diff --git a/circulaire/handleiding-rijkswet-op-het-nederlanderschap-2003-toegespitst-op-het-gebruik-in/BWBR0026494/README.md b/circulaire/handleiding-rijkswet-op-het-nederlanderschap-2003-toegespitst-op-het-gebruik-in/BWBR0026494/README.md index 8b4e063fa8d..31bad2a9793 100644 --- a/circulaire/handleiding-rijkswet-op-het-nederlanderschap-2003-toegespitst-op-het-gebruik-in/BWBR0026494/README.md +++ b/circulaire/handleiding-rijkswet-op-het-nederlanderschap-2003-toegespitst-op-het-gebruik-in/BWBR0026494/README.md @@ -20,10 +20,24 @@ Geen. ### 1-1-a. Toelichting ad -**Voor de toepassing van deze Rijkswet wordt verstaan onder Onze Minister: Onze Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie in zijn hoedanigheid van minister van het Koninkrijk.** +**Voor de toepassing van deze Rijkswet wordt verstaan onder Onze Minister: Onze Minister van Justitie in zijn hoedanigheid van minister van het Koninkrijk.** De Minister van Justitie van het Koninkrijk is thans verantwoordelijk voor de uitvoering van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Onder Onze Minister wordt in deze Handleiding verstaan de Minister van Justitie van het Koninkrijk. +De Minister van Justitie is belast met de uitvoering van de Rijkswet op het Nederlanderschap. + +Per 1 oktober 2010 is de definitie van “Onze Minister” in artikel 1, eerste lid aanhef en onder a in de Rijkswet op het Nederlanderschap gewijzigd zoals hierboven opgenomen (Stb. 2010, 242). + +Echter, vanaf 14 oktober 2010 is de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties belast met de uitvoering van de Rijkswet op het Nederlanderschap. + +Er is een periode geweest waarin een andere “Onze Minister” was belast met de uitvoering van de RWN, te weten: + +| 22/07/2002 tot 14/12/2006 | Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie | +| --- | --- | +| 14/12/2006 tot 22/02/2007 | Minister voor Integratie, Jeugdbescherming, Preventie en Reclassering | +| 22/02/2007 tot 14/10/2010 | Minister van Justitie | +| 14/10/2010 tot heden | Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties | + ### 1-1-b. Toelichting ad **Voor de toepassing van deze Rijkswet wordt verstaan onder meerderjarige: hij die de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt of voordien in het huwelijk is getreden.** @@ -72,25 +86,25 @@ Indien betrokkene in de PIVA is opgenomen als zijnde van onbekende nationaliteit ### 1-1-g. Toelichting ad -**Voor de toepassing van deze Rijkswet wordt verstaan onder toelating: instemming door het bevoegd gezag met het bestendig verblijf van de vreemdeling in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.** +**Voor de toepassing van deze Rijkswet wordt verstaan onder toelating: instemming door het bevoegd gezag met het bestendig verblijf van de vreemdeling in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;** #### 1. Algemeen -Ingevolge dit artikellid betekent ‘toelating’ dat het bevoegde gezag uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven aan een vreemdeling om in het Koninkrijk voor een langere periode te verblijven. Instemming door het bevoegde gezag houdt in dat een daartoe strekkend besluit van een bevoegde overheidsinstantie een vereiste is. Ingevolge artikel 7 van de LTU is de Minister van Justitie van Curaçao en Sint Maarten het bevoegde bestuursorgaan om een verblijfsvergunning te verlenen dan wel te verlengen. Bij Ministeriële Beschikking is de bevoegdheid gemandateerd aan de gezaghebbers van de onderscheiden eilandgebieden waar de vreemdeling zijn woon- of verblijfplaats heeft. +Ingevolge dit artikellid betekent ‘toelating’ dat het bevoegde gezag uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven aan een vreemdeling om in het Koninkrijk voor een langere periode te verblijven. Instemming door het bevoegde gezag houdt in dat een daartoe strekkend besluit van een bevoegde overheidsinstantie een vereiste is. Ingevolge artikel 7 van de LTU is de Minister van Justitie van Curaçao onderscheidenlijk van Sint Maarten het bevoegde bestuursorgaan om een verblijfsvergunning te verlenen dan wel te verlengen. -Daarnaast kan de autoriteit die bevoegd is tot het verlenen van vergunningen tot verblijf of tijdelijk verblijf ook verklaringen op grond artikel 12NVT-verklaring. en 33Verklaring van toelating van rechtswege. LTU afgeven (artikel 8, eerste lid, Toelatingsbesluit). Of en vanaf welk moment sprake is van toelating, is op zich een vreemdelingrechtelijke vraag. +Daarnaast kan de autoriteit die bevoegd is tot het verlenen van vergunningen tot verblijf of tijdelijk verblijf ook verklaringen op grond artikel 1 en 3 LTU afgeven (artikel 8, eerste lid, Toelatingsbesluit). Of en vanaf welk moment sprake is van toelating, is op zich een vreemdelingrechtelijke vraag. -In het Nederlands-Antilliaans vreemdelingenrecht geldt als hoofdregel dat een verblijfsvergunning wordt verleend met ingang van de datum waarop de Gouverneur een beslissing over de eerste aanvraag om een verblijfsvergunning c.q. verklaring van toelating van rechtswege heeft genomen en dit document heeft ondertekend. Op dat moment heeft de vreemdeling rechtmatig toelating gekregen tot Curaçao en Sint Maarten. Dat sprake is van toelating in Curaçao en Sint Maarten dient door de vreemdeling te worden aangetoond aan de hand van een verblijfsdocument (te weten een verblijfsvergunning, een verklaring toelating van rechtswege of een verklaring dat de LTU niet van toepassing is) (artikelen 6, eerste lid, aanhef en onder f, en 31, eerste lid, aanhef en onder f, BVVN). Dit geldt ook voor alle minderjarige vreemdelingen die volgens de LTU ook in het bezit moeten zijn van een verblijfsdocument. Deze toelating werkt, anders dan in Nederland het geval is, in Curaçao en Sint Maarten niet terug tot de datum van aanvraag.4Zie Herziene instructie aan de Gezaghebbers dd juni 2006. +In het vreemdelingenrecht van Curaçao en van Sint Maarten geldt als hoofdregel dat een verblijfsvergunning wordt verleend met ingang van de datum waarop het bevoegd gezag een beslissing over de eerste aanvraag om een verblijfsvergunning c.q. verklaring van toelating van rechtswege heeft genomen en dit document heeft ondertekend. Op dat moment heeft de vreemdeling rechtmatig toelating gekregen tot Curaçao onderscheidenlijk tot Sint Maarten. Dat sprake is van toelating in Curaçao onderscheidenlijk in Sint Maarten dient door de vreemdeling te worden aangetoond aan de hand van een verblijfsdocument (te weten een verblijfsvergunning, een verklaring toelating van rechtswege of een verklaring dat de LTU niet van toepassing is) (artikelen 6, eerste lid, aanhef en onder f, en 31, eerste lid, aanhef en onder f, BVVN). Dit geldt ook voor alle minderjarige vreemdelingen die volgens de LTU ook in het bezit moeten zijn van een verblijfsdocument. Deze toelating werkt, anders dan in Nederland het geval is, in Curaçao onderscheidenlijk in Sint Maarten niet terug tot de datum van aanvraag. -Ter verduidelijking wordt hierover het volgende opgemerkt. Verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning vindt plaats met ingang van de dag waarop de Gouverneur de verblijfsvergunning heeft ondertekend en kan terugwerken tot de datum waarop de eerste vergunning was verlopen. Dat hangt af van de volgende omstandigheden: +Ter verduidelijking wordt hierover het volgende opgemerkt. Verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning vindt plaats met ingang van de dag waarop het bevoegd gezag de verblijfsvergunning heeft ondertekend en kan terugwerken tot de datum waarop de eerste vergunning was verlopen. Dat hangt af van de volgende omstandigheden: -Indien de vreemdeling tijdig, dat wil zeggen vóór de afloop van zijn verblijfsvergunning, c.q. zijn van rechtswege toelating verlenging c.q. omzetting heeft verzocht en de Gouverneur het verzoek inwilligt, is de vergunning c.q. omzetting in een vergunning (tijdelijk of tot verblijf) in aansluiting op de eerdere vergunning verleend. Er is geen verblijfsgat. +Indien de vreemdeling tijdig, dat wil zeggen vóór de afloop van zijn verblijfsvergunning, c.q. zijn van rechtswege toelating verlenging c.q. omzetting heeft verzocht en het bevoegd gezag het verzoek inwilligt, is de vergunning c.q. omzetting in een vergunning (tijdelijk of tot verblijf) in aansluiting op de eerdere vergunning verleend. Er is geen verblijfsgat. -Indien de vreemdeling niet tijdig om verlenging c.q omzetting van zijn van rechtswege toelating heeft gevraagd, dat wil zeggen pas na afloop van zijn verblijfsvergunning, c.q. van rechtswege toelating is de vergunning c.q. omzetting (in een vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf) op zijn vroegst pas vanaf de datum van ondertekening door de Gouverneur verleend en dus niet in aansluiting op de eerdere vergunning. Dit betekent dat er een verblijfsgat is ontstaan. Door het bestuursorgaan dat beslist op de aanvraag om verlenging wordt hierop een uitzondering gemaakt indien de aanvraag niet tijdig is ingediend wegens omstandigheden die de vreemdeling niet zijn toe te rekenen. +Indien de vreemdeling niet tijdig om verlenging c.q omzetting van zijn van rechtswege toelating heeft gevraagd, dat wil zeggen pas na afloop van zijn verblijfsvergunning, c.q. van rechtswege toelating is de vergunning c.q. omzetting (in een vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf) op zijn vroegst pas vanaf de datum van ondertekening door het bevoegd gezag verleend en dus niet in aansluiting op de eerdere vergunning. Dit betekent dat er een verblijfsgat is ontstaan. Door het bestuursorgaan dat beslist op de aanvraag om verlenging wordt hierop een uitzondering gemaakt indien de aanvraag niet tijdig is ingediend wegens omstandigheden die de vreemdeling niet zijn toe te rekenen. #### 2 -Van ‘toelating’ in Curaçao en Sint Maarten in de zin van deze Rijkswet is sprake indien de vreemdeling dit aantoont aan de hand van een verblijfsdocument. Dit document is, hetzij: +Van ‘toelating’ in Curaçao onderscheidenlijk in Sint Maarten in de zin van deze Rijkswet is sprake indien de vreemdeling dit aantoont aan de hand van een verblijfsdocument. Dit document is, hetzij: Een vergunning tot tijdelijk verblijf (artikel 6, tweede lid, LTU); @@ -100,19 +114,21 @@ Een verklaring dat de LTU niet van toepassing is (een zg. NVT-verklaring op gron Een verklaring van toelating van rechtswege (artikel 3 LTU) + + #### 3 -Het begrip ‘toelating voor onbepaalde tijd’ heeft dezelfde betekenis als ‘geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd’ in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN. Een vreemdeling tegen wiens verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland, Curaçao en Sint Maarten en Aruba geen bedenkingen bestaan, voldoet dan ook aan het vereiste ‘toelating voor onbepaalde tijd’. Op de wijze als beschreven in de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN kan worden beoordeeld of wordt voldaan aan dit vereiste. Hieronder wordt volstaan met een korte toelichting. +Het begrip ‘toelating voor onbepaalde tijd’ heeft dezelfde betekenis als ‘geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd’ in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN. Een vreemdeling tegen wiens verblijf voor onbepaalde tijd in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba geen bedenkingen bestaan, voldoet dan ook aan het vereiste ‘toelating voor onbepaalde tijd’. Op de wijze als beschreven in de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN kan worden beoordeeld of wordt voldaan aan dit vereiste. Hieronder wordt volstaan met een korte toelichting. -Een vreemdeling die in het bezit is van een **vergunning tot verblijf** heeft altijd (tenzij er redenen zijn om te denken dat die vergunning moet worden ingetrokken) toelating voor onbepaalde tijd in hier bedoelde zin. +Een vreemdeling die in het bezit is van een *vergunning tot verblijf* heeft altijd (tenzij er redenen zijn om te denken dat die vergunning moet worden ingetrokken) toelating voor onbepaalde tijd in hier bedoelde zin. -Bij een vreemdeling die in het bezit is van een **vergunning tot tijdelijk verblijf** (wordt verleend onder een beperking), dient nader te worden onderzocht of sprake is van toelating voor onbepaalde tijd (dit hangt af van de beperking waaronder de vergunning is verleend dan wel de geldigheidsduur van de vergunning). +Bij een vreemdeling die in het bezit is van een *vergunning tot tijdelijk verblijf* (wordt verleend onder een beperking), dient nader te worden onderzocht of sprake is van toelating voor onbepaalde tijd (dit hangt af van de beperking waaronder de vergunning is verleend dan wel de geldigheidsduur van de vergunning). -Een vreemdeling in de zin van artikel 1 onder c LTU en die in het bezit is van **een NVT-verklaring**, is toegelaten voor onbepaalde tijd als bedoeld in de RWN. +Een vreemdeling in de zin van artikel 1 onder c LTU en die in het bezit is van een NVT-verklaring, is toegelaten voor onbepaalde tijd als bedoeld in de RWN. Ten aanzien van vreemdelingen die verblijf van rechtswege hebben op grond van artikel 3 van de LTU geldt het volgende. -Een vreemdeling die is toegelaten op grond van artikel 3 LTU heeft weliswaar van rechtswege verblijf in Curaçao en Sint Maarten, maar dit betekent niet dat er altijd ook sprake is van verblijf voor onbepaalde tijd. Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de toelichting op artikel 8 lid 1 onder b RWN. +Een vreemdeling die is toegelaten op grond van artikel 3 LTU heeft weliswaar van rechtswege verblijf in Curaçao onderscheidenlijk in Sint Maarten, maar dit betekent niet dat er altijd ook sprake is van verblijf voor onbepaalde tijd. Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de toelichting op artikel 8 lid 1 onder b RWN. #### 4 @@ -122,65 +138,65 @@ Om in aanmerking te komen voor (mede)naturalisatie dient een kind op grond van a Sedert 1 april 2003 is in verschillende artikelen in de RWN als voorwaarde opgenomen dat een vreemdeling een bepaalde periode, van één jaar (artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN), twee jaar (artikel 8, tweede lid, RWN), drie jaar (artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, RWN, artikel 8, vierde en vijfde lid, RWN en artikel 11, derde, vierde en vijfde lid, RWN), vijf jaar (artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN), veertien jaar (artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN) of vijftien jaar (artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g en h, RWN) onafgebroken in het Koninkrijk moet zijn toegelaten. Dit houdt in dat er in de vereiste periode geen zogeheten ‘verblijfsgaten’ mogen voorkomen. Een verblijfsgat leidt tot een onderbreking van de hierboven genoemde termijnen. Na de onderbreking begint de termijn opnieuw te lopen. Of sprake is van een verblijfsgat is op zich een vreemdelingrechtelijke vraag. -De Gouverneur onderzoekt aan de hand van het verblijfsdocument in samenhang met de beschikbare gegevens in de PIVA (en – indien voorhanden – de gegevens in het NAVAS), de huidige verblijfsrechtelijke status van een optant of een naturalisandus en van de personen om wier medeverkrijging/medeverlening is verzocht (artikelen 16, eerste lid, en 42, eerste lid, BVVN). +De Gouverneur onderzoekt aan de hand van het verblijfsdocument in samenhang met de beschikbare gegevens in de PIVA (en – indien voorhanden – de gegevens in het NAVAS en/of FMS), de huidige verblijfsrechtelijke status van een optant of een naturalisandus en van de personen om wier medeverkrijging/medeverlening is verzocht (artikelen 16, eerste lid, en 42, eerste lid, BVVN). -Indien uit de overgelegde verblijfstitels in samenhang met de beschikbare gegevens uit de PIVA en NAVAS c.q. de vreemdelingenadministratie niet duidelijk blijkt of de vereiste periode van toelating onafgebroken is geweest, zal de Gouverneur een bericht om toelating (BOT) opvragen. De procedure hiervoor is als volgt: +Indien uit de overgelegde verblijfstitels in samenhang met de beschikbare gegevens uit de PIVA en NAVAS/FMS c.q. de vreemdelingenadministratie niet duidelijk blijkt of de vereiste periode van toelating onafgebroken is geweest, zal de Gouverneur een bericht om toelating (BOT) opvragen. De procedure hiervoor is als volgt: ##### 5.1 -– een vreemdeling meldt zich bij de Gouverneur van zijn eiland met als doel het Nederlanderschap aan te vragen; -– de Gouverneur adviseert betrokkene over de wijze waarop het Nederlanderschap kan worden verkregen (optie of naturalisatie). Aan de hand van deze informatie bepaalt betrokkene op welke wijze hij de Nederlandse nationaliteit wenst te verkrijgen. Welke periode van onafgebroken toelating voor betrokkene geldt, is afhankelijk van de vraag op grond van welke wettelijke bepaling deze het Nederlanderschap kan en wenst te verkrijgen; -– de vreemdeling dient een optieverklaring of een verzoek om naturalisatie in. Bij de indiening verstrekt de optant/naturalisandus de benodigde gegevens (artikel 6, eerste lid, BVVN en artikel 31, eerste lid, BVVN); -– na betaling van de verschuldigde leges, of na de beslissing tot vrijstelling of ontheffing van die betaling en na overlegging van de benodigde stukken, neemt de Gouverneur de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie in behandeling (artikel 14 BVVN en artikel 40 BVVN); -– de Gouverneur onderzoekt de verblijfsrechtelijke status van de optant/naturalisandus aan de hand van het verblijfsdocument in samenhang met de verblijfsrechtelijke gegevens in de PIVA (en indien voorhanden – de gegevens in het NAVAS) (artikel 16, eerste lid BVVN en artikel 42, eerste lid BVVN). -– de Gouverneur verzoekt aan de autoriteit of ambtenaar die toegang heeft tot het NAVAS c.q. de vreemdelingenadministratie om afgifte van een bericht omtrent toelating (artikel 4, eerste lid, BOT). In dit verzoek vermeldt de Gouverneur over welke periode en welke aard van toelating zich het bericht omtrent toelating dient uit te laten (artikel 4, tweede lid, BOT); -– de autoriteit of ambtenaar die toegang heeft tot het NAVAS c.q. de vreemdelingenadministratie raadpleegt het NAVAS c.q. de vreemdelingenadministratie en vermeldt de gegevens op het bericht omtrent toelating (modellen 1.32 of 2.18); -– de autoriteit of ambtenaar die toegang heeft tot het NAVAS c.q. de vreemdelingenadministratie doet het ingevulde bericht omtrent toelating (met een afschrift van een procedure overzicht uit het NAVAS), voorzien van de datum van afgifte, een handtekening van de behandelend ambtenaar en een dienststempel, toekomen aan de Gouverneur’ (zie artikel 5 BBOT); -– *bij optie:* de Gouverneur beslist op de optieverklaring met inachtneming van de gegevens in het bericht omtrent toelating (en de andere stukken); -– *bij naturalisatie:* de Gouverneur stuurt het bericht omtrent toelating met het advies naar de Minister van Justitie van Curaçao en Sint Maarten ter doorgeleiding naar de vreemdelingenautoriteiten. Bij het bericht omtrent toelating wordt een kopie van het verblijfsdocument, het procedure overzicht uit het NAVAS c.q. de vreemdelingenadministratie bijgevoegd; -– de IND beslist op het verzoek met inachtneming van de gegevens in het bericht omtrent toelating (en de andere stukken). +• een vreemdeling meldt zich bij de Gouverneur met als doel het Nederlanderschap aan te vragen; +• de Gouverneur adviseert betrokkene over de wijze waarop het Nederlanderschap kan worden verkregen (optie of naturalisatie). Aan de hand van deze informatie bepaalt betrokkene op welke wijze hij de Nederlandse nationaliteit wenst te verkrijgen. Welke periode van onafgebroken toelating voor betrokkene geldt, is afhankelijk van de vraag op grond van welke wettelijke bepaling deze het Nederlanderschap kan en wenst te verkrijgen; +• de vreemdeling dient een optieverklaring of een verzoek om naturalisatie in. Bij de indiening verstrekt de optant/naturalisandus de benodigde gegevens (artikel 6, eerste lid, BVVN en artikel 31, eerste lid, BVVN); +• na betaling van de verschuldigde leges, of na de beslissing tot vrijstelling of ontheffing van die betaling en na overlegging van de benodigde stukken, neemt de Gouverneur de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie in behandeling (artikel 14 BVVN en artikel 40 BVVN); +• de Gouverneur onderzoekt de verblijfsrechtelijke status van de optant/naturalisandus aan de hand van het verblijfsdocument in samenhang met de verblijfsrechtelijke gegevens in de PIVA (en indien voorhanden – de gegevens in het NAVAS/FMS) (artikel 16, eerste lid BVVN en artikel 42, eerste lid BVVN); +• de Gouverneur verzoekt aan de autoriteit of ambtenaar die toegang heeft tot het NAVAS/FMS c.q. de vreemdelingenadministratie om afgifte van een bericht omtrent toelating (artikel 4, eerste lid, BOT). In dit verzoek vermeldt de Gouverneur over welke periode en welke aard van toelating zich het bericht omtrent toelating dient uit te laten (artikel 4, tweede lid, BOT); +• de autoriteit of ambtenaar die toegang heeft tot het NAVAS/FMS c.q. de vreemdelingenadministratie raadpleegt het NAVAS/FMS c.q. de vreemdelingenadministratie en vermeldt de gegevens op het bericht omtrent toelating (modellen 1.32 of 2.18); +• de autoriteit of ambtenaar die toegang heeft tot het NAVAS/ FMS c.q. de vreemdelingenadministratie doet het ingevulde bericht omtrent toelating (met een afschrift van een procedure overzicht uit het NAVAS/ FMS), voorzien van de datum van afgifte, een handtekening van de directeur van de met de uitvoering van de Landsverordening toelating en uitzetting belaste dienst en een dienststempel, toekomen aan de Gouverneur (zie artikel 5 BBOT); +• *bij optie:* de Gouverneur beslist op de optieverklaring met inachtneming van de gegevens in het bericht omtrent toelating (en de andere stukken); +• *bij naturalisatie:* de Gouverneur stuurt het bericht omtrent toelating met het advies naar de Minister van Justitie van Curaçao onderscheidenlijk van Sint Maarten ter doorgeleiding naar de vreemdelingenautoriteiten. Bij het bericht omtrent toelating wordt een kopie van het verblijfsdocument, het procedure overzicht uit het NAVAS / FMS c.q. de vreemdelingenadministratie bijgevoegd; +• de IND beslist op het verzoek met inachtneming van de gegevens in het bericht omtrent toelating (en de andere stukken). ##### 5.2. Regeling 2009 m.b.t. gaten in de verblijfsrechtelijke historie Ten aanzien van vreemdelingen die na 1 april 2003 een verzoek om naturalisatie hebben ingediend of een optieverklaring hebben afgelegd, welke nog niet definitief is afgehandeld, en bij wie het geconstateerde gat in het vreemdelingrechtelijke verblijfsrecht geheel of gedeeltelijk is gelegen in de periode vóór 1 januari 2009, wordt als volgt gehandeld. -In iedere zaak waarin bij de behandeling van een verzoek om naturalisatie of optieverklaring een gat in de verblijfsrechtelijke historie (dus een gat in de aanééngesloten verblijfsrechtelijke toelating) is geconstateerd door de bevoegde autoriteit in Curaçao en Sint Maarten dan wel door de IND in Nederland, zal de Gouverneur van het eilandgebied hier nader onderzoek naar laten doen. +In iedere zaak waarin bij de behandeling van een verzoek om naturalisatie of optieverklaring een gat in de verblijfsrechtelijke historie (dus een gat in de aanééngesloten verblijfsrechtelijke toelating) is geconstateerd door de bevoegde autoriteit in Curaçao onderscheidenlijk in Sint Maarten dan wel door de IND in Nederland, zal de Gouverneur hier nader onderzoek naar laten doen. Van dit onderzoek wordt een onderzoeksverslag gemaakt, dat vergezeld gaat van documentatie die de conclusie van het onderzoek onderbouwt. -Het onderzoeksverslag wordt bij het Bericht omtrent Toelating (BOT) gevoegd en getekend door de Gouverneur van het eilandgebied. +Het onderzoeksverslag wordt bij het Bericht omtrent Toelating (BOT) gevoegd en getekend door de directeur van de met de uitvoering van de Landsverordening toelating en uitzetting belaste dienst. -Het onderzoeksverslag in combinatie met het BOT is doorslaggevend voor het vaststellen of gedurende de onderzochte periode sprake is geweest van onafgebroken ‘toelating’ (verblijfsrecht) in Curaçao en Sint Maarten. +Het onderzoeksverslag in combinatie met het BOT is doorslaggevend voor het vaststellen of gedurende de onderzochte periode sprake is geweest van onafgebroken ‘toelating’ (verblijfsrecht) in Curaçao of in Sint Maarten. Het onderzoeksverslag zal één van de volgende drie conclusies bevatten: 1. het gat in het verblijfsrecht is aantoonbaar te wijten aan de vreemdeling zelf en daarmee niet aanvaardbaar1De vreemdeling heeft bijvoorbeeld aantoonbaar door eigen schuld te laat een verlengingsverzoek ingediend.; dan wel 2. het gat in het verblijfsrecht is aantoonbaar verklaarbaar door de manier van administratieve afwikkeling van overheidszijde en daarmee aanvaardbaar2Onder deze categorie kan vallen: aantoonbaar niet-functioneren van het registratiesysteem in de gestelde periode, aantoonbaar onjuist invullen van het registratiesysteem in het individuele geval, etc.; dan wel -3. de oorzaak van het gat in het verblijfsrecht is onbekend, maar door de vreemdeling is aannemelijk gemaakt dat hij/zij gedurende het gestelde gat in het verblijfsrecht onafgebroken in Curaçao en Sint Maarten heeft verbleven, en daardoor is het gat in het verblijfsrecht aanvaardbaar. Tot deze conclusie kan enkel worden gekomen indien het gat in het verblijfsrecht niet te verklaren is met hetgeen onder 1 of 2 staat vermeld, en indien vervolgonderzoek is verricht door de bevoegde autoriteiten in Curaçao en Sint Maarten. Hierbij kunnen de volgende documenten van de vreemdeling worden gevraagd en van overheidszijde worden geverifieerd: +3. de oorzaak van het gat in het verblijfsrecht is onbekend, maar door de vreemdeling is aannemelijk gemaakt dat hij/zij gedurende het gestelde gat in het verblijfsrecht onafgebroken in Curaçao of in Sint Maarten heeft verbleven, en daardoor is het gat in het verblijfsrecht aanvaardbaar. Tot deze conclusie kan enkel worden gekomen indien het gat in het verblijfsrecht niet te verklaren is met hetgeen onder 1 of 2 staat vermeld, en indien vervolgonderzoek is verricht door de bevoegde autoriteiten in Curaçao onderscheidenlijk in Sint Maarten. Hierbij kunnen de volgende documenten