2006-11-29 | BWBR0012289 | Vreemdelingencirculaire 2000 (B)

This commit is contained in:
Coornhert 2006-11-29 12:00:00 +00:00
parent 113d44f5d9
commit 0823e95407

View file

@ -5819,7 +5819,85 @@ Artikel
#### 6.2. Familierechtelijke relatie
Er zijn rechtsstelsels die, ingeval er gezamenlijk gezag van de ouders over kinderen bestaat, het vertrek naar het buitenland van de ene ouder met de kinderen afhankelijk stellen van de toestemming van de andere ouder. In die gevallen wordt de verklaring, waaruit de toestemming van die andere ouder blijkt, bij de aanvraag overgelegd, waarbij een kopie van het identiteitsbewijs van die andere ouder wordt overgelegd, ter verificatie van de handtekening.
Op grond van artikel 3.14, onder c, Vb wordt de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, Vb, op aanvraag verleend aan het minderjarige biologische of juridische kind van een in Nederland gevestigde hoofdpersoon, indien het kind onder het rechtmatig gezag van de hoofdpersoon staat. Daarbij geldt als voorwaarde dat het kind naar het oordeel van de Minister feitelijk behoort en reeds in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van de hoofdpersoon. Zie voor de nadere invulling van deze voorwaarde B2/6.4.
Ook in andere gevallen kan deze vergunning worden verleend, gelet op artikel 3.13, tweede lid, Vb.
Op basis van artikel 3.13, tweede lid, Vb wordt deze vergunning voorts verleend aan het minderjarige biologische of juridische kind dat onder het rechtmatig gezag staat van de om verblijf vragende echtgenoot, geregistreerd partner of partner van de hoofdpersoon.
Ook daarbij geldt als voorwaarde dat het kind naar het oordeel van de Minister feitelijk behoort en reeds in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van die echtgenoot, geregistreerd partner of partner. Zie in dit verband B2/6.4.
De aanvraag wordt echter afgewezen indien verblijf wordt beoogd in verband met adoptie, opname ter adoptie of verblijf als pleegkind, en niet aan een of meer van de ter zake daarvan geldende voorwaarden is voldaan. Zie voor de ter zake daarvan geldende voorwaarden B2/6.2.1. Hetzelfde geldt indien sprake is van een polygame situatie en het gestelde in B2/6.7 aan verlening van de vergunning in de weg staat.
Het gestelde rechtmatig gezag van de om verblijf vragende echtgenoot, geregistreerd partner of partner van de hoofdpersoon moet in beginsel met gelegaliseerde bescheiden worden aangetoond. Daarbij geldt het gestelde in B2/12 (gelegaliseerde bescheiden).
Indien het gestelde rechtmatig gezag niet met gelegaliseerde bescheiden wordt aangetoond, wordt de aanvraag afgewezen. Daarbij wordt, voor zover van toepassing, het in B2/12 vermelde en het hierna volgende in acht genomen.
*Van rechtswege ontstaan gezag*
In zeer veel gevallen zal het bestaan van gezag niet rechtstreeks blijken uit de bescheiden die toch reeds moeten worden overgelegd om de persoonlijke staat aan te tonen. De geboorte van het kind staande het huwelijk brengt uitzonderingen daargelaten met zich mee dat het kind van rechtswege onder het gezag van de beide echtgenoten staat.
Het aldus ter plaatse van de gewone verblijfplaats van het kind van rechtswege ontstane gezag wordt in Nederland erkend en kan worden afgeleid uit de buitenlandse geboorteakte van het kind. Uit die akte blijkt immers dat het kind afstamt van de met elkaar gehuwde ouders.
Ook het kind van een alleenstaande moeder staat doorgaans van rechtswege onder haar gezag.
In deze gevallen wordt ter zake van het gezag over het kind geen nader bewijs verlangd, tenzij er een aanwijzing is dat het gezag niet of niet langer bij beide echtgenoten berust dan wel niet of niet langer bij de alleenstaande moeder.
*Wijziging bestaand gezag*
De erkenning van het vaderschap van een kind van een ongehuwde moeder brengt in sommige, maar zeker niet in alle rechtsstelsels, van rechtswege mee dat het kind mede onder het gezag van de erkenner komt te staan, zonder dat dit gezag noodzakelijkerwijs uit de akte van erkenning of uit de geboorteakte van het kind blijkt.
