2021-01-01 | BWBR0003664 | Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945

This commit is contained in:
Coornhert 2021-01-01 12:00:00 +00:00
parent ef5ba79d72
commit 07f35f1776

View file

@ -149,8 +149,8 @@ d. de Raad kan, bij beschikking, van het bepaalde onder c afwijken indien naar z
De grondslag wordt bepaald op:
a. ten minste een bedrag van € 1.867,87 per maand per 1 januari 1983per 1 juli 2020: € 2.313,08;
b. ten hoogste een bedrag van € 3.877,64 per maand per 1 januari 1983 per 1 juli 2020: € 4.801,96.
a. ten minste een bedrag van € 1.867,87 per maand per 1 januari 1983 per 1 januari 2021: € 2.319,79;
b. ten hoogste een bedrag van € 3.877,64 per maand per 1 januari 1983 per 1 januari 2021: € 4.815,89.
**9.** De grondslag, waarnaar de uitkering aan de weduwe of weduwnaar bedoeld in artikel 7, onder d tot en met f, wordt berekend, wordt vastgesteld op hetzelfde bedrag als waarop de grondslag voor het burger-oorlogsslachtoffer zou zijn vastgesteld, indien hij op de datum van de aanvraag, bedoeld in artikel 35, nog in leven zou zijn geweest en op die datum voldaan zou hebben aan het bepaalde in artikel 7, onder a of b.
@ -394,7 +394,7 @@ d. de overige inkomsten van de uitkeringsgerechtigde.
**3.** Met inkomsten uit tegenwoordige arbeid worden gelijkgesteld uitkeringen op grond van de Ziektewet en de Werkloosheidswet, alsmede de daarmede vergelijkbare uitkeringen welke worden verleend aan het overheidspersoneel.
**4.** De inkomsten uit vermogen, bedoeld in het eerste lid, onder c, worden berekend naar het vermogen dat de uitkeringsgerechtigde en zijn echtgenoot op het tijdstip van de aanvraag, bedoeld in artikel 35, bezitten. Deze inkomsten worden op jaarbasis gesteld op het in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 ten eerste genoemde percentage van het gedeelte van het vermogen dat behoort tot rendementsklasse I, vermeerderd met het in dat lid ten tweede genoemde percentage van het gedeelte van het vermogen dat behoort tot rendementsklasse II. De omvang van het gedeelte van het vermogen dat behoort tot een van beide rendementsklassen wordt bepaald aan de hand van de voor die twee rendementsklassen geldende percentages in de eerste vermogensschijf van de in dat artikel genoemde tabel. Van het aldus berekende bedrag wordt een bedrag vrijgelaten, waarvan de hoogte door Onze Minister wordt bepaald.
**4.** De inkomsten uit vermogen, bedoeld in het eerste lid, onder c, worden op jaarbasis gesteld op 1,78% van het vermogen dat de uitkeringsgerechtigde en zijn echtgenoot op het tijdstip van de aanvraag, bedoeld in artikel 35, bezitten. Van het aldus berekende bedrag wordt een bedrag vrijgelaten, waarvan de hoogte door Onze Minister wordt bepaald.
**5.** Bij bedrijfsbeëindiging vindt het bepaalde in het eerste lid, onder c, en het vierde lid, van dat tijdstip af overeenkomstige toepassing.