2005-07-01 | BWBR0003892 | Wet milieugevaarlijke stoffen
This commit is contained in:
parent
7fb9b10d47
commit
06d7f53d7e
1 changed files with 27 additions and 44 deletions
|
|
@ -110,7 +110,7 @@ c. de verslaglegging met betrekking tot het onderzoek.
|
|||
|
||||
**2.** Hij zendt zo spoedig mogelijk een exemplaar van de kennisgeving en de daarbij overgelegde stukken als bedoeld in artikel 4 aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en, voor zover deze stukken van belang zijn in verband met het vervoer van de stof, aan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.
|
||||
|
||||
**3.** Indien de kennisgeving betrekking heeft op het in Nederland invoeren of het aan een ander ter beschikking stellen van een stof, zendt Onze Minister voorts een exemplaar van de kennisgeving aan Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen. Hij voegt daarbij een samenvatting van alle met betrekking tot die stof door degene die de kennisgeving heeft gedaan, aan hem overgelegde stukken als bedoeld in artikel 4.
|
||||
**3.** Indien de kennisgeving betrekking heeft op het in Nederland invoeren of het aan een ander ter beschikking stellen van een stof, zendt Onze Minister voorts een exemplaar van de kennisgeving aan Onze Minister Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen. Hij voegt daarbij een samenvatting van alle met betrekking tot die stof door degene die de kennisgeving heeft gedaan, aan hem overgelegde stukken als bedoeld in artikel 4.
|
||||
|
||||
**4.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere bestuursorganen of instellingen worden aangewezen, waaraan een exemplaar van de in het tweede lid bedoelde stukken of van bij de maatregel aan te wijzen onderdelen daarvan wordt toegezonden of kan worden toegezonden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -160,7 +160,7 @@ b. terinzagelegging overeenkomstig artikel 11.
|
|||
In een mededeling als bedoeld in artikel 9, tweede lid, onder *a*, vermeldt Onze Minister ten minste:
|
||||
|
||||
a. een aanduiding van de identiteit van de stof;
|
||||
b. het tijdstip waarop een exemplaar van de kennisgeving ter inzage wordt gelegd, alsmede de uren waarop en de plaats waar zij ter inzage ligt.
|
||||
b. waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen.
|
||||
|
||||
### Artikel 11
|
||||
|
||||
|
|
@ -178,11 +178,9 @@ e. de overgelegde gegevens inzake de verrichte onderzoeken naar de effecten die
|
|||
|
||||
### Artikel 12
|
||||
|
||||
**1.** Gedurende vier weken vanaf de dag waarop de kennisgeving ter inzage is gelegd, kan een ieder de ter inzage liggende stukken kosteloos inzien.
|
||||
**1.** De stukken liggen gedurende zes weken ter inzage.
|
||||
|
||||
**2.** De stukken kunnen worden ingezien tijdens de werkuren, alsmede ten minste gedurende drie aaneengesloten uren per week buiten de werkuren. Onze Minister stelt de uren waarop en de plaats waar de stukken kunnen worden ingezien, vast.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister verstrekt een ieder desgevraagd, tegen betaling van de kosten, voor zover mogelijk een exemplaar van de ter inzage liggende stukken.
|
||||
**2.** Artikel 3:11, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3. Aanvullende meldingen en onderzoeken
|
||||
|
||||
|
|
@ -203,7 +201,7 @@ f. de naam waaronder de stof aan een ander ter beschikking wordt gesteld.
|
|||
|
||||
**3.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld omtrent de meldingen, bedoeld in het eerste lid, onder *b-e*.