van de vreemdeling worden gevraagd en van overheidszijde worden geverifieerd: -– het reisdocument (met alle in- en uitreisstempels en/of visa over de te onderzoeken periode); -– het aanvraagformulier (verlenging) vergunning tot (tijdelijk) verblijf; -– de beslissing omtrent een aanvraag; -– het aanvraagformulier tewerkstellingsvergunning; -– de beslissing omtrent een aanvraag; -– belastingaanslagen; -– werkcontract en/of loonstrook; en/of -– afschriften bankrekening; -– etc. +• het reisdocument (met alle in- en uitreisstempels en/of visa over de te onderzoeken periode); +• het aanvraagformulier (verlenging) vergunning tot (tijdelijk) verblijf; +• de beslissing omtrent een aanvraag; +• het aanvraagformulier tewerkstellingsvergunning; +• de beslissing omtrent een aanvraag; +• belastingaanslagen; +• werkcontract en/of loonstrook; en/of +• afschriften bankrekening; +• etc. NB: Alleen een bewijs van inschrijving in de bevolkingsadministratie volstaat niet; dat geeft namelijk onvoldoende bewijs dat betrokkene inderdaad ‘aanwezig’ is geweest op het eiland. Deze regeling heeft geen betrekking op reeds onherroepelijk afgewezen zaken. Dit betekent dat in het geval van een reeds afgewezen optieverklaring dan wel een afgewezen naturalisatieverzoek, waartegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend, er geen recht bestaat op een heroverweging van de afgewezen zaak. -Nog openstaande *eerste-aanleg-naturalisatiezaken* die al in Nederland liggen ter behandeling, worden door de bevoegde autoriteiten in Curaçao en Sint Maarten aangevuld (‘herstel verzuim’) met een onderzoeksverslag. De IND zal hierom in een voorkomend geval verzoeken. +Nog openstaande *eerste-aanleg-naturalisatiezaken* die al in Nederland liggen ter behandeling, worden door de bevoegde autoriteiten in Curaçao onderscheidenlijk in Sint Maarten aangevuld (‘herstel verzuim’) met een onderzoeksverslag. De IND zal hierom in een voorkomend geval verzoeken. -Bij nog openstaande *bezwaarzaken* tegen afgewezen verzoeken om naturalisatie wordt door de IND aan de bevoegde autoriteiten in Curaçao en Sint Maarten om een onderzoek gevraagd. +Bij nog openstaande *bezwaarzaken* tegen afgewezen verzoeken om naturalisatie wordt door de IND aan de bevoegde autoriteiten in Curaçao onderscheidenlijk in Sint Maarten om een onderzoek gevraagd. -Ook in nog openstaande *beroepszaken* terzake van naturalisatie wordt door de IND aan de bevoegde autoriteiten in Curaçao en Sint Maarten om een onderzoek gevraagd. Wanneer het onderzoek oplevert dat het verblijfsgat de vreemdeling niet is aan te rekenen, wordt de beslissing in bezwaar ingetrokken en wordt, indien aan de overige voorwaarden voor naturalisatie wordt voldaan, het bezwaar gegrond verklaard. +Ook in nog openstaande *beroepszaken* terzake van naturalisatie wordt door de IND aan de bevoegde autoriteiten in Curaçao onderscheidenlijk in Sint Maarten om een onderzoek gevraagd. Wanneer het onderzoek oplevert dat het verblijfsgat de vreemdeling niet is aan te rekenen, wordt de beslissing in bezwaar ingetrokken en wordt, indien aan de overige voorwaarden voor naturalisatie wordt voldaan, het bezwaar gegrond verklaard. Een onderzoekverslag wordt – behoudens uitzonderingen – binnen twee maanden na het verzoek daartoe beschikbaar gesteld. -Voor zaken waarin uitsluitend gaten in het verblijfsrecht voorkomen die gelegen zijn nà 1 januari 2009, geldt deze regeling niet. Voor deze datum is gekozen, omdat de verwachting gerechtvaardigd is dat vanaf deze datum de vreemdelingrechtelijke registratie in Curaçao en Sint Maarten consistent is. +Voor zaken waarin uitsluitend gaten in het verblijfsrecht voorkomen die gelegen zijn nà 1 januari 2009, geldt deze regeling niet. Voor deze datum is gekozen, omdat de verwachting gerechtvaardigd is dat vanaf deze datum de vreemdelingrechtelijke registratie in Curaçao onderscheidenlijk in Sint Maarten consistent is. ### 1-1-h. Toelichting ad @@ -4174,10 +4190,14 @@ Wet gba: artikel 43 WvSr: artikelen 74a en 92 t/m 423 -Ingevolge overgangsbepaling artikel VII, tweede lid, RRWN geldt overgangsrecht voor artikel 8, eers.te lid, aanhef en onder d, RWN. Zie bij artikel 7 RWN, onder ‘Overgangsrecht’. +Ingevolge overgangsbepaling artikel VII, tweede lid, RRWN geldt overgangsrecht voor artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN. Zie bij artikel 7 RWN, onder ‘Overgangsrecht’. Dit heeft onder meer tot gevolg dat ten aanzien van oude verzoeken om naturalisatie, die zijn ingediend vóór 1 april 2003, nog steeds kan worden besloten tot aanhouding van de beslissing wegens onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal. Aanhouding vindt dan plaats op grond van artikel 9, vijfde lid juncto artikel 9, vierde lid, RWN (nieuw). +Ingevolge overgangsbepaling artikel II, tweede lid, RRWN (Stb. 2010, 242) geldt overgangsrecht voor artikel 9, derde lid, onder c (oud), RWN. + +Dit heeft tot gevolg dat ten aanzien van verzoeken om naturalisatie die zijn ingediend vóór 1 oktober 2010, nog steeds de uitzonderingscategorie bij afstand “de verzoeker die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een periode van vijf jaar onafgebroken in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten zijn hoofdverblijf gehad heeft” van toepassing is. Voor verzoekers die op of na 1 oktober 2010 een verzoek indienen geldt deze uitzonderingscategorie dus niet meer. + ### 9-alg. Toelichting algemeen Artikel 9, eerste lid, RWN stelt drie additionele eisen waaraan een verzoeker moet voldoen, naast de in artikel 8 RWN gestelde voorwaarden. @@ -4439,15 +4459,14 @@ Niet alle verzoekers zijn verplicht om afstand te doen van hun oorspronkelijke n 3. de verzoeker die volgens de wetgeving van het land waarvan hij de nationaliteit bezit eerst afstand van die nationaliteit kán doen nadat hij is genaturaliseerd. Na de totstandkoming van de naturalisatie dient de verzoeker wél afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit; 4. de verzoeker die voor het doen van afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit een zodanig hoog bedrag moet betalen dat hij een substantieel financieel nadeel zal lijden; 5. de verzoeker die door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten zal verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden; -6. de verzoeker die eerst afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit kan doen, nadat hij in het land waarvan hij de nationaliteit bezit zijn militaire dienstplicht heeft ver richt of deze heeft afgekocht; +6. de verzoeker die eerst afstand van zijn oorspronkelijke nationaliteit kan doen, nadat hij in het land waarvan hij de nationaliteit bezit zijn militaire dienstplicht heeft verricht of deze heeft afgekocht; 7. de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat hij contact opneemt met de autoriteiten van de staat waarvan hij de nationaliteit bezit; 8. de verzoeker die bijzondere en objectief waardeerbare redenen heeft om geen afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit; 9. de verzoeker die onderdaan is van een staat welke niet door Nederland wordt erkend; 10. de verzoeker die onderdaan is van een staat die partij is bij het zogenaamde Tweede Protocol (zie hierna); -11. de verzoeker die is geboren in Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba en daar zijn hoofdverblijf heeft ten tijde van het indienen van het verzoek om naturalisatie; -12. de verzoeker die vóór het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende vijf aaneengesloten jaren zijn hoofdverblijf in Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba heeft gehad; -13. de verzoeker die is gehuwd met een Nederlander; -14. de verzoeker die in Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba is erkend als vluchteling. +11. de verzoeker die is geboren in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten en daar zijn hoofdverblijf heeft ten tijde van het indienen van het verzoek om naturalisatie; +12. de verzoeker die is gehuwd met een Nederlander; +13. de verzoeker die in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba is erkend als vluchteling. Hieronder worden de uitzonderingscategorieën 1 tot en met 9 toegelicht. De overige vijf categorieën worden behandeld bij artikel 9, derde lid, RWN. @@ -4455,9 +4474,9 @@ Hieronder worden de uitzonderingscategorieën 1 tot en met 9 toegelicht. De over Verzoeker heeft de Surinaamse nationaliteit. In de wetgeving van Suriname is geregeld dat een Surinamer die vrijwillig een andere nationaliteit verkrijgt de Surinaamse nationaliteit verliest. In geval van automatisch verlies door naturalisatie tot een andere nationaliteit heeft het geen zin afstand te vragen. -##### 3.2. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat wier wetgeving of rechtspraktijk geen afstand van nationaliteit toestaat Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen +##### 3.2. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat wier wetgeving of rechtspraktijk geen afstand van nationaliteit toestaat. Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen. -Verzoeker bezit de Colombiaanse nationaliteit. De Colombiaanse nationaliteitswetgeving geeft aan dat in geval van naturalisatie tot een vreemde nationaliteit betrokkene een machtiging kan krijgen om de Colombiaanse nationaliteit te verwerpen. In de praktijk blijkt evenwel dat de machtiging niet kan worden verkregen. In feite betekent dit dus behoud van de Colombiaanse nationaliteit en heeft het geen zin om afstand te vragen. +Verzoeker bezit de Marokkaanse nationaliteit. De Marokkaanse nationaliteitswetgeving geeft aan dat in geval van naturalisatie tot een vreemde nationaliteit betrokkene een machtiging kan krijgen om de Marokkaanse nationaliteit te verwerpen. In de praktijk blijkt echter dat de machtiging niet kan worden verkregen. In feite betekent dit dus behoud van de Marokkaanse nationaliteit en heeft het geen zin om afstand te vragen. ##### 3.3. Volgens de nationaliteitswetgeving van veel Staten geldt dat eerst dan afstand van de nationaliteit kan worden gedaan nadat een andere nationaliteit is verkregen (bijvoorbeeld ter voorkoming van staatloosheid) @@ -5032,12 +5051,50 @@ Dit artikellid bepaalt dat wanneer iemand tijdens zijn minderjarigheid het Neder ### 9-3. Toelichting ad **Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op** - -a. **de verzoeker die onderdaan is van een Staat die Partij is bij het op 2 februari 1993 te Straatsburg tot stand gekomen Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag betreffende de beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (Trb. 1994, 265);** -b. **de verzoeker die in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten is geboren en daar ten tijde van het verzoek zijn hoofdverblijf heeft;** -c. **de verzoeker die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een periode van vijf jaar onafgebroken in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten zijn hoofdverblijf gehad heeft;** -d. **de verzoeker die gehuwd is met een Nederlander;** -e. **de verzoeker die in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba erkend is als vluchteling.** + + + + a. + + **de verzoeker die onderdaan is van een Staat die Partij is bij het op 2 februari 1993 te Straatsburg tot stand gekomen Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag betreffende de beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (** + **Trb. 1994, 265** + **);** + + + + b. + + **de verzoeker die in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten is geboren en daar ten tijde van het verzoek zijn hoofdverblijf heeft;** + + + + c. + + **de verzoeker die gehuwd is met een Nederlander;** + + + + d. + + **de verzoeker die in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba erkend is als vluchteling.** + + + + + + *Wetshistorie* + + + Tot 1 oktober 2010 luidde artikel 9, derde lid, onder c: + Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op de verzoeker die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een periode van vijf jaar onafgebroken in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba zijn hoofdverblijf gehad heeft. + + + Sinds 1 oktober 2010 is artikel 9, derde lid, onder c vervallen. De overige subleden zijn daardoor een letter opgeschoven. + De afstandsverplichting gold tot 1 oktober 2010 niet voor de verzoekers die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd vijf jaar onafgebroken in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba zijn hoofdverblijf heeft gehad. Vanaf 1 oktober 2010 geldt voor deze groep wel de afstandsverplichting. Deze groep moet dus bij alle verzoeken die op of na 1 oktober 2010 worden ingediend, de bereidheidsverklaring ondertekenen (zie overgangsbepaling artikel II, tweede lid, RRWN (Stb. 2010, 242). + +20101922901-12-201018-11-2010WBN-CM2010/320101922901-12-201018-11-2010WBN-CM2010/302-12-201010-10-2010Geldt alleen voor verzoeken om +naturalisatie die zijn ingediend op of na 1 oktober +2010. #### 1. Algemeen @@ -5081,47 +5138,74 @@ Een verzoeker, burger van Bosnië-Herzegovina, is geboren in Aruba. Kort na zijn ### 9-3-c. Toelichting ad -**Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op de verzoeker die voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een periode van vijf jaar onafgebroken in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba zijn hoofdverblijf gehad heeft.