Daarnaast zijn situaties denkbaar waarin de partner van de moeder het kind niet erkent, maar wel het gezag over het kind verkrijgt door een rechtshandeling, bijvoorbeeld een verklaring ten overstaan van een autoriteit.
In dergelijke gevallen wordt verlangd dat het bestaan van het medegezag van de partner wordt aangetoond door een verklaring van een daartoe bevoegde instantie.
De gezagssituatie van een kind kan na de geboorte ook wijziging ondergaan door de beslissing van een rechter of een andere autoriteit. Het kan gaan om een specifiek op het gezag betrekking hebbende beslissing dan wel om een beslissing houdende ontbinding van het huwelijk, waarbij tevens het kind aan een van de ex-echtgenoten is toegewezen. Betreft het een buitenlandse gezagsbeslissing, dan mag ervan worden uitgegaan dat die beslissing voor erkenning in Nederland in aanmerking komt, indien zij is gegeven door een ter plaatse competente autoriteit en tot stand is gekomen in het land waar het kind ten tijde van de betreffende procedure zijn gewone verblijfplaats had. De betreffende beslissing wordt bij de aanvraag overgelegd.
In sommige landen wordt een gezagsbeslissing ingeschreven in een daartoe bestemd register of op de geboorteakte van het kind vermeld. In dat geval wordt, in de plaats van een afschrift van de beslissing, ook overlegging van een uittreksel uit de geboorteakte of het betreffende register als bewijs geaccepteerd.
*Zorgrecht*
Volgens de Islamitische rechtstraditie houdt de vader na ontbinding van het huwelijk het gezag over zijn kinderen en krijgt de moeder de “hadânah”, het zorgrecht. Het zorgrecht is een minder sterk recht dan het gezagsrecht. Het zorgrecht wordt in het kader van deze paragraaf behandeld als gezag.
In het algemeen wordt ervan uitgegaan dat de moeder het zorgrecht heeft en hoeft dit niet met bescheiden te worden aangetoond. Dit is slechts anders als er tegenbewijs voorhanden is, bijvoorbeeld een schriftelijke verklaring van de vader of de kinderen dat de moeder het zorgrecht niet meer heeft of omdat de moeder is hertrouwd met iemand met wie het kind niet in familierechtelijke betrekking staat, omdat ook dan in de regel het zorgrecht vervalt.
Het is verder mogelijk dat niet de vader of de moeder van het kind, maar een derde met het zorgrecht wordt belast. In dat geval dient dit met bescheiden te worden aangetoond.
*Toestemming voor vertrek naar het buitenland van de andere mede met het gezag belaste ouder*
Er zijn rechtsstelsels die, ingeval er gezamenlijk gezag van de ouders over kinderen bestaat, het vertrek naar het buitenland van de ene ouder met de kinderen afhankelijk stellen van de toestemming van de andere ouder. In die gevallen wordt de verklaring, waaruit de toestemming van die andere ouder blijkt, bij de aanvraag overgelegd, waarbij een kopie van het identiteitsbewijs van die andere ouder wordt overgelegd, ter verificatie van de handtekening.
Indien de andere ouder, wiens toestemming is vereist, de toestemming niet wil geven, onvindbaar is of overleden, kan toestemming van de daartoe competente buitenlandse instantie daarvoor in de plaats worden gesteld. Die beslissing tot toestemming wordt bij de aanvraag overgelegd.
Bovenstaande regels worden gehanteerd om te voorkomen dat door de Nederlandse overheid wordt meegewerkt aan onrechtmatige onttrekking aan macht en gezag van degene aan wie het rechtmatige gezag over een buitenlands kind toekomt c.q. die dat uitoefent.
Voor systematische overzichten per land van de belangrijkste bepalingen betreffende het personeel statuut van vreemdelingen zij verwezen naar de uitgave Burgerlijke stand en buitenlanders, ISBN 90 6500 3487. Voorts kan de benodigde informatie veelal worden verkregen bij de afdeling Burgerzaken van de gemeente.