|
||||
|
||||
**4.** Onze Minister zendt een exemplaar van een melding krachtens het eerste lid zo spoedig mogelijk aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Indien de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, betrekking had op het in Nederland invoeren of het aan een ander ter beschikking stellen van de stof, zendt hij een samenvatting van de melding aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen en aan Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. Artikel 6, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**4.** Onze Minister zendt een exemplaar van een melding krachtens het eerste lid zo spoedig mogelijk aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Indien de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, betrekking had op het in Nederland invoeren of het aan een ander ter beschikking stellen van de stof, zendt hij een samenvatting van de melding aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen en aan Onze Minister Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Artikel 6, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 14
|
||||
|
||||
|
|
@ -211,27 +209,21 @@ f. de naam waaronder de stof aan een ander ter beschikking wordt gesteld.
|
|||
|
||||
**2.** Onze Minister stelt, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vast welke nadere gegevens met betrekking tot de stof door degene die de kennisgeving heeft gedaan, moeten worden overgelegd en binnen welke termijn dat dient te geschieden. Degene die de kennisgeving heeft gedaan, is verplicht voor het verkrijgen van de vereiste gegevens onderzoek te verrichten. Ingeval de vereiste gegevens reeds ingevolge dit artikel, dan wel ingevolge artikel 16 door een ander zijn overgelegd, kan hij in afwijking van de vorige volzin naar die gegevens verwijzen, indien hij een schriftelijke verklaring van de betrokkene overlegt, dat deze tegen de verwijzing geen bedenkingen heeft, dan wel indien de vereiste gegevens ten minste tien jaar tevoren zijn overgelegd. Artikel 4, vijfde lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** Met betrekking tot het ontwerp van een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt toepassing gegeven aan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Onverminderd het bepaalde in deze afdeling, zijn de artikelen 10, aanhef en onder *a*, 11 en 12, tweede lid, van overeenkomstige toepassing. Het ontwerp ligt gedurende vier weken voor een ieder ter inzage. De kennisgeving ingevolge artikel 3:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht geschiedt door publikatie van het ontwerp in de *Staatscourant*. Onze Minister doet van iedere ontvangen zienswijze afschrift toekomen aan degene die de kennisgeving heeft gedaan en voegt tevens een afschrift daarvan bij de ter inzage liggende stukken.
|
||||
**3.** De nadere gegevens, bedoeld in het tweede lid, worden schriftelijk overgelegd. Onze Minister maakt de overlegging van nadere gegevens zo spoedig mogelijk bekend, doch in elk geval binnen zes weken na de dag van ontvangst, dan wel, ingeval met betrekking tot deze gegevens op een verzoek om geheimhouding ingevolge artikel 56 nog niet onherroepelijk is beslist, uiterlijk twee weken na de datum waarop zodanige beslissing onherroepelijk is geworden. Met betrekking tot de bekendmaking zijn de artikelen 9, tweede lid, en artikelen 10, aanhef en onder *a*, en 11 van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**4.** Indien degene die zijn zienswijze heeft kenbaar gemaakt, daarom verzoekt, kan Onze Minister beslissen dat zijn persoonlijke gegevens niet worden bekendgemaakt. Het verzoek wordt, onder vermelding van de in de eerste volzin bedoelde gegevens, tegelijkertijd met de zienswijzen ingediend. Bij de kennisgeving als bedoeld in artikel 3:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt de mogelijkheid dit verzoek te doen vermeld.
|
||||
**4.** Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld met betrekking tot de over te leggen nadere gegevens. De artikelen 4, zesde en negende lid, en 5 zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**5.** Zo spoedig mogelijk doch uiterlijk twee weken na de bekendmaking legt Onze Minister, onder gelijktijdige kennisgeving daarvan, zijn besluit gedurende vier weken voor een ieder ter inzage. Met betrekking tot de kennisgeving is het bepaalde in artikel 3:11, derde lid, en 3:12, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**5.** Bij zijn besluit op grond van het tweede lid kan Onze Minister in bijzondere gevallen afwijken van de krachtens het vierde lid gestelde regelen, indien het naar zijn oordeel op grond van de reeds bekende eigenschappen van de stof wenselijk is dat met betrekking tot die stof andere, door hem bij zijn besluit aan te wijzen gegevens worden overgelegd, dan wel indien het naar zijn oordeel op grond van de reeds bekende eigenschappen van de stof niet noodzakelijk is dat nadere gegevens worden overgelegd.