** - -De verzoeker die vóór het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een aaneengesloten periode van ten minste vijf jaar in Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba zijn hoofdverblijf heeft gehad, behoeft geen afstand te doen. Hierbij geldt dat de periode van vijf jaar niet behoeft aan te sluiten op het bereiken van de meerderjarige leeftijd. Een verzoeker die aan de omschrijving in dit lid voldoet, die na het bereiken van de meerderjarigheid vele jaren buiten het Koninkrijk heeft gewoond en dan pas een verzoek om naturalisatie indient, kan eveneens met succes een beroep doen op deze uitzonderingsgrond. De periode van vijf jaar behoeft niet op basis van een verblijfsvergunning in Nederland, Curaçao en Sint Maarten of Aruba te zijn volgemaakt (het begrip ‘toelating’ wordt immers niet vermeld in de wetstekst). Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen. - -Verzoekster is geboren in Brazilië en heeft bij geboorte de Braziliaanse nationaliteit. Als zij tien jaar is, verhuist zij naar Aruba. Na twee jaar in Aruba te hebben gewoond, verhuist zij naar Bonaire. Op zestienjarige leeftijd gaat zij terug naar Brazilië. Wanneer zij 31 jaar oud is, vestigt zij zich weer op Bonaire. Op 36-jarige leeftijd dient zij aldaar een verzoek om naturalisatie in. - -Van verzoekster wordt niet verlangd dat zij afstand doet van haar oorspronkelijke nationaliteit nu zij vóór het bereiken van de meerderjarige leeftijd een aaneengesloten periode van vijf jaar haar hoofdverblijf in Aruba en Curaçao en Sint Maarten heeft gehad. +**Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op de verzoeker die gehuwd is met een Nederlander.** + + + + Alleenbij nationaliteiten van Staten waarbij in de ‘Landenlijst bij naturalisatie’ een B (geen automatisch verlies, maar het doen van afstand is mogelijk) staat, moet worden beoordeeld of desbetreffende verzoeker om naturalisatie afstandsplichtig is. + + + Voor een verzoeker die is gehuwd met een Nederlander (van het andere of van hetzelfde geslacht) geldt geen afstandsverplichting. Ook de verzoeker die in Nederland een geregistreerd partnerschap met een Nederlander is aangegaan of buiten Nederland een geregistreerd partnerschap is aangegaan als bedoeld in artikel 1, tweede lid, RWN, kan een beroep doen op deze uitzondering. Verzoeker hoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen. In het geval dat het huwelijk – anders dan door overlijden – tussen de indiening van het verzoek en de beslissing op het verzoek door echtscheiding is ontbonden, zal verzoeker alsnog afstand moeten doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Hetzelfde geldt voor de beëindiging met wederzijds goedvinden of door ontbinding van het geregistreerd partnerschap. Immers, het moment van de beslissing op het verzoek om naturalisatie is doorslaggevend voor de beoordeling of verzoeker aan de voorwaarden voldoet. Voor de verzoeker die met een ongehuwde Nederlander een duurzame relatie heeft, geldt de afstandseis onverkort. + + + *Voorbeeld* + + + Een vrouw met de Amerikaanse nationaliteit is bij het indienen van het verzoek gehuwd met een Nederlander en verkrijgt door naturalisatie de Nederlandse nationaliteit. Verzoekster verliest door de naturalisatie tot Nederlandse niet haar Amerikaanse nationaliteit. Zij hoeft geen afstand te doen van de Amerikaanse nationaliteit. + + + Op gelijktijdige verzoeken van twee met elkaar gehuwde personen of twee geregistreerde partners, dient zoveel mogelijk tegelijkertijd te worden beslist. Het is niet de bedoeling dat een van de (huwelijks)partners eerder wordt genaturaliseerd, zodat de ander geen afstand meer hoeft te doen op grond van het feit dat hij of zij de (huwelijks)partner is van een Nederlander. + + + Geen afstandsplicht bestaat voor de echtgenoot/geregistreerd partner met een B-nationaliteit (zie landenlijst) die samen met zijn/haar echtgenoot/geregistreerd partner met een B-nationaliteit een verzoek om naturalisatie indient, waarbij één van hen op grond van artikel 9, derde lid, onder a, b, of d, RWN dan wel artikel 6, eerste lid, onderdeel d, e, f, g of h Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap (RVVN) niet afstandsplichtig is. + + + *Voorbeeld* + + + Een man en een vrouw met de Turkse nationaliteit dienen gezamenlijk een verzoek om naturalisatie tot Nederlander in. De vrouw hoeft op grond van één van de hierboven genoemde uitzonderingsgronden geen afstand te doen van haar Turkse nationaliteit. De man valt niet zelfstandig onder een uitzonderingsgrond maar omdat zijn echtgenote niet afstandsplichtig is, hoeft hij ook geen afstand te doen. + + + Een eventuele afstandsplicht vervalt indien een verzoeker ná het indienen van het verzoek om naturalisatie maar vóór het Nederlanderschap per Koninklijk Besluit is verleend, huwt (of een geregistreerd partnerschap aangaat) met een Nederlander. Immers, de regel is dat de datum van het naturalisatieKB doorslaggevend is voor het wel of niet bestaan van de afstandsplicht. Op de datum van het naturalisatieKB is de beslissing genomen door het bevoegd gezag op het verzoek om naturalisatie. + + + *Voorbeeld* + + + A, man, is ongehuwd als hij op 12 augustus 2007 zijn verzoek om naturalisatie indient. Hij blijkt afstandsplichtig te zijn en tekent daarom de bereidheidsverklaring. Hij trouwt op 3 maart 2008 met B, van Nederlandse nationaliteit. A’s verzoek om naturalisatie wordt door de Koningin bij KB ingewilligd op 17 mei 2008. Dit betekent dat A is gehuwd op de dag van zijn naturalisatie met een Nederlander. Om die reden is hij niet (langer) afstandsplichtig. + + + Personen die afstand moeten doen en die ná de totstandkoming van de naturalisatie huwen met een Nederlander of een geregistreerd partnerschap (zie artikel 1, tweede lid, RWN) met een Nederlander aangaan, kunnen niet met succes een beroep doen op de bij onderdeel c van het derde lid van artikel 9 bedoelde uitzondering. + + + Let op! Bovenstaand artikellid geldt alleen voor verzoeken die zijn ingediend op of na 1 oktober 2010. Verzoekers die voor 1 oktober 2010 een verzoek hebben ingediend waarop nog niet is beslist kunnen dus nog een beroep doen op artikel 9, derde lid, aanhef en onder c, RWN zoals dat luidde tot 1 oktober 2010 (voor het bereiken van de meerderjarige leeftijd gedurende een periode van vijf jaar onafgebroken in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba zijn hoofdverblijf hebben). Zie overgangsbepaling artikel II, tweede lid, RRWN (Stb. 2010, 242). + +20101922901-12-201018-11-2010WBN-CM2010/320101922901-12-201018-11-2010WBN-CM2010/302-12-201010-10-2010Geldt alleen voor verzoeken om +naturalisatie die zijn ingediend op of na 1 oktober +2010. ### 9-3-d. Toelichting ad -**Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op de verzoeker die gehuwd is met een Nederlander.** - -Alleen bij nationaliteiten van Staten waarbij in de ‘Landenlijst bij naturalisatie’ een B (geen automatisch verlies, maar het doen van afstand is mogelijk) staat, moet worden beoordeeld of desbetreffende verzoeker om naturalisatie afstandsplichtig is. - -Voor een verzoeker die is gehuwd met een Nederlander (van het andere of van hetzelfde geslacht) geldt geen afstandsverplichting. - -Ook de verzoeker die in Nederland een geregistreerd partnerschap met een Nederlander is aangegaan of buiten Nederland een geregistreerd partnerschap is aangegaan als bedoeld in artikel 1, tweede lid, RWN, kan een beroep doen op deze uitzondering. Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen. In het geval dat het huwelijk – anders dan door overlijden – tussen de indiening van het verzoek en de beslissing op het verzoek door echtscheiding is ontbonden, zal verzoeker alsnog afstand moeten doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit. Hetzelfde geldt voor de ontbinding door overeenkomst van het geregistreerd partnerschap op dit tijdstip. Immers, het moment van de beslissing op het verzoek om naturalisatie is doorslaggevend voor de beoordeling of verzoeker aan de voorwaarden voldoet. Voor de verzoeker die met een ongehuwde Nederlander een duurzame relatie heeft, geldt de afstandseis onverkort. - -Op gelijktijdige verzoeken van twee met elkaar gehuwde personen of twee geregistreerde partners, dient zoveel mogelijk tegelijkertijd te worden beslist. Het is niet de bedoeling dat een van de (huwelijks)partners eerder wordt genaturaliseerd, zodat de ander geen afstand meer behoeft te doen op grond van het feit dat hij of zij de (huwelijks)partner is van een Nederlander. Het is evenmin mogelijk dat personen die afstand moeten doen en die ná de totstandkoming van de naturalisatie huwen met een Nederlander of een geregistreerd partnerschap (zie artikel 1, tweede lid, RWN) met een Nederlander aangaan, met succes een beroep doen op deze uitzondering (bij onderdeel d van het derde lid van artikel 9). - -Geen afstandsplicht bestaat voor de echtgenoot/geregistreerd partner met een B-nationaliteit (zie landenlijst) die tezamen met zijn/haar echtgenoot/geregistreerd partner met een B-nationaliteit een naturalisatieverzoek indient, waarbij één van hen op grond van artikel 9, derde lid, onder a, b, c of e, RWN dan wel artikel 6, eerste lid, onderdeel d, e, f, g of h Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap (RVVN) niet afstandsplichtig is.55a - -Een vrouw met de Britse nationaliteit is bij het indienen van het verzoek gehuwd met een Nederlander en verkrijgt door naturalisatie de Nederlandse nationaliteit. Verzoekster verliest door de naturalisatie tot Nederlandse niet haar Britse nationaliteit. Zij behoeft geen afstand te doen van de Britse nationaliteit. - -Een man en een vrouw met de Peruaanse nationaliteit dienen gezamenlijk een verzoek om naturalisatie tot Nederlander in. De vrouw hoeft op grond van één van de hierboven genoemde uitzonderingsgronden geen afstand te doen van haar Peruaanse nationaliteit. De man valt niet zelfstandig onder een uitzonderingsgrond maar omdat zijn echtgenote niet afstandsplichtig is, behoeft hij ook geen afstand te doen. - -Een eventuele afstandsplicht vervalt indien een verzoeker ná het indienen van het verzoek om naturalisatie maar vóór het Nederlanderschap per Koninklijk Besluit is verleend, huwt (of een geregistreerd partnerschap aangaat) met een Nederlander. Immers, de regel is dat de datum van het naturalisatieKB doorslaggevend is voor het wel of niet bestaan van de afstandsplicht. Op de datum van het naturalisatie KB is de beslissing genomen door het bevoegd gezag op het naturalisatieverzoek. - -A, man, is ongehuwd als hij op 12 augustus 2007 zijn naturalisatieverzoek indient. Hij blijkt afstandsplichtig te zijn en tekent daarom de bereidheidsverklaring. Hij trouwt op 3 maart 2008 met B, van Nederlandse nationaliteit. A’s naturalisatieverzoek wordt door de Koningin bij KB ingewilligd op 17 mei 2008. Dit betekent dat A is gehuwd op de dag van zijn naturalisatie met een Nederlander. Om die reden is hij niet (langer) afstandsplichtig. - -### 9-3-e. Toelichting ad - -**Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op de verzoeker die in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba erkend is als vluchteling.** - -De verzoeker die met succes een beroep wil doen op deze uitzonderingsgrond zal bij de indiening van het verzoek om naturalisatie dienen aan te tonen dat hij is erkend als vluchteling. De reden voor deze uitzondering op de afstandsverplichting is dat het onverantwoord is voor een erkende vluchteling contact op te nemen met de autoriteiten van het land van herkomst. Om dezelfde reden is deze categorie vreemdelingen vrijgesteld van het legalisatievereiste, indien betrokkene bezwaar maakt tegen dat vereiste. De verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen. - -Een verzoeker die valt onder één van de artikelonderdelen van artikel 9, derde lid, RWN behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen. In deze gevallen is de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit immers niet van toepassing. Met het oog op een eventueel automatisch verlies van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie tot Nederlander of met het oog op eventuele consequenties van een dubbele nationaliteit (dit kan voor- en nadelen hebben), verdient het aanbeveling dat verzoeker reeds in de voorlichtingsfase door de Gouverneur wordt verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit (hetzij direct, hetzij door tussenkomst van de ambassade of het consulaat) of naar de voor hem geëigende organisaties voor minderheden voor het verkrijgen van informatie hieromtrent. - -Ingevolge onderdeel d van dit artikellid geldt de afstandsverplichting niet voor een verzoeker die is gehuwd met een Nederlander of voor een verzoeker die in Nederland een geregistreerd partnerschap met een Nederlander is aangegaan of buiten Nederland een geregistreerd partnerschap is aangegaan als bedoeld in artikel 1, tweede lid, RWN. Indien twee met elkaar gehuwde personen of twee geregistreerde partners beide een verzoek om naturalisatie hebben ingediend, dient zoveel mogelijk tegelijkertijd op de verzoeken te worden beslist. Het is niet de bedoeling dat een van de (huwelijks)partners eerder wordt genaturaliseerd, waarna de ander geen afstand meer behoeft te doen op grond van het feit dat hij of zij de (huwelijks)partner is van een Nederlander. - -Personen die afstand moeten doen en die ná de totstandkoming van de naturalisatie huwen met een Nederlander of in Nederland een geregistreerd partnerschap met een Nederlander aangaan, kunnen evenmin met succes een beroep doen op onderdeel d. Uit de tekst volgt immers dat het moet gaan om een persoon die bij het indienen van het verzoek reeds ‘is’ gehuwd met een Nederlander. +**Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op de verzoeker die in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba is erkend als vluchteling.