200623329-11-200631-10-20062006/33A200623329-11-200631-10-20062006/33A29-11-200608-09-2006
##### 6.2.1. Adoptiefkinderen en adoptiekinderen
@ -5944,57 +6022,56 @@ De familierechtelijke relatie tot degene bij wie verblijf wordt beoogd, wordt do
#### 6.4. Feitelijk behoren tot het gezin
De aanvraag wordt afgewezen, indien het kind niet feitelijk behoort of niet reeds in het buitenland feitelijk behoorde tot het gezin van de in Nederland wonende ouder(s) bij wie verblijf wordt beoogd. De gezinsband moet reeds in het buitenland hebben bestaan en het kind moet gaan samenwonen bij de ouder(s).
20025825-02-20025113023/01/IND20025825-02-20025113023/01/IND23-03-200208-09-2006Stcrt. 2006, 233, datum inwerkingtreding 29-11-2006, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze tekst. Deze wijziging werkt terug tot en met 08-09-2006.Ingevolge artikel 3.14, tweede lid, onder c, Vb wordt de verblijfsvergunning verleend, indien het kind feitelijk behoort en reeds in het buitenland feitelijk behoorde tot het gezin van de in Nederland wonende ouder(s) bij wie verblijf wordt beoogd. De gezinsband moet reeds in het buitenland hebben bestaan en het kind moet gaan samenwonen met de ouder(s).De aanvraag wordt afgewezen, indien het kind niet feitelijk behoort en reeds in het buitenland behoorde tot het gezin van de in Nederland wonende ouder(s) bij wie verblijf wordt beoogd.Voor de invulling van het begrip feitelijke gezinsband in zaken waarin minderjarige biologische of juridische kinderen bij een in Nederland verblijvende ouder verblijf vragen, wordt aangesloten bij het begrip familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM.Het gezinsleven tussen ouders en kinderen in de zin van artikel 8 EVRM eindigt slechts in zeer uitzonderlijke situaties. Ook indien men niet samenwoont of maar heel kort heeft samengewoond, of er in een periode weinig of geheel geen contact is geweest, zijn er andere zwaarwegende feiten nodig om het gezinsleven als beëindigd te kunnen aanmerken. De enkele ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing van het kind beëindigt bijvoorbeeld niet het gezinsleven.Indien sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM wordt aangenomen dat een biologisch of juridisch kind feitelijk behoort en reeds in het buitenland behoorde tot het gezin van de ouder(s).Indien sprake is van één of meer van de volgende genoemde omstandigheden wordt, in uitzondering op het vorenstaande, aangenomen dat een kind niet langer feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s):het kind gaat zelfstandig wonen en in het eigen onderhoud voorzien;het kind vormt een zelfstandig gezin door het aangaan van een huwelijk of een relatie;het kind is belast met de zorg voor buitenhuwelijkse kinderen.Ingeval het kind zelf de zorg heeft voor afhankelijke gezinsleden, onder wie (buitenechtelijke) kinderen, is dit alleen een reden om aan te nemen dat het niet langer feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s), indien daarnaast sprake is van één van de eerste twee hiervóór genoemde omstandigheden.Met de genoemde uitzonderingsgevallen is duidelijk gemaakt dat er omstandigheden kunnen zijn, waarin geoordeeld kan worden dat het kind niet (meer) feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s). In de eerste twee genoemde omstandigheden kan worden aangenomen dat het kind een zekere mate van zelfstandigheid heeft bereikt. In deze gevallen komt aan de handhaving van een restrictief vreemdelingenbeleid meer gewicht toe dan aan het individuele belang van het kind om zich alsnog bij zijn ouder(s) in Nederland te voegen. De zorg voor afhankelijke gezinsleden, onder wie (buitenechtelijke) kinderen, kan uitsluitend tot het oordeel leiden dat het kind niet feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s), indien het kind daarnaast zelfstandig woont en in eigen onderhoud voorziet, óf door het aangaan van een huwelijk of een relatie een zelfstandig gezin heeft gevormd.
##### 6.4.1. Referteperiode
Het vorenstaande geeft uiting aan het principe dat aan illegaal verblijf in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend. Indien het kind bijvoorbeeld na achterlating eerst vier jaar in het land van herkomst verblijft en vervolgens twee jaar niet rechtmatig in Nederland verblijft voordat de aanvraag voor gezinshereniging wordt gedaan, is sprake van een referteperiode van zes jaar.
##### 6.4.2. Onderscheid
Onderscheid wordt gemaakt tussen gevallen waarin sprake is van een scheiding tussen de ouder(s) en het kind die nog geen vijf jaar heeft geduurd, en gevallen waarin die scheiding vijf jaar of langer heeft geduurd.