|
||||
|
||||
**6.** De nadere gegevens, bedoeld in het tweede lid, worden schriftelijk overgelegd. Onze Minister maakt de overlegging van nadere gegevens zo spoedig mogelijk bekend, doch in elk geval binnen zes weken na de dag van ontvangst, dan wel, ingeval met betrekking tot deze gegevens op een verzoek om geheimhouding ingevolge artikel 56 nog niet onherroepelijk is beslist, uiterlijk twee weken na de datum waarop zodanige beslissing onherroepelijk is geworden. Met betrekking tot de bekendmaking zijn de artikelen 9, tweede lid, en artikelen 10, aanhef en onder *a*, 11 en 12, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**7.** Bij algemene maatregel van bestuur worden regelen gesteld met betrekking tot de over te leggen nadere gegevens. De artikelen 4, zesde en negende lid, en 5 zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**8.** Bij zijn besluit op grond van het tweede lid kan Onze Minister in bijzondere gevallen afwijken van de krachtens het zevende lid gestelde regelen, indien het naar zijn oordeel op grond van de reeds bekende eigenschappen van de stof wenselijk is dat met betrekking tot die stof andere, door hem bij zijn besluit aan te wijzen gegevens worden overgelegd, dan wel indien het naar zijn oordeel op grond van de reeds bekende eigenschappen van de stof niet noodzakelijk is dat nadere gegevens worden overgelegd.
|
||||
|
||||
**9.** Onze Minister zendt een exemplaar van de ingevolge een besluit krachtens het tweede lid aan hem overgelegde stukken zo spoedig mogelijk aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Indien de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, betrekking had op het in Nederland invoeren of het aan een ander ter beschikking stellen van de stof, zendt hij een samenvatting van de stukken aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen en aan Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. Bij de stukken voegt hij een exemplaar van zijn in dat lid bedoelde besluit. Artikel 6, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**6.** Onze Minister zendt een exemplaar van de ingevolge een besluit krachtens het tweede lid aan hem overgelegde stukken zo spoedig mogelijk aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Indien de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, betrekking had op het in Nederland invoeren of het aan een ander ter beschikking stellen van de stof, zendt hij een samenvatting van de stukken aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen en aan Onze Minister Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Bij de stukken voegt hij een exemplaar van zijn in dat lid bedoelde besluit. Artikel 6, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 15
|
||||
|
||||
**1.** Nadere gegevens moeten wederom door degene die met betrekking tot een stof overeenkomstig artikel 3 een kennisgeving heeft gedaan, met betrekking tot die stof worden overgelegd, indien hij in enig jaar 1000 ton of meer van die stof in de Europese Economische Ruimte heeft vervaardigd of ingevoerd, dan wel indien hij in totaal meer dan 5000 ton van die stof in de Europese Economische Ruimte heeft vervaardigd of ingevoerd. Met het oog daarop is hij verplicht het bereiken of overschrijden van de in de eerste volzin aangegeven hoeveelheidsgrenzen terstond aan Onze Minister te melden.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister stelt, na overleg met degene die de kennisgeving heeft gedaan, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vast, welke nadere gegevens met betrekking tot de stof door degene die de kennisgeving heeft gedaan, moeten worden verschaft en binnen welke termijn dat dient te geschieden. Artikel 14, tweede lid, tweede, derde en vierde volzin, derde, vierde, vijfde, zesde, zevende en negende lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**2.** Onze Minister stelt, na overleg met degene die de kennisgeving heeft gedaan, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vast, welke nadere gegevens met betrekking tot de stof door degene die de kennisgeving heeft gedaan, moeten worden verschaft en binnen welke termijn dat dient te geschieden. Artikel 14, tweede lid, tweede, derde en vierde volzin, derde, vierde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** Bij zijn besluit op grond van het tweede lid, eerste volzin, kan Onze Minister afwijken van de met overeenkomstige toepassing van artikel 14, zevende lid, gestelde regelen.