** + + + + De verzoeker die met succes een beroep wil doen op deze uitzonderingsgrond zal bij de indiening van het verzoek om naturalisatie dienen aan te tonen dat hij is erkend als vluchteling. De reden voor deze uitzondering op de afstandsverplichting is dat het onverantwoord is voor een erkende vluchteling contact op te nemen met de autoriteiten van het land van herkomst. Om dezelfde reden is deze categorie vreemdelingen vrijgesteld van het legalisatievereiste, indien betrokkene bezwaar maakt tegen dat vereiste. De verzoeker hoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen. + + + *Procedure bij toepasselijkheid van artikel 9, derde lid, RWN* + + + Een verzoeker die valt onder één van de artikelonderdelen van artikel 9, derde lid, RWN hoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen. In deze gevallen is de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit immers niet van toepassing. Met het oog op een eventueel automatisch verlies van de oorspronkelijke nationaliteit bij naturalisatie tot Nederlander of met het oog op eventuele consequenties van een dubbele nationaliteit (dit kan voor- en nadelen hebben), verdient het aanbeveling dat verzoeker reeds in de voorlichtingsfase door de Gouverneur wordt verwezen naar de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit (hetzij direct, hetzij door tussenkomst van de ambassade of het consulaat) of naar de voor hem geëigende organisaties voor minderheden voor het verkrijgen van informatie hieromtrent. + + + Ingevolge onderdeel c van dit artikellid geldt de afstandsverplichting niet voor een verzoeker die is gehuwd met een Nederlander. Ook de in Curaçao of Sint Maarten woonachtige verzoeker om naturalisatie die in Nederland een geregistreerd partnerschap met een Nederlander is aangegaan kan een beroep doen op deze uitzondering. Betreft het een buiten Nederland geregistreerd partnerschap tussen een Nederlander en een in Curaçao of Sint Maarten woonachtige vreemdeling/verzoeker om naturalisatie en dat kan worden erkend op grond van de artikelen 2 en 3 van de WCGP dan staat eveneens beroep op deze uitzonderingsgrond open. + Indien twee met elkaar gehuwde personen of twee geregistreerde partners als hierboven bedoeld beiden een verzoek om naturalisatie hebben ingediend, dient zoveel mogelijk tegelijkertijd op de verzoeken te worden beslist. Het is niet de bedoeling dat een van de (huwelijks)partners eerder wordt genaturaliseerd, waarna de ander geen afstand meer behoeft te doen op grond van het feit dat hij of zij de (huwelijks)partner is van een Nederlander. + Personen die afstand moeten doen en die ná de totstandkoming van de naturalisatie huwen met een Nederlander of een geregistreerd partnerschap (zie artikel 1, tweede lid, RWN) aangaan, kunnen evenmin met succes een beroep doen op onderdeel c. Uit de tekst volgt immers dat het moet gaan om een persoon die bij het indienen van het verzoek reeds ‘is’ gehuwd met een Nederlander. + +20101922901-12-201018-11-2010WBN-CM2010/320101922901-12-201018-11-2010WBN-CM2010/302-12-201010-10-2010Geldt alleen voor verzoeken om +naturalisatie die zijn ingediend op of na 1 oktober +2010. ### 9-4. Toelichting ad @@ -5295,6 +5379,8 @@ Tegen een afwijzende beslissing op een verzoek om naturalisatie met toepassing v ## 11 +*Verwijzingen* + RWN: artikelen 1.1c; 1.1d; 1.1g; 1.1h; 2.2 t/m 4; 3.1; 7; 8.1c; 8.2; 9.1a; 9.1c; 9.2; 10; 13 en 14.1 BOT: artikel 3 @@ -5305,7 +5391,7 @@ Awb: artikel 4:5.1 BWNA: artikelen 1:233 en 1:253ha -Geen. +Tot 1 oktober 2010 gold voor de minderjarige die op grond van artikel 11, derde lid, RWN mee-naturaliseerde geen plicht tot het ondertekenen van een bereidverklaring. Ook de verklaring van verbondenheid hoefde niet te worden afgelegd. Bij alle verzoeken ex artikel 11, derde lid, die op of na 1 oktober 2010 worden ingediend geldt dat de bereidverklaring moet worden ondertekend en de verklaring van verbondenheid moet worden afgelegd, tenzij betrokkene is vrijgesteld (zie overgangsbepaling artikel II, lid 2a, RRWN (Stb. 2010, 242). ### 11-alg. Toelichting Algemeen @@ -5349,81 +5435,21 @@ Deze bepaling regelt onder welke voorwaarden een verzoek om medeverlening voor e Een kind jonger dan twaalf jaar wordt niet in de gelegenheid gesteld een zienswijze omtrent de medeverlening naar voren te brengen. Een kind van twaalf tot zestien jaar *kan*, indien het kind daar om vraagt, een zienswijze hieromtrent naar voren brengen (zie de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN). -Het verzoek om medeverlening voor een kind jonger dan zestien jaar wordt ingewilligd, indien het ‘sedert het tijdstip van het verzoek (...) toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf heeft’. Gelet op deze bewoordingen moet worden aangetoond dat het kind vanaf het moment van indiening van het verzoek tot en met het moment van de beslissing op het verzoek een verblijfsrecht heeft dat naar zijn aard niet-tijdelijk is (zie ook de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN). Het is niet de bedoeling dat een verzoek om medeverlening reeds wordt ingediend op een moment dat het kind nog niet in het bezit is van een verblijfsvergunning van niet-tijdelijke aard, in de verwachting dat het kind een dergelijke verblijfsvergunning (spoedig) zal verkrijgen. In dat geval zal de ouder worden geadviseerd om te wachten met indiening totdat wel aan deze voorwaarde is voldaan. Staat de ouder niettemin op indiening van het verzoek om medeverlening, dan dient de Gouverneur het verzoek in ontvangst te nemen. Op het advies aan de IND wordt aangegeven dat het gevraagde verblijfsdocument niet is overgelegd. In dat geval wordt het verzoek afgewezen. +Het verzoek om medeverlening voor een kind jonger dan zestien jaar wordt ingewilligd, indien het “sedert het tijdstip van het verzoek (...) toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf heeft”. Gelet op deze bewoordingen moet worden aangetoond dat het kind vanaf het moment van indiening van het verzoek tot en met het moment van de beslissing op het verzoek een verblijfsrecht heeft dat naar zijn aard niet-tijdelijk is (zie ook de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN). Het is niet de bedoeling dat een verzoek om medeverlening al wordt ingediend op een moment dat het kind nog niet in het bezit is van een verblijfsvergunning van niet-tijdelijke aard, in de verwachting dat het kind een dergelijke verblijfsvergunning (spoedig) zal verkrijgen. In dat geval zal de ouder worden geadviseerd om te wachten met indiening totdat wel aan deze voorwaarde is voldaan. Staat de ouder niettemin op indiening van het verzoek om medeverlening, dan dient de Gouverneur het verzoek in ontvangst te nemen. Op het advies aan de IND wordt aangegeven dat het gevraagde verblijfsdocument niet is overgelegd. In dat geval wordt het verzoek afgewezen. Als bij het nemen van die beslissing blijkt (aan de hand van een overgelegd verblijfsdocument) dat aan het kind met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning van niet-tijdelijke aard is verleend en de ingangsdatum van die vergunning is gelegen op of vóór de datum van indiening van het verzoek om naturalisatie, dan wordt – achteraf bezien – alsnog aan de betreffende voorwaarde voldaan. Voorts moet het kind vanaf het moment van indiening van het verzoek tot en met het moment van de beslissing op het verzoek hoofdverblijf in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba hebben (zie ook de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN). -Uit de tekst van de onderhavige bepaling (en ook artikel 11, derde lid, RWN) vloeit voort dat bij kinderen die ten tijde van het indienen van het verzoek om medeverlening jonger dan zestien jaar zijn, maar tijdens de procedure zestien jaar worden, nog steeds alleen de vereisten van het tweede lid gelden. Voor deze kinderen gelden niet de zwaardere vereisten van het derde lid (drie jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek toelating en hoofdverblijf, afwijzingsgronden als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN en artikel 9, tweede lid, RWN)60 In artikel 11, derde lid, RWN is bepaald dat het gaat om ‘‘een kind dat ten tijde van het verzoek de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt’’. Alleen voor dat kind zijn de zwaardere vereisten van artikel 11, derde lid, RWN van toepassing.. Voor deze kinderen geldt evenmin dat zij in persoon moeten verklaren in te stemmen met de medeverlening. Indien het kind echter al vóór het bereiken van de zestienjarige leeftijd een zienswijze omtrent de medeverlening van het Nederlanderschap naar voren heeft gebracht en het kind daarbij te kennen heeft gegeven geen prijs te stellen op medeverlening, dan zal het kind niet worden meegenaturaliseerd (tenzij het zestienjarige kind op eigen initiatief alsnog een andere zienswijze geeft). +Uit de tekst van de onderhavige bepaling (en ook artikel 11, derde lid, RWN) vloeit voort dat bij kinderen die ten tijde van het indienen van het verzoek om medeverlening jonger dan zestien jaar zijn, maar tijdens de procedure zestien jaar worden, nog steeds alleen de vereisten van het tweede lid gelden. Voor deze kinderen gelden niet de zwaardere vereisten van het derde lid (drie jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek toelating en hoofdverblijf, afwijzingsgronden als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN en artikel 9, tweede lid, RWN)3In artikel 11, derde lid, RWN is bepaald dat het gaat om ‘‘een kind dat ten tijde van het verzoek de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt’’. Alleen voor dat kind zijn de zwaardere vereisten van artikel 11, derde lid, RWN van toepassing.. Voor deze kinderen geldt evenmin dat zij in persoon moeten verklaren in te stemmen met de medeverlening. Indien het kind echter al vóór het bereiken van de zestienjarige leeftijd een zienswijze omtrent de medeverlening van het Nederlanderschap naar voren heeft gebracht en het kind daarbij te kennen heeft gegeven geen prijs te stellen op medeverlening, dan zal het kind niet worden meegenaturaliseerd (tenzij het zestienjarige kind op eigen initiatief alsnog een andere zienswijze geeft). In het uitzonderlijke geval dat het kind bij het indienen van het verzoek om medeverlening jonger dan zestien jaar is, maar tijdens de behandeling meerderjarig wordt, is artikel 11, vijfde lid, RWN van toepassing. In die situatie geldt de hoofdregel dat meerderjarigen slechts zelfstandig genaturaliseerd kunnen worden en dat van delen in de verlening van het Nederlanderschap van de ouder(s) geen sprake meer kan zijn. ### 11-3. Toelichting ad -**Een verzoek van de vader of moeder tot medeverlening van het Nederlanderschap aan een kind dat ten tijde van het verzoek de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt wordt ingewilligd indien het kind in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf, en sedert het tijdstip van het verzoek, toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf heeft en op hem geen van de afwijzingsgronden van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, met inbegrip van het tweede lid van dat artikel, van toepassing is. Het verkrijgt het Nederlanderschap slechts indien het daarmee uitdrukkelijk instemt.** +**Een verzoek van de vader of moeder tot medeverlening van het Nederlanderschap aan een kind dat ten tijde van het verzoek de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt wordt ingewilligd indien het kind in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf en, sedert het tijdstip van het verzoek, toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf heeft. Het Nederlanderschap wordt slechts verleend indien het kind daarmee uitdrukkelijk instemt, hij bereid is bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen en op hem geen van de afwijzingsgronden van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, met inbegrip van het tweede lid van dat artikel, van toepassing is. Het besluit tot verlening wordt niet bekend gemaakt dan nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd.** -In deze bepaling is tot uitdrukking gebracht dat oudere minderjarigen in het Nederlandse en Nederlands-Antilliaans recht in toenemende mate een bijzondere rechtspositie verkrijgen. Deze positie rechtvaardigt een eigen naturalisatieregeling. - -Anders dan bij een kind jonger dan zestien jaar (dat nog leerplichtig is en om die reden sneller ingeburgerd zal geraken), is in dit artikellid bepaald dat het kind dat ten tijde van het verzoek zestien jaar of ouder is in aanmerking kan komen voor medeverlening indien hij “een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf” in het Koninkrijk heeft. Ook bij medeverlening is hierbij de achterliggende gedachte dat in het kader van het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit een persoon pas rechten behoort op te kunnen bouwen, nadat de overheid heeft ingestemd met zijn bestendig verblijf in het Koninkrijk. Ingevolge onderhavig artikellid moet het kind derhalve gedurende een ononderbroken periode van drie jaren vóór de indiening van het verzoek zijn toegelaten zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN én moet hij drie jaren voor de indiening van het verzoek hoofdverblijf in het Koninkrijk hebben, zoals bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN. Deze periode van toelating kan blijken uit het verblijfsdocument van het kind en de gegevens in het NAVAS-overzicht. Een BOT-bericht wordt alleen verlangd in het geval uit de ingeleverde verblijfsdocumenten en NAVAS-overzicht geen duidelijk beeld gevormd kan worden van het verblijf van betrokkene binnen Curaçao en Sint Maarten. - -Verzoeken om medeverlening voor kinderen die bij het indienen van het verzoek van de ouder zestien jaar of ouder zijn, worden afgewezen indien er op grond van hun gedrag ernstige vermoedens bestaan dat zij een gevaar opleveren voor de openbare orde als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN en artikel 9, tweede lid, RWN. Bij deze groep kinderen wordt op dezelfde wijze als bij meerderjarige verzoekers beoordeeld of er openbare orde aspecten zijn op grond waarvan het verzoek moet worden afgewezen. In het kader van het onderzoek worden voor deze kinderen door de Gouverneur bij de Justitiële documentatie (JD) en de korpschef de vereiste gegevens opgevraagd (zie de toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN). - -Minderjarigen van zestien jaar en ouder kunnen geacht worden voldoende inzicht te hebben om zelf te kunnen beslissen over de vraag of ze de Nederlandse nationaliteit willen verkrijgen. Om die reden is in dit artikellid opgenomen dat een kind, dat ten tijde van het verzoek om medeverlening van het Nederlanderschap zestien jaar of ouder is, het Nederlanderschap alleen zal verkrijgen indien het daar uitdrukkelijk mee instemt. Ingevolge artikel 31, derde lid, BVVN moet deze verklaring voldoen aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 3 BVVN. Dit betekent dat het kind in beginsel in persoon bij de Gouverneur moet verschijnen om de instemmingsverklaring af te leggen (zie verder de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN)28 Op grond van artikel 3, tweede lid, BVVN kan vanwege zwaarwegende redenen van het kind van de verschijning in persoon worden afgezien (zie ook de toelichting bij artikel 2, tweede lid, RWN). In dat geval kan de instemmingsverklaring worden afgelegd en worden ondertekend door een daartoe schriftelijk gemachtigde of de wettelijk vertegenwoordiger.. De verklaring moet op schrift worden gesteld en door het kind worden ondertekend. - -Uit de tekst artikel 11, derde lid, RWN vloeit voort dat de vereisten van het in persoon een instemmingsverklaring afleggen niet geldt voor een kind dat bij het indienen van het verzoek om medeverlening jonger dan zestien jaar is, maar gedurende de behandeling van het verzoek zestien jaar wordt. Indien dit kind echter al vóór het bereiken van de zestienjarige leeftijd een zienswijze omtrent de medeverlening van het Nederlanderschap naar voren heeft gebracht en het kind heeft daarbij te kennen gegeven geen prijs te stellen op medeverlening, dan zal het kind niet worden meegenaturaliseerd (tenzij het zestienjarige kind op eigen initiatief alsnog een andere zienswijze geeft). - -Op grond van artikel 2, derde lid, RWN moeten verklaringen van minderjarigen betreffende de nationaliteit worden afgelegd door hun wettelijk vertegenwoordiger. Deze vertegenwoordigingsplicht geldt echter niet voor minderjarigen vanaf twaalf jaar bij het naar voren brengen van een zienswijze omtrent de verlening of medeverlening van het Nederlanderschap op grond van artikel 2, vierde lid, RWN. Die vertegenwoordigingsplicht geldt evenmin voor minderjarigen vanaf zestien jaar die op grond van het onderhavige derde lid uitdrukkelijk moeten verklaren in te stemmen met de medeverlening. Het gaat er bij het geven van bedoelde zienswijze of instemmingsverklaring immers om dat de minderjarige zijn eigen mening kenbaar maakt (zie ook de toelichting bij artikel 2, derde lid, RWN). - -Voor de duidelijkheid worden hieronder de vereisten genoemd, waaraan moet zijn voldaan als het een verzoek om medeverlening betreft voor een kind dat ten tijde van indiening van dat verzoek zestien jaar of ouder is: - -• het kind heeft een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het indienen van het verzoek toelating als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN; -• het kind heeft een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het indienen van het verzoek hoofdverblijf in het Koninkrijk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN; -• het kind heeft in de periode van indiening van het verzoek tot en met het moment van beslissen op het verzoek toelating voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN; -• het kind heeft in de periode van indiening van het verzoek tot en met het moment van beslissen op het verzoek hoofdverblijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN; -• er zijn op grond van het gedrag van het kind geen ernstige vermoedens dat het kind een gevaar oplevert voor de openbare orde als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN en artikel 9, tweede lid, RWN; -• het kind heeft in een op schrift gestelde en ondertekende verklaring ingestemd met de medeverlening; -• deze instemmingsverklaring moet in beginsel in persoon door het kind worden afgelegd29Op grond van artikel 3, tweede lid, BVVN kan vanwege zwaarwegende redenen van het kind van de verschijning in persoon worden afgezien (zie ook de toelichting bij artikel 2, tweede lid, RWN). In dat geval kan de instemmingsverklaring worden afgelegd en worden ondertekend door een daartoe schriftelijk gemachtigde of de wettelijk vertegenwoordiger.. - -Ten aanzien van minderjarigen namens wie na 1 april 2003 een verzoek om mede-naturalisatie is ingediend, dat nog niet definitief is afgehandeld, en bij wie het geconstateerde gat in het vreemdelingrechtelijke verblijfsrecht geheel of gedeeltelijk is gelegen in de periode vóór 1 januari 2009, wordt als volgt gehandeld. - -In iedere zaak waarin bij de behandeling van een verzoek om mede-naturalisatie een gat in de verblijfsrechtelijke historie (dus een gat in de aanééngesloten verblijfsrechtelijke toelating) is geconstateerd door de bevoegde autoriteit in Curaçao en Sint Maarten dan wel door de IND in Nederland, zal de Gouverneur van het eilandgebied hier nader onderzoek naar laten doen. - -Van dit onderzoek wordt een onderzoeksverslag gemaakt, dat vergezeld gaat van documentatie die de conclusie van het onderzoek onderbouwt. - -Het onderzoeksverslag wordt bij het Bericht omtrent Toelating (BOT) gevoegd en getekend door de Gouverneur van het eilandgebied. - -Het onderzoeksverslag in combinatie met het BOT is doorslaggevend voor het vaststellen of gedurende de onderzochte periode sprake is geweest van onafgebroken ‘toelating’ (verblijfsrecht) in Curaçao en Sint Maarten. - -Het onderzoeksverslag zal één van de volgende drie conclusies bevatten: - -1. het gat in het verblijfsrecht is aantoonbaar te wijten aan de vreemdeling zelf en daarmee niet aanvaardbaar30De vreemdeling heeft bijvoorbeeld aantoonbaar door eigen schuld te laat een verlengingsverzoek ingediend.; dan wel -2. het gat in het verblijfsrecht is aantoonbaar verklaarbaar door de manier van administratieve afwikkeling van overheidszijde en daarmee aanvaardbaar31Onder deze categorie kan vallen: aantoonbaar niet-functioneren van het registratiesysteem in de gestelde periode, aantoonbaar onjuist invullen van het registratiesysteem in het individuele geval, etc.; dan wel -3. de oorzaak van het gat in het verblijfsrecht is onbekend, maar door de vreemdeling is aannemelijk gemaakt dat hij/zij gedurende het gestelde gat in het verblijfsrecht onafgebroken in Curaçao en Sint Maarten heeft verbleven, en daardoor is het gat in het verblijfsrecht aanvaardbaar. Tot deze conclusie kan enkel worden gekomen indien het gat in het verblijfsrecht niet te verklaren is met hetgeen onder 1 of 2 staat vermeld, en indien vervolgonderzoek is verricht door de bevoegde autoriteiten in Curaçao en Sint Maarten. Hierbij kunnen de volgende documenten van de vreemdeling worden gevraagd en van overheidszijde worden geverifieerd: - -– het reisdocument (met alle in- en uitreisstempels en/of visa over de te onderzoeken periode); -– het aanvraagformulier (verlenging) vergunning tot (tijdelijk) verblijf; -– de beslissing omtrent een aanvraag; -– het aanvraagformulier tewerkstellingsvergunning; -– de beslissing omtrent een aanvraag; -– belastingaanslagen; -– werkcontract en/of loonstrook; en/of -– afschriften bankrekening; -– etc. - -NB: Alleen een bewijs van inschrijving in de bevolkingsadministratie volstaat niet; dat geeft namelijk onvoldoende bewijs dat betrokkene inderdaad ‘aanwezig’ is geweest op het eiland. - -Deze regeling heeft geen betrekking op reeds onherroepelijk afgewezen zaken. Dit betekent dat in het geval van een reeds afgewezen verzoek om mede-naturalisatie, waartegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend, er geen recht bestaat op een heroverweging van de afgewezen zaak. - -Nog openstaande *eerste aanleg naturalisatiezaken* die al in Nederland liggen ter behandeling, worden door de bevoegde autoriteiten in Curaçao en Sint Maarten aangevuld (‘herstel verzuim’) met een onderzoeksverslag. De IND zal hierom in een voorkomend geval verzoeken. - -Bij nog openstaande *bezwaarzaken* tegen afgewezen verzoeken om mede-naturalisatie wordt door de IND aan de bevoegde autoriteiten in Curaçao en Sint Maarten om een onderzoek gevraagd. - -Ook in nog openstaande *beroepszaken* terzake van mede-naturalisatie wordt door de IND aan de bevoegde autoriteiten in Curaçao en Sint Maarten om een onderzoek gevraagd. Wanneer het onderzoek oplevert dat het verblijfsgat de vreemdeling niet is aan te rekenen, wordt de beslissing in bezwaar ingetrokken en wordt, indien aan de overige voorwaarden voor mede-naturalisatie wordt voldaan, het bezwaar gegrond verklaard. - -Een onderzoekverslag wordt – behoudens uitzonderingen – binnen twee maanden na het verzoek daartoe beschikbaar gesteld. - -Voor zaken waarin uitsluitend gaten in het verblijfsrecht voorkomen die gelegen zijn nà 1 januari 2009, geldt deze regeling niet. Voor deze datum is gekozen, omdat de verwachting gerechtvaardigd is dat vanaf deze datum de vreemdelingrechtelijke registratie in Curaçao en Sint Maarten consistent is. +In deze bepaling is tot uitdrukking gebracht dat oudere minderjarigen in het Nederlandse recht en het recht van Curaçao en Sint Maarten in toenemende mate een bijzondere rechtspositie verkrijgen. Deze positie rechtvaardigt een eigen naturalisatieregeling. #### 1 @@ -5441,9 +5467,17 @@ Verzoeken om medeverlening voor kinderen die bij het indienen van het verzoek va #### 4 -Minderjarigen van zestien jaar en ouder kunnen geacht worden voldoende inzicht te hebben om zelf te kunnen beslissen over de vraag of ze de Nederlandse nationaliteit willen verkrijgen. Om die reden is in dit artikellid opgenomen dat een kind, dat ten tijde van het verzoek om medeverlening van het Nederlanderschap zestien jaar of ouder is, het Nederlanderschap alleen zal verkrijgen indien het daar uitdrukkelijk mee instemt. Ingevolge artikel 31, derde lid, BVVN moet deze verklaring voldoen aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 3 BVVN. Dit betekent dat het kind in beginsel in persoon bij de Gouverneur moet verschijnen om de instemmingsverklaring af te leggen (zie verder de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN)4Op grond van artikel 3, tweede lid, BVVN kan vanwege zwaarwegende redenen van het kind van de verschijning in persoon worden afgezien (zie ook de toelichting bij artikel 2, tweede lid, RWN). In dat geval kan de instemmingsverklaring worden afgelegd en worden ondertekend door een daartoe schriftelijk gemachtigde of de wettelijk vertegenwoordiger.. De verklaring moet op schrift worden gesteld en door het kind worden ondertekend.Uit artikel 11, derde lid, RWN volgt dat de vereisten van het in persoon een instemmingsverklaring afleggen niet geldt voor een kind dat bij het indienen van het verzoek om medeverlening jonger dan zestien jaar