20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-200108-09-2006Stcrt. 2006, 233, datum inwerkingtreding 29-11-2006, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze tekst. Deze wijziging werkt terug tot en met 08-09-2006.Het kind van vijftien jaar of ouder toont aan dat het niet de zorg heeft voor (buitenhuwelijkse) kinderen door ondertekening van de daartoe strekkende verklaring. Dat vormt geen onweerlegbaar bewijs. Indien naderhand blijkt dat de verklaring ten onrechte is ondertekend, worden daaraan verblijfsrechtelijke gevolgen verbonden. Het kind dat de verklaring niet naar waarheid kan ondertekenen, verstrekt daarover gegevens die bij de beoordeling van de feitelijke gezinsband worden betrokken.
###### 6.4.2.1. I. Referteperiode tot vijf jaar
a. het kind gaat zelfstandig wonen en in eigen onderhoud voorzien;
b. het kind vormt een zelfstandig gezin door het aangaan van een huwelijk of relatie;
c. ten aanzien van het kind is een maatregel van kinderbescherming opgelegd en/of een gezagsvoorziening getroffen.
Als uitgangspunt geldt dat minderjarige kinderen in principe bij de ouder(s) behoren, maar dat indien men in een reeks van jaren geen signaal heeft afgegeven dat men gezinshereniging wil, niet meer gesteld kan worden dat Nederland het meest aangewezen land is voor gezinshereniging. Hieraan wordt uiting gegeven doordat tot vijf jaar na de scheiding tussen ouder en kind in beginsel zonder meer wordt aangenomen dat het kind feitelijk behoort tot het gezin van deze ouder. De termijn van vijf jaar biedt de ouder(s) voldoende gelegenheid de noodzakelijke voorbereidingen te treffen voor de overkomst van het kind naar Nederland. Bovendien is het aldus voor het kind mogelijk om op een in zijn belang gekozen tijdstip naar Nederland te gaan, bijvoorbeeld in verband met het afronden van (een fase van) de schoolopleiding. Vanzelfsprekend moet voor de afgifte van de verblijfsvergunning wel aan alle overige voorwaarden (zoals aantonen juridische gezinsband, beschikken over voldoende middelen van bestaan, geen gevaar voor de openbare orde, etc.) worden voldaan.
Het voorgaande betekent echter ook dat na verloop van tijd wordt aangenomen dat het kind is geworteld in het land van herkomst en dat om die reden hereniging met de in Nederland verblijvende ouder(s) niet voor de hand ligt. Dit wordt geacht het geval te zijn na vijf jaar nadat het kind door de ouder(s) is achtergelaten in het land van herkomst. Dit geldt ook indien de ouders van een kind nog met elkaar gehuwd zijn en het kind bij een van hen verblijft. In dat geval wordt na een referteperiode van vijf jaar of langer aangenomen dat het kind niet langer behoort tot het gezin van de om de overkomst vragende ouder.
###### 6.4.2.2. II. Referteperiode van vijf jaar of langer
a. er is voor het kind geen aanvaardbare toekomst weggelegd in het land van herkomst doordat er ten aanzien van dat kind sprake is van zodanige omstandigheden dat het niet of bezwaarlijk door in het land van herkomst wonende naaste bloed- of aanverwanten kan worden verzorgd. Dit wordt in het algemeen niet aangenomen indien het kind in minder welvarende omstandigheden verblijft, voorzover die omstandigheden overigens ter plaatse als normaal zijn te beschouwen. Het enkele feit dat het kind hier te lande in ruimere materiële welstand zou komen te verkeren betekent derhalve niet dat sprake is van een onaanvaardbare toekomst. De aanvrager die zich erop beroept dat het kind geen aanvaardbare toekomst in het land van herkomst heeft, toont dat aan door middel van objectief verifieerbare bescheiden, waarin is aangegeven welke bijzondere omstandigheden zijn gelegen in de persoon van het kind of de familie in het land van herkomst die de conclusie rechtvaardigen dat zij naar objectieve maatstaven niet of bezwaarlijk voor het kind kunnen zorgen. De aanvrager die zich erop beroept dat de directe verzorger is overleden, toont dit aan door middel van objectief verifieerbare bescheiden, zoals een overlijdensakte; of
b. het kind is in een oorlogssituatie onvindbaar geweest, waardoor het voor de in Nederland verblijvende ouder(s) onmogelijk is geweest het kind naar Nederland te laten overkomen. Door de ouder(s) dient aannemelijk te worden gemaakt dat de overkomst van het kind door de oorlogssituatie niet binnen vijf jaar na de scheiding kon worden gerealiseerd. Tevens dient door de ouder(s) aannemelijk te worden gemaakt dat de intentie om het kind binnen die vijf jaar over te laten komen, wel steeds aanwezig is geweest, bijvoorbeeld door het overleggen van een verzoek aan het Rode Kruis om het kind te zoeken.