|
||||
**3.** Bij zijn besluit op grond van het tweede lid, eerste volzin, kan Onze Minister afwijken van de met overeenkomstige toepassing van artikel 14, vierde lid, gestelde regelen.
|
||||
|
||||
### Artikel 15a
|
||||
|
||||
|
|
@ -243,7 +235,7 @@ Indien aan Onze Minister een kennisgeving als bedoeld in artikel 3, derde lid, i
|
|||
|
||||
**2.** Indien het eerste lid toepassing vindt, geldt de verplichting om aanvullende gegevens over te leggen als bedoeld in de artikelen 13, eerste lid, aanhef en onder *b* tot en met *f*, 14 en 15, in afwijking van die artikelen, voor de kennisgevers gezamenlijk.
|
||||
|
||||
**3.** Bij de in artikel 14, zevende lid, bedoelde maatregel wordt bepaald wie de gegevens, bedoeld in het tweede lid, overlegt.
|
||||
**3.** Bij de in artikel 14, vierde lid, bedoelde maatregel wordt bepaald wie de gegevens, bedoeld in het tweede lid, overlegt.
|
||||
|
||||
### Artikel 16
|
||||
|
||||
|
|
@ -251,16 +243,9 @@ Indien aan Onze Minister een kennisgeving als bedoeld in artikel 3, derde lid, i
|
|||
|
||||
**2.** De in het eerste lid bedoelde opdracht kan mede strekken tot het verrichten van krachtens artikel 14 of 15 met overeenkomstige toepassing van artikel 5 aangegeven onderzoek op een eerder tijdstip dan dat waarop het op grond van artikel 14 of 15 moet worden opgedragen.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
**3.** Met betrekking tot de over te leggen gegevens is artikel 14, derde en zesde lid, van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
Onze Minister, onderscheidenlijk Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid geeft een opdracht als in het eerste lid bedoeld niet dan nadat:
|
||||
|
||||
a. hij degene aan wie hij voornemens is de opdracht te geven, gedurende een door hem te bepalen termijn van ten minste vier weken de gelegenheid heeft gegeven daaromtrent bedenkingen bij hem in te dienen;
|
||||
b. hij met betrekking tot het ontwerp van zijn in het eerste lid bedoelde besluit toepassing heeft gegeven aan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht; terzake is artikel 14, derde en vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**4.** Met betrekking tot het in het eerste lid bedoelde besluit is artikel 14, vijfde lid, en met betrekking tot de over te leggen gegevens is artikel 14, zesde en negende lid, van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**5.** Degene aan wie een opdracht als in het eerste lid bedoeld is gegeven, is verplicht de aldaar bedoelde gegevens over te leggen en het aldaar bedoelde onderzoek te verrichten.
|
||||
**4.** Degene aan wie een opdracht als in het eerste lid bedoeld is gegeven, is verplicht de aldaar bedoelde gegevens over te leggen en het aldaar bedoelde onderzoek te verrichten.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 4. Overige bepalingen
|
||||
|
||||
|
|
@ -300,7 +285,7 @@ c. die in Nederland niet in het vrije verkeer worden gebracht, tenzij zij binnen
|
|||
d. die in de procesinstallatie waarin zij ontstaan, worden omgezet in andere stoffen zonder dat daarbij tussentijdse opslag plaatsvindt;
|
||||
e. met betrekking waartoe degene die voornemens is die stof in Nederland te vervaardigen of in te voeren ingevolge de artikelen 7 of 8 van de richtlijn een toereikende kennisgeving heeft gedaan bij het daartoe aangewezen overheidsorgaan van een andere Lid-Staat van de Europese Unie of van een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
|
||||
|
||||
**2.** Indien met betrekking tot een stof van de zijde van de Commissie van de Europese Gemeenschappen gegevens als bedoeld in artikel 4, 14, 15 en 16 worden ontvangen als gevolg van een kennisgeving met betrekking tot die stof in een andere Lid-Staat van de Europese Unie of een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, zijn op die gegevens de artikelen 9-12, 14, zesde lid, tweede en derde volzin, en 18 van overeenkomstige toepassing. De eerste volzin vindt geen toepassing voor zover zulks door Onze Minister met het oog op de in de desbetreffende Staat geldende regelen met betrekking tot de bescherming van bedrijfsgeheimen is bepaald.
