2013-01-01 | BWBW33099 | Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003

This commit is contained in:
Coornhert 2013-01-01 12:00:00 +00:00
parent 3e342c467f
commit 063b565f9b

View file

@ -121,115 +121,48 @@ Gemeenschapsonderdanen ontlenen hun rechtmatig verblijf rechtstreeks aan het EG-
Niet in alle gevallen kan worden vastgesteld of een optant of naturalisandus voor een bepaalde periode (onafgebroken) toelating heeft (gehad). De oorzaak hiervan is gelegen in het niet altijd compleet zijn van zowel de elektronische als de fysieke vreemdelingenadministraties. In deze gevallen wordt de bewijslast aangepast en wordt in het BOT voor die bewuste periode vermeld, dat, hoewel de toelating niet (meer) kan worden vastgesteld wegens de onvolledigheid van de ter beschikking staande gegevens, betrokkene geacht wordt te zijn toegelaten geweest. Voorwaarde is wel dat duidelijkheid wordt verschaft omtrent de datum van eerste toelating en dat in de periode waarover de twijfel zich uitstrekt, geen sprake is van enige aanwijzing waaruit een vermoeden van illegaal verblijf kan worden afgeleid. Indien hieraan wordt voldaan en er overigens geen andere gegevens zijn waaruit blijkt dat de vreemdeling gedurende een bepaalde periode geen verblijfsrecht zou hebben gehad, dan krijgt de vreemdeling het voordeel van de twijfel.
### 1-1-h. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h
### 1-1-h. Toelichting ad
**Voor de toepassing van deze Rijkswet wordt verstaan onder hoofdverblijf: de plaats waar een persoon zijn feitelijke woonstede heeft.**
Het begrip hoofdverblijf heeft een strikt feitelijke betekenis. Het hoofdverblijf van een persoon is de plaats waar hij kennelijk geregeld vertoeft, daar waar hij het centrum van zijn activiteiten heeft. Te denken valt bijvoorbeeld aan de plaats waar een persoon zijn slaapplaats heeft, waar hij werkelijk woont (met zijn gezin) of waar zijn inboedel zich bevindt. Er moet sprake zijn van een meer duurzame betrekking tussen een persoon en een plaats. Een verblijf van voorbijgaande aard heeft geen betekenis.
De aan het burgerlijk recht ontleende begrippen woonplaats of woonplaats en werkelijk verblijf in artikel 6 RWN, artikel 8 RWN, artikel 15 RWN en artikel 26 RWN zoals die luidden tot 1 april 2003, zijn vervangen door het begrip hoofdverblijf. Hiermee is allereerst beoogd om aan te sluiten bij de terminologie in het vreemdelingenrecht. Het schrappen van het begrip woonplaats betekent tevens dat de afgeleide woonplaats zoals bedoeld in artikel 1:12 BW (bijvoorbeeld bij minderjarigen en onder curatele gestelden) geen rol meer speelt. Woonplaats is immers een begrip met zowel een feitelijke als een juridische component, terwijl hoofdverblijf een meer feitelijke betekenis heeft.
De vraag welke plaats als het hoofdverblijf van een persoon moet worden aangemerkt is een feitelijke, die aan de hand van verschillende factoren van feitelijke aard wordt beantwoord. Met de wil van de persoon wordt slechts rekening gehouden, voorzover deze blijkt uit zijn gedragingen.
Indicaties voor verplaatsing van het hoofdverblijf buiten Nederland zijn onder meer:
uitschrijving uit de GBA;
de afmelding bij de Belastingdienst wegens vertrek naar het buitenland;
mededeling aan de korpschef van vertrek naar het buitenland (zie artikel 4.37, eerste lid, aanhef en onder d, Vb 2000 in samenhang met artikel 4.37, vijfde lid, Vb 2000);
het nemen van ontslag bij de werkgever, of bedrijfsbeëindiging;
het opzeggen van een bank- of girorekening;
het laten overmaken van periodieke uitkeringen naar een adres buiten Nederland;
de afkoop van pensioenrechten;
verkoop van de woning of opzegging van de huur;
de ontruiming van de woning in Nederland en het over de grens brengen van de inboedel; en
het (onder)verhuren aan derden van de woning in Nederland.
Deze indicaties zijn niet limitatief. Ook op andere feitelijke gronden kan worden geconcludeerd dat een persoon zijn hoofdverblijf heeft verplaatst. Indien daarentegen een vreemdeling de korpschef er tevoren van in kennis heeft gesteld dat hij tijdelijk, maar niet langer dan negen maanden, in het buitenland beoogt te verblijven, dan is dit een aanwijzing dat de vreemdeling zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland wenst te vestigen.
Vestiging van het hoofdverblijf buiten Nederland wordt in ieder geval aangenomen, indien een persoon:
bij zijn vertrek uit Nederland gebruik heeft gemaakt van een remigratieregeling, waaronder een regeling op grond van de Remigratiewet;
meer dan negen achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven, tenzij hij aannemelijk maakt dat de overschrijding van de periode van negen maanden het gevolg is van buiten zijn schuld gelegen omstandigheden (te denken valt aan de situatie waarbij de persoon kan aantonen dat de overschrijding van die termijn te wijten is aan een ziekenhuisopname of een natuurramp); of
voor het derde achtereenvolgende jaar meer dan zes achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven, tenzij hij aannemelijk maakt dat het centrum van zijn activiteiten niet naar het buitenland is verlegd.
Vestiging van het hoofdverblijf buiten Nederland wordt niet aangenomen op de enkele grond dat een persoon:
Nederland heeft verlaten voor de vervulling van de militaire dienstplicht en binnen zes maanden na beëindiging van de dienstplicht naar Nederland is teruggekeerd; of
buiten Nederland is gedetineerd dan wel buiten Nederland gedetineerd is geweest en binnen zes maanden na beëindiging van de detentie naar Nederland is teruggekeerd.
Een vreemdeling wordt geacht zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland te hebben gevestigd:
in de periode dat hij arbeid heeft verricht die geheel of gedeeltelijk buiten Nederland heeft plaatsgevonden (aan boord van een Nederlands zeeschip, op een mijnbouwinstallatie op het Nederlands deel van het continentaal plat, in de internationale luchtvaart, in de internationale binnenscheepvaart, in het internationale wegtransport) en hij gedurende die periode in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van die arbeid (dit neemt niet weg dat op het moment van verkrijging/verlening van het Nederlanderschap uitzonderingen daargelaten voldaan moet zijn aan de voorwaarde dat betrokkene in het bezit is van een geldige verblijfsvergunning die niet van tijdelijke aard is);
indien en zolang hij de echtgenoot/partner is van een ambtenaar, bedoeld in artikel 17, eerste lid, juncto artikel 2, tweede lid van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken die uitgezonden is (geweest) naar een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland (deze vreemdeling behoudt niet alleen zijn hoofdverblijf in Nederland, maar behoudt in den regel, mits aan de daarvoor gestelde voorwaarden voldaan blijft, tevens zijn verblijfsrecht in Nederland). Een vereiste is dat de vreemdeling gedurende de periode van uitzending alsook het verblijf in Nederland heeft samengewoond met de echtgenoot/partner.
Vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verblijven en waarvoor geldt dat de verwachte verblijfsduur tenminste 2/3 van een half jaar is, worden ingevolge artikel 26 Wet GBA, in de GBA ingeschreven. Voor asielzoekers in de centrale opvang wordt hierop een uitzondering gemaakt: zij worden na een verblijf van een half jaar in de centrale opvang in de GBA ingeschreven. Ingevolge artikel 8 en 11 RWN wordt om vast te stellen of sprake is van hoofdverblijf, getoetst aan de hand van gegevens in de GBA. Van belang is echter dat bij het bepalen van de periode van hoofdverblijf rekening wordt gehouden met het feit dat asielzoekers in de centrale opvang zich pas na een half jaar (kunnen) doen inschrijven in de GBA. Het kan dus voorkomen dat een ex-asielzoeker die drie jaar toelating heeft, slechts tweeëneenhalf jaar ingeschreven staat in de GBA. Betrokkene heeft dan wel langer dan de periode van inschrijving in de GBA hoofdverblijf in Nederland.
200410101-06-200419-05-2004HKUIT04-2651AUB200410101-06-200419-05-2004HKUIT04-2651AUB01-08-2004
*Voor de toepassing van deze Rijkswet wordt verstaan onder hoofdverblijf: de plaats waar een persoon zijn feitelijke woonstede heeft.*
Het begrip hoofdverblijf heeft een strikt feitelijke betekenis. Het hoofdverblijf van een persoon is de plaats waar hij kennelijk geregeld vertoeft, daar waar hij het centrum van zijn activiteiten heeft. Te denken valt bijvoorbeeld aan de plaats waar een persoon zijn slaapplaats heeft, waar hij werkelijk woont (met zijn gezin) of waar zijn inboedel zich bevindt. Er moet sprake zijn van een meer duurzame betrekking tussen een persoon en een plaats. Een verblijf van voorbijgaande aard heeft geen betekenis.
De aan het burgerlijk recht ontleende begrippen woonplaats of woonplaats en werkelijk verblijf in artikel 6 RWN, artikel 8 RWN, artikel 15 RWN en artikel 26 RWN zoals die luidden tot 1 april 2003, zijn vervangen door het begrip hoofdverblijf. Hiermee is allereerst beoogd om aan te sluiten bij de terminologie in het vreemdelingenrecht. Het schrappen van het begrip woonplaats betekent tevens dat de afgeleide woonplaats zoals bedoeld in artikel 1:12 BW (bijvoorbeeld bij minderjarigen en onder curatele gestelden) geen rol meer speelt. Woonplaats is immers een begrip met zowel een feitelijke als een juridische component, terwijl hoofdverblijf een meer feitelijke betekenis heeft.
De vraag welke plaats als het hoofdverblijf van een persoon moet worden aangemerkt is een feitelijke, die aan de hand van verschillende factoren van feitelijke aard wordt beantwoord. Met de wil van de persoon wordt slechts rekening gehouden, voor zover deze blijkt uit zijn gedragingen.
Indicaties voor verplaatsing van het hoofdverblijf buiten Nederland zijn onder meer:
• de bijhouding van de GBA is opgeschort wegens vertrek naar het buitenland of Land Onbekend;
• de afmelding bij de Belastingdienst wegens vertrek naar het buitenland;
• mededeling aan de korpschef van vertrek naar het buitenland (zie artikel 4.37, eerste lid, aanhef en onder d, Vb 2000 in samenhang met artikel 4.37, vijfde lid, Vb 2000);
• het nemen van ontslag bij de werkgever, of bedrijfsbeëindiging;
• het opzeggen van een bankrekening;
• het laten overmaken van periodieke uitkeringen naar een adres buiten Nederland;
• de afkoop van pensioenrechten;
• de ontruiming van de woning in Nederland en het over de grens brengen van de inboedel; en
• het (onder)verhuren aan derden van de woning in Nederland.
Deze indicaties zijn niet limitatief. Ook op andere feitelijke gronden kan worden geconcludeerd dat een persoon zijn hoofdverblijf heeft verplaatst. Indien daarentegen een vreemdeling de korpschef er tevoren van in kennis heeft gesteld dat hij tijdelijk, maar niet langer dan zes maanden, in het buitenland beoogt te verblijven, dan is dit een aanwijzing dat de vreemdeling zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland wenst te vestigen.
Vestiging van het hoofdverblijf buiten Nederland wordt in ieder geval aangenomen, indien een persoon:
• bij zijn vertrek uit Nederland gebruik heeft gemaakt van een remigratieregeling, waaronder een regeling op grond van de Remigratiewet;
• meer dan zes achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven, tenzij hij aannemelijk maakt dat de overschrijding van de periode van zes maanden het gevolg is van buiten zijn schuld gelegen omstandigheden (te denken valt aan de situatie waarbij de persoon kan aantonen dat de overschrijding van die termijn te wijten is aan een ziekenhuisopname of een natuurramp); of
• voor het derde achtereenvolgende jaar meer dan vier achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven, tenzij hij aannemelijk maakt dat het centrum van zijn activiteiten niet naar het buitenland is verlegd.
Vestiging van het hoofdverblijf buiten Nederland wordt niet aangenomen op de enkele grond dat een persoon:
• Nederland heeft verlaten voor de vervulling van de militaire dienstplicht en binnen zes maanden na beëindiging van de dienstplicht naar Nederland is teruggekeerd; of
• buiten Nederland is gedetineerd dan wel buiten Nederland gedetineerd is geweest en binnen zes maanden na beëindiging van de detentie naar Nederland is teruggekeerd.
Een vreemdeling wordt geacht zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland te hebben gevestigd:
• indien hij beschikt over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in het kader van studie aan het hoger onderwijs, en in het kader van de voltooiing van zijn studie in Nederland tijdelijk hoger onderwijs in het buitenland gaat volgen. Tijdelijkheid wordt niet aangenomen indien de periode van het volgen van hoger onderwijs in het buitenland een langere periode beslaat dan één aaneengesloten jaar;
• indien hij beschikt over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid die geheel of gedeeltelijk buiten Nederland plaatsvindt; of
• indien en zolang hij de echtgenoot/partner is van een ambtenaar, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 8, derde of vierde lid, juncto artikel 2, tweede lid van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken die uitgezonden is (geweest) naar een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland (deze vreemdeling behoudt niet alleen zijn hoofdverblijf in Nederland, maar behoudt in de regel, mits aan de daarvoor gestelde voorwaarden voldaan blijft, tevens zijn verblijfsrecht in Nederland). Een vereiste is dat de vreemdeling gedurende de periode van uitzending alsook het verblijf in Nederland heeft samengewoond met de echtgenoot/partner.
Vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verblijven en voor wie geldt dat de verwachte verblijfsduur tenminste 2/3 van een half jaar is, worden ingevolge artikel 26 Wet GBA in de GBA ingeschreven. Voor asielzoekers in de centrale opvang wordt hierop een uitzondering gemaakt: zij worden na een verblijf van een half jaar in de centrale opvang in de GBA ingeschreven. Ingevolge artikel 8 en 11 RWN wordt om vast te stellen of sprake is van hoofdverblijf, getoetst aan de hand van gegevens in de GBA. Van belang is echter dat bij het bepalen van de periode van hoofdverblijf rekening wordt gehouden met het feit dat asielzoekers in de centrale opvang zich pas na een half jaar (kunnen) doen inschrijven in de GBA. Het kan dus voorkomen dat een ex-asielzoeker die drie jaar toelating heeft, slechts twee en een half jaar staat ingeschreven in de GBA. Betrokkene heeft dan wel langer dan de periode van inschrijving in de GBA hoofdverblijf in Nederland.
### 1-2. Toelichting ad
@ -3812,52 +3745,76 @@ Langdurig ingezetenen mogen hun status niet behouden indien zij gedurende een aa
#### 1. Algemeen
N.B. Voor deze bepaling geldt overgangsrecht. Zie de toelichting bij artikel 7 RWN, onder Overgangsrecht.
Let op! Voor deze bepaling geldt overgangsrecht. Zie de toelichting bij artikel 7 RWN, onder Overgangsrecht.
In het onderhavige artikellid beschrijft de wetgever wat hij onder inburgering verstaat. Evenals voorheen geschiedt dit aan de hand van een tweedeling: enerzijds moet de vreemdeling beschikken over kennis van de Nederlandse taal en anderzijds moet hij zich hebben doen opnemen in de Nederlandse samenleving. Nieuw is het vereiste dat de vreemdeling zich kennis van de staatsinrichting en maatschappij moet hebben toegeëigend en dat hij de onderwerpen taal, staatsinrichting en maatschappij op een algemene maatregel van rijksbestuur bepaald niveau moet beheersen. Ook moet hij kunnen lezen en schrijven. Er is dus sprake van een verzwaring van de vereisten voor inburgering.
Het begrip inburgering is tweeledig: enerzijds moet de verzoeker beschikken over kennis van de Nederlandse taal en anderzijds moet hij zich hebben doen opnemen in de Nederlandse samenleving.
De naturalisatietoets zoals deze gold sinds 1 april 2003 in Nederland en voor verzoekers om naturalisatie die buiten het Koninkrijk wonen, is per 1 april 2007 vervangen door het inburgeringsexamen van de Wet inburgering. Uit het inburgeringsdiploma moet blijken dat alle onderdelen op niveau A2 van het Europese Raamwerk Vreemde talen zijn behaald.
Sinds 1 april 2003 geldt dat er een diploma moet worden overgelegd als bewijs dat de verzoeker als ingeburgerd kan worden beschouwd. Per die datum is de naturalisatietoets geïntroduceerd (zie de toen geldende handleiding voor een nadere uitleg van die bepaling). Sinds 1 april 2007 is geregeld dat de naturalisatietoets het inburgeringsexamen is.
Vanaf 1 april 2007 is het niet meer mogelijk om de naturalisatietoets te doen welke gold vanaf 1 april 2003. Enkel de verzoeker die op 1 april 2007 het onderdeel kennis van staatsinrichting en maatschappij (deel I) heeft behaald, alsmede ten minste één onderdeel van de toets kennis van de Nederlandse taal (deel II) van de naturalisatietoets zoals deze gold sinds 1 april 2003, wordt tot 1 oktober 2007 éénmalig in de gelegenheid gesteld om bij een Regionaal Opleidings Centrum (ROC), genoemd in artikel 3, eerste lid, van de regeling naturalisatietoets zoals deze gold tot 1 april 2007, de resterende onderdelen van de toets kennis van de Nederlandse taal te behalen.
Verzoekers die op of na 1 april 2007 een verzoek om naturalisatie hebben ingediend, moeten het in 2007 ingevoerde inburgeringsexamen hebben afgelegd. In sommige gevallen kan verzoeker in aanmerking komen voor een (gedeeltelijke) vrijstelling of ontheffing van het inburgeringsexamen. Op basis van een advies van de burgemeester stelt Onze Minister vast of verzoeker (gedeeltelijk) vrijgesteld is en beoordeelt hij of de verzoeker in aanmerking komt voor ontheffing.
Vanaf 1 april 2007 geldt een nieuwe procedure aangaande medische ontheffing en een verzwaarde eis aangaande de vrijsteling op basis van het WIN-certificaat. Ook zijn de vereisten voor een beroep op ontheffing op grond van het ondanks geleverde inspanningen redelijkerwijs niet kunnen behalen van het inburgeringsexamen verzwaard (door invoering van de toets gesproken Nederlands).
Op 1 januari 2013 is de Wet inburgering gewijzigd. Kort komt het erop neer dat het Elektronisch Praktijkexamen (EPE) en het decentraal praktijkexamen komen te vervallen. Er is nog wel een overgangstermijn tot 1 januari 2015 waarin kandidaten gebruik kunnen maken van deze examens. In plaats van deze twee examens zijn drie nieuwe examenonderdelen erbij gekomen. De vaardigheden lezen, luisteren en schrijven in de Nederlandse taal op niveau A2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen van de verzoeker worden getoetst. De onderdelen Toets Gesproken Nederlands (TGN) en Kennis Nederlandse Samenleving (KNS) blijven bestaan.
Verzoekers die op 1 januari 2013 al bezig zijn met het inburgeringsexamen zoals dit luidde tot 1 januari 2013, krijgen 2 jaar de tijd om het inburgeringsexamen oude stijl af te maken. Deze verzoekers kunnen er ook voor kiezen om het inburgeringsexamen oude stijl niet af te maken, maar het inburgeringsexamen nieuwe stijl af te leggen.
Verzoekers die na 1 januari 2013 beginnen met het afleggen van het inburgeringsexamen, zullen dus zowel het inburgeringsexamen oude stijl als nieuwe stijl kunnen doen.
Dit betekent dat in ieder geval vanaf 1 januari 2013 twee verschillende inburgeringsdiplomas overgelegd kunnen worden.
De taken met betrekking tot de uitvoering van de Wet inburgering gaan op 1 januari 2013 over van de gemeente naar de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel. De Dienst Uitvoering Onderwijs van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (DUO) voert deze taken in mandaat namens de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel uit. Het gaat hier om handhaving van de inburgeringsplicht van inburgeringsplichtige vreemdelingen die op of na 1 januari 2013 rechtmatig verblijf krijgen in Nederland. De gemeente blijft de handhaving verzorgen van vreemdelingen die voor 1 januari 2013 al rechtmatig verblijf hadden in Nederland.
#### 2. Procedure
##### 2.1.1. De voorlichtingsfase
Aan de indiening van het verzoek om naturalisatie gaat een voorlichtingsfase vooraf, waarin de burgemeester de aspirant-verzoeker zal infomeren over het inburgeringsvereiste. In dit stadium behoeft deze laatste nog geen verzoek om naturalisatie in te dienen en dus ook geen naturalisatiegelden te voldoen. De burgemeester legt dan ook geen dossier aan, totdat door de verzoeker een verzoek om naturalisatie daadwerkelijk wordt ingediend. In de regel geschiedt dit pas nadat betrokkene het inburgeringsexamen heeft afgelegd en het bijbehorende inburgeringsdiploma kan overleggen.
Aan de indiening van het verzoek om naturalisatie gaat een voorlichtingsfase vooraf, waarin de burgemeester de aspirant-verzoeker zal infomeren over het inburgeringsvereiste. In dit stadium behoeft deze laatste nog geen verzoek om naturalisatie in te dienen en dus ook geen naturalisatiegelden te voldoen. De burgemeester legt dan ook geen dossier aan, totdat door de verzoeker een verzoek om naturalisatie daadwerkelijk wordt ingediend. In de regel gebeurt dit pas nadat betrokkene het inburgeringsexamen heeft afgelegd en het bijbehorende inburgeringsdiploma kan overleggen.
De burgemeester verstrekt tijdens de voorlichtingsfase een brochure en informatie over het inburgeringsexamen en verwijst naar de exameninstellingen. De exameninstellingen en meer informatie over het examen zijn terug te vinden op de site www.inburgeren.nl of www.kce.nl. De burgemeester wijst erop dat voor naturalisatie alle onderdelen van het examen dienen te zijn behaald op niveau A2 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde talen.
De burgemeester verstrekt tijdens de voorlichtingsfase een brochure en informatie over het inburgeringsexamen en verwijst betrokkene naar de exameninstellingen als het gaat om het praktijkexamen oude stijl. Als betrokkene het inburgeringsexamen nieuwe stijl doet, dan verwijst de burgemeester betrokkene naar DUO. De exameninstellingen en meer informatie over het examen zijn terug te vinden op de site www.inburgeren.nl of www.kce.nl. De burgemeester wijst erop dat voor naturalisatie alle onderdelen van het examen moeten zijn behaald op niveau A2 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde talen.
Dit is het inburgeringsexamen oude stijl. Let op! Op grond van de overgangsperiode kan dit examen oude stijl tot 2015 worden gedaan.
Het examen bestaat uit twee onderdelen: een praktijkdeel en een centraal deel.
Het praktijkdeel van het examen bestaat uit een onderzoek naar de vijf functionele taalvaardigheden (spreken, luisteren, lezen, schrijven en gespreksvaardigheid) gerelateerd aan veel voorkomende praktijksituaties die van cruciaal belang zijn om adequaat te kunnen participeren in de Nederlandse samenleving. Het praktijkdeel bestaat uit een portfolio of assessment of een combinatie van beide.