is, maar gedurende de behandeling van het verzoek zestien jaar wordt. Indien dit kind echter al vóór het bereiken van de zestienjarige leeftijd een zienswijze omtrent de medeverlening van het Nederlanderschap naar voren heeft gebracht en het kind heeft daarbij te kennen gegeven geen prijs te stellen op medeverlening, dan zal het kind niet worden meegenaturaliseerd (tenzij het zestienjarige kind op eigen initiatief alsnog een andere zienswijze geeft).Op grond van artikel 2, derde lid, RWN moeten verklaringen van minderjarigen betreffende de nationaliteit worden afgelegd door hun wettelijk vertegenwoordiger. Deze vertegenwoordigingsplicht geldt echter niet voor minderjarigen vanaf twaalf jaar bij het naar voren brengen van een zienswijze omtrent de verlening of medeverlening van het Nederlanderschap op grond van artikel 2, vierde lid, RWN. Die vertegenwoordigingsplicht geldt evenmin voor minderjarigen vanaf zestien jaar die op grond van het onderhavige derde lid uitdrukkelijk moeten verklaren in te stemmen met de medeverlening. Het gaat er bij het geven van bedoelde zienswijze of instemmingsverklaring immers om dat de minderjarige zijn eigen mening kenbaar maakt (zie ook de toelichting bij artikel 2, derde lid, RWN).20101922901-12-201018-11-2010WBN-CM2010/320101922901-12-201018-11-2010WBN-CM2010/302-12-201010-10-2010Geldt alleen voor verzoeken om +Minderjarigen van zestien jaar en ouder kunnen geacht worden voldoende inzicht te hebben om zelf te kunnen beslissen over de vraag of ze de Nederlandse nationaliteit willen verkrijgen. Om die reden is in dit artikellid opgenomen dat een kind, dat ten tijde van het verzoek om medeverlening van het Nederlanderschap zestien jaar of ouder is, het Nederlanderschap alleen zal verkrijgen indien het daar uitdrukkelijk mee instemt. Ingevolge artikel 31, derde lid, BVVN moet deze verklaring voldoen aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 3 BVVN. Dit betekent dat het kind in beginsel in persoon bij de Gouverneur moet verschijnen om de instemmingsverklaring af te leggen (zie verder de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN)4Op grond van artikel 3, tweede lid, BVVN kan vanwege zwaarwegende redenen van het kind van de verschijning in persoon worden afgezien (zie ook de toelichting bij artikel 2, tweede lid, RWN). In dat geval kan de instemmingsverklaring worden afgelegd en worden ondertekend door een daartoe schriftelijk gemachtigde of de wettelijk vertegenwoordiger.. De verklaring moet op schrift worden gesteld en door het kind worden ondertekend. + + + Uit artikel 11, derde lid, RWN volgt dat de vereisten van het in persoon een instemmingsverklaring afleggen niet geldt voor een kind dat bij het indienen van het verzoek om medeverlening jonger dan zestien jaar is, maar gedurende de behandeling van het verzoek zestien jaar wordt. Indien dit kind echter al vóór het bereiken van de zestienjarige leeftijd een zienswijze omtrent de medeverlening van het Nederlanderschap naar voren heeft gebracht en het kind heeft daarbij te kennen gegeven geen prijs te stellen op medeverlening, dan zal het kind niet worden meegenaturaliseerd (tenzij het zestienjarige kind op eigen initiatief alsnog een andere zienswijze geeft). + + + Op grond van artikel 2, derde lid, RWN moeten verklaringen van minderjarigen betreffende de nationaliteit worden afgelegd door hun wettelijk vertegenwoordiger. Deze vertegenwoordigingsplicht geldt echter niet voor minderjarigen vanaf twaalf jaar bij het naar voren brengen van een zienswijze omtrent de verlening of medeverlening van het Nederlanderschap op grond van artikel 2, vierde lid, RWN. Die vertegenwoordigingsplicht geldt evenmin voor minderjarigen vanaf zestien jaar die op grond van het onderhavige derde lid uitdrukkelijk moeten verklaren in te stemmen met de medeverlening. Het gaat er bij het geven van bedoelde zienswijze of instemmingsverklaring immers om dat de minderjarige zijn eigen mening kenbaar maakt (zie ook de toelichting bij artikel 2, derde lid, RWN). + +20101922901-12-201018-11-2010WBN-CM2010/320101922901-12-201018-11-2010WBN-CM2010/302-12-201010-10-2010Geldt alleen voor verzoeken om naturalisatie die zijn ingediend op of na 1 oktober -2010.10-10-2010Stcrt. 2010, 19229, datum inwerkingtreding 02-12-2010, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze tekst. Deze wijziging werkt terug tot 10-10-2010.De paragraaf is nieuw toegevoegd. +2010. #### 5 @@ -5461,101 +5495,103 @@ Voor de duidelijkheid worden hieronder de vereisten genoemd, waaraan moet zijn v #### 6 -Ten aanzien van minderjarigen namens wie na 1 april 2003 een verzoek om mede-naturalisatie is ingediend, dat nog niet definitief is afgehandeld, en bij wie het geconstateerde gat in het vreemdelingrechtelijke verblijfsrecht geheel of gedeeltelijk is gelegen in de periode vóór 1 januari 2009, wordt als volgt gehandeld.In iedere zaak waarin bij de behandeling van een verzoek om mede-naturalisatie een gat in de verblijfsrechtelijke historie (dus een gat in de aanééngesloten verblijfsrechtelijke toelating) is geconstateerd door de bevoegde autoriteit in Curaçao onderscheidenlijk in Sint Maarten dan wel door de IND in Nederland, zal de Gouverneur hier nader onderzoek naar laten doen.Van dit onderzoek wordt een onderzoeksverslag gemaakt, dat vergezeld gaat van documentatie die de conclusie van het onderzoek onderbouwt.Het onderzoeksverslag wordt bij het Bericht omtrent Toelating (BOT) gevoegd en getekend door de directeur van de met de uitvoering van de Landsverordening toelating en uitzetting belaste dienst.Het onderzoeksverslag in combinatie met het BOT is doorslaggevend voor het vaststellen of gedurende de onderzochte periode sprake is geweest van onafgebroken ‘toelating’ (verblijfsrecht) in Curaçao of in Sint Maarten.Vormgeving uitkomst onderzoeksverslagHet onderzoeksverslag zal één van de volgende drie conclusies bevatten:1.het gat in het verblijfsrecht is aantoonbaar te wijten aan de vreemdeling zelf en daarmee niet aanvaardbaar6De vreemdeling heeft bijvoorbeeld aantoonbaar door eigen schuld te laat een verlengingsverzoek ingediend.; dan wel2.het gat in het verblijfsrecht is aantoonbaar verklaarbaar door de manier van administratieve afwikkeling van overheidszijde en daarmee aanvaardbaar7Onder deze categorie kan vallen: aantoonbaar niet-functioneren van het registratiesysteem in de gestelde periode, aantoonbaar onjuist invullen van het registratiesysteem in het individuele geval, etc.; dan wel3.de oorzaak van het gat in het verblijfsrecht is onbekend, maar door de vreemdeling is aannemelijk gemaakt dat hij/zij gedurende het gestelde gat in het verblijfsrecht onafgebroken in Curaçao of Sint Maarten heeft verbleven, en daardoor is het gat in het verblijfsrecht aanvaardbaar. Tot deze conclusie kan enkel worden gekomen indien het gat in het verblijfsrecht niet te verklaren is met hetgeen onder 1 of 2 staat vermeld, en indien vervolgonderzoek is verricht door de bevoegde autoriteiten in Curaçao onderscheidenlijk in Curaçao onderscheidenlijk in Sint Maarten Sint Maarten. Hierbij kunnen de volgende documenten van de vreemdeling worden gevraagd en van overheidszijde worden geverifieerd:–het reisdocument (met alle in- en uitreisstempels en/of visa over de te onderzoeken periode);–het aanvraagformulier (verlenging) vergunning tot (tijdelijk) verblijf;–de beslissing omtrent een aanvraag;–het aanvraagformulier tewerkstellingsvergunning;–de beslissing omtrent een aanvraag;–belastingaanslagen;–werkcontract en/of loonstrook; en/of–afschriften bankrekening;–etc.NB: Alleen een bewijs van inschrijving in de bevolkingsadministratie volstaat niet; dat geeft namelijk onvoldoende bewijs dat betrokkene inderdaad ‘aanwezig’ is geweest op het eiland.Deze regeling heeft geen betrekking op reeds onherroepelijk afgewezen zaken. Dit betekent dat in het geval van een reeds afgewezen verzoek om mede-naturalisatie, waartegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend, er geen recht bestaat op een heroverweging van de afgewezen zaak.Nog openstaande *eerste aanleg naturalisatiezaken* die al in Nederland liggen ter behandeling, worden door de bevoegde autoriteiten in Curaçao onderscheidenlijk in Sint Maarten aangevuld (‘herstel verzuim’) met een onderzoeksverslag. De IND zal hierom in een voorkomend geval verzoeken.Bij nog openstaande *bezwaarzaken* tegen afgewezen verzoeken om mede-naturalisatie wordt door de IND aan de bevoegde autoriteiten in Curaçao onderscheidenlijk in Sint Maarten om een onderzoek gevraagd.Ook in nog openstaande *beroepszaken* terzake van mede-naturalisatie wordt door de IND aan de bevoegde autoriteiten in Curaçao onderscheidenlijk in Sint Maarten om een onderzoek gevraagd. Wanneer het onderzoek oplevert dat het verblijfsgat de vreemdeling niet is aan te rekenen, wordt de beslissing in bezwaar ingetrokken en wordt, indien aan de overige voorwaarden voor mede-naturalisatie wordt voldaan, het bezwaar gegrond verklaard.Een onderzoekverslag wordt – behoudens uitzonderingen – binnen twee maanden na het verzoek daartoe beschikbaar gesteld.Voor zaken waarin uitsluitend gaten in het verblijfsrecht voorkomen die gelegen zijn nà 1 januari 2009, geldt deze regeling niet. Voor deze datum is gekozen, omdat de verwachting gerechtvaardigd is dat vanaf deze datum de vreemdelingrechtelijke registratie in Curaçao en Sint Maarten consistent is.20101922901-12-201018-11-2010WBN-CM2010/320101922901-12-201018-11-2010WBN-CM2010/302-12-201010-10-2010Geldt alleen voor verzoeken om +Ten aanzien van minderjarigen namens wie na 1 april 2003 een verzoek om mede-naturalisatie is ingediend, dat nog niet definitief is afgehandeld, en bij wie het geconstateerde gat in het vreemdelingrechtelijke verblijfsrecht geheel of gedeeltelijk is gelegen in de periode vóór 1 januari 2009, wordt als volgt gehandeld. + + + In iedere zaak waarin bij de behandeling van een verzoek om mede-naturalisatie een gat in de verblijfsrechtelijke historie (dus een gat in de aanééngesloten verblijfsrechtelijke toelating) is geconstateerd door de bevoegde autoriteit in Curaçao onderscheidenlijk in Sint Maarten dan wel door de IND in Nederland, zal de Gouverneur hier nader onderzoek naar laten doen. + + + Van dit onderzoek wordt een onderzoeksverslag gemaakt, dat vergezeld gaat van documentatie die de conclusie van het onderzoek onderbouwt. + + + Het onderzoeksverslag wordt bij het Bericht omtrent Toelating (BOT) gevoegd en getekend door de directeur van de met de uitvoering van de Landsverordening toelating en uitzetting belaste dienst. + + + Het onderzoeksverslag in combinatie met het BOT is doorslaggevend voor het vaststellen of gedurende de onderzochte periode sprake is geweest van onafgebroken ‘toelating’ (verblijfsrecht) in Curaçao of in Sint Maarten. + + Vormgeving uitkomst onderzoeksverslag + + Het onderzoeksverslag zal één van de volgende drie conclusies bevatten: + + + 1. + het gat in het verblijfsrecht is aantoonbaar te wijten aan de vreemdeling zelf en daarmee niet aanvaardbaar6De vreemdeling heeft bijvoorbeeld aantoonbaar door eigen schuld te laat een verlengingsverzoek ingediend.; dan wel + + + 2. + het gat in het verblijfsrecht is aantoonbaar verklaarbaar door de manier van administratieve afwikkeling van overheidszijde en daarmee aanvaardbaar7Onder deze categorie kan vallen: aantoonbaar niet-functioneren van het registratiesysteem in de gestelde periode, aantoonbaar onjuist invullen van het registratiesysteem in het individuele geval, etc.; dan wel + + + 3. + de oorzaak van het gat in het verblijfsrecht is onbekend, maar door de vreemdeling is aannemelijk gemaakt dat hij/zij gedurende het gestelde gat in het verblijfsrecht onafgebroken in Curaçao of Sint Maarten heeft verbleven, en daardoor is het gat in het verblijfsrecht aanvaardbaar. Tot deze conclusie kan enkel worden gekomen indien het gat in het verblijfsrecht niet te verklaren is met hetgeen onder 1 of 2 staat vermeld, en indien vervolgonderzoek is verricht door de bevoegde autoriteiten in Curaçao onderscheidenlijk in Curaçao onderscheidenlijk in Sint Maarten Sint Maarten. Hierbij kunnen de volgende documenten van de vreemdeling worden gevraagd en van overheidszijde worden geverifieerd: + + + – + het reisdocument (met alle in- en uitreisstempels en/of visa over de te onderzoeken periode); + + + – + het aanvraagformulier (verlenging) vergunning tot (tijdelijk) verblijf; + + + – + de beslissing omtrent een aanvraag; + + + – + het aanvraagformulier tewerkstellingsvergunning; + + + – + de beslissing omtrent een aanvraag; + + + – + belastingaanslagen; + + + – + werkcontract en/of loonstrook; en/of + + + – + afschriften bankrekening; + + + – + etc. + + + NB: Alleen een bewijs van inschrijving in de bevolkingsadministratie volstaat niet; dat geeft namelijk onvoldoende bewijs dat betrokkene inderdaad ‘aanwezig’ is geweest op het eiland. + + + + + Deze regeling heeft geen betrekking op reeds onherroepelijk afgewezen zaken. Dit betekent dat in het geval van een reeds afgewezen verzoek om mede-naturalisatie, waartegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend, er geen recht bestaat op een heroverweging van de afgewezen zaak. + + + Nog openstaande *eerste aanleg naturalisatiezaken* die al in Nederland liggen ter behandeling, worden door de bevoegde autoriteiten in Curaçao onderscheidenlijk in Sint Maarten aangevuld (‘herstel verzuim’) met een onderzoeksverslag. De IND zal hierom in een voorkomend geval verzoeken. + + + Bij nog openstaande *bezwaarzaken* tegen afgewezen verzoeken om mede-naturalisatie wordt door de IND aan de bevoegde autoriteiten in Curaçao onderscheidenlijk in Sint Maarten om een onderzoek gevraagd. + + + Ook in nog openstaande *beroepszaken* terzake van mede-naturalisatie wordt door de IND aan de bevoegde autoriteiten in Curaçao onderscheidenlijk in Sint Maarten om een onderzoek gevraagd. Wanneer het onderzoek oplevert dat het verblijfsgat de vreemdeling niet is aan te rekenen, wordt de beslissing in bezwaar ingetrokken en wordt, indien aan de overige voorwaarden voor mede-naturalisatie wordt voldaan, het bezwaar gegrond verklaard. + + + Een onderzoekverslag wordt – behoudens uitzonderingen – binnen twee maanden na het verzoek daartoe beschikbaar gesteld. + + + Voor zaken waarin uitsluitend gaten in het verblijfsrecht voorkomen die gelegen zijn nà 1 januari 2009, geldt deze regeling niet. Voor deze datum is gekozen, omdat de verwachting gerechtvaardigd is dat vanaf deze datum de vreemdelingrechtelijke registratie in Curaçao en Sint Maarten consistent is. + +20101922901-12-201018-11-2010WBN-CM2010/320101922901-12-201018-11-2010WBN-CM2010/302-12-201010-10-2010Geldt alleen voor verzoeken om naturalisatie die zijn ingediend op of na 1 oktober -2010.10-10-2010Stcrt. 