|
||||
**2.** Indien met betrekking tot een stof van de zijde van de Commissie van de Europese Gemeenschappen gegevens als bedoeld in artikel 4, 14, 15 en 16 worden ontvangen als gevolg van een kennisgeving met betrekking tot die stof in een andere Lid-Staat van de Europese Unie of een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, zijn op die gegevens de artikelen 9 tot en met 12, 14, derde lid, tweede en derde volzin, en 18 van overeenkomstige toepassing. De eerste volzin vindt geen toepassing voor zover zulks door Onze Minister met het oog op de in de desbetreffende Staat geldende regelen met betrekking tot de bescherming van bedrijfsgeheimen is bepaald.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -321,7 +306,7 @@ b. indien onverkorte toepassing van die artikelen in het belang van de beschermi
|
|||
|
||||
**2.** Indien een persoon als bedoeld in het eerste lid kennis verkrijgt van een belangrijke nieuwe toepassing van een stof of een preparaat, waaruit ernstige gevaren voor mens of milieu blijken of redelijkerwijs kunnen worden afgeleid, is hij verplicht, onverminderd het bepaalde bij of krachtens artikel 13, zodanige kennis zo spoedig mogelijk schriftelijk aan Onze Minister te melden.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister zendt zo spoedig mogelijk een exemplaar van door hem ontvangen stukken als bedoeld in het eerste en tweede lid aan Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur.
|
||||
**3.** Onze Minister zendt zo spoedig mogelijk een exemplaar van door hem ontvangen stukken als bedoeld in het eerste en tweede lid aan Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
|
||||
|
||||
**4.** Met betrekking tot het in het eerste en tweede lid bepaalde kunnen bij algemene maatregelen van bestuur nadere regelen worden gesteld. Artikel 6, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -333,7 +318,7 @@ b. indien onverkorte toepassing van die artikelen in het belang van de beschermi
|
|||
|
||||
### Artikel 22
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister stelt na overleg met Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur een lijst vast van stoffen en preparaten die wegens hun mogelijke effecten op mens of milieu in het bijzonder aandacht behoeven.
|
||||
**1.** Onze Minister stelt na overleg met Onze Minister Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een lijst vast van stoffen en preparaten die wegens hun mogelijke effecten op mens of milieu in het bijzonder aandacht behoeven.
|
||||
|
||||
**2.** Met betrekking tot de stoffen en preparaten die vermeld zijn op de in het eerste lid bedoelde lijst, wordt door of vanwege Onze Minister regelmatig onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen, de toepassing en de verspreiding van die stoffen en preparaten in Nederland.