Het praktijkdeel van het examen bestaat uit een onderzoek naar de vijf taalvaardigheden: spreken, luisteren, lezen, schrijven en gespreksvaardigheid. Deze vaardigheden zijn verbonden aan veel voorkomende praktijksituaties die van groot belang zijn om voldoende te kunnen deelnemen in de Nederlandse samenleving. Het praktijkdeel bestaat uit een portfolio of assessment of een combinatie van beide. Dit praktijkdeel wordt afgenomen door exameninstellingen die door de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel daartoe zijn aangewezen (assessment, portfolio of combinatie van beiden) en door DUO (alleen portfolio).
Het centraal deel van het examen bestaat uit drie examens die met behulp van een computer worden afgenomen: kennis van de Nederlandse samenleving (KNS), het electronisch praktijkexamen (EPE) en toets gesproken Nederlands (TGN).
Het centraal deel van het examen bestaat uit drie examens die met behulp van een computer worden afgenomen: kennis van de Nederlandse samenleving (KNS), het elektronisch praktijkexamen (EPE) en toets gesproken Nederlands (TGN).
Voorts verwijst de burgemeester de aspirant-verzoeker naar de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), voorheen de Informatie Beheer groep (IB-groep, dan wel IBG). De examens van het centraal deel van het examen worden enkel afgenomen door de DUO. Hiertoe heeft de DUO verspreid door het land meerdere examenlocaties ingericht. Deze zijn te vinden op de site van de DUO: www.inburgeren.nl Het praktijkgedeelte van het examen kan worden afgenomen door exameninstellingen die door de Minister van WWI daartoe zijn aangewezen (assessment, portfolio of combinatie van een assessment en portfolio) en door de DUO (alleen portfolio). Meer informatie over het examen en naturalisatie is te vinden in de speciaal daarvoor ontwikkelde brochure, getiteld inburgeringsexamen: voorwaarde voor naturalisatie.
Als de verzoeker verzoekt om ontheffing van het inburgeringsvereiste wordt hij verwezen naar een door het college van burgemeester en wethouders van zijn woonplaats aangewezen onafhankelijke arts of het Regionaal Opleidingen Centrum (ROC) van Amsterdam (zie hieronder paragraaf 2.3).
Indien verzoeker een beroep doet op ontheffing wordt hij verwezen naar een door het college van burgemeester en wethouders van zijn woonplaats aangewezen onafhankelijke arts of het Regionaal Opleidingen Centrum (ROC) van Amsterdam (zie hieronder paragraaf 2.3).
Dit is het inburgeringsexamen nieuwe stijl. Het examen op niveau A2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader bestaat uit de volgende onderdelen:
De tarieven voor het centraal deel van het examen zijn geregeld in de Regeling inburgering en staan ook op de site van de DUO . De door de Minister van WWI aangewezen exameninstellingen die het praktijkdeel afnemen stellen hun eigen tarieven vast.
1. leesvaardigheid;
2. luistervaardigheid;
3. schrijfvaardigheid;
4. spreekvaardigheid (Toets Gesproken Nederlands (TGN)); en
5. Kennis van de Nederlandse samenleving (KNS).
Behalve het onderdeel schrijfvaardigheid worden alle andere onderdelen met de computer afgenomen.
Het examen wordt afgenomen door DUO namens de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel. DUO verstrekt informatie over de inhoud van het examen. De tarieven voor de onderdelen van het examen zijn vastgesteld in artikel 3.1 van de Regeling inburgering. Deze staan ook op www.inburgeren.nl en www.ind.nl.
##### 2.1.2. Aanvraagfase
De verzoeker legt bij zijn verzoek om naturalisatie het in het eerste lid, van artikel 5, BNT bedoelde inburgeringsdiploma over waaruit blijkt dat alle onderdelen op niveau A2 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde talen zijn behaald, tenzij hij voor (gedeeltelijke) vrijstelling of gehele ontheffing in aanmerking komt (artikel 34, eerste lid, BVVN). Indien verzoeker niet voor vrijstelling of gehele ontheffing in aanmerking komt (of daaromtrent moet in het geval van ontheffing nog nader onderzoek plaatsvinden), noch het inburgeringsdiploma op het juiste niveau kan overleggen, wordt hem door de burgemeester ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen. Staat hij er toch op een verzoek in te dienen, dan wordt zijn verzoek in ontvangst genomen. In dit geval wordt verzoeker door de burgemeester erop gewezen dat zijn verzoek om naturalisatie door de IND kan worden afgewezen, en dat hij de voor naturalisatie te betalen leges niet terug zal ontvangen. De burgemeester kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model 2.21 (verklaring geïnformeerd over negatief advies).
De verzoeker legt bij zijn verzoek om naturalisatie het in het eerste lid, van artikel 5, BNT bedoelde inburgeringsdiploma (bedoeld in artikel 14, tweede lid van de Wet inburgering zoals dat luidde tot 1 januari 2013) of diploma (bedoeld in artikel 7, vierde lid, aanhef en onder g van de Wet inburgering) over waaruit blijkt dat alle onderdelen op niveau A2 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde talen zijn behaald, tenzij hij voor (gedeeltelijke) vrijstelling of gehele ontheffing in aanmerking komt (artikel 34, eerste lid, BVVN). Als de verzoeker niet voor vrijstelling of gehele ontheffing in aanmerking komt (of daarover moet in het geval van ontheffing nog nader onderzoek plaatsvinden), noch het inburgeringsdiploma op het juiste niveau kan overleggen, wordt hem door de burgemeester ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen. Staat hij er toch op een verzoek in te dienen, dan wordt zijn verzoek in ontvangst genomen. In dit geval wordt verzoeker door de burgemeester erop gewezen dat zijn verzoek om naturalisatie door de IND kan worden afgewezen, en dat hij de betaalde naturalisatiegelden niet terug krijgt. Geadviseerd wordt dat de burgemeester de verzoeker een verklaring geïnformeerd over negatief advies laat ondertekenen. Deze verklaring is opgenomen in de handleiding als model 2.21.
##### 2.2. Vrijstelling van het examen
Als de verzoeker het inburgeringsdiploma met daarop het juiste niveau overlegt, neemt de burgemeester dit op in zijn advies en voegt een kopie van het origineel van het diploma in het dossier aan de IND. Een ander kopie van het origineel houdt hij voor zichzelf. Het diploma wordt weer aan verzoeker overhandigd.
De verzoeker kan een beroep doen op een vrijstellingsgrond als genoemd in artikel 3 BNT. Daartoe dient hij aan te tonen dat hij behoort tot een van de volgende categorieën vrijgestelde personen:
##### 2.2. Vrijstelling van de naturalisatietoets (het inburgeringsexamen)
1. Molukkers, die op grond van de Wet van 9 september 1976 (*Stb.* 1976, 468) bij de toepassing van de Nederlandse wetgeving worden behandeld als Nederlander en dientengevolge als voldoende ingeburgerd worden beschouwd;
2. Degene die, na onderwijs te hebben gevolgd in de Nederlandse taal en in het bezit is van een op wettelijke basis uitgereikt diploma of getuigschrift van afronding van een opleiding van wetenschappelijk onderwijs, hoger onderwijs, algemeen voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs of leerlingwezen. Betrokkene dient in dat geval te overleggen het originele:
De verzoeker kan een beroep doen op een vrijstellingsgrond als genoemd in artikel 3 BNT. Hij moet aantonen dat hij behoort tot een van de volgende categorieën vrijgestelde personen:
Getuigschrift Wetenschappelijk Onderwijs of Hoger beroepsonderwijs, uitgereikt op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
diploma voortgezet (middelbaar) onderwijs, uitgereikt op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs;
diploma beroepsonderwijs, uitgereikt op grond van de Wet educatie beroepsonderwijs;
diploma leerlingwezen, uitgereikt op grond van de Wet educatie beroepsonderwijs of de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs;
diploma of getuigschrift, uitgereikt op een wettelijke basis anders dan een onderwijswet, nadat onderwijs in de Nederlandse taal is gevolgd;
diploma staatsexamen Nederlands als tweede Taal (NT-2), programma I of II;
- Certificaat Inburgering in het kader van de Wet Inburgering Nieuwkomers (WIN): Het WIN-certificaat is vrijstellend als zowel voor de vier taalonderdelen als voor het onderdeel Maatschappij Oriëntatie een voldoende resultaat is behaald. Hierbij is het volgende van belang:
1. Molukkers, die op grond van de Wet van 9 september 1976 (Stb. 1976, 468) bij de toepassing van de Nederlandse wetgeving worden behandeld als Nederlander en op grond daarvan als voldoende ingeburgerd worden beschouwd.
2. Degene die, na onderwijs te hebben gevolgd in de Nederlandse taal en in het bezit is van een op wettelijke basis uitgereikt diploma of getuigschrift van afronding van een opleiding van wetenschappelijk onderwijs, hoger onderwijs, algemeen voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs of leerlingwezen. De verzoeker moet in dat geval overleggen het originele:
• getuigschrift Wetenschappelijk Onderwijs of Hoger beroepsonderwijs, uitgereikt op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
• diploma voortgezet (middelbaar) onderwijs, uitgereikt op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs;
• diploma beroepsonderwijs, uitgereikt op grond van de Wet educatie beroepsonderwijs;
• diploma leerlingwezen, uitgereikt op grond van de Wet educatie beroepsonderwijs of de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs;
• diploma of getuigschrift, uitgereikt op een wettelijke basis anders dan een onderwijswet, nadat onderwijs in de Nederlandse taal is gevolgd.
3. Degene die in het bezit is van een diploma staatsexamen Nederlands als Tweede taal, programma I of II.
4. Degene die in het bezit is van een Certificaat Inburgering als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de (voormalige) Wet inburgering nieuwkomers (WIN-certificaat). Het WIN-certificaat is alleen vrijstellend als zowel voor de vier taalonderdelen als voor het onderdeel Maatschappij Oriëntatie een voldoende resultaat is behaald. Hierbij is het volgende van belang:
a. De vier taalonderdelen
@ -3866,145 +3823,210 @@ b. Het onderdeel Maatschappij Oriëntatie
Naast ten minste niveau 2 voor elk van de vier taalonderdelen moet voor het onderdeel Maatschappij Oriëntatie niveau 2 van de Kwaliteitsstructuur Educatie (KSE) zijn gehaald. Voor Maatschappij Oriëntatie kan een niveau zijn aangegeven, maar meestal wordt een scoringspercentage vermeld. De verzoeker moet dit altijd aantonen met de bij het WIN-certificaat behorende ROC-verklaring. Op het certificaat staat soms het niveau, soms het scoringspercentage, en soms is helemaal niets ingevuld.
Indien op de onderliggende verklaring van het ROC geen niveau wordt vermeld voor het onderdeel Maatschappij Oriëntatie, maar wel een scoringspercentage, dan geldt het volgende. Niveau 2 KSE is in de periode tot en met 31 augustus 2001 behaald bij een percentage van 85 of hoger. Vanaf 1 september 2001 is niveau 2 KSE behaald bij een percentage van 80 of hoger. Omdat WIN-certificaten soms erg laat na de verklaring van het ROC zijn afgegeven, is de datum van de ROCverklaring bepalend voor de vaststelling welk percentage moet zijn behaald om niveau 2 KSE te hebben gehaald.
3. Degene die door het College van Burgemeester en Wethouders is vrijgesteld of ontheven (artikel 3, eerste lid, aanhef en onder e, f en g, BNT) van het inburgeringsprogramma in het kader van de WIN. Betrokkene dient in dit geval de originele beschikking tot vrijstelling of ontheffing te overleggen. Ten aanzien van een beschikking tot vrijstelling (artikel 3, eerste lid, aanhef en onder e, BNT) moet worden nagegaan of de vrijstelling heeft plaatsgevonden op grond van de veronderstelling dat verzoeker de kennis, inzicht en vaardigheden op het moment van de vrijstelling reeds in zijn bezit had of dat hij die (binnen een redelijke termijn na het moment van de vrijstelling) in zijn bezit zou krijgen (artikel 5, tweede lid, WIN). Vrijstelling van het inburgeringsprogramma kan namelijk ook zijn verleend op grond van kennis, inzicht en vaardigheden waarvan wordt verondersteld dat die in de toekomst zullen worden verworven. Indien een vrijstelling van het inburgeringsprogramma is verleend op grond van in de toekomst te verwerven kennis, inzicht en vaardigheden wordt verzoeker niet vrijgesteld van de naturalisatietoets; betrokkene heeft immers in dat geval nog niet aangetoond dat hij reeds over het vereiste taal- en kennisniveau beschikt.
4. Degene die tenminste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven. De leerplichtige leeftijd vangt aan op de eerste schooldag van de maand volgend op die waarin de leeftijd van vijf jaar is bereikt en eindigt aan het einde van het schooljaar waarin de leeftijd van 16 jaar is bereikt. Voor de onderhavige vrijstelling van de naturalisatietoets is het voldoende als wordt vastgesteld dat betrokkene in de periode die is gelegen tussen zijn vijfde en zestiende verjaardag, ten minste acht jaar in Nederland heeft gewoond. Betrokkene kan dit aantonen door een uittreksel van de GBA of een daaraan voorafgaande bevolkingsboekhouding (bijvoorbeeld het Vestigingsregister) waaruit blijkt dat hij ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd woonachtig was in Nederland.
Als op de onderliggende verklaring van het ROC geen niveau wordt vermeld voor het onderdeel Maatschappij Oriëntatie, maar wel een scoringspercentage, dan geldt het volgende. Niveau 2 KSE is in de periode tot en met 31 augustus 2001 behaald bij een percentage van 85 of hoger. Vanaf 1 september 2001 is niveau 2 KSE behaald bij een percentage van 80 of hoger. Omdat WIN-certificaten soms erg laat na de verklaring van het ROC zijn afgegeven, is de datum van de ROC-verklaring bepalend voor de vaststelling welk percentage moet zijn behaald om niveau 2 KSE te hebben gehaald.
5. Degene die beschikt over een beschikking van het College van Burgemeesters en Wethouders als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de (voormalige) Wet inburgering nieuwkomers. De verzoeker moet hiertoe de originele beschikking overleggen. In deze beschikking wordt ten aanzien van de verzoeker besloten het vaststellen van een inburgeringsprogramma achterwege te laten, omdat tijdens het inburgeringsonderzoek aannemelijk was geworden dat de verzoeker de kennis, het inzicht en de vaardigheden die hij door het deelnemen aan een inburgeringsprogramma zou kunnen verwerven, al in voldoende mate op een andere wijze heeft verworven (artikel 3, eerste lid, aanhef en onder e, BNT).
6. Degene die een toets als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de (voormalige) Wet inburgering nieuwkomers met goed gevolg heeft afgelegd, als gevolg waarvan hij beschikt over een besluit inhoudende dat de vaststelling van het inburgeringsprogramma achterwege wordt gelaten (artikel 3, eerst lid, aanhef en onder f, BNT).
7. Degene die beschikt over een beschikking van het College van Burgemeesters en Wethouders als bedoeld in artikel 3, derde lid, onder a, van de (voormalige) Wet inburgering nieuwkomers. De verzoeker moet hiertoe de originele beschikking overleggen. In deze beschikking wordt ten aanzien van de verzoeker vastgesteld dat hij wegens psychische of lichamelijke redenen voor onbepaalde duur is ontheven van de verplichting een inburgeringsprogramma te volgen (artikel 3, eerste lid, aanhef en onder g, BNT).
8. Degene die beschikt over een inburgeringsdiploma (alle onderdelen minimaal op niveau A2) als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Wet inburgering, zoals die luidde tot 1 januari 2013 of een diploma (alle onderdelen minimaal op niveau A2) als bedoeld in artikel 7, vierde lid, aanhef en onder g, van de Wet inburgering.
9. Degene die in het bezit is van het document dat wordt uitgereikt nadat de Korte Vrijstellingstoets, bedoeld in artikel 2.7 van het Besluit inburgering met goed gevolg is afgelegd, zoals die tot 1 januari 2013 gold. Hieruit moet blijken dat betrokkene niveau B1 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde talen heeft gehaald.
10. Degene die tenminste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in het Europese deel van Nederland heeft verbleven. De leerplichtige leeftijd vangt aan op de eerste schooldag van de maand volgend op die waarin de leeftijd van vijf jaar is bereikt en eindigt aan het einde van het schooljaar waarin de leeftijd van 16 jaar is bereikt. Voor de onderhavige vrijstelling van de naturalisatietoets is het voldoende als wordt vastgesteld dat betrokkene in de periode die is gelegen tussen zijn vijfde en zestiende verjaardag, ten minste acht jaar in Europees Nederland heeft gewoond. Betrokkene kan dit aantonen door een uittreksel van de GBA of een daaraan voorafgaande bevolkingsboekhouding (bijvoorbeeld het Vestigingsregister) waaruit blijkt dat hij ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd woonachtig was in Europees Nederland.
Voor de toepassing van deze vrijstellingsgrond is niet vereist dat het hierbij om een ononderbroken inschrijving van acht jaar gaat; ook de betrokken persoon die tijdens de leerplichtige leeftijd bijvoorbeeld twee perioden van vier jaar ingeschreven was, is vrijgesteld. Tevens is niet vereist dat het om legaal verblijf gaat.
5. Degene die in het bezit is van een Belgisch diploma of getuigschrift, behaald in Nederlandstalig onderwijs, met een voldoende voor het vak Nederlands.
6. Degene die in het bezit is van een Surinaamse diploma, behaald in het Nederlandstalig onderwijs, met een voldoende voor het vak Nederlands.
7. Degene die in het bezit is van het diploma van het Europees baccalaureaat van de Europese school (Trb. 1957, 246), voorzover dat baccalaureaat het vak Nederlands als eerste of tweede taal omvat en voor dat vak een voldoende is behaald.
8. Degene die in het bezit is van het getuigschrift International baccalaureaat Middle Years Certificate, International General Certificate of Secondary Education of International Baccalaureaat, indien daartoe een cursus Engels-Nederlandstalig of een cursus Internationaal Baccalaureaat met daarin het vak Nederlands is gevolgd en voor het vak een voldoende is behaald.
9. Degene die in het bezit is van het document dat wordt uitgereikt nadat de Korte Vrijstellingstoets van de Wet Inburgering is afgelegd. Hieruit moet blijken dat betrokkene niveau B1 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde talen heeft gehaald.
Voor de toepassing van deze vrijstellingsgrond is niet vereist dat het hierbij om een ononderbroken inschrijving van acht jaar gaat; ook de betrokken persoon die tijdens de leerplichtige leeftijd bijvoorbeeld twee perioden van vier jaar ingeschreven was, is vrijgesteld. Ook is niet vereist dat het om legaal verblijf gaat.
11. Degene die in het bezit is van een diploma of getuigschrift, vergelijkbaar diploma of een ander document zoals genoemd onder punt 2, behaald in het Nederlandstalig onderwijs in België, mits een voldoende is behaald voor het vak Nederlands.
12. Degene die in het bezit is van een diploma of getuigschrift, vergelijkbaar diploma of een ander document zoals genoemd onder punt 2, behaald in het Nederlandstalig onderwijs in Suriname, mits een voldoende is behaald voor het vak Nederlands.
13. Degene die in het bezit is van het diploma van het Europees baccalaureaat van de Europese school (Trb. 1957, 246), voorzover dat baccalaureaat het vak Nederlands als eerste of tweede taal omvat en voor dat vak een voldoende is behaald.
14. Degene die in het bezit is van het getuigschrift International baccalaureaat Middle Years Certificate, International General Certificate of Secondary Education of International Baccalaureaat, als daartoe een cursus Engels-Nederlandstalig of een cursus Internationaal Baccalaureaat met daarin het vak Nederlands is gevolgd en voor het vak een voldoende is behaald.
15. Degene die in het bezit is van het certificaat Naturalisatietoets als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van het Besluit naturalisatietoets, zoals dit luidde voor 1 april 2007. Hieruit moet blijken dat betrokkene is geslaagd voor de volgende vijf onderdelen: kennis van staatsinrichting en maatschappij; spreek-, luister-, schrijf- en leesvaardigheid.
De verzoeker kan een beroep doen op de vrijstellingsgrond geformuleerd in artikel IV van de wijziging van het Besluit naturalisatietoets die is ingegaan op 1 april 2007 (certificaat naturalisatietoets).
De verzoeker is zelf verantwoordelijk voor het verkrijgen van de documenten en, als van toepassing, voor de vertalingen, legalisatie of apostille van de stukken. Als de documenten zijn opgesteld in een andere taal dan het Nederlands, Engels, Duits of Frans, dan moet betrokkene zelf ervoor zorgen dat de stukken worden vertaald door een beëdig vertaler, bij voorkeur in het Nederlands. Deze vertaling moet gehecht zijn aan het originele (afschrift van het) document. De op dit moment geldige legalisatiecirculaire is van toepassing.
10. Degene die in het bezit is van het certificaat, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van het Besluit naturalisatietoets zoals dit luidde voor 1 april 2007. Hieruit moet blijken dat betrokkene is geslaagd voor de volgende zes onderdelen: kennis van staatsinrichting en maatschappij; spreek-, luister-, schrijf- en leesvaardigheid.
Om voor bovengenoemde vrijstellingsgronden in aanmerking te komen, overlegt betrokkene bij zijn verzoek om naturalisatie het gevraagde diploma en in het geval vereist is dat voor het vak Nederlands een voldoende is behaald, de cijferlijst waaruit blijkt dat een voldoende is behaald voor het vak Nederlandse taal.
###### 2.2.1. Gedeeltelijke vrijstelling
De verzoeker kan een beroep doen op de gedeeltelijke vrijstellingsgronden als genoemd in artikel 4 van de Regeling naturalisatietoets Nederland. Indien verzoeker voor gedeeltelijke vrijstelling van het inburgeringsexamen in aanmerking wil komen dient hij het volgende te overleggen:
De verzoeker kan een beroep doen op de gedeeltelijke vrijstellingsgronden als genoemd in artikel 4 van de Regeling naturalisatietoets Nederland. Als de verzoeker voor gedeeltelijke vrijstelling van het inburgeringsexamen in aanmerking wil komen moet hij het volgende overleggen:
• een certificaat oudkomers als bedoeld in de Regeling certificaat oudkomers, met daarop de aantekening dat voor de onderdelen Lezen, Spreken, Schrijven en Luisteren tenminste het niveau 2 van referentie kader NT2 is behaald; én
• een door het college van burgemeester en wethouders afgegeven gewaarmerkte kopie over de verklaring van de onderwijsinstelling waar de NT2-profieltoets is afgelegd.
De verzoeker die een certificaat oudkomers overlegt met alle taalonderdelen ten minste op niveau 2 en de bijbehorende verklaring onderwijsinstelling, is vrijgesteld van:
De verzoeker die een beroep doet op vrijstelling van het praktijkgedeelte als bedoeld in artikel 3.7 van het Besluit inburgering (assessment of portfolio dan wel een combinatie hiervan) alsmede van het elektronisch praktijkexamen (EPE) en de toets gesproken Nederlands (TGN) dient nog wel het onderdeel kennis van de Nederlandse samenleving (KNS) af te leggen. Dit toont verzoeker aan door de door de DUO verstrekte resultatenbrief van het onderdeel kennis van de Nederlandse samenleving (KNS) te overleggen, met het resultaat geslaagd.