Ook indien de ouders van een kind nog met elkaar gehuwd zijn en het kind bij een van hen verblijft, wordt na een referteperiode van vijf jaar of langer aangenomen dat het kind niet langer behoort tot het gezin van de om de overkomst vragende ouder. In deze situatie dient de worteling van het kind in het land van herkomst na vijf jaar in beginsel zwaarder te wegen dan de civielrechtelijke betekenis van het huwelijk. Indien de achtergebleven ouder en het kind tegelijkertijd om verblijf bij de in Nederland wonende echtgenoot/ouder verzoeken, wordt het kind geacht feitelijk te behoren tot het gezin van de eerstgenoemde ouder. Een referteperiode van vijf jaar of langer staat in dat geval niet aan overkomst van het kind in de weg.
##### 6.4.3. Minderjarige kinderen/verruimde gezinshereniging
Bepalend voor de vraag of aan bovengenoemd beleid of het beleid inzake verruimde gezinshereniging moet worden getoetst, is de leeftijd van het kind op de datum van aanvraag om gezinshereniging. Als bijvoorbeeld een kind op 16-jarige leeftijd is achtergelaten en twee jaar daarna wordt de aanvraag om gezinshereniging ingediend, geldt het beleid inzake verruimde gezinshereniging.
20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-200108-09-2006Stcrt. 2006, 233, datum inwerkingtreding 29-11-2006, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze tekst. Deze wijziging werkt terug tot en met 08-09-2006.Dit onderdeel vervalt.
##### 6.4.4. Ondertekening
Het kind van vijftien jaar of ouder toont aan dat het niet de zorg heeft voor (buitenhuwelijkse) kinderen door ondertekening van de daartoe strekkende verklaring van het model M41. Dat vormt geen onweerlegbaar bewijs. Indien naderhand blijkt dat de verklaring ten onrechte is ondertekend, worden daaraan verblijfsrechtelijke gevolgen verbonden. Het kind dat de verklaring niet naar waarheid kan ondertekenen, verstrekt daarover gegevens die bij de beoordeling van de feitelijke gezinsband worden betrokken.
20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-200108-09-2006Stcrt. 2006, 233, datum inwerkingtreding 29-11-2006, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze tekst. Deze wijziging werkt terug tot en met 08-09-2006.Dit onderdeel vervalt.
##### 6.4.5. Afwijking van het vereiste dat de feitelijke gezinsband reeds in het buitenland bestaat
Voor gevallen waarin sprake is van een te erkennen buitenlandse adoptiebeslissing (zie B2/6.2.1) wordt een uitzondering gemaakt op het vereiste dat de feitelijke gezinsband reeds in het buitenland moet hebben bestaan.
Ingevolge artikel 3.14, tweede lid, onder c, Vb wordt de verblijfsvergunning verleend, indien het kind feitelijk behoort en reeds in het buitenland feitelijk behoorde tot het gezin van de in Nederland wonende ouder(s) bij wie verblijf wordt beoogd. De gezinsband moet reeds in het buitenland hebben bestaan en het kind moet gaan samenwonen met de ouder(s).
Indien het kind voorafgaande aan de adoptiebeslissing *niet* in het buitenland in het gezin van adoptanten was opgenomen, is niet voldaan aan de vereisten dat het kind *feitelijk* behoort tot het gezin en dat de gezinsband reeds in het buitenland bestond. Indien vestiging van die feitelijke gezinsband als gevolg van het buitenlandse recht niet mogelijk was voorafgaande aan de adoptie, kan toch een verblijfsvergunning worden verleend, mits aan alle overige voorwaarden, gesteld in het kader van gezinshereniging is voldaan.
De aanvraag wordt afgewezen, indien het kind niet feitelijk behoort en reeds in het buitenland behoorde tot het gezin van de in Nederland wonende ouder(s) bij wie verblijf wordt beoogd.
20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-200108-09-2006Stcrt. 2006, 233, datum inwerkingtreding 29-11-2006, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze tekst. Deze wijziging werkt terug tot en met 08-09-2006.Dit onderdeel vervalt.
Voor de invulling van het begrip feitelijke gezinsband in zaken waarin minderjarige biologische of juridische kinderen bij een in Nederland verblijvende ouder verblijf vragen, wordt aangesloten bij het begrip familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM.
Het gezinsleven tussen ouders en kinderen in de zin van artikel 8 EVRM eindigt slechts in zeer uitzonderlijke situaties. Ook indien men niet samenwoont of maar heel kort heeft samengewoond, of er in een periode weinig of geheel geen contact is geweest, zijn er andere zwaarwegende feiten nodig om het gezinsleven als beëindigd te kunnen aanmerken. De enkele ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing van het kind beëindigt bijvoorbeeld niet het gezinsleven.
Indien sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM wordt aangenomen dat een biologisch of juridisch kind feitelijk behoort en reeds in het buitenland behoorde tot het gezin van de ouder(s).
Indien sprake is van één of meer van de volgende genoemde omstandigheden wordt, in uitzondering op het vorenstaande, aangenomen dat een kind niet langer feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s):
het kind gaat zelfstandig wonen en in het eigen onderhoud voorzien;
het kind vormt een zelfstandig gezin door het aangaan van een huwelijk of een relatie;
het kind is belast met de zorg voor buitenhuwelijkse kinderen.
Ingeval het kind zelf de zorg heeft voor afhankelijke gezinsleden, onder wie (buitenechtelijke) kinderen, is dit alleen een reden om aan te nemen dat het niet langer feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s), indien daarnaast sprake is van één van de eerste twee hiervóór genoemde omstandigheden.
Met de genoemde uitzonderingsgevallen is duidelijk gemaakt dat er omstandigheden kunnen zijn, waarin geoordeeld kan worden dat het kind niet (meer) feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s). In de eerste twee genoemde omstandigheden kan worden aangenomen dat het kind een zekere mate van zelfstandigheid heeft bereikt. In deze gevallen komt aan de handhaving van een restrictief vreemdelingenbeleid meer gewicht toe dan aan het individuele belang van het kind om zich alsnog bij zijn ouder(s) in Nederland te voegen. De zorg voor afhankelijke gezinsleden, onder wie (buitenechtelijke) kinderen, kan uitsluitend tot het oordeel leiden dat het kind niet feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s), indien het kind daarnaast zelfstandig woont en in eigen onderhoud voorziet, óf door het aangaan van een huwelijk of een relatie een zelfstandig gezin heeft gevormd.
200623329-11-200631-10-20062006/33A200623329-11-200631-10-20062006/33A29-11-200608-09-2006
##### 6.4.1. Minderjarige kinderen / verruimde gezinshereniging
Bepalend voor de vraag of aan bovengenoemd beleid of aan het beleid inzake verruimde gezinshereniging moet worden getoetst, is de leeftijd van het kind op de datum aanvraag om gezinshereniging. Als bijvoorbeeld een kind op 16-jarige leeftijd is achtergelaten en twee jaar daarna de aanvraag om gezinshereniging wordt ingediend, geldt het beleid inzake verruimde gezinshereniging. Het kind is dan immers op de datum van de aanvraag om gezinshereniging 18 jaar oud.
200623329-11-200631-10-20062006/33A200623329-11-200631-10-20062006/33A29-11-200608-09-2006
##### 6.4.2. Ondertekening verklaring door kinderen vanaf vijftien jaar
Het kind van vijftien jaar of ouder toont aan dat het niet de zorg heeft voor (buitenhuwelijkse) kinderen door ondertekening van de daartoe strekkende verklaring. Dat vormt geen onweerlegbaar bewijs. Indien naderhand blijkt dat de verklaring ten onrechte is ondertekend, worden daaraan verblijfsrechtelijke gevolgen verbonden. Het kind dat de verklaring niet naar waarheid kan ondertekenen, verstrekt daarover gegevens die bij de beoordeling van de feitelijke gezinsband worden betrokken.
200623329-11-200631-10-20062006/33A200623329-11-200631-10-20062006/33A29-11-200608-09-2006
#### 6.5. Minderjarigheid