|
||||
|
||||
|
|
@ -345,7 +330,7 @@ b. indien onverkorte toepassing van die artikelen in het belang van de beschermi
|
|||
|
||||
### Artikel 23
|
||||
|
||||
**1.** Indien Onze Minister een ernstig vermoeden heeft dat door handelingen met een stof of een preparaat gevaren kunnen ontstaan voor mens of milieu, kan hij in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en na overleg met Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur aan degene die beroepshalve die stof of dat preparaat vervaardigt, in Nederland invoert of toepast, opdragen door hem omschreven onderzoek te verrichten en daarover schriftelijk aan hem verslag uit te brengen. Gelijke bevoegdheden komen toe aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in overeenstemming met Onze Minister, indien hij een ernstig vermoeden heeft dat door zodanige handelingen gevaren kunnen ontstaan in de arbeidssituatie. Onze Minister, onderscheidenlijk Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan daarbij een termijn stellen waarbinnen het verslag moet worden uitgebracht. Artikel 16, derde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing. Onze Minister, onderscheidenlijk Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid doet van een besluit als bedoeld in de eerste volzin mededeling met overeenkomstige toepassing van artikel 14, vijfde lid. Artikel 14, negende lid, eerste en laatste volzin, is tevens van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**1.** Indien Onze Minister een ernstig vermoeden heeft dat door handelingen met een stof of een preparaat gevaren kunnen ontstaan voor mens of milieu, kan hij in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en na overleg met Onze Minister Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan degene die beroepshalve die stof of dat preparaat vervaardigt, in Nederland invoert of toepast, opdragen door hem omschreven onderzoek te verrichten en daarover schriftelijk aan hem verslag uit te brengen. Gelijke bevoegdheden komen toe aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in overeenstemming met Onze Minister, indien hij een ernstig vermoeden heeft dat door zodanige handelingen gevaren kunnen ontstaan in de arbeidssituatie. Onze Minister, onderscheidenlijk Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan daarbij een termijn stellen waarbinnen het verslag moet worden uitgebracht. Artikel 14, zesde lid, eerste en laatste volzin, is tevens van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** Indien een stof of een preparaat, met betrekking waartoe een ernstig vermoeden bestaat dat door handelingen daarmee gevaren kunnen ontstaan voor mens of milieu, door meer dan een persoon beroepshalve wordt vervaardigd, in Nederland ingevoerd of toegepast, kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat met betrekking tot die stof of dat preparaat onderzoek moet worden verricht.
|
||||
|
||||
|
|
@ -353,7 +338,7 @@ b. indien onverkorte toepassing van die artikelen in het belang van de beschermi
|
|||
|
||||
**4.** Ieder die beroepshalve een bij een maatregel op grond van het tweede lid aangewezen stof of preparaat vervaardigt, of die beroepshalve zodanige stof, al dan niet verwerkt in een preparaat, of preparaat in Nederland invoert, aan een ander ter beschikking stelt, opslaat, vervoert, toepast of zich daarvan ontdoet, is verplicht aan de aangewezen instellingen de door deze gevraagde gegevens met betrekking tot de stof te verschaffen, voor zover hij over deze gegevens beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.
|
||||
|
||||
**5.** Van een onderzoek als bedoeld in het tweede lid wordt schriftelijk verslag uitgebracht aan Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Onze Minister zendt een exemplaar van het verslag aan Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. Artikel 6, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**5.** Van een onderzoek als bedoeld in het tweede lid wordt schriftelijk verslag uitgebracht aan Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Onze Minister zendt een exemplaar van het verslag aan Onze Minister Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Artikel 6, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**6.** Bij een besluit als bedoeld in de tweede volzin van het derde lid bepaalt Onze Minister, onderscheidenlijk Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tevens in hoeverre de kosten ten laste van de in het tweede lid bedoelde personen zullen worden gebracht, alsmede de wijze van berekening van de kosten.
|
||||
|
||||
|
|
@ -397,7 +382,7 @@ Een algemene maatregel van bestuur waarbij toepassing is gegeven aan artikel 24,
|
|||
|
||||
**2.** De vergunning kan slechts in het belang van de bescherming van mens en milieu worden geweigerd.
|
||||
|
||||
**3.** De paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.5 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer zijn van toepassing met betrekking tot de totstandkoming van de beschikking op de aanvraag om een vergunning. Bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid kunnen categorieën van gevallen worden aangewezen, waarin de paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.5 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer buiten toepassing blijven.
|
||||
**3.** Op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een vergunning zijn afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer van toepassing. Bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid kunnen categorieën van gevallen worden aangewezen, waarin de afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijven.
