2006-01-01 | BWBR0012066 | Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001

This commit is contained in:
Coornhert 2006-01-01 12:00:00 +00:00
parent d0d5d66b12
commit 072c8a2844

View file

@ -61,7 +61,7 @@ b. verminderd met de met overeenkomstige toepassing van artikel 3.13 van de
### Artikel 4
De dividendbelasting geheven over tot het inkomen uit werk en woning behorende dividenden die niet tot het in afdeling 7.2 van de wet omschreven inkomen uit werk en woning in Nederland behoren, wordt niet verrekend met de door de kiezende belastingplichtige verschuldigde inkomstenbelasting.
De dividendbelasting geheven over tot het inkomen uit werk en woning behorende dividenden die niet tot het in afdeling 7.2 van de wet omschreven inkomen uit werk en woning in Nederland behoren, wordt niet verrekend met de door de kiezende belastingplichtige verschuldigde inkomstenbelasting. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot bronbelasting, bedoeld in artikel 9.2, eerste lid, onderdeel d, van de wet en bronbelasting, bedoeld in het tiende lid van dat artikel.
### Artikel 5
@ -105,7 +105,7 @@ b. verminderd met de met overeenkomstige toepassing van afdeling 4.10 van de
### Artikel 8
De dividendbelasting geheven over tot het inkomen uit aanmerkelijk belang behorende dividenden die niet tot het in afdeling 7.3 van de wet omschreven inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap behoren, wordt niet verrekend met de door de kiezende belastingplichtige verschuldigde inkomstenbelasting.
De dividendbelasting geheven over tot het inkomen uit aanmerkelijk belang behorende dividenden die niet tot het in afdeling 7.3 van de wet omschreven inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap behoren, wordt niet verrekend met de door de kiezende belastingplichtige verschuldigde inkomstenbelasting. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot bronbelasting, bedoeld in artikel 9.2, eerste lid, onderdeel d, van de wet en bronbelasting, bedoeld in het tiende lid van dat artikel.
### Artikel 9
@ -128,7 +128,7 @@ Bij een belastingplichtige die niet het gehele jaar in Nederland woont, wordt de
### Artikel 10
De dividendbelasting geheven over dividenden uit rechten die tot de bezittingen, bedoeld in artikel 5.3 van de wet, behoren, wordt niet verrekend met de door de kiezende belastingplichtige verschuldigde inkomstenbelasting.
De dividendbelasting geheven over dividenden uit rechten die tot de bezittingen, bedoeld in artikel 5.3 van de wet, behoren, wordt niet verrekend met de door de kiezende belastingplichtige verschuldigde inkomstenbelasting. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot bronbelasting, bedoeld in artikel 9.2, eerste lid, onderdeel d, van de wet en bronbelasting, bedoeld in het tiende lid van dat artikel.
### Artikel 11
@ -148,10 +148,6 @@ De dividendbelasting geheven over dividenden uit rechten die tot de bezittingen,
**4.** Voor de toepassing van het derde lid wordt niet als een staking aangemerkt een overdracht aan een persoon als bedoeld in artikel 3.63, vierde lid, van de wet mits zowel de belastingplichtige als degene aan wie is overgedragen dit schriftelijk verzoekt. Alsdan wordt degene aan wie is overgedragen voor de toepassing van het derde lid geacht in de plaats te zijn getreden van de belastingplichtige.
### Artikel 12a
Als nationale regelgeving die leidt tot herstructurering van een bedrijfstak als bedoeld in artikel 3.64, vierde lid, onderdeel b, van de wet wordt aangewezen de Regeling beëindiging veehouderijtakken.
### Artikel 13
De waarde in het economische verkeer van opgebouwde aanspraken uit een pensioenregeling als bedoeld in artikel 3.83 van de wet wordt gesteld op de bedragen die bij een derde zouden moeten worden gestort ten einde de aanspraken te dekken.
@ -185,6 +181,18 @@ b. bij overige aan het inkomen gerelateerde levenslange inkomensvoorzieningen bi
**4.** De pensioengrondslag, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, wordt bepaald door het pensioengevend inkomen van het kalenderjaar te verminderen met het in het kalenderjaar ingevolge de pensioenregeling in aanmerking genomen bedrag ter zake van uitkeringen als bedoeld in artikel 9 van de Algemene Ouderdomswet.
**5.**
Ingeval het pensioen op grond van de in de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum eerder ingaat dan bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd en er geen sprake is van een aan een beschikbare premie gerelateerde levenslange inkomensvoorziening bij ouderdom, wordt de in het eerste lid bedoelde aangroei gesteld op de met toepassing van het tweede lid, onderdeel b, bepaalde aangroei, vermenigvuldigd met de volgende factor:
| In de pensioenregeling vastgestelde ingangsdatum | factor |
| --- | --- |
| 64 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar | 2/1,85 |
| 63 jaar of ouder, doch jonger dan 64 jaar | 2/1,71 |
| 62 jaar of ouder, doch jonger dan 63 jaar | 2/1,59 |
| 61 jaar of ouder, doch jonger dan 62 jaar | 2/1,48 |
| jonger dan 61 jaar | 2/1,38. |
## Hoofdstuk 4. Heffingsgrondslag bij aanmerkelijk belang (
### Artikel 16
@ -229,7 +237,7 @@ Onder natuurterreinen als bedoeld in artikel 5.7 van de wet worden verstaan heid
**1.**
De waarde van een periodieke uitkering in geld afhankelijk van het leven van één mannelijke persoon, wordt gesteld op het jaarlijkse bedrag vermenigvuldigd met:
De waarde van een levenslange, ingegane periodieke uitkering in geld afhankelijk van het leven van één mannelijke persoon, wordt gesteld op het jaarlijkse bedrag vermenigvuldigd met:
| 22, wanneer degene | jonger dan 20 jaar is, |
| --- | --- |
@ -252,29 +260,33 @@ De waarde van een periodieke uitkering in geld afhankelijk van het leven van é
**2.**
De waarde van een periodieke uitkering in geld die van het leven van één mannelijke persoon afhankelijk is en die na een bepaalde tijd vervalt, wordt gesteld op het jaarlijkse bedrag, vermenigvuldigd met het aantal jaren gedurende welke de uitkering moet plaatshebben, iedere vermenigvuldigingsuitkomst vermenigvuldigd met een van de volgende factoren:
De waarde van een ingegane periodieke uitkering in geld die van het leven van één mannelijke persoon afhankelijk is en die na een bepaalde tijd vervalt, wordt gesteld op het jaarlijkse bedrag, en vervolgens voor ieder vijftal jaren of, zo dat minder is, het aantal jaren gedurende welke de uitkering (nog) moet plaatshebben, vermenigvuldigd met vijf onderscheidenlijk het aantal jaren gedurende welke de uitkering (nog) moet plaatshebben, en vermenigvuldigd met de in de volgende tabel opgenomen factor:
| leeftijdsklasse van genoemde persoon | 019 | 2024 | 2529 | 3034 | 3539 | 4044 | 4549 | 5054 | 5559 | 6064 | 6569 | 7074 | 7579 | 8084 | 8589 | 9094 | 95 |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| het eerste vijftal jaren | 0,91 | 0,91 | 0,91 | 0,91 | 0,90 | 0,90 | 0,90 | 0,89 | 0,88 | 0,87 | 0,84 | 0,80 | 0,74 | 0,65 | 0,54 | 0,40 | 0,20 |
| het tweede vijftal jaren | 0,74 | 0,74 | 0,74 | 0,74 | 0,74 | 0,73 | 0,72 | 0,70 | 0,67 | 0,62 | 0,54 | 0,45 | 0,33 | 0,20 | 0,08 | 0,02 | 0,00 |
| het derde vijftal jaren | 0,61 | 0,61 | 0,61 | 0,60 | 0,59 | 0,58 | 0,56 | 0,53 | 0,48 | 0,40 | 0,30 | 0,20 | 0,10 | 0,03 | 0,00 | | |
| het vierde vijftal jaren | 0,50 | 0,50 | 0,49 | 0,49 | 0,48 | 0,46 | 0,43 | 0,38 | 0,31 | 0,22 | 0,14 | 0,06 | 0,02 | 0,00 | | | |
| het vijfde vijftal jaren | 0,41 | 0,40 | 0,40 | 0,39 | 0,37 | 0,35 | 0,30 | 0,24 | 0,17 | 0,10 | 0,04 | 0,01 | 0,00 | | | | |
| het zesde vijftal jaren | 0,33 | 0,33 | 0,32 | 0,30 | 0,28 | 0,25 | 0,20 | 0,14 | 0,08 | 0,03 | 0,01 | 0,00 | | | | | |
| het zevende vijftal jaren | 0,27 | 0,26 | 0,25 | 0,23 | 0,20 | 0,16 | 0,11 | 0,06 | 0,02 | 0,00 | | | | | | | |
| het achtste vijftal jaren | 0,21 | 0,20 | 0,19 | 0,16 | 0,13 | 0,09 | 0,05 | 0,02 | 0,00 | | | | | | | | |
| het negende vijftal jaren | 0,17 | 0,15 | 0,13 | 0,11 | 0,07 | 0,04 | 0,01 | 0,00 | | | | | | | | | |
| het tiende vijftal jaren | 0,13 | 0,11 | 0,09 | 0,06 | 0,03 | 0,01 | 0,00 | | | | | | | | | | |
| het elfde vijftal jaren | 0,09 | 0,07 | 0,05 | 0,03 | 0,01 | 0,00 | | | | | | | | | | | |
| het twaalfde vijftal jaren | 0,06 | 0,04 | 0,02 | 0,01 | 0,00 | | | | | | | | | | | | |
| de volgende jaren | 0,03 | 0,02 | 0,01 | 0,00 | | | | | | | | | | | | | |
| Leeftijdsklasse van genoemde persoon met daaronder de factoren | 019 | 2024 | 2529 | 3034 | 3539 | 4044 | 4549 | 5054 | 5559 | 6064 | 6569 | 7074 | 7579 | 8084 | 8589 | 9094 | 95100 | 100 |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| het eerste vijftal jaren | 0,91 | 0,91 | 0,91 | 0,91 | 0,90 | 0,90 | 0,90 | 0,89 | 0,88 | 0,87 | 0,84 | 0,80 | 0,74 | 0,65 | 0,54 | 0,40 | 0,27 | 0,18 |
| het tweede vijftal jaren | 0,74 | 0,74 | 0,74 | 0,74 | 0,74 | 0,73 | 0,72 | 0,70 | 0,67 | 0,62 | 0,54 | 0,45 | 0,33 | 0,20 | 0,08 | 0,02 | | |
| het derde vijftal jaren | 0,61 | 0,61 | 0,61 | 0,60 | 0,59 | 0,58 | 0,56 | 0,53 | 0,48 | 0,40 | 0,30 | 0,20 | 0,10 | 0,03 | | | | |
| het vierde vijftal jaren | 0,50 | 0,50 | 0,49 | 0,49 | 0,48 | 0,46 | 0,43 | 0,38 | 0,31 | 0,22 | 0,14 | 0,06 | 0,02 | | | | | |
| het vijfde vijftal jaren | 0,41 | 0,40 | 0,40 | 0,39 | 0,37 | 0,35 | 0,30 | 0,24 | 0,17 | 0,10 | 0,04 | 0,01 | | | | | | |
| het zesde vijftal jaren | 0,33 | 0,33 | 0,32 | 0,30 | 0,28 | 0,25 | 0,20 | 0,14 | 0,08 | 0,03 | 0,01 | | | | | | | |
| het zevende vijftal jaren | 0,27 | 0,26 | 0,25 | 0,23 | 0,20 | 0,16 | 0,11 | 0,06 | 0,02 | | | | | | | | | |
| het achtste vijftal jaren | 0,21 | 0,20 | 0,19 | 0,16 | 0,13 | 0,09 | 0,05 | 0,02 | | | | | | | | | | |
| het negende vijftal jaren | 0,17 | 0,15 | 0,13 | 0,11 | 0,07 | 0,04 | 0,01 | | | | | | | | | | | |
| het tiende vijftal jaren | 0,13 | 0,11 | 0,09 | 0,06 | 0,03 | 0,01 | | | | | | | | | | | | |
| het elfde vijftal jaren | 0,09 | 0,07 | 0,05 | 0,03 | 0,01 | | | | | | | | | | | | | |
| het twaalfde vijftal jaren | 0,06 | 0,04 | 0,02 | 0,01 | | | | | | | | | | | | | | |
| de volgende jaren | 0,03 | 0,02 | 0,01 | | | | | | | | | | | | | | | |
De overeenkomstig de vorige volzin vastgestelde waarde kan niet hoger zijn dan de waarde die zou zijn verkregen als de uitkering niet tevens na een bepaalde tijd zou vervallen.
De overeenkomstig de eerste volzin vastgestelde waarde wordt niet hoger gesteld dan de waarde die zou zijn verkregen als de uitkering levenslang zou zijn.
**3.** De waarde van een periodieke uitkering in geld voor onbepaalde tijd, die niet van het leven afhankelijk is, wordt gesteld op het vierentwintigvoud van het jaarlijkse bedrag.
**3.** De waarde van een levenslange periodieke uitkering in geld die nog niet is ingegaan en die van het leven van één mannelijke persoon afhankelijk is, wordt vastgesteld overeenkomstig het tweede lid, waarbij voor het aantal jaren dat de periodieke uitkering nog niet is ingegaan, het jaarlijkse bedrag op nihil wordt gesteld en na het twaalfde vijftal jaren geen jaren meer in aanmerking worden genomen. De aldus vastgestelde waarde wordt niet hoger gesteld dan de waarde die zou zijn verkregen als de uitkering reeds ingegaan zou zijn.
**4.**
**4.** De waarde van een periodieke uitkering in geld die nog niet is ingegaan, die van het leven van één mannelijke persoon afhankelijk is en die na een bepaalde tijd vervalt, wordt vastgesteld overeenkomstig het tweede lid, waarbij voor het aantal jaren dat de periodieke uitkering nog niet is ingegaan, het jaarlijkse bedrag op nihil wordt gesteld. De aldus vastgestelde waarde wordt niet hoger gesteld dan de waarde die zou zijn verkregen als de uitkering reeds ingegaan zou zijn.
**5.** De waarde van een periodieke uitkering in geld voor onbepaalde tijd, die niet van het leven afhankelijk is, wordt gesteld op het vierentwintigvoud van het jaarlijkse bedrag.
**6.**
De waarde van een periodieke uitkering in geld die na een bepaalde tijd vervalt en die niet van het leven afhankelijk is, wordt gesteld op het jaarlijkse bedrag, vermenigvuldigd met het aantal jaren gedurende welke de uitkering moet plaatshebben, iedere vermenigvuldigingsuitkomst vermenigvuldigd met een van de volgende factoren:
@ -296,20 +308,20 @@ De waarde van een periodieke uitkering in geld die na een bepaalde tijd vervalt
De overeenkomstig de eerste volzin vastgestelde waarde kan niet meer bedragen dan het vierentwintigvoud van het jaarlijkse bedrag.
**5.** Een periodieke uitkering in geld, afhankelijk van het leven van één vrouwelijke persoon, wordt gelijkgesteld met een periodieke uitkering, afhankelijk van het leven van een mannelijk persoon die vijf jaar jonger is dan vorenbedoeld vrouwelijk persoon.
**7.** Een periodieke uitkering in geld, afhankelijk van het leven van één vrouwelijke persoon, wordt gelijkgesteld met een periodieke uitkering, afhankelijk van het leven van een mannelijk persoon die vijf jaar jonger is dan vorenbedoeld vrouwelijk persoon.
**6.**
**8.**
Een periodieke uitkering in geld die vervalt bij het overlijden:
a. van de langstlevende van twee of meer personen, wordt gelijkgesteld met een periodieke uitkering, afhankelijk van het leven van een mannelijk persoon, die tien jaar jonger is dan de jongste van de vorenbedoelde personen;
b. van de eerststervende van twee of meer personen, wordt gelijkgesteld met een periodieke uitkering, afhankelijk van het leven van een mannelijk persoon, die vijf jaar ouder is dan de oudste van de vorenbedoelde personen.
**7.** Een periodieke uitkering in geld tot een onzeker jaarlijks bedrag wordt gelijkgesteld met een periodieke uitkering tot het geschatte gemiddelde jaarlijkse bedrag.
**9.** Een periodieke uitkering in geld tot een onzeker jaarlijks bedrag wordt gelijkgesteld met een periodieke uitkering tot het geschatte gemiddelde jaarlijkse bedrag.
**8.** Een periodieke uitkering die recht geeft op andere goederen dan geld, wordt gelijkgesteld met een periodieke uitkering in geld tot een jaarlijks bedrag, gelijk aan de overeenkomstig afdeling 5.4 van de wet geschatte waarde van de goederen.
**10.** Een periodieke uitkering die recht geeft op andere goederen dan geld, wordt gelijkgesteld met een periodieke uitkering in geld tot een jaarlijks bedrag, gelijk aan de overeenkomstig afdeling 5.4 van de wet geschatte waarde van de goederen.
**9.** De waarde van een periodieke uitkering die niet valt onder een van de vorige artikelen, wordt gesteld op het bedrag, waarvoor een zodanige uitkering zou kunnen worden aangekocht.
**11.** De waarde van een periodieke uitkering die niet valt onder een van de vorige leden, wordt gesteld op het bedrag, waarvoor een zodanige uitkering zou kunnen worden aangekocht.
## Hoofdstuk 6. Persoonsgebonden aftrek (