From 058da60e7d48eafb62d4fb4ed49aa04fe73fc1d8 Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Wed, 1 Jan 2003 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2003-01-01 | BWBR0011353 | Wet inkomstenbelasting 2001 --- .../BWBR0011353/README.md | 712 +++++++++--------- 1 file changed, 349 insertions(+), 363 deletions(-) diff --git a/wet/wet-inkomstenbelasting-2001/BWBR0011353/README.md b/wet/wet-inkomstenbelasting-2001/BWBR0011353/README.md index d61b3a5a6d6..8ebc00443b3 100644 --- a/wet/wet-inkomstenbelasting-2001/BWBR0011353/README.md +++ b/wet/wet-inkomstenbelasting-2001/BWBR0011353/README.md @@ -72,7 +72,7 @@ Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden de lan ### Artikel 1.7 -**1.** In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder *lijfrente*: een aanspraak volgens een overeenkomst van *levensverzekering* (artikel 3.117) op vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen die eindigen uiterlijk bij overlijden, welke aanspraak niet kan worden afgekocht, vervreemd, prijsgegeven, of formeel of feitelijk tot voorwerp van zekerheid kan dienen, anders dan ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25, vijfde lid, Invorderingswet 1990. Onder een lijfrente wordt mede verstaan de aanspraak op winstuitkeringen voorzover die uitkeringen verband houden met een lijfrente. +**1.** In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder *lijfrente*: een aanspraak volgens een overeenkomst van *levensverzekering* (artikel 3.117) op vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen die eindigen uiterlijk bij overlijden, welke aanspraak niet kan worden afgekocht, vervreemd, prijsgegeven, of formeel of feitelijk tot voorwerp van zekerheid kan dienen, anders dan op grond van artikel 3.126, eerste lid, onderdeel d, onder 2°, of ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25, vijfde lid, Invorderingswet 1990. Onder een lijfrente wordt mede verstaan de aanspraak op winstuitkeringen voorzover die uitkeringen verband houden met een lijfrente. **2.** @@ -82,6 +82,8 @@ a. een pensioenregeling overeenkomstig de wettelijke bepalingen van de loonbelas b. een pensioenregeling waaraan deelneming verplicht is op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, de Wet tot invoering van een leeftijdsgrens voor het notarisambt en oprichting van een notarieel pensioenfonds, de Wet op de kansspelen of de Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling; c. een regeling van een andere mogendheid, die volgens de belastingwetten van dat land, welke naar aard en strekking overeenkomen met de Nederlandse loonbelasting of de inkomstenbelasting, als een pensioenregeling wordt beschouwd. +**3.** Aanspraken op periodieke uitkeringen waarvan de uitkeringen zijn ingegaan en waarvan de hoogte van de uitkeringen niet voor de gehele uitkeringsperiode in geldeenheden is vastgesteld, worden gelijkgesteld met aanspraken op vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen indien de aanspraken en uitkeringen voldoen aan bij ministeriële regeling te stellen regels. + ### Artikel 1.7a **1.** @@ -89,19 +91,17 @@ c. een regeling van een andere mogendheid, die volgens de belastingwetten van da Voor de toepassing van de artikelen 3.141, 8.11, 8.14 en 8.16 en de daarop berustende bepalingen wordt met loon uit tegenwoordige arbeid gelijkgesteld: a. inkomsten genoten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid; -b. uitkeringen op grond van de Wet financiering loopbaanonderbreking en aanvullingen daarop door degene tot wie de belastingplichtige in dienstbetrekking staat. +b. uitkeringen op grond van de Wet arbeid en zorg en aanvullingen daarop door degene tot wie de belastingplichtige in dienstbetrekking staat. **2.** Inkomsten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid zijn niet uitkeringen op grond van: a. de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; -b. de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, tenzij het uitkeringen in verband met bevalling betreffen; +b. de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen; c. de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten; d. buitenlandse arbeidsongeschiktheidsverzekeringen die naar aard en strekking overeenkomen met de regelingen die zijn vermeld in de onderdelen a, b en c. -**3.** Voor de toepassing van artikel 8.21 is het eerste lid, aanhef en onderdeel a, van overeenkomstige toepassing. - ### Artikel 1.7b Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt met de premie voor een verzekering gelijkgesteld de op de verzekeringnemer drukkende uitgaven ter beloning van de assurantietussenpersoon ter zake van het afsluiten dan wel het verlengen van de desbetreffende verzekering of het incasseren van premies. @@ -119,6 +119,13 @@ b. in overige gevallen: voorzover dat bij ministeriële regeling is bepaald. **2.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de situatie dat een persoon niet in Nederland woont en niet is ingeschreven in een naar aard en strekking met de basisadministratie persoonsgegevens overeenkomende administratie buiten Nederland. +### Artikel 1.10 + +In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: + +a. *reisafstand:* de afstand tussen de woning of verblijfplaats en de plaats van werkzaamheden gemeten langs de meest gebruikelijke weg; +b. *regelmatig woon-werkverkeer:* het in het kalenderjaar op 60 dagen of meer reizen tussen de woning of verblijfplaats en de plaats of plaatsen van werkzaamheden, waarbij binnen een tijdsbestek van 24 uur zowel heen als terug wordt gereisd. + ## Hoofdstuk 2. Raamwerk ### Afdeling 2.1. Belastingplichtigen @@ -184,7 +191,7 @@ b. voor buitenlandse belastingplichtigen: volgens de regels van afdeling 7.4. **1.** De binnenlandse belastingplichtige die niet gedurende het gehele kalenderjaar in Nederland woont, en de buitenlandse belastingplichtige die als inwoner van een andere lidstaat van de Europese Unie of van een bij ministeriële regeling aangewezen andere mogendheid waarmee Nederland een regeling ter voorkoming van dubbele belasting is overeengekomen die voorziet in de uitwisseling van inlichtingen, in de belastingheffing van die lidstaat of mogendheid wordt betrokken, kunnen kiezen voor toepassing van de regels van deze wet voor binnenlandse belastingplichtigen. Voor de toepassing van deze bepaling kunnen bij ministeriële regeling bewijsmiddelen worden voorgeschreven. Een persoon die niet belastingplichtig is kan kiezen voor toepassing van de regels van deze wet voor binnenlandse belastingplichtigen indien hij daardoor wordt aangemerkt als *partner* van een belastingplichtige. De persoonsgebonden aftrek (hoofdstuk 6) en de negatieve inkomsten uit gemeenschappelijke inkomensbestanddelen als bedoeld in artikel 2.17 blijven buiten aanmerking voorzover deze bij de partner bij de belastingheffing in de woonstaat in aanmerking kunnen worden genomen. -**2.** De keuze geldt niet voor toepassing van de artikelen 3.60, 3.83, 3.116, vierde lid, 3.136, 4.16, eerste lid, onderdeel h, 4.17, 4.18 en 4.25. De artikelen 7.2, achtste tot en met twaalfde lid, en 7.5, zevende lid, blijven van toepassing. Bij de toepassing van de artikelen 2.7, eerste en tweede lid, en 8.1, onderdeel b, blijft de zinsnede «na toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting» buiten aanmerking. Artikel 8.9, derde lid, vindt geen toepassing. +**2.** De keuze geldt niet voor toepassing van de artikelen 3.60, 3.83, 3.116, vierde lid, 3.136, 4.16, eerste lid, onderdeel h, 4.17, 4.18, 4.25 en 9.2. De artikelen 7.2, achtste tot en met twaalfde lid, en 7.5, zevende lid, blijven van toepassing. Bij de toepassing van de artikelen 2.7, eerste en tweede lid, en 8.1, onderdeel b, blijft de zinsnede «na toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting» buiten aanmerking. Artikel 8.9, derde lid, vindt geen toepassing. **3.** Indien de belastingplichtige niet langer kiest voor de toepassing van de regels van deze wet voor binnenlandse belastingplichtigen, wordt in het laatste jaar dat voorafgaat aan het eerste jaar waarin de binnenlandse belastingplichtige die niet gedurende het gehele kalenderjaar in Nederland woont, of de buitenlandse belastingplichtige niet heeft gekozen voor de regels die gelden voor binnenlandse belastingplichtigen, het inkomen vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan de in de laatste acht jaar ten laste van het inkomen gekomen negatieve bedragen die niet behoren tot het Nederlandse inkomen volgens artikel 7.1 en die negatieve bedragen die daartoe wel behoren maar waarover het heffingsrecht op grond van het belastingverdrag niet aan Nederland is toegewezen. De vorige volzin is niet van toepassing met betrekking tot negatieve bedragen uit kalenderjaren van binnenlandse belastingplicht, uitgaven voor kinderopvang als bedoeld in afdeling 3.10, en de persoonsgebonden aftrek als bedoeld in hoofdstuk 6. @@ -216,9 +223,7 @@ Voor belastingplichtigen die gedurende het gehele kalenderjaar, dan wel gedurend **1.** Indien in het belastbare inkomen uit werk en woning of het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang te conserveren inkomen is begrepen, is de verschuldigde belasting voorzover deze bij wege van aanslag wordt geheven de belasting die wordt berekend over de belastbare inkomens, verminderd met het daarin begrepen te conserveren inkomen. -**2.** Als te conserveren inkomen worden aangemerkt de positieve inkomensbestanddelen die in aanmerking zijn genomen op grond van de artikelen 3.58, eerste lid, 3.64, eerste lid, 3.83, eerste of tweede lid, 3.116, vierde lid, 3.133, tweede lid, onderdelen h of j, 3.136, eerste lid, 4.16, eerste lid, onderdeel h, 7.2, achtste lid, of 7.5, vierde, vijfde of zevende lid, alsmede de daarin begrepen inkomstenbelasting in het geval geen beroep kon worden gedaan op de uitzondering van artikel 4.17 in een situatie van overgang krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht en de verkrijger een natuurlijk persoon is die niet in Nederland woonachtig is en met betrekking waartoe geen afrekening op de voet van artikel 4.38 heeft plaatsgevonden. - -**3.** Voor de toepassing van het tweede lid worden als positieve inkomensbestanddelen die in aanmerking zijn genomen op grond van artikel 3.58, eerste lid, uitsluitend aangemerkt de positieve voordelen die voortvloeien uit de toepassing van dat artikel en die op de voet van artikel 3.2 of 3.3, eerste lid, onderdeel a, opkomen. +**2.** Als te conserveren inkomen worden aangemerkt de positieve inkomensbestanddelen die in aanmerking zijn genomen op grond van de artikelen 3.58, eerste lid, 3.64, eerste lid, 3.83, eerste of tweede lid, 3.116, vierde lid, 3.133, tweede lid, onderdelen h of j, 3.136, eerste lid, 4.16, eerste lid, onderdeel h, 7.2, achtste lid, of 7.5, vierde, vijfde of zevende lid, alsmede, indien de verkrijger een natuurlijk persoon is die niet in Nederland woont en de verkregen aandelen of winstbewijzen geen deel uitmaken van het vermogen van een voor zijn rekening gedreven Nederlandse onderneming als bedoeld in artikel 7.2 of tot het resultaat uit een werkzaamheid in Nederland van hem behoren, op grond van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel e. ### Artikel 2.9 @@ -273,7 +278,7 @@ b. vermogensbestanddelen, of delen daarvan, die gedurende een periode van niet m c. vermogensbestanddelen, of delen daarvan, die gedurende een periode van meer dan drie achtereenvolgende maanden, maar niet meer dan zes achtereenvolgende maanden inkomen uit werk en woning of uit aanmerkelijk belang genereren, en daaraan voorafgaand en daaropvolgend inkomen uit sparen en beleggen genereren, tevens in aanmerking genomen bij de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen indien in deze periode een begindatum of einddatum is gelegen als bedoeld in artikel 5.2, tenzij de belastingplichtige aannemelijk maakt dat aan zijn handelingen zakelijke overwegingen ten grondslag liggen; d. voor de toepassing van de artikelen 3.91 en 3.92 niet als vermogensbestanddelen aangemerkt, een gedeelte van een woning die voor het overige deel als eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, wordt aangemerkt, dat als werkruimte ter beschikking wordt gesteld, indien de werkruimte fysiek niet als een zelfstandig deel van die woning kan worden aangemerkt en de vloeroppervlakte van de werkruimte niet groter is dan een derde deel van de vloeroppervlakte van de woning. -**4.** Met betrekking tot het derde lid, onderdelen b en c, is artikel 5.3, vierde lid, van overeenkomstige toepassing. +**4.** Met betrekking tot het derde lid, onderdelen b en c, is artikel 5.3, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing. **5.** Voor gevallen waarin een premie voor een lijfrente of een andere periodieke uitkering of verstrekking uit een inkomensvoorziening niet geheel als uitgave voor een inkomensvoorziening in aanmerking is genomen, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld met betrekking tot de toerekening van de risicodekking, de overige kosten en het rendement aan het gedeelte van het recht dat in aanmerking wordt genomen bij het belastbare inkomen uit werk en woning en het gedeelte dat in aanmerking wordt genomen bij het belastbare inkomen uit sparen en beleggen. @@ -393,7 +398,7 @@ b. de vergoeding over de schuldvordering is op het tijdstip van het aangaan van **6.** De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde voordelen worden bepaald alsof de schuldvordering een onderneming vormt. -**7.** Dit artikel is niet van toepassing met betrekking tot maatschappelijke beleggingen als bedoeld in artikel 5.13 en beleggingen in durfkapitaal als bedoeld in artikel 5.16, indien het gezamenlijk bedrag van die beleggingen binnen de begrenzing van de desbetreffende artikelen blijft en die beleggingen voor het overige voldoen aan de ter zake gestelde voorwaarden. +**7.** Dit artikel is niet van toepassing met betrekking tot directe beleggingen in durfkapitaal als bedoeld in artikel 5.17, voorzover het bedrag van die belegging binnen de begrenzing van artikel 5.16 blijft en die beleggingen voor het overige voldoen aan de ter zake gestelde voorwaarden. ### Artikel 3.4 @@ -430,18 +435,11 @@ b. bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of personen die behoren tot hun huis **4.** Onder een samenwerkingsverband dat verband houdt met een onderneming waaruit een met de belastingplichtige verbonden persoon als ondernemer winst geniet wordt mede verstaan een samenwerkingsverband dat verband houdt met een lichaam waarin de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon direct of indirect een aanmerkelijk belang in de zin van afdeling 4.3 van deze wet heeft. -**5.** Het in het eerste lid vermelde aantal uren van 1225 wordt in het jaar waarin de ondernemer is bevallen van een kind of waarin de zwangerschap door een andere oorzaak ten einde is gekomen, vervangen door 700. +**5.** Indien de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, worden onderbroken vanwege zwangerschap van de belastingplichtige, worden deze tijdens de periode die overeenkomt met het zwangerschaps- en bevallingsverlof zoals dat geldt voor werkneemsters, voor de bepaling van het aantal gewerkte uren geacht niet te zijn onderbroken. ### Artikel 3.7 -**1.** - -In deze afdeling, afdeling 3.4, afdeling 3.11 en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - -a. *reisafstand:* de afstand tussen de woning of verblijfplaats en de plaats van werkzaamheden gemeten langs de meest gebruikelijke weg; -b. *regelmatig woon–werkverkeer:* het ten minste eenmaal per week plegen te reizen tussen de woning of verblijfplaats en de plaats of plaatsen van werkzaamheden, waarbij binnen een tijdsbestek van 24 uur zowel heen als terug wordt gereisd. - -**2.** Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, pleegt de belastingplichtige in ieder geval ten minste eenmaal per week te reizen indien hij in het kalenderjaar op 40 dagen of meer van zijn woning of verblijfplaats naar de plaats of plaatsen van werkzaamheden heeft gereisd. +Vervallen #### Paragraaf 3.2.2. Winst uit een onderneming @@ -487,7 +485,7 @@ a. voordelen verkregen door het prijsgeven van niet voor verwezenlijking vatbare b. voordelen bestaande uit aanspraken die berusten op een *pensioenregeling* en leiden tot als *loon* aan te merken pensioentermijnen of die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bestaan uit rechten op belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen; c. voordelen bestaande uit aanspraken op een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of op een bedrijfsbeëindigingsvergoeding van een door een of meer van Onze Ministers opgerichte stichting ter bevordering van de ontwikkeling en van de sanering binnen het bedrijfsleven, voorzover die aanspraken bestaan uit rechten op belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen en uitsluitend zijn toegekend ter zake van de beëindiging van de onderneming; d. voordelen bestaande uit uitkeringen en aanspraken op uitkeringen op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen; -e. voordelen bestaande uit verstrekkingen en aanspraken op verstrekkingen op grond van de Ziekenfondswet; +e. voordelen bestaande uit verstrekkingen en aanspraken op verstrekkingen op grond van de Ziekenfondswet, behoudens voorzover de aanspraken als loon zijn aangemerkt;. f. voordelen op grond van een buitenlandse regeling die naar aard en strekking overeenkomt met een regeling als bedoeld in de onderdelen c, d en e; g. uitkeringen uit een stakingskas en h. een door Onze Minister na overleg met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bij ministeriële regeling te bepalen deel van de voordelen ingevolge bij deze ministeriële regeling aangewezen regelingen ten behoeve van de ontwikkeling en instandhouding van bos en natuur alsmede aangewezen overeenkomsten die vooruitlopen op die regelingen. @@ -532,7 +530,7 @@ b. belastingen die buiten Nederland in enige vorm naar de winst of het inkomen w **1.** -Bij het bepalen van de winst komen, onverminderd artikel 3.14, voor 90% in aftrek kosten en lasten die verband houden met de volgende posten: +Bij het bepalen van de winst komen, onverminderd artikel 3.14, tot een bedrag van  € 1600 niet in aftrek kosten en lasten die verband houden met de volgende posten: a. voedsel, drank en genotmiddelen; b. representatie, daaronder begrepen recepties, feestelijke bijeenkomsten en vermaak en @@ -544,7 +542,7 @@ c. congressen, seminars, symposia, excursies, studiereizen en dergelijke. **4.** Met betrekking tot de kosten en lasten die vallen onder het eerste lid worden, in afwijking in zoverre van artikel 3.8, ten aanzien van de belastingplichtige zelf geen onttrekkingen in aanmerking genomen. -**5.** Indien de belastingplichtige daarvoor bij de aangifte kiest, komen, in afwijking van het eerste lid, kosten en lasten die verband houden met de in dat lid genoemde posten, voor een bedrag van € 1500 niet in aftrek. +**5.** Indien de belastingplichtige daarvoor bij de aangifte kiest, komen, in afwijking van het eerste lid, kosten en lasten die verband houden met de in dat lid genoemde posten, voor 90% in aftrek. **6.** Voor de toepassing van het eerste, tweede en vijfde lid worden kosten en lasten die verband houden met de tot het privé-vermogen van de belastingplichtige behorende of door hem in privé gehuurde personenauto's als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992, eerst beperkt tot € 0,28 per kilometer. @@ -650,11 +648,11 @@ De onttrekking bedraagt bij een woningwaarde van: | meer dan | maar niet meer dan | op jaarbasis | | --- | --- | --- | -| – | € 12 500 | 1,10% van deze waarde, maar niet minder dan € 136 | -| € 12 500 | € 25 000 | 1,40% van deze waarde | -| € 25 000 | € 50 000 | 1,55% van deze waarde | -| € 50 000 | € 75 000 | 1,70% van deze waarde | -| € 75 000 | –- | 1,95% van deze waarde, maar ten hoogste € 19 450 | +| – | € 12 500 | 1,15% van deze waarde, maar niet minder dan € 136 | +| € 12 500 | € 25 000 | 1,45% van deze waarde | +| € 25 000 | € 50 000 | 1,60% van deze waarde | +| € 50 000 | € 75 000 | 1,75% van deze waarde | +| € 75 000 | –- | 2,00% van deze waarde, maar ten hoogste € 20 000 | **3.** De woningwaarde is de volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor die woning vastgestelde waarde of waarden voor het tijdvak waarbinnen het kalenderjaar valt. Indien een woning deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken, wordt de woningwaarde gesteld op het gedeelte van de waarde van de onroerende zaak dat kan worden toegerekend aan die woning. @@ -666,7 +664,7 @@ De onttrekking bedraagt bij een woningwaarde van: **1.** Indien aan de belastingplichtige ook voor privé-doeleinden een auto ter beschikking staat, wordt op jaarbasis ten minste 25% van de waarde van de auto als onttrekking in aanmerking genomen. De auto wordt in ieder geval geacht ook voor privé-doeleinden ter beschikking te staan tenzij blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt. -**2.** Indien het gebruik voor privé-doeleinden van een bestelauto wordt beperkt door de aard of de inrichting ervan, wordt in afwijking in zoverre van het eerste lid, eerste volzin, op jaarbasis ten minste 10% van de waarde van de bestelauto als onttrekking in aanmerking genomen. Voor de toepassing van dit lid kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld. +**2.** Indien het gebruik voor privé-doeleinden van een bestelauto wordt beperkt door de aard of de inrichting ervan, wordt in afwijking in zoverre van het eerste lid, eerste volzin, op jaarbasis ten minste 10% van de waarde van de bestelauto als onttrekking in aanmerking genomen. Indien uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de in de eerste volzin bedoelde bestelauto naast het gebruik voor privé-doeleinden als bedoeld in het negende lid wegens regelmatig woon-werkverkeer niet overigens voor privé-doeleinden wordt gebruikt, wordt, in afwijking in zoverre van die volzin, op jaarbasis 2,5% van de waarde van de bestelauto als onttrekking in aanmerking genomen, met dien verstande dat daarbij als waarde van de bestelauto ten hoogste € 18 000 in aanmerking wordt genomen. Voor de toepassing van dit lid kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld. **3.** Indien uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt, wordt de onttrekking gesteld op nihil. @@ -707,7 +705,7 @@ Bij het bepalen van de winst wordt mede in aanmerking genomen de nominale waarde ### Artikel 3.22 -**1.** Op verzoek van de belastingplichtige wordt, in afwijking van de artikelen 3.8 tot en met 3.20, 3.25 tot en met 3.65, 3.79, de winst uit zeescheepvaart bepaald aan de hand van de tonnage van de schepen waarmee die winst wordt behaald. +**1.** Op verzoek van de belastingplichtige wordt, in afwijking van de artikelen 3.8 tot en met 3.20, 3.25 tot en met 3.65, en 3.79, de winst uit zeescheepvaart bepaald aan de hand van de tonnage van de schepen waarmee die winst wordt behaald. **2.** Het verzoek wordt gedaan in het eerste jaar waarin de belastingplichtige uit de desbetreffende onderneming winst uit zeescheepvaart geniet, dan wel in het tiende jaar of een veelvoud daarvan nadien. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. @@ -814,7 +812,7 @@ De waardering van pensioenverplichtingen en andere soortgelijke verplichtingen v **2.** Bij ministeriële regeling kunnen milieu-bedrijfsmiddelen worden aangewezen door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in overeenstemming met Onze Minister en na overleg met Onze Minister van Economische Zaken. -**3.** Als milieu-bedrijfsmiddelen kunnen uitsluitend worden aangewezen bedrijfsmiddelen die in Nederland nog niet gangbaar zijn, niet eerder zijn gebruikt en er in belangrijke mate toe kunnen bijdragen dat de nadelige gevolgen voor het Nederlandse milieu van menselijke activiteiten – daaronder begrepen het verbruik van energie en grondstoffen – in de vorm van verontreiniging, aantasting of uitputting worden voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt. +**3.** Als milieu-bedrijfsmiddelen kunnen uitsluitend worden aangewezen bedrijfsmiddelen die in Nederland nog niet gangbaar zijn, niet eerder zijn gebruikt en er in belangrijke mate toe kunnen bijdragen dat de nadelige gevolgen voor het Nederlandse milieu van menselijke activiteiten – daaronder begrepen het verbruik van grondstoffen – in de vorm van verontreiniging, aantasting of uitputting worden voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt. **4.** Op milieu-bedrijfsmiddelen die bestemd zijn om te worden gebruikt buiten Nederland, kan alleen willekeurig worden afgeschreven indien op een door de belastingplichtige gedaan schriftelijk verzoek door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer is verklaard dat het gebruik van de bedrijfsmiddelen in belangrijke mate kan bijdragen aan de bescherming van het Nederlandse milieu. Het verzoek wordt gedaan binnen een door Onze Minister te stellen termijn. @@ -838,14 +836,9 @@ De waardering van pensioenverplichtingen en andere soortgelijke verplichtingen v ### Artikel 3.34 -**1.** De aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen die door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken of Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bij ministeriële regeling zijn aangewezen (andere aangewezen bedrijfsmiddelen) kunnen door de belastingplichtige willekeurig worden afgeschreven. +**1.** De aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen die door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken bij ministeriële regeling zijn aangewezen (andere aangewezen bedrijfsmiddelen) kunnen door de belastingplichtige willekeurig worden afgeschreven. -**2.** - -Als andere aangewezen bedrijfsmiddelen kunnen uitsluitend worden aangewezen bedrijfsmiddelen die in het belang zijn van: - -a. de bevordering van de economische ontwikkeling of de economische structuur, daaronder begrepen de bevordering van het ondernemerschap; -b. de ontwikkeling van bij die regeling aangewezen gebieden met een zwakke economische structuur. +**2.** Als andere aangewezen bedrijfsmiddelen kunnen uitsluitend worden aangewezen bedrijfsmiddelen die in het belang zijn van de bevordering van de economische ontwikkeling of de economische structuur, daaronder begrepen de bevordering van het ondernemerschap. **3.