|
||||
|
||||
**4.** Een vergunning kan onder beperkingen worden verleend. Aan een vergunning kunnen in het belang van de bescherming van mens en milieu voorschriften worden verbonden. De voorschriften kunnen, voor zover bij de maatregel niet anders is bepaald, de verplichting inhouden te voldoen aan door bestuursorganen die bij het voorschrift zijn aangewezen, in het belang van de bescherming van mens en milieu gestelde nadere eisen. Bij het stellen van zodanige eis wordt tevens het tijdstip bepaald, waarop ten aanzien van die eis de verplichting ingaat.
|
||||
|
||||
|
|
@ -410,7 +395,7 @@ Intrekking kan slechts geschieden:
|
|||
a. indien een aan de vergunning verbonden voorschrift niet wordt nageleefd, of
|
||||
b. indien de handeling aanmerkelijk gevaar oplevert voor mens of milieu en wijziging of aanvulling van de aan de vergunning verbonden voorschriften redelijkerwijs geen oplossing kan bieden.
|
||||
|
||||
**7.** Met betrekking tot een wijziging of een intrekking als bedoeld in het zesde lid, onder *b*, zijn paragraaf 3.5.6 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer van toepassing. Bij de maatregel kunnen categorieën van gevallen worden aangewezen, waarin die paragraaf en die afdeling niet van toepassing zijn.
|
||||
**7.** Op de voorbereiding van een wijziging of intrekking als bedoeld in het zesde lid, onder a, zijn afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer niet van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 27
|
||||
|
||||
|
|
@ -454,12 +439,10 @@ Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 24, tweede lid, onder *k*, *l* of *m
|
|||
|
||||
**2.** Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen de voorschriften worden verbonden, die naar het oordeel van Onze Minister in het belang van de bescherming van mens en milieu nodig zijn.
|
||||
|
||||
**3.** De paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.5 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer zijn van toepassing met betrekking tot de totstandkoming van de beschikking op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in het eerste lid.
|
||||
**3.** Op de voorbereiding van een beschikking op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld eerste lid, zijn afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer van toepassing.
|
||||
|
||||
**4.** Een ontheffing kan door Onze Minister worden gewijzigd of ingetrokken, indien zulks in het belang van de bescherming van mens en milieu noodzakelijk is.
|
||||
|
||||
**5.** Paragraaf 3.5.6 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer zijn van toepassing met betrekking tot de totstandkoming van een beschikking krachtens het vierde lid.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Verpakking, aanduiding en aanbeveling
|
||||
|
||||
### Artikel 34
|
||||
|
|
@ -518,9 +501,9 @@ e. veiligheidsaanbevelingen ter vermijding van de belangrijkste, aan het gebruik
|
|||
|
||||
**2.** De bij het eerste lid voorgeschreven aanduidingen moeten gesteld zijn in de Nederlandse taal. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen gevallen worden aangewezen, waarin die aanduidingen mogen worden gesteld in een andere, bij of krachtens de maatregel aangewezen taal.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister en Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur stellen tezamen nadere regelen met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde aanduidingen. Zij kunnen daarbij tevens, zo nodig onder het stellen van nadere regelen, bepalen dat door hen aan te geven verdere aanduidingen op een verpakking moeten zijn vermeld, of dat door hen aan te geven aanduidingen slechts in door hen aan te geven gevallen behoeven te zijn vermeld.
|
||||
**3.** Onze Minister en Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport stellen tezamen nadere regelen met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde aanduidingen. Zij kunnen daarbij tevens, zo nodig onder het stellen van nadere regelen, bepalen dat door hen aan te geven verdere aanduidingen op een verpakking moeten zijn vermeld, of dat door hen aan te geven aanduidingen slechts in door hen aan te geven gevallen behoeven te zijn vermeld.