• de onderdelen leesvaardigheid, luistervaardigheid, schrijfvaardigheid en spreekvaardigheid (Toets Gesproken Nederlands (verder: TGN)) van het inburgeringsexamen nieuwe stijl; of
• de onderdelen EPE, TGN en het praktijkexamen van het inburgeringsexamen oude stijl.
Bij indiening van het verzoek om naturalisatie dient betrokkene gelet op het vorenstaande de volgende documenten te overleggen: certificaat oudkomers, gewaarmerkt kopie verklaring onderwijsinstelling en de resultatenbrief van het onderdeel kennis van de Nederlandse samenleving (KNS).
In het kader van de naturalisatieprocedure moet de verzoeker nog wel het onderdeel Kennis van de Nederlandse Samenleving (KNS) met goed gevolg afleggen. Dit toont hij aan door het overleggen van de resultatenbrief geslaagd voor het examenonderdeel KNS.
Indien verzoeker een Certificaat naturalisatietoets, overlegt, waaruit blijkt dat het onderdeel kennis van de staatsinrichting en maatschappij (deel I) met goed gevolg is afgesloten, overlegt hij bij indiening van het verzoek om naturalisatie, gelet op het bovenstaande, de volgende documenten:
Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker het volgende:
certificaat oudkomers, gewaarmerkte kopie verklaring onderwijsinstelling en het Certificaat naturalisatietoets waaruit blijkt dat het onderdeel kennis van de staatsinrichting en maatschappij (deel I) met goed gevolg is afgesloten.
• certificaat oudkomers (alle taalonderdelen ten minste op niveau 2); en
• bijbehorende verklaring onderwijsinstelling; en
• resultatenbrief geslaagd voor onderdeel KNS.
Van het afleggen van het examen kennis van de Nederlandse samenleving (KNS) is vrijgesteld de verzoeker die kan aantonen dat hij op grond van de Regeling naturalisatietoets, zoals deze gold voor 1 april 2007, het onderdeel kennis van de staatsinrichting en maatschappij (deel I) van de naturalisatietoets zoals deze gold voor 1 april 2007, heeft behaald.
De verzoeker is vrijgesteld van het onderdeel Kennis Nederlandse Samenleving (KNS) als hij de volgende documenten overlegt:
Indien betrokkene is vrijgesteld van het vorengenoemd onderdeel en voor de overige onderdelen van het inburgeringsexamen slaagt, dan krijgt hij voor de overige onderdelen van het inburgeringsexamen een resultatenbrief.
• certificaat Naturalisatietoets waaruit blijkt dat deel I is behaald;
Bij indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt hij de resultatenbrief en het certificaat naturalisatietoets waaruit blijkt dat deel I is behaald.
In het kader van de naturalisatieprocedure moet de verzoeker nog wel de onderdelen leesvaardigheid, luistervaardigheid, schrijfvaardigheid en spreekvaardigheid (TGN) van het inburgeringsexamen nieuwe stijl of de onderdelen EPE, TGN en het praktijkexamen van het inburgeringsexamen oude stijl met goed gevolg afleggen. Dit toont hij aan door het overleggen van de resultatenbrief geslaagd voor de hiervoor genoemde examenonderdelen.
Van het afleggen van het examen kennis van de Nederlandse samenleving (KNS) is vrijgesteld de verzoeker die aantoont dat hij bij het op grond van de Wet inburgering nieuwkomers (19982006) behaalde Certificaat Inburgering het onderdeel Maatschappij Oriëntatie met een voor de naturalisatie voldoende niveau heeft behaald.
Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker het volgende:
Het niveau van het onderdeel Maatschappij Oriëntatie wordt als voldoende beoordeeld indien het hier het niveau 2 van de Kwalificatiestructuur Educatie (KSE) betreft. Het behaalde niveau moet blijken uit het Certificaat Inburgering of de bij het Certificaat behorende ROC-verklaring. Indien op deze twee bescheiden het behaalde KSE-niveau niet is vermeld, geldt dat geconcludeerd moet worden dat het niveau 2 KSE is behaald indien de score 85% of hoger is (tot en met 31 augustus 2001) of 80% of hoger is (vanaf 1 september 2001). De datum van de ROC-verklaring is bepalend voor de vaststelling welk percentage dient te zijn behaald. Indien betrokkene is vrijgesteld van het vorengenoemd onderdeel en voor de overige onderdelen van het inburgeringsexamen slaagt, dan krijgt hij voor de overige onderdelen van het inburgeringsexamen een resultatenbrief. De overige onderdelen van het inburgeringsexamen zijn: het decentraal praktijkdeel (assessment of portfolio dan wel een combinatie hiervan), de Toets Gesproken Nederlands (TGN) en het Elektronisch Praktijkexamen (EPE).
• certificaat Naturalisatietoets waaruit blijkt dat deel I is behaald; en
• resultaatbrief geslaagd voor onderdelen leesvaardigheid, luistervaardigheid, schrijfvaardigheid en spreekvaardigheid (TGN) van het inburgeringsexamen nieuwe stijl; of
• de resultaatbrief “geslaagd” voor de onderdelen EPE, TGN en het praktijkexamen van het inburgeringsexamen oude stijl.
Bij indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker het Certificaat inburgering Nieuwkomers en de bij het certificaat behorende ROC-verklaring waaruit blijkt dat het onderdeel Maatschappij Oriëntatie met niveau 2 KSE is beoordeeld én:
De verzoeker is vrijgesteld van het onderdeel Kennis Nederlandse Samenleving (KNS) als hij de volgende documenten overlegt:
• de resultatenbrief van het inburgeringsexamen waaruit blijkt dat hij geslaagd is voor de onderdelen EPE, TGN en het decentraal praktijkdeel; of
• een verklaring educatie waaruit blijkt dat ten minste niveau 2 van de eindtermen Referentiekader Nederlands als Tweede Taal is behaald, dan wel ten minste het niveau A2 van het Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen. Het document dient te zijn afgegeven op basis op basis van de resultaten van een toets ter afronding van een NT2-taaltraject; of
• het certificaat als bedoeld in artikel 4, eerste lid Regeling naturalisatietoets Nederland (het oudkomers Certificaat) met daarop de aantekening dat voor de onderdelen Lezen, Luisteren, Schrijven en Spreken is behaald ten minste het niveau 2 van het referentiekader NT2.
• WIN-certificaat met voldoende niveau voor maatschappij oriëntatie KSE-niveau 2 (tot 1 september 2001 tenminste 85%, na 31 augustus 2001 80%) + bijbehorende verklaring onderwijsinstelling. De datum van deze verklaring is bepalend voor de vaststelling van het percentage.
Van het afleggen van het praktijkgedeelte als bedoeld in artikel 3.7 van het Besluit inburgering (assessment of portfolio dan wel een combinatie hiervan) alsmede van het elektronisch praktijkexamen (EPE) en de toets gesproken Nederlands (TGN) is vrijgesteld de verzoeker die aantoont dat hij in het op grond van de Wet inburgering nieuwkomers (19982006) behaalde Certificaat Inburgering Nieuwkomers, het onderdeel Nederlands als Tweede Taal heeft behaald met een voor de onderdelen Lezen, Luisteren, Schrijven en Spreken voldoende niveau voor de naturalisatie.
In het kader van de naturalisatieprocedure moet de verzoeker nog wel de onderdelen leesvaardigheid, luistervaardigheid, schrijfvaardigheid en spreekvaardigheid (TGN) van het inburgeringsexamen nieuwe stijl, of de onderdelen EPE, TGN en het praktijkexamen van het inburgeringsexamen oude stijl met goed gevolg afleggen. Dit toont hij aan door het overleggen van de resultaatbrief geslaagd voor de hiervoor genoemde examenonderdelen.
Het niveau van het onderdeel Nederlands als Tweede Taal wordt als voldoende beoordeeld indien hiervoor ten minste niveau 2 van de eindtermen Referentiekader Nederlands als Tweede Taal is behaald, dan wel ten minste het niveau A2 van het Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen. Bij indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt hij het Certificaat Inburgering Nieuwkomers én de bij het certificaat behorende ROC-verklaring waaruit dit blijkt. Indien uit het Certificaat Inburgering blijkt dat de verzoeker voor alle vier taalonderdelen ten minste niveau 2 heeft behaald, dan moet hij in het kader van de naturalisatieprocedure nog slechts het onderdeel Kennis van de Nederlandse samenleving (KNS) van het centrale deel van het inburgeringsexamen behalen. Indien betrokkene slaagt voor het examen KNS, dan ontvangt hij hiervan een resultaatbrief.
Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker het volgende:
Bij indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker het Certificaat inburgering Nieuwkomers, en de bij het certificaat behorende ROC-verklaring waaruit blijkt dat de taalonderdelen lezen, schrijven, luisteren en spreken ten minste met niveau 2 KSE is beoordeeld én:
• WIN-certificaat met voldoende voor maatschappij oriëntatie KSE-niveau 2; en
• resultaatbrief geslaagd voor onderdelen leesvaardigheid, luistervaardigheid, schrijfvaardigheid en spreekvaardigheid (TGN) van het inburgeringsexamen nieuwe stijl; of
• de resultaatbrief geslaagd voor de onderdelen EPE, TGN en het praktijkexamen van het inburgeringsexamen oude stijl.
• de resultatenbrief van de het inburgeringsexamen waaruit blijkt dat hij geslaagd is voor KNS; of
• deel 1 van de naturalisatietoets; of
• het Certificaat inburgering en de bij het certificaat behorende ROC-verklaring waaruit blijkt dat het onderdeel Maatschappij Oriëntatie ten minste met niveau 2 KSE is beoordeeld.
De verzoeker die een WIN-certificaat overlegt met alle taalonderdelen ten minste op niveau 2 en de bijbehorende verklaring van de onderwijsinstelling, is vrijgesteld van:
Van het afleggen van het praktijkgedeelte als bedoeld in artikel 3.7 van het Besluit inburgering (assessment of portfolio dan wel een combinatie hiervan) alsmede van het elektronisch praktijkexamen (EPE) en de toets gesproken Nederlands (TGN) is vrijgesteld de verzoeker die middels een Verklaring Educatie van het ROC kan aantonen dat voor het onderdeel Nederlands als tweede taal bij de onderdelen lezen, luisteren, spreken en schrijven ten minste niveau 2 van de eindtermen Referentiekader Nederlands als Tweede Taal is behaald, dan wel ten minste het niveau A2 van het Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen. Het document dient te zijn afgegeven op basis van de resultaten van een toets ter afronding van een NT2-taaltraject.
• de onderdelen leesvaardigheid, luistervaardigheid, schrijfvaardigheid en spreekvaardigheid (TGN) van het inburgeringsexamen nieuwe stijl; of
• de onderdelen EPE, TGN en het praktijkexamen van het inburgeringsexamen oude stijl.
Toetsen waarvan gebruik gemaakt kan worden zijn de NIVOR-toets (Cito), de Trajecttoets NT2 (Bureau ICE), de Profieltoets NT2 of eigen toetsen van ROCs. Het NT2-taaltraject kan als zelfstandig traject zijn aangeboden of onderdeel zijn van een bredere cursus, traject, opleiding of module. In alle gevallen betreft het een traject dat in ieder geval is bekostigd uit middelen voor de Wet educatie en beroepsonderwijs, al dan niet in combinatie met middelen voor de Wet werk en bijstand of andere middelen. Het traject wordt vaak aangeduid als educatietraject. Verklaringen die zijn afgegeven zonder dat de deelnemers zijn getoetst, bijvoorbeeld als een deelnemer (door ziekte) niet aanwezig is op het moment van toetsing, kunnen niet leiden tot een vrijstelling. Deze verklaringen worden veelal bewijzen van deelname genoemd.
In het kader van de naturalisatieprocedure moet de verzoeker nog wel het onderdeel Kennis van de Nederlandse Samenleving (KNS) met goed gevolg afleggen. Dit toont hij aan door het overleggen van de resultaatbrief geslaagd voor het examenonderdeel KNS.
Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker het volgende:
• WIN-certificaat (alle taalonderdelen ten minste op niveau 2); en
• bijbehorende verklaring onderwijsinstelling; en
• resultaatbrief geslaagd voor onderdeel KNS.
De verzoeker die een Verklaring Educatie ROC met alle taalonderdelen ten minste op niveau 2 overlegt, is vrijgesteld van:
• de onderdelen leesvaardigheid, luistervaardigheid, schrijfvaardigheid en spreekvaardigheid (TGN) van het inburgeringsexamen nieuwe stijl; of
• de onderdelen EPE, TGN en het praktijkexamen van het inburgeringsexamen oude stijl.
In het kader van de naturalisatieprocedure moet de verzoeker nog wel het onderdeel Kennis van de Nederlandse Samenleving (KNS) met goed gevolg afleggen. Dit toont hij aan door het overleggen van de resultaatbrief “geslaagd” voor het examenonderdeel KNS.
Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker het volgende:
• verklaring educatie ROC (alle taalonderdelen ten minste op niveau 2); en
• resultaatbrief geslaagd voor onderdeel KNS.
Let op! Verklaringen die zijn afgegeven zonder dat de deelnemers zijn getoetst, bijvoorbeeld als een deelnemer (door ziekte) niet aanwezig is op het moment van toetsing, leiden niet tot vrijstelling van het afleggen van de onderdelen leesvaardigheid, luistervaardigheid, schrijfvaardigheid en spreekvaardigheid (TGN) van het inburgeringsexamen nieuwe stijl of de onderdelen EPE, TGN en het praktijkexamen van het inburgeringsexamen oude stijl. Deze verklaringen worden veelal bewijzen van deelname genoemd.
De burgemeester beoordeelt of het door de verzoeker getoonde document voldoet aan de criteria. Bij twijfel of het document tot vrijstelling leidt, kan de burgemeester in eerste instantie de eventueel beschikbare eigen registratie van afgegeven Verklaringen educatie, of de DUO raadplegen. De DUO geeft een advies af aan de burgemeester, dan wel eventueel later aan de IND, op basis van de modelverklaringen die door de ROCs aan de DUO zijn geleverd en die zijn opgenomen in het door de DUO beheerde modellenboek. De burgemeester verwijst een verzoeker die niet over een origineel document beschikt, of een document toont dat niet alle benodigde gegevens ter beoordeling bevat, naar het ROC dat de verklaring heeft afgegeven, ten einde een document te verkrijgen dat aan de gestelde eisen voldoet.
De verklaring dient in ieder geval de volgende gegevens te bevatten:
De verklaring moet ieder geval de volgende gegevens bevatten:
a. de naam van het document;
b. de naam en handtekening van de verantwoordelijke van het regionaal opleidingencentrum;
c. de echtheidskenmerken van het regionaal opleidingencentrum;
d. de naam en geboortedatum van de deelnemer aan het NT2-taaltraject die overeenkomen met de naam en geboortedatum zoals vermeld op zijn identiteitsdocument;
e. de behaalde taalniveaus uitgesplitst naar de vier taalvaardigheden Lezen, Luisteren, Schrijven en Spreken.
e. de behaalde taalniveaus uitgesplitst naar de vier taalvaardigheden Lezen, Luisteren, Schrijven en Spreken;
f. de datum waarop de toetsresultaten zijn behaald.
Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker de Verklaring Educatie die aan bovengenoemde eisen voldoet, en waaruit blijkt dat verschillen taalonderdelen tenminste op niveau 2 zijn behaald en
De meeste ROCs noemen de Verklaring educatie een schoolverklaring, certificaat of diploma. Daarnaast komen benamingen voor als niveauoverzicht NT2 of scorelijst NT2, (toets)rapport, verklaring leerresultaten, of verklaring Trajecttoets/NIVOR-toets.
• de resultatenbrief van het inburgeringsexamen waaruit blijkt dat hij geslaagd is voor KNS; of
• deel 1 van de naturalisatietoets (zoals die tot 1 januari 2007 gold); of
• het Certificaat inburgering nieuwkomers en de bij het certificaat behorende ROC-verklaring waaruit blijkt dat het onderdeel Maatschappij Oriëntatie ten minste met niveau 2 KSE is beoordeeld.
Met echtheidskenmerken wordt een logo of een stempel van het ROC bedoeld. De naam en de handtekening van de verantwoordelijke van het ROC zijn relevant om de herkomst van het document te kunnen achterhalen en om bij twijfel over de echtheid van het document de toner te kunnen verwijzen naar het opleidingencentrum dat verantwoordelijk is geweest voor afgifte van het document. De verantwoordelijke kan de directeur of een mentor van een ROC zijn.
Van het afleggen van het praktijkgedeelte als bedoeld in artikel 3.7 van het Besluit inburgering (assessment of portfolio dan wel een combinatie hiervan) alsmede van het elektronisch praktijkexamen (EPE) en de toets gesproken Nederlands (TGN) is vrijgesteld de verzoeker die beschikt over één van de volgende certificaten van het Certificaat Nederlands als Vreemde Taal (CnaVT):
Alleen als alle toetsonderdelen voor 1 januari 2007 zijn behaald kan er vrijstelling worden verleend. Let op! Deze verklaring educatie kan nimmer vrijstelling verlenen voor het onderdeel KNS van het inburgeringsexamen.
a. Certificaat Profiel Maatschappelijke Taalvaardigheid (ERK-niveau B1);
b. Certificaat Profiel Professionele Taalvaardigheid (ERK-niveau B2);
c. Certificaat Profiel Taalvaardigheid Hoger Onderwijs (ERK-niveau B2);
d. Certificaat Profiel Academische Taalvaardigheid (ERK-niveau C1);
e. Certificaat Profiel Toeristische en Informele Taalvaardigheid (ERK-niveau A2);
f. Certificaat Profiel Taalvaardigheid Praktische Beroepen (ERK-niveau A2).
De verzoeker is vrijgesteld van het afleggen van de onderdelen leesvaardigheid, luistervaardigheid, schrijfvaardigheid en spreekvaardigheid (TGN) van het inburgeringsexamen nieuwe stijl of de onderdelen EPE, TGN en het praktijkexamen van het inburgeringsexamen oude stijl, als hij één van de volgende documenten overlegt:
In het kader van de naturalisatieprocedure moet de verzoeker nog slechts het onderdeel Kennis van de Nederlandse samenleving van het inburgeringsexamen behalen. Indien de verzoeker hiervoor slaagt, dan ontvangt hij hiervan een resultatenbrief.
1. Certificaat Profiel Toeristische en Informele Taalvaardigheid (ERK-niveau A2);
2. Certificaat Profiel Taalvaardigheid Praktische Beroepen (ERK-niveau A2);
3. Certificaat Profiel Maatschappelijke Taalvaardigheid (ERK-niveau B1);
4. Certificaat Profiel Professionele Taalvaardigheid (ERK-niveau B2);
5. Certificaat Profiel Taalvaardigheid Hoger Onderwijs (ERK-niveau B2);
6. Certificaat Profiel Academische Taalvaardigheid (ERK-niveau C1).
Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker één van de vier certificaten zoals hierboven omschreven én:
In het kader van de naturalisatieprocedure moet de verzoeker nog wel het onderdeel Kennis van de Nederlandse Samenleving (KNS) met goed gevolg afleggen. Dit toont hij aan door het overleggen van de resultatenbrief “geslaagd” voor het examenonderdeel KNS.
• de resultatenbrief van het inburgeringsexamen waaruit blijkt dat hij geslaagd is voor KNS; of
• deel 1 van de naturalisatietoets (zoals die tot 1 januari 2007 gold); of
• het Certificaat inburgering nieuwkomers en de bij het certificaat behorende ROC-verklaring waaruit blijkt dat het onderdeel Maatschappij Oriëntatie ten minste met niveau 2 KSE is beoordeeld.
Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker het volgende:
• één van hiervoor genoemde certificaten Nederlands als Vreemde taal; en
• resultaatbrief geslaagd voor onderdeel KNS.
###### 2.2.2. Procedure (gedeeltelijke) vrijstelling
Voor indiening van het verzoek beoordeelt de burgemeester of het overgelegde document dat recht op (gedeeltelijke) vrijstelling kan geven origineel is en of de personalia overeenkomen met die van de verzoeker. Ook controleert de burgemeester aan de hand van een door de DUO te Groningen samengesteld modellenboek van diplomas en getuigschriften. Bij twijfel kan contact worden opgenomen met de DUO; ook bij niet Nederlandse diplomas.
Voor indiening van het verzoek beoordeelt de burgemeester of het overgelegde document dat recht op (gedeeltelijke) vrijstelling kan geven origineel is en of de personalia overeenkomen met die van de verzoeker. Daarnaast beoordeelt de burgemeester of het diploma of getuigschrift recht geeft op een (gedeeltelijk) vrijstelling. Bij twijfel kan contact worden opgenomen met de DUO; ook bij diplomas verkregen/afgegeven buiten Europees Nederland.
Indien de burgemeester van oordeel is dat het overgelegde document origineel is, de inhoud klopt en de personalia juist zijn, neemt hij de stukken in ontvangst. Het verzoek wordt op dit moment in behandeling genomen. De burgemeester maakt een kopie van het document en voegt die kopie met de gedateerde en door of namens hem ondertekende aantekening “kopie van origineel” op in het dossier. Het origineel geeft hij terug aan verzoeker. Hij stelt een advies op waarin hij de IND meedeelt dat verzoeker naar zijn oordeel (gedeeltelijk) is vrijgesteld van het inburgeringsexamen en stuurt het advies met de kopie van het overgelegde document/de overgelegde documenten mee in het dossier aan de IND.
Als de burgemeester van oordeel is dat het overgelegde document origineel is, de inhoud klopt en de personalia juist zijn, neemt hij de stukken in ontvangst. Het verzoek wordt op dit moment in behandeling genomen. De burgemeester maakt een kopie van het document en voegt die kopie met de gedateerde en door of namens hem ondertekende aantekening kopie van origineel op in het dossier. Het origineel geeft hij terug aan verzoeker. Hij stelt een advies op waarin hij de IND meedeelt dat verzoeker naar zijn oordeel (gedeeltelijk) is vrijgesteld van het inburgeringsexamen en stuurt het advies met de kopie van het overgelegde document/de overgelegde documenten mee in het dossier aan de IND.
De burgemeester ontraadt betrokkene echter een verzoek in te dienen indien hij twijfelt aan de echtheid van het overgelegde document of de juistheid van de personalia. Dat deelt hij mee aan verzoeker en stelt hem ervan in kennis dat hij het document en de gegevens nader zal onderzoeken.
De burgemeester ontraadt betrokkene echter een verzoek in te dienen als hij twijfelt aan de echtheid van het overgelegde document of de juistheid van de personalia. Dat deelt hij mee aan verzoeker en stelt hem ervan in kennis dat hij het document en de gegevens nader zal onderzoeken.
Indien de burgemeester onmiddellijk vaststelt dat het overgelegde document niet origineel is of de personalia niet overeenkomen met die van verzoeker, wordt hem ontraden een verzoek in te dienen. In dit geval wordt conform paragraaf 2.1.2 gehandeld.
Als de burgemeester onmiddellijk vaststelt dat het overgelegde document niet origineel is of de personalia niet overeenkomen met die van verzoeker, wordt hem ontraden een verzoek in te dienen. In dit geval wordt conform paragraaf 2.1.2 gehandeld.
In het geval de burgemeester de echtheid van het document of de juistheid van de gegevens op het overgelegde document wil onderzoeken, kan hij daaromtrent advies van de DUO inwinnen. In het geval advies van de DUO wordt ingewonnen, wordt het origineel document tijdelijk ingenomen.
Als de burgemeester tot de conclusie komt dat de gegevens op het document niet juist zijn, ontraadt hij verzoeker om een verzoek in te dienen. In dat geval wordt gehandeld zoals beschreven in paragraaf 2.1.2. Als de verzoeker toch een verzoek wenst in te dienen, neemt de burgemeester dat in behandeling en neemt zijn bevindingen op dit punt op in zijn advies. Kopieën van het betreffende document worden aan de IND gezonden.
Indien de burgmeester tot de conclusie komt dat de gegevens op het document niet juist zijn of het document zelf niet authentiek is, ontraadt hij verzoeker om een verzoek in te dienen, in dat geval wordt gehandeld conform paragraaf 2.1.2. Indien verzoeker toch een verzoek wenst in te dienen, neemt de burgemeester dat in behandeling en neemt zijn bevindingen op dit punt op in zijn advies. Kopieën van het betreffende document worden aan de IND gezonden.
Als vastgesteld is dat de gegevens juist zijn en het document echt is, neemt de burgemeester het verzoek in behandeling, maakt een kopie van het door verzoeker overgelegde document en voegt die kopie met de gedateerde en door of namens hem ondertekende aantekening kopie van origineel, alsook een aantekening over de visie van de DUO. De burgemeester stuurt het hele dossier naar de IND. In zijn advies wordt opgenomen dat betrokkene naar zijn oordeel is vrijgesteld van het inburgeringsexamen.
Indien het contact met de DUO leidt tot vaststelling dat de gegevens juist zijn en het document echt is, neemt de burgemeester het verzoek in behandeling, maakt een kopie van het door verzoeker overgelegde document en voegt die kopie met de gedateerde en door of namens hem ondertekende aantekening “kopie van origineel”, alsook een aantekening omtrent de visie van de DUO. De burgemeester stuurt het hele dossier naar de IND. In zijn advies wordt opgenomen dat betrokkene naar zijn oordeel is vrijgesteld van het inburgeringsexamen.
In het geval dat de verzoeker alleen een kopie van een hiervoor genoemd document kan overleggen, komt hij alleen in aanmerking voor (gedeeltelijke) vrijstelling als hij een recente verklaring van de leiding van het betrokken onderwijsinstituut overlegt waaruit blijkt dat de kopie overeenstemt met het door dat instituut afgegeven originele getuigschrift of diploma.
In het geval dat verzoeker slechts een kopie van een hiervoor genoemd document kan overleggen, komt hij alleen in aanmerking voor (gedeeltelijke) vrijstelling indien hij een recente verklaring van de leiding van het betrokken onderwijsinstituut overlegt waaruit blijkt dat de kopie overeenstemt met het door dat instituut afgegeven originele getuigschrift of diploma.
In geval van een overgelegde verklaring als hiervoor bedoeld neemt de burgemeester alvorens het verzoek te doen indienen ter verificatie contact op met het instituut dat de verklaring heeft afgegeven.
In geval van een overgelegde verklaring als hiervoor bedoeld neemt de burgemeester - alvorens het verzoek te doen indienen - ter verificatie contact op met het instituut dat de verklaring heeft afgegeven.
Als het contact met het instituut waar de opleiding is gevolgd leidt tot vaststelling dat de gegevens juist zijn en het document echt is, kan het verzoek tot naturalisatie worden ingediend en wordt de kopie van het document en de begeleidende verklaring van het desbetreffende instituut in het dossier gevoegd. Het gehele dossier stuurt hij op aan de IND. In het advies wordt nu ook opgenomen dat betrokkene naar het oordeel van de burgemeester is vrijgesteld van het inburgeringsexamen.
Indien het contact met het instituut waar de opleiding is gevolgd leidt tot vaststelling dat de gegevens juist zijn en het document echt is, kan het verzoek tot naturalisatie worden ingediend en wordt de kopie van het document en de begeleidende verklaring van het desbetreffende instituut in het dossier gevoegd. Het gehele dossier stuurt hij op aan de IND. In het advies wordt nu ook opgenomen dat betrokkene naar het oordeel van de burgemeester is vrijgesteld van het inburgeringsexamen.
Wordt een dergelijke verklaring niet overhandigd, dan dient betrokkene het inburgeringsexamen af te leggen.
Wordt een dergelijke verklaring niet overhandigd, dan moet de verzoeker het inburgeringsexamen afleggen.
##### 2.3. Ontheffing van het inburgeringsexamen
###### 2.3.1. Inleiding
Een verzoeker om naturalisatie die ten genoegen van de Minister aantoont wegens een lichamelijke en/of geestelijke belemmering dan wel een verstandelijke handicap of ondanks geleverde inspanningen redelijkerwijs niet in staat te zijn het inburgeringsexamen te behalen, is ingevolge artikel 4 van het Besluit Naturalisatietoets, van het examen ontheven.
Een verzoeker om naturalisatie die ten genoegen van Onze Minister aantoont wegens een lichamelijke en/of geestelijke belemmering dan wel een verstandelijke handicap of ondanks geleverde inspanningen redelijkerwijs niet in staat te zijn de naturalisatietoets (het inburgeringsexamen) te behalen, is op grond van artikel 4 van het Besluit Naturalisatietoets, van het examen ontheven.
###### 2.3.2. Psychische of lichamelijke belemmering
Indien verzoeker een ernstige psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap heeft en het inburgeringsexamen niet op de gebruikelijke wijze of met aangepaste examenomstandigheden kan afleggen is hij ontheven van het examen. Er is geen sprake van gedeeltelijke ontheffing. Verzoeker wordt altijd voor het gehele examen ontheven. Artikel 5 van de Regeling naturalisatietoets Nederland geeft hieraan uitwerking.
Als de verzoeker een ernstige psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap heeft en het inburgeringsexamen niet op de gebruikelijke wijze of met aangepaste examenomstandigheden kan afleggen is hij ontheven van het examen. Er is geen sprake van gedeeltelijke ontheffing. De verzoeker wordt altijd voor het gehele examen ontheven. Artikel 5 van de Regeling naturalisatietoets Nederland geeft hieraan uitwerking.
De verzoeker om naturalisatie die aantoont dat hij een zodanig psychische of lichamelijke belemmering dan wel een zodanige verstandelijke handicap heeft, dat hij binnen vijf jaar niet in staat is het inburgeringsexamen af te leggen is ontheven van de verplichting het examen te behalen. Voor een medische advies die de belemmering of handicap aantoont, kan hij terecht bij de, in het kader van de uitvoering van de Wet inburgering, door het college van burgemeester en wethouders van zijn woonplaats aangewezen medisch adviseur. In geval van verhuizing kan het advies afkomstig zijn van een aangewezen arts uit de vorige woonplaats.
De verzoeker moet zelf aantonen dat hij in aanmerking komt voor ontheffing van het afleggen van het inburgeringsexamen. Dit kan met ingang van 1 januari 2013 op de volgende manieren:
Indien betrokkene inburgeringsplichtig is geweest conform de Wet inburgering is het mogelijk dat er in het kader van deze wet een beschikking die strekt tot ontheffing van het inburgeringsexamen wegens een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap door het college van burgemeester en wethouders aan de verzoeker is afgegeven. Deze beschikking geeft ook ontheffing voor het examen op voorwaarde dat deze op de dag van indiening van het verzoek om naturalisatie niet ouders is dan drie jaar.
1. overleggen van een medisch advies, niet ouder dan 6 maanden, van een door de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel aangewezen medisch adviseur (model 2.27); of
2. een medisch advies inburgeringsexamen van de door zijn woongemeente aangewezen arts (model 2.27). Dit advies kan tot en met 31 december 2012 worden gegeven en kan nog tot 1 juli 2013 bij een naturalisatieverzoek worden gevoegd. Het advies blijft geldig in naturalisatieverzoeken die zijn ingediend vóór 1 juli 2013; of
3. overleggen van een beschikking van DUO, niet ouder dan drie jaar, op grond van artikel 6, eerste lid onder a, Wet inburgering;
4. overleggen van een beschikking van het college van B&W, niet ouder dan drie jaar, op grond van de Wet inburgering op medische gronden.
In de voorlichtende sfeer wijst de gemeente betrokkene op het feit dat het medisch advies inburgeringsexamen afkomstig moet zijn van een medisch adviseur als hierboven beschreven. De door de burgemeester aangewezen arts is bekend bij de afdeling inburgering van de betreffende gemeente. De gemeente gaat bij de afdeling die belast is met het uitvoeren van de Wet inburgering na of het medische advies is opgemaakt door een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen medisch adviseur. Op het moment van indienen van het verzoek om naturalisatie bij de gemeente mag het advies niet ouder zijn dan zes maanden.
Dit geldt voor niet-inburgeringsplichtige naturalisatieverzoekers (waaronder Europees onderdaan en Turkse onderdanen).
De gemeente kan zonder nadere inhoudelijke controle afgaan op het medisch advies, en op het adviesblad naturalisatie bij inburgering aantekenen dat ontheffing van het examen wordt geadviseerd. Mocht het advies niet conform het advies (model 2.27) of onvolledig zijn, dan adviseert de burgemeester betrokkene een nieuw advies te krijgen. Wenst betrokkene toch een verzoek om naturalisatie in te dienen, onder overlegging van een advies dat onvolledig of onduidelijk is, dan wordt op het adviesblad naturalisatie bij inburgering niet akkoord aangetekend.
Deze medisch adviseur is aangesloten bij een organisatie die door DUO is gecontracteerd voor het uitbrengen van de medische adviezen.
Telefonisch overleg met de IND inzake overgelegde adviezen is voor gemeenten altijd mogelijk via de vaste aanspreekpunten bij de naturalisatie-units van de IND.
Dit is het medisch advies van een door de burgemeester aangewezen arts.
Mocht daartoe aanleiding bestaan dan kan tijdens de naturalisatieprocedure het medisch advies nader worden onderzocht door de IND. De IND stuurt dan het medische advies naar de medisch adviseur die het advies heeft opgesteld, waarna de medisch adviseur de authenticiteit kan vaststellen. Indien het advies niet authentiek blijkt, is betrokkene niet ontheven van het inburgeringsexamen.
Dit geldt voor voormalige inburgeringsplichtige naturalisatieverzoekers.
Dit is een beschikking van DUO waarin staat dat de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel de betrokkene ontheft van de inburgeringsplicht omdat hij heeft aangetoond dat hij door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap, blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen.
Dit geldt voor voormalige inburgeringsplichtige naturalisatieverzoekers.
Dit is een beschikking van het college van B&W waarin staat dat het college van B&W de betrokkene ontheft van de inburgeringsplicht omdat hij heeft aangetoond dat hij door een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap, blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen.
De verzoeker om naturalisatie die aantoont dat hij een zodanig psychische of lichamelijke belemmering dan wel een zodanige verstandelijke handicap heeft, dat hij binnen vijf jaar niet in staat is het inburgeringsexamen met goed gevolg af te leggen is ontheven van de verplichting een naturalisatietoets af te leggen. Voor een medische advies die de belemmering of handicap aantoont, kan hij terecht bij de, in het kader van de uitvoering van de Wet inburgering, een door de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel aangewezen medisch adviseur op grond van artikel 2.8, eerste lid, van het Besluit inburgering.
De medisch adviseur is een arts niet zijnde een behandelend arts van betrokkene die is ingeschreven in het BIG-Register (het conform de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gehouden register).
De medisch adviseur stelt vast of er een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap is waardoor de verzoeker het examen binnen een termijn van vijf jaar al dan niet kan behalen. Ook kan de medisch adviseur vaststellen dat het examen wel kan worden behaald, zij het met een aanpassing van de examenomstandigheden, de zogenaamde bijzondere examenomstandigheden of met lichte aanpassingen in het voorbereidingstraject.
De medisch adviseur stelt een advies op conform het “Protocol Medische Advisering Inburgeringsexamen dat een bijlage is bij artikel 2.4, derde lid van de Regeling inburgering. Het advies wordt door de medisch adviseur rechtsreeks naar de verzoeker gestuurd. Het medisch advies is als model 2.27 opgenomen in de Handleiding. In het advies moeten de volgende gegevens ingevuld te zijn:
• persoonlijke gegevens van betrokkene;
• de naam van de medische adviseur;
• onderzoeksactiviteiten;
• probleemanalyse; en
• conclusie en advies.
Medische adviezen opgemaakt anders dan conform model 2.27, of onvolledige adviezen, worden niet geaccepteerd. Voorts mag het medisch advies bij het indienen van het naturalisatieverzoek niet ouder dan zes maanden zijn.
Niet inburgeringsplichtige naturalisatieverzoekers kunnen in de periode 1 juli 2012 tot 1 januari 2013 nog in het bezit worden gesteld van een medisch advies inburgeringsexamen van de door zijn woongemeente aangewezen arts. Deze adviezen kunnen worden geaccepteerd bij de indiening van het verzoek om naturalisatie, mits dit advies niet ouder is dan zes maanden bij de indiening van het verzoek. Het kan dus uiterlijk tot 1 juli 2013 worden geaccepteerd.
Als de verzoeker inburgeringsplichtig is geweest, is het ook mogelijk dat de betrokkene is ontheven van de inburgeringsplicht wegens een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap. Deze beschikking geeft ook ontheffing voor de naturalisatietoets op voorwaarde dat deze op de dag van indiening van het verzoek om naturalisatie niet ouders is dan drie jaar.
Als de verzoeker inburgeringsplichtig is geweest conform de Wet inburgering, zoals die luidde tot 1 januari 2013, is het mogelijk dat er in het kader van deze wet een beschikking die strekt tot ontheffing van het inburgeringsexamen wegens een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap door het college van burgemeester en wethouders aan de verzoeker is afgegeven. Deze beschikking geeft ook ontheffing voor het examen op voorwaarde dat deze op de dag van indiening van het verzoek om naturalisatie niet ouders is dan drie jaar. Let op! Dit betekent dat in het kader van de naturalisatieprocedure, rekening houdend met het feit dat de beschikking op de dag van indiening niet ouder mag zijn dan drie jaar, tot en met 31 december 2015 een dergelijke beschikking nog kan worden overgelegd.
In de voorlichtende sfeer wijst de gemeente betrokkene op het feit dat het medisch advies inburgeringsexamen afkomstig moet zijn van een medisch adviseur als hierboven beschreven. De door de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel aangewezen medisch adviseur is bekend bij DUO. Op het moment van indienen van het verzoek om naturalisatie bij de gemeente mag het advies niet ouder zijn dan zes maanden.
De gemeente kan zonder nadere inhoudelijke controle afgaan op het medisch advies, en op het adviesblad naturalisatie bij inburgering aantekenen dat ontheffing van het examen wordt geadviseerd. Mocht het advies niet conform het advies (model 2.27) of onvolledig zijn, dan adviseert de burgemeester betrokkene een nieuw advies te krijgen. Wenst betrokkene toch een verzoek om naturalisatie in te dienen, onder overlegging van een medisch advies dat onvolledig of onduidelijk is, dan wordt op het adviesblad naturalisatie bij inburgering niet akkoord aangetekend.
Telefonisch overleg met de IND over overgelegde adviezen is voor gemeenten altijd mogelijk via de vaste aanspreekpunten bij de naturalisatie-units van de IND.
Mocht daartoe aanleiding bestaan dan kan tijdens de naturalisatieprocedure het medisch advies nader worden onderzocht door de IND. De IND stuurt dan het medische advies naar de medisch adviseur die het advies heeft opgesteld, waarna de medisch adviseur de authenticiteit kan vaststellen. Als het advies niet authentiek blijkt, is de verzoeker niet ontheven van het inburgeringsexamen.
Als de IND twijfelt of het advies wel is afgegeven door een door de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel aangewezen arts kan dit worden nagegaan bij DUO.
###### 2.3.3. Beroep op het ondanks geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kunnen worden geacht het examen te behalen
@ -4013,25 +4035,25 @@ Artikel 6 van de Regeling naturalisatietoets Nederland geeft hieraan uitwerking.
1. niet gealfabetiseerd is in zijn eigen taal en de Nederlandse taal, en
2. van wie, gezien zijn leeftijd en overige omstandigheden, niet kan worden verwacht dat hij (nog) Nederlands leert lezen en schrijven binnen een periode van vijf jaar.
Wel dient betrokkene de toets gesproken Nederlands (TGN) op A2 niveau te behalen om het kunnen spreken en verstaan van het Nederlands op het voor naturalisatie gewenste niveau aan te tonen. Separaat hieraan zal betrokkene dienen aan te tonen welke inspanning hij heeft verricht om gealfabetiseerd te raken.
Wel moet betrokkene de toets gesproken Nederlands (TGN) op A2 niveau behalen om het kunnen spreken en verstaan van het Nederlands op het voor naturalisatie gewenste niveau aan te tonen. Separaat hieraan zal betrokkene moeten aantonen welke inspanning hij heeft verricht om gealfabetiseerd te raken.
Betrokkene is ontheven van het examen, indien hij een verklaring overlegt van het ROC Amsterdam, waarin deze aangeeft dat betrokkene wegens beperkt leervermogen in samenhang met onder meer vooropleiding en leeftijd in redelijkheid niet in staat geacht kan worden het examen te behalen. Voorts zal bij indiening van een naturalisatieverzoek de door de DUO verstrekte resultatenbrief van het afleggen van de toets gesproken Nederlands (TGN), met het resultaat geslaagd moeten worden overgelegd.
Betrokkene is ontheven van het examen, als hij een verklaring overlegt van het ROC Amsterdam, waarin deze aangeeft dat betrokkene wegens beperkt leervermogen in samenhang met onder meer vooropleiding en leeftijd in redelijkheid niet in staat geacht kan worden het examen te behalen. Voorts zal bij indiening van een naturalisatieverzoek de door de DUO verstrekte resultatenbrief van het afleggen van de toets gesproken Nederlands (TGN), met het resultaat geslaagd moeten worden overgelegd.
Het bovenstaande leidt ertoe dat bij een beroep op deze ontheffingsgrond een nader onderzoek moet worden ingesteld. In dit onderzoek worden de volgende factoren meegenomen: de mate van het niet gealfabetiseerd zijn, de mate van extra inspanning om gealfabetiseerd te raken, alsmede het leervermogen van betrokkene, de vooropleiding en de leeftijd.
Dit zogenaamde haalbaarheidsonderzoek vindt conform artikel 6, tweede lid, Regeling naturalisatietoets Nederland uitsluitend plaats bij het Regionaal Opleidingen Centrum (ROC) van Amsterdam. Dit ROC beoordeelt of het haalbaar is voor betrokkene binnen een tijdsbestek van vijf jaar Nederlands te leren lezen en schrijven op niveau 2 van het Referentiekader Nederlands als Tweede Taal. Betrokkene dient zelf voor het haalbaarheidsonderzoek te betalen. De kosten voor het haalbaarheidsonderzoek bedragen vanaf 1 januari 2012 € 293.
Dit zogenaamde haalbaarheidsonderzoek vindt conform artikel 6, tweede lid, Regeling naturalisatietoets Nederland uitsluitend plaats bij het Regionaal Opleidingen Centrum (ROC) van Amsterdam. Dit ROC beoordeelt of het haalbaar is voor betrokkene binnen een tijdsbestek van vijf jaar Nederlands te leren lezen en schrijven op niveau 2 van het Referentiekader Nederlands als Tweede Taal. Betrokkene moet zelf voor het haalbaarheidsonderzoek betalen. De kosten voor het haalbaarheidsonderzoek bedragen vanaf 1 januari 2013 € 298.
Het tarief voor het haalbaarheidsonderzoek wordt jaarlijks geïndexeerd (artikel 6, lid 5, Regeling Naturalisatietoets Nederland). Hierbij is gekozen voor een berekening analoog aan die van de jaarlijkse indexering van de optie- en naturalisatiegelden, waarbij wordt gekeken naar de loonontwikkeling.
Om administratieve lasten te voorkomen wordt het bedrag afgerond. De datum aanmelding ROC is bepalend voor de vaststelling van de vraag welk tarief geldt.
Gezien de vorm waarin het inburgeringsexamen wordt afgenomen, kunnen de onderdelen, praktijkdeel examen, kennis Nederlandse samenleving (KNS) en elektronisch praktijkexamen (EPE) bij een geslaagd beroep op niet gealfabetiseerd zijn niet op reguliere wijze door betrokkene worden afgelegd. Kunnen lezen is nu eenmaal een minimale voorwaarde om deze onderdelen af te kunnen leggen. Bij de toets gesproken Nederlands (TGN) geldt de voorwaarde van het kunnen lezen echter niet. Bij een geslaagd beroep op niet gealfabetiseerd zijn moet de niet gealfabetiseerde verzoeker derhalve de vaardigheden spreken en luisteren door middel van de toets gesproken Nederlands (TGN) afleggen.
Gezien de vorm waarin het inburgeringsexamen wordt afgenomen, kunnen de onderdelen, praktijkdeel examen, kennis Nederlandse samenleving (KNS) en elektronisch praktijkexamen (EPE) bij een geslaagd beroep op niet gealfabetiseerd zijn niet op reguliere wijze door betrokkene worden afgelegd. Kunnen lezen is nu eenmaal een minimale voorwaarde om deze onderdelen af te kunnen leggen. Bij de toets gesproken Nederlands (TGN) geldt de voorwaarde van het kunnen lezen echter niet. Bij een geslaagd beroep op niet gealfabetiseerd zijn moet de niet gealfabetiseerde verzoeker daarom de vaardigheden spreken en luisteren door middel van de toets gesproken Nederlands (TGN) afleggen.
Indien de niet gealfabetiseerde verzoeker de toets gesproken Nederlands (TGN) met goed gevolg op A2 niveau heeft afgelegd, verstrekt de DUO een resultaten brief van het afleggen van de toets gesproken Nederlands, met het resultaat geslaagd.
Als de niet gealfabetiseerde verzoeker de toets gesproken Nederlands (TGN) met goed gevolg op A2 niveau heeft afgelegd, verstrekt de DUO een resultaten brief van het afleggen van de toets gesproken Nederlands, met het resultaat geslaagd.
In de voorlichtende sfeer wijst de gemeente betrokkene op het feit dat kosten zijn verbonden aan het haalbaarheidsonderzoek. De gemeente adviseert betrokkene dan ook eerst de toets gesproken Nederlands (TGN) op het gewenste niveau te behalen alvorens betrokkene naar ROC Amsterdam gaat voor het haalbaarheidsonderzoek.
In de voorlichtende sfeer wijst de gemeente betrokkene op het feit dat kosten zijn verbonden aan het haalbaarheidsonderzoek. De gemeente adviseert betrokkene dan ook eerst de toets gesproken Nederlands (TGN) op het gewenste niveau te behalen voordat betrokkene naar ROC Amsterdam gaat voor het haalbaarheidsonderzoek.
Indien de (aspirant)-verzoeker tot naturalisatie een verklaring van het ROC Amsterdam overlegt met het advies dat betrokkene wegens het niet gealfabetiseerd zijn (met eventueel de combinatie van beperkte educatieve vaardigheden) in een tijdsbestek van vijf jaar niet in staat is het inburgeringsexamen te halen en betrokkene heeft de toets gesproken Nederlands (TGN) op A2 niveau behaald en dit blijkt uit de resultatenbrief, tekent de burgemeester op het adviesblad naturalisatie aan dat ontheffing van het inburgeringsexamen wordt geadviseerd.
Als de (aspirant)-verzoeker tot naturalisatie een verklaring van het ROC Amsterdam overlegt met het advies dat betrokkene wegens het niet gealfabetiseerd zijn (met eventueel de combinatie van beperkte educatieve vaardigheden) in een tijdsbestek van vijf jaar niet in staat is het inburgeringsexamen te halen en betrokkene heeft de toets gesproken Nederlands (TGN) op A2 niveau behaald en dit blijkt uit de resultatenbrief, tekent de burgemeester op het adviesblad naturalisatie aan dat ontheffing van het inburgeringsexamen wordt geadviseerd.
###### 2.3.4. Toetscriteria niet gealfabetiseerd
@ -4786,7 +4808,7 @@ Verzoeker wordt door de burgemeester in de voorlichtingsfase gewezen op de verpl
#### 1. Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties
Hierna volgt een lijst van landen met vermelding van behoud of verlies van de nationaliteit bij de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap. Bij deze lijst wordt het volgende aangetekend: het betreft hier een momentopname voor zover bij het Ministerievan Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bekend ten tijde van het verschijnen van deze gewijzigde landenlijst. Gebruikers van deze lijst die stuiten op wijzigingen of onjuistheden, wordt verzocht dit schriftelijk aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te melden onder vermelding van het onderwerp: Afstandsverplichting bij de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap.
Hierna volgt een lijst van landen met vermelding van behoud of verlies van de nationaliteit bij de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap. Bij deze lijst wordt het volgende aangetekend: het betreft hier een momentopname voor zover bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bekend ten tijde van het verschijnen van deze gewijzigde landenlijst. Gebruikers van deze lijst die stuiten op wijzigingen of onjuistheden, wordt verzocht dit schriftelijk aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te melden onder vermelding van het onderwerp: Afstandsverplichting bij de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap.
De schrijfwijze van de namen van staten is conform de lijst van landnamen, de officiële schrijfwijze voor het Nederlandse taalgebied, van de Werkgroep Buitenlandse Aardrijkskundige namen, 1994.
@ -4804,6 +4826,23 @@ E = partij geweest bij het Tweede Protocol van het Verdrag van Straatsburg
Onbekend = geen automatisch verlies, tot het tegendeel bewezen is
Als betrokkene verplicht is afstand te doen, dan moet hij een bereidheidsverklaring tekenen. Als betrokkene is vrijgesteld van de plicht om afstand te doen, dan hoeft hij geen bereidheidsverklaring te tekenen.
**Let op! **Deze lijst geldt zowel bij optie als naturalisatie. De afstandsverplichting bij optie op grond van artikel 6, eerste lid en onder e, RWN is op 1 oktober 2010 ingevoerd. De afstandsverplichting geldt niet voor de overige optiecategorieën. Voor 1 oktober 2010 gold dus bij optie niet de verplichting een bereidheidsverklaring te ondertekenen.
Met bevoegde autoriteit wordt bedoeld de bevoegde instantie die de optieverklaring of het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt:
• in Europees Nederland: de burgemeester
• in Aruba, Curaçao en Sint Maarten: de Gouverneur van Aruba, van Curaçao onderscheidenlijk van Sint Maarten;
• in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba: de Miniser (lees: IND-unit Caribisch Nederland);
• in het buitenland: de hoofden van de Nederlandse diplomatieke en consulaire posten.
Daar waar staat (gemeentelijke) basisadministratie geldt:
• voor Europees Nederland: het GBA;
• voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten: de PIVA;
• voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba: de bevolkingsregistratie.
| Afghanistan | B |
| --- | --- |
| Albanië | B |
@ -4813,61 +4852,61 @@ Onbekend = geen automatisch verlies, tot het tegendeel bewezen is
| Antigua en Barbuda | B |
| Argentinië | C, echter in sommige gevallen A. Tot Argentijn genaturaliseerden verliezen de Argentijnse nationaliteit wel automatisch. |
| Armenië | B |
| Australië | B De Australische nationaliteit ging tot 03.04.2002 automatisch verloren bij naturalisatie tot Nederlander. Het doen van afstand wordt bij naturalisatie gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 01.11.2002 (zie TBN 2002/3) en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010 (zie WBN 2010/7). |
| Australië | B De Australische nationaliteit ging tot 03.04.2002 automatisch verloren bij naturalisatie tot Nederlander. Het doen van afstand wordt bij naturalisatie gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 01.11.2002 en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010. |
| Azerbeidzjan | B |
| Bahamas | B, echter in sommige gevallen C. Burgers van de Bahamas die de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt kunnen afstand doen. Burgers van de Bahamas, die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt, kunnen geen afstand doen. |
| Bahrein | B |
| Bangladesh | C |
| Barbados | B |
| Belarus (Wit-Rusland) | Zie Wit-Rusland |
| België | B (sinds 28.04.2008) Met ingang van 28.04.2008 is België geen partij meer bij Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg. Het doen van afstand wordt bij naturalisatie gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 28 april 2008. Tot 28.04.2008 gold A, D (zie TBN 2007/10 en TBN 2008/10). Het doen van afstand wordt bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) gevraagd als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010 (zie WBN 2010/7) |
| België | B (sinds 28.04.2008) Met ingang van 28.04.2008 is België geen partij meer bij Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg. Het doen van afstand wordt bij naturalisatie gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 28 april 2008. Tot 28.04.2008 gold A, D. Het doen van afstand wordt bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) gevraagd als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010. |
| Belize | B |
| Benin | B |
| Bhutan | A |
| Bolivia | B Het doen van afstand wordt bij naturalisatie alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 22.11.2006 (zie TBN 2006/5) en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010 (WBN 2010/7). |
| Bosnië-Herzegovina | A Onderdanen van Bosnië-Herzegovina die na 01.01.1998 de Nederlandse nationaliteit hebben gekregen door optie of naturalisatie hebben de nationaliteit van Bosnië- Herzegovina automatisch verloren conform artikel 17 van de Wet betreffende het staatsburgerschap van Bosnië-Herzegovina van 1998 (in werking getreden op 01.01.1998). Als men voor 01.01.1998 de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen valt men onder een uitzonderingscategorie in de wetgeving van Bosnië-Herzegovina waardoor tot 01.01.2013 een dubbele nationaliteit blijft bestaan (zie TBN 2007/12). |
| Bolivia | B Het doen van afstand wordt bij naturalisatie alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 22.11.2006 en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010. |
| Bosnië-Herzegovina | A Onderdanen van Bosnië-Herzegovina die na 01.01.1998 de Nederlandse nationaliteit hebben gekregen door optie of naturalisatie hebben de nationaliteit van Bosnië- Herzegovina automatisch verloren conform artikel 17 van de Wet betreffende het staatsburgerschap van Bosnië-Herzegovina van 1998 (in werking getreden op 01.01.1998). Als men voor 01.01.1998 de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen door optie of naturalisatie valt men onder een uitzonderingscategorie in de wetgeving van Bosnië-Herzegovina waardoor tot 01.01.2013 een dubbele nationaliteit blijft bestaan. |
| Botswana | A |
| Brazilië | B |
| Brunei | A |
| Bulgarije | B |
| Burkina Faso | B Het doen van afstand wordt bij naturalisatie alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 05.03.2009 (datum inwerkingtreding TBN 2008/10) en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010 (WBN 2010/7). |
| Burundi | B Het doen van afstand wordt bij naturalisatie alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 01.03.2002 (zie TBN 2002/1) en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010 (WBN 2010/7). |
| Burkina Faso | B Het doen van afstand wordt bij naturalisatie alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 05.03.2009 en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010. |
| Burundi | B Het doen van afstand wordt bij naturalisatie alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 01.03.2002 en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010. |
| Cambodja | B |
| Canada | B |
| Centraal-Afrikaanse Republiek | A |
| Chili | B Tot Chileen genaturaliseerden verliezen hun Chileense nationaliteit vanaf 26 augustus 2005 niet meer automatisch maar moeten, net als Chilenen door geboorte, ook afstand doen. Het doen van afstand wordt bij naturalisatie alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 05.02.2008 (TBN 2007/12) en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010 (WBN 2010/7). |
| Chili | B Tot Chileen genaturaliseerden verliezen hun Chileense nationaliteit vanaf 26 augustus 2005 niet meer automatisch maar moeten, net als Chilenen door geboorte, ook afstand doen. Het doen van afstand wordt bij naturalisatie alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 05.02.2008 en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010. |
| China | A |
| Colombia | B Het doen van afstand wordt bij naturalisatie alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 22.11.2006 (zie TBN 2006/5) en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010 (WBN 2010/7). |
| Colombia | B Het doen van afstand wordt bij naturalisatie alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 22.11.2006 en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010. |
| Comoren, de | B |
| Congo (Volksrepubliek) | A |
| Congo (Democratische Rep., vh Zaïre) | A |
| Costa Rica | C |
| Cuba | C (m.i.v. 1 oktober 2010, zie WBN 2010/4) De rechtspraktijk maakt het onmogelijk afstand te doen van de Cubaanse nationaliteit. |
| Cuba | C (m.i.v. 1 oktober 2010) De rechtspraktijk maakt het onmogelijk afstand te doen van de Cubaanse nationaliteit. |
| Cyprus | B |
| Denemarken | A, D |
| Djibouti | B Het doen van afstand wordt bij naturalisatie alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 22.11.2006 (zie TBN 2006/5) en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010 (WBN 2010/7). |
| Djibouti | B Het doen van afstand wordt bij naturalisatie alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 22.11.2006 en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010. |
| Dominica | B |
| Dominicaanse Republiek | C |
| Duitsland | B Het doen van afstand wordt bij naturalisatie alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 28.08.2007 (zie TBN 2007/12) en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 1 oktober 2010 (zie WBN 2010/7). Geen partij meer bij het verdrag van Straatsburg m.i.v. 22.12.2002. Tot 28.08.2007 ging de Duitse nationaliteit automatisch verloren, tenzij de Duitse autoriteiten, met instemming van de Nederlandse autoriteiten, behoud van de Duitse nationaliteit hadden goedgekeurd |
| Duitsland | B Het doen van afstand wordt bij naturalisatie alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 28.08.2007 en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010. Geen partij meer bij het verdrag van Straatsburg m.i.v. 22.12.2002. Tot 28.08.2007 ging de Duitse nationaliteit automatisch verloren, tenzij de Duitse autoriteiten, met instemming van de Nederlandse autoriteiten, behoud van de Duitse nationaliteit hadden goedgekeurd. |
| Ecuador | C |
| Egypte Met het oog op de actualiteit van de gemeentelijke basisadministratie voegt de IND aan de kennisgeving aan de burgemeester dat betrokkene het Nederlanderschap is verleend, een kopie van de toestemmingsverklaring van de Egyptische autoriteiten toe. De Egyptische nationaliteit is verloren gegaan met het verlenen van het Nederlanderschap, mits genaturaliseerd is ná verkregen toestemming. | B Betrokkene moet zich tot het Egyptische Ministerie van Binnenlandse Zaken te wenden om toestemming te krijgen voor het verkrijgen van een andere. Betrokkene moet vóór het moment van verkrijging of verlening van het Nederlanderschap de beoogde toestemming van het Egyptische Ministerie van Binnenlandse Zaken hebben verkregen. Bedoelde toestemming blijkt uit een (gelegaliseerde) verklaring van de Egyptische ambassade. De verklaring van de Egyptische ambassade legt betrokkene over bij het afleggen van de optieverklaring of bij het indienen van het naturalisatieverzoek. De optieverklaring of het verzoek om naturalisatie kan eventueel ook worden afgelegd dan wel ingediend zonder de toestemmingsverklaring, maar dan moet betrokkene na ontvangst van bedoelde verklaring deze inleveren bij de gemeente waar de optieverklaring is afgelegd of het IND-kantoor waar zijn naturalisatieverzoek in behandeling is. Op de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie wordt pas beslist als de verklaring van de ambassade is ontvangen. In dit kader kan bij naturalisatie gebruik worden gemaakt van de bevoegdheid tot aanhouding uit artikel 9, vierde lid, RWN. Bij optie kan gebruik worden gemaakt van de bevoegdheid om de beslistermijn met dertien weken te verlengen (artikel 6, vijfde lid, RWN). De optieverklaring of het verzoek om naturalisatie wordt na de verlengingstermijn/ laatste aanhoudingstermijn bevestigd of ingewilligd als nog geen toestemmingsverklaring is ontvangen, **mits** de betrokkene aan de hand van correspondentie aantoont meermaals bij de Egyptische autoriteiten navraag te hebben gedaan inzake zijn verzoek om een vreemde nationaliteit aan te nemen. Een afstandsplichtige betrokkene (die niet onder één van de vrijstellingscategorieën voor de verplichting tot het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit valt) wordt ook gevraagd een verklaring (model 1.14-1b bij optie en model 2.5 bij naturalisatie) te ondertekenen dat de Egyptische autoriteiten niet is gevraagd noch zal worden gevraagd om behoud van de Egyptische nationaliteit. Uit artikel 10 van de Egyptische nationaliteitswetgeving blijkt namelijk dat de mogelijkheid bestaat om na de verkregen toestemming om een andere nationaliteit aan te nemen en het hieropvolgende verlies van de Egyptische nationaliteit binnen één jaar na verkrijging van de andere nationaliteit om behoud kan worden gevraagd van de Egyptische nationaliteit. Om de betrokkene duidelijk te maken dat dit niet de bedoeling is, moet model 1.14-1b (bij optie) en model 2.5 (bij naturalisatie) getekend te worden. |
| Egypte Met het oog op de actualiteit van de (gemeentelijke) basisadministratie voegt de IND aan de bekendmaking aan de bevoegde autoriteit dat betrokkene het Nederlanderschap is verleend, een kopie van de toestemmingsverklaring van de Egyptische autoriteiten toe. Let op! De Egyptische nationaliteit is verloren gegaan met het verlenen van het Nederlanderschap, mits genaturaliseerd is ná verkregen toestemming **en** nadat het verlies van de Egyptische nationaliteit is gepubliceerd in de Egyptische Staatscourant. Zodra betrokkene een kopie van de publicatie in de Egyptische Staatscourant heeft overgelegd, zal de IND de bevoegde autoriteit hiervan op de hoogte stellen en verzoeken de (gemeentelijke) basisadministratie aan te passen. | B Betrokkene moet zich tot het Egyptische Ministerie van Binnenlandse Zaken wenden om toestemming te krijgen voor het verkrijgen van een andere nationaliteit. Betrokkene moet vóór het moment van verkrijging of verlening van het Nederlanderschap de beoogde toestemming van het Egyptische Ministerie van Binnenlandse Zaken hebben verkregen. Bedoelde toestemming blijkt uit een (gelegaliseerde) verklaring van de Egyptische ambassade. De verklaring van de Egyptische ambassade legt betrokkene over bij het afleggen van de optieverklaring of bij het indienen van het naturalisatieverzoek. De optieverklaring of het verzoek om naturalisatie kan eventueel ook worden afgelegd dan wel ingediend zonder de toestemmingsverklaring, maar dan moet betrokkene na ontvangst van bedoelde verklaring deze inleveren/opsturen bij/naar de bevoegde autoriteit waar de optieverklaring is afgelegd of het IND-kantoor waar zijn naturalisatieverzoek in behandeling is. Op de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie wordt pas beslist als de verklaring van de ambassade is ontvangen. In dit kader kan bij naturalisatie gebruik worden gemaakt van de bevoegdheid tot aanhouding uit artikel 9, vierde lid, RWN. Bij optie kan gebruik worden gemaakt van de bevoegdheid om de beslistermijn met dertien weken te verlengen (artikel 6, vijfde lid, RWN). De optieverklaring of het verzoek om naturalisatie wordt na de verlengingstermijn/ laatste aanhoudingstermijn bevestigd of ingewilligd als nog geen toestemmingsverklaring is ontvangen, **mits** de betrokkene aan de hand van correspondentie aantoont meermaals bij de Egyptische autoriteiten navraag te hebben gedaan inzake zijn verzoek om een vreemde nationaliteit aan te nemen. Nadat het Nederlanderschap is verleend of verkregen moet betrokkene, totdat daadwerkelijk afstand is gedaan van de Egyptische nationaliteit, nog de volgende handelingen verrichten: Inleveren van het Egyptische paspoort en/of ID-kaart bij de bevoegde autoriteit; Verzoek indienen bij het Egyptische Ministerie van Binnenlandse Zaken om de Egyptische nationaliteit officieel te laten schrappen. Het opgeven van de Egyptische nationaliteit wordt gepubliceerd in de Egyptische Staatscourant; Betrokkene moet een bewijs publicatie verlies Egyptische nationaliteit overleggen aan de IND. Genoemde stukken moeten zijn voorzien van een vertaling, gemaakt door een beëdigd vertaler. Een afstandsplichtige betrokkene (die niet onder één van de vrijstellingscategorieën voor de verplichting tot het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit valt) wordt ook gevraagd een verklaring (model 1.14-1b bij optie en model 2.5/2.5a bij naturalisatie) dat de Egyptische autoriteiten niet is gevraagd noch zal worden gevraagd om behoud van de Egyptische nationaliteit. Uit artikel 10 van de Egyptische nationaliteitswetgeving blijkt namelijk dat de mogelijkheid bestaat om na de verkregen toestemming om een andere nationaliteit aan te nemen en het hieropvolgende verlies van de Egyptische nationaliteit binnen één jaar na verkrijging van de andere nationaliteit om behoud kan worden gevraagd van de Egyptische nationaliteit. Om de betrokkene duidelijk te maken dat dit niet de bedoeling is, moet model 1.14-1b (bij optie) en model 2.5/2.5a (bij naturalisatie) getekend te worden. |
| El Salvador | B, echter in sommige gevallen A. B: voor Salvadoranen door geboorte. A: tot Salvadoraan genaturaliseerden verliezen de Salvadoraanse nationaliteit automatisch als zij vijf jaren zonder onderbreking buiten El Salvador verblijven. |
| Equatoriaal-Guinee | Onbekend |
| Eritrea | B Na onderzoek is gebleken dat het doen van afstand van de Eritrese nationaliteit mogelijk is op grond van de Eritrese nationaliteitsverordening nr. 21/1992 d.d. 6 april 1992. Het formulier dat gebruikt moet worden voor een afstandsverzoek, kan alleen worden verkregen bij het Department of Immigration and Nationality executive secretary. Een kopie van het ingevulde verzoek tot afstand van de Eritrese nationaliteit moet bij naturalisatie en optie naar de IND worden gestuurd. Nadat individueel onderzoek is verricht door de Eritrese autoriteiten wordt afstand al dan niet toegestaan. Het doen van afstand wordt bij naturalisatie gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 01.07.2010 (datum inwerkingtreding WBN 2010/2) en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010 (WBN 2010/7). |
| Eritrea | B Het doen van afstand van de Eritrese nationaliteit is mogelijk op grond van de Eritrese nationaliteitsverordening nr. 21/1992 d.d. 6 april 1992. Het formulier dat gebruikt moet worden voor een afstandsverzoek, kan alleen worden verkregen bij het Department of Immigration and Nationality executive secretary. Een kopie van het ingevulde verzoek tot afstand van de Eritrese nationaliteit moet bij naturalisatie en optie naar de IND worden gestuurd. Nadat individueel onderzoek is verricht door de Eritrese autoriteiten wordt afstand al dan niet toegestaan. Het doen van afstand wordt bij naturalisatie gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 01.07.2010 en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010. |
| Estland | A |
| Ethiopië | A |
| Fiji | B Het doen van afstand van de Fijische nationaliteit is sinds 10.04.2009 mogelijk (Staatsburgerschapverordening 2009). Het doen van afstand wordt gevraagd bij een optieverklaring of naturalisatieverzoek, afgelegd/ingediend op of na 01.04.2012. A: tot 10.04.2009. |
| Filipijnen | A, B Met ingang van 17.9.2003 is de Filippijnse nationaliteitswet gewijzigd. Een Filippijn die door geboorte de Filippijnse nationaliteit bezit, verliest niet automatisch de Filippijnse nationaliteit bij het aannemen van een andere nationaliteit. De Filippijn kan afstand doen van zijn Filippijnse nationaliteit door het overleggen van een expliciete verklaring aan de Filippijnse autoriteiten. In ander gevallen dan hierboven omschreven geldt A. Het doen van afstand wordt bij naturalisatie alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 16.11.2005 (TBN 2005/5) en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010 (WBN 2010/7). |
| Finland | B Het doen van afstand wordt bij naturalisatie gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 19.07.2004 (zie TBN 2004/3) en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010 (WBN 2010/7). |
| Frankrijk | B Met ingang van 5 maart 2009 is Frankrijk geen partij meer bij Hoofdstuk 1 van het Verdrag van Straatsburg en het Tweede Protocol. Het doen van afstand wordt bij naturalisatie gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 05.03.2009 (tot 5 maart 2009 gold A, D, E) en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010 (WBN 2010/7). |
| Filipijnen | A, B Met ingang van 17.9.2003 is de Filippijnse nationaliteitswet gewijzigd. Een Filippijn die door geboorte de Filippijnse nationaliteit bezit, verliest niet automatisch de Filippijnse nationaliteit bij het aannemen van een andere nationaliteit De Filippijn kan afstand doen van zijn Filippijnse nationaliteit door het overleggen van een expliciete verklaring aan de Filippijnse autoriteiten. In ander gevallen dan hierboven omschreven geldt A. Het doen van afstand wordt bij naturalisatie alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 16.11.2005 en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010. |
| Finland | B Het doen van afstand wordt bij naturalisatie gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 19.07.2004 en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010. |
| Frankrijk | B Met ingang van 5 maart 2009 is Frankrijk geen partij meer bij Hoofdstuk 1 van het Verdrag van Straatsburg en het Tweede Protocol. Het doen van afstand wordt bij naturalisatie gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 05.03.2009 (tot 5 maart 2009 gold A, D, E) en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010. |
| Gabon | B |
| Gambia | B |
| Georgië | A |
| Ghana | B Het doen van afstand bij naturalisatie wordt gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 01.10.2001 (zie TBN 2001/5) en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010 (WBN 2010/7). A: tot 05.01.2001 |
| Ghana | B Het doen van afstand bij naturalisatie wordt gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 01.10.2001 en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010. A: tot 05.01.2001 |
| Grenada | B |
| Griekenland | C |
| Groot-Brittannië (en Noord-Ierland) | Zie Verenigd Koninkrijk |
| Guatemala | B Het doen van afstand wordt bij naturalisatie alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 05.03.2009 (datum inwerkingtreding TBN 2008/10) en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010 (WBN 2010/7). |
| Guatemala | B Het doen van afstand wordt bij naturalisatie alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 05.03.2009 en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010. |
| Guinee | A |
| Guinee-Bissau | A |
| Guyana | B |
@ -4877,10 +4916,10 @@ Onbekend = geen automatisch verlies, tot het tegendeel bewezen is
| Ierland | B |
| India | A |
| Indonesië | A |
| Irak | B (m.i.v. 01.04.2012) Dit houdt in dat de betrokkene bij de indiening van het verzoek of bij het afleggen van de optieverklaring (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) de bereidsheidverklaring moet ondertekenen. Nadat betrokkene Nederlander is geworden moet hij actie ondernemen om afstand te doen van de Iraakse nationaliteit. Het doen van afstand wordt gevraagd bij een optieverklaring (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) of naturalisatieverzoek, afgelegd/ingediend op 01.04.2012. Tot 01.04.2012 werd geen afstand gevraagd |
| Iran | C (m.i.v. 1 oktober 2010) De rechtspraktijk maakt het onmogelijk afstand te doen van de Iraanse nationaliteit. Bij een naturalisatieverzoek en bij een optieverklaring (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) ingediend/ afgelegd op of na 01.10.2010, hoeft geen bereidheidsverklaring tot het doen van afstand meer te worden ondertekend. |
| Irak | B (m.i.v. 01.04.2012) Dit houdt in dat de betrokkene bij de indiening van het verzoek of bij het afleggen van de optieverklaring (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) de bereidheidsverklaring moet ondertekenen. Nadat betrokkene Nederlander is geworden moet hij actie ondernemen om afstand te doen van de Iraakse nationaliteit. Het doen van afstand wordt gevraagd bij een optieverklaring (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) of naturalisatieverzoek, afgelegd/ingediend op 01.04.2012. Tot 01.04.2012 werd geen afstand gevraagd. |
| Iran | C (m.i.v. 1 oktober 2010) De rechtspraktijk maakt het onmogelijk afstand te doen van de Iraanse nationaliteit. Bij een naturalisatieverzoek en bij een optieverklaring (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) ingediend/afgelegd op of na 01.10.2010, hoeft geen bereidheidsverklaring tot het doen van afstand meer te worden ondertekend. |
| Israël | B |
| Italië | B Met ingang van 4 juni 2010 is Italië geen partij meer bij Hoofdstuk 1 van het Verdrag van Straatsburg en daarmee ook niet meer bij het Tweede Protocol. Het doen van afstand wordt bij naturalisatie gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 01.07.2010 (datum inwerkingtreding WBN 2010/2) en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010 (WBN 2010/7). A, D, E: tot 01.07.2010 |
| Italië | B Met ingang van 4 juni 2010 is Italië geen partij meer bij Hoofdstuk 1 van het Verdrag van Straatsburg en daarmee ook niet meer bij het Tweede Protocol. Het doen van afstand wordt bij naturalisatie gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 01.07.2010 en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010. A, D, E: tot 01.07.2010 |
| Ivoorkust | A |
| Jamaica | B |
| Japan | A |
@ -4889,21 +4928,21 @@ Onbekend = geen automatisch verlies, tot het tegendeel bewezen is
| Kaapverdië | B |
| Kameroen | A |
| Kazachstan | B |
| Kenya | A |
| Kenia | B (m.i.v. 01.01.2013) Het doen van afstand van het Keniaanse staatsburgerschap is mogelijk op grond van artikel 19 van de Kenya Citizenship and Immigration Bill, 2011, die op 30 augustus 2011 in werking is getreden. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen genaturaliseerde of van rechtswege Kenianen. Het doen van afstand wordt bij een naturalisatie en optie (ex artikel 6, lid 1 onder e, RWN) alleen gevraagd als dat is ingediend of afgelegd op of na 01.01.2013. Vanaf deze datum moet een bereidheidsverklaring worden ondertekend. A: tot 27.08.2010 (datum inwerkingtreding Grondwet 2010) |
| Kirgizië | B |
| Kiribati | B, echter in sommige gevallen A Personen van Kiribatische afstamming moeten afstand doen. Personen die de Kiribatische nationaliteit door naturalisatie hebben verkregen, verliezen deze nationaliteit automatisch bij het verkrijgen van een andere nationaliteit. Het doen van afstand wordt bij naturalisatie alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 22.11.2006 (datum inwerkingtreding van TBN 2006/5) en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010 (WBN 2010/7). |
| Kiribati | B, echter in sommige gevallen A Personen van Kiribatische afstamming moeten afstand doen. Personen die de Kiribatische nationaliteit door naturalisatie hebben verkregen, verliezen deze nationaliteit automatisch bij het verkrijgen van een andere nationaliteit. Het doen van afstand wordt bij naturalisatie alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 22.11.2006 en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010. |
| Koeweit | A |
| Kosovo | B Het doen van afstand wordt bij naturalisatie alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 05.03.2009 (datum inwerkingtreding TBN 2008/10) en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010 (WBN 2010/7). |
| Kosovo | B Het doen van afstand wordt bij naturalisatie alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 05.03.2009 en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010. |
| Kroatië | B |
| Laos | B |
| Lesotho | A |
| Letland | B |
| Libanon | B Betrokkene moet vóór het moment van verkrijgen of verlening van het Nederlanderschap toestemming van de Libanese autoriteiten te hebben om een andere nationaliteit te verkrijgen én om afstand te doen van de Libanese nationaliteit. De toestemming wordt verleend bij Presidentieel decreet. Dit decreet wordt gepubliceerd in de Libanese Staatscourant (in Franse vertaling: journal officiel). De stukken waaruit de verkregen toestemming blijkt, legt betrokkene over bij het afleggen van de optieverklaring of bij het indienen van zijn naturalisatieverzoek. De optieverklaring of het verzoek om naturalisatie kan eventueel ook worden afgelegd dan wel ingediend zonder de toestemmingsverklaring, maar dan moet betrokkene zo spoedig mogelijk de stukken inleveren bij de gemeente waar de optieverklaring is afgelegd of het IND-kantoor waar zijn naturalisatieverzoek in behandeling is. Op de optieverklaring of het naturalisatieverzoek wordt pas beslist nadat de toestemmingsverklaring is ontvangen. In dit kader kan bij naturalisatie gebruik worden gemaakt van de bevoegdheid tot aanhouding uit artikel 9, vierde lid, RWN. Bij optie kan gebruik worden gemaakt van de bevoegdheid om de beslistermijn met dertien weken te verlengen (artikel 6, vijfde lid, RWN). De optieverklaring of het naturalisatieverzoek wordt na het verstrijken van de verlengingstermijn/laatste aanhoudingstermijn bevestigd dan wel ingewilligd als nog geen toestemmingsverklaring is ontvangen, **mits** de betrokkene aan de hand van correspondentie aantoont meermaals bij de Libanese autoriteiten navraag te hebben gedaan inzake zijn verzoek om een vreemde nationaliteit aan te mogen nemen en om afstand te mogen doen van de Libanese nationaliteit (TBN 2003/2). Nadat het Nederlanderschap is verleend of verkregen moet betrokkene dit, ten einde afstand van de Libanese nationaliteit te bewerkstelligen, melden bij de verantwoordelijke autoriteiten in Libanon (burgerlijke stand). Hiervan vindt vervolgens een aantekening plaats in de Libanese burgerlijke stand (civil registration). Betrokkene moet na het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit een origineel en gelegaliseerd uittreksel uit het register van de Libanese burgerlijke stand te overleggen aan de IND, waaruit blijkt dat betrokkene afstand heeft gedaan van de Libanese nationaliteit. Genoemde stukken moeten zijn voorzien van een vertaling, gemaakt door een beëdigd vertaler. |
| Libanon | B Betrokkene moet vóór het moment van verkrijgen of verlening van het Nederlanderschap toestemming van de Libanese autoriteiten hebben om een andere nationaliteit te verkrijgen én om afstand te doen van de Libanese nationaliteit. De toestemming wordt verleend bij Presidentieel decreet. Dit decreet wordt gepubliceerd in de Libanese Staatscourant (in Franse vertaling: journal officiel). De stukken waaruit de verkregen toestemming blijkt, legt betrokkene over bij het afleggen van de optieverklaring of bij het indienen van zijn naturalisatieverzoek. De optieverklaring of het verzoek om naturalisatie kan eventueel ook worden afgelegd dan wel ingediend zonder de toestemmingsverklaring, maar dan moet betrokkene zo spoedig mogelijk de stukken inleveren/opsturen bij/naar de bevoegde autoriteit waar de optieverklaring is afgelegd of het IND-kantoor waar zijn naturalisatieverzoek in behandeling is. Op de optieverklaring of het naturalisatieverzoek wordt pas beslist nadat de toestemmingsverklaring is ontvangen. In dit kader kan bij naturalisatie gebruik worden gemaakt van de bevoegdheid tot aanhouding uit artikel 9, vierde lid, RWN. Bij optie kan gebruik worden gemaakt van de bevoegdheid om de beslistermijn met dertien weken te verlengen (artikel 6, vijfde lid, RWN). De optieverklaring of het naturalisatieverzoek wordt na het verstrijken van de verlengingstermijn/laatste aanhoudingstermijn bevestigd dan wel ingewilligd als nog geen toestemmingsverklaring is ontvangen, **mits** de betrokkene aan de hand van correspondentie aantoont meermaals bij de Libanese autoriteiten navraag te hebben gedaan inzake zijn verzoek om een vreemde nationaliteit aan te mogen nemen en om afstand te mogen doen van de Libanese nationaliteit. Nadat het Nederlanderschap is verleend of verkregen moet betrokkene dit, ten einde afstand van de Libanese nationaliteit te bewerkstelligen, melden bij de verantwoordelijke autoriteiten in Libanon (burgerlijke stand). Hiervan vindt vervolgens een aantekening plaats in de Libanese burgerlijke stand (civil registration). Betrokkene moet na het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit een origineel en gelegaliseerd uittreksel uit het register van de Libanese burgerlijke stand inleveren bij de bevoegde autoriteiten of overleggen aan de IND, waaruit blijkt dat betrokkene afstand heeft gedaan van de Libanese nationaliteit. Genoemde stukken moeten zijn voorzien van een vertaling, gemaakt door een beëdigd vertaler. |
| Liberia | A |
| Libië | C |
| Liechtenstein | B |
| Litouwen | A |
| Luxemburg | B Sinds 10.07.2009 is Luxemburg geen partij meer bij Hoofdstuk 1 van het Verdrag van Straatsburg. Het doen van afstand bij naturalisatie wordt gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend na 10.07.2009 en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010 (WBN 2010/7). A, D, E: tot 10.07.2009 |
| Luxemburg | B Sinds 10.07.2009 is Luxemburg geen partij meer bij Hoofdstuk 1 van het Verdrag van Straatsburg. Het doen van afstand bij naturalisatie wordt gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend na 10.07.2009 en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010. A, D, E: tot 10.07.2009. |
| Macedonië | B |
| Madagaskar | A |
| Malawi | A |
@ -4916,29 +4955,29 @@ Onbekend = geen automatisch verlies, tot het tegendeel bewezen is
| Mauritanië | A |
| Mauritius | B |
| Mexico | C, echter in sommige gevallen B. Tot Mexicaan genaturaliseerden kunnen afstand doen van de Mexicaanse nationaliteit. |
| Micronesia | B Het doen van afstand wordt bij naturalisatie alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 22.11.2006 (datum inwerkingtreding van TBN 2006/5) en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010 (WBN 2010/7). |
| Micronesia | B Het doen van afstand wordt bij naturalisatie alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 22.11.2006 en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010. |
| Moldavië | B |
| Monaco | A |
| Mongolië | B |
| Montenegro | B |
| Mozambique | B Het doen van afstand wordt bij naturalisatie alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek op of na 22.11.2006 (datum inwerkingtreding TBN 2006/5) en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010 (WBN 2010/7). |
| Mozambique | B Het doen van afstand wordt bij naturalisatie alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek op of na 22.11.2006 en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010. |
| Myanmar (Birma) | A |
| Namibië | A, voor Namibiërs door registratie of naturalisatie. B, voor Namibiërs door geboorte, afstamming of huwelijk. Het doen van afstand bij naturalisatie wordt alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 01.10.2001 (zie TBN 2001/5) en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010 (WBN 2010/7). |
| Nauru | B Het doen van afstand van de Nauruaanse nationaliteit is met ingang van 30 december 2005 mogelijk (Wet van het staatsburgerschap van Nauru van 2005). Het doen van afstand wordt alleen gevraagd aan betrokkene als de optieverklaring/ het naturalisatieverzoek is afgelegd/ingediend op of na 01.04.2012. C: tot 30.12.2005 |
| Namibië | A, voor Namibiërs door registratie of naturalisatie. B, voor Namibiërs door geboorte, afstamming of huwelijk. Het doen van afstand bij naturalisatie wordt alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 01.10.2001 en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010. |
| Nauru | B Het doen van afstand van de Nauruaanse nationaliteit is met ingang van 30.12.2005 mogelijk (Wet van het staatsburgerschap van Nauru van 2005). Het doen van afstand wordt alleen gevraagd aan betrokkene als de optieverklaring/ het naturalisatieverzoek is afgelegd/ingediend op of na 01.04.2012. C: tot 30.12.2005 |
| Nepal | A |
| Nicaragua | C Vanaf 19 januari 2000 (wijziging Grondwet) treedt ook geen automatisch verlies meer op voor Nicaraguanen die de Nicaraguaanse nationaliteit niet door geboorte hebben gekregen maar door naturalisatie (zie TBN 2007/12). |
| Nicaragua | C Vanaf 19 januari 2000 (wijziging Grondwet) treedt ook geen automatisch verlies meer op voor Nicaraguanen die de Nicaraguaanse nationaliteit niet door geboorte hebben gekregen maar door naturalisatie. |
| Nieuw-Zeeland | B |
| Niger | A |
| Nigeria | B, in sommige gevallen A. Tot Nigeriaan genaturaliseerden verliezen de Nigeriaanse nationaliteit wel automatisch. |
| Noord-Korea | A |
| Noorwegen | A, D |
| Oeganda (Uganda) | A |
| Oekraïne | B Ondanks de tekst van artikel 19, eerste lid van de Oekraïense nationaliteitswet, is van de bevoegde Oekraïense autoriteiten vernomen dat in geval van vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit de Oekraïense nationaliteit eerst verloren wordt als door de President van de Oekraïne aan betrokkene een verklaring van verlies is afgegeven. Daarom moet verzoeker na de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap een verklaring van verlies overleggen, en moet (m.i.v. 01.03.2002 bij naturalisatie en m.i.v. 01.10.2010 bij optie ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) bij het naturalisatieverzoek of optieverklaring (indien nodig) de bereidheidsverklaring (model 2.4 bij naturalisatie en model 1.14-1a bij optie. |
| Oekraïne | B Ondanks de tekst van artikel 19, eerste lid van de Oekraïense nationaliteitswet, is van de bevoegde Oekraïense autoriteiten vernomen dat in geval van vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit de Oekraïense nationaliteit eerst verloren wordt als door de President van de Oekraïne aan betrokkene een verklaring van verlies is afgegeven. Daarom moet verzoeker na de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap een verklaring van verlies overleggen, en moet bij het naturalisatieverzoek en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) m.i.v. 01.10.2010 de bereidheidsverklaring tot het doen van afstand worden getekend. |
| Oezbekistan | B |
| Oman | B |
| Oostenrijk | A, D Een verzoeker om naturalisatie of optant (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN m.i.v. 01.10.2010) wordt gevraagd een verklaring te ondertekenen dat de Oostenrijkse autoriteiten niet is gevraagd noch zal worden gevraagd om behoud van de Oostenrijkse nationaliteit (model 2.5 bij naturalisatie en model 1.14-1b bij optie). |
| Oost-Timor | B Het doen van afstand wordt bij naturalisatie alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 22.11.2006 (datum inwerkingtreding van TBN 2006/5) en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010 (WBN 2010/7). |
| Pakistan | B of C Afstand is alleen mogelijk voor personen van 21 jaar en ouder. Volgens Pakistaans recht zijn personen jonger dan 21 jaar namelijk minderjarig. Van personen van 18 tot 21 jaar wordt daarom niet gevraagd om afstand te doen. Het doen van afstand bij naturalisatie wordt alleen gevraagd aan een verzoeker die 21 jaar of ouder is op het moment van indiening van het naturalisatieverzoek en als het verzoek is ingediend op of na 01.07.10 (datum inwerkingtreding WBN 2010/2). Deze verzoekers moeten model 2.4 ondertekenen. Het doen van afstand bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) wordt alleen gevraagd aan een optant die 21 jaar of ouder is op het moment van het afleggen van de optieverklaring en als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010 (WBN 2010/7). Deze optanten moeten model 1.14-1a ondertekenen. |
| Oostenrijk | A, D Een verzoeker om naturalisatie of optant (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN m.i.v. 01.10.2010) wordt gevraagd een verklaring te ondertekenen dat de Oostenrijkse autoriteiten niet is gevraagd noch zal worden gevraagd om behoud van de Oostenrijkse nationaliteit (model 2.5/2.5a bij naturalisatie en model 1.14-1b bij optie). |
| Oost-Timor | B Het doen van afstand wordt bij naturalisatie alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 22.11.2006 en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010. |
| Pakistan | B of C Afstand is alleen mogelijk voor personen van 21 jaar en ouder. Volgens Pakistaans recht zijn personen jonger dan 21 jaar namelijk minderjarig. Van personen van 18 tot 21 jaar wordt daarom niet gevraagd om afstand te doen. Het doen van afstand bij naturalisatie wordt alleen gevraagd aan een verzoeker die 21 jaar of ouder is op het moment van indiening van het naturalisatieverzoek en als het verzoek is ingediend op of na 01.07.10. Deze verzoekers moeten model 2.4/2.4a ondertekenen. Het doen van afstand bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) wordt alleen gevraagd aan een optant die 21 jaar of ouder is op het moment van het afleggen van de optieverklaring en als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010. Deze optanten moeten model 1.14-1a ondertekenen. |
| Palau (Belau) | A |
| Panama | A |
| Papoea-Nieuw-Guinea | A |
@ -4948,7 +4987,7 @@ Onbekend = geen automatisch verlies, tot het tegendeel bewezen is
| Portugal | B |
| Qatar | B |
| Roemenië | B |
| Rwanda | B Het doen van afstand wordt bij naturalisatie alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 22.11.2006 (datum inwerkingtreding van TBN 2006/5) en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010 (WBN 2010/7). |
| Rwanda | B Het doen van afstand wordt bij naturalisatie alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 22.11.2006 en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010. |
| Rusland = Russische Federatie | B |
| Saint Kitts en Nevis | B |
| Saint Lucia | B |
@ -4956,18 +4995,18 @@ Onbekend = geen automatisch verlies, tot het tegendeel bewezen is
| Samoa | B |
| San Marino | B |
| São Tomé en Principe | A |
| Saudi-Arabië Met het oog op de actualiteit van de gemeentelijke basisadministratie voegt de IND aan de kennisgeving aan de burgemeester dat betrokkene het Nederlanderschap is verleend, een kopie van de toestemmingsverklaring van de Saudische autoriteiten toe. De Saudische nationaliteit is verloren gegaan met het verlenen van het Nederlanderschap, mits genaturaliseerd is ná verkregen toestemming. | B Betrokkene moet zich tot de Saudische autoriteiten wenden om toestemming tot verkrijging van een andere nationaliteit te krijgen. Betrokkene moet vóór het moment van verkrijging of verlening van het Nederlanderschap de beoogde toestemming van de Saudische autoriteiten hebben verkregen. Bedoelde toestemming blijkt uit een (gelegaliseerde) verklaring van de Saudische autoriteiten. De verklaring van de Saudische autoriteiten legt betrokkene over bij het afleggen van de optieverklaring of bij het indienen van zijn naturalisatieverzoek. De optieverklaring of het verzoek om naturalisatie kan eventueel ook worden afgelegd dan wel ingediend zonder de toestemmingsverklaring, maar dan moet betrokkene na ontvangst van bedoelde verklaring deze inleveren bij de gemeente waar de optieverklaring is afgelegd of het IND-kantoor waar zijn naturalisatieverzoek in behandeling is. Op de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie wordt pas beslist als de verklaring van de ambassade is ontvangen. In dit kader kan bij naturalisatie gebruik worden gemaakt van de bevoegdheid tot aanhouding uit artikel 9, vierde lid, RWN. Bij optie kan gebruik worden gemaakt van de bevoegdheid om de beslistermijn met dertien weken te verlengen (artikel 6, vijfde lid, RWN). De optieverklaring of het naturalisatieverzoek wordt na het verstrijken van de verlengingstermijn/laatste aanhoudingstermijn bevestigd dan wel ingewilligd als nog geen toestemmingsverklaring is ontvangen, **mits** de betrokkene aan de hand van correspondentie aantoont meermaals bij de Saudische autoriteiten navraag te hebben gedaan inzake zijn verzoek om een vreemde nationaliteit aan te nemen. |
| Saudi-Arabië Met het oog op de actualiteit van de (gemeentelijke) basisadministratie voegt de IND aan de bekendmaking aan de bevoegde autoriteit dat betrokkene het Nederlanderschap is verleend, een kopie van de toestemmingsverklaring van de Saudische autoriteiten toe. De Saudische nationaliteit is verloren gegaan met het verlenen van het Nederlanderschap, mits genaturaliseerd is ná verkregen toestemming. | B Betrokkene moet zich tot de Saudische autoriteiten wenden om toestemming tot verkrijging van een andere nationaliteit te krijgen. Betrokkene moet vóór het moment van verkrijging of verlening van het Nederlanderschap de beoogde toestemming van de Saudische autoriteiten hebben verkregen. Bedoelde toestemming blijkt uit een (gelegaliseerde) verklaring van de Saudische autoriteiten. De verklaring van de Saudische autoriteiten legt betrokkene over bij het afleggen van de optieverklaring of bij het indienen van zijn naturalisatieverzoek. De optieverklaring of het verzoek om naturalisatie kan eventueel ook worden afgelegd dan wel ingediend zonder de toestemmingsverklaring, maar dan moet betrokkene na ontvangst van bedoelde verklaring deze inleveren/opsturen bij/naar de bevoegde autoriteit waar de optieverklaring is afgelegd of het IND-kantoor waar zijn naturalisatieverzoek in behandeling is. Op de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie wordt pas beslist als de verklaring van de ambassade is ontvangen. In dit kader kan bij naturalisatie gebruik worden gemaakt van de bevoegdheid tot aanhouding uit artikel 9, vierde lid, RWN. Bij optie kan gebruik worden gemaakt van de bevoegdheid om de beslistermijn met dertien weken te verlengen (artikel 6, vijfde lid, RWN). De optieverklaring of het naturalisatieverzoek wordt na het verstrijken van de verlengingstermijn/laatste aanhoudingstermijn bevestigd dan wel ingewilligd als nog geen toestemmingsverklaring is ontvangen, **mits** de betrokkene aan de hand van correspondentie aantoont meermaals bij de Saudische autoriteiten navraag te hebben gedaan inzake zijn verzoek om een vreemde nationaliteit aan te nemen. |
| Senegal | A, in sommige gevallen B. Personen die actief dienst doen of hebben gedaan, dan wel hiertoe opgeroepen zijn na vrijstelling, hebben voor verlies van hun nationaliteit toestemming van de regering nodig. |
| Servië | B |
| Seychellen | B |
| Sierra Leone | B Het doen van afstand wordt bij naturalisatie alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 05.03.2009 (datum inwerkingtreding TBN 2008/10) en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010 (WBN 2010/7). |
| Sierra Leone | B Het doen van afstand wordt bij naturalisatie alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 05.03.2009 en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010. |
| Singapore | B |
| Slovenië | B |
| Slowakije | B |
| Slowakije | A, in sommige gevallen B M.i.v. 01.01.2013 is de wetswijziging van 17 juli 2010 in de landenlijst verwerkt. De nieuwe wet geldt alleen voor Slowaken die op of na 17.07.2010 een andere nationaliteit hebben verkregen. A: met de onderstaande uitzonderingen waarbij behoud van de Slowaakse nationaliteit aan de orde is: de met een Nederlander gehuwde Slowaak, die de Nederlandse nationaliteit verkrijgt na 17.07.2010 behoudt de Slowaakse nationaliteit (Nederland vraagt ook geen afstand te doen van de Slowaakse nationaliteit wegens artikel 9 lid 3 RWN). De Slowaakse nationaliteit wordt tevens niet verloren in het geval de andere nationaliteit van rechtswege wordt verkregen door geboorte. Tot 17.07.2010: B |
| Soedan (Sudan) | B |
| Solomoneilanden | A |
| Somalië | A |
| Spanje | B Het doen van afstand wordt alleen gevraagd in geval van een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 01.10.2003 en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010. Voor de categorieën die zijn vrijgesteld van de afstandsverplichting geldt: A (drie jaar na de naturalisatie indien betrokkene niet de verklaring aflegt tot behoud van de Spaanse nationaliteit.). Een Spanjaard die vóór 09.01.2003 is genaturaliseerd tot Nederlander, en die woonachtig is buiten Spanje, verliest na drie jaar automatisch de Spaanse nationaliteit. Artikel 24 van de Spaanse nationaliteitswet is per 9 januari 2003 gewijzigd. Aan Spanjaarden die op of na 9 januari 2003 tevens Nederlander zijn geworden, staat Spanje het behoud van de Spaanse nationaliteit toe. De regel van automatisch verlies na drie jaar is nog wel in de wet opgenomen, maar het verlies kan worden voorkomen door tijdig bij de Spaanse autoriteiten een verklaring tot behoud van de Spaanse nationaliteit af te leggen. Met het oog op vermijding van dubbele nationaliteit wordt Spanjaarden die niet in aanmerking komen voor vrijstelling van de afstandsverplichting gevraagd om direct na hun naturalisatie tot Nederlander op grond van artikel 24, tweede lid van de Spaanse nationaliteitwet afstand te doen van de Spaanse nationaliteit. (zie TBN 2003/2). |
| Spanje | B Het doen van afstand wordt alleen gevraagd in geval van een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 01.10.2003 en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010. Voor de categorieën die zijn vrijgesteld van de afstandsverplichting geldt: A (drie jaar na de naturalisatie indien betrokkene niet de verklaring aflegt tot behoud van de Spaanse nationaliteit). Een Spanjaard die vóór 09.01.2003 is genaturaliseerd tot Nederlander, en die woonachtig is buiten Spanje, verliest na drie jaar automatisch de Spaanse nationaliteit. Artikel 24 van de Spaanse nationaliteitswet is per 9 januari 2003 gewijzigd. Aan Spanjaarden die op of na 9 januari 2003 tevens Nederlander zijn geworden, staat Spanje het behoud van de Spaanse nationaliteit toe. De regel van automatisch verlies na drie jaar is nog wel in de wet opgenomen, maar het verlies kan worden voorkomen door tijdig bij de Spaanse autoriteiten een verklaring tot behoud van de Spaanse nationaliteit af te leggen. Met het oog op vermijding van dubbele nationaliteit wordt Spanjaarden die niet in aanmerking komen voor vrijstelling van de afstandsverplichting gevraagd om direct na hun naturalisatie tot Nederlander op grond van artikel 24, tweede lid van de Spaanse nationaliteitwet afstand te doen van de Spaanse nationaliteit. |
| Sri Lanka | A |
| Suriname | A |
| Swaziland | B |
@ -4977,10 +5016,10 @@ Onbekend = geen automatisch verlies, tot het tegendeel bewezen is
| Tanzania | A |
| Thailand | A en soms B Het (automatisch) verlies van de Thaise nationaliteit wordt effectief na publicatie hiervan in de Thaise staatscourant. Blijkens artikel 13 van de Thaise Nationality Act verliest een Thaise vrouw die is gehuwd met een persoon van niet Thaise nationaliteit niet automatisch de Thaise nationaliteit na haar naturalisatie tot de nationaliteit van haar echtgenoot. Zij kan wel afstand doen van de Thaise nationaliteit. Dit wordt in Nederland niet van haar gevraagd aangezien zij valt onder één van de uitzonderingscategorieën (artikel 9 lid 3 RWN). Voor Thaise vrouwen die getrouwd zijn met een niet Nederlandse partner geldt dat zij hun Thaise nationaliteit automatisch verliezen wanneer zij de Nederlandse nationaliteit verkrijgen. Dit geldt dus ook voor de Thaise die gehuwd is met een Thaise partner. |
| Togo | B |
| Tonga | C (zie TBN 2008/10) |
| Tonga | C |
| Trinidad en Tobago | B |
| Tsjaad | B |
| Tsjechië | A, soms B Een burger zal de Tsjechische nationaliteit niet verliezen als de andere nationaliteit wordt verkregen in verband met een huwelijk met de inwoner van een ander land, onder de voorwaarde dat het verkrijgen van die andere nationaliteit tijdens de huwelijkse staat (moet zijn) geschied(t). De Tsjechische nationaliteit wordt tevens niet verloren in het geval de andere nationaliteit van rechtswege wordt verkregen door geboorte. Het doen van afstand wordt bij naturalisatie alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 16.11.2005 (TBN 2005/5) en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010 (WBN 2010/7). |
| Tsjechië | A, soms B Een burger zal de Tsjechische nationaliteit niet verliezen als de andere nationaliteit wordt verkregen in verband met een huwelijk met de inwoner van een ander land, onder de voorwaarde dat het verkrijgen van die andere nationaliteit tijdens de huwelijkse staat (moet zijn) geschied(t). De Tsjechische nationaliteit wordt tevens niet verloren in het geval de andere nationaliteit van rechtswege wordt verkregen door geboorte. Het doen van afstand wordt bij naturalisatie alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 16.11.2005 en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010. |
| Tunesië | C |
| Turkije | B Dit geldt ook voor mannelijke Turkse onderdanen die hun dienstplicht nog niet hebben vervuld. |
| Turkmenistan | B |
@ -4988,17 +5027,17 @@ Onbekend = geen automatisch verlies, tot het tegendeel bewezen is
| Uruguay | C, echter in sommige gevallen A. Tot Uruguayaan genaturaliseerden verliezen de Uruguayaanse nationaliteit wel automatisch. |
| Vanuatu | A |
| Vaticaanstad | A |
| Venezuela | B Het doen van afstand wordt bij naturalisatie gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 01.11.2002 (zie TBN 2002/3) en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010 (WBN 2010/7). A: tot 29.12.1999 |
| Venezuela | B Het doen van afstand wordt bij naturalisatie gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 01.11.2002 en bij optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als de verklaring is afgelegd op of na 01.10.2010. A: tot 29.12.1999 |
| Verenigde Arabische Emiraten | A |
| Verenigde Staten van Amerika | B |
| Verenigd Koninkrijk (Groot-Brittannië (en Noord-Ierland)) | B |
| Vietnam | B |
| Wit-Rusland (Belarus) | B |
| IJsland Met het oog op de actualiteit van de gemeentelijke basisadministratie voegt de IND aan de kennisgeving aan de burgemeester dat betrokkene het Nederlanderschap is verleend, een kopie van de toestemmingsverklaring van de IJslandse autoriteiten toe. De IJslandse nationaliteit is verloren gegaan met het verlenen van het Nederlanderschap, mits genaturaliseerd is ná verkregen toestemming. | B Betrokkene moet vóór het moment van verkrijging of verlening van het Nederlanderschap bij de IJslandse autoriteiten vragen om toestemming om afstand te doen van de IJslandse nationaliteit. Bedoelde toestemming blijkt uit een (gelegaliseerde) verklaring van de IJslandse autoriteiten. De verklaring van de IJslandse autoriteiten legt betrokkene over bij het afleggen van de optieverklaring of bij het indienen van zijn naturalisatieverzoek. De optieverklaring of het verzoek om naturalisatie kan eventueel ook worden afgelegd dan wel ingediend zonder de toestemmingsverklaring, maar dan moet betrokkene na ontvangst van bedoelde verklaring deze inleveren bij de gemeente waar de optieverklaring is afgelegd of het IND-kantoor waar zijn naturalisatieverzoek in behandeling is. Het doen van afstand wordt bij naturalisatie alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 22.11.2006 (zie TBN 2006/5) en bij een optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als deze is afgelegd op of na 01.10.2010 (WBN 2010/7). |
| IJsland Met het oog op de actualiteit van de (gemeentelijke) basisadministratie voegt de IND aan de bekendmaking aan de bevoegde autoriteit dat betrokkene het Nederlanderschap is verleend, een kopie van de toestemmingsverklaring van de IJslandse autoriteiten toe. De IJslandse nationaliteit is verloren gegaan met het verlenen van het Nederlanderschap, mits genaturaliseerd is ná verkregen toestemming. | B Betrokkene moet vóór het moment van verkrijging of verlening van het Nederlanderschap bij de IJslandse autoriteiten vragen om toestemming om afstand te doen van de IJslandse nationaliteit. Bedoelde toestemming blijkt uit een (gelegaliseerde) verklaring van de IJslandse autoriteiten. De verklaring van de IJslandse autoriteiten legt betrokkene over bij het afleggen van de optieverklaring of bij het indienen van zijn naturalisatieverzoek. De optieverklaring of het verzoek om naturalisatie kan eventueel ook worden afgelegd dan wel ingediend zonder de toestemmingsverklaring, maar dan moet betrokkene na ontvangst van bedoelde verklaring deze inleveren/opsturen bij/naar de bevoegde autoriteit waar de optieverklaring is afgelegd of het IND-kantoor waar zijn naturalisatieverzoek in behandeling is. Het doen van afstand wordt bij naturalisatie alleen gevraagd bij een naturalisatieverzoek dat is ingediend op of na 22.11.2006 en bij een optie (ex artikel 6, eerste lid onder e, RWN) als deze is afgelegd op of na 01.10.2010. |
| Zaïre (Congo, Democratische Republiek) | Zie Congo, Democratische Republiek |
| Zambia | A |
| Zimbabwe | A |
| Zuid-Afrika | A Betrokkene wordt gevraagd een verklaring te ondertekenen dat de Zuidafrikaanse autoriteiten niet is gevraagd noch zal worden gevraagd om behoud van de Zuidafrikaanse nationaliteit (model 1.14-1b bij optie en model 2.5 bij naturalisatie). |
| Zuid-Afrika | A Betrokkene wordt gevraagd een verklaring te ondertekenen dat de Zuidafrikaanse autoriteiten niet is gevraagd noch zal worden gevraagd om behoud van de Zuidafrikaanse nationaliteit (model 1.14-1b bij optie en model 2.5/2.5a bij naturalisatie). |
| Zuid-Korea | A |
| Zweden | B (m.i.v. 01.07.2002) A, D: tot 01.07.2002 |
| Zwitserland | B |
@ -5795,55 +5834,47 @@ Met het oog op de jaarlijkse indexering van de optie- en naturalisatiegelden (zi
| Tariefgroep | Tarief(code) | Bedrag |
| --- | --- | --- |
| optie; enkelvoudig | A | € 170 |
| optie; gemeenschappelijk | B | € 289 |
| optie; medeopterende minderjarige | C | € 20 |
| naturalisatie; enkelvoudig; standaard | D | € 798 |
| naturalisatie; gemeenschappelijk; standaard | E | € 1019 |
| naturalisatie; enkelvoudig; verlaagd | F | € 593 |
| naturalisatie; gemeenschappelijk; verlaagd | G | € 815 |
| naturalisatie; meenaturaliserende minderjarige | H | € 117 |
| optie; enkelvoudig | A | € 173 |
| optie; gemeenschappelijk | B | € 294 |
| optie; medeopterende minderjarige | C | € 21 |
| naturalisatie; enkelvoudig; standaard | D | € 810 |
| naturalisatie; gemeenschappelijk; standaard | E | € 1035 |
| naturalisatie; enkelvoudig; verlaagd | F | € 603 |
| naturalisatie; gemeenschappelijk; verlaagd | G | € 828 |
| naturalisatie; meenaturaliserende minderjarige | H | € 119 |
#### 1. Optiegelden
##### 1.1. Tarieven
Tarief A is verschuldigd indien een optant een optieverklaring aflegt op grond van artikel 6 RWN of artikel 28 RWN dan wel artikel II, eerste lid, van de Rijkswet van 27 juni 2008 (Stb. 270).
Tarief A is verschuldigd als een optant een optieverklaring aflegt op grond van artikel 6 RWN, artikel 28 RWN of artikel II, eerste lid, van de Rijkswet van 27 juni 2008 (Stb. 270).
Tarief B is verschuldigd indien twee optieverklaringen gelijktijdig worden afgelegd door twee:
Tarief B is verschuldigd als twee optieverklaringen gelijktijdig worden afgelegd door twee personen die:
• met elkaar gehuwden; of
personen die een geregistreerd partnerschap met elkaar zijn aangegaan; of
• ongehuwden die samenleven in een duurzame relatie.
• met elkaar gehuwd zijn; of
• een geregistreerd partnerschap met elkaar zijn aangegaan; of
• ongehuwd samenleven in een duurzame relatie.
De regeling voor de optiegelden bevat, anders dan bij de naturalisatiegelden het geval is, geen verlaagd tarief voor een houder van een asielvergunning dan wel een staatloze.
Tarief C is verschuldigd voor de behandeling van een verzoek tot medeverlening bij optie als bedoeld in artikel 6, achtste lid, RWN. Dit betekent dat voor de behandeling van een verzoek voor een minderjarige om met zijn ouder(s) mee te opteren, naast het tarief dat de ouder(s) moet(en) betalen bij het afleggen van hun optieverklaring (tarief A of B), het tarief C moet worden betaald voor iedere minderjarige voor wie een verzoek tot medeverlening bij optie wordt ingediend.
Tarief C is verschuldigd voor de behandeling van een optieverklaring tot medeverkrijging als bedoeld in artikel 6, achtste lid, RWN. Dit betekent dat voor de behandeling van een optieverklaring tot medeverkrijging voor een minderjarige, naast het tarief dat de ouder(s) moet(en) betalen bij het afleggen van hun optieverklaring (tarief A of B), het tarief C moet worden betaald voor iedere minderjarige voor wie een optieverklaring tot medeverkrijging wordt afgelegd.
Zie voor de betalingsprocedure verder paragraaf 3 (betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden).
##### 1.2. Categoriale vrijstelling van optiegelden
Optanten die ingevolge de Wet betreffende de positie van Molukkers als Nederlander worden behandeld zijn ingevolge artikel 4, eerste lid, BON vrijgesteld van leges.
Optanten die op grond van de Wet betreffende de positie van Molukkers als Nederlander worden behandeld zijn op grond van artikel 4, eerste lid, BON vrijgesteld van leges.
##### 1.3. Ontheffing van optiegelden
Ingevolge artikel 4, derde lid, BON bestaat de mogelijkheid in twee situaties ontheffing van de leges te verlenen. Hierbij moet het gaan om optieverklaringen van:
Op grond van artikel 4, derde lid, BON bestaat de mogelijkheid in twee situaties ontheffing van de leges te verlenen. Hierbij moet het gaan om optieverklaringen van:
a. een minderjarige die zelfstandig een optieverklaring aflegt (artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, c of d, RWN);
• b. een persoon die ingevolge een administratieve vergissing reeds meer dan een jaar als Nederlander is aangemerkt.
a. een minderjarige die zelfstandig een optieverklaring aflegt (artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, c of d, RWN);
b. een persoon die als gevolg van een administratieve vergissing al meer dan een jaar als Nederlander is aangemerkt.
Om in aanmerking te komen voor ontheffing dient gelijktijdig met de indiening van de optieverklaring een gemotiveerd ontheffingsverzoek te worden ingediend. De burgemeester is gemandateerd in de ministeriële regeling om te beslissen op het verzoek tot ontheffing van de optiegelden (zie artikel 4, vijfde lid, BON). Voor een inwilligend besluit op een ontheffingsverzoek is model 1.27 beschikbaar. Voor een afwijzend besluit op een ontheffingsverzoek is model 1.28 beschikbaar.
Om in aanmerking te komen voor ontheffing moet gelijktijdig met de indiening van de optieverklaring een gemotiveerd ontheffingsverzoek worden ingediend. In Nederland is de burgemeester gemandateerd in de ministeriële regeling om te beslissen op het verzoek tot ontheffing van de optiegelden (zie artikel 4, vijfde lid, BON). In het buitenland zijn de hoofden van de Nederlandse diplomatieke en consulaire posten hiertoe gemandateerd. Voor een inwilligend besluit op een ontheffingsverzoek zijn modellen 1.27 en 1.27a beschikbaar. Voor een afwijzend besluit op een ontheffingsverzoek zijn modellen 1.28 en 1.28a beschikbaar.
*Ad a*
In geval van een zelfstandige optie door een minderjarige is er in beginsel geen reden om met betrekking tot de optiegelden anders te handelen dan in geval van optie door een meerderjarige. In beide gevallen wordt een zelfde inspanning van de gemeente vereist. In beginsel betaalt de minderjarige optant dan ook tarief A voor zijn optieverklaring. Worden echter tegelijkertijd door twee kinderen binnen één gezin optieverklaringen afgelegd, dan wordt tarief B in rekening gebracht. Tarief B wordt tevens in rekening gebracht indien meer dan twee kinderen uit één gezin tegelijkertijd optieverklaringen afleggen. Het derde en volgende kind(eren) wordt ontheffing verleend van het betalen van optiegelden, omdat anders financiële redenen ertoe zouden kunnen leiden dat binnen gezinnen verschillen in nationaliteit ontstaan (vergelijk de nota van toelichting bij artikel 4 BON). Het is daarom niet redelijk in geval van een gelijktijdige optieverklaring door meerdere kinderen binnen een gezin een hoger bedrag aan leges op te leggen dan het bedrag in geval van een gemeenschappelijk verzoek.
*Ad b*
Met betrekking tot personen die ingevolge een administratieve vergissing reeds meer dan een jaar als Nederlander zijn aangemerkt, geldt dat als de administratie een fout in de beoordeling van het bezit van het Nederlanderschap heeft gemaakt, én betrokkene kan opteren, de fout moet kunnen worden hersteld zonder kosten voor betrokkene. Indien de fout aan betrokkene zelf is te wijten, bijvoorbeeld indien sprake is van frauduleus of onzorgvuldig gedrag van de betrokkene, wordt geen ontheffing van de optiegelden verleend.
Artikel 7, tweede lid, BON voorziet in de mogelijkheid dat de gemeente aan de rijksoverheid vergoeding verzoekt wegens, door ontheffing, niet-ontvangen optiegelden.
Artikel 7, tweede lid, BON voorziet in de mogelijkheid dat de gemeente/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post aan de rijksoverheid vergoeding verzoekt wegens, door ontheffing, niet-ontvangen optiegelden. Het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post moet een verzoek om vergoeding indienen door tussenkomst van de Minister van Buitenlandse Zaken.
##### 1.4. In een enkel geval geen optiegelden verschuldigd
@ -5853,7 +5884,7 @@ Niet vaak zal (nog) voorkomen dat een optierecht op het Nederlanderschap bestaat
##### 2.1. Tarieven naturalisatiegelden
Voor naturalisatie is in het algemeen betaling van naturalisatiegelden verschuldigd. Per individueel geval dient te worden bekeken welk bedrag aan naturalisatiegelden moet worden betaald. Hierbij zijn te onderscheiden:
Voor naturalisatie is in het algemeen betaling van naturalisatiegelden verschuldigd. Per individueel geval moet worden bekeken welk bedrag aan naturalisatiegelden moet worden betaald. Hierbij zijn te onderscheiden:
1. Tarief D: het standaard tarief voor een enkelvoudig verzoek;
2. Tarief E: het standaard tarief voor een gemeenschappelijk verzoek;
@ -5865,13 +5896,9 @@ Zie voor gevallen van categoriale vrijstelling van naturalisatiegelden paragraaf
##### 2.2. Tarieven D en E
*Bepaling normaal dan wel verlaagd tarief*
Komen verzoekers niet in aanmerking voor het verlaagd tarief F of G (zie paragraaf 2.3), dan zijn de tarieven D en E verschuldigd voor de behandeling van een enkelvoudig dan wel een gemeenschappelijk verzoek om naturalisatie.
*Definitie gemeenschappelijk verzoek*
Een gemeenschappelijk verzoek wil zeggen dat een verzoek om naturalisatie is ingediend door twee met elkaar gehuwden of door twee wederzijds geregistreerde partners dan wel door twee ongehuwde personen die in een duurzame relatie anders dan het huwelijk samenleven.
Een gemeenschappelijk verzoek wil zeggen dat een verzoek om naturalisatie gelijktijdig is ingediend door twee personen die met elkaar getrouwd zijn, een geregistreerd partnerschap met elkaar zijn aangegaan of ongehuwd samenleven in een duurzame relatie.
##### 2.3. Tarieven F en G
@ -5888,96 +5915,75 @@ Voor de behandeling van een verzoek tot medeverlening als bedoeld in artikel 11,
##### 2.5. Categoriale vrijstelling van leges
Personen die ingevolge de Wet betreffende de positie van Molukkers als Nederlander worden behandeld, zijn vrijgesteld van naturalisatieleges.
Personen die op grond van de Wet betreffende de positie van Molukkers als Nederlander worden behandeld, zijn vrijgesteld van naturalisatieleges.
Het uitgangspunt van de Wet betreffende de positie van Molukkers van 9 september 1976 ( *Stb.* 468) brengt mee dat Molukkers, die ingevolge de Wet betreffende de positie van Molukkers als Nederlander worden behandeld, zijn vrijgesteld van het betalen van naturalisatiegelden. Op het adviesblad dient te worden aangeven dat het een verzoek van een Molukker betreft die ingevolge genoemde wet wordt behandeld als Nederlander.
Het uitgangspunt van de Wet betreffende de positie van Molukkers van 9 september 1976 (Stb. 468) brengt mee dat Molukkers, die op grond van genoemde wet als Nederlander worden behandeld, zijn vrijgesteld van het betalen van naturalisatiegelden. Op het adviesblad moet worden aangeven dat het gaat om een verzoek van een Molukker die op grond van genoemde wet wordt behandeld als Nederlander.
##### 2.6. Ontheffing van naturalisatiegelden
Onze Minister kan aan de volgende personen ontheffing verlenen van betaling van de naturalisatiegelden:
a. een minderjarige die zelfstandig een verzoek om naturalisatie indient;
b. een persoon die ingevolge een administratieve vergissing reeds meer dan een jaar als Nederlander is aangemerkt;
b. een persoon die als gevolg van een administratieve vergissing al meer dan een jaar als Nederlander is aangemerkt;
c. een persoon die op grond van staatsbelang of van zijn verdiensten voor de staat genaturaliseerd wordt.
Om in aanmerking te komen voor ontheffing dient gelijktijdig met de indiening van het verzoek om naturalisatie een gemotiveerd ontheffingsverzoek te worden ingediend. De burgemeester is gemandateerd in de ministeriële regeling om te beslissen op het verzoek tot ontheffing van naturalisatiegelden. Zie artikel 4, vijfde lid, BON.
Om in aanmerking te komen voor ontheffing moet gelijktijdig met de indiening van het verzoek om naturalisatie een gemotiveerd ontheffingsverzoek worden ingediend. De burgemeester is in Nederland gemandateerd in de ministeriële regeling om te beslissen op het verzoek tot ontheffing van naturalisatiegelden. In het buitenland zijn de hoofden van de Nederlandse diplomatieke en consulaire posten hiertoe gemandateerd. Zie artikel 4, vijfde lid, BON.
Hieronder wordt toegelicht onder welke omstandigheden aan bovengenoemde categorieën van personen ontheffing wordt verleend.
*ad a.*
*Een minderjarige die zelfstandig een verzoek om naturalisatie indient*
In geval van een zelfstandig verzoek om naturalisatie van een minderjarige is er in beginsel geen reden om met betrekking tot de naturalisatiegelden anders te handelen dan in geval van een zelfstandige naturalisatie van een meerderjarige. In beide gevallen wordt een zelfde inspanning van de gemeente en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vereist. Voor een zelfstandig verzoek om naturalisatie van een minderjarige wordt in beginsel dan ook hetzij tarief D, hetzij tarief F in rekening gebracht. Slechts onder de hieronder genoemde drie omstandigheden wordt een minderjarige die een zelfstandig verzoek om naturalisatie indient, ontheven van het betalen van naturalisatiegelden.
Worden tegelijkertijd door twee minderjarigen binnen één gezin twee zelfstandige verzoeken om naturalisatie ingediend, dan wordt hetzij tarief E, hetzij tarief G in rekening gebracht. Het derde en volgende kind(eren) wordt ontheffing verleend van het betalen van naturalisatiegelden, omdat anders financiële redenen ertoe zouden kunnen leiden dat binnen gezinnen verschillen in nationaliteit ontstaan (vergelijk de nota van toelichting bij artikel 4 BON). Het is daarom niet redelijk in geval van gelijktijdige zelfstandige verzoeken om naturalisatie door meerdere minderjarigen binnen een gezin een hoger bedrag aan naturalisatiegelden op te leggen dan het bedrag in geval van een gemeenschappelijk verzoek. Dit betekent dat de naturalisatiegelden bij gelijktijdige, zelfstandige, verzoeken om naturalisatie van meerdere kinderen binnen een gezin hetzij tarief E hetzij tarief G is verschuldigd;
In het geval een zelfstandig verzoek wordt ingediend door een kind dat is geboren tijdens de optie- of naturalisatieprocedure van de ouder dan wordt dat kind ontheffing verleend van de verplichting tot het betalen van de naturalisatiegelden. Voor de ontheffing van de betalingsverplichting dient het naturalisatieverzoek van het kind binnen een redelijke termijn na de verkrijging of de verlening van het Nederlanderschap aan de ouder te zijn ingediend. De redelijke termijn voor de indiening van het verzoek van het kind is in dit geval maximaal een jaar nadat de ouder Nederlander is geworden. Wordt het verzoek later ingediend, dan wordt hetzij tarief D, hetzij tarief F in rekening gebracht;
In bijzondere gevallen waarin een kind buiten eigen toedoen niet is meegenaturaliseerd, wordt ontheffing verleend van de betaling van de naturalisatiegelden. Hierbij kan worden gedacht aan een kind dat door zwaarwegende lichamelijke of psychische omstandigheden ten tijde van de naturalisatie van de ouders niet in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba verbleef en niet is meegenaturaliseerd. Bijvoorbeeld een kind dat in het land van herkomst tijdelijk is opgenomen in een ziekenhuis of psychiatrische inrichting. Een en ander dient te worden aangetoond door middel van een verklaring van een medisch specialist of psychiater.
*ad b*
*Een persoon die als gevolg van een administratieve vergissing al meer dan een jaar als Nederlander is aangemerkt*
Met betrekking tot personen die ingevolge een administratieve vergissing reeds meer dan een jaar als Nederlander zijn aangemerkt, geldt dat als de administratie een fout heeft gemaakt, deze fout hersteld moet worden zonder kosten voor betrokkene. Indien de fout aan betrokkene zelf te wijten is, bijvoorbeeld indien er sprake is van frauduleus of onzorgvuldig gedrag van de betrokkene, wordt geen ontheffing van de naturalisatiegelden verleend.
*ad c*
*Een persoon die op grond van staatsbelang of van zijn verdiensten voor de staat genaturaliseerd wordt*
In gevallen waarin iemand op grond van staatsbelang of zijn verdiensten voor de Staat genaturaliseerd wordt, wordt ontheffing verleend van de betaling van de naturalisatiegelden vanwege dat staatsbelang en die verdiensten voor de Staat.
*Voorbeeld*
1. Een hoogleraar van vreemde nationaliteit komt in aanmerking voor de functie van Procureur-Generaal bij de Hoge Raad. Voor de vervulling van dit ambt is het bezit van het Nederlanderschap vereist. Deze persoon kan op grond van staatsbelang voor naturalisatie in aanmerking komen (ervan uitgaande dat tegen het verblijf voor onbepaalde duur geen bedenkingen bestaan).
1. Een hoogleraar van vreemde nationaliteit komt in aanmerking voor de functie van Procureur-Generaal bij de Hoge Raad. Voor de vervulling van dit ambt is het bezit van het Nederlanderschap vereist. Deze persoon kan op grond van staatsbelang voor naturalisatie in aanmerking komen.
2. Een militair van vreemde nationaliteit die een uitzonderlijk hoge Nederlandse militaire onderscheiding heeft gekregen, kan op grond van verdiensten voor de Staat in aanmerking komen voor naturalisatie.
De bevoegdheid tot verlening van ontheffing is gemandateerd aan de burgemeester. Voor een inwilligend besluit op een ontheffingsverzoek is model 2.24 beschikbaar. Voor een afwijzend besluit op een ontheffingsverzoek is model 2.25 beschikbaar.
De bevoegdheid tot verlening van ontheffing is in Nederland gemandateerd aan de burgemeester. In het buitenland zijn de hoofden van de Nederlandse diplomatieke en consulaire posten hiertoe gemandateerd. Voor een inwilligend besluit op een ontheffingsverzoek zijn modellen 2.24 en 2.24a beschikbaar. Voor een afwijzend besluit op een ontheffingsverzoek zijn modellen 2.25 en 2.25a beschikbaar.
#### 3. Betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden
De optie- en naturalisatiegelden zijn verschuldigd alvorens een verklaring van optie of verzoek tot verlening van het Nederlanderschap in behandeling wordt genomen. De betaling wordt in Nederland voldaan bij de autoriteit die de verklaring of het verzoek in ontvangst neemt, namelijk de burgemeester. Eerst na ontvangst van de betaling dan wel na de beslissing op een ontheffingsverzoek wordt het ingediende verzoek om naturalisatie dan wel de verklaring van optie in behandeling genomen (zie de nota van toelichting bij het BON). Ongeacht het verdere verloop van de naturalisatieprocedure toewijzing, afwijzing of intrekking van het verzoek nadat de behandeling is begonnen zijn de rechten verschuldigd betaald (vergelijk artikelen 2 en 3 BON).
De optie- en naturalisatiegelden zijn verschuldigd voordat een verklaring van optie of verzoek tot verlening van het Nederlanderschap in behandeling wordt genomen. De betaling wordt in Nederland voldaan bij de autoriteit die de optieverklaring of het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, namelijk de burgemeester. In het buitenland zijn dat de hoofden van de Nederlandse diplomatieke en consulaire posten. Eerst na ontvangst van de betaling dan wel na de beslissing op een ontheffingsverzoek wordt het ingediende verzoek om naturalisatie dan wel de afgelegde optieverklaring in behandeling genomen. Ongeacht het verdere verloop van de naturalisatieprocedure toewijzing, afwijzing of intrekking van het verzoek nadat de behandeling is begonnen zijn de rechten verschuldigd betaald (vergelijk artikelen 2 en 3 BON).
De hoogte van het verschuldigde bedrag voor het afleggen van de optieverklaring of voor het verzoek om naturalisatie wordt in beginsel vastgesteld (ingevolge de in paragrafen 1.1, 1.3, 2.2 tot en met 2.4 en 2.6 opgenomen richtlijnen) op het moment dat de verklaring of het verzoek door de burgemeester in ontvangst wordt genomen.
De hoogte van het verschuldigde bedrag voor het afleggen van de optieverklaring of voor het verzoek om naturalisatie wordt in beginsel vastgesteld op het moment dat de verklaring of het verzoek door de burgemeester/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post in ontvangst wordt genomen. Zie de in de paragrafen 1.1, 1.3, 2.2 tot en met 2.4 en 2.6 opgenomen richtlijnen.
*Vrijgesteld van en ingelicht over de optiegelden (model 1.25) en naturalisatiegelden (model 2.8 en model 2.8a)*
Uitgangspunt is dat de leges worden betaald op het moment van het afleggen van de optieverklaring respectievelijk de indiening van het verzoek om naturalisatie. Het verschuldigde bedrag wordt ineens voldaan, betaling in termijnen is niet mogelijk. Wordt niet betaald op het moment van het afleggen van de optieverklaring respectievelijk de indiening van het verzoek om naturalisatie, dan wordt betrokkene op dat moment op grond van artikel 4:5, eerste lid, Awb in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken te betalen (hiervoor zijn model 1.25, model 1.25a, model 2.8 en model 2.8a beschikbaar). De termijn van zes weken vloeit voort uit artikel 6 BON. Vindt de betaling van het verschuldigde bedrag niet plaats binnen deze zes weken, dan wordt de verklaring of het verzoek buiten behandeling gesteld (artikel 6 BON). Een besluit tot buitenbehandelingstelling wegens niet- of niet tijdige betaling wordt schriftelijk meegedeeld aan betrokkene (artikel 4, tweede lid, BVVN). Daarvoor zijn beschikbaar de modellen 1.26, 1.26a, 2.23 en 2.23a.
Modellen van een schriftelijke bevestiging door betrokkene dat hij is geïnformeerd over de hoogte en de termijn van de te betalen optie- en naturalisatiegelden en dat hij instemt met de betaling van de opgelegde optie- en naturalisatiegelden dan wel is vrijgesteld van de betaling dan wel een verzoek om ontheffing heeft ingediend, zijn opgenomen als model 1.25, model 2.8 en model 2.8a. De vaststelling van de hoogte van de te betalen naturalisatiegelden is een voorbereidingshandeling zoals bedoeld in artikel 6:3 Awb en is niet afzonderlijk vatbaar voor bezwaar of beroep.
Is verzocht om ontheffing van optie- of naturalisatiegelden, dan wordt de termijn van zes weken opgeschort tot de dag waarop op het ontheffingsverzoek (negatief) is beslist.
*Buiten behandelingstelling*
Tegen de beslissing tot buitenbehandelingstelling van een optieverklaring of een verzoek om naturalisatie kan op grond van de Awb binnen zes weken bezwaar worden aangetekend.
Uitgangspunt is dat de leges worden betaald op het moment van het afleggen van de optieverklaring respectievelijk de indiening van het verzoek om naturalisatie. Het verschuldigde bedrag wordt ineens voldaan, betaling in termijnen is niet mogelijk. Wordt niet betaald op het moment van het afleggen van de optieverklaring respectievelijk de indiening van het verzoek om naturalisatie, dan wordt betrokkene op dat moment op grond van artikel 4:5, eerste lid, Awb in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken te betalen (hiervoor zijn model 1.25, model 2.8 en model 2.8a beschikbaar). De termijn van zes weken vloeit voort uit artikel 6 BON. Vindt de betaling van het verschuldigde bedrag niet plaats binnen deze zes weken, dan wordt de verklaring of het verzoek buiten behandeling gesteld (artikel 6 BON). Een besluit tot buitenbehandelingstelling wegens niet- of niet tijdige betaling wordt schriftelijk meegedeeld aan betrokkene (artikel 4, tweede lid, BVVN). Daarvoor zijn beschikbaar de modellen 1.26 en 2.23.
Als het gaat om een optie/naturalisatie dat is afgelegd/ingediend bij de gemeente, dan moet het bezwaarschrift worden toegestuurd aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), Klantdirectie Naturalisatie, Postbus 280, 7600 AG te Almelo.
Is verzocht om ontheffing van optie- of naturalisatiegelden, dan wordt de zes-wekentermijn opgeschort tot de dag waarop op het ontheffingsverzoek (negatief) is beslist.
Als het gaat om een optie/naturalisatie dat is afgelegd/ingediend bij het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post, dan moet het bezwaarschrift worden toegestuurd aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), Klantdirectie Naturalisatie, Unit Nationaliteit en Naturalisatie, Postbus 285, 7600 AG te Almelo.
Tegen de buitenbehandelingstelling van een optieverklaring of een verzoek om naturalisatie kan binnen zes weken bezwaar worden aangetekend bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het bezwaar wordt behandeld door het regiokantoor van de Immigratie- en Naturalisatiedienst waar de gemeente onder valt.
Stelt de burgemeester een verzoek om naturalisatie buiten behandeling, dan brengt hij geen advies uit aan de Minister. Zowel indien de verzoeker bezwaar aantekent tegen de buitenbehandelingstelling, als wanneer de verzoeker dat niet doet, stuurt de burgemeester het dossier inzake het verzoek om naturalisatie aan de IND.
Stelt de burgemeester/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post een verzoek om naturalisatie buiten behandeling, dan brengt hij geen advies uit aan Onze Minister. Zowel als de verzoeker bezwaar aantekent tegen de buitenbehandelingstelling, als wanneer de verzoeker dat niet doet, stuurt de burgemeester/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post altijd het naturalisatiedossier aan de IND.
#### 4. Afdracht naturalisatiegelden
De in het kader van het afleggen van een verklaring van optie ontvangen gelden, behoeven niet te worden afgedragen. De behandeling van en de beslissing op de verklaring van optie liggen immers geheel in handen van de ontvangende instantie.
De in het kader van het afleggen van een optieverklaring ontvangen gelden, behoeven niet te worden afgedragen. De behandeling van en de beslissing op de optieverklaring liggen immers geheel in handen van de ontvangende instantie.
Artikel 8 BON bepaalt dat een gedeelte van de ontvangen naturalisatiegelden moet worden afgedragen aan de rijksoverheid. Gemeenten in Nederland dragen rechtstreeks af aan het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (de IND). Tevens regelt artikel 8 BON de hoogte van het bedrag dat de gemeente behoudt en op welke wijze de afdracht aan de IND geschiedt. Bij de afdracht stuurt de gemeente aan de IND tevens een lijst met de namen van personen die een verzoek om naturalisatie hebben ingediend. Over de wijze van afdracht van de ontvangen naturalisatiegelden door de gemeente aan de IND, worden gemeenten nader geïnformeerd met een brief van de Stafdirectie Middelen en Control van de IND.
Artikel 8 BON bepaalt dat een gedeelte van de ontvangen naturalisatiegelden moet worden afgedragen aan de rijksoverheid. Gemeenten in Nederland dragen rechtstreeks af aan Onze Minister.
De afdracht van naturalisatiegelden alsmede het indienen van verzoeken tot vergoeding van leges waarvoor ontheffing is verleend door de Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland geschiedt via de Minister van Buitenlandse Zaken aan de IND.
Tevens regelt artikel 8 BON de hoogte van het bedrag dat de gemeente behoudt en op welke wijze de afdracht aan de IND geschiedt. Bij de afdracht stuurt de gemeente aan de IND tevens een lijst met de namen van personen die een verzoek om naturalisatie hebben ingediend. Over de wijze van afdracht van de ontvangen naturalisatiegelden door de gemeente aan de IND, worden gemeenten nader geïnformeerd met een brief van de Directie Middelen en Control van de IND.
De gemeente behoudt per enkelvoudig verzoek om naturalisatie € 170, ongeacht of betrokkene het standaard of het verlaagde tarief betaalt. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen, wordt afgedragen aan het ministerie vanBinnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (de IND) (€ 628 bij standaard tarief en € 423 bij verlaagd tarief).
De afdracht van naturalisatiegelden alsmede het indienen van verzoeken tot vergoeding van leges waarvoor ontheffing is verleend door het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post in het buitenland geschiedt via de Minister van Buitenlandse Zaken aan Onze Minister.
Bij een gemeenschappelijk verzoek of een gelijktijdig verzoek om naturalisatie van meerdere kinderen binnen één gezin behoudt de gemeente € 289 eveneens ongeacht of het standaard of het verlaagde tarief is betaald. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen wordt afgedragen aan het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (€ 730 bij het standaard tarief en € 526 bij het verlaagd tarief). In het geval van een verzoek tot medeverlening als bedoeld in artikel 11, eerste lid, RWN behoudt de gemeente € 20 per kind. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen (€ 97) wordt afgedragen aan het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (de IND). Indien de verzoeker tijdens de naturalisatieprocedure verhuist, behoudt de gemeente die de leges geïnd heeft het gemeentelijke deel van de leges en draagt zorg voor de afdracht van het resterende bedrag.
De gemeente/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post behoudt per enkelvoudig verzoek om naturalisatie € 173, ongeacht of betrokkene het standaard of het verlaagde tarief betaalt. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen, wordt afgedragen aan Onze Minister (€ 637 bij standaard tarief en € 430 bij verlaagd tarief).
Vanaf 1 januari 2012 gelden de volgende afdrachtcodes:
Bij een gemeenschappelijk verzoek of een gelijktijdig verzoek om naturalisatie van meerdere kinderen binnen één gezin behoudt de gemeente € 294 eveneens ongeacht of het standaard of het verlaagde tarief is betaald. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen wordt afgedragen aan Onze Minister (€ 741 bij het standaard tarief en € 534 bij het verlaagd tarief). In het geval van een verzoek tot medeverlening als bedoeld in artikel 11, eerste lid, RWN behoudt de gemeente/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post € 21 per kind. Het resterende bedrag dat aan leges is ontvangen (€ 98) wordt afgedragen aan Onze Minister. Als de verzoeker tijdens de naturalisatieprocedure verhuist, behoudt de gemeente/het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post die de leges geïnd heeft het gemeentelijk/consulair deel van de leges en draagt zorg voor de afdracht van het resterende bedrag.
Vanaf 1 januari 2013 gelden de volgende afdrachtcodes:
| Tariefgroep | af te dragen bedrag | afdrachtcode |
| --- | --- | --- |
| optie; enkelvoudig | nvt | nvt |
| optie; gemeenschappelijk | nvt | nvt |
| optie; medeopterende minderjarige | nvt | nvt |
| naturalisatie; enkelvoudig; standaard | € 628 | 120 |
| naturalisatie; gemeenschappelijk; standaard | € 730 | 123 |
| naturalisatie; enkelvoudig; verlaagd | € 423 | 121 |
| naturalisatie; gemeenschappelijk; verlaagd | € 526 | 124 |
| naturalisatie; meenaturaliserende minderjarige | € 97 | 125 |
| naturalisatie; enkelvoudig; standaard | € 637 | 130 |
| naturalisatie; gemeenschappelijk; standaard | € 741 | 133 |
| naturalisatie; enkelvoudig; verlaagd | € 430 | 131 |
| naturalisatie; gemeenschappelijk; verlaagd | € 534 | 134 |
| naturalisatie; meenaturaliserende minderjarige | € 98 | 135 |
In geval van ontheffing van betaling van de naturalisatiegelden kan de gemeente verzoeken om een vergoeding (artikel 8, tweede lid, BON). Een dergelijk schriftelijk verzoek dient te worden gericht aan het Hoofd Financiële administratie van de Stafdirectie Middelen & Control van de IND, Postbus 1821, 2280 DV te Rijswijk. Indien het verzoek van de gemeente door de IND wordt gehonoreerd, ontvangt de gemeente een bedrag van € 170 voor een enkelvoudig verzoek en € 289 voor een gemeenschappelijk verzoek.
In geval van ontheffing van betaling van de naturalisatiegelden kan de gemeente verzoeken om een vergoeding (artikel 8, tweede lid, BON). Een dergelijk schriftelijk verzoek moet worden gericht aan het Hoofd Financiële administratie van de Directie Middelen & Control van de IND, Postbus 1821, 2280 DV te Rijswijk. Als het verzoek van de gemeente door de IND wordt gehonoreerd, ontvangt de gemeente een bedrag van € 173 voor een enkelvoudig verzoek en € 294 voor een gemeenschappelijk verzoek. Het hoofd van de Nederlandse diplomatieke en consulaire post moet een verzoek om vergoeding indienen door tussenkomst van de Minister van Buitenlandse Zaken.
### 13-2. Toelichting ad artikel 13, tweede lid
@ -8139,6 +8145,12 @@ Vervallen.
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
## Bijlage 2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
*[afbeelding]*
@ -8185,6 +8197,12 @@ Vervallen.
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
Vervallen.
*[afbeelding]*
@ -8237,13 +8255,17 @@ Vervallen.
*[afbeelding]*
Voor het onderzoek naar analfabetisme en leervermogen in het kader van een verzoek om naturalisatie
*[afbeelding]*
**Let op!** Uw aanmelding wordt pas in behandeling genomen als u € 26, hebt overgemaakt naar rekeningnummer 7832658 t.n.v. Stichting ROCvA inzake educatie onder vermelding van: HHO, uw naam, postcode en geboortedatum
*[afbeelding]*
Voor het onderzoek naar analfabetisme en leervermogen in het kader van een verzoek om naturalisatie, ingediend buiten het Koninkrijk
*[afbeelding]*
**Let op!** Uw aanmelding wordt pas in behandeling genomen als u € 26, hebt overgemaakt naar rekeningnummer 7832658 t.n.v. Stichting ROCvA inzake educatie onder vermelding van: HHO, uw naam, postcode en geboortedatum
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*
*[afbeelding]*