** In de in het eerste lid bedoelde ministeriële regeling kan worden bepaald dat de willekeurige afschrijving wordt beperkt tot aangewezen gebieden of tot aangewezen groepen van belastingplichtigen. Daarbij kunnen nadere voorwaarden worden gesteld. @@ -859,12 +852,7 @@ Willekeurige afschrijving is mogelijk zodra ter zake van de verwerving of verbet ### Artikel 3.36 -**1.** - -Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat willekeurige afschrijving alleen mogelijk is indien: - -a. bij de administratie van de onderneming een afschrift van de verklaring omtrent de juistheid en de volledigheid van de vermelde gegevens omtrent het bedrijfsmiddel is gevoegd, afgegeven door een registeraccountant of accountant-administratieconsulent, en -b. de aangegane verplichtingen of de in het jaar gemaakte voortbrengingskosten zijn aangemeld bij en de accountantsverklaring is ingediend bij Onze Minister. +**1.** Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat willekeurige afschrijving alleen mogelijk is indien de aangegane verplichtingen of de in het jaar gemaakte voortbrengingskosten zijn aangemeld bij Onze Minister. **2.** @@ -873,13 +861,13 @@ Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking to a. indien het milieu-bedrijfsmiddelen betreft: in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; b. indien het arbo-bedrijfsmiddelen betreft: in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; c. indien het filminvesteringen betreft: in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en -d. indien het andere aangewezen bedrijfsmiddelen betreft: in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken respectievelijk met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. +d. indien het andere aangewezen bedrijfsmiddelen betreft: in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken. ### Artikel 3.37 **1.** Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de willekeurige afschrijving op arbo-bedrijfsmiddelen, filminvesteringen of andere aangewezen bedrijfsmiddelen alleen van toepassing is indien op een door of namens de belastingplichtige gedaan verzoek door Onze eerstgenoemde Minister is verklaard dat sprake is van een aangewezen bedrijfsmiddel. Bij die regeling kunnen tevens nadere regels worden gesteld met betrekking tot de verklaring. -**2.** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder Onze eerstgenoemde Minister verstaan Onze Minister die als eerste is genoemd in het artikel dat de aanwijzingsbevoegdheid met betrekking tot de desbetreffende bedrijfsmiddelen bevat en bij de andere aangewezen bedrijfsmiddelen Onze Minister van Economische Zaken respectievelijk Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. +**2.** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder Onze eerstgenoemde Minister verstaan Onze Minister die als eerste is genoemd in het artikel dat de aanwijzingsbevoegdheid met betrekking tot de desbetreffende bedrijfsmiddelen bevat en bij de andere aangewezen bedrijfsmiddelen Onze Minister van Economische Zaken. **3.** Tegen de in het eerste lid bedoelde verklaring staat beroep open bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Tegen een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven kunnen de belanghebbende en Onze eerstgenoemde Minister beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het eerste lid met betrekking tot het begrip bedrijfsmiddelen. Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij het College van Beroep voor het bedrijfsleven de plaats inneemt van een gerechtshof. @@ -905,19 +893,17 @@ Bij een investeringsbedrag in een kalenderjaar van: | meer dan | maar niet meer dan | bedraagt het percentage | | --- | --- | --- | -| – | € 1 900 | 0 | -| € 1 900 | € 31 000 | 25 | -| € 31 000 | € 61 000 | 22 | -| € 61 000 | € 90 000 | 19 | -| € 90 000 | € 120 000 | 16 | -| € 120 000 | € 150 000 | 13 | -| € 150 000 | € 180 000 | 11 | -| € 180 000 | € 210 000 | 8 | -| € 210 000 | € 240 000 | 5 | -| € 240 000 | € 270 000 | 3 | -| € 270 000 | –- | 0 | - -Bij Stb. 2001/641 wordt voor toepassing over het kalenderjaar 2002 het in de laatste kolom van de tabel als tweede vermelde percentage verhoogd met 1,5 procentpunten. +| – | € 2 000 | 0 | +| € 2 000 | € 33 000 | 25 | +| € 33 000 | € 64 000 | 22 | +| € 64 000 | € 93 000 | 19 | +| € 93 000 | € 124 000 | 16 | +| € 124 000 | € 155 000 | 13 | +| € 155 000 | € 186 000 | 11 | +| € 186 000 | € 217 000 | 8 | +| € 217 000 | € 248 000 | 5 | +| € 248 000 | € 279 000 | 3 | +| € 279 000 | – | 0 | **3.** Indien de onderneming van de belastingplichtige deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met een of meer andere belastingplichtigen die daarbij winst uit onderneming genieten of belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting, worden voor de toepassing van het tweede lid hun investeringen voor het samenwerkingsverband samengeteld. @@ -927,14 +913,14 @@ Bij Stb. 2001/641 wordt voor toepassing over het kalenderjaar 2002 het in de laa **2.** Energie-investeringen zijn investeringen die door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij ministeriële regeling zijn aangewezen als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie. -**3.** Bij een bedrag aan energie-investeringen in een kalenderjaar van meer dan € 1900 bedraagt de energie-investeringsaftrek 55 percentper 26 september 2002 tot 1 januari 2003: 0 percent.. +**3.** Bij een bedrag aan energie-investeringen in een kalenderjaar van meer dan € 2000 bedraagt de energie-investeringsaftrek 55 percent per 26 september 2002 tot 1 januari 2003: 0 percent.. **4.** Als bedrag aan energie-investeringen wordt ten hoogste in aanmerking genomen: -a. indien de onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft geen deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met een of meer andere ondernemers die daarbij voor eigen rekening een onderneming drijven of belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting: € 99 000 000; -b. indien de onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft wel deel uitmaakt van een zodanig samenwerkingsverband: € 99 000 000 vermenigvuldigd met het bedrag aan energie-investeringen van de ondernemer en gedeeld door het gezamenlijke bedrag aan energie-investeringen van de ondernemer en de bedoelde andere deelnemers aan het samenwerkingsverband. +a. indien de onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft geen deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met een of meer andere ondernemers die daarbij voor eigen rekening een onderneming drijven of belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting: € 103 000 000; +b. indien de onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft wel deel uitmaakt van een zodanig samenwerkingsverband: € 103 000 000 vermenigvuldigd met het bedrag aan energie-investeringen van de ondernemer en gedeeld door het gezamenlijke bedrag aan energie-investeringen van de ondernemer en de bedoelde andere deelnemers aan het samenwerkingsverband. **5.** Onder de aanschaffings- of voortbrengingskosten ter zake van een energie-investering als bedoeld in het eerste lid, worden, indien de ondernemer daarvoor bij de aangifte kiest, tevens begrepen de kosten van een advies ter zake van energiebesparende maatregelen in gebouwen of bij processen dat op die investering of mede op die investering betrekking heeft en voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen eisen. @@ -955,7 +941,7 @@ b. regels worden gesteld met betrekking tot het zesde lid. **2.** Milieu-investeringen zijn investeringen, behorend tot categorie I, II respectievelijk III, die door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in overeenstemming met Onze Minister en na overleg met Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bij ministeriële regeling zijn aangewezen in het belang van de bescherming van het Nederlandse milieu. -**3.** Bij een bedrag aan milieu-investeringen in een kalenderjaar van meer dan € 1900 bedraagt de milieu-investeringsaftrek voor milieu-investeringen die behoren tot categorie I 40 percent per 26 september 2002 tot 1 januari 2003 : 0 percent, voor milieu-investeringen die behoren tot categorie II 30 percent per 26 september 2002 tot 1 januari 2003 : 0 percent en voor milieu-investeringen die behoren tot categorie III 15 percent per 26 september 2002 tot 1 januari 2003 : 0 percent. +**3.** Bij een bedrag aan milieu-investeringen in een kalenderjaar van meer dan € 2000 bedraagt de milieu-investeringsaftrek voor milieu-investeringen die behoren tot categorie I 40 percent per 26 september 2002 tot 1 januari 2003: 0 percent., voor milieu-investeringen die behoren tot categorie II 30 percent per 26 september 2002 tot 1 januari 2003: 0 percent.en voor milieu-investeringen die behoren tot categorie III 15 percent per 26 september 2002 tot 1 januari 2003: 0 percent.. **4.** @@ -970,12 +956,7 @@ mits dat advies op de aangewezen investering of mede op de aangewezen investerin **6.** Voorzover met betrekking tot een investering bij de aangifte wordt gekozen voor energie-investeringsaftrek, blijft toepassing van de milieu-investeringsaftrek achterwege. -**7.** - -De milieu-investeringsaftrek is slechts van toepassing indien: - -a. bij de administratie van de onderneming een afschrift van de verklaring omtrent de juistheid en de volledigheid van de vermelde gegevens omtrent het bedrijfsmiddel is gevoegd, afgegeven door een registeraccountant of accountant-administratieconsulent, en -b. de aangegane verplichtingen of de in het jaar gemaakte voortbrengingskosten zijn aangemeld bij en de accountantsverklaring is ingediend bij Onze Minister. +**7.** De milieu-investeringsaftrek is slechts van toepassing indien de aangegane verplichtingen of de in het jaar gemaakte voortbrengingskosten zijn aangemeld bij Onze Minister. **8.** Bij ministeriële regeling kunnen in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer nadere regels worden gesteld met betrekking tot het zevende lid. @@ -983,7 +964,7 @@ b. de aangegane verplichtingen of de in het jaar gemaakte voortbrengingskosten z **1.** Indien in een kalenderjaar in een filmonderneming van een medegerechtigde als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a, voortbrengingskosten worden gemaakt ter zake van een film met betrekking waartoe op een door of namens de medegerechtigde gedaan verzoek door Onze Minister van Economische Zaken is verklaard dat sprake is van een filminvestering als bedoeld in artikel 3.33, eerste lid, en dat toekenning van filminvesteringsaftrek terzake past binnen het hiervoor in de rijksbegroting opgenomen bedrag, en de medegerechtigde daarvoor bij de aangifte kiest, wordt een in het tweede lid aangewezen percentage van de voortbrengingskosten ten laste gebracht van de winst over dat jaar (filminvesteringsaftrek), mits van de totale voortbrengingskosten van de film meer dan de helft betrekking heeft op voortbrenging in Nederland. -**2.** Bij een bedrag aan filminvesteringen in een kalenderjaar van meer dan € 1900 bedraagt de filminvesteringsaftrek 47 percent. +**2.** Bij een bedrag aan filminvesteringen in een kalenderjaar van meer dan € 2000 bedraagt de filminvesteringsaftrek 47 percent. **3.** @@ -1058,7 +1039,7 @@ d. degene die voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in een lichaam en ### Artikel 3.47 -**1.** Indien in een kalenderjaar tegen overdrachtsprijzen voor een bedrag van meer dan € 1900 aan goederen wordt vervreemd, wordt van de overdrachtsprijzen een gelijk percentage als ter zake van de investering in die goederen als investeringsaftrek in aanmerking is genomen, ten bate van de winst over dat jaar gebracht (desinvesteringsbijtelling). +**1.** Indien in een kalenderjaar tegen overdrachtsprijzen voor een bedrag van meer dan € 2000 aan goederen wordt vervreemd, wordt van de overdrachtsprijzen een gelijk percentage als ter zake van de investering in die goederen als investeringsaftrek in aanmerking is genomen, ten bate van de winst over dat jaar gebracht (desinvesteringsbijtelling). **2.** Desinvesteringsbijtelling heeft alleen plaats voorzover de vervreemding plaatsvindt binnen vijf jaar na het begin van het kalenderjaar waarin de investering heeft plaatsgevonden en wordt over geen hoger bedrag berekend dan het investeringsbedrag voorzover daarover investeringsaftrek in aanmerking is genomen. @@ -1113,34 +1094,30 @@ Bij een overdrachtsprijs in een kalenderjaar van: **2.** De scholingsaftrek bedraagt 20% van de in het eerste lid bedoelde kosten en lasten. -**3.** Indien het totaal van de in het eerste lid bedoelde kosten en lasten niet uitkomt boven € 124 000 wordt de scholingsaftrek – tot en met een bedrag van € 30 000 aan kosten en lasten – verhoogd met 20%. +**3.** Indien het totaal van de in het eerste lid bedoelde kosten en lasten niet uitkomt boven € 129 000 wordt de scholingsaftrek – tot en met een bedrag van € 31 000 aan kosten en lasten – verhoogd met 20%. -**4.** De scholingsaftrek wordt voorts verhoogd met 40% van de kosten en lasten die betrekking hebben op scholing van in de onderneming werkzame personen van 40 jaar en ouder. +**4.** De scholingsaftrek wordt voorts verhoogd met 20% van de kosten en lasten die betrekking hebben op bij ministeriële regeling aangewezen vormen van scholing die zijn gericht op het op startkwalificatieniveau brengen van in de onderneming werkzame personen. -**5.** De scholingsaftrek wordt voorts verhoogd met 20% van de kosten en lasten die betrekking hebben op bij ministeriële regeling aangewezen vormen van scholing die zijn gericht op het op startkwalificatieniveau brengen van in de onderneming werkzame personen. +**5.** Als bedrag aan scholingsaftrek wordt ten hoogste in aanmerking genomen: € 2 470 000. -**6.** Als bedrag aan scholingsaftrek wordt ten hoogste in aanmerking genomen: € 2 390 000. - -**7.** +**6.** Indien de onderneming van de ondernemer deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met een of meer andere belastingplichtigen die daarbij als ondernemer winst uit onderneming genieten of belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting: a. worden voor de toepassing van het derde lid de in dat lid genoemde grensbedragen aan kosten en lasten vermenigvuldigd met het bedrag aan in het eerste lid bedoelde kosten en lasten van de ondernemer en gedeeld door het gezamenlijk bedrag aan zodanige kosten en lasten van de ondernemer en de bedoelde andere deelnemers aan het samenwerkingsverband. -b. wordt voor de toepassing van het zesde lid het in dat lid genoemde maximumbedrag van de aftrek vermenigvuldigd met het bedrag aan in het eerste lid bedoelde kosten en lasten van de ondernemer en gedeeld door het gezamenlijk bedrag aan zodanige kosten en lasten van de ondernemer en de bedoelde andere deelnemers aan het samenwerkingsverband. +b. wordt voor de toepassing van het vijfde lid het in dat lid genoemde maximumbedrag van de aftrek vermenigvuldigd met het bedrag aan in het eerste lid bedoelde kosten en lasten van de ondernemer en gedeeld door het gezamenlijk bedrag aan zodanige kosten en lasten van de ondernemer en de bedoelde andere deelnemers aan het samenwerkingsverband. -**8.** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder scholing verstaan: cursussen alsmede opleidingen of studies voor een beroep. +**7.** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder scholing verstaan: cursussen alsmede opleidingen of studies voor een beroep. -**9.** Onder kosten en lasten van scholing van in de onderneming werkzame personen wordt mede verstaan bijdragen aan fondsen die zich geheel of nagenoeg geheel bezighouden met de financiering van scholing en aanverwante activiteiten voorzover die bijdragen zijn verschuldigd op grond van een collectieve arbeidsovereenkomst en door het fonds worden benut voor scholing. - -**10.** Indien met betrekking tot de kosten en lasten van scholing van een persoon de verhogingen van het derde, vierde en vijfde lid van toepassing zijn, wordt de in het vijfde lid bedoelde verhoging zodanig verlaagd dat de totale verhoging 70 percent bedraagt. +**8.** Onder kosten en lasten van scholing van in de onderneming werkzame personen wordt mede verstaan bijdragen aan fondsen die zich geheel of nagenoeg geheel bezighouden met de financiering van scholing en aanverwante activiteiten voorzover die bijdragen zijn verschuldigd op grond van een collectieve arbeidsovereenkomst en door het fonds worden benut voor scholing. ### Artikel 3.49 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld: -a. met betrekking tot door de *ondernemer* zelf verzorgde scholing, ter bepaling van de daaraan toe te rekenen kosten en lasten en het gedeelte daarvan dat kan worden toegerekend aan in de onderneming werkzame personen van 40 jaar en ouder; -b. ter bevordering van een goede uitvoering van artikel 3.48, vijfde lid, en -c. ter bevordering van een goede uitvoering van artikel 3.48, negende lid, daaronder begrepen regels ter bepaling van het gedeelte van de bijdragen dat kan worden toegerekend aan in de onderneming werkzame personen van 40 jaar en ouder. +a. met betrekking tot door de *ondernemer* zelf verzorgde scholing en ter bepaling van de daaraan toe te rekenen kosten en lasten; +b. ter bevordering van een goede uitvoering van artikel 3.48, vierde lid, en +c. ter bevordering van een goede uitvoering van artikel 3.48, achtste lid. ### Artikel 3.50 @@ -1163,7 +1140,7 @@ a. kan de willekeurige afschrijving in het algemeen of voor bepaalde aangewezen 1°. indien het milieu-bedrijfsmiddelen betreft: na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Onze Minister van Economische Zaken; 2°. indien het arbo-bedrijfsmiddelen betreft: na overleg met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; 3°. indien het film-investeringen betreft: na overleg met Onze Minister van Economische Zaken en -4°. indien het andere aangewezen bedrijfsmiddelen betreft: na overleg met Onze Minister van Economische Zaken of met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; +4°. indien het andere aangewezen bedrijfsmiddelen betreft: na overleg met Onze Minister van Economische Zaken; b. kunnen de in artikel 3.41, tweede lid, artikel 3.42, derde lid, artikel 3.42a, derde lid, artikel 3.42b, tweede lid, vermelde percentages voor de investeringsaftrek, de in artikel 3.47a vermelde percentages voor de desinvesteringsbijtelling film en de in artikel 3.48, tweede tot en met vijfde lid, en tiende lid, vermelde percentages voor de scholingsaftrek worden vervangen door andere; c. kunnen aan de in artikel 3.45 vermelde uitgesloten bedrijfsmiddelen voor de investeringsaftrek, bedrijfsmiddelen worden toegevoegd. @@ -1225,9 +1202,9 @@ b. voorwerpen van geringe waarde als bedoeld in artikel 3.30, tweede lid. **2.** De terugkeerreserve wordt gesteld op de helft van het vervreemdingsvoordeel dat op grond van artikel 4.24a of artikel 4.42a voor de heffing buiten aanmerking blijft, na het vervreemdingsvoordeel eerst te hebben verminderd met het bedrag bedoeld in het derde lid. Indien deze vermindering leidt tot een positief bedrag, ontstaat er een positieve terugkeerreserve welke ten laste van het vermogen van de voortgezette onderneming komt. Wanneer deze vermindering leidt tot een negatief bedrag, ontstaat er een negatieve terugkeerreserve ter grootte van de helft van het negatieve bedrag; een negatieve terugkeerreserve komt in mindering op de winst bij staking van de onderneming. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt het in die volzin bedoelde vervreemdingsvoordeel in aanmerking genomen zonder rekening te houden met de toepassing van artikel 4.24a. -**3.** Het bedrag waarmee het vervreemdingsvoordeel wordt verminderd wordt gesteld op 65% van de winst die volgens artikel 14c, eerste lid in verbinding met het derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 voor de heffing van de vennootschapsbelasting buiten aanmerking blijft, voorzover deze winst is toe te rekenen aan het aandeel van de belastingplichtige in de vennootschap. Voor de toepassing van de vorige volzin blijft buiten aanmerking het deel van de winst waarop een vermindering ter voorkoming van internationale dubbele belasting van toepassing zou zijn ingeval artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 niet zou zijn toegepast. +**3.** Het bedrag waarmee het vervreemdingsvoordeel wordt verminderd wordt gesteld op 65% van de winst die volgens artikel 14c, eerste lid in verbinding met het tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 voor de heffing van de vennootschapsbelasting buiten aanmerking blijft, voorzover deze winst is toe te rekenen aan het aandeel van de belastingplichtige in de vennootschap. Voor de toepassing van de vorige volzin blijft buiten aanmerking het deel van de winst waarop een vermindering ter voorkoming van internationale dubbele belasting van toepassing zou zijn ingeval artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 niet zou zijn toegepast. -**4.** Een positieve terugkeerreserve wordt uiterlijk bij staking van de onderneming in de winst opgenomen. Bij staking van een zelfstandig deel van de voortgezette onderneming wordt een evenredig gedeelte van de positieve terugkeerreserve in de winst opgenomen. +**4.** Een positieve terugkeerreserve wordt uiterlijk bij staking van de onderneming in de winst opgenomen. Bij staking van een gedeelte van de voortgezette onderneming wordt een evenredig gedeelte van de positieve terugkeerreserve in de winst opgenomen. **5.** De omvang van de terugkeerreserve wordt door de inspecteur vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking. De in de eerste volzin bedoelde beschikking kan mede betrekking hebben op voorwaarden als bedoeld in artikel 4.42a, tweede lid. @@ -1389,24 +1366,24 @@ b. bij algemene maatregel van bestuur aangewezen communautaire of nationale rege ### Artikel 3.65 -**1.** Indien een onderneming wordt omgezet in de vorm van een door een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid gedreven onderneming, wordt, op verzoek van de belastingplichtige, voor het bepalen van de uit de onderneming in het kalenderjaar van omzetting genoten winst de onderneming geacht niet te zijn gestaakt, mits de oprichters van de vennootschap in het aandelenkapitaal geheel of nagenoeg geheel in dezelfde verhouding gerechtigd zijn als in het vermogen van de omgezette onderneming en de door Onze Minister nader te stellen voorwaarden zijn vervuld. De eerste volzin is niet van toepassing in situaties als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onderdeel b; in situaties als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a, is de eerste volzin slechts van toepassing indien de medegerechtigdheid van de belastingplichtige de rechtstreekse voortzetting vormt van zijn gerechtigdheid of medegerechtigdheid als ondernemer. +**1.** Indien een onderneming wordt omgezet in de vorm van een door een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid gedreven onderneming, wordt, op verzoek van de belastingplichtige, voor het bepalen van de uit de onderneming in het kalenderjaar van omzetting genoten winst de onderneming, behalve voor de toepassing van artikel 3.54a, geacht niet te zijn gestaakt, mits de oprichters van de vennootschap in het aandelenkapitaal geheel of nagenoeg geheel in dezelfde verhouding gerechtigd zijn als in het vermogen van de omgezette onderneming en de door Onze Minister nader te stellen voorwaarden zijn vervuld. De eerste volzin is niet van toepassing in situaties als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onderdeel b; in situaties als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a, is de eerste volzin slechts van toepassing indien de medegerechtigdheid van de belastingplichtige de rechtstreekse voortzetting vormt van zijn gerechtigdheid of medegerechtigdheid als ondernemer. **2.** Het eerste lid is niet van toepassing met betrekking tot de oudedagsreserve. -**3.** De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking waarin de in het eerste lid bedoelde voorwaarden zijn opgenomen. +**3.** Bij een omzetting op de voet van het eerste lid vervalt, in afwijking van artikel 3.54a, tweede lid, een negatieve terugkeerreserve zonder dat dit de winst beïnvloedt. Onze Minister houdt bij de bepaling van de omvang van de verkrijgingspijs van de bij de omzetting verkregen aandelen rekening met het vervallen van de negatieve terugkeerreserve. -**4.** +**4.** De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking waarin de in het eerste lid bedoelde voorwaarden zijn opgenomen. + +**5.** De in het eerste lid bedoelde voorwaarden strekken ter verzekering van de heffing en de invordering van de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting, die verschuldigd zouden zijn of zouden worden indien het eerste lid buiten toepassing zou blijven. Voorts kunnen voorwaarden worden gesteld die betrekking hebben op: a. de grootte van het geplaatste en gestorte aandelenkapitaal; b. de verkrijgingsprijs, bedoeld in artikel 4.21, van de bij de omzetting verkregen aandelen en de boekwaarde van bij de omzetting verkregen schuldvorderingen; c. de berekening van de verminderingen ter voorkoming van dubbele belasting; -d. de ingebrachte aandelen die als gevolg van de omzetting gaan behoren tot een deelneming als bedoeld in artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, en +d. de ingebrachte vermogensbestanddelen die als gevolg van de omzetting gaan behoren tot een deelneming als bedoeld in artikel 13 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, en e. de vervreemding van de aandelen in de opgerichte vennootschap. - - ### Artikel 3.66 **1.** Indien de aard van de onderneming dit rechtvaardigt, mag de winst worden bepaald over een niet met het kalenderjaar samenvallend boekjaar. In dat geval treedt het boekjaar in de plaats van het kalenderjaar. @@ -1419,11 +1396,13 @@ e. de vervreemding van de aandelen in de opgerichte vennootschap. ### Artikel 3.67 -De *ondernemer *die aan het *urencriterium *voldoet en bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt, kan bij het bepalen van de in een kalenderjaar genoten winst over dat jaar toevoegen aan de oudedagsreserve. +**1.** De *ondernemer *die aan het *urencriterium *voldoet en bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt, kan bij het bepalen van de in een kalenderjaar genoten winst over dat jaar toevoegen aan de oudedagsreserve. + +**2.** De voorwaarde inzake het urencriterium geldt niet bij de extra toevoeging op de voet van artikel 3.69, eerste lid, aanhef en onderdeel b. ### Artikel 3.68 -**1.** De toevoeging aan de reserve over een kalenderjaar bedraagt 12% van de winst die de belastingplichtige als *ondernemer* uit een onderneming geniet, maar niet meer dan € 10178. De op grond van de eerste volzin bepaalde toevoeging wordt verminderd met de ten laste van die winst gekomen premies en andere bijdragen uit hoofde van *pensioenregelingen*. +**1.** De toevoeging aan de reserve over een kalenderjaar bedraagt 12% van de winst die de belastingplichtige als *ondernemer* uit een onderneming geniet, maar niet meer dan € 10545. De op grond van de eerste volzin bepaalde toevoeging wordt verminderd met de ten laste van die winst gekomen premies en andere bijdragen uit hoofde van *pensioenregelingen*. **2.** De op grond van het eerste lid berekende toevoeging bedraagt ten hoogste het bedrag waarmee het ondernemingsvermogen bij het einde van het kalenderjaar de oudedagsreserve bij het begin van het kalenderjaar te boven gaat. @@ -1436,9 +1415,9 @@ De *ondernemer *die aan het *urencriterium *voldoet en bij de aanvang van het ka Het bedrag dat volgens artikel 3.68, eerste lid, aan de oudedagsreserve wordt toegevoegd, kan worden vermeerderd: a. met het bedrag waarmee in het voorafgaande kalenderjaar de oudedagsreserve volgens artikel 3.70, eerste lid, aanhef en onderdeel b, geheel of gedeeltelijk is afgenomen en waarop artikel 3.72, derde lid, geen toepassing heeft gevonden; -b. met de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen, bedoeld in artikel 3.100, onderdeel b, en de negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen die ten aanzien van de belastingplichtige in aanmerking worden genomen in verband met de toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 ten aanzien van de vennootschap waarvan de belastingplichtige aandeelhouder is voorzover deze uitkeringen, verstrekkingen en negatieve uitgaven verband houden met een lijfrente die in het kader van de afname van een oudedagsreserve van de belastingplichtige is gevormd. +b. met de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen, bedoeld in artikel 3.100, eerste lid, onderdeel b, en de negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen die ten aanzien van de belastingplichtige in aanmerking worden genomen in verband met de toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 ten aanzien van de vennootschap waarvan de belastingplichtige aandeelhouder is voorzover deze uitkeringen, verstrekkingen en negatieve uitgaven verband houden met een lijfrente die in het kader van de afname van een oudedagsreserve van de belastingplichtige is gevormd. -**2.** Het bedrag dat na de vermeerdering van het eerste lid aan de oudedagsreserve kan worden toegevoegd, kan niet uitgaan boven het verschil tussen het bedrag van het ondernemingsvermogen bij het einde van het kalenderjaar en het bedrag van de oudedagsreserve bij het begin van het kalenderjaar. +**2.** Het bedrag dat na de vermeerdering van het eerste lid, onderdeel a, aan de oudedagsreserve kan worden toegevoegd, kan niet uitgaan boven het verschil tussen het bedrag van het ondernemingsvermogen bij het einde van het kalenderjaar en het bedrag van de oudedagsreserve bij het begin van het kalenderjaar. ### Artikel 3.70 @@ -1457,7 +1436,7 @@ b. het bedrag waarmee de oudedagsreserve het ondernemingsvermogen bij het einde ### Artikel 3.71 -Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder ondernemingsvermogen verstaan de boekwaarde van het vermogen van de onderneming verminderd met het bedrag van de reserves bedoeld in artikel 3.53, met uitzondering van de oudedagsreserve. Daarbij blijven buiten aanmerking de vermogensbestanddelen en reserves waarvan de waardeveranderingen respectievelijk de wijzigingen behoren tot de winst ter zake waarvan een regeling ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is. +Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder ondernemingsvermogen verstaan de boekwaarde van het vermogen van de onderneming verminderd met het bedrag van de reserves bedoeld in artikel 3.53, met uitzondering van de oudedagsreserve, verminderd met het bedrag van een positieve terugkeerreserve als bedoeld in artikel 3.54a en vermeerderd met het bedrag van een negatieve terugkeerreserve als bedoeld in artikel 3.54a. Daarbij blijven buiten aanmerking de vermogensbestanddelen en reserves waarvan de waardeveranderingen respectievelijk de wijzigingen behoren tot de winst ter zake waarvan een regeling ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is. ### Artikel 3.72 @@ -1483,7 +1462,7 @@ b. vindt de toedeling van die toevoeging aan de ondernemingen waaruit de belasti ### Artikel 3.73 -**1.** Indien de winst wordt bepaald over een niet met het kalenderjaar samenvallend boekjaar is artikel 3.66, eerste lid, laatste volzin, niet van toepassing op het eerstgenoemde kalenderjaar in artikel 3.67. +**1.** Indien de winst wordt bepaald over een niet met het kalenderjaar samenvallend boekjaar is artikel 3.66, eerste lid, laatste volzin, niet van toepassing op het eerstgenoemde kalenderjaar in artikel 3.67, eerste lid. **2.** @@ -1520,30 +1499,28 @@ Bij een winst | gelijk aan of meer dan | maar minder dan | bedraagt de zelfstandigenaftrek | | --- | --- | --- | -| – | € 12 110 | € 6206 | -| € 12 110 | € 14 050 | € 5770 | -| € 14 050 | € 15 995 | € 5334 | -| € 15 995 | € 45 805 | € 4754 | -| € 45 805 | € 47 745 | € 4339 | -| € 47 745 | € 49 685 | € 3881 | -| € 49 685 | € 51 620 | € 3424 | -| € 51 620 | –- | € 3010 | +| – | € 12 550 | € 6430 | +| € 12 550 | € 14 555 | € 5978 | +| € 14 555 | € 16 570 | € 5527 | +| € 16 570 | € 47 455 | € 4926 | +| € 47 455 | € 49 460 | € 4496 | +| € 49 460 | € 51 475 | € 4021 | +| € 51 475 | € 53 480 | € 3548 | +| € 53 480 | –- | € 3119 | -Bij Stb. 2001/641 worden voor toepassing over het kalenderjaar 2002 de in de tabel opgenomen bedragen aan zelfstandigenaftrek verhoogd met € 152. - -**3.** Indien de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was en bij hem in die periode niet meer dan tweemaal zelfstandigenaftrek is toegepast, wordt de zelfstandigenaftrek verhoogd met € 1829. +**3.** Indien de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was en bij hem in die periode niet meer dan tweemaal zelfstandigenaftrek is toegepast, wordt de zelfstandigenaftrek verhoogd met € 1895. De eerste volzin is niet van toepassing voor de ondernemer die met toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een onderneming voortzet of mede voortzet waarbij dit voortzetten een aanvang heeft genomen in het kalenderjaar of in een van de vijf daaraan voorafgaande kalenderjaren. **4.** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder winst verstaan het gezamenlijke bedrag van de winst die de belastingplichtige als ondernemer uit een of meer ondernemingen geniet. ### Artikel 3.77 -**1.** De aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk geldt voor de *ondernemer *die aan het *urencriterium* voldoet en in het kalenderjaar ten minste 625 uur besteedt aan werk dat bij een S&O-verklaring als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen is aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk. De aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk bedraagt € 5145. +**1.** De aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk geldt voor de *ondernemer *die aan het *urencriterium* voldoet en in het kalenderjaar ten minste 625 uur besteedt aan werk dat bij een S&O-verklaring als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen is aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk. De aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk bedraagt € 5331. -**2.** Indien de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was en aan hem voor die periode met betrekking tot ten hoogste twee kalenderjaren een S&O-verklaring is afgegeven, wordt de aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk verhoogd met € 2573. Een S&O-verklaring die is afgegeven voor een deel van een kalenderjaar wordt aangemerkt als een S&O-verklaring afgegeven met betrekking tot een heel kalenderjaar. +**2.** Indien de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was en aan hem voor die periode met betrekking tot ten hoogste twee kalenderjaren een S&O-verklaring is afgegeven, wordt de aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk verhoogd met € 2666. Een S&O-verklaring die is afgegeven voor een deel van een kalenderjaar wordt aangemerkt als een S&O-verklaring afgegeven met betrekking tot een heel kalenderjaar. De eerste volzin is niet van toepassing voor de ondernemer die met toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een onderneming voortzet of mede voortzet waarbij dit voortzetten een aanvang heeft genomen in het kalenderjaar of in een van de vijf daaraan voorafgaande kalenderjaren. -**3.** Het eerste lid is alleen van toepassing indien bij de aangifte een verklaring omtrent de juistheid en de volledigheid van de in de aangifte opgenomen gegevens met betrekking tot het verrichte speur- en ontwikkelingswerk, bedoeld in artikel 1 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, afgegeven door een registeraccountant of accountant-administratieconsulent, wordt gevoegd of toegezonden. +**3.** Artikel 3.6, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing. -**4.** Indien op grond van artikel 23 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen het in artikel 21, eerste lid, van die wet eerst vermelde percentage wordt verhoogd, verlaagd, of op nihil gesteld, kan bij ministeriële regeling, in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken, het in het eerste lid vermelde bedrag in dezelfde mate worden verhoogd tot maximaal € 6112, worden verlaagd, of op nihil worden gesteld. Het nieuwe bedrag geldt met betrekking tot werk waarvoor een S&O-verklaring als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen is afgegeven op of na de dag waarop de wijziging in werking treedt. +**4.** Indien op grond van artikel 23 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen het in artikel 21, eerste lid, van die wet eerst vermelde percentage wordt verhoogd, verlaagd, of op nihil gesteld, kan bij ministeriële regeling, in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken, het in het eerste lid vermelde bedrag in dezelfde mate worden verhoogd tot maximaal € 6333, worden verlaagd, of op nihil worden gesteld. Het nieuwe bedrag geldt met betrekking tot werk waarvoor een S&O-verklaring als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen is afgegeven op of na de dag waarop de wijziging in werking treedt. ### Artikel 3.78 @@ -1630,29 +1607,15 @@ Tot *loon* behoort niet loon waarover de belasting op grond van artikel 31 van d ### Artikel 3.85 -De werknemersaftrek is het gezamenlijke bedrag van: - -a. de fietsaftrek; -b. de reisaftrek en -c. de zeedagenaftrek. +De werknemersaftrek is het gezamenlijke bedrag van de reisaftrek en de zeedagenaftrek. ### Artikel 3.86 -**1.** De fietsaftrek geldt bij* regelmatig woon–werkverkeer* en wordt in aanmerking genomen voor de per fiets afgelegde *reisafstand* indien deze meer bedraagt dan 10 kilometer. - -**2.** De op basis van de volgende leden bepaalde fietsaftrek wordt verminderd met de voor de per fiets afgelegde reisafstand ontvangen reiskostenvergoedingen. - -**3.** Indien de belastingplichtige op ten minste drie dagen per week naar een plaats van werkzaamheden pleegt te reizen en daartoe hoofdzakelijk fietst, bedraagt de fietsaftrek op jaarbasis € 362 . - -**4.** De per fiets afgelegde reisafstand en het voor het regelmatig woon-werkverkeer hoofdzakelijk benutten van de fiets blijken uit een op het desbetreffende kalenderjaar betrekking hebbende door de inhoudingsplichtige in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 afgegeven verklaring (de fietsverklaring). - -**5.** Indien als gevolg van een onjuiste fietsverklaring de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, kan de inspecteur het bedrag van de te weinig geheven belasting begrijpen in een aan de in het vierde lid bedoelde inhoudingsplichtige ten titel van loonbelasting op te leggen naheffingsaanslag. - -**6.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de inhoud van deze fiets-verklaring en voor de uitvoering van dit artikel. +Vervallen ### Artikel 3.87 -**1.** De reisaftrek geldt bij* regelmatig woon–werkverkeer* en wordt in aanmerking genomen voor de per openbaar vervoer afgelegde *reisafstand.* +**1.** De reisaftrek geldt bij ten minste eenmaal per week plegen te reizen tussen de woning of verblijfplaats en de plaats of plaatsen van werkzaamheden waarbij binnen een tijdsbestek van 24 uur zowel heen als terug wordt gereisd en wordt in aanmerking genomen voor de per openbaar vervoer afgelegde *reisafstand*, voor zover dat vervoer niet vanwege de inhoudingsplichtige plaatsvindt. **2.** De op basis van de volgende leden bepaalde reisaftrek wordt verminderd met de voor de per openbaar vervoer afgelegde reisafstand ontvangen reiskostenvergoedingen. @@ -1664,28 +1627,28 @@ Indien de belastingplichtige op ten minste vier dagen per week naar dezelfde pla | --- | --- | --- | | van meer dan | maar niet meer dan | op jaarbasis | | – | 10 km | –- | -| 10 km | 15 km | € 362 | -| 15 km | 20 km | € 485 | -| 20 km | 30 km | € 816 | -| 30 km | 40 km | € 1012 | -| 40 km | 50 km | € 1323 | -| 50 km | 60 km | € 1471 | -| 60 km | 70 km | € 1632 | -| 70 km | 80 km | € 1688 | -| 80 km | –- | € 1711 | +| 10 km | 15 km | €  376 | +| 15 km | 20 km | €  503 | +| 20 km | 30 km | €  846 | +| 30 km | 40 km | € 1049 | +| 40 km | 50 km | € 1371 | +| 50 km | 60 km | € 1524 | +| 60 km | 70 km | € 1691 | +| 70 km | 80 km | € 1749 | +| 80 km | – | € 1773 | **4.** Indien de belastingplichtige op drie dagen, twee dagen of één dag per week naar dezelfde plaats van werkzaamheden pleegt te reizen, bedraagt de reisaftrek: a. indien de reisafstand niet meer beloopt dan 90 kilometer: driekwart, de helft respectievelijk een kwart van het in de tabel aangegeven bedrag; -b. indien de reisafstand meer beloopt dan 90 kilometer: € 0,19 per kilometer van die reisafstand vermenigvuldigd met het aantal dagen waarop wordt gereisd, maar niet meer dan € 1711 per jaar. +b. indien de reisafstand meer beloopt dan 90 kilometer: € 0,20 per kilometer van die reisafstand vermenigvuldigd met het aantal dagen waarop wordt gereisd, maar niet meer dan € 1773 per jaar. **5.** Indien de belastingplichtige naar verschillende plaatsen van werkzaamheden pleegt te reizen, vinden het derde en vierde lid afzonderlijk toepassing met betrekking tot het reizen naar elk van die plaatsen, waarbij de som van de volgens deze leden bepaalde reisaftrek niet meer bedraagt dan € 1659 per jaar. **6.** Indien de belastingplichtige op dezelfde dag naar verschillende plaatsen van werkzaamheden pleegt te reizen, zijn de vorige leden uitsluitend van toepassing op het reizen naar de meest bereisde plaats van werkzaamheden. Indien de plaatsen van werkzaamheden even vaak plegen te worden bereisd, geldt de grootste reisafstand. -**7.** Indien de belastingplichtige ook voor de fietsaftrek in aanmerking komt, is de som van de volgens de fietsaftrek en de reisaftrek in aanmerking te nemen bedragen geen hoger bedrag dan € 1711 . +**7.** Voor de toepassing van het eerste lid pleegt de belastingplichtige in ieder geval ten minste eenmaal per week te reizen indien hij in het kalenderjaar op 40 dagen of meer van zijn woning of verblijfplaats naar de plaats of plaatsen van werkzaamheden heeft gereisd. **8.** De per openbaar vervoer afgelegde reisafstand blijkt slechts uit een op een tijdvak van 12 maanden betrekking hebbende verklaring die is afgegeven door de desbetreffende openbaar-vervoersonderneming (de openbaar-vervoerverklaring). @@ -1695,14 +1658,7 @@ b. indien de reisafstand meer beloopt dan 90 kilometer: € 0,19 per kilometer v ### Artikel 3.88 -**1.** - -In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - -a. *reisafstand*: de afstand tussen de woning of verblijfplaats en de plaats van werkzaamheden gemeten langs de meest gebruikelijke weg van reizen per fiets respectievelijk per openbaar vervoer, voorzover voor die afstand geen vervoer vanwege de inhoudingsplichtige plaatsvindt; -b. *regelmatig woon–werkverkeer*: het ten minste eenmaal per week plegen te reizen tussen de woning of verblijfplaats en de plaats of plaatsen van werkzaamheden, waarbij binnen een tijdsbestek van 24 uur zowel heen als terug wordt gereisd. - -**2.** Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, pleegt de belastingplichtige in ieder geval ten minste eenmaal per week te reizen indien hij in het kalenderjaar op 40 dagen of meer van zijn woning of verblijfplaats naar de plaats of plaatsen van werkzaamheden heeft gereisd. +Vervallen ### Artikel 3.89 @@ -1744,17 +1700,22 @@ a. met het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een in het eers 1°. het aangaan of het hebben van een schuldvordering alsmede het aangaan of het hebben van rechten uit een spaarovereenkomst of uit een daarmee verwante overeenkomst op een in dat lid bedoelde persoon of bedoeld samenwerkingsverband; 2°. het sluiten van een overeenkomst van *levensverzekering* of het hebben van rechten uit een overeenkomst van *levensverzekering* waarbij de in dat lid bedoelde persoon of bedoeld samenwerkingsverband als verzekeraar optreedt behoudens voorzover de uitkeringen uit die rechten anders in aanmerking zouden worden genomen als een periodieke uitkering of verstrekking als bedoeld in afdeling 3.5; -3°. het vestigen of het hebben van een genotsrecht op een vermogensbestanddeel dat ter beschikking is gesteld aan een in dat lid bedoelde persoon of ten behoeve van een in dat lid bedoeld samenwerkingsverband, en +3°. het vestigen of het hebben van een genotsrecht op een vermogensbestanddeel dat ter beschikking is gesteld aan een in dat lid bedoelde persoon of ten behoeve van een in dat lid bedoeld samenwerkingsverband; 4°. het overeenkomen of het hebben van een recht een vermogensbestanddeel dat ter beschikking is gesteld aan een in dat lid bedoelde persoon of ten behoeve van een in dat lid bedoeld samenwerkingsverband, te verwerven; +5°. het verkrijgen of het hebben van een recht of een verplichting een vermogensbestanddeel te verwerven van een in dat lid bedoelde persoon of bedoeld samenwerkingsverband indien de daar tegenover staande verplichting onderscheidenlijk het daar tegenover staande recht tot diens vermogen van een onderneming of tot diens resultaat uit een werkzaamheid behoort; +6°. het verkrijgen of het hebben van een recht of een verplichting een vermogensbestanddeel te vervreemden aan een in dat lid bedoelde persoon of bedoeld samenwerkingsverband indien de daar tegenover staande verplichting onderscheidenlijk het daar tegenover staande recht tot diens vermogen van een onderneming of tot diens resultaat uit een werkzaamheid behoort; b. onder een met de belastingplichtige verbonden persoon verstaan: 1°. de partner van de belastingplichtige; 2°. degene die ten overstaan van een notaris een samenlevingscontract heeft gesloten met de belastingplichtige; 3°. degene die voor de toepassing van een pensioenregeling als partner van de belastingplichtige is aangemeld; 4°. degene die samen met de belastingplichtige een woning bewoont welke voor hen een eigen woning is en aansprakelijk is of mede aansprakelijk is voor een schuld waarbij die woning als onderpand dient; -5°. degene die in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden met de belastingplichtige op hetzelfde woonadres is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens en overigens voldoet aan de vereisten voor een keuze als bedoeld in artikel 1.2, tenzij belastingplichtige aannemelijk maakt dat geen sprake is van een duurzaam gevoerde gemeenschappelijke huishouding; +5°. degene, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de eerste graad van de rechte lijn, die samen met de belastingplichtige voor het kalenderjaar kan kiezen voor kwalificatie als *partner* als bedoeld in artikel 1.2, tenzij de belastingplichtige aannemelijk maakt dat geen sprake is van een duurzaam gevoerde gemeenschappelijke huishouding; 6°. de minderjarige kinderen van de belastingplichtige, van zijn partner of van een onder 2° tot en met 5° aangeduide persoon; -c. een vergoeding voor het aangaan van borgtocht voor schulden betreffende een onderneming, werkzaamheid of samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste lid, aangemerkt als een voordeel uit het ter beschikking stellen van een vermogensbestanddeel. +c. indien de belastingplichtige minderjarig is, onder een met de belastingplichtige verbonden persoon mede verstaan: een bloed- of aanverwant in de eerste graad van de opgaande lijn en degene die onder een met die bloed- of aanverwant verbonden persoon als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, wordt verstaan; +d. een vergoeding voor het aangaan van borgtocht voor schulden betreffende een onderneming, werkzaamheid of samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste lid, aangemerkt als een voordeel uit het ter beschikking stellen van een vermogensbestanddeel; +e. onder rechten als bedoeld in onderdeel a, onder 4°, 5° en 6° mede verstaan: rechten waarvan de waarde direct of indirect verband houdt met de waardeverandering van een vermogensbestanddeel of met de wijziging van een factor, zoals de rentestand; +f. onder verplichtingen als bedoeld in onderdeel a, onder 5° en 6°, mede verstaan: verplichtingen waarvan de waarde direct of indirect verband houdt met de waardeverandering van een vermogensbestanddeel of met de wijziging van een factor, zoals de rentestand. **3.** Op dezelfde wijze als het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een met de belastingplichtige verbonden persoon wordt behandeld het ter beschikking stellen aan een niet onder het tweede lid, onderdeel b, begrepen bloed- of aanverwant in de rechte lijn van de belastingplichtige, van zijn partner of van een in dat onderdeel onder 2° tot en met 5° aangeduide persoon, indien het een in het maatschappelijke verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling is. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de toepassing van dit lid, waaronder regels of sprake is van een in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling. @@ -1775,12 +1736,16 @@ a. met het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een in het eers 1°. het aangaan of het hebben van een schuldvordering alsmede het aangaan of het hebben van rechten uit een spaarovereenkomst of uit een daarmee verwante overeenkomst op een in dat lid bedoelde vennootschap of bedoeld samenwerkingsverband; 2°. het sluiten van een overeenkomst van *levensverzekering* of het hebben van rechten uit een overeenkomst van *levensverzekering* waarbij de in dat lid bedoelde vennootschap of bedoeld samenwerkingsverband als verzekeraar optreedt behoudens voorzover de uitkeringen uit die rechten anders in aanmerking zouden worden genomen als een periodieke uitkering of verstrekking als bedoeld in afdeling 3.5; -3°. het vestigen of het hebben van een genotsrecht op een vermogensbestanddeel dat ter beschikking is gesteld aan een in dat lid bedoelde vennootschap of ten behoeve van een in dat lid bedoeld samenwerkingsverband, en +3°. het vestigen of het hebben van een genotsrecht op een vermogensbestanddeel dat ter beschikking is gesteld aan een in dat lid bedoelde vennootschap of ten behoeve van een in dat lid bedoeld samenwerkingsverband; 4°. het overeenkomen of het hebben van een recht een vermogensbestanddeel dat ter beschikking is gesteld aan een in dat lid bedoelde vennootschap of ten behoeve van een in dat lid bedoeld samenwerkingsverband, te verwerven; -b. onder een met de belastingplichtige verbonden persoon verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 3.91, tweede lid, onderdeel b; +5°. het verkrijgen of het hebben van een recht, anders dan bedoeld in artikel 10a van de Wet op de loonbelasting 1964, of een verplichting een vermogensbestanddeel te verwerven van een in dat lid bedoelde vennootschap of bedoeld samenwerkingsverband; +6°. het verkrijgen of het hebben van een recht of een verplichting een vermogensbestanddeel te vervreemden aan een in dat lid bedoelde vennootschap of bedoeld samenwerkingsverband; +b. onder een met de belastingplichtige verbonden persoon verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 3.91, tweede lid, onderdelen b en c; c. een vergoeding voor het aangaan van borgtocht voor schulden van een vennootschap of betreffende een samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste lid, aangemerkt als een voordeel uit het ter beschikking stellen van een vermogensbestanddeel; d. met een vennootschap gelijkgesteld een fonds voor gemene rekening als bedoeld in artikel 4.5 en een coöperatie of vereniging op coöperatieve grondslag; -e. onder het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen niet begrepen het houden van aandelen in een vennootschap en het houden van winstbewijzen van een vennootschap. +e. onder het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen niet begrepen het houden van aandelen in een vennootschap en het houden van winstbewijzen van een vennootschap; +f. onder rechten als bedoeld in onderdeel a, onder 4°, 5° en 6° mede verstaan: rechten waarvan de waarde direct of indirect verband houdt met de waardeverandering van een vermogensbestanddeel of met de wijziging van een factor, zoals de rentestand; +g. onder verplichtingen als bedoeld in onderdeel a, onder 5° en 6°, mede verstaan: verplichtingen waarvan de waarde direct of indirect verband houdt met de waardeverandering van een vermogensbestanddeel of met de wijziging van een factor, zoals de rentestand. **3.** Op dezelfde wijze als het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een vennootschap waarin een met de belastingplichtige verbonden persoon een aanmerkelijk belang heeft, wordt behandeld het ter beschikking stellen aan een vennootschap waarin een niet onder artikel 3.91, tweede lid, onderdeel b, begrepen bloed- of aanverwant in de rechte lijn van de belastingplichtige, van zijn partner of van een in dat onderdeel onder 2° tot en met 5° aangeduide persoon een aanmerkelijk belang heeft, indien het een in het maatschappelijke verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling is. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de toepassing van dit lid, waaronder regels of sprake is van een in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling. @@ -1815,7 +1780,7 @@ b. voordelen die door de belastingplichtige worden behaald ter zake van het verr Het eerste lid is alleen van toepassing indien: -a. het deel van de opbrengsten dat betrekking heeft op het ter beschikking stellen van de woonruimte niet meer bedraagt dan € 3493 per jaar, en +a. het deel van de opbrengsten dat betrekking heeft op het ter beschikking stellen van de woonruimte niet meer bedraagt dan € 3595 per jaar, en b. zowel de belastingplichtige als degenen aan wie ter beschikking is gesteld gedurende de periode van de terbeschikkingstelling als ingezetenen op het woonadres ter zake van de woning zijn ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens. ### Artikel 3.98 @@ -1883,7 +1848,7 @@ b. *lijfrenten* en andere inkomensvoorzieningen voorzover de daarvoor betaalde p Tot de periodieke uitkeringen en verstrekkingen die worden ontvangen op grond van een publiekrechtelijke regeling behoren: -a. uitkeringen uit vrijwillige verzekering op grond van artikel 45 van de Algemene Ouderdomswet en artikel 63 van de Algemene nabestaandenwet; +a. uitkeringen uit vrijwillige verzekering op grond van de artikelen 35 of 38 van de Algemene Ouderdomswet en de artikelen 63a of 63d van de Algemene nabestaandenwet; b. uitkeringen aan gemoedsbezwaarden op grond van artikel 48 van de Algemene Ouderdomswet; c. uitkeringen op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen; d. uitkeringen op grond van buitenlandse regelingen die naar aard en strekking overeenkomen met uitkeringen als bedoeld in de onderdelen a, b en c. @@ -1925,11 +1890,11 @@ b. *lijfrenten* en andere inkomensvoorzieningen voorzover de daarvoor betaalde p ### Artikel 3.106 -**1.** Voorzover ter zake van een *lijfrente* of een andere aanspraak uit een inkomensvoorziening als bedoeld in artikel 3.100, onderdeel b, dan wel een aanspraak op grond van een pensioenregeling als bedoeld in artikel 3.100, onderdeel d, op enig moment negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking worden genomen, behoort op dat tijdstip mede tot de uitkeringen als bedoeld in genoemd onderdeel b of d, de waarde in het economische verkeer van de aanspraak voorzover deze de ter zake van de aanspraak in aanmerking genomen negatieve uitgaven te boven gaat. +**1.** Voorzover ter zake van een *lijfrente* of een andere aanspraak uit een inkomensvoorziening als bedoeld in artikel 3.100, eerste lid, onderdeel b, dan wel een aanspraak op grond van een pensioenregeling als bedoeld in artikel 3.100, eerste lid, onderdeel d, op enig moment negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking worden genomen, behoort op dat tijdstip mede tot de uitkeringen als bedoeld in genoemd onderdeel b of d, de waarde in het economische verkeer van de aanspraak voorzover deze de ter zake van de aanspraak in aanmerking genomen negatieve uitgaven te boven gaat. **2.** -Tot de uitkeringen op grond van een buitenlandse voorziening als bedoeld in artikel 3.100, onderdeel c, behoort mede: +Tot de uitkeringen op grond van een buitenlandse voorziening als bedoeld in artikel 3.100, eerste lid, onderdeel c, behoort mede: a. wat wordt genoten ter vervanging van gederfde of te derven zodanige uitkeringen; b. wat met betrekking tot een recht op zodanige uitkeringen wordt genoten ter zake van vervreemding of het onherroepelijk worden van de begunstiging. @@ -1938,7 +1903,7 @@ b. wat met betrekking tot een recht op zodanige uitkeringen wordt genoten ter za ### Artikel 3.107 -**1.** Tot de uitkeringen uit inkomensvoorzieningen bedoeld in artikel 3.100, onderdeel b, en de uitkeringen uit pensioenregelingen als bedoeld in artikel 3.100, onderdeel d, behoren niet uitkeringen op grond van een voorziening waarvan de waarde op grond van artikel 3.106 in aanmerking is genomen. +**1.** Tot de uitkeringen uit inkomensvoorzieningen bedoeld in artikel 3.100, eerste lid, onderdeel b, en de uitkeringen uit pensioenregelingen als bedoeld in artikel 3.100, eerste lid, onderdeel d, behoren niet uitkeringen op grond van een voorziening waarvan de waarde op grond van artikel 3.106 in aanmerking is genomen. **2.** Artikel 2.14, tweede lid, is niet van toepassing op het recht waaruit deze uitkeringen voortvloeien. @@ -2003,7 +1968,7 @@ De voordelen uit *eigen woning* worden bij een eigenwoningwaarde van | € 12 500 | € 25 000 | 0,30% van deze waarde | | € 25 000 | € 50 000 | 0,45% van deze waarde | | € 50 000 | € 75 000 | 0,60% van deze waarde | -| € 75 000 | – | 0,80% van deze waarde, maar ten hoogste € 8000 | +| € 75 000 | – | 0,80% van deze waarde, maar ten hoogste € 8200 | **2.** De eigenwoningwaarde is de volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor die woning vastgestelde waarde of waarden voor het tijdvak waarbinnen het kalenderjaar valt. Indien een eigen woning deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken, wordt de eigenwoningwaarde gesteld op het gedeelte van de waarde van de onroerende zaak dat kan worden toegekend aan de woning. @@ -2011,7 +1976,7 @@ De voordelen uit *eigen woning* worden bij een eigenwoningwaarde van **4.** De voordelen uit een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, tweede en derde lid, worden gesteld op nihil. -**5.** De voordelen uit een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, zesde lid, worden gesteld op 1,3% van de eigenwoningwaarde, maar ten hoogste € 8 000. +**5.** De voordelen uit een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, zesde lid, worden gesteld op 1,3% van de eigenwoningwaarde, maar ten hoogste € 8 200. ### Artikel 3.113 @@ -2019,7 +1984,7 @@ Met betrekking tot de *eigen woning* die tijdelijk ter beschikking is gesteld aa ### Artikel 3.114 -**1.** Indien de opbrengsten uit het anders dan voor korte duur ter beschikking stellen van al dan niet gestoffeerde of gemeubileerde woonruimte die geen zelfstandige woning vormt en deel uitmaakt van de woning die de belastingplichtige anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat, niet meer bedragen dan € 3493 per jaar, wordt die woonruimte aangemerkt als onderdeel van de *eigen woning *en worden de voordelen, andere dan bedoeld in artikel 3.112, eerste lid, niet in aanmerking genomen. +**1.** Indien de opbrengsten uit het anders dan voor korte duur ter beschikking stellen van al dan niet gestoffeerde of gemeubileerde woonruimte die geen zelfstandige woning vormt en deel uitmaakt van de woning die de belastingplichtige anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat, niet meer bedragen dan € 3595 per jaar, wordt die woonruimte aangemerkt als onderdeel van de *eigen woning *en worden de voordelen, andere dan bedoeld in artikel 3.112, eerste lid, niet in aanmerking genomen. **2.** Voor toepassing van dit artikel dient zowel de belastingplichtige als degene aan wie ter beschikking is gesteld gedurende de tijd van de terbeschikkingstelling als ingezetene op het woonadres ter zake van de woning te zijn ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens. @@ -2058,16 +2023,26 @@ wordt de verzekering geacht ook en geheel tot uitkering te zijn gekomen bij de v **4.** Indien de verzekeringnemer of, in geval van een onherroepelijke begunstiging, de begunstigde anders dan door overlijden ophoudt binnenlands belastingplichtig te zijn, wordt de kapitaalverzekering eigen woning geacht op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip tot uitkering te zijn gekomen bij de verzekeringnemer of, in geval van een onherroepelijke begunstiging, bij de begunstigde en de hoogte van de uitkering gesteld op de waarde in het economische verkeer van de verzekering. Onder ophouden binnenlands belastingplichtig te zijn wordt mede verstaan de situatie waarin de verzekeringnemer respectievelijk de begunstigde voor de toepassing van de Belastingregeling voor het Koninkrijk of een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting wordt geacht geen inwoner van Nederland meer te zijn. -**5.** De rente begrepen in een uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning wordt gesteld op het bedrag waarmee de uitkering overtreft wat ter zake van de verzekering aan premies is voldaan. +**5.** -**6.** +Indien bij een belastingplichtige ingevolge het vierde lid een uitkering in aanmerking is genomen ter zake waarvan een conserverende aanslag is opgelegd en de belastingplichtige weer binnenlands belastingplichtig is en in de tussentijd: + +a. zich niet een omstandigheid heeft voorgedaan waardoor de woning is opgehouden een eigen woning te zijn in de zin van artikel 3.111; +b. de belastingplichtige niet een voordeel heeft genoten als bedoeld in het eerste lid, en +c. zich niet een omstandigheid heeft voorgedaan als bedoeld in het derde lid, + +wordt op diens verzoek het geconserveerde inkomen van het jaar waarin de uitkering in aanmerking is genomen, verlaagd met de waarde van die uitkering voorzover deze waarde tot het geconserveerde inkomen is gerekend. De inspecteur vermindert dienovereenkomstig de conserverende aanslag bij voor bezwaar vatbare beschikking. Rechtsmiddelen tegen deze beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de grootte van de vermindering. + +**6.** De rente begrepen in een uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning wordt gesteld op het bedrag waarmee de uitkering overtreft wat ter zake van de verzekering aan premies is voldaan. + +**7.** Onder premies ter zake van een kapitaalverzekering eigen woning worden mede begrepen: a. bij een uitkering bij leven: premies voor bij dezelfde overeenkomst verzekerde uitkeringen bij overlijden of uitkeringen of vrijstelling van premiebetaling bij invaliditeit, voorzover die uitkeringen gezamenlijk niet meer bedragen dan driemaal het verzekerde kapitaal bij leven; b. bij een uitkering bij overlijden: premies voor bij dezelfde overeenkomst verzekerde uitkeringen bij leven, uitkeringen of vrijstelling van premiebetaling bij invaliditeit of uitkeringen bij overlijden ten gevolge van een ongeval, voorzover die uitkeringen gezamenlijk niet meer bedragen dan driemaal het verzekerde kapitaal bij overlijden. -**7.** Indien een kapitaalverzekering eigen woning is voortgekomen uit een levensverzekering die geen kapitaalverzekering eigen woning was (oude polis), wordt mede als premie ter zake van de kapitaalverzekering eigen woning aangemerkt de waarde in het economische verkeer van de oude polis verminderd met de daarop gestorte premies (overschot). Voor de beoordeling van de voorwaarde of de hoogste en de laagste premie blijft binnen de in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde bandbreedte, blijft het overschot buiten aanmerking. +**8.** Indien een kapitaalverzekering eigen woning is voortgekomen uit een levensverzekering die na 14 september 1999 tot stand gekomen is en die geen kapitaalverzekering eigen woning was wordt, op het moment dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor een kapitaalverzekering eigen woning, mede als premie ter zake van de kapitaalverzekering eigen woning aangemerkt de waarde in het economische verkeer van de oude polis verminderd met de daarop gestorte premies (overschot). Voor de beoordeling van de voorwaarde of de hoogste en de laagste premie blijft binnen de in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde bandbreedte, blijft het overschot buiten aanmerking. ### Artikel 3.117 @@ -2077,13 +2052,13 @@ In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder *levensverze **1.** -Tot het voordeel uit kapitaalverzekering eigen woning behoort niet de rente begrepen in de uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning voorzover de uitkering niet meer bedraagt dan € 129 500 indien: +Tot het voordeel uit kapitaalverzekering eigen woning behoort niet de rente begrepen in de uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning voorzover de uitkering niet meer bedraagt dan € 134 500 indien: a. de uitkering heeft gediend als aflossing van schulden die zijn aangegaan ter verwerving van de *eigen woning*; b. ter zake van de verzekering ten minste 20 jaar, of, indien de verzekering tot uitkering komt door eerder overlijden, tot het overlijden, jaarlijks premies zijn voldaan en c. de hoogste premie niet meer heeft bedragen dan het tienvoud van de laagste. -In afwijking in zoverre van de eerste volzin, aanhef en onderdeel b, wordt de rente die is begrepen in de uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning, voorzover deze uitkering niet meer bedraagt dan € 29 400, niet als voordeel uit kapitaalverzekering aangemerkt indien ter zake van de verzekering ten minste 15 jaar jaarlijks premies zijn voldaan. +In afwijking in zoverre van de eerste volzin, aanhef en onderdeel b, wordt de rente die is begrepen in de uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning, voorzover deze uitkering niet meer bedraagt dan € 30 500, niet als voordeel uit kapitaalverzekering aangemerkt indien ter zake van de verzekering ten minste 15 jaar jaarlijks premies zijn voldaan. **2.** @@ -2092,15 +2067,25 @@ De in het eerste lid, onderdelen a en b, genoemde voorwaarden gelden niet indien a. de verzekeringnemer, zijn echtgenoot of degene met wie hij duurzaam een gezamenlijke huishouding voert geen *eigen woning *meer ter beschikking staat en ter zake daarvan de verzekering tot uitkering is gekomen of wordt geacht tot uitkering te zijn gekomen of b. de verzekering wordt geacht tot uitkering te zijn gekomen door het ophouden binnenlands belastingplichtig te zijn als bedoeld in artikel 3.116, vierde lid. -**3.** Het bedrag genoemd in het eerste lid, eerste volzin, wordt verminderd met het bedrag aan uitkering uit een kapitaalverzekering dat eerder ten aanzien van de belastingplichtige voor de toepassing van het eerste lid in aanmerking is genomen. +**3.** De bedragen bepaald op grond van het eerste lid worden verminderd met het bedrag aan uitkering uit een kapitaalverzekering dat eerder ten aanzien van de belastingplichtige voor de toepassing van het eerste lid in aanmerking is genomen. **4.** Indien op het tijdstip van de uitkering het nog niet afgeloste bedrag van de schulden die zijn aangegaan ter verwerving van de eigen woning lager is dan het op grond van het eerste en het derde lid bepaalde bedrag, wordt het in het eerste lid, in verbinding met het derde lid, bepaalde bedrag vervangen door het bedrag van de schulden. -**5.** Indien de belastingplichtige een levensverzekering heeft die ten aanzien van hem tot enig moment heeft voldaan aan de voorwaarden voor een kapitaalverzekering eigen woning en ter zake van die verzekering binnen drie jaren na dat moment wederom wordt voldaan aan de voorwaarden voor een kapitaalverzekering eigen woning, wordt het in het eerste lid genoemde bedrag verhoogd met een bedrag gelijk aan de in het derde lid bedoelde vermindering wegens de eerdere toepassing van het eerste lid op deze verzekering. De rente begrepen in de in de eerste volzin bedoelde verhoging, komt in mindering op het overschot, bedoeld in artikel 3.116, zevende lid. +**5.** Indien de belastingplichtige een levensverzekering heeft die ten aanzien van hem tot enig moment heeft voldaan aan de voorwaarden voor een kapitaalverzekering eigen woning en ter zake van die verzekering binnen drie jaren na dat moment wederom wordt voldaan aan de voorwaarden voor een kapitaalverzekering eigen woning, wordt het in het eerste lid genoemde bedrag verhoogd met een bedrag gelijk aan de in het derde lid bedoelde vermindering wegens de eerdere toepassing van het eerste lid op deze verzekering. De rente begrepen in de in de eerste volzin bedoelde verhoging, komt in mindering op het overschot, bedoeld in artikel 3.116, achtste lid. -**6.** Indien de kapitaalverzekering eigen woning tot uitkering komt door het overlijden van de partner, wordt het in het eerste lid, eerste volzin, genoemde bedrag van € 129 500 verhoogd met het bedrag dat de overleden partner nog in aanmerking had kunnen nemen onmiddellijk voorafgaande aan zijn overlijden, met dien verstande dat deze verhoging niet hoger kan zijn dan het bedrag aan uitkering uit een kapitaalverzekering ten gevolge van het overlijden van de partner. +**6.** -**7.** Indien de kapitaalverzekering eigen woning tot uitkering komt door overlijden van een persoon die geen partner is van de begunstigde, wordt ten aanzien van deze verzekering het in het eerste lid, eerste volzin, genoemde bedrag van € 129 500 vervangen door het bedrag dat de overledene nog in aanmerking had kunnen nemen onmiddellijk voorafgaande aan zijn overlijden. +Indien bij een belastingplichtige ingevolge artikel 3.116, vierde lid, een uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning in aanmerking is genomen en de belastingplichtige weer binnenlands belastingplichtig is en: + +a. zich niet een omstandigheid heeft voorgedaan waardoor de woning is opgehouden een eigen woning te zijn in de zin van artikel 3.111; +b. de belastingplichtige terzake van die kapitaalverzekering eigen woning niet een voordeel heeft genoten als bedoeld in artikel 3.116, eerste lid, en +c. ter zake van die kapitaalverzekering zich niet een omstandigheid heeft voorgedaan als bedoeld in artikel 3.116, derde lid, + +wordt het in het eerste lid genoemde bedrag verhoogd met een bedrag gelijk aan de in het derde lid bedoelde vermindering wegens de eerdere toepassing van het eerste lid op die kapitaalverzekering. + +**7.** Indien één of meer kapitaalverzekeringen eigen woning tot uitkering komt of komen door het overlijden van de *partner* wordt het op grond van de voorgaande leden vast te stellen bedrag ten behoeve van de langstlevende *partner* verhoogd met het bedrag dat de overleden *partner* ter zake van deze kapitaalverzekeringen op grond van de voorgaande leden nog in aanmerking had kunnen nemen onmiddellijk voorafgaande aan zijn overlijden. Deze verhoging kan niet groter zijn dan het totale bedrag dat uit levensverzekering wordt uitgekeerd ten gevolge van het overlijden van de *partner*. + +**8.** Indien één of meer kapitaalverzekeringen eigen woning tot uitkering komt of komen door het overlijden van een persoon die geen *partner* is van de begunstigde, geldt voor de begunstigde ten aanzien van deze verzekeringen in plaats van het op grond van de voorgaande leden vast te stellen bedrag het bedrag dat de overleden persoon ter zake van deze kapitaalverzekeringen op grond van de voorgaande leden nog in aanmerking had kunnen nemen onmiddellijk voorafgaande aan zijn overlijden. Indien verschillende begunstigden een uitkering als bedoeld in de eerste volzin ontvangen, geldt voor de begunstigde onverkort hetgeen daar is bepaald met dien verstande dat het daar bedoelde bedrag dat de overleden persoon nog in aanmerking had kunnen nemen naar rato van de uitkeringen aan onderscheiden begunstigden in aanmerking wordt genomen. ### Artikel 3.119 @@ -2162,6 +2147,16 @@ De aftrekbare kosten met betrekking tot een woning die voor twee of meer belasti **2.** Indien de belastingplichtige een eigen woning verwerft en ter zake van een kapitaalverzekering eigen woning in een van de drie daaraan voorafgaande jaren artikel 3.118 toepassing heeft gevonden en deze verzekering bij de verwerving een kapitaalverzekering eigen woning wordt, wordt vanaf dat tijdstip voor de toepassing van het eerste lid artikel 3.118 geacht geen toepassing te hebben gevonden. +**3.** + +Indien bij een belastingplichtige op grond van artikel 3.116, vierde lid, een uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning in aanmerking is genomen, en zolang: + +a. zich niet een omstandigheid voordoet waardoor de woning ophoudt een eigen woning te zijn in de zin van artikel 3.111; +b. de belastingplichtige terzake van die kapitaalverzekering eigen woning niet een voordeel geniet als bedoeld in artikel 3.116, eerste lid, en +c. ter zake van die kapitaalverzekering eigen woning zich niet een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3.116, derde lid, + +wordt voor de toepassing van het eerste lid de uitkering uit die kapitaalverzekering eigen woning op grond van artikel 3.116, vierde lid, genegeerd. + ### Artikel 3.123 In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen worden tot de schulden die zijn aangegaan ter verwerving van de *eigen woning*gerekend schulden die zijn aangegaan voor verbetering of onderhoud van de woning voorzover de verbetering en het onderhoud met schriftelijke bescheiden zijn te staven. @@ -2185,12 +2180,12 @@ Als *lijfrenten* die dienen ter compensatie van een pensioentekort worden aangem a. lijfrenten waarvan de termijnen toekomen aan de belastingplichtige, ingaan uiterlijk in het jaar waarin hij de leeftijd van 70 jaar bereikt en uitsluitend eindigen bij zijn overlijden; b. lijfrenten waarvan de termijnen toekomen aan een natuurlijk persoon en ingaan bij het overlijden van de belastingplichtige, van zijn *partner* of zijn gewezen partner, waarbij indien de termijnen toekomen aan een van hun bloed- of aanverwanten, niet zijnde de partner of gewezen partner, in de rechte lijn of in de tweede of derde graad van de zijlijn, deze uitsluitend eindigen hetzij bij het overlijden van de gerechtigde hetzij uiterlijk op het tijdstip waarop deze de leeftijd van 30 jaar bereikt; -c. lijfrenten waarvan de termijnen toekomen aan de belastingplichtige en eindigen in het jaar waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt of het jaar waarin hij een uitkering op grond van een *pensioenregeling* gaat genieten, voorzover het gezamenlijke bedrag aan termijnen van die lijfrenten – beoordeeld naar het tijdstip van premiebetaling – niet meer beloopt dan € 58 833 per jaar; -d. lijfrenten waarvan de termijnen toekomen aan de belastingplichtige, een looptijd hebben van ten minste vijf jaar, niet eerder ingaan dan in het jaar waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt of het jaar waarin hij een pensioen als bedoeld in onderdeel c gaat genieten en uiterlijk ingaan in het jaar waarin hij de leeftijd van 70 jaar bereikt, voorzover het gezamenlijke bedrag aan termijnen van die lijfrenten – beoordeeld naar het tijdstip van premiebetaling – niet meer beloopt dan € 17 652 per jaar. +c. lijfrenten waarvan de termijnen toekomen aan de belastingplichtige en eindigen in het jaar waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt of het jaar waarin hij een uitkering op grond van een *pensioenregeling* gaat genieten, voorzover het gezamenlijke bedrag aan termijnen van die lijfrenten – beoordeeld naar het tijdstip van premiebetaling – niet meer beloopt dan € 60 951 per jaar; +d. lijfrenten waarvan de termijnen toekomen aan de belastingplichtige, een looptijd hebben van ten minste vijf jaar, niet eerder ingaan dan in het jaar waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt of het jaar waarin hij een pensioen als bedoeld in onderdeel c gaat genieten en uiterlijk ingaan in het jaar waarin hij de leeftijd van 70 jaar bereikt, voorzover het gezamenlijke bedrag aan termijnen van die lijfrenten – beoordeeld naar het tijdstip van premiebetaling – niet meer beloopt dan € 18 288 per jaar. -**2.** In afwijking van artikel 1.7, eerste lid, kan voor rechten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, zijn overeengekomen dat het bedrag van de uitkeringen als gevolg van het overlijden van de partner of gewezen partner afneemt tot ten hoogste 70% van het bedrag dat gold vóór het overlijden. +**2.** In afwijking van artikel 1.7, eerste lid, kan voor rechten als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, c en d zijn overeengekomen dat het bedrag van de uitkeringen als gevolg van het overlijden van de partner of gewezen partner afneemt tot ten hoogste 70% van het bedrag dat gold vóór het overlijden. -**3.** In afwijking van artikel 1.7, eerste lid, is voor rechten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, waarvan de termijnen eindigen uiterlijk op het tijdstip waarop de gerechtigde de leeftijd van 30 jaar bereikt, de grootte van de kans op overlijden van de gerechtigde niet van belang. +**3.** In afwijking van artikel 1.7, eerste lid, is voor rechten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, waarvan de termijnen eindigen uiterlijk op het tijdstip waarop de gerechtigde de leeftijd van 30 jaar bereikt, alsmede voor rechten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, de grootte van de kans op overlijden van de gerechtigde niet van belang. ### Artikel 3.126 @@ -2215,22 +2210,20 @@ d. een pensioenfonds of lichaam dat bevoegd het verzekeringsbedrijf uitoefent, a ### Artikel 3.127 -**1.** Een belastingplichtige kan, als basisruimte, premies voor *lijfrenten* als bedoeld in artikel 3.124, onderdeel a, in aanmerking nemen tot een gezamenlijk bedrag van ten hoogste € 1069. De basisruimte van € 1069 wordt verminderd met de besparingen en spaarpremies ingevolge een premiespaarregeling als bedoeld in artikel 31a van de Wet op de loonbelasting 1964 die, en het spaarloon als bedoeld in artikel 32 van die wet dat de belastingplichtige in het kalenderjaar opneemt voor de voldoening van vrijwillig te betalen premies ingevolge een *pensioenregeling*. +**1.** Indien de belastingplichtige bij de aanvang van het kalenderjaar nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt kan hij, vanwege een pensioentekort in het kalenderjaar, premies voor lijfrenten als bedoeld in artikel 3.124, onderdeel a, in aanmerking nemen tot een gezamenlijk bedrag van ten hoogste 17% van de premiegrondslag, waarbij op de uitkomst van deze berekening nog in aftrek komt de volgens het vierde lid bepaalde verminderingen in verband met de opbouw van pensioenaanspraken en dotaties aan de oudedagsreserve. Het volgens de eerste volzin in aanmerking te nemen bedrag wordt verminderd met hetgeen de belastingplichtige in het kalenderjaar aan spaarloon als bedoeld in artikel 32 van de Wet op de loonbelasting 1964 opneemt voor de voldoening van vrijwillig te betalen premies ingevolge een pensioenregeling. -**2.** Indien de belastingplichtige bij de aanvang van het kalenderjaar nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt kan hij, vanwege een pensioentekort in het kalenderjaar, premies voor lijfrenten als bedoeld in artikel 3.124, onderdeel a, in aanmerking nemen tot een gezamenlijk bedrag van ten hoogste 17% van de premiegrondslag, waarbij op de uitkomst van deze berekening nog in aftrek komt de volgens het vijfde lid bepaalde verminderingen in verband met de opbouw van pensioenaanspraken en dotaties aan de oudedagsreserve. Het volgens de vorige volzin in aanmerking te nemen bedrag wordt verminderd met hetgeen de belastingplichtige in het kalenderjaar op grond van het eerste lid als premies voor lijfrenten in aftrek heeft gebracht, alsmede met de besparingen en spaarpremies ingevolge een premiespaarregeling als bedoeld in artikel 31a van de Wet op de loonbelasting 1964 die, en het spaarloon als bedoeld in artikel 32 van die wet dat de belastingplichtige in het kalenderjaar opneemt voor de voldoening van vrijwillig te betalen premies ingevolge een pensioenregeling. +**2.** Indien de belastingplichtige in de onmiddellijk aan het kalenderjaar voorafgaande periode van zeven jaar minder premies voor lijfrenten in aanmerking heeft genomen dan mogelijk was op grond van het eerste lid kan hij, op bij zijn aangifte gedaan verzoek, het niet aangewende bedrag, voorzover dit niet in een eerder jaar op grond van dit lid in aanmerking is genomen, te beginnen met het in het oudste jaar niet aangewende bedrag, in het kalenderjaar alsnog in aanmerking nemen. Het alsnog in aanmerking te nemen bedrag bedraagt ten hoogste 17% van de premiegrondslag, met een maximum van € 6097. Voor de belastingplichtige die bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, wordt het in de vorige volzin genoemde bedrag van € 6097 verhoogd tot € 12 045. -**3.** Indien de belastingplichtige in de onmiddellijk aan het kalenderjaar voorafgaande periode van zeven jaar minder premies voor lijfrenten in aanmerking heeft genomen dan mogelijk was op grond van het tweede lid kan hij, op bij zijn aangifte gedaan verzoek, het niet aangewende bedrag, voorzover dit niet in een eerder jaar op grond van dit lid in aanmerking is genomen, te beginnen met het in het oudste jaar niet aangewende bedrag, in het kalenderjaar alsnog in aanmerking nemen. Het alsnog in aanmerking te nemen bedrag bedraagt ten hoogste 17% van de premiegrondslag, met een maximum van € 5885. Voor de belastingplichtige die bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, wordt het in de vorige volzin genoemde bedrag van € 5885 verhoogd tot € 11 626. +**3.** De premiegrondslag bestaat uit het gezamenlijke bedrag van de winst uit onderneming vóór toevoeging aan en afneming van de oudedagsreserve en vóór de ondernemersaftrek, het belastbare loon, het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden en de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen van de belastingplichtige, verminderd met een bedrag van € 10 571. Als premiegrondslag wordt ten hoogste een bedrag van € 141 815 in aanmerking genomen. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat uitkeringen volgens een pensioenregeling, termijnen van een lijfrente, of vergelijkbare inkomensbestanddelen niet behoren tot de premiegrondslag. -**4.** De premiegrondslag bestaat uit het gezamenlijke bedrag van de winst uit onderneming vóór toevoeging aan en afneming van de oudedagsreserve en vóór de ondernemersaftrek, het belastbare loon, het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden en de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen van de belastingplichtige, verminderd met een bedrag van € 10 203. Als premiegrondslag wordt ten hoogste een bedrag van € 136 887 in aanmerking genomen. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat uitkeringen volgens een pensioenregeling, termijnen van een lijfrente, of vergelijkbare inkomensbestanddelen niet behoren tot de premiegrondslag. +**4.** -**5.** +Voor de toepassing van het eerste lid wordt: -Voor de toepassing van het tweede lid wordt: - -a. de vermindering in verband met de opbouw van pensioenaanspraken gesteld op: 7,5 keer de aan het kalenderjaar toe te rekenen aangroei van het bedrag van de jaarlijkse uitkeringen van de aan de belastingplichtige toekomende aanspraken volgens een pensioenregeling voorzover deze aangroei het gevolg is van de toeneming van de diensttijd in het kalenderjaar, met dien verstande dat de aangroei die het gevolg is van de aanwending van besparingen en spaarpremies ingevolge een premiespaarregeling als bedoeld in artikel 31a van de Wet op de loonbelasting 1964, en van spaarloon als bedoeld in artikel 32 van die wet ter voldoening van vrijwillig te betalen premies ingevolge een pensioenregeling, buiten aanmerking blijft; +a. de vermindering in verband met de opbouw van pensioenaanspraken gesteld op: 7,5 keer de aan het onmiddellijk aan het kalenderjaar voorafgaande kalenderjaar toe te rekenen aangroei van het bedrag van de jaarlijkse uitkeringen van de aan de belastingplichtige toekomende aanspraken volgens een pensioenregeling voorzover deze aangroei het gevolg is van de toeneming van de diensttijd in het onmiddellijk aan het kalenderjaar voorafgaande kalenderjaar, met dien verstande dat de aangroei die het gevolg is van de aanwending van spaarloon als bedoeld in artikel 32 van die wet ter voldoening van vrijwillig te betalen premies ingevolge een pensioenregeling, buiten aanmerking blijft; b. de vermindering in verband met dotaties aan de oudedagsreserve gesteld op het bedrag waarmee de toevoeging aan de oudedagsreserve in een kalenderjaar overtreft de afneming van die reserve bij het einde van het kalenderjaar volgens artikel 3.70, eerste lid, onderdeel b. -**6.** Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de bepaling van de in het vijfde lid, onderdeel a, bedoelde waardeaangroei van pensioenaanspraken en de verstrekking van informatie daaromtrent. +**5.** Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de bepaling van de in het vierde lid, onderdeel a, bedoelde waardeaangroei van pensioenaanspraken en de verstrekking van informatie daaromtrent. ### Artikel 3.128 @@ -2244,16 +2237,16 @@ Een belastingplichtige met een oudedagsreserve kan, vanwege de omzetting van die Het maximum bedraagt: -a. € 373 331 in de gevallen waarin: +a. € 386 771 in de gevallen waarin: 1°. de ondernemer ten tijde van het staken de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt; 2°. de ondernemer ten tijde van het staken voor 45% of meer arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 6.20, eerste lid, onderdeel a, en de hem toekomende termijnen van lijfrenten ingaan binnen zes maanden na het staken of 3°. de onderneming wordt gestaakt door het overlijden van de ondernemer; -b. € 186 668 in de gevallen – andere dan die van onderdeel a – waarin: +b. € 193 389 in de gevallen – andere dan die van onderdeel a – waarin: 1°. de ondernemer ten tijde van het staken de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt of 2°. de aan de ondernemer toekomende termijnen van lijfrenten dadelijk ingaan; -c. € 93 338 in de overige gevallen. +c. € 96 699 in de overige gevallen. **3.** @@ -2261,7 +2254,7 @@ Het bedrag aan reeds opgebouwde voorzieningen is de som van: a. de waarde in het economische verkeer ten tijde van het staken van de in artikel 3.13, eerste lid, onderdelen b en c, bedoelde aanspraken; b. het bedrag van de oudedagsreserve bij de aanvang van het kalenderjaar; -c. de bedragen die op grond van artikel 3.127, eerste, tweede en derde lid, en artikel 3.128 in de voorafgaande kalenderjaren in aanmerking zijn genomen; +c. de bedragen die op grond van artikel 3.127, eerste en tweede lid, en artikel 3.128 in de voorafgaande kalenderjaren in aanmerking zijn genomen; d. de bedragen die reeds eerder volgens het eerste lid in aanmerking zijn genomen. **4.** Voor de toepassing van dit artikel wordt de belastingplichtige, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, onderdeel a, als ondernemer aangemerkt, indien de medegerechtigdheid van de belastingplichtige de rechtstreekse voortzetting vormt van zijn gerechtigdheid of medegerechtigdheid als ondernemer. @@ -2270,7 +2263,7 @@ d. de bedragen die reeds eerder volgens het eerste lid in aanmerking zijn genome **1.** Premies voor *lijfrenten* komen voor aftrek in aanmerking op het tijdstip waarop deze zijn betaald of verrekend, voorzover de verrekening niet leidt tot een schuldig gebleven bedrag. -**2.** Een belastingplichtige kan premies voor lijfrenten als bedoeld in de artikelen 3.127, tweede lid, 3.128 en 3.129 die binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar door hem zijn betaald of verrekend naar bij de aangifte gemaakte keuze aanmerken als premies die zijn betaald of verrekend in het kalenderjaar. Bij wijziging van binnenlandse belastingplicht in buitenlandse belastingplicht in het kalenderjaar of binnen zes maanden daarna kan de belastingplichtige premies voor lijfrenten die in die periode door hem zijn betaald of verrekend naar bij de aangifte gemaakte keuze aanmerken als premies die zijn betaald of verrekend in de periode van binnenlandse belastingplicht in het kalenderjaar. +**2.** Een belastingplichtige kan premies voor lijfrenten als bedoeld in de artikelen 3.127, eerste en tweede lid, 3.128 en 3.129 die binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar door hem zijn betaald of verrekend naar bij de aangifte gemaakte keuze aanmerken als premies die zijn betaald of verrekend in het kalenderjaar. Bij wijziging van binnenlandse belastingplicht in buitenlandse belastingplicht in het kalenderjaar of binnen zes maanden daarna kan de belastingplichtige premies voor lijfrenten die in die periode door hem zijn betaald of verrekend naar bij de aangifte gemaakte keuze aanmerken als premies die zijn betaald of verrekend in de periode van binnenlandse belastingplicht in het kalenderjaar. ### Artikel 3.131 @@ -2302,7 +2295,7 @@ Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen zijn teruggaven van uitgaven voor Het eerste lid vindt toepassing indien: -a. het een aanspraak als bedoeld in artikel 3.124, onderdeel b, betreft en de aanspraak zodanig wordt gewijzigd dat deze niet langer aan de in dat artikellid gestelde voorwaarden voldoet; +a. het een aanspraak als bedoeld in artikel 3.124, onderdeel b of onderdeel c, betreft en de aanspraak zodanig wordt gewijzigd dat deze niet langer aan de in dat onderdeel gestelde voorwaarden voldoet; b. het een aanspraak als bedoeld in artikel 3.125 betreft en de aanspraak – beoordeeld vanuit de verzekeringnemer – zodanig wordt gewijzigd dat deze niet langer aan de in dat artikel gestelde voorwaarden voldoet; c. het een aanspraak als bedoeld in artikel 3.125 betreft en de aanspraak zodanig wordt gewijzigd dat indien de gewijzigde aanspraak van begin af aan zou zijn bedongen het op grond van de artikelen 3.127 en 3.129 in totaal aanmerking te nemen bedrag aan premies voor lijfrenten lager zou zijn geweest dan het in aftrek gebrachte bedrag; d. de aanspraak wordt afgekocht of vervreemd; @@ -2312,7 +2305,7 @@ g. de verzekeraar of de in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel d, onder 2°, be h. de lijfrenteverplichting overgaat, of beoordeeld aan het einde van het kalenderjaar in enig voorafgaand jaar is overgegaan, op een ander pensioenfonds of lichaam dat bevoegd is het levensverzekeringsbedrijf te uitoefenen dan bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, onderdeel b of onderdeel d, ter verwerving van pensioenrechten in het kader van de aanvaarding van een dienstbetrekking buiten Nederland teneinde een pensioenbreuk als gevolg van deze aanvaarding te voorkomen; i. de lijfrenteverplichting, anders dan bedoeld onder h, geheel of gedeeltelijk overgaat op een andere verzekeraar dan bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, onderdeel b of onderdeel d, of j. de aanspraak bij het einde van het kalenderjaar is ondergebracht bij een verzekeraar als bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel c; -k. een pensioentekort waarvoor premies voor lijfrenten in aanmerking zijn genomen op de voet van artikel 3.127, tweede of derde lid, nadien wordt gecompenseerd door middel van verbetering van een aanspraak ingevolge een pensioenregeling. +k. een pensioentekort waarvoor premies voor lijfrenten in aanmerking zijn genomen op de voet van artikel 3.127, eerste of tweede lid, nadien wordt gecompenseerd door middel van verbetering van een aanspraak ingevolge een pensioenregeling. **3.** Onder overgang van de lijfrenteverplichting wordt mede verstaan herverzekering indien de lijfrente is bedongen bij een verzekeraar als bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, of artikel 3.131, tweede lid. @@ -2334,11 +2327,13 @@ a. een aanspraak op periodieke uitkeringen geheel of gedeeltelijk vervreemdt aan b. zijn binnenlands belastingplichtige gewezen echtgenoot aanwijst als onherroepelijk begunstigde van een dergelijke aanspraak of c. een dergelijke aanspraak omzet in een aanspraak die voor zijn binnenlands belastingplichtige gewezen echtgenoot een aanspraak is als bedoeld in de artikelen 3.124 en 3.125. -**3.** In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, wordt de gewezen echtgenoot aangemerkt als verzekeringnemer van de aanspraak op periodieke uitkeringen. +**3.** In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, kan, in afwijking van artikel 3.125, eerste lid, de aanspraak zodanig worden gewijzigd dat de uitkeringen onmiddellijk na het tijdstip van de wijziging ingaan en uiterlijk eindigen bij het overlijden van de gewezen echtgenoot. -**4.** Onze Minister kan voor gevallen of groepen van gevallen waarin artikel 3.133, tweede lid, onderdeel a, b of c, gezien de strekking van dit artikel tot onbillijkheden leidt, onder door hem te stellen voorwaarden bepalen dat dit onderdeel a, b of c niet van toepassing is. +**4.** In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, wordt de gewezen echtgenoot aangemerkt als verzekeringnemer van de aanspraak op periodieke uitkeringen. -**5.** Onze Minister kan onder door hem te stellen voorwaarden bepalen dat artikel 3.133, tweede lid, onderdeel i, niet van toepassing is indien de lijfrenteverplichting overgaat in verband met de overdracht van de onderneming van een verzekeraar als bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, of artikel 3.131, tweede lid. +**5.** Onze Minister kan voor gevallen of groepen van gevallen waarin artikel 3.133, tweede lid, onderdeel a, b of c, gezien de strekking van dit artikel tot onbillijkheden leidt, onder door hem te stellen voorwaarden bepalen dat dit onderdeel a, b of c niet van toepassing is. + +**6.** Onze Minister kan onder door hem te stellen voorwaarden bepalen dat artikel 3.133, tweede lid, onderdeel i, niet van toepassing is indien de lijfrenteverplichting overgaat in verband met de overdracht van de onderneming van een verzekeraar als bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, of artikel 3.131, tweede lid. ### Artikel 3.135 @@ -2406,20 +2401,22 @@ Uitgaven voor kinderopvang zijn de op de belastingplichtige drukkende uitgaven v Uitgaven voor kinderopvang worden alleen in aanmerking genomen indien: -a. de belastingplichtige in het kalenderjaar met tegenwoordige arbeid meer dan € 3494 aan winst uit een of meer ondernemingen, loon of resultaat uit een of meer werkzaamheden heeft genoten of in aanmerking komt voor zelfstandigenaftrek, en +a. de belastingplichtige in het kalenderjaar met tegenwoordige arbeid meer dan € 3620 aan winst uit een of meer ondernemingen, loon of resultaat uit een of meer werkzaamheden heeft genoten of in aanmerking komt voor zelfstandigenaftrek, en b. wordt voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen administratieve voorwaarden. **2.** Het eerste lid, onderdeel a, is ook van toepassing op de *partner* en degene die de keuze voor kwalificatie als partner kan maken, tenzij voor de partner de meewerkaftrek van toepassing is. ### Artikel 3.142 -De belastingplichtige die als gevolg van arbeidsongeschiktheid of werkloosheid ophoudt met tegenwoordige arbeid winst, loon of resultaat te verwerven, wordt voor de toepassing van deze afdeling geacht nog ten minste twaalf maanden na het intreden van de arbeidsongeschiktheid of werkloosheid dergelijk inkomen uit tegenwoordige arbeid te verwerven. +**1.** De belastingplichtige die als gevolg van arbeidsongeschiktheid of werkloosheid ophoudt met tegenwoordige arbeid winst, loon of resultaat te verwerven, wordt voor de toepassing van deze afdeling geacht nog ten hoogste twaalf maanden na het intreden van de arbeidsongeschiktheid of werkloosheid dergelijk inkomen uit tegenwoordige arbeid te verwerven. + +**2.** De in het eerste lid genoemde periode van twaalf maanden wordt gekort met de periode waarin inkomsten genoten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid op de voet van artikel 1.7a, eerste lid, onderdeel a, gelijk zijn gesteld met loon uit tegenwoordige arbeid. ### Artikel 3.143 -**1.** Uitgaven voor kinderopvang worden in aanmerking genomen tot ten hoogste € 9073 per *kind* en vervolgens voorzover die uitgaven uitgaan boven de eigen bijdrage die voor de opvang van dat kind geacht wordt te zijn verschuldigd. +**1.** Uitgaven voor kinderopvang worden in aanmerking genomen tot ten hoogste € 9400 per *kind* en vervolgens voorzover die uitgaven uitgaan boven de eigen bijdrage die voor de opvang van dat kind geacht wordt te zijn verschuldigd. -**2.** De eigen bijdrage die per kind geacht wordt te zijn verschuldigd wordt bij ministeriële regeling vastgesteld. Hierbij wordt acht geslagen op de hoogte van de eigen bijdrage voor kinderopvang die door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan de gemeenten wordt geadviseerd. +**2.** De eigen bijdrage die per kind geacht wordt te zijn verschuldigd wordt bij ministeriële regeling vastgesteld. Hierbij wordt acht geslagen op de hoogte van de eigen bijdrage voor kinderopvang die door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de gemeenten wordt geadviseerd. **3.** Indien de belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar een *partner* heeft of gedurende het gehele kalenderjaar een gezamenlijke huishouding voert met een belastingplichtige die samen met de belastingplichtige de keuze voor kwalificatie als *partner* kan maken, worden de uitgaven voor kinderopvang voor de toepassing van het eerste lid samengevoegd. @@ -2435,7 +2432,7 @@ Niet in geld genoten *loon*, periodieke uitkeringen en verstrekkingen, voordelen **1.** Indien aan de belastingplichtige ook voor privé-doeleinden een auto ter beschikking is gesteld, wordt het voordeel op jaarbasis gesteld op ten minste 25% van de waarde van de auto. De auto wordt in ieder geval geacht ook voor privé-doeleinden ter beschikking te zijn gesteld tenzij blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt. -**2.** Indien het gebruik voor privé-doeleinden van een bestelauto wordt beperkt door de aard of de inrichting ervan, wordt in afwijking in zoverre van het eerste lid, eerste volzin, het voordeel op jaarbasis gesteld op ten minste 10% van de waarde van de bestelauto. Voor de toepassing van dit lid kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld. +**2.** Indien het gebruik voor privé-doeleinden van een bestelauto wordt beperkt door de aard of de inrichting ervan, wordt in afwijking in zoverre van het eerste lid, eerste volzin, het voordeel op jaarbasis gesteld op ten minste 10% van de waarde van de bestelauto. Indien uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de in de eerste volzin bedoelde bestelauto naast het gebruik voor privé-doeleinden als bedoeld in het negende lid wegens *regelmatig woon-werkverkeer *niet overigens voor privé-doeleinden wordt gebruikt, wordt, in afwijking in zoverre van die volzin, het voordeel op jaarbasis gesteld op 2,5% van de waarde van de bestelauto, met dien verstande dat daarbij als waarde van de bestelauto ten hoogste € 18 000 in aanmerking wordt genomen. Voor de toepassing van dit lid kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld. **3.** Indien uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt, wordt het voordeel gesteld op nihil. @@ -2470,6 +2467,19 @@ b. voorzover de reisafstand meer beloopt dan 30 kilometer. Van het op grond van de vorige volzin als voor privé-doeleinden aangemerkte deel van het regelmatige woon–werkverkeer wordt eenderde deel maar niet meer dan 5500 kilometer in aanmerking genomen voor de toepassing van het vierde lid. +**10.** + +In afwijking van het negende lid wordt regelmatig woonwerkverkeer geacht niet voor privé-doeleinden plaats te vinden indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: + +a. de reisafstand beloopt meer dan 30 kilometer; +b. de belastingplichtige pleegt krachtens een schriftelijk vastgestelde regeling van zijn inhoudingsplichtige, dan wel van zijn inhoudingsplichtige en een of meer andere inhoudingsplichtigen, over een afstand van meer dan 10 kilometer voor zowel de heen- als de terugreis een of meer andere werknemers in de zin van de wettelijke bepalingen van de loonbelasting te vervoeren; +c. de belastingplichtige is het in onderdeel b bedoelde vervoer overeengekomen in een schriftelijk vastgelegde overeenkomst met de in onderdeel b bedoelde inhoudingsplichtige en andere personen, en +d. één van de in het onderdeel b bedoelde inhoudingsplichtigen administreert en houdt voor controle beschikbaar de volgende gegevens: + +1°. de in onderdeel c bedoelde schriftelijk vastgelegde overeenkomst; +2°. een lijst met de namen en adressen van de in onderdeel b bedoelde personen, en +3°. een lijst met de dagen, plaatsen en afstanden waarop de regeling, bedoeld in onderdeel b, is toegepast. + ### Afdeling 3.12. Tijdstip genieten en aftrek ### Artikel 3.146 @@ -2955,7 +2965,7 @@ Het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing op: a. liquidatie-uitkeringen bestaande uit het voor rekening van de belastingplichtige voortzetten van de onderneming van een vennootschap met toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969; b. het vervreemdingsvoordeel dat wordt genoten bij een vervreemding als bedoeld in artikel 4.16, vijfde lid. -**5.** Vervreemdingsvoordelen als bedoeld in het vierde lid worden gesteld op de waarde van de vermogensbestanddelen van de onderneming voorzover die door de belastingplichtige wordt voortgezet, verminderd met 35% van het bedrag dat op grond van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt vrijgesteld en voorts verminderd met een evenredig deel van de verkrijgingsprijs. +**5.** Vervreemdingsvoordelen als bedoeld in het vierde lid worden gesteld op de waarde van de vermogensbestanddelen van de onderneming voorzover die door de belastingplichtige wordt voortgezet, vermeerderd met 50% van het verlies dat op grond van artikel 14c, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt aangemerkt als ondernemersverlies in de zin van artikel 3.148, tweede lid, en verminderd met 35% van het bedrag dat op grond van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt vrijgesteld en voorts verminderd met een evenredig deel van de verkrijgingsprijs. De waarde van de vermogensbestanddelen vermeerderd met 50% van het verlies wordt tenminste gesteld op nihil. ### Artikel 4.35 @@ -3023,7 +3033,7 @@ Op verzoek van de belastingplichtige wordt het voordeel bij de vervreemding vanw ### Artikel 4.42a -**1.** Op verzoek van de belastingplichtige wordt het voordeel dat wordt genoten in verband met de vervreemding, bedoeld in artikel 4.16, vijfde lid, niet in aanmerking genomen. +**1.** Op verzoek van de belastingplichtige worden de voordelen in verband met de vervreemding in het kader van de ontbinding van een vennootschap met toepassing van artikel 14c, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, niet in aanmerking genomen. **2.** Onze Minister kan aan de toepassing van het eerste lid voorwaarden verbinden. Deze voorwaarden mogen slechts strekken tot verzekering van de heffing en invordering van inkomstenbelasting. @@ -3177,9 +3187,11 @@ Bezittingen die voortvloeien uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen, uit ee Schulden zijn verplichtingen met waarde in het economische verkeer, met dien verstande dat: a. verplichtingen die voortvloeien uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen, uit een belastingwet waarop de Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing is of uit de Invorderingswet 1990, niet in aanmerking worden genomen, en -b. overige verplichtingen alleen in aanmerking worden genomen voorzover de gezamenlijke waarde daarvan meer bedraagt dan € 2500. Het in de eerste volzin, aanhef en onderdeel b, genoemde bedrag van € 2500 wordt, indien de belastingplichtige een partner heeft en de waarde in het economische verkeer van de overige verplichtingen van de belastingplichtige en van zijn partner tezamen meer bedraagt dan € 2500 bij elk van hen gesteld op € 5000. De tweede volzin is niet van toepassing indien de belastingplichtige en zijn partner bij het doen van aangifte gezamenlijk verzoeken om, onverminderd artikel 2.17, tweede lid, bij een van hen, of bij beiden tezamen, een rendementsgrondslag aan te geven die € 5000 hoger is dan het bedrag van de rendementsgrondslag indien de eerste volzin, aanhef en onderdeel b, geen toepassing zou vinden. Indien de waarde in het economische verkeer van alle overige verplichtingen van de belastingplichtige en zijn partner tezamen minder bedraagt dan € 5000 , wordt het in de derde volzin genoemde bedrag van € 5000 gesteld op het bedrag van deze lagere waarde. Op het in de derde volzin bedoelde verzoek kan niet worden teruggekomen. +b. overige verplichtingen alleen in aanmerking worden genomen voorzover de gezamenlijke waarde daarvan meer bedraagt dan € 2600. Het in de eerste volzin, aanhef en onderdeel b, genoemde bedrag van € 2600 wordt, indien de belastingplichtige een partner heeft en de waarde in het economische verkeer van de overige verplichtingen van de belastingplichtige en van zijn partner tezamen meer bedraagt dan € 2600 bij elk van hen gesteld op € 5200. De tweede volzin is uitsluitend van toepassing indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde *partner* heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 wordt geacht het gehele kalenderjaar die *partner* te hebben gehad. -**4.** Indien de belastingplichtige niet het gehele jaar binnenlands belastingplichtige is, wordt bij de bepaling van het forfaitair rendement de begindatum vervangen door het latere tijdstip waarop de belastingplichtige geboren wordt of anders dan door geboorte binnenlands belastingplichtige wordt, of wordt de einddatum vervangen door het eerdere tijdstip waarop de belastingplichtige overlijdt of anders dan door overlijden ophoudt binnenlands belastingplichtige te zijn. Daarbij wordt het percentage van 4 naar tijdsgelang herleid, waarbij gedeelten van kalendermaanden worden verwaarloosd. +**4.** Het derde lid, eerste volzin, aanhef en onderdeel b, en tweede volzin zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige en zijn *partner* bij het doen van aangifte gezamenlijk verzoeken om, onverminderd artikel 2.17, tweede lid, bij een van hen, of bij beiden tezamen, een rendementsgrondslag aan te geven die € 5200 hoger is dan het bedrag van de rendementsgrondslag indien het derde lid, eerste volzin, aanhef en onderdeel b, geen toepassing zou vinden. Indien de waarde in het economische verkeer van alle overige verplichtingen van de belastingplichtige en zijn *partner* tezamen minder bedraagt dan € 5200, wordt het in de eerste volzin genoemde bedrag van € 5200 gesteld op het bedrag van deze lagere waarde. Op het in de eerste volzin bedoelde verzoek kan niet worden teruggekomen. + +**5.** Indien de belastingplichtige niet het gehele jaar binnenlands belastingplichtige is, wordt bij de bepaling van het forfaitair rendement de begindatum vervangen door het latere tijdstip waarop de belastingplichtige geboren wordt of anders dan door geboorte binnenlands belastingplichtige wordt, of wordt de einddatum vervangen door het eerdere tijdstip waarop de belastingplichtige overlijdt of anders dan door overlijden ophoudt binnenlands belastingplichtige te zijn. Daarbij wordt het percentage van 4 naar tijdsgelang herleid, waarbij gedeelten van kalendermaanden worden verwaarloosd. ### Artikel 5.4 @@ -3188,17 +3200,26 @@ b. overige verplichtingen alleen in aanmerking worden genomen voorzover de gezam Tot de bezittingen, respectievelijk schulden behoren niet: a. geldvorderingen op de als erfgenaam achtergelaten echtgenoot van een overleden ouder van de belastingplichtige die voortvloeien uit de verdeling van de nalatenschap van die ouder waarbij aan de genoemde echtgenoot alle goederen uit de nalatenschap zijn overgegaan onder de verplichting alle schulden van de nalatenschap voor zijn rekening te nemen; -b. schulden die corresponderen met de in onderdeel a genoemde vorderingen. +b. indien de nalatenschap is verdeeld overeenkomstig artikel 13 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek: geldvorderingen als bedoeld in artikel 80, eerste lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek; +c. schulden die corresponderen met de in de onderdelen a en b genoemde vorderingen. -**2.** Met fideï-commis bezwaarde bezittingen worden in aanmerking genomen als waren zij onbezwaard verkregen. +**2.** Tot de bezittingen behoren niet de goederen waarop ten gevolge van de uitoefening door de belastingplichtige van een wilsrecht als bedoeld in de artikelen 19 en 21 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek een vruchtgebruik rust ten behoeve van de langstlevende echtgenoot, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek. + +**3.** Indien goederen ingevolge het tweede lid niet tot de bezittingen van de in dat lid bedoelde belastingplichtige behoren, worden deze goederen bij de langstlevende echtgenoot als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek in aanmerking genomen alsof het in het tweede lid bedoelde wilsrecht niet was uitgeoefend. + +**4.** Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing bij de uitoefening van wilsrechten die inhoudelijk overeenkomen met de wilsrechten bedoeld in de artikelen 19 en 21 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek en die zijn opgekomen door een uiterste wilsbeschikking die tevens aanvankelijk voorziet in een verdeling van de nalatenschap zoals bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. + +**5.** Bezittingen die zijn verkregen onder de ontbindende voorwaarde van overlijden waarop een opschortende voorwaarde ten gunste van een verwachter aansluit, worden in aanmerking genomen als waren zij onvoorwaardelijk verkregen. ### Artikel 5.5 -**1.** Het heffingvrije vermogen bedraagt € 18 146. +**1.** Het heffingvrije vermogen bedraagt € 18 800. -**2.** Op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn *partner* wordt het heffingvrije vermogen van de belastingplichtige verhoogd tot € 36 292 en het heffingvrije vermogen van de partner verminderd tot nihil. Het verzoek wordt gedaan bij de aangifte van de belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen. +**2.** Op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn *partner* wordt het heffingvrije vermogen van de belastingplichtige verhoogd tot € 37 600 en het heffingvrije vermogen van de partner verminderd tot nihil. Het verzoek wordt gedaan bij de aangifte van de belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen. -**3.** Indien de belastingplichtige of zijn partner aan het einde van het kalenderjaar als ouder het gezag uitoefent over een minderjarig kind, wordt het in het eerste lid genoemde bedrag van € 18 146 of het in het tweede lid genoemde bedrag van € 36 292 per minderjarig kind verhoogd met € 2 422. Indien de belastingplichtige een partner heeft, geldt de in de eerste volzin bedoelde verhoging slechts ten aanzien van een van hen; de verhoging wordt toegepast bij de oudste, behoudens ingeval zij gezamenlijk anders verzoeken. Op een verzoek als bedoeld in de tweede volzin kan niet worden teruggekomen. +**3.** Het verzoek, bedoeld in het tweede lid, kan uitsluitend worden gedaan indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde *partner* heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad. + +**4.** Indien de belastingplichtige of zijn partner aan het einde van het kalenderjaar als ouder het gezag uitoefent over een minderjarig kind, wordt het in het eerste lid genoemde bedrag van € 18 800 of het in het tweede lid genoemde bedrag van € 37 600 per minderjarig kind verhoogd met € 2 510. Indien de belastingplichtige een partner heeft, geldt de in de eerste volzin bedoelde verhoging slechts ten aanzien van een van hen; de verhoging wordt toegepast bij de oudste, behoudens ingeval zij gezamenlijk anders verzoeken. Op een verzoek als bedoeld in de tweede volzin kan niet worden teruggekomen. ### Artikel 5.6 @@ -3207,17 +3228,21 @@ b. schulden die corresponderen met de in onderdeel a genoemde vorderingen. Het heffingvrije vermogen, bedoeld in artikel 5.5, wordt verhoogd met de ouderentoeslag indien: a. de belastingplichtige bij het einde van het kalenderjaar, of, indien de belastingplicht in de loop van het jaar is geëindigd, bij het einde van de belastingplicht, de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, en -b. de gemiddelde rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.2, na aftrek van het heffingvrije vermogen, bedoeld in artikel 5.5, doch voor het in aanmerking nemen van de ouderentoeslag (saldogrondslag) niet meer bedraagt dan € 240 166. +b. de gemiddelde rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.2, na aftrek van het heffingvrije vermogen, bedoeld in artikel 5.5, doch voor het in aanmerking nemen van de ouderentoeslag (saldogrondslag) niet meer bedraagt dan € 248 812. Bij een inkomen uit werk en woning vóór inachtneming van de uitgaven voor kinderopvang en de persoonsgebonden aftrek van: -| meer dan | maar niet meer dan | bedraagt de ouderentoeslag 50% van de saldogrondslag, doch ten hoogste | +| meer dan | maar niet meer dan | bedraagt de ouderentoeslag | | --- | --- | --- | -| – | € 12 276 | € 24 020 | -| € 12 276 | € 17 079 | € 12 010 | -| € 17 079 | –- | nihil | +| – | € 12 718 | € 24 886 | +| € 12 718 | € 17 694 | € 12 443 | +| € 17 694 | – | nihil | -**2.** Op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn *partner* wordt de ouderentoeslag van de belastingplichtige verhoogd met de ouderentoeslag waarop zijn partner op grond van het eerste lid recht heeft en wordt de ouderentoeslag van de partner verminderd tot nihil. Het verzoek wordt gedaan bij de aangifte van de belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen. +**2.** Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde *partner* heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, wordt voor de toepassing van het eerste lid onder saldogrondslag verstaan het gezamenlijke bedrag van de saldogrondslag van de belastingplichtige en de saldogrondslag van die *partner*, en wordt het in het eerste lid genoemde bedrag van € 248 812 verhoogd tot € 497 624. + +**3.** Op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn*partner* wordt het heffingvrije vermogen van de belastingplichtige, bedoeld in artikel 5.5, na toepassing van het eerste lid, verhoogd met de ouderentoeslag van de *partner* en wordt de ouderentoeslag van de *partner* verminderd tot nihil. Het verzoek wordt gedaan bij de aangifte van de belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen. + +**4.** Het verzoek, bedoeld in het tweede lid, kan uitsluitend worden gedaan indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde *partner* heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad. ### Afdeling 5.2. Vrijstellingen @@ -3251,19 +3276,16 @@ Tot de bezittingen behoren niet: a. rechten op kapitaalsuitkeringen of prestaties uit *levensverzekering*, uitsluitend bestaande uit een kapitaalsuitkering bij overlijden van de belastingplichtige, zijn *partner* of een bloed- of aanverwant, dan wel op prestaties in natura ter zake van de verzorging van een uitvaart, mits: -1°. de som van het verzekerde kapitaal uit dergelijke levensverzekeringen per verzekerde niet meer bedraagt dan € 5885; +1°. de som van het verzekerde kapitaal uit dergelijke levensverzekeringen per verzekerde niet meer bedraagt dan € 6097; -dan wel indien de som van het verzekerde kapitaal meer bedraagt dan  € 5885: -2°. de som van de waarde van die rechten per persoon niet meer bedraagt dan € 5885; +dan wel indien de som van het verzekerde kapitaal meer bedraagt dan  € 6097: +2°. de som van de waarde van die rechten per persoon niet meer bedraagt dan € 6097; b. rechten op kapitaalsuitkeringen die uitsluitend kunnen plaatsvinden bij invaliditeit, ziekte of ongeval; c. rechten op termijnen van een in artikel 4.28 bedoelde overdrachtsprijs van een aanmerkelijk belang. ### Artikel 5.11 -Tot de bezittingen behoren niet: - -a. spaartegoeden, aandelenoptierechten, aandelen of winstbewijzen die worden aangehouden ingevolge een premiespaarregeling als bedoeld in artikel 31a, van de Wet op de loonbelasting 1964, die betrekking hebben op de periode van vier jaar na de inhouding van de besparing; -b. geblokkeerde spaartegoeden, aandelenoptierechten, aandelen of winstbewijzen die worden aangehouden ingevolge een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964; tot een gezamenlijk bedrag van maximaal € 17 025. +Tot de bezittingen behoren niet de geblokkeerde spaartegoeden, aandelenoptierechten, aandelen en winstbewijzen die worden aangehouden ingevolge een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964, tot een gezamenlijk bedrag van maximaal € 17 025. ### Artikel 5.12 @@ -3273,7 +3295,7 @@ Tot de bezittingen en schulden behoren niet lopende termijnen van inkomsten en v ### Artikel 5.13 -**1.** Tot de bezittingen behoren niet maatschappelijke beleggingen tot een gezamenlijk maximum van  € 48 441. +**1.** Tot de bezittingen behoren niet maatschappelijke beleggingen tot een gezamenlijk maximum van  € 50 185. **2.** @@ -3282,7 +3304,9 @@ Maatschappelijke beleggingen zijn: a. groene beleggingen als bedoeld in artikel 5.14 en b. sociaal-ethische beleggingen als bedoeld in artikel 5.15. -**3.** Op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn partner wordt het in het eerste lid vermelde bedrag van de belastingplichtige verhoogd tot  € 96 882 en wordt het in het eerste lid vermelde bedrag van de partner verminderd tot nihil. Het verzoek wordt gedaan bij de aangifte van de belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen. +**3.** Op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn partner wordt het in het eerste lid vermelde bedrag van de belastingplichtige verhoogd tot  € 100 370 en wordt het in het eerste lid vermelde bedrag van de partner verminderd tot nihil. Het verzoek wordt gedaan bij de aangifte van de belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen. + +**4.** Het verzoek, bedoeld in het derde lid, kan uitsluitend worden gedaan indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde *partner* heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad. ### Artikel 5.14 @@ -3292,7 +3316,7 @@ b. sociaal-ethische beleggingen als bedoeld in artikel 5.15. Als groene fondsen kunnen voor de toepassing van dit artikel worden aangewezen: -a. kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, de Wet toezicht kredietwezen 1992, waarvan het doel en de feitelijke werkzaamheden hoofdzakelijk bestaan in het verstrekken van kredieten ten behoeve van projecten in het belang van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos, of het direct of indirect beleggen van vermogen in dergelijke projecten; +a. kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, waarvan het doel en de feitelijke werkzaamheden hoofdzakelijk bestaan in het verstrekken van kredieten ten behoeve van projecten in het belang van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos, of het direct of indirect beleggen van vermogen in dergelijke projecten; b. beleggingsinstellingen als bedoeld in de Wet toezicht beleggingsinstellingen, waarvan het doel en de feitelijke werkzaamheden hoofdzakelijk bestaan in het direct of indirect beleggen van vermogen in projecten in het belang van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos. **3.** @@ -3300,7 +3324,7 @@ b. beleggingsinstellingen als bedoeld in de Wet toezicht beleggingsinstellingen, Projecten als bedoeld in het tweede lid zijn: a. in Nederland gelegen projecten of categorieën van projecten die door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën en na overleg met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, bij ministeriële regeling of verklaring zijn aangewezen als projecten in het belang van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos; -b. in ontwikkelingslanden en daarmee gelijk te stellen gebieden gelegen projecten of categorieën van projecten die door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in overeenstemming met Onze Minister van Financiën en na overleg met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Ontwikkelingssamenwerking bij verklaring zijn aangewezen als projecten in het belang van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos. +b. in ontwikkelingslanden en daarmee gelijk te stellen gebieden gelegen projecten of categorieën van projecten die door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in overeenstemming met Onze Minister van Financiën en na overleg met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Ontwikkelingssamenwerking bij ministeriële regeling of verklaring zijn aangewezen als projecten in het belang van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos. **4.** Op verklaringen en aanwijzingen als bedoeld in het derde lid is artikel 8.4, onderdeel g, van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. @@ -3316,12 +3340,12 @@ b. in ontwikkelingslanden en daarmee gelijk te stellen gebieden gelegen projecte Als sociaal-ethische fondsen kunnen voor de toepassing van dit artikel worden aangewezen: -a. kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, de Wet toezicht kredietwezen 1992, waarvan het doel en de feitelijke werkzaamheden geheel of nagenoeg geheel bestaan in het verstrekken van kredieten ten behoeve van sociaal-ethische projecten, of in het direct of indirect beleggen van vermogen in dergelijke projecten; -b. beleggingsinstellingen als bedoeld in de Wet toezicht beleggingsinstellingen waarvan het doel en de feitelijke werkzaamheden geheel of nagenoeg geheel bestaan in het direct of indirect beleggen van vermogen in sociaal-ethische projecten. +a. kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, waarvan het doel en de feitelijke werkzaamheden hoofdzakelijk bestaan in het verstrekken van kredieten ten behoeve van sociaal-ethische projecten, of in het direct of indirect beleggen van vermogen in dergelijke projecten; +b. beleggingsinstellingen als bedoeld in de Wet toezicht beleggingsinstellingen waarvan het doel en de feitelijke werkzaamheden hoofdzakelijk bestaan in het direct of indirect beleggen van vermogen in sociaal-ethische projecten. **3.** -Sociaal-ethische projecten als bedoeld in het tweede lid zijn projecten die door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken en Onze Minister van Ontwikkelingssamenwerking bij ministeriële regeling of verklaring zijn aangewezen als projecten die in het belang zijn van: +Sociaal-ethische projecten als bedoeld in het tweede lid zijn projecten die door Onze Minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met Onze Minister van Financiën bij ministeriële regeling of verklaring zijn aangewezen als projecten die in het belang zijn van: a. de voedselzekerheid en voedingsverbetering in ontwikkelingslanden; b. de sociale en culturele ontwikkeling in ontwikkelingslanden of @@ -3331,13 +3355,13 @@ c. de economische ontwikkeling, werkgelegenheid en regionale ontwikkeling in ont **5.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld. Daaronder kunnen worden begrepen regels ter verzekering van de heffing over voordelen die niet voortvloeien uit het verstrekken van kredieten ten behoeve van sociaal-ethische projecten of uit het direct of indirect beleggen van vermogen in dergelijke projecten. Tevens kunnen daaronder worden begrepen regels ter verzekering van de heffing over voordelen voorzover deze verband houden met de in een sociaal-ethisch fonds aanwezige zuivere winst ten tijde van de aanwijzing van het fonds. -**6.** Bij ministeriële regeling kunnen in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken en Onze Minister van Ontwikkelingssamenwerking nadere regels worden gesteld met betrekking tot de verklaring bedoeld in het derde lid. Het ontwerp van een ministeriële regeling bedoeld in het derde lid of in de vorige volzin wordt ten minste vier weken voordat de regeling wordt vastgesteld, toegezonden aan de Staten-Generaal. +**6.** Bij ministeriële regeling kunnen in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken nadere regels worden gesteld met betrekking tot de verklaring bedoeld in het derde lid. Het ontwerp van een ministeriële regeling bedoeld in het derde lid of in de vorige volzin wordt ten minste vier weken voordat de regeling wordt vastgesteld, toegezonden aan de Staten-Generaal. ### Afdeling 5.3A. Beleggingen in durfkapitaal ### Artikel 5.16 -**1.** Tot de bezittingen behoren niet beleggingen in durfkapitaal tot een gezamenlijk maximum van € 48 441. +**1.** Tot de bezittingen behoren niet beleggingen in durfkapitaal tot een gezamenlijk maximum van € 50 185. **2.** @@ -3347,9 +3371,11 @@ a. directe beleggingen in durfkapitaal als bedoeld in artikel 5.17; b. indirecte beleggingen in durfkapitaal als bedoeld in artikel 5.18; c. culturele beleggingen. -**3.** Op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn partner wordt het in het eerste lid vermelde bedrag van de belastingplichtige verhoogd tot   € 96 882 en wordt het in het eerste lid vermelde bedrag van de partner verminderd tot nihil. Het verzoek wordt gedaan bij de aangifte van de belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen. +**3.** Op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn partner wordt het in het eerste lid vermelde bedrag van de belastingplichtige verhoogd tot € 100 370 en wordt het in het eerste lid vermelde bedrag van de partner verminderd tot nihil. Het verzoek wordt gedaan bij de aangifte van de belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen. -**4.** Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot culturele beleggingen, daaronder begrepen regels met betrekking tot de aanwijzing van cultuurprojecten en cultuurfondsen. +**4.** Het verzoek, bedoeld in het derde lid, kan uitsluitend worden gedaan indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde *partner* heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad. + +**5.** Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot culturele beleggingen, daaronder begrepen regels met betrekking tot de aanwijzing van cultuurprojecten en cultuurfondsen. ### Artikel 5.17 @@ -3433,7 +3459,7 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden ### Artikel 5.21 -Voor de waardering van effecten die zijn genoteerd aan Euronext effectenbeurs te Amsterdam wordt, in afwijking van artikel 5.19, eerste lid, de waarde in het economische verkeer op de einddatum gesteld op de slotnotering die is vermeld in de Officiële prijscourant, uitgegeven door AEX- Data Services, die geldt voor die einddatum. De waardering van effecten op de begindatum wordt gesteld op de slotnotering van het effect zoals die staat vermeld in de Officiële prijscourant die geldt voor de einddatum van het voorafgaande jaar. +Voor de waardering van effecten die zijn opgenomen in enige bij ministeriële regeling aangewezen prijscourant wordt de waarde in het economische verkeer op de einddatum gesteld op de slotnotering die is vermeld in de prijscourant die betrekking heeft op die einddatum, dan wel, indien er geen prijscourant is die betrekking heeft op die einddatum, de slotnotering die is vermeld in de prijscourant die betrekking heeft op de laatste beursdag voorafgaande aan de einddatum. De waardering van zodanige effecten op de begindatum wordt gesteld op de slotnotering van het voorafgaande kalenderjaar. Indien artikel 5.3, vijfde lid, van toepassing is, wordt de waarde in het economische verkeer op de begindatum gesteld op de slotnotering die is vermeld in de prijscourant die betrekking heeft op de laatste beursdag voorafgaande aan de begindatum. ### Artikel 5.22 @@ -3485,6 +3511,8 @@ h. aftrekbare giften (afdeling 6.9). **3.** Voorzover de persoonsgebonden aftrek het inkomen uit werk en woning en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van het kalenderjaar niet vermindert, vermindert de aftrek het inkomen uit aanmerkelijk belang van het jaar, maar niet verder dan tot nihil. +**4.** Voor de toepassing van het eerste en het derde lid wordt het inkomen uit werk en woning en het inkomen uit aanmerkelijk belang bepaald zonder rekening te houden met te conserveren inkomen. + ### Artikel 6.2a **1.** De inspecteur stelt het bedrag van de op enig tijdstip niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. @@ -3650,9 +3678,9 @@ a. uitgaven voor genees-, heel- en verloskundige hulp, met inbegrip van farmaceu b. uitgaven voor extra gezinshulp; c. extra uitgaven voor een op medisch voorschrift gehouden dieet indien zij meer bedragen dan € 113, tot een bedrag bepaald volgens bij ministeriële regeling te stellen regels; d. extra uitgaven voor kleding en beddengoed, volgens bij ministeriële regeling te stellen regels; -e. uitgaven voor reizen in verband met het regelmatig bezoeken van wegens ziekte of invaliditeit langer dan een maand verpleegde personen met wie de bezoeker bij de aanvang van de ziekte of invaliditeit een gezamenlijke huishouding voerde, indien de enkele reisafstand meer beloopt dan 10 kilometer. +e. uitgaven voor reizen in verband met het regelmatig bezoeken van wegens ziekte of invaliditeit langer dan een maand verpleegde personen met wie de bezoeker bij de aanvang van de ziekte of invaliditeit een gezamenlijke huishouding voerde, indien de de afstand tussen de woning of de verblijfplaats van de bezoeker en de plaats waar de verpleging plaatsvindt gemeten langs de meest gebruikelijke weg meer beloopt dan 10 kilometer. -**2.** Als hulpmiddel wordt mede aangemerkt een middel dat de belastingplichtige in staat stelt tot het verrichten van een normale lichaamsfunctie waartoe hij zonder dat middel niet in staat zou zijn. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de aard van de hulpmiddelen ter zake waarvan uitgaven in aanmerking kunnen worden genomen. +**2.** Als hulpmiddel wordt mede aangemerkt een middel dat de persoon in staat stelt tot het verrichten van een normale lichaamsfunctie waartoe hij zonder dat middel niet in staat zou zijn. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de aard van de hulpmiddelen ter zake waarvan uitgaven in aanmerking kunnen worden genomen. ### Artikel 6.18 @@ -3662,7 +3690,8 @@ Met betrekking tot de uitgaven, bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel a a. uitgaven voor farmaceutische hulpmiddelen die niet zijn verstrekt op voorschrift van een arts, in aanmerking genomen tot een bedrag van € 23 per persoon; b. premie en premievervangende belasting voor de volksverzekeringen en uitgaven voor naar aard en strekking daarmee overeenkomende buitenlandse regelingen, andere dan de premie, bedoeld in artikel 17 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, niet in aanmerking genomen; -c. premies en bijdragen voor een ziektekostenregeling, niet zijnde de Ziekenfondswet, slechts in aanmerking genomen voorzover het gezamenlijke bedrag betrekking heeft op een tijdvak van hoogstens twaalf maanden. +c. premies en bijdragen voor een ziektekostenregeling, niet zijnde de Ziekenfondswet, slechts in aanmerking genomen voorzover het gezamenlijke bedrag betrekking heeft op een tijdvak van hoogstens twaalf maanden; +d. de op grond van krachtens artikel 6 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten uitgevaardigde regelgeving verschuldigde bijdragen in verband met het verblijf in een instelling die op grond van artikel 8 van die wet is toegelaten om zorg te verlenen, in aanmerking genomen tot een bedrag van 25% van die bijdragen. **2.** @@ -3671,10 +3700,10 @@ Uitgaven voor gezinshulp worden als extra aangemerkt voorzover zij meer bedragen | Bij een verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek van | | | | --- | --- | --- | | meer dan | maar niet meer dan | worden de uitgaven voor gezinshulp geacht extra te zijn voorzover zij meer bedragen dan het in deze kolom vermelde percentage van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek | -| – | € 25 775 | 0% | -| € 25 775 | € 38 663 | 1% | -| € 38 663 | € 51 550 | 2% | -| € 51 550 | – | 3% | +| – | € 26 703 | 0% | +| € 26 703 | € 40 055 | 1% | +| € 40 055 | € 53 406 | 2% | +| € 53 406 | – | 3% | **3.** Indien de belastingplichtige gedurende het gehele jaar een *partner* heeft, worden de uitgaven voor gezinshulp samengevoegd. Over deze periode geldt voor de toepassing van het tweede lid in plaats van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek het gezamenlijke bedrag van de verzamelinkomens van de belastingplichtige en zijn partner vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek. @@ -3686,7 +3715,7 @@ Uitgaven voor gezinshulp worden als extra aangemerkt voorzover zij meer bedragen De uitgaven, bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel e, worden in aanmerking genomen, indien wordt gereisd: -a. per auto anders dan per taxi: voor € 0,17 per kilometer; +a. per auto anders dan per taxi: voor € 0,18 per kilometer; b. op andere wijze: voor de werkelijke kosten. ### Artikel 6.19 @@ -3709,19 +3738,19 @@ Uitgaven wegens arbeidsongeschiktheid of chronische ziekte worden in aanmerking a. de belastingplichtige aannemelijk maakt dat hij door ziekte of gebreken niet in staat is om ten minste 55% te verdienen van wat door lichamelijk en geestelijk gezonde belastingplichtigen die overigens in gelijke omstandigheden verkeren, kunnen verdienen, en daartoe ook hetzij in het afgelopen jaar niet in staat is geweest hetzij vermoedelijk in het eerstkomende jaar niet in staat zal zijn of b. in de twee voorafgaande kalenderjaren bij de berekening van het verzamelinkomen van de belastingplichtige of zijn partner ter zake van de belastingplichtige buitengewone uitgaven in aftrek zijn gekomen. -**2.** Het in aanmerking te nemen bedrag wordt gesteld op € 730. +**2.** Het in aanmerking te nemen bedrag wordt gesteld op € 757. ### Artikel 6.21 **1.** Uitgaven wegens ouderdom worden in aanmerking genomen indien de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar 65 jaar of ouder is. -**2.** Het in aanmerking te nemen bedrag wordt gesteld op € 730. +**2.** Het in aanmerking te nemen bedrag wordt gesteld op € 757. ### Artikel 6.22 **1.** Uitgaven wegens chronische ziekte van *kinderen* worden in aanmerking genomen indien in de twee voorafgaande kalenderjaren bij de berekening van het verzamelinkomen van de belastingplichtige of zijn partner ter zake van de belastingplichtige buitengewone uitgaven in aftrek zijn gekomen die voor ten minste een derde deel kunnen worden toegerekend aan een of meer kinderen die bij het begin van het kalenderjaar jonger zijn dan 27 jaar en door de belastingplichtige in belangrijke mate worden onderhouden. -**2.** Het in aanmerking te nemen bedrag wordt gesteld op € 730. +**2.** Het in aanmerking te nemen bedrag wordt gesteld op € 757. **3.** Indien zowel de belastingplichtige als zijn *partner* uitgaven wegens chronische ziekte van kinderen in aanmerking nemen, wordt het in aanmerking te nemen bedrag gesteld op de helft van het bedrag genoemd in het tweede lid, zonodig naar boven af te ronden op een geheel getal. @@ -3737,9 +3766,9 @@ b. in de twee voorafgaande kalenderjaren bij de berekening van het verzamelinkom Buitengewone uitgaven worden in aanmerking genomen voorzover zij samen meer bedragen dan: -a. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 6411 niet te boven gaat: € 718; -b. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 6411 te boven gaat maar € 49 946 niet te boven gaat: 11,2% van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek; -c. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 49 946 te boven gaat: € 5594. +a. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 6643 niet te boven gaat: € 744; +b. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 6643 te boven gaat maar € 51 750 niet te boven gaat: 11,2% van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek; +c. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 51 750 te boven gaat: € 5796. **2.** @@ -3748,9 +3777,9 @@ Het bedrag aan buitengewone uitgaven dat op grond van het eerste lid in aanmerki a. met een kwart indien in het voorafgaande kalenderjaar bij de berekening van het inkomen uit werk en woning van de belastingplichtige of dat van zijn partner buitengewone uitgaven in aanmerking zijn gekomen en het verzamelinkomen van het kalenderjaar vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek het bedrag dat is genoemd in de tweede regel van de tweede kolom van de tabel in artikel 2.10 niet te boven gaat; b. met de helft indien in de twee voorafgaande kalenderjaren bij de berekening van het inkomen uit werk en woning van de belastingplichtige of dat van zijn partner buitengewone uitgaven in aanmerking zijn gekomen en het verzamelinkomen van het kalenderjaar vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek het bedrag dat is genoemd in de tweede regel van de tweede kolom van de tabel in artikel 2.10 niet te boven gaat. -**3.** Indien de belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar een *partner* heeft, worden de buitengewone uitgaven samengevoegd. Over deze periode geldt voor de toepassing van het eerste en het tweede lid in plaats van het verzamelinkomen voor toepassing van de persoonsgebonden aftrek het gezamenlijke bedrag van de verzamelinkomens van de belastingplichtige en zijn partner vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek en worden in het eerste lid, onderdeel a en onderdeel b, het bedrag van € 6411 vervangen door: € 12 822 en het bedrag van € 718 door:  € 1436. +**3.** Indien de belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar een *partner* heeft, worden de buitengewone uitgaven samengevoegd. Over deze periode geldt voor de toepassing van het eerste en het tweede lid in plaats van het verzamelinkomen voor toepassing van de persoonsgebonden aftrek het gezamenlijke bedrag van de verzamelinkomens van de belastingplichtige en zijn partner vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek en worden in het eerste lid, onderdeel a en onderdeel b, het bedrag van € 6643 vervangen door: € 13 286 en het bedrag van € 744 door:  € 1488. -**4.** Indien de belastingplichtige gedurende een deel van het kalenderjaar een partner heeft en zij bij een verzoek om voorlopige teruggaaf of bij een aangifte een keuze als bedoeld in artikel 2.17, zesde lid, van deze wet hebben gemaakt, wordt de belastingplichtige voor de toepassing van het tweede en het derde lid geacht gedurende het gehele kalenderjaar een partner te hebben gehad. +**4.** Indien de belastingplichtige gedurende een deel van het kalenderjaar een partner heeft en zij bij een verzoek om voorlopige teruggaaf of bij een aangifte een keuze als bedoeld in artikel 2.17, zevende lid, van deze wet hebben gemaakt, wordt de belastingplichtige voor de toepassing van het tweede en het derde lid geacht gedurende het gehele kalenderjaar een partner te hebben gehad. ### Afdeling 6.6. Weekenduitgaven voor gehandicapte kinderen @@ -3781,7 +3810,7 @@ b. werk- of studeerruimten, daaronder begrepen de inrichting; c. reizen en verblijven, daaronder begrepen excursies en studiereizen; d. oorzaken die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen. -**2.** Scholingsuitgaven komen niet voor aftrek in aanmerking voorzover voor een opleiding of studie aan de belastingplichtige vrijgestelde uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 3.104, onderdelen d, e en g, onder 2°, worden verstrekt. +**2.** Scholingsuitgaven komen niet voor aftrek in aanmerking voorzover voor een opleiding of studie aan de belastingplichtige vrijgestelde uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 3.104, onderdelen d, e en g, onder 3°, worden verstrekt. ### Artikel 6.29 @@ -3807,7 +3836,7 @@ d. oorzaken die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen. Als uitgaven met betrekking tot een monumentenpand worden in aanmerking genomen: -a. indien het een eigen woning als bedoeld in het eerste of derde lid van artikel 3.111 betreft: het bedrag van de kosten, lasten en afschrijvingen – andere dan renten van schulden, kosten van geldleningen en periodieke betalingen ingevolge de rechten van erfpacht, opstal of beklemming – verminderd met 1,10% van de eigenwoningwaarde, met dien verstande dat die vermindering niet minder dan € 136 en niet meer dan € 11 450 bedraagt; +a. indien het een eigen woning als bedoeld in het eerste of derde lid van artikel 3.111 betreft: het bedrag van de kosten, lasten en afschrijvingen – andere dan renten van schulden, kosten van geldleningen en periodieke betalingen ingevolge de rechten van erfpacht, opstal of beklemming – verminderd met 1,15% van de eigenwoningwaarde, met dien verstande dat die vermindering niet minder dan € 136 en niet meer dan € 11 750 bedraagt; b. indien het een onroerende zaak betreft die volgens artikel 5.1 in de belastingheffing wordt betrokken: het bedrag van de onderhoudskosten, verminderd met 4% van de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak op de begindatum als bedoeld in artikel 5.2, waarbij de waarde in het economisch verkeer van de onroerende zaak wordt bepaald met toepassing van artikel 5.19. **2.** Onder monumentenpand wordt verstaan een pand dat is ingeschreven in een van de registers, bedoeld in artikel 6 of artikel 7 van de Monumentenwet 1988. @@ -3845,11 +3874,11 @@ Andere *giften* zijn giften aan in Nederland gevestigde *instellingen*. ### Artikel 6.36 -Indien *giften* de vorm hebben van het afzien van een vergoeding van kosten voor vervoer per auto, anders dan per taxi, worden zij in aanmerking genomen voor € 0,17 per kilometer. +Indien *giften* de vorm hebben van het afzien van een vergoeding van kosten voor vervoer per auto, anders dan per taxi, worden zij in aanmerking genomen voor € 0,18 per kilometer. ### Artikel 6.37 -Giften aan niet in Nederland gevestigde instellingen worden aangemerkt als aftrekbare giften voorzover de instellingen daartoe bij ministeriële regeling zijn aangewezen. +Giften aan niet in Nederland gevestigde instellingen worden aangemerkt als aftrekbare giften voorzover de instellingen daartoe door Onze Minister zijn aangewezen. ### Artikel 6.38 @@ -3861,7 +3890,7 @@ Periodieke *giften* worden in aanmerking genomen indien zij berusten op een bij **2.** Indien de belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar een *partner* heeft worden andere giften samengevoegd. Over deze periode geldt voor de toepassing van het eerste lid, in plaats van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek het gezamenlijke bedrag van de verzamelinkomens van de belastingplichtige en zijn partner vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek. -**3.** Indien de belastingplichtige gedurende een deel van het kalenderjaar een partner heeft en zij bij een verzoek om voorlopige teruggaaf of bij een aangifte een keuze als bedoeld in artikel 2.17, zesde lid, van deze wet hebben gemaakt, wordt de belastingplichtige voor de toepassing van het tweede lid geacht gedurende het gehele kalenderjaar een partner te hebben gehad. +**3.** Indien de belastingplichtige gedurende een deel van het kalenderjaar een partner heeft en zij bij een verzoek om voorlopige teruggaaf of bij een aangifte een keuze als bedoeld in artikel 2.17, zevende lid, van deze wet hebben gemaakt, wordt de belastingplichtige voor de toepassing van het tweede lid geacht gedurende het gehele kalenderjaar een partner te hebben gehad. ### Afdeling 6.10. Tijdstip aftrek @@ -3896,7 +3925,7 @@ c. belastbare inkomen uit sparen en beleggen in Nederland. Het inkomen uit werk en woning in Nederland is het gezamenlijke bedrag van: -a. de belastbare winst uit Nederlandse onderneming, dat is het bedrag van de gezamenlijke voordelen die worden verkregen uit een onderneming die, of het gedeelte van een onderneming dat wordt gedreven met behulp van een vaste inrichting in Nederland of een vaste vertegenwoordiger in Nederland (Nederlandse onderneming); +a. de belastbare winst uit Nederlandse onderneming, dat is de belastbare winst, bedoeld in de artikelen 3.2 en 3.3 uit een onderneming die, of het gedeelte van een onderneming dat wordt gedreven met behulp van een vaste inrichting in Nederland of een vaste vertegenwoordiger in Nederland (Nederlandse onderneming); b. het belastbaar loon ter zake van het in Nederland verrichten of hebben verricht van arbeid; c. het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in Nederland; d. de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen voorzover de daarvoor betaalde premies als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking zijn genomen of voortkomen uit *pensioenregelingen* voorzover de daarvoor betaalde premies ten laste van de belastbare winst van een Nederlandse onderneming zijn gebracht, waarbij met het in aanmerking nemen van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen op grond van artikel 3.133, tweede lid, onderdelen h of j, of artikel 3.136, dan wel in de periode van buitenlandse belastingplicht, geen rekening wordt gehouden; @@ -3906,7 +3935,7 @@ g. de negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen; verminderd met: h. de uitgaven voor inkomensvoorzieningen en i. de uitgaven voor kinderopvang. -**3.** Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, worden de werkzaamheden in Nederland verricht in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep door een niet-ingezetene die ingevolge een overeenkomst van korte duur, dan wel kortstondig krachtens een andere grond, als musicus of anderszins als artiest optreedt dan wel als beroep een tak van sport beoefent, steeds aangemerkt als een vaste inrichting in Nederland. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel c, is artikel 1.2, derde lid, onderdeel b, niet van toepassing. +**3.** Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, worden de werkzaamheden in Nederland verricht in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep door een niet-ingezetene die ingevolge een overeenkomst van korte duur, dan wel kortstondig krachtens een andere grond, als musicus of anderszins als artiest optreedt dan wel als beroep een tak van sport beoefent, steeds aangemerkt als een vaste inrichting in Nederland. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel c, is artikel 1.2, derde lid, onderdeel b, niet van toepassing en wordt onder werkzaamheid in Nederland mede verstaan het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen als bedoeld in de artikelen 3.91 en 3.92 aan het in Nederland gevestigde deel van een onderneming, werkzaamheid of vennootschap. **4.** Indien de berekening van het inkomen uit werk en woning in Nederland leidt tot een negatief bedrag wordt dit aangemerkt als een verlies uit werk en woning in Nederland. De verrekening van dit verlies vindt plaats overeenkomstig de regels van afdeling 3.13. @@ -4017,9 +4046,8 @@ g. de aanvullende alleenstaande-ouderkorting (artikel 8.16); h. de jonggehandicaptenkorting (artikel 8.16a); i. de ouderenkorting (artikel 8.17); j. de aanvullende ouderenkorting (artikel 8.18); -k. de korting voor maatschappelijke beleggingen (artikel 8.19); -l. de korting voor beleggingen in durfkapitaal (artikel 8.20). -m. de toetrederskorting (artikel 8.21). +k. de korting voor maatschappelijke beleggingen (artikel 8.19) en +l. de korting voor directe beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen (artikel 8.20). ### Artikel 8.3 @@ -4039,7 +4067,7 @@ De heffingskorting voor de algemene verzekering bijzondere ziektekosten is het d ### Artikel 8.7 -**1.** Bij de toepassing van artikel 8.3, artikel 8.5 en artikel 8.6 op het deel van de standaardheffingskorting dat op de ouderenkorting, de aanvullende ouderenkorting, de korting voor maatschappelijke beleggingen of de korting voor beleggingen in durfkapitaal betrekking heeft, wordt het *gecombineerde heffingspercentage *verminderd met het volgens artikel 10a, tweede lid, van de Wet financiering volksverzekeringen voor de algemene ouderdomsverzekering vastgestelde premiepercentage. In dat geval wordt het aan de heffingskorting voor de algemene ouderdomsverzekering toerekenbare deel van de ouderenkorting, de aanvullende ouderenkorting, de korting voor maatschappelijke beleggingen en de korting voor beleggingen in durfkapitaal in afwijking van artikel 8.4 op nihil gesteld. +**1.** Bij de toepassing van artikel 8.3, artikel 8.5 en artikel 8.6 op het deel van de standaardheffingskorting dat op de ouderenkorting, de aanvullende ouderenkorting, de korting voor maatschappelijke beleggingen of de korting voor directe beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen betrekking heeft, wordt het *gecombineerde heffingspercentage *verminderd met het volgens artikel 10a, tweede lid, van de Wet financiering volksverzekeringen voor de algemene ouderdomsverzekering vastgestelde premiepercentage. In dat geval wordt het aan de heffingskorting voor de algemene ouderdomsverzekering toerekenbare deel van de ouderenkorting, de aanvullende ouderenkorting, de korting voor maatschappelijke beleggingen en de korting voor directe beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen in afwijking van artikel 8.4 op nihil gesteld. **2.** In het jaar waarin de belastingplichtige de leeftijd van 65 jaar bereikt, wordt bij de toepassing van artikel 8.4 op het deel van de standaardheffingskorting dat niet op de ouderenkorting en de aanvullende ouderenkorting betrekking heeft, het daar genoemde, volgens artikel 10a, tweede lid, van de Wet financiering volksverzekeringen vastgestelde premiepercentage voor de algemene ouderdomsverzekering verlaagd met dat deel van het laatstgenoemde percentage dat daartoe in dezelfde verhouding staat als het aantal in het kalenderjaar resterende maanden vanaf de eerste dag van de kalendermaand waarin de verzekerde de leeftijd van 65 jaar zal bereiken staat tot twaalf kalendermaanden. @@ -4049,7 +4077,7 @@ De *gecombineerde heffingskorting* bedraagt maximaal het bedrag van de *gecombin ### Artikel 8.9 -**1.** Indien de *gecombineerde heffingskorting* door artikel 8.8 zou worden beperkt tot een niveau beneden het gezamenlijke bedrag van de algemene heffingskorting en de voor de belastingplichtige geldende arbeidskorting, kinderkorting, aanvullende kinderkorting, combinatiekorting en toetrederskorting wordt indien de belastingplichtige in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden dezelfde *partner* heeft, de gecombineerde heffingskorting verhoogd tot het gezamenlijke bedrag van de voor hem geldende algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de kinderkorting, de aanvullende kinderkorting, de combinatiekorting en de toetrederskorting. +**1.** Indien de *gecombineerde heffingskorting* door artikel 8.8 zou worden beperkt tot een niveau beneden het gezamenlijke bedrag van de algemene heffingskorting en de voor de belastingplichtige geldende arbeidskorting, kinderkorting, aanvullende kinderkorting en combinatiekorting wordt indien de belastingplichtige in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden dezelfde *partner* heeft, de gecombineerde heffingskorting verhoogd tot het gezamenlijke bedrag van de voor hem geldende algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de kinderkorting, de aanvullende kinderkorting en de combinatiekorting. **2.** De verhoging van de gecombineerde heffingskorting bedraagt maximaal het bedrag van de door de partner verschuldigde *gecombineerde inkomensheffing* verminderd met zijn gecombineerde heffingskorting. @@ -4073,7 +4101,7 @@ De *gecombineerde heffingskorting* bedraagt maximaal het bedrag van de *gecombin **1.** De algemene heffingskorting geldt voor iedere belastingplichtige. -**2.** De algemene heffingskorting bedraagt € 1647. +**2.** De algemene heffingskorting bedraagt € 1766. ### Artikel 8.11 @@ -4083,18 +4111,18 @@ De *gecombineerde heffingskorting* bedraagt maximaal het bedrag van de *gecombin De arbeidskorting wordt berekend over het gezamenlijke bedrag van hetgeen met tegenwoordige arbeid is genoten als winst uit een of meer ondernemingen, loon en resultaat uit een of meer werkzaamheden (arbeidskortingsgrondslag). De arbeidskorting bedraagt de som van: -a. 1,729% van de arbeidskortingsgrondslag met een maximum van € 133, en -b. 10,621% van de arbeidskortingsgrondslag voorzover die meer bedraagt dan € 7692. +a. 1,725% van de arbeidskortingsgrondslag met een maximum van € 138, en +b. 10,7% van de arbeidskortingsgrondslag voorzover die meer bedraagt dan € 8001. -De arbeidskorting bedraagt ten minste de volgens artikel 22a van de Wet op de loonbelasting 1964 toegekende arbeidskorting, maar maximaal € 949. +De arbeidskorting bedraagt ten minste de volgens artikel 22a van de Wet op de loonbelasting 1964 toegekende arbeidskorting, maar maximaal € 1104. **3.** In afwijking van het tweede lid wordt: -a. ingeval de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 57 jaar heeft bereikt maar nog niet de leeftijd van 60, het percentage, bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, onderdeel b, vervangen door 13,575% en het bedrag, bedoeld in het tweede lid, derde volzin, vervangen door € 1176; -b. ingeval de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt maar nog niet de leeftijd van 62, het percentage, bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, onderdeel b, vervangen door 16,530% en het bedrag, bedoeld in het tweede lid, derde volzin, vervangen door € 1403; -c. ingeval de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 62 jaar heeft bereikt, het percentage, bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, onderdeel b, vervangen door 19,485% en het bedrag, bedoeld in het tweede lid, derde volzin, vervangen door € 1630. +a. ingeval de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 57 jaar heeft bereikt maar nog niet de leeftijd van 60, het percentage, bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, onderdeel b, vervangen door 13,7% en het bedrag, bedoeld in het tweede lid, derde volzin, vervangen door € 1339; +b. ingeval de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt maar nog niet de leeftijd van 62, het percentage, bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, onderdeel b, vervangen door 16,7% en het bedrag, bedoeld in het tweede lid, derde volzin, vervangen door € 1574; +c. ingeval de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 62 jaar heeft bereikt, het percentage, bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, onderdeel b, vervangen door 19,6% en het bedrag, bedoeld in het tweede lid, derde volzin, vervangen door € 1809. ### Artikel 8.12 @@ -4103,9 +4131,9 @@ c. ingeval de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd De kinderkorting geldt voor de belastingplichtige indien: a. in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden tot zijn huishouden een *kind* behoort dat in belangrijke mate door hem of zijn *partner* wordt onderhouden en dat bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar niet heeft bereikt en gedurende die tijd op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige of zijn partner staat ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens en -b. het gezamenlijke verzamelinkomen van de belastingplichtige en zijn partner niet hoger is dan € 56 191. +b. het gezamenlijke verzamelinkomen van de belastingplichtige en zijn partner niet hoger is dan € 58 214. -**2.** De kinderkorting bedraagt € 40. +**2.** De kinderkorting bedraagt € 41. **3.** Indien de belastingplichtige een partner heeft geldt de kinderkorting alleen voor de belastingplichtige met het hoogste verzamelinkomen. Indien het verzamelinkomen van de belastingplichtige gelijk is aan dat van zijn partner geldt de kinderkorting alleen voor de oudste belastingplichtige. Op gezamenlijk verzoek van deze belastingplichtige en zijn partner, wordt het bedrag van de kinderkorting toegekend aan de partner van die belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen. @@ -4120,11 +4148,16 @@ b. het gezamenlijke verzamelinkomen van de belastingplichtige en zijn partner ni De aanvullende kinderkorting geldt voor de belastingplichtige indien: a. voor hem de kinderkorting geldt, en -b. het gezamenlijke verzamelinkomen van de belastingplichtige en zijn *partner* niet hoger is dan € 28.096.2. +b. het gezamenlijke verzamelinkomen van de belastingplichtige en zijn partner niet hoger is dan € 29 108. -**2.** De aanvullende kinderkorting bedraagt € 198. +**2.** -**3.** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder partner mede verstaan de in artikel 3.91, tweede lid, onderdeel b, 2° tot en met 5° bedoelde verbonden personen. +De aanvullende kinderkorting bedraagt: + +a. bij een gezamenlijk verzamelinkomen van niet meer dan € 27 438: € 534; +b. bij een gezamenlijk verzamelinkomen van meer dan € 27 438 maar niet meer dan € 29 108:  € 354. + +**3.** Het in het tweede lid, onderdeel a, vermelde bedrag wordt verhoogd met € 63 indien in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden tot het huishouden van de belastingplichtige ten minste drie kinderen behoren die in belangrijke mate door hem of zijn partner worden onderhouden en die bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar niet hebben bereikt en gedurende die tijd op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige of zijn partner staan ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens. **4.** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder partner mede verstaan de in artikel 3.91, tweede lid, onderdeel b, 2° tot en met 5° bedoelde verbonden personen. @@ -4134,7 +4167,7 @@ b. het gezamenlijke verzamelinkomen van de belastingplichtige en zijn *partner* De combinatiekorting geldt voor de belastingplichtige indien: -a. hij met tegenwoordige arbeid meer dan € 4060 winst uit een of meer ondernemingen, loon of resultaat uit een of meer werkzaamheden heeft genoten of in aanmerking komt voor de zelfstandigenaftrek, en +a. hij met tegenwoordige arbeid meer dan € 4206 winst uit een of meer ondernemingen, loon of resultaat uit een of meer werkzaamheden heeft genoten of in aanmerking komt voor de zelfstandigenaftrek, en b. in het kalenderjaar ten minste zes maanden tot zijn huishouden een kind behoort dat: 1°. bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt en @@ -4142,7 +4175,7 @@ b. in het kalenderjaar ten minste zes maanden tot zijn huishouden een kind behoo Bij ministeriële regeling wordt bepaald in welke gevallen niet behoeft te worden voldaan aan het laatste vereiste. -**2.** De combinatiekorting bedraagt € 190. +**2.** De combinatiekorting bedraagt € 214. **3.** Indien uitsluitend als gevolg van het overlijden in het kalenderjaar van de belastingplichtige dan wel van een in het eerste lid, onderdeel b, bedoeld kind niet voldaan wordt aan de in het eerste lid bedoelde termijn van zes maanden, wordt voor de toepassing van dit artikel met betrekking tot dat jaar wel geacht te zijn voldaan aan die termijn. @@ -4156,7 +4189,7 @@ a. geen *partner* heeft; b. een huishouding voert met een *kind* dat in belangrijke mate door hem wordt onderhouden en op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens, en c. deze huishouding voert met geen ander dan kinderen die bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 27 jaar niet hebben bereikt. -**2.** De alleenstaande-ouderkorting bedraagt € 1301. +**2.** De alleenstaande-ouderkorting bedraagt € 1348. **3.** Indien uitsluitend als gevolg van het overlijden in het kalenderjaar van de belastingplichtige dan wel van een in het eerste lid, onderdeel b, bedoeld kind niet voldaan wordt aan de in het eerste lid bedoelde termijn van zes maanden, wordt voor de toepassing van dit artikel met betrekking tot dat jaar wel geacht te zijn voldaan aan die termijn. @@ -4170,7 +4203,7 @@ a. voor hem de alleenstaande-ouderkorting geldt; b. hij tegenwoordige arbeid verricht, en c. in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden tot zijn huishouden een *kind* behoort dat bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 16 jaar niet heeft bereikt en gedurende die tijd op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens. -**2.** De aanvullende alleenstaande-ouderkorting bedraagt 4,3% van het bedrag dat met tegenwoordige arbeid aan winst uit een of meer ondernemingen, loon of resultaat uit een of meer werkzaamheden is begrepen in het belastbare inkomen uit werk en woning, maar maximaal € 1301. +**2.** De aanvullende alleenstaande-ouderkorting bedraagt 4,3% van het bedrag dat met tegenwoordige arbeid aan winst uit een of meer ondernemingen, loon of resultaat uit een of meer werkzaamheden is begrepen in het belastbare inkomen uit werk en woning, maar maximaal € 1348. **3.** Indien uitsluitend als gevolg van het overlijden in het kalenderjaar van de belastingplichtige dan wel van een in het eerste lid, onderdeel c, bedoeld kind niet voldaan wordt aan de in het eerste lid bedoelde termijn van zes maanden, wordt voor de toepassing van dit artikel met betrekking tot dat jaar wel geacht te zijn voldaan aan die termijn. @@ -4178,13 +4211,13 @@ c. in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden tot zijn huishouden een *k **1.** De jonggehandicaptenkorting geldt voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar een uitkering geniet op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, tenzij voor hem de ouderenkorting geldt. -**2.** De jonggehandicaptenkorting bedraagt  € 500. +**2.** De jonggehandicaptenkorting bedraagt  € 518. ### Artikel 8.17 -**1.** De ouderenkorting geldt voor de belastingplichtige die bij het einde van het kalenderjaar, of, indien de belastingplicht in de loop van het jaar is geëindigd, bij het einde van de belastingplicht, de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en die een verzamelinkomen heeft van niet meer dan € 28 563. +**1.** De ouderenkorting geldt voor de belastingplichtige die bij het einde van het kalenderjaar, of, indien de belastingplicht in de loop van het jaar is geëindigd, bij het einde van de belastingplicht, de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en die een verzamelinkomen heeft van niet meer dan € 29592. -**2.** De ouderenkorting bedraagt € 289. +**2.** De ouderenkorting bedraagt € 346. ### Artikel 8.18 @@ -4195,7 +4228,7 @@ De aanvullende ouderenkorting geldt voor de belastingplichtige indien: a. voor hem de ouderenkorting geldt, en b. hij in het kalenderjaar in aanmerking komt voor een uitkering als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a of onderdeel c, van de Algemene Ouderdomswet, of daarvoor in aanmerking zou komen indien hij zou voldoen aan de voorwaarde van artikel 7, onderdeel b, van de Algemene Ouderdomswet. -**2.** De aanvullende ouderenkorting bedraagt € 256. +**2.** De aanvullende ouderenkorting bedraagt € 242. ### Artikel 8.19 @@ -4205,54 +4238,13 @@ b. hij in het kalenderjaar in aanmerking komt voor een uitkering als bedoeld in ### Artikel 8.20 -**1.** De korting voor beleggingen in durfkapitaal geldt voor belastingplichtigen van wie beleggingen in durfkapitaal zijn vrijgesteld ingevolge artikel 5.16. +**1.** De korting voor directe beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen geldt voor de belastingplichtige van wie directe beleggingen in durfkapitaal als bedoeld in artikel 5.17 ingevolge artikel 5.16 zijn vrijgesteld of van wie culturele beleggingen ingevolge artikel 5.16 zijn vrijgesteld. -**2.** De korting voor beleggingen in durfkapitaal bedraagt 1,3% van het gemiddelde van de bedragen die ingevolge artikel 5.16 op begindatum en op einddatum zijn vrijgesteld. +**2.** De korting voor directe beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen bedraagt 1,3% van het gemiddelde van de bedragen aan directe beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen die ingevolge artikel 5.16 op begindatum en op einddatum zijn vrijgesteld. ### Artikel 8.21 -**1.** - -De toetrederskorting geldt voor de belastingplichtige die als gevolg van het gaan verrichten van arbeid in het kalenderjaar of het voorafgaande kalenderjaar, niet zijnde gesubsidieerde arbeid, gedurende een aaneengesloten periode van ten minste zes maanden: - -a. is opgehouden met het genieten van een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet inkomensvoorziening kunstenaars of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten; -b. is opgehouden met het verrichten van arbeid als bedoeld in de artikelen 4 of 5 van de Wet inschakeling werkzoekenden; -c. is opgehouden met het verrichten van arbeid als bedoeld in de artikelen 2 of 7 van de Wet sociale werkvoorziening; -d. is opgehouden met het verrichten van arbeid, waarvoor de werkgever krachtens artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies een vergoeding ontving als bedoeld in artikel 6 van het Besluit in- en doorstroombanen, en -e. hij met die arbeid in het kalenderjaar ten minste € 7692 aan winst uit een of meer ondernemingen, loon en resultaat uit een of meer werkzaamheden geniet of ter zake van die arbeid in aanmerking komt voor de zelfstandigenaftrek. - -De eerste volzin geldt slechts indien de daarin bedoelde uitkeringen of de daarin bedoelde arbeid tezamen in een periode van achttien maanden gedurende twaalf maanden of meer hebben plaatsgevonden en deze periode direct voorafgaat aan het moment waarop de belastingplichtige is opgehouden bedoelde uitkeringen te genieten of bedoelde arbeid te verrichten en hij in de voorafgaande kalenderjaren nog niet een toetrederskorting heeft genoten. - -Voor de toepassing van de aanhef van de eerste volzin wordt onder gesubsidieerde arbeid verstaan arbeid als bedoeld in de onderdelen b, c en d van die volzin. - -**2.** De toetrederskorting geldt ook voor de belastingplichtige die in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten blijft genieten, maar voor het overige voldoet aan de voorwaarden van het eerste lid. - -**3.** - -De toetrederskorting bestaat uit drie tranches, waarvan de eerste tranche in het kalenderjaar in aanmerking wordt genomen, de tweede tranche in het volgende kalenderjaar en de derde tranche in het tweede volgende kalenderjaar en bedraagt: - -| Totale toetrederskorting | tranche van het kalenderjaar | tranche van het volgende kalenderjaar | tranche van het tweede volgende kalenderjaar | -| --- | --- | --- | --- | -| € 2 269 | € 1 361 | € 454 | € 454 | - -De tranche van een volgend kalenderjaar wordt in dat jaar niet meer in aanmerking genomen: - -a. in de situatie van een toetrederskorting op de voet van het eerste lid, indien de belastingplichtige in dat jaar of het voorafgaande jaar: - -1°. weer een uitkering geniet als bedoeld in de eerste volzin, onderdeel a, van dat lid; -2°. arbeid verricht als bedoeld in de eerste volzin, onderdelen b tot en met d, van dat lid; -3°. niet meer voldoet aan de voorwaarde als bedoeld in de eerste volzin, onderdeel e, van dat lid, of -4°. recht heeft op of een uitkering geniet als bedoeld in de hoofdstukken IIA of IIB van de Werkloosheidswet; -b. in de situatie van een toetrederskorting op de voet van het tweede lid, indien de belastingplichtige in dat jaar of het voorafgaande jaar: - -1°. een uitkering geniet ingevolge de Algemene bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of de Wet inkomensvoorziening kunstenaars; -2°. arbeid verricht als bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, onderdelen b tot en met d; -3°. niet meer voldoet aan de voorwaarde als bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, onderdeel e, of -4°. recht heeft op of een uitkering geniet als bedoeld in de hoofdstukken IIA of IIB van de Werkloosheidswet. - -**4.** De belastingplichtige aan wie op grond van artikel 3, tweede en derde lid, van de Wet inschakeling werkzoekenden, of op grond van het krachtens artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies vastgestelde artikel 4, tweede lid, van het Besluit in- en doorstroombanen, zoals deze artikelleden luidden op 31 december 2001, door de gemeente een eenmalige subsidie is of kan worden toegekend, heeft geen recht op de toetrederskorting. - -**5.** Voor de toepassing van dit artikel kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld. +Vervallen ## Hoofdstuk 9. Wijze van heffing @@ -4278,8 +4270,8 @@ c. de op prijzen van kansspelen geheven kansspelbelasting die betrekking heeft o In afwijking van het eerste lid wordt dividendbelasting niet als voorheffing in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten laste van wie de dividendbelasting is ingehouden niet tevens de uiteindelijk gerechtigde is tot de opbrengst waarop dividendbelasting is ingehouden. Niet als uiteindelijk gerechtigde wordt beschouwd degene die in samenhang met de genoten opbrengst een tegenprestatie heeft verricht als onderdeel van een samenstel van transacties waarbij aannemelijk is dat: -- de opbrengst geheel of gedeeltelijk direct of indirect ten goede is gekomen aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon die in mindere mate gerechtigd is tot vermindering, teruggaaf of verrekening van dividendbelasting dan degene die de tegenprestatie heeft verricht; en -- deze natuurlijk persoon of rechtspersoon een positie in aandelen, winstbewijzen of winstdelende obligaties op directe of indirecte wijze behoudt of verkrijgt die vergelijkbaar is met zijn positie in soortgelijke aandelen, winstbewijzen of winstdelende obligaties voorafgaand aan het moment waarop het samenstel van transacties een aanvang heeft genomen. +a. de opbrengst geheel of gedeeltelijk direct of indirect ten goede is gekomen aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon die in mindere mate gerechtigd is tot vermindering, teruggaaf of verrekening van dividendbelasting dan degene die de tegenprestatie heeft verricht; en +b. deze natuurlijk persoon of rechtspersoon een positie in aandelen, winstbewijzen of geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 op directe of indirecte wijze behoudt of verkrijgt die vergelijkbaar is met zijn positie in soortgelijke aandelen, winstbewijzen of geldleningen voorafgaand aan het moment waarop het samenstel van transacties een aanvang heeft genomen. **3.** @@ -4294,19 +4286,22 @@ Voor de toepassing van het tweede lid: **6.** De ingevolge dit artikel in aanmerking te nemen voorheffingen gelden niet als voorheffing voor de bij wege van conserverende aanslag te heffen belasting. +**7.** Voor buitenlandse belastingplichtigen wordt, in afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, als voorheffing aangewezen de geheven dividendbelasting die betrekking heeft op bestanddelen van het verzamelinkomen. + +**8.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de berekening van de in België verschuldigde belasting en bijdragen en premies sociale zekerheid die ingevolge artikel 27 van het op 5 juni 2001 te Luxemburg tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belastingen inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, met Protocol I en II, (Trb. 2001, 136), worden aangemerkt als ingehouden Nederlandse loonbelasting. + ### Artikel 9.3 **1.** Bij de vaststelling van een voorlopige teruggaaf voor of in de loop van het kalenderjaar worden alleen de volgende negatieve bestanddelen van het belastbare inkomen uit werk en woning in aanmerking genomen: -a. de fietsaftrek -b. de reisaftrek; -c. de negatieve belastbare inkomsten uit eigen woning; -d. de uitgaven voor inkomensvoorzieningen; -e. de uitgaven voor kinderopvang; -f. de persoonsgebonden aftrek; -g. de verliezen uit werk en woning uit voorafgaande kalenderjaren. +a. de reisaftrek; +b. de negatieve belastbare inkomsten uit eigen woning; +c. de uitgaven voor inkomensvoorzieningen; +d. de uitgaven voor kinderopvang; +e. de persoonsgebonden aftrek; +f. de verliezen uit werk en woning uit voorafgaande kalenderjaren. **2.** @@ -4319,18 +4314,18 @@ d. de combinatiekorting; e. de alleenstaande-ouderkorting; f. de aanvullende alleenstaande-ouderkorting; g. de korting voor maatschappelijke beleggingen; -h. de korting voor beleggingen in durfkapitaal. -i. de toetrederskorting. +h. de korting voor directe beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen. +i. de voorheffing, bedoeld in artikel 9.2, achtste lid. **3.** Volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels kan bij de vaststelling van de voorlopige teruggaaf rekening worden gehouden met de algemene heffingskorting, de ouderenkorting en de aanvullende ouderenkorting. **4.** Met een verlies als bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, wordt pas rekening gehouden nadat de aangifte is gedaan over het kalenderjaar waarop het verlies betrekking heeft. -**5.** Een voorlopige teruggaaf wordt, behalve voorzover die betrekking heeft op de verhoging van de gecombineerde heffingskorting volgens artikel 8.9, alleen vastgesteld voorzover aannemelijk is dat meer loonbelasting zal worden geheven dan het bedrag dat aan inkomstenbelasting verschuldigd zou zijn indien een aanslag inkomstenbelasting zou worden opgelegd. +**5.** Een voorlopige teruggaaf wordt, behalve voorzover die betrekking heeft op de verhoging van de gecombineerde heffingskorting volgens artikel 8.9, alleen vastgesteld voorzover aannemelijk is dat het gezamenlijke bedrag van de voorheffingen meer zal belopen dan het bedrag dat aan inkomstenbelasting verschuldigd zou zijn indien een aanslag inkomstenbelasting zou worden opgelegd. **6.** Bij het bepalen van een voorlopige teruggaaf wordt geen rekening gehouden met inkomensbestanddelen waarvan de daaraan toe te rekenen belasting wordt begrepen in een conserverende aanslag. -**7.** Indien artikel 9.1, derde lid, toepassing vindt, wordt in dit artikel onder loonbelasting verstaan het gezamenlijke bedrag van de loonbelasting en de premie voor de volksverzekeringen en onder inkomstenbelasting het gezamenlijke bedrag van de inkomstenbelasting en de premie voor de volksverzekeringen. +**7.** Indien artikel 9.1, derde lid, toepassing vindt, wordt in dit artikel onder inkomstenbelasting verstaan het gezamenlijke bedrag van de inkomstenbelasting en de premie voor de volksverzekeringen. ### Artikel 9.4 @@ -4338,7 +4333,7 @@ i. de toetrederskorting. Een aanslag wordt vastgesteld indien: -a. de verschuldigde belasting het saldo van de gezamenlijke voorheffingen en de voorlopige teruggaven die uitsluitend met het oog op de heffingskorting zijn vastgesteld (voorheffingssaldo), met meer dan € 203 te boven gaat; +a. de verschuldigde belasting het saldo van de gezamenlijke voorheffingen en de voorlopige teruggaven die uitsluitend met het oog op de heffingskorting zijn vastgesteld (voorheffingssaldo), met meer dan € 211 te boven gaat; b. voor of in de loop van het kalenderjaar een voorlopige teruggaaf is vastgesteld of c. de belastingplichtige binnen een bij ministeriële regeling te stellen termijn aangifte heeft gedaan. @@ -4357,7 +4352,7 @@ b. indien de belastingplichtige een niet in Nederland wonende artiest of beroeps **6.** Indien uitsluitend met het oog op heffingskortingen een of meer voorlopige teruggaven zijn vastgesteld, wordt, indien volgens de vorige leden geen aanslag wordt vastgesteld, na verloop van de in artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bedoelde termijn, een aanslag geacht te zijn vastgesteld tot het bedrag van de voorlopige teruggaaf of teruggaven. -**7.** Indien artikel 9.1, tweede lid, toepassing vindt, is dit artikel van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het gezamenlijke bedrag van de belasting en de premie voor de volksverzekeringen. +**7.** Indien artikel 9.1, derde lid, toepassing vindt, is dit artikel van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het gezamenlijke bedrag van de belasting en de premie voor de volksverzekeringen. ## Hoofdstuk 10. Aanvullende regelingen @@ -4365,7 +4360,7 @@ b. indien de belastingplichtige een niet in Nederland wonende artiest of beroeps ### Artikel 10.1 -Bij het begin van het kalenderjaar worden de in de artikelen 2.10, 3.15, vijfde lid, 3.41, 3.42, 3.42a, 3.42b, tweede lid, 3.47, 3.48, 3.52a, 3.68, 3.76, 3.77, 3.86, 3.87, 3.118, 3.125, 3.127, 3.129, 3.141, 3.143, 5.3, 5.5, 5.6, 5.10, 5.13, 5.16, 6.18, tweede en zesde lid, 6.20, 6.21, 6.22, 6.24, 6.36, 8.10, 8.11, tweede lid, tweede volzin, onderdeel a, en derde volzin, alsmede het derde lid, 8.12, 8.13, 8.14, 8.15, 8.16, 8.16a, 8.17, 8.18, 8.21, derde lid, 9.2 en 9.4 vermelde bedragen bij ministeriële regeling vervangen door andere. Deze bedragen worden berekend door de te vervangen bedragen te vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen. Indien in het voorafgaande jaar een dergelijke afronding is toegepast, wordt bij vervanging uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag. +Bij het begin van het kalenderjaar worden de in de artikelen 2.10, 3.15, eerste lid, 3.41, 3.42, 3.42a, 3.42b, tweede lid, 3.47, 3.48, 3.68, 3.76, 3.77, 3.87, 3.118, 3.125, 3.127, 3.129, 3.141, 3.143, 5.3, 5.5, 5.6, 5.10, 5.13, 5.16, 6.18, tweede en zesde lid, 6.20, 6.21, 6.22, 6.24, 6.36, 8.10, 8.11, tweede lid, tweede volzin, onderdeel a, en derde volzin, alsmede het derde lid, 8.12, 8.13, 8.14, 8.15, 8.16, 8.16a, 8.17, 8.18, en 9.4 vermelde bedragen bij ministeriële regeling vervangen door andere. Deze bedragen worden berekend door de te vervangen bedragen te vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen. Indien in het voorafgaande jaar een dergelijke afronding is toegepast, kan bij vervanging worden uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag. ### Artikel 10.2 @@ -4415,26 +4410,19 @@ Bij het begin van het kalenderjaar worden de in de artikelen 2.10, 3.15, vijfde ### Artikel 10.7 -**1.** Bij het begin van het kalenderjaar worden de in artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdelen a en b, vermelde percentages en het aldaar in onderdeel b vermelde bedrag bij ministeriële regeling vervangen door andere percentages en een ander bedrag. +**1.** Bij het begin van het kalenderjaar worden het in artikel 8.11, tweede lid, tweede volzin, onderdeel a, vermelde percentage en het in artikel 8.11 tweede lid, tweede volzin, onderdeel b, vermelde bedrag bij ministeriële regeling vervangen door respectievelijk een ander percentage en een ander bedrag. -**2.** Het percentage in onderdeel a wordt berekend door het in dat onderdeel genoemde bedrag na toepassing van artikel 10.1 te delen door het volgens het vierde lid berekende bedrag. +**2.** Het percentage in artikel 8.11, tweede lid, tweede volzin, onderdeel a, wordt berekend door het in dat onderdeel genoemde bedrag na toepassing van artikel 10.1 te delen door het volgens het derde lid berekende bedrag. -**3.** +**3.** Het bedrag in artikel 8.11, tweede lid, tweede volzin, onderdeel b, wordt gesteld op 50% van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premie volgens de Werkloosheidswet en vermeerderd met het werkgeversaandeel in de premie volgens de Ziekenfondswet. -Het percentage in onderdeel b wordt berekend door het verschil van het in artikel 8.11, tweede lid, tweede volzin, genoemde bedrag en het in artikel 8.11, eerste volzin, onderdeel a, genoemde bedrag, na toepassing van artikel 10.1 te delen door het verschil van +**4.** Indien volgens een van de sociale-verzekeringswetten een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt voor de toepassing van het derde lid het percentage in aanmerking genomen dat wordt vastgesteld krachtens artikel 9, vierde lid, van de Algemene Ouderdomswet. -a. het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premie volgens de Werkloosheidswet en vermeerderd met het werkgeversaandeel in de premie volgens de Ziekenfondswet, en -b. het volgens het vierde lid berekende bedrag. - -**4.** Het bedrag in onderdeel b wordt gesteld op 50% van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premie volgens de Werkloosheidswet en vermeerderd met het werkgeversaandeel in de premie volgens de Ziekenfondswet. - -**5.** Indien volgens een van de sociale-verzekeringswetten een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt voor de toepassing van het derde en vierde lid het percentage in aanmerking genomen dat wordt vastgesteld krachtens artikel 9, vierde lid, van de Algemene Ouderdomswet. - -**6.** De volgens het tweede en derde lid berekende percentages worden rekenkundig afgerond op drie decimalen. +**5.** Het volgens het tweede lid berekende percentage wordt rekenkundig afgerond op drie decimalen. ### Artikel 10.7a -Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in artikel 8.21, eerste lid, onderdeel e, genoemde bedrag bij ministeriële regeling vervangen en gesteld op 50% van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag genoemde bedrag verminderd met het werknemersaandeel in de premie volgens de Werkloosheidswet en vermeerderd met het werkgeversaandeel in de premie volgens de Ziekenfondswet. +Vervallen ### Afdeling 10.2. Overige aanvullende regelingen @@ -4452,15 +4440,13 @@ Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in artikel 8.21, eerste lid, onderd ### Artikel 10.10 -**1.** De artikelen 3.34, 3.36, 3.38 en 3.52, eerste lid, onderdeel a, onder 4°, tweede, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op nieuwe gebouwen die worden toegerekend aan het vermogen van een vaste inrichting die gelegen is in de Nederlandse Antillen of Aruba. +**1.** De artikelen 3.40 tot en met 3.42a, 3.43 tot en met 3.47, artikel 3.51, eerste lid, en artikel 3.52, eerste lid, onderdelen b en c, zijn in afwijking van artikel 3.45, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, en derde lid, onderdeel b, van overeenkomstige toepassing op investeringen in bedrijfsmiddelen die worden toegerekend aan het vermogen van een vaste inrichting die gelegen is in de Nederlandse Antillen of Aruba, met dien verstande dat de tabel die is opgenomen in artikel 3.41, tweede lid, afzonderlijk wordt toegepast op deze investeringen. -**2.** De artikelen 3.40 tot en met 3.42a, 3.43 tot en met 3.47, artikel 3.51, eerste lid, en artikel 3.52, eerste lid, onderdelen b en c, zijn in afwijking van artikel 3.45, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, en derde lid, onderdeel b, van overeenkomstige toepassing op investeringen in bedrijfsmiddelen die worden toegerekend aan het vermogen van een vaste inrichting die gelegen is in de Nederlandse Antillen of Aruba, met dien verstande dat de tabel die is opgenomen in artikel 3.41, tweede lid, afzonderlijk wordt toegepast op deze investeringen. +**2.** Als projecten als bedoeld in artikel 5.14, derde lid, worden mede aangemerkt projecten of categorieën van projecten, die zijn gelegen op de Nederlandse Antillen of Aruba ter zake waarvan door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, in overeenstemming met Onze Minister en na overleg met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, schriftelijk is verklaard onder door hem te stellen voorwaarden met betrekking tot de controle ter zake van de omstandigheid, dat die projecten of categorieën van projecten in het belang dienen te zijn van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos. Een schriftelijke verklaring wordt niet afgegeven op aanvragen voor een project dat voor 1 januari 1998 voldeed aan een van de projectomschrijvingen van de krachtens artikel 5.14, derde lid, gestelde bepalingen of waarvoor voor die datum een begin met de uitvoering van de bijbehorende fysieke werkzaamheden is gemaakt. Een verklaring kan worden ingetrokken indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden die zijn gesteld ter zake van de controle. -**3.** Als projecten als bedoeld in artikel 5.14, derde lid, worden mede aangemerkt projecten of categorieën van projecten, die zijn gelegen op de Nederlandse Antillen of Aruba ter zake waarvan door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, in overeenstemming met Onze Minister en na overleg met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, schriftelijk is verklaard onder door hem te stellen voorwaarden met betrekking tot de controle ter zake van de omstandigheid, dat die projecten of categorieën van projecten in het belang dienen te zijn van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos. Een schriftelijke verklaring wordt niet afgegeven op aanvragen voor een project dat voor 1 januari 1998 voldeed aan een van de projectomschrijvingen van de krachtens artikel 5.14, derde lid, gestelde bepalingen of waarvoor voor die datum een begin met de uitvoering van de bijbehorende fysieke werkzaamheden is gemaakt. Een verklaring kan worden ingetrokken indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden die zijn gesteld ter zake van de controle. +**3.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorwaarden worden gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid. Daarbij zal de controle op de naleving van de gestelde voorwaarden worden opgedragen aan Nederlandse ambtenaren. -**4.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorwaarden worden gesteld met betrekking tot het eerste tot en met derde lid. Daarbij zal de controle op de naleving van de gestelde voorwaarden worden opgedragen aan Nederlandse ambtenaren. - -**5.** Voor de berekening van de voorkoming van dubbele belasting bedoeld in artikel 24 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk wordt de winst die is toe te rekenen aan de vaste inrichting die gelegen is in de Nederlandse Antillen of Aruba berekend zonder inachtneming van het eerste en het tweede lid. +**4.** Voor de berekening van de voorkoming van dubbele belasting bedoeld in artikel 24 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk wordt de winst die is toe te rekenen aan de vaste inrichting die gelegen is in de Nederlandse Antillen of Aruba berekend zonder inachtneming van het eerste lid. ## Hoofdstuk 11. Slotbepalingen