|
||||
|
||||
**4.** Aan het bepaalde bij of krachtens het eerste lid, onder *a*, *c*, *d* en *e*, en het derde lid wordt geacht te zijn voldaan, indien een stof, opgenomen op een door Onze Minister en Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur te zamen vastgestelde lijst van stoffen als bedoeld in artikel 34, is aangeduid op de wijze die in die lijst met betrekking tot die stof is aangegeven.
|
||||
**4.** Aan het bepaalde bij of krachtens het eerste lid, onder *a*, *c*, *d* en *e*, en het derde lid wordt geacht te zijn voldaan, indien een stof, opgenomen op een door Onze Minister en Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport te zamen vastgestelde lijst van stoffen als bedoeld in artikel 34, is aangeduid op de wijze die in die lijst met betrekking tot die stof is aangegeven.
|
||||
|
||||
### Artikel 37
|
||||
|
||||
|
|
@ -691,15 +674,15 @@ b. op een daartoe strekkend verzoek ontheffing verlenen.
|
|||
|
||||
### Artikel 60
|
||||
|
||||
**1.** De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 4, eerste of derde lid, krachtens of met overeenkomstige toepassing van artikel 5, krachtens artikel 13, eerste of derde lid, krachtens of met overeenkomstige toepassing van artikel 14, zevende lid, of krachtens artikel 19, derde, vierde of vijfde lid, of 67, derde lid, wordt Ons gedaan door Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te zamen.
|
||||
**1.** De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 4, eerste of derde lid, krachtens of met overeenkomstige toepassing van artikel 5, krachtens artikel 13, eerste of derde lid, krachtens of met overeenkomstige toepassing van artikel 14, vierde lid, of krachtens artikel 19, derde, vierde of vijfde lid, of 67, derde lid, wordt Ons gedaan door Onze Minister en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te zamen.
|
||||
|
||||
**2.** De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 23, tweede lid, wordt, ingeval zij wordt gedaan op grond van een ernstig vermoeden dat door handelingen met een stof of een preparaat gevaren kunnen ontstaan in de arbeidssituatie, Ons gedaan door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
|
||||
|
||||
**3.** De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 34, derde lid, 35, vierde lid, 36, tweede lid, 37 of 39 wordt Ons gedaan door Onze Minister en Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur te zamen.
|
||||
**3.** De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 34, derde lid, 35, vierde lid, 36, tweede lid, 37 of 39 wordt Ons gedaan door Onze Minister en Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport te zamen.
|
||||
|
||||
### Artikel 61
|
||||
|
||||
**1.** Het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 1, derde lid, krachtens of met overeenkomstige toepassing van artikel 4, eerste lid, 5 of 14, zevende lid, krachtens artikel 19, derde of vierde lid, 23, tweede lid, 24, 32, tweede, derde of vierde lid, 34, derde lid, 35, vierde lid, of 39 wordt overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal en in de *Staatscourant* bekendgemaakt. Aan een ieder wordt de gelegenheid geboden gedurende een bij die bekendmaking vast te stellen termijn van ten minste vier weken opmerkingen over het ontwerp schriftelijk ter kennis van Onze Minister te brengen.
|
||||
**1.** Het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 1, derde lid, krachtens of met overeenkomstige toepassing van artikel 4, eerste lid, 5 of 14, vierde lid, krachtens artikel 19, derde of vierde lid, 23, tweede lid, 24, 32, tweede, derde of vierde lid, 34, derde lid, 35, vierde lid, of 39 wordt overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal en in de *Staatscourant* bekendgemaakt. Aan een ieder wordt de gelegenheid geboden gedurende een bij die bekendmaking vast te stellen termijn van ten minste vier weken opmerkingen over het ontwerp schriftelijk ter kennis van Onze Minister te brengen.
|
||||
|
||||
**2.** Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid wordt, nadat hij is vastgesteld, toegezonden aan beide Kamers der Staten-Generaal. Hij treedt niet eerder in werking dan vier weken na de datum van uitgifte van het *Staatsblad* waarin hij is geplaatst.
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue