug zal ontvangen. De burgemeester
kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model
2.21.
##### 2.2. Vrijstelling van de toets
De verzoeker kan een beroep doen op een vrijstellingsgrond als genoemd in
artikel 3 BNT. Daartoe dient
hij aan te tonen dat hij behoort tot een van de volgende categorieën
vrijgestelde personen:
1. Molukkers, die op grond van de Wet van 9
september 1976 (*Stb.* 1976, 468) bij
de toepassing van de Nederlandse wetgeving worden behandeld als Nederlander
en dientengevolge als voldoende ingeburgerd worden beschouwd;
2. Degene die een diploma heeft van een afgeronde opleiding in de Nederlandse
taal van een hoger niveau dan lagere school of basisschool. Betrokkene dient
in dat geval te overleggen het originele:
getuigschrift Wetenschappelijk Onderwijs of Hoger Beroepsonderwijs,
uitgereikt op grond van de Wet op het hoger wetenschappelijk
onderwijs;
diploma voortgezet (middelbaar) onderwijs, uitgereikt op grond van de
Wet op het voortgezet onderwijs;
diploma beroepsonderwijs, uitgereikt op grond van de Wet educatie
beroepsonderwijs;
diploma leerlingwezen, uitgereikt op grond van de Wet educatie
beroepsonderwijs of de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs;
diploma staatsexamen Nederlands als tweede Taal (NT-2), programma I of
II;
Certificaat Inburgering in het kader van de Wet Inburgering
Nieuwkomers (WIN) met daarop de expliciete vermelding dat minimaal
niveau 2 voor NT-2 is behaald. Daarnaast dient verzoeker de verklaring
van het ROC te overleggen op grond waarvan het niveau voor NT-2 op het
certificaat is ingevuld. Het vermelde niveau op het Certificaat
inburgering dient uiteraard overeen te komen met het niveau dat is
vermeld op de bijbehorende ROC-verklaring. Een certificaat zonder
vermelding van enig niveau, of met vermelding van een niveau dat
verschilt van de ROC-verklaring, geeft dus geen recht op
vrijstelling.
3. Degene die door het College van Burgemeester en Wethouders is vrijgesteld
of ontheven (artikel 3,
eerste lid, aanhef en onder e, f en g, BNT) van het
inburgeringsprogramma in het kader van de WIN. Betrokkene dient in dit geval
de originele beschikking tot vrijstelling of ontheffing te overleggen. Ten
aanzien van een beschikking tot vrijstelling (artikel 3, eerste lid, aanhef en
onder e, BNT) moet worden nagegaan of de vrijstelling heeft
plaatsgevonden op grond van de veronderstelling dat verzoeker de kennis,
inzicht en vaardigheden op het moment van de vrijstelling in zijn bezit had
of dat hij die (binnen een redelijke termijn na het moment van de
vrijstelling) in zijn bezit zou krijgen (artikel 5, tweede lid,
WIN). Vrijstelling van het inburgeringsprogramma kan namelijk ook
zijn verleend op grond van kennis, inzicht en vaardigheden waarvan wordt
verondersteld dat die in de toekomst zullen worden verworven. Indien een
vrijstelling van het inburgeringsprogramma is verleend op grond van in de
toekomst te verwerven kennis, inzicht en vaardigheden wordt verzoeker niet
vrijgesteld van de naturalisatietoets; betrokkene heeft immers in dat geval
nog niet aangetoond dat hij reeds over het vereiste taal- en kennisniveau
beschikt.
41
De vrijstellingen genoemd in artikel 3, eerste lid,
BNT gelden binnen het gehele Koninkrijk.
##### 2.3. (Gedeeltelijke) ontheffing van de toets
###### 2.3.1. Inleiding
Een verzoeker tot naturalisatie die wegens een lichamelijke en/of
geestelijke belemmering of wegens ongeletterdheid niet in staat is de
naturalisatietoets af te leggen, is ingevolge artikel 4 Besluit
naturalisatietoets ontheven van de toets.
###### 2.3.2. (Gedeeltelijke) ontheffing van de toets
In de procedure wordt onderscheid gemaakt tussen ontheffing wegens een
lichamelijke en/of geestelijke belemmering (zie daarvoor onder 3) en ontheffing wegens ongeletterdheid (zie onder 4).
De belemmering moet het betrokkene feitelijk en blijvend onmogelijk maken de
naturalisatietoets af te leggen. In dat kader wordt ervan uitgegaan dat indien
te verwachten is dat betrokkene wegens een lichamelijke en/of een geestelijke
belemmering niet binnen vijf jaar op reguliere wijze de toets kan afleggen,
reden tot ontheffing bestaat. Eenzelfde termijn van vijf jaar geldt bij de
beoordeling of een ongeletterde verzoeker nog het gewenste lees- en
schrijfvaardigheidniveau zal halen.
###### 2.3.3. Lichamelijke of geestelijke belemmering
Indien de verzoeker een ernstige lichamelijke en/of geestelijke belemmering
heeft, is hij ontheven van de naturalisatietoets of één of meer onderdelen
daarvan. Betrokkene dient zelf door middel van één of meer verklaringen aan te
tonen dat hij in aanmerking komt voor gehele of gedeeltelijke ontheffing. In
geval van een lichamelijke of geestelijke belemmering volgt de burgemeester de
hierna beschreven procedure.
De (aspirant-)verzoeker verklaart dat hij niet in staat is de volledige
naturalisatietoets te doen, dan wel dat hij slechts één of meer onderdelen
niet kan doen. Voor deze verklaring is model 2.26 (Beroep op ontheffing
naturalisatietoets) beschikbaar. Het ingevulde en door betrokkene ondertekende
model 2.26 wordt gevoegd bij het naturalisatieverzoek.
Betrokkene dient de belemmering aan te tonen door middel van het overleggen
van één of meer verklaringen van een arts of deskundige.
Er is een informatieblad over de naturalisatietoets en de ontheffing daarvan
wegens een lichamelijke en/of geestelijke belemmering beschikbaar bij de
gemeente voor de arts of deskundige. Het is de verzoeker tot naturalisatie aan
te raden dit informatieblad voor de arts of deskundige mee te nemen.
Ten behoeve van de arts of deskundige is model 2.27 (Modelverklaring ten
behoeve van arts/deskundige in het kader van de ontheffing van de
naturalisatietoets) beschikbaar met daarin de punten die in de op te maken
verklaring van belang zijn. De verklaring wordt opgemaakt door de
modelverklaring in te vullen. Verklaringen, opgemaakt anders dan conform dit
model, dan wel onvolledig ingevuld, worden niet geaccepteerd. Om in zon geval
de garantie te hebben dat het model inderdaad is ingevuld door de arts of
deskundige, hecht deze een korte verklaring dienaangaande op zijn eigen brief-
of receptpapier aan de ingevulde verklaring. De arts/deskundige voorziet het
eigen brief- of receptpapier van zijn stempel en zijn paraaf.
Geaccepteerd worden verklaringen afkomstig van een in Nederland gevestigde
(huis)arts (denk bijv. ook aan een arts GGD, verpleeg- of verzorgingshuisarts,
of een in Nederland gevestigde medisch specialist) of een andere in Nederland
gevestigde deskundige.
Is de verklaring afkomstig van een arts, dan moet het betreffen een in
Nederland gevestigde arts, die als zodanig is ingeschreven in het BIG-register
(het conform de Wet op de beroepen in de individuele
gezondheidszorg door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport gehouden register). Is de verklaring niet afkomstig van een arts, maar
wel van een deskundige werkzaam binnen de gezondheidszorg, dan dient ook deze
deskundige, denk bijvoorbeeld aan een psychotherapeut, te zijn geregistreerd
conform de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.
Een verklaring van een psycholoog moet afkomstig zijn van een psycholoog
ingeschreven in het register van psychologen bij het Nederlands Instituut van
Psychologen (dit blijkt uit een NIP-registratie).
In de voorlichtende sfeer wijst de gemeente betrokkene op het feit dat de
verklaring afkomstig moet zijn van een arts of deskundige als hierboven
beschreven. De gemeente gaat ervan uit dat een overgelegde verklaring is
opgemaakt door een bevoegde arts of deskundige. Het is niet de bedoeling dat
de gemeente dienaangaande een controle verricht. Tijdens de behandeling van
het naturalisatieverzoek kan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)
onderzoeken of de verklaring door een bevoegde arts of deskundige is
opgemaakt.
Op het moment van indienen van het naturalisatieverzoek bij de gemeente mag
de verklaring niet ouder zijn dan 6 maanden.
De overgelegde verklaring geeft aan welk onderdeel (of welke onderdelen) van
de toets iemand niet kan doen. Tevens dient de overgelegde verklaring te
vermelden om welke lichamelijke of geestelijke reden de betrokken onderdelen
niet kunnen worden afgelegd.
De gemeente treedt niet in een inhoudelijke beoordeling van de medische of
deskundigenverklaring. De gemeente kan zonder nadere controle afgaan op de
medische verklaring, en op het adviesblad naturalisatie bij inburgering
aantekenen dat ontheffing van (bepaalde onderdelen van) de
naturalisatietoets wordt geadviseerd.
Mocht evenwel de verklaring niet voldoende duidelijk zijn, dan adviseert de
burgemeester betrokkene een duidelijkere verklaring te krijgen. Wenst
betrokkene toch een naturalisatieverzoek in te dienen, onder overlegging van
een verklaring die niet voldoende duidelijk is ter zake van de lichamelijke
en/of geestelijke belemmering en het gevolg daarvan voor het kunnen afleggen
van onderdelen van de naturalisatietoets, dan wordt op het adviesblad
naturali- satie bij inburgering niet akkoord aangetekend.
Telefonisch overleg met de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) inzake
overgelegde verklaringen is voor gemeenten altijd mogelijk via de vaste
aanspreekpunten bij de naturalisatie-units van de Immigratie- en
Naturalisatiedienst (IND).
Is iemand doof of doofstom (en blijkt dit uit de overgelegde verklaring),
dan is betrokkene ontheven van de volledige naturalisatietoets. Gezien de vorm
waarin de toets wordt aangeboden, kunnen doven en doofstommen geen enkel
onderdeel van de naturalisatietoets afleggen. Onder doof valt mede
hardhorendheid, indien betrokkene niet door hulpmiddelen alsnog voldoende
hoorvermogen krijgt om de toets af te leggen. Ook de hier bedoelde personen
zijn ontheven van de volledige toets.
Is betrokkene blind of stom dan wordt hij/zij verwezen naar het ROC van
Amsterdam om onderdelen van de toets te doen. Iemand die blind is, kan de
onderdelen luisteren en spreken wel doen. Iemand die stom is, kan de
onderdelen Maatschappijoriëntatie, schrijven, luisteren en lezen wel doen. Is
betrokkene blind dan worden de onderdelen luisteren en spreken afgenomen door
middel van de telefoontoets.
Onder lichamelijke of geestelijke belemmering, waarvoor een verklaring van
een arts of deskundigen is vereist, zijn mede te verstaan woordblindheid
(dyslexie), een beperkt leervermogen (bijvoorbeeld Downsyndroom) alsmede
duurzame ernstige depressies, traumas en/of concentratiestoornissen. Ook in
deze gevallen geldt dat de overgelegde verklaring van de arts of deskundige
duidelijk moet stellen welk onderdeel (of onderdelen) betrokkene niet kan
afleggen en wat de reden daarvoor is.
Ook hier geldt dat de gemeente niet in de inhoudelijke beoordeling treedt
van de verklaring. In beginsel is een verklaring van de eigen huisarts
voldoende. Zo kan bij woordblindheid of dyslexie de verklaring afkomstig zijn
van de (al dan niet eigen) huisarts, dan wel van deskundigen als een
psycholoog of een orthopedagoog.
Echter, dit geldt niet in een geval waarin sprake is van een psychische
stoornis, zoals bijvoorbeeld duurzame ernstige depressies, traumas en/of
concentratiestoornissen. Beoordeling daarvan dient te geschieden door een
deskundige op het gebied van psychische ziektebeelden. In die gevallen dient
de verklaring afkomstig te zijn van een psychiater of een psycholoog.
Mocht daartoe aanleiding bestaan dan kan tijdens de naturalisatieprocedure
de gegrondheid van het beroep op ontheffing van de naturalisatietoets nader
worden onderzocht door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), Bureau
Medische Advisering. In het kader van dit onderzoek kan betrokkene
rechtstreeks worden opgeroepen door de Immigratie- en Naturalisatiedienst
(IND).
Blijkt uit het ingevulde model 2.26, en de ondersteunende verklaring(en) dat
betrokkene één of meer onderdelen van de toets moet afleggen, dan verwijst de
gemeente op de hieronder bij 2.3.6 beschreven wijze betrokkene naar het ROC
van Amsterdam. Het onderdeel (of de onderdelen) die betrokkene wél kan doen,
moet(en) ingevolge artikel 3,
vierde lid Regeling naturalisatietoets worden afgelegd bij het
Regionaal Opleidingen Centrum van Amsterdam. In beginsel doet betrokkene in
een reguliere klas het onderdeel of de onderdelen van de toets die hij wel kan
afleggen (tegen het gewone herkansingstarief). De betrokkene moet gewoon
kunnen meedoen aan een onderdeel van de toets. Er worden geen onderdelen
aangepast voor betrokkene. Het gaat dus in beginsel om óf ontheffing van een
onderdeel, óf het kunnen meedoen aan een toetsmoment met reguliere
deelnemers.
Is betrokkene niet in staat op de gebruikelijke wijze te lezen en/of
schrijven (bijvoorbeeld doordat hij/zij alleen kan lezen met gebruikmaking van
het brailleschrift), dan doet hij/zij de onderdelen door middel van de
telefoontoets.
Indien verzoeker het/de getoetste onderdeel(en) met goed gevolg heeft
afgelegd, reikt het ROC van Amsterdam hem/haar het Certificaat
Naturalisatietoets uit met achter het/de niet- getoetste onderdeel(en) de
aantekening: NIET AFGENOMEN.
Ingeval de onderdelen luisteren en spreken door middel van de telefoontoets
zijn afgenomen, dan wordt achter deze onderdelen geplaatst de aantekening:
AFGENOMEN MET TELEFOONTOETS.
Tezamen met de overgelegde verklaringen en model 2.26 stuurt de gemeente met
het naturalisatiedossier een gewaarmerkt afschrift van het Certificaat
Naturalisatietoets aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Een ander
gewaarmerkt afschrift houdt de burgemeester voor zichzelf. Het certificaat
wordt weer aan verzoeker overhandigd.
###### 2.3.4. Beroep op ongeletterdheid
Ongeletterdheid kan aanleiding zijn voor gedeeltelijke ontheffing van de
naturalisatietoets. Onder de navolgende omstandigheden leidt ongeletterdheid
(of analfabetisme) tot ontheffing. Het gaat hier om de verzoeker die
ongeletterd is en die kan aantonen dat hij zich extra heeft ingespannen het
vereiste taalniveau van onderdelen van de naturalisatietoets te bereiken, maar
daarin niet is geslaagd. Betrokkene is ontheven van de toets, indien hij een
verklaring overlegt van een ter zake deskundige, waarin deze aangeeft dat
betrokkene wegens beperkt leervermogen in samenhang met onder meer
vooropleiding en leeftijd in redelijkheid niet meer in staat geacht kan worden
het gewenste lees- en schrijfvaardigheidniveau te bereiken.
Het bovenstaande leidt ertoe dat bij een beroep op deze ontheffingsgrond een
nader onderzoek door een deskundige moet worden ingesteld naar de
ongeletterdheid en de mate van extra inspanning van betrokkene, alsmede naar
diens leervermogen, vooropleiding en leeftijd.
Dit zogenaamde haalbaarheidsonderzoek vindt conform artikel 3, derde lid
Regeling naturalisatietoets uitsluitend plaats bij het Regionaal Opleidingen
Centrum van Amsterdam. Het ROC van Amsterdam beoordeelt of het haalbaar is
voor betrokkene binnen een tijdsbestek van vijf jaar Nederlands te leren lezen
en schrijven op het niveau Nederlands als Tweede taal, kwalificatiestructuur
educatie, niveau 2 (NT2, KSE niveau 2).
Als ter zake deskundigen gelden in dit verband derhalve uitsluitend de
taalkundigen van het Regionaal Opleidingen Centrum van Amsterdam.
Betrokkene betaalt voor het haalbaarheidsonderzoek € 202,00.
Gezien de vorm waarin de naturalisatietoets wordt afgenomen, kunnen de
onderdelen maatschappijoriëntatie, luisteren en spreken bij een geslaagd
beroep op ongeletterdheid niet op reguliere wijze door betrokkene worden
afgelegd. Kunnen lezen is nu eenmaal een minimale voorwaarde om een onderdeel
van de (reguliere) naturalisatietoets te kunnen afleggen. Dit niet alleen
omdat de instructies voor het afleggen van de (reguliere) toets schriftelijk
zijn, maar ook omdat de toetsvragen bij de onderdelen spreken en luisteren
schriftelijk in de opgavenboekjes zijn opgenomen. Bij de telefoontoets geldt
de voorwaarde van het kunnen lezen echter niet. Bij een geslaagd beroep op
ongeletterdheid moet de ongeletterde verzoeker derhalve de onderdelen
spreken en luisteren door middel van de telefoontoets afleg- gen.
Indien de ongeletterde verzoeker de getoetste onderdelen met goed gevolg
heeft afgelegd, reikt het ROC van Amsterdam hem het Certificaat
Naturalisatietoets uit met achter de niet-getoetste onderdelen de aantekening:
NIET AFGENOMEN en achter de getoetste onderdelen de aantekening: AFGENOMEN MET
TELEFOONTOETS.
Indien de (aspirant-)verzoeker tot naturalisatie een verklaring van het ROC
van Amsterdam overlegt met het advies dat betrokkene wegens ongeletterdheid en
beperkte educatieve vaardigheden in een tijdsbestek van vijf jaar niet in
staat is de naturalisatietoets te halen, tekent de burgemeester op het
adviesblad naturalisatie aan dat gedeeltelijke ontheffing van de
naturalisatietoets wordt geadviseerd.
Met het naturalisatiedossier stuurt de gemeente een gewaarmerkt afschrift
van de verklaring van het ROC van Amsterdam aan de Immigratie- en
Naturalisatiedienst (IND). Een ander gewaarmerkt afschrift houdt de
burgemeester voor zijn administratie. Het origineel van de verklaring van het
ROC van Amsterdam wordt weer aan verzoeker overhandigd.
Incidenteel zal bij gemeente of Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) de
behoefte blijken om inzake de verklaring van het ROC van Amsterdam navraag te
doen bij dat ROC. Onderaan de verklaring staat daarvoor een
telefoonnummer.
###### 2.3.5. Toetsingscriteria ongeletterdheid
Iemand is ongeletterd in het kader van de naturalisatietoets indien hij
analfabeet is in zowel zijn eigen taal als in het Nederlands. Beheerst iemand
wel het schrift van zijn eigen taal (bijvoorbeeld betrokkene kan Arabisch,
Chinees of Thais schrijven), maar beheerst hij niet het Europese schrift, dan
kan hij niet als analfabeet worden beschouwd. Betrokkene beheerst immers de
kunst van het schrijven. In onderwijskringen wordt dit anders
gealfabetiseerd genoemd.
Heeft iemand in zijn eigen land niet de aldaar gebruikelijke basisopleiding
(lagere school) afgerond, dan wordt hij in het kader van de naturalisatietoets
als ongeletterd beschouwd. Mogelijk kan betrokkene enigszins in zijn eigen
taal en (al dan niet) ook in het Nederlands enige woorden lezen en schrijven,
toch is betrokkene te beschouwen als ongeletterd. Van eenieder die op model
2.28 aangeeft dat hij in het herkomstland geen enkele opleiding heeft
afgerond, wordt aangenomen dat hij de eigen taal niet kan lezen en schrijven.
Betrokkene hoeft dienaangaande geen stukken te overleggen.
Betrokkene dient aan de hand van certificaten of verklaringen van (bij
voorkeur onderwijs-) instellingen aan te tonen dat hij zich heeft ingespannen
om Nederlands te leren schrijven en lezen. Van een extra inspanning is
sprake als betrokkene meer heeft gedaan op het gebied van Nederlands leren
lezen en schrijven dan hij op grond van voor hem geldende regelgeving
verplicht was om te doen. Het moet wel ten minste gaan om een cursus in een
georganiseerd verband, bij voorkeur bij een onderwijsinstelling, maar het kan
ook gaan om gemeentelijk welzijnswerk, een cursus bij of via het arbeidsbureau
of een cursus bij een buurt- of clubhuis.
Dit betekent voor een betrokkene die verplicht is geweest de
inburgeringscursus uit de Wet
Inburgering Nieuwkomers te doen (en daarvoor (wel getoetst) niet
het niveau heeft gehaald waarop hij vrijstelling van de naturalisatietoets zou
hebben gekregen, (ingevolge artikel 3,
eerste lid en onder d Besluit Naturalisatietoets)), dat hij, na het
hebben gevolgd van de WIN-cursus, moet kunnen aantonen dat hij (onverplicht
door enige regelgeving) door middel van het volgen van een cursus zich heeft
ingespannen te leren lezen en schrijven in de Nederlandse taal.
Voor een betrokkene die niet is verplicht geweest de inburgeringscursus uit
de Wet Inburgering Nieuwkomers te doen, geldt in het kader van extra
inspanning een zelfde maatstaf. Ook hier moet betrokkene kunnen aantonen dat
hij (onverplicht door enige regelgeving) door middel van een cursus Nederlands
zich heeft ingespannen te leren lezen en schrijven.
De eis van extra inspanning dient betrokkene door middel van bescheiden,
afkomstig van de instelling waar het onderwijs of de cursus is gevolgd, aan te
kunnen tonen bij het ROC van Amsterdam.
De gemeente heeft hierbij een voorlichtende taak, die eruit bestaat
betrokkene erop te wijzen dat hij bij zijn aanmelding bij het ROC van
Amsterdam zal moeten kunnen aantonen dat hij (onverplicht) een cursus
Nederlands heeft gedaan. Gezien de kosten voor het onderzoek is het een
betrokkene die niet kan aantonen (onverplicht) een cursus Nederlands te hebben
gedaan, bij voorbaat af te raden om zich bij het ROC van Amsterdam te melden
voor het onderzoek. Alleen als betrokkene ervan overtuigd is de extra
inspanning te kunnen aantonen bij het ROC van Amsterdam, heeft het zin hem
door te verwijzen naar dat ROC voor het onderzoek naar de vraag of betrokkene
eventueel nog binnen vijf jaar met kans op succes de naturalisatietoets zal
kunnen afleggen.
Anders dan in het voorafgaande onder 3, waar beperkt leervermogen
betrekking heeft op lichamelijke en geestelijke aandoeningen als gevolg
waarvan iemand gebrekkige (of gebrekkig werkende) verstandelijke vermogens
bezit, gaat het hier om beperkt leervermogen in de zin van beperkte
studievaardigheden als gevolg van gebrek aan educatie. Iemand die nooit
geleerd heeft om te leren bezit, in deze context, een beperkt
leervermogen.
Of hiervan sprake is, wordt onderzocht en beoordeeld door het ROC van
Amsterdam. In die beoordeling betrekt het ROC van Amsterdam factoren als de
geen tot zeer beperkte vooropleiding van betrokkene, diens leeftijd en het
feit dat betrokkene wel heeft getracht Nederlands te leren schrijven en lezen
op NT2, niveau 2.
###### 2.3.6. Aanmelding bij ROC Amsterdam
Voor het afleggen van een toetsonderdeel of -onderdelen of de telefoontoets,
dan wel de aanmelding voor het haalbaarheidsonderzoek meldt betrokkene zich
door middel van model 2.28 (Aanmeldingsformulier ROC van Amsterdam) aan bij
dat ROC. De ongeletterde verzoeker bij wie het ROC van Amsterdam reeds heeft
vastgesteld dat hij voldoet aan de criteria voor ongeletterdheid, wordt
rechtstreeks opgeroepen door dat ROC om de onderdelen luisteren en spreken af
te leggen. Bij een lichamelijke of geestelijke belemmering meldt de
(aspirant-)verzoeker zich wel zelf rechtstreeks aan bij het ROC van Amsterdam.
In een aantal gevallen denk aan gehandicapten en ongeletterden zal de hulp
van de gemeente bij het invullen van model 2.28 noodzakelijk blijken.
Betrokkene is zelf verantwoordelijk voor het insturen van zijn
aanmeldingsformulier.
Op het aanmeldingsformulier wordt ingeval van een beroep op ongeletterdheid
door de gemeente ingevuld of betrokkene verplicht is geweest een Wet
Inburgering Nieuwkomerstraject te volgen. Alsdan wordt het formulier voorzien
van een gemeente- of dienststempel. Tezamen met het ingevulde model 2.28
stuurt betrokkene die zich wenst aan te melden voor het
haalbaarheidsonderzoek, het bewijs of bewijzen mee van zijn gepleegde extra
inspanning. Dit betekent voor degene die WIN-plichtig is geweest: het
(originele) Certificaat Inburgering én overige verklaringen. Voor degene die
niet WIN-plichtig is geweest betreft het (alleen) één of meer overige
verklaringen.
Na ontvangst van het aanmeldingsformulier stuurt het ROC Amsterdam
betrokkene een acceptgiro en roept na het ontvangen van de betaling betrokkene
op voor (bij een lichamelijke en/of geestelijke belemmering) het/de af te
leggen onderdeel of onderdelen dan wel voor het haalbaarheidsonderzoek. Is van
de gepleegde extra inspanning onvoldoende bewijs overgelegd naar het oordeel
van het ROC van Amsterdam, dan wordt door het ROC het aanmeldingsformulier,
inclusief de aangeleverde bescheiden, aan betrokkene geretourneerd.
#### 3. Opneming in de Nederlandse samenleving
Naast het in zijn bezit hebben van een door de wet bepaalde mate van kennis van
de Nederlandse taal, staatsinrichting en maatschappij dient de verzoeker die in
aanmerking wil komen voor naturalisatie zich te hebben doen opnemen in de
Nederlandse samenleving. Deze voorwaarde wordt onder andere getoetst aan de hand
van een monogaam huwelijk.
##### 3.1. Polygamie
Voor wat betreft polygamie (of bigamie) kan worden opgemerkt dat er sprake is
van opneming in de Nederlandse samenleving wanneer verzoeker zijn situatie in
overeenstemming heeft gebracht met de in Nederland geldende rechtsbeginselen,
waaronder dat van monogamie.
##### 3.2. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten
Bij de behandeling van een verzoek om naturalisatie worden moeilijkheden
ondervonden die vaak verband houden met de beoordeling door ambtenaren van de
GBA van buitenlandse verstotingsakten. Het blijkt namelijk dat bij de
inschrijving in de GBA van eenzijdige verstotingen, in het verleden veelal is
nagelaten na te gaan of de vrouw met de verstoting heeft ingestemd dan wel zich
daarbij heeft neergelegd. De omstandigheid dat een verstoting in de GBA staat
ingeschreven als ontbinding van een huwelijk levert dan ook geen bewijs op dat
de verstoting rechtsgeldig tot stand is gekomen.
46
Zie ABRS, 18-11-99, nr. H01.98.2025.
Dit kan tot gevolg hebben dat de ongeldigheid van een verstoting jaren
na inschrijving alsnog aan de betrokken persoon wordt tegengeworpen. Het kan dan
voor hem moeilijk zijn na zo lange tijd nog een bewijs van de berusting van de
vrouw te verkrijgen.
##### 3.3. Weigering tot opneming in de Nederlandse
samenleving
Inburgering veronderstelt in algemene zin een zekere aanvaarding van de
Nederlandse samenleving.
Inburgering wordt met name getoetst aan de hand van de naturalisatietoets en
het vereiste van een monogaam huwelijk. Als verzoeker aan deze voorwaarden
voldoet, wordt in beginsel aangenomen dat hij de Nederlandse rechtsorde in
algemene zin heeft aanvaard.
Echter, indien duidelijk blijkt dat verzoeker zich buiten deze vereisten om
opzettelijk afzijdig houdt van of afzet tegen alles wat Nederlands is of op
Nederland betrekking heeft, of bijvoorbeeld weigert zijn kinderen naar school te
laten gaan, zal hij niet kunnen worden beschouwd als te zijn opgenomen in de
Nederlandse samenleving en zal zijn verzoek om naturalisatie worden afgewezen.
Gedacht wordt hier bijvoorbeeld ook aan het doen van uitlatingen die zich
richten tegen de democratische rechtsorde of oproepen tot feitelijk handelen in
strijd met de geldende wet- en regelgeving, of die een gevaar opleveren voor de
goede betrekkingen van Nederland met andere mogendheden. Er moeten in het geval
van weigering tot opneming dus omstandigheden zijn die blijk geven van
onvoldoende inburgering van contra-indicaties als het ware.
Een vrouwelijke verzoeker stelt analfabeet te zijn en derhalve te zijn
ontheven van de naturalisatietoets. De vrouw kan als analfabeet slechts in
aanmerking komen voor ontheffing van de onderdelen lezen en schrijven en niet
voor de overige onderdelen van de naturalisatietoets. Ter ondersteuning van een
en ander overhandigt zij een verklaring van de huisarts en een verklaring van
haar man. De vrouw zij is van middelbare leeftijd heeft geen enkele
vooropleiding gevolgd. De burgemeester verwijst de vrouw naar het nabijgelegen
ROC. De vrouw weigert dat en staat erop dat de burgemeester haar verzoek toch in
behandeling neemt. De burgemeester laat haar model 2.21 invullen.
Beslissing: Om als analfabeet voor ontheffing van de naturalisatietoets in
aanmerking te komen, dient de vrouw niet een verklaring van de arts of haar man
te overleggen maar een verklaring van het ROC. Op het ROC kan door deskundigen
de mogelijkheid worden onderzocht of de vrouw ondanks haar ongeletterdheid het
voor de naturalisatietoets vereiste taal- en kennisniveau zou kunnen behalen.
Het ROC houdt bij haar advies rekening met de leeftijd en vooropleiding van de
vrouw en onderzoekt of de vrouw reeds een serieuze poging heeft ondernomen zich
de taal en materie eigen te maken.
Een Japanse vrouw die in 1981 is gehuwd met een Nederlandse man, sindsdien in
Nederland woont en een verblijfsvergunning in haar bezit heeft, doet een verzoek
om naturalisatie bij de gemeente van haar woonplaats. Als nieuwkomer heeft zij
het inburgeringsprogramma niet gevolgd. Nu wil zij zich laten naturaliseren tot
Nederlander en is bereid de naturalisatietoets af te leggen.
Beslissing: De Japanse vrouw komt in beginsel in aanmerking voor de
verkrijging van het Nederlanderschap door optie ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder
g, RWN. Zij hoeft niet te voldoen aan de voorwaarde van inburgering
die de wetgever onder verlening van het Nederlanderschap beschrijft en hoeft
dientengevolge ook geen naturalisatietoets af te leggen. Overigens staat het
haar vrij de toets toch te doen. Voor de bevestiging van de verkrijging van het
Nederlanderschap door optie speelt de toets echter geen rol.
#### 7
*Islamitische landen waar polygamie en/of verstoting mogelijk
is*
| Afghanistan | + t |
| --- | --- |
| Algerije | + t |
| Bahrein | + t |
| Bangladesh | * t |
| Brunei | ? ? |
| Egypte | * t |
| Ethiopië | # ? |
| Gambia | # = |
| India | * t |
| Indonesië | * = |
| Irak | + t |
| Iran | + t |
| Jemen | * t |
| Jordanië | + t |
| Koeweit | + t |
| Libanon | # t |
| Libië | * t |
| Maleisië | # t |
| Maldiven | + ? |
| Mali | + ? |
| Marokko | + t |
| Mauritanië | + t |
| Niger | # t |
| Nigeria | # = |
| Oeganda | * = |
| Pakistan | * t |
| Qatar | + t |
| Saudi-Arabië | = t |
| Senegal | + = |
| Sierra Leone | # t |
| Singapore | * t |
| Soedan | # t |
| Somalië | * t |
| Suriname | * t |
| Syrië | * t |
| Tanzania | * = |
| Tsjaad | * t |
| Tunesië | - = |
| Verenigde Arabische Emiraten | + t |
+ : kent polygamie
* : polygamie onder beperkte voorwaarden
# : polygamie alleen voor islamitische groep t : verstoting
= : geen verstoting
- : kent geen polygamie
? : onbekend
### 8-2. Toelichting ad artikel 8, tweede lid
### 8-3. Toelichting ad artikel 8, derde lid
### 8-4. Toelichting ad artikel 8, vierde lid
### 8-5. Toelichting ad artikel 8, vijfde lid
### 8-6. Toelichting ad artikel 8, zesde lid
## 9
RWN: artikelen
1.1f; 1.2;
6; 7; 8; 10; 11.6; 13; 15.1d en 16.1
BVVN: artikelen
31; 32; 34 en 38
Awb: artikelen
4:5; 4:7;
6:2; 7:1; 8:1 en 8:7.2
Bdr: artikelen
1b; 1c en
5 t/m 9
Rgdr: artikelen
2.2 en 5.3
WBRv: artikel
183
Wet gba: artikel 43
WRB: artikelen
34.2 en 34.3
WvSr: artikelen
74a en 92 t/m
423
Ingevolge overgangsbepaling artikel VII, tweede
lid, RRWN geldt overgangsrecht voor artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d,
RWN. Zie bij artikel 7
RWN, onder Overgangsrecht.
Dit heeft onder meer tot gevolg dat ten aanzien van oude verzoeken om naturalisatie,
die zijn ingediend vóór 1 april 2003, nog steeds kan worden besloten tot aanhouding
van de beslissing wegens onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal. Aanhouding
vindt dan plaats op grond van artikel 9, vijfde
lid juncto artikel 9, vierde
lid, RWN (nieuw).
### 9-alg. Toelichting algemeen
### 9-1-a. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder
a
### 9-1-b. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder
b
**Het verzoek van een vreemdeling die voldoet aan de artikelen 7
en 8 wordt niettemin afgewezen, indien de verzoeker die een andere nationaliteit
bezit, niet het mogelijke heeft gedaan om die nationaliteit te verliezen dan wel
niet bereid is het mogelijke te zullen doen om, na de totstandkoming van de
naturalisatie, die nationaliteit te verliezen, tenzij dit redelijkerwijs niet
kan worden verlangd.**
2003
44
04-03-2003
2003
44
04-03-2003
01-04-2003
#### 1. Algemeen
In de periode van 1 januari 1992 tot 1 oktober 1997 werd het vereiste om afstand
te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet toegepast (zie circulaire van 20
december 1991, *Stcrt. *1992, 25). Dit kwam doordat op
22 oktober 1991 de Tweede Kamer der Staten-Generaal de motie
Apostolou/Soutendijk-van Apeldoorn (TK 1991-1992, 21 971, nr. 29) inzake het doen
van afstand bij naturalisatie had aangenomen. Naar aanleiding van deze motie werd
besloten met ingang van 1 januari 1992 de eis, zoals geformuleerd in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder
b, RWN, vooruitlopend op de aanpassing van de RWN te laten vallen. Het voorstel tot schrappen van
deze eis stuitte echter op bezwaren bij de meerderheid van de Eerste Kamer der
Staten-Generaal, zodat het vanaf 1 januari 1992 gevoerde afstandsbeleid herziening
behoefde. Dit herziene beleid inzake de afstandsverplichting is op 1 oktober 1997
in werking getreden (circulaire van de Staatssecretaris van Justitie van 18 juni
1997, kenmerk 631150/97/6, inzake wijziging van het beleid inzake het doen van
afstand van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie tot
Nederlander).
De verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit bij
naturalisatie is ook na inwerkingtreding van het voorstel tot wijziging van de RWN
op 1 januari 2002 blijven bestaan, zij het met inachtneming van de uitgangspunten
zoals geformuleerd in het op 2 februari 1993 te Straatsburg totstandgekomen Tweede
Protocol tot wijziging van het Verdrag betreffende beperking van de gevallen van
meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van
meervoudige nationaliteit (*Trb. *1994, 265), hierna te
noemen: Tweede Protocol. De uitgangspunten in het Tweede Protocol zijn neergelegd
in artikel 9, derde lid, RWN,
zoals dit luidt met ingang van 1 april 2003 (zie de toelichting
bij artikel 9, derde lid, RWN).
#### 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke
nationaliteit
Hoofdregel is dat een vreemdeling die verzoekt om naturalisatie afstand moet
doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Dit is alleen anders indien het doen
van afstand redelijkerwijs niet van hem kan worden verlangd. Daarnaast zijn er
categorieën verzoekers om naturalisatie waarop het vereiste van afstand van de
oorspronkelijke nationaliteit niet van toepassing is (artikel 9, derde lid,
RWN).
#### 3. Uitzonderingscategorieën
Niet alle verzoekers zijn verplicht om afstand te doen van hun oorspronkelijke
nationaliteit(en). In artikel 9, derde
lid, RWN wordt een vijftal uitzonderingen genoemd. Daarnaast zijn er
vreemdelingen van wie redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat zij afstand doen
van hun oorspronkelijke nationaliteit(en) (artikel 9, eerste lid, aanhef en onder
b, RWN). Samengevat komt het erop neer dat de hieronder genoemde
categorieën verzoekers geen afstand hoeven te doen van hun oorspronkelijke
nationaliteit:
1. de verzoeker die door de naturalisatie tot Nederlander zijn oorspronkelijke
nationaliteit automatisch verliest;
2. de verzoeker die onderdaan is van een staat die niet toestaat dat afstand
van die nationaliteit wordt gedaan;
3. de verzoeker die volgens de wetgeving van het land waarvan hij de
nationaliteit bezit eerst afstand van die nationaliteit kán doen nadat hij is
genaturaliseerd. Na de totstandkoming van de naturalisatie dient de verzoeker
wél afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit;
4. de verzoeker die voor het doen van afstand van zijn oorspronkelijke
nationaliteit een zodanig hoog bedrag moet betalen dat hij een substantieel
financieel nadeel zal lijden;
5. de verzoeker die door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten zal
verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden;
6. de verzoeker die eerst afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit kan
doen, nadat hij in het land waarvan hij de nationaliteit bezit zijn militaire
dienstplicht heeft ver richt of deze heeft afgekocht;
7. de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat hij contact opneemt met de
autoriteiten van de staat waarvan hij de nationaliteit bezit;
8. de verzoeker die bijzondere en objectief waardeerbare redenen heeft om geen
afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit;
9. de verzoeker die onderdaan is van een staat welke niet door Nederland wordt
erkend;
10. de verzoeker die onderdaan is van een staat die partij is bij het zogenaamde
Tweede Protocol (zie hierna);
11. de verzoeker die is geboren in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba
en daar zijn hoofdverblijf heeft ten tijde van het indienen van het verzoek om
naturalisatie;
12. de verzoeker die vóór het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende
vijf aaneengesloten jaren zijn hoofdverblijf in Nederland, de Nederlandse
Antillen of Aruba heeft gehad;
13. de verzoeker die is gehuwd met een Nederlander;
14. de verzoeker die in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba is erkend
als vluchteling.
##### 3.1. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat, wier
wetgeving bepaalt dat de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit leidt tot
het verlies van die nationaliteit. Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring
te ondertekenen
Verzoeker heeft de Andorrese nationaliteit. In de wetgeving van Andorra is
geregeld dat een Andorrees die vrijwillig een andere nationaliteit verkrijgt de
Andorrese nationaliteit verliest. In geval van automatisch verlies door
naturalisatie tot een andere nationaliteit heeft het geen zin afstand te
vragen.
##### 3.2. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat wier
wetgeving of rechtspraktijk geen afstand van nationaliteit toestaat Verzoeker
behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen
Verzoeker bezit de Marokkaanse nationaliteit. De Marokkaanse
nationaliteitswetgeving geeft aan dat in geval van naturalisatie tot een vreemde
nationaliteit betrokkene een machtiging kan krijgen om de Marokkaanse
nationaliteit te verwerpen. In de praktijk blijkt evenwel dat de machtiging niet
kan worden verkregen. In feite betekent dit dus behoud van de Marokkaanse
nationaliteit en heeft het geen zin om afstand te vragen.
##### 3.3. Volgens de nationaliteitswetgeving van veel Staten
geldt dat eerst dan afstand van de nationaliteit kan worden gedaan nadat een
andere nationaliteit is verkregen (bijvoorbeeld ter voorkoming van
staatloosheid)
In deze gevallen dient de verzoeker bij het in behandeling nemen van zijn
verzoek een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij bereid is, na de
totstandkoming van de naturalisatie, afstand te doen van zijn oorspronkelijke
nationaliteit. Overigens, in de praktijk geldt in alle gevallen dat eerst
afstand van de oorspronkelijke nationaliteit behoeft te worden gedaan nadat de
naturalisatie tot stand is gekomen.
Een verzoeker die de Hongaarse nationaliteit bezit, kan eerst nadat hij is
genaturaliseerd tot Nederlander de Hongaarse autoriteiten verzoeken of hij
ontslag kan krijgen uit het Hongaarse staatsverband.
##### 3.4. Verzoeker zal naar hij aantoont voor het doen van
afstand een bedrag aan leges moeten betalen van zodanige hoogte dat hij daardoor
een substantieel financieel nadeel zal lijden
Indien verzoeker, wegens het feit dat hij substantieel financieel nadeel lijdt
omdat hij voor de afstand een hoog bedrag moet betalen, geen afstand wenst te
doen van de oorspronkelijke nationaliteit, dient hij een verklaring te
ondertekenen waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te doen van de
oorspronkelijke nationaliteit en waaruit blijkt dat hij een beroep doet op deze
uitzonderingscategorie.
###### 3.4.1. Minimum en maximum financieel nadeel
Indien een staat voor het doen van afstand van de nationaliteit slechts een
kleine vergoeding vraagt, zal het te lijden nadeel niet snel als substantieel
worden aangemerkt. Het bedrag dat de staat hiervoor vraagt, zal ook weer niet
buitensporig hoog mogen zijn. Gelet hierop geldt een minimum financieel nadeel
en een maximum financieel nadeel.
###### 3.4.2. Vaststelling van het inkomen en vermogen
Indien een verzoeker een beroep wenst te doen op deze uitzondering op de
afstandsver plichting, dient hij een volledig ingevulde verklaring omtrent
inkomen en vermogen (viv) te overleggen die door of namens de burgemeester is
afgegeven en is voorzien van een gemeentestempel. Op de viv wordt aangegeven
welke gegevens omtrent het inkomen en vermogen van belang zijn. De viv mag
niet ouder zijn dan twee maanden.
###### 3.4.3. Niet-zelfstandigen (ofwel loontrekkenden)
Als niet-zelfstandige wordt in dit verband aangemerkt een persoon die zijn
inkomsten verwerft anders dan uit een bedrijf of een zelfstandig beroep.
In dit kader geldt als inkomen; het maandinkomen (van verzoeker en eventueel
zijn (huwelijks)partner), inclusief de overhevelingstoeslag, na aftrek van de
over het bruto inkomen verschuldigde belasting, sociale verzekeringspremies,
pensioenpremies en vaste lasten (zoals maandelijkse uitgaven in verband met
alimentatie ten behoeve van de gewezen partner en ten behoeve van de kinderen,
premies van vrijwillige verzekering tegen ziektekosten, premies krachtens de
Ziekenfondswet en de
AWBZ, verhaalsbedragen
in het kader van de Wwb en eventuele
andere bijzondere uitgaven die noodzakelijk ten laste van verzoeker komen)
(vergelijk artikel 1, onder b,
Bdr en artikel 7
Bdr).
In dit kader geldt als vermogen; de waarde van de bezittingen, verminderd
met de waarde van de schulden (vergelijk artikelen 1, onder c,
8 en 9 Bdr).
###### 3.4.4. Zelfstandigen
Als zelfstandige wordt in dit verband aangemerkt een persoon die inkomsten
verwerft uit een bedrijf of een zelfstandig beroep.
Voor de vaststelling van het netto maandinkomen wordt uitgegaan van het
inkomen voorafgaand aan het jaar van indienen van het verzoek om naturalisatie
(vergelijk artikel 5,
derde lid, Bdr).
Voor de vaststelling van het vermogen wordt uitgegaan van de toestand van
het vermogen op 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar van het
indienen van het verzoek om naturalisatie (artikel 8, tweede lid,
Bdr).
Van een verzoeker die over een aanzienlijk vermogen beschikt kan niet snel
worden aangenomen dat hij, gelet op zijn financiële draagkracht, een bedrag
aan leges voor het doen van afstand moeilijk kan opbrengen. Hierbij geldt een
vermogensgrens, waarboven niet meer kan worden gesproken van een door
verzoeker te lijden substantieel financieel nadeel (uiteraard met inachtneming
van het bepaalde in paragraaf 3.4.1).
Is het te betalen bedrag voor het doen van afstand hoger dan (of gelijk
aan) het netto maandinkomen van verzoeker, dan is sprake van substantieel
financieel nadeel in hier bedoelde zin en behoeft verzoeker geen afstand
te doen.
Is het te betalen bedrag voor het doen van afstand lager dan het netto
maandinkomen van verzoeker, dan is geen sprake van substantieel financieel
nadeel en kan verzoeker geen beroep doen op deze uitzondering (met
inachtneming van het bepaalde in paragraaf 3.4.1).
Verzoeker A bezit de nationaliteit van land Z. A overlegt verklaringen van
de autoriteiten van land Z waaruit blijkt dat hij voor het doen van afstand
een bedrag van 750 moet betalen. Uit de viv en de overgelegde loonstroken
blijkt dat A een baan heeft als bollenpeller waarmee hij 1200 netto per maand
verdient. Hij heeft geen vermogen.
A lijdt door het doen van afstand geen substantieel financieel nadeel. Zijn
netto maandinkomen is immers hoger dan het bedrag dat hij moet betalen voor
het doen van afstand. Hij moet afstand doen van de oorspronkelijke
nationaliteit.
Verzoeker B is alleenstaande en bezit de nationaliteit van land Y. Uit
verklaringen van de autoriteiten van land Y blijkt dat hij voor het doen van
afstand van nationaliteit Y een bedrag van 1250 moet betalen. Uit de viv en de
daarbij overgelegde stukken blijkt dat hij een netto maandinkomen van 1100
heeft, dat hij een eigen woning heeft met een huidige marktwaarde van 150.000
dat hij voor de aankoop van de woning een hypotheek heeft afgesloten en dat
bij de bank nog een hypotheekschuld van 70.000 resteert.
B lijdt door het betalen van het bedrag voor het doen van afstand geen
substantieel financieel nadeel. Weliswaar is zijn netto maandinkomen lager dan
het bedrag aan leges, maar zijn in aanmerking te nemen vermogen bedraagt
14.656 (150.000 minus 70.000 = 80.000 van welk bedrag 65.344 niet wordt
meegerekend). Daarmee zit hij ruim boven de vermogensgrens van 6370.
B kan niet met succes een beroep doen op deze uitzondering en moet afstand
van de nationaliteit van land Y doen.
##### 3.5. De verzoeker zal naar hij aantoont door het doen van
afstand vermogensrechtelijke rechten die hij ten tijde van de indiening van het
verzoek om naturalisatie in het land van oorsprong bezit verliezen, waardoor hij
een substantieel financieel nadeel zal lijden
Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te
behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een
beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid
is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
###### 3.5.1. Minimum en maximum financieel nadeel
Indien het verlies aan vermogensrechtelijke rechten door het doen van
afstand slechts zeer klein is, zal het te lijden nadeel niet snel als
substantieel worden aangemerkt. Het verlies zal ook weer niet buitensporig
hoog mogen zijn. Gelet hierop geldt ook in dit kader een minimum financieel
nadeel en een maximum financieel nadeel.
Als minimum financieel nadeel geldt een verlies dat gelijk is aan het bedrag
van het ver laagde tarief van de Nederlandse naturalisatieleges voor een
enkelvoudig verzoek. Indien verzoeker door het doen van afstand een bedrag
verliest dat lager ligt dan (of gelijk is aan) het bedrag van het verlaagde
tarief, kan nooit ongeacht het vermogen van verzoeker met succes een
beroep worden gedaan op deze uitzonderingsgrond. Het door verzoeker te
verliezen bedrag is dan zo laag dat het te lijden nadeel niet als substantieel
kan worden aangemerkt.
Als maximum financieel nadeel geldt een verlies dat gelijk is aan tien maal
het bedrag van het normale tarief van de Nederlandse naturalisatieleges voor
een enkelvoudig verzoek. Indien verzoeker een bedrag verliest dat hoger ligt
dan (of gelijk is aan) tien maal het bedrag van het normale tarief, kan altijd
ongeacht het vermogen van verzoeker met succes een beroep worden gedaan op
deze uitzonderingsgrond. Het door verzoeker te verliezen bedrag is dan zo hoog
dat het te lijden nadeel als substantieel kan worden aangemerkt.
Binnen de grenzen van het minimum en het maximum financieel nadeel is de
verhouding tussen het overig vermogen van verzoeker én het bedrag dat wordt
verloren door het doen van afstand bepalend voor de vraag of hij al dan niet
afstand moet doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
###### 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen
Voor de vaststelling van het vermogen en de geldende vermogensgrenzen is het
hierboven gestelde onder paragrafen 3.4.2, 3.4.3 en 3.4.4 van overeenkomstige toepassing.
###### 3.5.3. Substantieel financieel nadeel (verhouding tussen
overig vermogen en verlies van vermogensrechtelijke rechten)
Is het bedrag (de waarde van de vermogensrechtelijke rechten) dat wordt
verloren door het doen van afstand hoger dan (of gelijk aan) een vierde deel
van het overig vermogen van verzoeker, dan is sprake van substantieel
financieel nadeel in hier bedoelde zin en behoeft verzoeker geen afstand te
doen.
Is dat bedrag lager dan een vierde deel van het overig vermogen van
verzoeker, dan is geen sprake van substantieel financieel nadeel en kan
verzoeker geen beroep doen op deze uitzondering (met inachtneming van het
minimum en maximum financieel nadeel).
Verzoekster A heeft de nationaliteit van land Z en is 40 jaar oud. Bij het
indienen van het verzoek om naturalisatie overlegt zij verklaringen van de
autoriteiten van land Z, waaruit blijkt dat zij een pensioen heeft opgebouwd
van 2000 en dat pensioenbedragen alleen worden uitgekeerd aan personen met de
nationaliteit van land Z die de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar
hebben bereikt. De betreffende wettelijke bepalingen zijn bijgevoegd. De
stukken zijn gelegaliseerd en zijn vertaald in het Nederlands. Uit de viv en
de daarbij overgelegde stukken blijkt dat A in Nederland een spaartegoed heeft
van 3000 en in Duitsland een spaartegoed heeft van 2000. A behoeft geen
afstand te doen van haar oorspronkelijke nationaliteit. Haar opgebouwd
pensioen kan thans niet te gelde worden gemaakt, zodat zij dat pensioen zal
verliezen door het doen van afstand. Het te verliezen bedrag van 2000 is
voorts groter dan een vierde deel van haar overig vermogen van 5000.
Verzoeker B bezit de nationaliteit van land Y. Hij heeft aldaar een aantal
jaren geleden met het oog op de alsmaar stijgende grondprijzen een
braakliggend stuk grond van een hectare gekocht voor 30.000. Nadien heeft hij
niet meer naar het stuk grond omgekeken. Bij het indienen van het verzoek om
naturalisatie toont hij aan de hand van verklaringen van de autoriteiten van
land Y aan dat hij aldaar de eigendom heeft van de hectare grond. Hij overlegt
tevens een notariële akte waaruit blijkt dat het stuk grond een huidige waarde
heeft van 50.000. In een andere verklaring van de autoriteiten van land Y
wordt gesteld dat personen die geen onderdaan zijn van land Y geen eigenaar
mogen zijn van grond en dat zonodig de grond door de autoriteiten zonder
geldelijke vergoeding in beslag wordt genomen. De stukken zijn gelegaliseerd
en vertaald in het Nederlands.
B behoeft door het doen van afstand geen substantieel financieel nadeel te
lijden. Weliswaar heeft hij genoegzaam aangetoond dat hij eigenaar van een
stuk grond is met een aanzienlijke waarde en dat hij de grond door het doen
van afstand zou verliezen, maar uit de stukken blijkt niet dat hij de grond
slechts onder onredelijk bezwarende of belastende voorwaarden kan verkopen.
Integendeel. Het is een braakliggend stuk grond dat hij met een goede winst
kan verkopen. B kan niet met succes een beroep doen op deze
uitzonderingscategorie.
##### 3.6. De verzoeker zal naar hij aantoont slechts dan
afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit kunnen doen, nadat hij aldaar
zijn militaire dienstplicht heeft verricht of deze heeft afgekocht. Indien
verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te behouden, dient
hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een beroep doet op
deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid is afstand te
doen van de oorspronkelijke nationaliteit
Door betrokkene zal aan de hand van recente verklaringen van het land waarvan
hij de nationaliteit bezit, moeten aantonen dat hij dienstplichtig is, dat hij
zijn militaire dienst nog niet heeft vervuld en dat hij slechts afstand van die
nationaliteit kan doen na vervulling (door middel van werkelijke dienst, al dan
niet met afkoop van een gedeelte daarvan) aldaar van de militaire dienst.
Verzoeker A bezit de nationaliteit van land Z. Hij overlegt een twee jaar oude
verklaring van de autoriteiten van land Z waaruit blijkt dat hij wordt
opgeroepen voor het vervullen van de militaire dienst. Tevens overlegt hij een
verklaring van de autoriteiten waarin staat dat personen die de dienstplicht nog
moeten vervullen geen afstand kunnen doen van de nationaliteit van land Z. De
stukken zijn gelegaliseerd en zijn vertaald in het Nederlands.
A kan niet met succes een beroep doen op deze uitzonderingscategorie.
Weliswaar heeft hij een verklaring overgelegd waaruit blijkt dat hij is
opgeroepen voor militaire dienst, maar hij heeft niet genoegzaam aangetoond dat
hij de dienstplicht nog moet vervullen. De oproep voor militaire dienst is
immers twee jaar oud, zodat het mogelijk is dat hij de dienstplicht inmiddels
heeft vervuld.
##### 3.7. Voor de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat
hij zich wendt tot de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit
bezit, geldt de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke
nationaliteit niet
Het betreft hier verzoekers die bij het indienen van het verzoek om
naturalisatie aantonen dat zij in het bezit zijn van verblijfsdocument III
(verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd) of verblijfsdocument IV
(verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd).
##### 3.8. De verzoeker heeft naar hij stelt en aantoont
bijzondere en objectief waardeerbare redenen om geen afstand te doen van zijn
oorspronkelijke nationaliteit
Indien verzoeker om die reden de oorspronkelijke nationaliteit wenst te
behouden, dient hij een verklaring te ondertekenen waaruit blijkt dat hij een
beroep doet op deze uitzonderingscategorie en waaruit blijkt dat hij niet bereid
is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit.
##### 3.9. Een verzoeker is onderdaan van een Staat, welke niet
door Nederland wordt erkend
Indien een staat niet wordt erkend, wordt vanzelfsprekend ook de nationaliteit
van deze staat niet erkend. In een dergelijk geval afstand eisen, betekent ook
dat van een niet-erkende staat afkomstige bewijsstukken inzake het verlies van
de nationaliteit door de Nederlandse autoriteiten in ontvangst en in behandeling
worden genomen. Omdat dit niet strookt met het beginsel dat met een niet-erkende
staat geen uitwisseling van officiële stukken plaatsvindt, wordt aan personen
afkomstig uit staten die niet worden erkend door Nederland niet gevraagd afstand
te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Voorbeeld van een niet-erkende
staat is Taiwan.
#### 4. Bewijsstukken
In de toelichting op bovenstaande uitzonderingscategorieën wordt op
verschillende plaatsen aangegeven dat er verklaringen en/of documenten overgelegd
dienen te worden indien verzoeker meent onder één van de uitzonderingscategorieën
te vallen. Alleen authentieke akten worden in dit verband geaccepteerd als
bewijsstukken. Authentieke akten zijn akten in de vereiste vorm en bevoegdelijk
opgemaakt door ambtenaren aan wie bij of krachtens de wet is opgedragen op die
wijze te doen blijken van door hen gedane waarnemingen of verrichtingen.
Authentieke akten zijn tevens akten, waarvan het opmaken aan ambtenaren is
voorbehouden, doch waarvan de wet het opmaken in bepaalde gevallen aan anderen dan
ambtenaren opdraagt (zie artikel 183, tweede lid, WBRv).
#### 5. Procedure afstandsverplichting bij artikel 9, eerste lid,
aanhef en onder b, RWN
##### 5.1. De verzoeker valt onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2
of 3.9
Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen. In deze gevallen
heeft het immers geen zin om afstand te vragen. Met het oog op automatisch
verlies van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie tot Nederlander
of met het oog op eventuele consequenties van een dubbele nationaliteit (dit kan
vooren- en nadelen hebben) verdient het aanbeveling dat verzoeker reeds in de
voorlichtingsfase door de burgemeester wordt verwezen naar de autoriteiten van
het land waarvan hij de nationaliteit bezit (hetzij direct, hetzij door
tussenkomst van de ambassade of het consulaat) of naar de voor hem geëigende
organisaties voor minderheden voor het verkrijgen van informatie
hieromtrent.
##### 5.2. De verzoeker valt niet onder uitzonderingscategorie 3.1,
3.2 of 3.9 en is niet bereid afstand te doen en doet een beroep op een van de
uitzonderingen 3.4 tot en met 3.8
Verzoeker wordt door de burgemeester in de voorlichtingsfase gewezen op de
verplichting om bij naturalisatie tot Nederlander afstand te doen van de
oorspronkelijke nationaliteit. Verzoeker wordt tevens gewezen op de bestaande
uitzonderingen op die verplichting. Hem wordt voorzover mogelijk en in een
voorkomend geval aan de hand van berekeningen meegedeeld of hij al dan niet
onder een uitzonderingscategorie valt. Hij wordt erop gewezen dat het verzoek om
naturalisatie wordt afgewezen indien een beroep op de uitzonderingscategorie
niet wordt gehonoreerd en dat het bedrag aan betaalde leges in dat geval niet
wordt teruggegeven.
In verband met eventuele consequenties van een dubbele nationaliteit (dit kan
voor-en nadelen hebben) verdient het aanbeveling dat verzoeker in de
voorlichtingsfase wordt verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij
de nationaliteit bezit voor het verkrijgen van informatie hieromtrent (dit geldt
logischerwijs niet voor een verzoeker die valt onder uitzondering 7).
Indien verzoeker vervolgens een beroep wenst te doen op een van de
uitzonderingen 4 tot en met 9 moet hij bij het indienen van het verzoek om
naturalisatie een bereidheidsverklaring ondertekenen waarin hij aangeeft dat hij
niet bereid is afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit (zie model
2.4 en model 2.5). Uit de bereidheidsverklaring moet duidelijk blijken op welke
uitzonderingscategorie een beroep wordt gedaan. Aan de hand van door hem
overgelegde documenten/bewijsstukken (zie hierboven paragraaf 4 zal verzoeker
moeten aantonen dat hij valt onder die uitzonderingscategorie.
##### 5.3. De verzoeker is wél bereid afstand te doen
Verzoeker wordt door de burgemeester in de voorlichtingsfase gewezen op de
verplichting om bij naturalisatie tot Nederlander afstand te doen van de
oorspronkelijke nationaliteit. Verzoeker wordt tevens gewezen op de
uitzonderingen op die verplichting. Hem wordt voor zover mogelijk meegedeeld
of hij al dan niet onder een uitzonderingscategorie valt. Een verzoeker die
bereid is afstand te doen wordt in de voorlichtingsfase verwezen naar de
autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit teneinde te
informeren naar de wijze waarop afstand van die nationaliteit kan worden gedaan
(kan afstand worden gedaan op een ambassade of consulaire post in Nederland, kan
alleen afstand worden gedaan in het land van herkomst of dient voor het doen van
afstand betaald te worden etc.) én naar de (eventuele) gevolgen van het doen van
afstand (te denken valt aan bijvoorbeeld het verlies van vermogensrechtelijke
rechten). Dit is om te voorkomen dat verzoeker, na de totstandkoming van de
naturalisatie tot Nederlander, bij het doen van afstand wordt geconfronteerd met
daaraan verbonden voorwaarden waaraan hij niet kan of niet wenst te voldoen. Na
de totstandkoming van de naturalisatie kan hij immers niet meer met succes een
beroep doen op één van de uitzonderingscategorieën. In dat kader is van belang
dat uit de door verzoeker ondertekende bereidheidsverklaring blijkt dat hij in
verband met het doen van afstand is gewezen op de uitzonderingscategorieën en
dat hij tevens is verwezen naar de autoriteiten waarvan hij de nationaliteit
bezit voor het verkrijgen van informatie omtrent het doen van afstand.
Tenslotte wordt verzoeker in de voorlichtingsfase meegedeeld dat indien hij na
de naturalisatie weigert afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit,
het besluit waarbij hem het Nederlanderschap is verleend kan worden
ingetrokken.
Indien verzoeker wél bereid is afstand te doen moet hij bij het indienen van
het verzoek om naturalisatie een bereidheidsverklaring ondertekenen waarop hij
dat duidelijk aangeeft (zie model 2.4; bereidheidsverklaring tot afstand van de
oorspronkelijke nationaliteit en model 2.5; verklaring in verband met verlies
van de Duitse/Oostenrijkse/Zuid-Afrikaanse nationaliteit).
#### 1
##### . Overzicht afstandsbepalingen in de
nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties
Hierna volgt een lijst van landen met vermelding van behoud of verlies van de
nationaliteit bij naturalisatie tot Nederlander. Bij deze lijst wordt het
volgende aangetekend: het betreft hier een momentopname voor zover bij het
Ministerie van Justitie bekend ten tijde van het verschijnen van deze gewijzigde
landenlijst. Gebruikers van deze lijst die stuiten op wijzigingen of
onjuistheden, worden verzocht dit schriftelijk aan de Immigratie- en
Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie te melden onder vermelding
van het onderwerp: afstandsverplichting bij naturalisatie.
Het postadres is: IND, SUB/AUB, Postbus 5800, 2280 HV Rijswijk.
| Afghanistan | B |
| --- | --- |
| Albanië | B |
| Algerije | C |
| Andorra | A |
| Angola | B |
| Antigua en Barbuda | B |
| Argentinië | C, echter in sommige gevallen A. Tot Argentijn genaturaliseerden verliezen de Argentijnse nationaliteit wel automatisch. |
| Armenië | B |
| Australië | B De Australische nationaliteit ging tot 03.04.2002 automatisch verloren bij naturalisatie tot Nederlander. Het doen van afstand wordt gevraagd in geval van een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 01.11.2002 (zie TBN 2002/3). |
| Azerbeidzjan | B |
| Bahamas | B, echter in sommige gevallen C. Burgers van de Bahamas die de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt kunnen afstand doen. Burgers van de Bahamas, die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, kunnen geen afstand doen. |
| Bahrein | B |
| Bangladesh | C |
| Barbados | B |
| Belarus (Wit-Rusland) | zie Wit-Rusland |
| België | A, D |
| Belize | B |
| Benin | B |
| Bhutan | A |
| Birma (Myanmar) | zie Myanmar |
| Bolivia | A |
| Bosnië-Herzegovina | B |
| Botswana | A |
| Brazilië | B |
| Brunei | A |
| Bulgarije | B |
| Burkina Faso | A |
| Burundi | B Het doen van afstand wordt alleen gevraagd in geval van een verzoek om naturalisatie dat is ingediend op of na 01.03.2002 (zie TBN 2002/1). |
| Cambodja | B |
| Canada | B |
| Centraal-Afrikaanse Republiek | A |
| Chili | B, echter in sommige gevallen A. Tot Chileen genaturaliseerden verliezen hun Chileense nationaliteit wel automatisch. |
| China | A |
| Colombia | C |
| Comoren, de | B |
| Congo (Volksrepubliek) | A |
| Congo (Democratische Rep., vh Zaïre) | A |
| Costa Rica | C |
| Cuba | B Het doen van afstand wordt alleen gevraagd in geval van een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 01.10.2003. Hoewel de relevante Cubaanse wetgeving niet is gewijzigd, staat de rechtspraktijk aldaar het doen van afstand van de Cubaanse nationaliteit na naturalisatie tot Nederlander wel toe. Naturalisandi dienen het verzoek tot afstand van de Cubaanse nationaliteit expliciet in te dienen bij een Cubaans consulair ambtenaar in het land waar zij woonachtig zijn. Om rechtsgeldig afstand te doen van de Cubaanse nationaliteit dient de (Cubaanse) Minister van Binnenlandse Zaken door middel van een beschikking het verzoek tot afstand in te willigen. Deze beschikking is het bewijsstuk dat afstand is gedaan van de Cubaanse nationaliteit. (Zie TBN 2003/2) |
| Cyprus | B |
| Denemarken | A, D |
| Djibouti | A |
| Dominica | B |
| Dominicaanse Republiek | C |
| Bondsrepubliek Duitsland | A, D (N.B. geen partij meer bij het verdrag van Straatsburg m.i.v. 22.12.2002). Een verzoeker om naturalisatie tot Nederlander (die niet onder één van de vrijstellingscategorieën voor de verplichting tot het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit valt) wordt gevraagd een verklaring (model 2.5 uit de Handleiding) te ondertekenen dat hij bij de Duitse autoriteiten niet om behoud van de Duitse nationaliteit zal vragen (Zie TBN 2002/3). |
| Ecuador | C |
| Egypte | B Een verzoeker om naturalisatie tot Nederlander dient zich tot het Egyptische Ministerie van Binnenlandse Zaken te wenden teneinde toestemming tot verkrijging van een andere nationaliteit te krijgen. Betrokkene dient vóór het moment van naturalisatie tot Nederlander de beoogde toestemming van het Egyptische Ministerie van Binnenlandse Zaken te hebben verkregen. Bedoelde toestemming blijkt uit een (gelegaliseerde) verklaring van de Egyptische ambassade. De verklaring van de Egyptische ambassade legt betrokkene bij voorkeur over bij het indienen van zijn naturalisatieverzoek. Het verzoek tot naturalisatie kan ook worden ingediend zonder de toestemmingsverklaring, maar dan dient betrokkene na ontvangst van bedoelde verklaring deze in te sturen naar het IND-regiokantoor waar zijn verzoek in behandeling is. Op verzoeken ingediend op of na 01.11.2002 wordt eerst beslist indien de verklaring van de ambassade is ontvangen. In dit kader wordt indien nodig gebruik gemaakt van de bevoegdheid uit art. 9, vierde lid RWN tot aanhouden van het naturalisatieverzoek (zie TBN 2002/3). Het naturalisatieverzoek wordt na ommekomst van de laatste aanhoudingstermijn ingewilligd indien nog geen toestemmingsverklaring is ontvangen, mits de verzoeker aan de hand van correspondentie aantoont meermaals bij de Egyptische autoriteiten navraag te hebben gedaan inzake zijn verzoek om een vreemde nationaliteit aan te nemen. Met het oog op de actualiteit van de gemeentelijke basisadministratie voegt de IND aan de kennisgeving aan de burgemeester dat betrokkene het Nederlanderschap is verleend, een kopie van de toestemmingsverklaring van de Egyptische ambassade toe. De Egyptische nationaliteit is verloren gegaan met het verlenen van het Nederlanderschap, mits genaturaliseerd is na´ verkregen toestemming. |
| El Salvador | Zie Salvador |
| Equatoriaal-Guinee | Onbekend |
| Eritrea | B |
| Estland | B |
| Ethiopië | A |
| Fiji | B |
| Filippijnen | A |
| Finland | B De Finse nationaliteit gaat eerst verloren nadat de verzoeker aantoont een vreemde nationaliteit verworven te hebben. Afstand doen kan dan ook eerst nadat de verzoeker Nederlander geworden is. Het doen van afstand wordt gevraagd in geval van een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 15.06.2004 (Zie TBN 2004/x). |
| Formosa (Taiwan) | zie Taiwan |
| Frankrijk | A, D, E |
| Gabon | B |
| Gambia | B |
| Georgië | A |
| Ghana | B De Ghanese nationaliteit ging tot 05.01.2001 automatisch verloren bij naturalisatie tot Nederlander. Het doen van afstand wordt gevraagd in geval van een verzoek om naturalisatie dat is ingediend op of na 01.10.2001 (zie TBN 2001/5). |
| Grenada | B |
| Griekenland | C |
| Groot-Brittannië (Verenigd Koninkrijk en Koloniën) | Zie Verenigd Koninkrijk en Koloniën |
| Guatemala | A |
| Guinee | A |
| Guinee-Bissau | A |
| Guyana | B |
| Haïti | A |
| Honduras | A |
| Hongarije | B |
| Ierland | B |
| India | A |
| Indonesië | A |
| Irak | A |
| Iran | B (geen automatisch ver B Afstand voor verzoekers tot naturalisatie van 25 jaar of ouder is mogelijk. Betrokkene dient vóór het moment van naturalisatie tot Nederlander toestemming van de Iraanse autoriteiten te hebben verkregen om een vreemde nationaliteit te verkrijgen. Bedoelde toestemming blijkt uit een (gelegaliseerde) verklaring (in Engelse vertaling: Proof of Leaving Nationality) van de Iraanse Minister van Buitenlandse Zaken. In Nederland woonachtige Iraanse naturalisandi dienen deze verklaring aan te vragen bij de Iraanse ambassade in Nederland. De verzoeker die het Nederlanderschap wil aanvragen, ontvangt zelf de verzochte verklaring. Bij voorkeur wordt de verklaring tegelijkertijd ingediend met het naturalisatieverzoek. Het verzoek tot naturalisatie kan ook worden ingediend zonder de toestemmingsverklaring, maar dan dient betrokkene na ontvangst van bedoelde verklaring deze in te sturen naar het IND-regiokantoor waar zijn verzoek in behandeling is. Het doen van afstand wordt alleen gevraagd indien op het moment van indiening van het naturalisatieverzoek de verzoeker 25 jaar of ouder is en deze niet is vrijgesteld van de afstandsverplichting. De Iraanse overheid verleent geen toestemming indien betrokkene niet heeft voldaan aan de militaire verplichtingen. In dat geval geldt dat op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap betrokkene is vrijgesteld van de afstandsverplichting, mits hij met een gelegaliseerde verklaring van de Iraanse autoriteiten aantoont dat hem vanwege niet voldane militaire verplichtingen geen toestemming wordt verleend om een vreemde nationaliteit te verkrijgen. Op verzoeken ingediend op of na 01.10.2003 wordt eerst beslist indien de toestemmingsverklaring is ontvangen. In dit kader wordt indien nodig gebruik gemaakt van de bevoegdheid uit art. 9, vierde lid RWN tot aanhouden van het naturalisatieverzoek. Het naturalisatieverzoek wordt na ommekomst van de laatste aanhoudingstermijn ingewilligd indien nog geen toestemmingsverklaring is ontvangen, mits de verzoeker aan de hand van correspondentie aantoont meermaals bij de Iraanse autoriteiten navraag te hebben gedaan inzake zijn verzoek om een vreemde nationaliteit aan te nemen. (Zie TBN 2003/2). Met het oog op de actualiteit van de gemeentelijke basisadministratie voegt de IND aan de kennisgeving aan de burgemeester dat betrokkene het Nederlanderschap is verleend, een kopie van de toestemmingsverklaring van de Iraanse overheid toe. De Iraanse nationaliteit is verloren gegaan met het verlenen van het Nederlanderschap |
| Israël | B |
| Italië | A, D, E |
| Ivoorkust | A, echter in sommige gevallen B. De hoofdregel is automatisch verlies. In geval betrokkene is ingeschreven in het register van de volkstelling, is gedurende een tijdvak van vijftien jaren, te rekenen vanaf de inschrijving in het register van de volkstelling, het verlies van de nationaliteit afhankelijk van goedkeuring van de regering. Betrokkene dient bij de autoriteiten van Ivoorkust na te gaan of hij toestemming van de regering nodig heeft. |
| Jamaica | B |
| Japan | A |
| Jemen | C |
| Joegoslavië (Servië-Montenegro) | Zie Servië-Montenegro |
| Jordanië | B |
| Kaapverdië | B |
| Kambodja | B |
| Kameroen | A |
| Katar (Qatar) | B |
| Kazachstan | B |
| Kenya | A |
| Kirgizië | B |
| Kiribati | A |
| Koeweit | A |
| Korea | Zie Noord- of Zuid |
| Kroatië | B |
| Laos | B |
| Lesotho | A |
| Letland | B |
| Libanon | B Betrokkene dient vóór het moment van naturalisatie tot Nederlander toestemming van de Libanese autoriteiten te hebben om een vreemde nationaliteit te verkrijgen. De toestemming wordt verleend bij Presidentieel besluit. Dit decreet wordt gepubliceerd in de Libanese Staatscourant (in Franse vertaling: journal officiel). Van het Presidentieel besluit vindt een aantekening plaats in de Libanese burgerlijke stand (civil registration). Het Presidentieel besluit wordt niet afgegeven aan betrokkene. Ten bewijze van de verkregen toestemming om een vreemde nationaliteit aan te nemen, legt betrokkene de pagina uit de Libanese Staatscourant (of een kopie daarvan) over. Tevens dient de verzoeker tot naturalisatie een origineel en gelegaliseerd uittreksel uit het register van de Libanese burgerlijke stand te overleggen, waarin het Presidentieel besluit is aangetekend. Genoemde stukken dienen te zijn voorzien van een vertaling, gemaakt door een beëdigd vertaler. De stukken waaruit de verkregen toestemming blijkt, legt betrokkene bij voorkeur over bij het indienen van zijn naturalisatieverzoek. Het verzoek tot naturalisatie kan ook worden ingediend zonder de toestemmingsverklaring, maar dan dient betrokkene zo spoedig mogelijk de stukken in te sturen naar het IND-regiokantoor waar zijn verzoek in behandeling is. Op verzoeken ingediend op of na 01.10.2003 wordt eerst beslist indien de toestemmingsverklaring is ontvangen. In dit kader wordt indien nodig gebruik gemaakt van de bevoegdheid uit art. 9, vierde lid RWN tot aanhouden van het naturalisatieverzoek. Het naturalisatieverzoek wordt na ommekomst van de laatste aanhoudingstermijn ingewilligd indien nog geen toestemmingsverklaring is ontvangen, mits de verzoeker aan de hand van correspondentie aantoont meermaals bij de Libanese autoriteiten navraag te hebben gedaan inzake zijn verzoek om een vreemde nationaliteit aan te nemen. (TBN 2003/2). Met het oog op de actualiteit van de gemeentelijke basisadministratie voegt de IND aan de kennisgeving aan de burgemeester dat betrokkene het Nederlanderschap is verleend, een kopie van het uittreksel uit het register van de Libanese burgerlijke stand toe. De Libanese nationaliteit is verloren gegaan met het verlenen van het Nederlanderschap. |
| Liberia | A |
| Libië | C |
| Liechtenstein | B |
| Litouwen | A |
| Luxemburg | A, D |
| Macedonië | B |
| Madagaskar | A |
| Malawi | A |
| Maldiven | B |
| Maleisië | B |
| Mali | B |
| Malta | B |
| Marokko | C De rechtspraktijk maakt het onmogelijk afstand te doen van de Marokkaanse nationaliteit. |
| Marshalleilanden | B |
| Mauritanië | A |
| Mauritius | B |
| Mexico | C, echter in sommige gevallen B. Tot Mexicaan genaturaliseerden kunnen afstand doen van de Mexicaanse nationaliteit. |
| Micronesia | Onbekend |
| Moldavië | B |
| Monaco | A |
| Mongolië | B |
| Mozambique | A |
| Myanmar (Birma) | A |
| Namibië | A, voor Namibiërs door registratie of naturalisatie B, voor Namibiërs door geboorte, afstamming of huwelijk. Het doen van afstand wordt alleen gevraagd in geval van een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 01.10.2001 (zie TBN 2001/5). |
| Nauru | C |
| Nepal | A |
| Nicaragua | C, in sommige gevallen A Tot Nicaraguaan genaturaliseerden verliezen hun Nicaraguaanse nationaliteit wel automatisch. |
| Nieuw-Zeeland | B |
| Niger | A |
| Nigeria | B, in sommige gevallen A. Tot Nigeriaan genaturaliseerden verliezen de Nigeriaanse nationaliteit wel automatisch. |
| Noordelijke Marianen | Onbekend |
| Noord-Korea | A |
| Noorwegen | A, D |
| Oeganda | A |
| Oekraïne | B B Ondanks de tekst van artikel 19, eerste lid van de Oekraïense nationaliteitswet, is van de bevoegde Oekraïense autoriteiten vernomen dat in geval van vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit de Oekraïense nationaliteit eerst verloren wordt indien door de President van de Oekraïne aan betrokkene een verklaring van verlies is afgegeven. Derhalve dient verzoeker na naturalisatie een verklaring van verlies over te leggen, en dient (m.i.v. 01.03.2002) bij het naturalisatieverzoek (indien nodig) de bereidheidsverklaring (model 2.4) te worden getekend (zie TBN 2002/1). |
| Oezbekistan | B |
| Oman | B |
| Oostenrijk | A, D Een verzoeker om naturalisatie tot Nederlander wordt gevraagd een verklaring te ondertekenen dat hij bij de Oostenrijkse autoriteiten niet om behoud van de Oostenrijkse nationaliteit zal vragen. |
| Pakistan | B |
| Panama | A |
| Papoea-Nieuw-Guinea | A |
| Paraguay | B, in sommige gevallen A. Tot Paraguayaan genaturaliseerden verliezen de Paraguayaanse nationaliteit wel automatisch. |
| Peru | B |
| Polen | B |
| Portugal | B |
| Qatar | Zie Katar |
| Roemenië | B |
| Ruanda | A |
| Rusland = Russische Federatie | B |
| Saint Kitts en Nevis | B |
| Saint Lucia | B |
| Saint Vincent en de Grenadines | B |
| Salvador (El) | B, voor Salvadoranen door geboorte. Tot Salvadoraan genaturaliseerden verliezen de Salvadoraanse nationaliteit automatisch als zij vijf jaren zonder onderbreking buiten El Salvador verblijven. |
| San Marino | B |
| São Tomé en Principe | A |
| Saudi-Arabië | B |
| Senegal | A, in sommige gevallen B. Dienstplichtigen hebben voor verlies van hun nationaliteit toestemming van de regering nodig. |
| Servië-Montenegro (Joegoslavië) | B |
| Seychellen | B |
| Sierra Leone | A Verlies treedt in bij bereiken leeftijd van 22 jaar. Tot 22 jaar is dubbele nationaliteit mogelijk. |
| Singapore | B |
| Slovenië | B |
| Slowakije | B |
| Soedan (Sudan) | B |
| Solomoneilanden | A |
| Somalië | A |
| Spanje | B Het doen van afstand wordt alleen gevraagd in geval van een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 01.10.2003. Voor de categorieën die zijn vrijgesteld van de afstandsverplichting geldt: A (drie jaar na de naturalisatie indien betrokkene niet de verklaring aflegt tot behoud van de Spaanse nationaliteit.). Een Spanjaard die vóór 09.01.2003 is genaturaliseerd tot Nederlander, en die woonachtig is buiten Spanje, verliest na drie jaar automatisch de Spaanse nationaliteit. Artikel 24 van de Spaanse nationaliteitswet is per 9 januari 2003 gewijzigd. Aan Spanjaarden die op of na 9 januari 2003 tevens Nederlander zijn geworden, staat Spanje het behoud van de Spaanse nationaliteit toe. De regel van automatisch verlies na drie jaar is nog wel in de wet opgenomen, maar het verlies kan worden voorkomen door tijdig bij de Spaanse autoriteiten een verklaring tot behoud van de Spaanse nationaliteit af te leggen. Met het oog op vermijding van dubbele nationaliteit wordt Spanjaarden die niet in aanmerking komen voor vrijstelling van de afstandsverplichting gevraagd om direct na hun naturalisatie tot Nederlander op grond van artikel 24, tweede lid van de Spaanse nationaliteitwet afstand te doen van de Spaanse nationaliteit. (zie TBN 2003/2). |
| Sri Lanka | A |
| Suriname | A |
| Swaziland | B |
| Syrië | C |
| Tadzjikistan | B |
| Taiwan (Formosa) | B Het doen van afstand wordt echter niet gevraagd. Taiwan wordt niet erkend door Nederland. |
| Tanzania | A |
| Thailand | A Het verlies van de Thaise nationaliteit wordt eerst effectief na bekendmaking daarvan in de Thaise staatscourant. |
| Togo | B |
| Tonga | A |
| Trinidad en Tobago | B |
| Tsjaad | B |
| Tsjechië | A |
| Tunesië | C |
| Turkije | B Dit geldt ook voor mannelijke Turkse onderdanen die hun dienstplicht nog niet hebben vervuld. |
| Turkmenistan | B |
| Tuvalu | B |
| Uganda | A |
| Uruguay | C, echter in sommige gevallen A. Tot Uruguaan genaturaliseerden verliezen de Uruguaanse nationaliteit wel automatisch. |
| Vanuatu | A |
| Vaticaanstad | A |
| Venezuela | B De Venezolaanse nationaliteit ging tot 29.12.1999 automatisch verloren bij naturalisatie tot Nederlander. Het doen van afstand wordt gevraagd in geval van een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 01.11.2002 (zie TBN 2002/3). |
| Verenigde Arabische Emiraten | A |
| Verenigde Staten van Amerika | B |
| Verenigd Koninkrijk en Koloniën (Groot-Brittannië) | B |
| Vietnam | B |
| West-Samoa | A |
| Wit-Rusland (Belarus) | B |
| IJsland | A |
| Zaïre (Congo, Democratische Republiek) | Zie Congo, Democratische Republiek |
| Zambia | A |
| Zimbabwe | A |
| Zuid-Afrika | A Een verzoeker om naturalisatie tot Nederlander wordt gevraagd een verklaring te ondertekenen dat hij bij de Zuidafrikaanse autoriteiten niet om behoud van de Zuidafrikaanse nationaliteit zal vragen. |
| Zuid-Korea | A |
| Zweden | B (m.i.v. 01.07.2002) Met ingang van 01.03.2002 dient verzoeker (indien nodig) een ondertekende bereidheidsverklaring (model 2.4) bij het naturalisatieverzoek te voegen (zie TBN 2002/1). (Tot 01.07.2002: A, D). |
| Zwitserland | B |
### 9-1-c. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder
c
### 9-2. Toelichting ad artikel 9, tweede lid
### 9-3. Toelichting ad artikel 9, derde lid
### 9-3-a. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder
a
### 9-3-b. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder
b
### 9-3-c. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder
c
### 9-3-d. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder
d
### 9-3-e. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder
e
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op de verzoeker die in
Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba erkend is als vluchteling.
Een verzoeker die valt onder één van de artikelonderdelen van artikel 9, derde
lid, RWN behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen. In deze gevallen is de
verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit immers niet van
toepassing. Met het oog op een eventueel automatisch verlies van de oorspronkelijke
nationaliteit bij naturalisatie tot Nederlander of met het oog op eventuele
consequenties van een dubbele nationaliteit (dit kan voor- en nadelen hebben),
verdient het aanbeveling dat verzoeker reeds in de voorlichtingsfase door de
burgemeester wordt verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij de
nationaliteit bezit (hetzij direct, hetzij door tussenkomst van de ambassade of het
consulaat) of naar de voor hem geëigende organisaties voor minderheden voor het
verkrijgen van informatie hieromtrent.
### 9-4. Toelichting ad artikel 9, vierde lid
### 9-5. Toelichting ad artikel 9, vijfde lid
## 10
## 11
@ -72,10 +3896,227 @@ citeertitel: Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003
## 26
RWN: artikelen
6.1f; 6.3;
11.8; 15.1a en 15A WNI: artikelen 5 (oud); 7.1 en
7.3
Geen.
### 26-alg. Toelichting algemeen
### 26-1. Toelichting ad artikel 26, eerste lid
### 26-2. Toelichting ad artikel 26, tweede lid
### 26-3. Toelichting ad artikel 26, derde lid
Het minderjarige niet-Nederlandse kind van de vader of moeder, die de vreemdeling
is, bedoeld in het eerste lid, deelt in diens verkrijging van het Nederlanderschap,
indien hij in de verklaring tot dat doel is vermeld. Kinderen van een kind dat in de
verkrijging deelt, delen onder dezelfde voorwaarden in die verkrijging. Een kind dat
ten tijde van het afleggen van de verklaring de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt,
deelt slechts in de verkrijging indien het daarmee uitdrukkelijk instemt en jegens
hem geen vermoedens bestaan als bedoeld in het derde lid van artikel 6. Artikel 11,
achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.
Een op het moment van de bevestiging van de optie minderjarig kind van de in
artikel 26, eerste lid, RWN bedoelde persoon hoeft evenmin in het Koninkrijk te
wonen om in de optie te kunnen delen. Hetzelfde geldt voor het kind van dit kind.
Alleen als het kind in de optieverklaring van de ouder wordt genoemd, deelt het in
de verkrijging van het Nederlanderschap.
Voor de procedure en de door optant te overleggen documenten geldt hetzelfde als
beschreven bij artikel 6, tweede lid, en artikel 2 RWN. In aanvulling daarop geldt
het volgende. De persoon die een beroep doet op deze bepaling, zal zelf aan moeten
tonen wanneer en op grond van welk artikel hij de Nederlandse nationaliteit heeft
verloren. In een aantal gevallen zal dit al blijken uit een vermelding in de GBA. In
dat geval is geen aanvullend bewijs nodig. Is de verliesgrond echter niet vermeld,
dan zal de vrouw die de Nederlandse nationaliteit heeft verloren als gevolg van het
door haar voor 1 maart 1964 gesloten huwelijk, bijvoorbeeld een uittreksel uit het
huwelijksregister kunnen tonen. In veel gevallen zal de betreffende
nationaliteitswetgeving uitsluitsel geven over de vraag of de vrouw door het
huwelijk van rechtswege de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen.
Verlies op grond van artikel 7, aanhef ten eerste of ten derde WNI of artikel 15,
aanhef en onder a, RWN, kan worden aangetoond door het overleggen van het
naturalisatiebesluit, een bij de naturalisatie afgegeven certificaat, een uittreksel
uit een naturalisatie c.q. optieregister of een verklaring van een bevoegde
instantie van het land van de huidige nationaliteit over de datum en juridische
grondslag van de nationaliteitsverkrijging. De verklaring moet antwoord geven op de
vraag wanneer de vreemde nationaliteit is verkregen en op grond van welke bepaling
van het vreemde nationaliteitsrecht. Het is per land verschillend welke instantie(s)
bevoegd is (zijn) tot het afgeven van dergelijke verklaringen. In het ene land gaat
het om de griffier van een rechtbank, in het andere land om een ambtenaar van de
burgerlijke stand of een afdeling van het Ministerie van Binnenlandse Zaken.
Betrokkene dient daarover zelf inlichtingen in te winnen, bijvoorbeeld bij de
vertegenwoordiging van zijn land in Nederland en dient indien de betreffende
nationaliteitswetgeving daarover geen uitsluitsel geeft aan te tonen dat de
afgevende instantie daartoe bevoegd is. In veel gevallen zal de vertegenwoordiging
van dat land in Nederland bevoegd zijn om de verklaring af te geven
75
De thans geldende legalisatiecirculaire is van overeenkomstige
toepassing.
. De burgemeester zal vervolgens aan de hand van het (destijds geldende)
vreemde recht en het (destijds geldende) Nederlandse nationaliteitsrecht moeten
bepalen of sprake is van verlies van de Nederlandse nationaliteit en zo ja, op grond
van welk artikel in de WNI of de RWN.
Voor de administratieve afhandeling geldt hetzelfde als beschreven bij artikel 6
RWN.
*De Nederlandse vrouw A, emigreert in 1970 samen met haar
Nederlandse echtgenoot naar Canada. Haar echtgenoot krijgt in 1977de Canadese
nationaliteit door naturalisatie. Hij verliest daardoor de Nederlandse
nationaliteit op grond van artikel 7, aanhef en ten eerste, WNI. Zelf verkrijgt A
de Canadese nationaliteit in 1980 door naturalisatie en verliest daardoor op grond
van hetzelfde artikel het Nederlanderschap. Deze vrouw kan, mits jegens haar geen
ernstige vermoedens bestaan dat zij gevaar oplevert voor de openbare orde, de
goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk de Nederlandse nationaliteit
herkrijgen door bevestiging van optie. Tussen 1 april 2003 en 1 april 2013 behoeft
zij daarvoor niet één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het
Koninkrijk te hebben. Zij voldoet immers aan de voorwaarde genoemd in het eerste
lid, aanhef en onder c. Haar man heeft de Canadese nationaliteit op het moment dat
zij de Canadese nationaliteit verkrijgt. Ervan uitgaande dat haar man voor zijn
komst naar Canada altijd in Nederland heeft gewoond, moet hij wel ten minste één
jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk hebben om
de Nederlandse nationaliteit door bevestiging van optie te verkrijgen. Hij voldoet
immers niet aan artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, RWN.*
*De Nederlandse jongen B verhuist in 1950 op zesjarige leeftijd
met zijn Nederlandse ouders naar de Verenigde Staten van Amerika. Op
veertienjarige leeftijd verkrijgt hij de Amerikaanse nationaliteit door
medenaturalisatie met zijn vader. Hij verliest daardoor de Nederlandse
nationaliteit op grond van artikel 7, aanhef en ten eerste, WNI. Deze
oud-Nederlander valt niet onder overgangsbepaling artikel 26 RWN. Weliswaar heeft
hij de Nederlandse nationaliteit verloren op grond van artikel 7, aanhef en ten
eerste, WNI en heeft hij voor zijn achttiende jaar vijf jaar onafgebroken in de
Verenigde Staten van Amerika gewoond, maar hij heeft de Nederlandse nationaliteit
verloren toen hij minderjarig was.*
*Een Nederlandse vrouw C trouwt in 1962 met een Italiaanse man.
Zij verkrijgt als gevolg van haar huwelijk automatisch de Italiaanse
nationaliteit. Zij verliest van rechtswege de Nederlandse nationaliteit op grond
van artikel 5 (oud) WNI. Deze vrouw kan, mits jegens haar geen ernstige vermoedens
bestaan dat zij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de
veiligheid van het Koninkrijk, de Nederlandse nationaliteit herkrijgen door
bevestiging van optie. Tussen 1 april 2003 en 1 april 2013 behoeft zij daarvoor
met één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk te
hebben. Zij voldoet immers aan de voorwaarde genoemd in artikel 26, eerste lid,
aanhef en onder c, RWN.*
## 27
## 28
RWN: artikelen
1.1c; 2; 3.1; 6.2 t/m 6.5; 11.5 en 11.8
RRWN: artikel
VI
BVVN: artikelen
2; 3.1; 3.2 en 6.1 t/m 6.3
BW: artikelen
1:133; 1:163.1;
1:253ha en 1:183.1
WNI: artikel 5, zoals dat luidde vóór 1 maart 1964
Geen.
### 28-1. Toelichting ad artikel 28, eerste lid
De vrouw die het Nederlanderschap heeft verloren door of in verband met haar vóór
de inwerkingtreding van deze Rijkswet gesloten huwelijk, verkrijgt het
Nederlanderschap door het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke en door
een bevestiging gevolgde verklaring, welke moet worden afgelegd binnen een jaar na
de ontbinding van dat huwelijk of binnen een jaar nadat zij van die ontbinding heeft
kunnen kennis nemen. Deze verkrijging werkt terug tot de datum van ontbinding van
het huwelijk.
De verkrijging van het Nederlanderschap op grond van het onderhavige artikel werkt
terug tot de datum waarop het huwelijk is ontbonden. Dit is een uitzondering op het
in artikel 2, eerste lid, RWN geformuleerde beginsel dat verkrijging van het
Nederlanderschap geen terugwerkende kracht heeft. Volgens Nederlands recht wordt het
huwelijk onder meer ontbonden door de dood, door echtscheiding en door ontbinding
van het huwelijk na scheiding van tafel en bed (artikel 1:149 BW). De echtscheiding
of de ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed komt tot stand op
het moment dat de beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke
stand (artikelen 1:163, eerste lid, en 1:183, eerste lid, BW). In andere
rechtsstelsels geldt veelal dat het huwelijk is beëindigd op een moment dat een
rechterlijke uitspraak waarbij het huwelijk is ontbonden in kracht van gewijsde is
gegaan.
De verkrijging van het Nederlanderschap werkt ook terug voor de in de
optieverklaring vermelde kinderen van de vrouw die delen in de verkrijging. Kinderen
geboren vóór de datum van ontbinding van het huwelijk delen op grond van artikel 28,
derde lid, RWN in de verkrijging door de moeder. Bij deze kinderen werkt de
verkrijging net als bij de moeder terug tot op de datum van de ontbinding van
het huwelijk. Daarnaast delen deze kinderen alleen, indien zij tot dat doel in de
optieverklaring en in de daarop volgende bevestiging zijn vermeld.
Voor de procedure en de door optant te overleggen documenten geldt hetzelfde als
beschreven bij artikel 6, tweede lid, en artikel 2 RWN. In aanvulling daarop geldt
het volgende. De vrouw die een beroep doet op de onderhavige bepaling, dient zelf
aan te tonen dat zij de Nederlandse nationaliteit heeft verloren door of in verband
met het huwelijk. Tevens zal zij moeten aantonen dat het huwelijk is ontbonden en op
welk moment dat is gebeurd. In dit verband kan zij een recent uittreksel uit een
huwelijksregister overleggen; een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak
waaruit blijkt dat het huwelijk is ontbonden, dan wel bij ontbinding door
overlijden een overlijdensakte van haar echtgenoot. In veel gevallen zal de
betreffende nationaliteitswetgeving uitsluitsel geven over de vraag of de vrouw door
het huwelijk van rechtswege de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen.
Geeft de betreffende nationaliteitswetgeving daaromtrent geen uitsluitsel of blijkt
uit die nationaliteitswetgeving dat de vrouw door het huwelijk niet van rechtswege
de nationaliteit van haar echtgenoot heeft verkregen, dan dient de verkrijging van
die andere nationaliteit te worden aangetoond door bijvoorbeeld een
naturalisatiebesluit, een bij naturalisatie afgegeven certificaat, een uittreksel
uit het nationaliteitenregister of een verklaring van een bevoegde instantie van het
land van de huidige nationaliteit over de datum en de juridische grondslag van de
nationaliteitsverkrijging. De verklaring moet antwoord geven op de vraag wanneer de
vreemde nationaliteit is verkregen en op grond van welke bepaling van het
nationaliteitsrecht. Uit die gegevens kan (mede) worden afgeleid of het
Nederlanderschap is verloren door of in verband met het huwelijk. Het is per land
verschillend welke instantie(s) bevoegd is (zijn) tot het afgeven van dergelijke
verklaringen. In het ene land gaat het bijvoorbeeld om een griffier van een
rechtbank, in het andere land om een ambtenaar van de burgerlijke stand of een
afdeling van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Betrokkene dient daarover zelf
inlichtingen in te winnen bij bijvoorbeeld de vertegenwoordiging van haar land in
Nederland en dient indien de betreffende nationaliteitswetgeving daarover geen
uitsluitsel geeft aan te tonen dat de afgevende instantie daartoe bevoegd is. In
veel gevallen zal de vertegenwoordiging van haar land in Nederland bevoegd zijn om
de verklaring af te geven
76
De thans geldende legalisatiecirculaire is van overeenkomstige
toepassing.
.
*Een Nederlandse vrouw is in 1963 gehuwd met een Belgische man. Op
grond van de Belgische nationaliteitswetgeving heeft zij door dit huwelijk de
Belgische nationaliteit verkregen. Op grond van artikel 5 WNI zoals dat luidde
tot 1 maart 1964 heeft zij door dit huwelijk het Nederlanderschap verloren. Uit
het huwelijk wordt in 1986 een kind geboren. De Belgische man is op 20 november
2002 overleden. Zij heeft op 14 oktober 2003 de optieverklaring afgelegd. In de
verklaring heeft zij met het oog op medeverkrijging de naam van het kind vermeld.
Op 1 december 2003 is de verklaring door de burgemeester bevestigd. Zij en het
kind hebben het Nederlanderschap op 20 november 2002 verkregen.*
*Een Nederlandse vrouw is in 1965 gehuwd met een Belgische man.
Zij heeft hierdoor de Belgische nationaliteit verkregen. Zij heeft door het
huwelijk niet van rechtswege de Nederlandse nationaliteit verloren (artikel 5 WNI
(oud) is per 1 maart 1964 vervallen). Zij heeft in 1966 het Nederlanderschap
verworpen teneinde eenheid van nationaliteit tussen haar en haar man te
bewerkstelligen. In januari 2003 is in Nederland de echtscheiding uitgesproken en
op 5 februari 2003 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers
van de burgerlijke stand. De vrouw kan tot 5 februari 2004 een schriftelijke
verklaring afleggen om het Nederlanderschap te herkrijgen. Als zij dat doet dan
verkrijgt zij het Nederlanderschap met ingang van 5 februari 2003.*
### 28-2. Toelichting ad artikel 28, tweede lid
### 28-3. Toelichting ad artikel 28, derde lid
## II RRWN
## III RRWN
@ -256,7 +4297,8 @@ citeertitel: Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003
*[afbeelding]*
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
## Bijlage 3. Modellen met beperking tot bezit en afstand van het
Nederlanderschap
*[afbeelding]*