2010, 19229, datum inwerkingtreding 02-12-2010, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze tekst. Deze wijziging werkt terug tot 10-10-2010.De paragraaf is nieuw toegevoegd. +2010. ### 11-4. Toelichting ad **Aan het minderjarige niet-Nederlandse kind van een vader of moeder die het Nederlanderschap door optie verkregen heeft of aan wie dat is verleend, dat in deze verkrijging of verlening niet deelde, wordt op zijn verzoek het Nederlanderschap verleend, indien het een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf, en sedert het tijdstip van het verzoek, toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft. De termijn van toelating en hoofdverblijf is niet van toepassing op het kind dat geboren is nadat zijn ouder de verklaring bedoeld in artikel 6, eerste lid, of het verzoek, bedoeld in artikel 7, eerste lid, heeft ingediend. Aan een kind dat ten tijde van het verzoek de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, wordt het Nederlanderschap slechts verleend, indien het daarmee uitdrukkelijk instemt, hij bereid is bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen en op hem geen van de afwijzingsgronden van artikel 9, aanhef en onder a, met inbegrip van het tweede lid van dat artikel, van toepassing is. Het besluit tot verlening wordt niet bekend gemaakt dan nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd.** -Vóór 1 april 2003 kon een kind dat om enigerlei reden niet had gedeeld in de verkrijging door optie of de verlening van het Nederlanderschap door de ouder met toepassing van artikel 10 RWN worden voorgedragen voor naturalisatie (de zogenaamde na-naturalisatie). Sedert 1 april 2003 heeft dit kind op grond van artikel 11, vierde lid, RWN de mogelijkheid om zelfstandig een verzoek in te dienen. De huidige procedure is eenvoudiger – er is geen advies van de Raad van State vereist – en het inburgeringsvereiste, dat voor 1 april 2003 wel gold bij na-naturalisatie, wordt niet meer gesteld. - -Het verzoek om naturalisatie op grond van het vierde lid zal ingevolge artikel 2, derde lid, RWN moeten worden ingediend door de wettelijk vertegenwoordiger van het kind. Ook de andere leden van artikel 2 RWN zijn van toepassing. - -Ingevolge het onderhavige artikellid dient het kind in beginsel, ook als het jonger is dan 16 jaar, “een onafgebroken periode van tenminste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf” in het Koninkrijk te hebben (zie de toelichting bij artikel 11, derde lid, RWN). Hiermee wordt bevorderd dat het kind een zekere mate van inburgering heeft verkregen. - -De periode van drie jaar toelating en hoofdverblijf is niet van toepassing op een kind dat ‘niet deelde’, omdat het geboren is in de periode tussen het afleggen van een optieverklaring of het indienen van een verzoek om naturalisatie door de ouder én de daadwerkelijke verkrijging van het Nederlanderschap door de ouder. In die situatie zal het pasgeboren kind niet hebben kunnen delen in de verkrijging van of verlening van het Nederlanderschap aan de ouder, omdat het ten tijde van het afleggen van die verklaring of het indienen van het verzoek nog niet was geboren en derhalve niet was vermeld in de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie van de ouder (vergelijk artikel 6, tweede lid, BVVN en artikel 31, tweede lid, BVVN)32 Ten tijde van het afleggen van de optie of het indienen van het verzoek was het kind nog niet geboren en kón dus ook niet worden voldaan aan het vereiste dat het kind sedert dat tijdstip “toelating en hoofdverblijf voor onbepaalde tijd” heeft. Het tijdstip van het afleggen van de optie of het indienen van het verzoek is in dit ver band dus bepalend. Om die reden is het niet mogelijk om het na het bedoelde tijdstip geboren kind nog vóór de verkrijging van het Nederlanderschap van de ouder mee te nemen in de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie van de ouder.. - -Ten behoeve van en namens een dergelijk kind kan op grond van onderhavig artikellid tijdens de procedure van de ouder een zelfstandig naturalisatieverzoek worden ingediend. In artikel 11, vierde lid, RWN is geregeld dat kinderen die tijdens de optie- of naturalisatieprocedure van hun ouder(s) worden geboren op een vereenvoudigde manier zelf het Nederlanderschap kunnen verkrijgen. Uit het artikellid volgt wel dat het kind dat geboren wordt tijdens de optie- of naturalisatieprocedure van de ouder, pas voor verlening van het Nederlanderschap in aanmerking komt, nadat de ouder Nederlander is geworden. Hieruit volgt echter niet dat een naturalisatieverzoek ten behoeven van het kind pas zou mogen worden ingediend nadat de ouder Nederlander is geworden. Om de procedure van het kind te bespoedigen mag een verzoek ten behoeve van dat kind dan ook reeds tijdens de optie- of naturalisatieprocedure van de ouder worden ingediend. Dit verzoek wordt op de gebruikelijk wijze behandeld, hetgeen betekent dat het verzoek aan de hierna te noemen voorwaarden moet voldoen. - -Ter verduidelijking: in deze situatie heeft het kind niet bij geboorte het Nederlanderschap verkregen op grond van artikel 3, eerste lid, RWN, omdat de ouder op het moment van de geboorte nog niet de Nederlandse nationaliteit bezat. - -Voor het kind als bedoeld in onderhavig artikellid geldt (ongeacht zijn leeftijd of het tijdstip van geboorte) dat het “sedert het tijdstip van het verzoek, toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf” in het Koninkrijk moet hebben. Aangetoond moet worden dat het kind vanaf het moment van indiening van het verzoek tot en met het moment van de beslissing op het verzoek een verblijfsrecht heeft dat naar zijn aard niet-tijdelijk is (zie ook de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN). Het is niet de bedoeling dat het verzoek om naturalisatie reeds wordt ingediend op een moment dat het kind nog niet in het bezit is van een verblijfsvergunning van niet-tijdelijke aard, in de verwachting dat het kind een dergelijke verblijfsvergunning (spoedig) zal verkrijgen. In dat geval zal de wettelijk vertegenwoordiger die het verzoek namens het kind indient, worden geadviseerd te wachten met indiening totdat wel aan deze voorwaarde is voldaan. Staat de wettelijk vertegenwoordiger niettemin op indiening van het verzoek, dan dient de Gouverneur het verzoek in ontvangst te nemen. Op het advies aan de IND wordt duidelijk aangegeven dat het gevraagde verblijfsdocument niet is overgelegd. In dat geval kan het verzoek om naturalisatie met inachtneming van het bepaalde in artikel 4:5 Awb door de Minister van Justitie in Nederland buiten behandeling worden gesteld dan wel – indien de in artikel 4:5 Awb gestelde termijnen niet zijn gehaald – worden afgewezen. In dat laatste geval zal een inhoudelijke beslissing moeten worden genomen op het verzoek. Als aan de hand van een overgelegd verblijfsdocument bij het nemen van die beslissing blijkt dat aan het kind met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning van niet-tijdelijke aard is verleend en de ingangsdatum van die vergunning is gelegen vóór de datum van indiening van het verzoek om naturalisatie, dan wordt – achteraf bezien – alsnog aan de betreffende voorwaarde voldaan. - -Voorts moet het kind vanaf het moment van indiening van het verzoek tot en met het moment van de beslissing op het verzoek hoofdverblijf in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba hebben (zie ook de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN). - -Ingevolge onderhavig artikellid dient het kind dat ten tijde van de indiening van het verzoek zestien jaar of ouder is uitdrukkelijk in te stemmen met de verkrijging van het Nederlanderschap. Deze instemmingsverklaring moet aan dezelfde vereisten voldoen als de instemmingsverklaring bij medeverlening op grond artikel 11, derde lid, RWN. Zo moet het kind hiervoor in beginsel in persoon bij de Gouverneur verschijnen om de instemmingsverklaring af te leggen, moet de verklaring op schrift worden gesteld en moet de verklaring door het kind worden ondertekend (zie de toelichting bij het derde lid)33 Ingevolge artikel 31, derde lid, BVVN geldt voor medeverlening dat de instemmingsverklaring van een kind van zestien jaar of ouder aan de in artikel 3 BVVN gestelde voorwaarden moet voldoen. Hoewel de tekst van artikel 31, derde lid, BVVN daar niet toe dwingt, zijn de bepalingen van artikel 3 BVVN van overeenkomstige toepassing op de instemmingsverklaring als bedoeld artikel 11, vierde lid, RWN.. Uit de tekst van dit artikellid vloeit voort dat het vereiste van het afleggen van een instemmingsverklaring niet geldt voor een kind dat bij het indienen van het verzoek om naturalisatie door zijn wettelijk vertegenwoordiger jonger dan zestien jaar is, maar gedurende de behandeling van het verzoek zestien jaar wordt. - -Ingevolge onderhavig artikellid moet het kind dat ten tijde van de indiening van het verzoek zestien jaar of ouder is, zich bij de indiening bereid verklaren de verklaring van verbondenheid af te leggen (model 2.30). Vervolgens zal het kind dat de bereidverklaring afgegeven heeft, tijdens de naturalisatieceremonie, de verklaring van verbondenheid moeten afleggen voordat hem het uittreksel van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap kan worden uitgereikt. Het vereiste tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid geldt niet voor een kind dat bij het indienen van het verzoek om naturalisatie jonger dan zestien jaar is, maar gedurende de behandeling van het verzoek zestien jaar wordt (zie de toelichting bij de artikelen 6, 7 en 8 RWN). - -Als een kind bij het indienen van het verzoek op grond van het vierde lid zestien jaar of ouder is, wordt het verzoek afgewezen, indien er op grond van zijn gedrag ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN en artikel 9, tweede lid, RWN. Bij dit kind wordt op dezelfde wijze als bij een meerderjarige verzoeker beoordeeld of er openbare orde aspecten zijn op grond waarvan het verzoek moet worden afgewezen. In het kader van het onderzoek worden voor het kind door de Gouverneur bij het OM en de korpschef de vereiste gegevens opgevraagd (zie de toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN). - -Gelet op de tekst van het onderhavige artikellid bestaat er een verdeling naar leeftijd waarbij verschillende voorwaarden gelden. - -Voor een kind geboren in de periode tussen de optieverklaring/verzoek om naturalisatie van de ouder én de verkrijging van het Nederlanderschap door de ouder is het volgende vereist: - -• vanaf het moment van indiening van het verzoek tot en met het moment van beslissen op het verzoek heeft het kind toelating voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN; -• vanaf het moment van indiening van het verzoek tot en met het moment van beslissen op het verzoek heeft het kind hoofdverblijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN. - -Voor een kind dat ten tijde van het indienen van het verzoek jonger is dan zestien jaar is het volgende vereist: - -• het kind heeft een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het indienen van het verzoek toelating als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN; -• het kind heeft een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het indienen van het verzoek hoofdverblijf in het Koninkrijk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN; -• het kind heeft in de periode van indiening van het verzoek tot en met het moment van beslissen op het verzoek toelating voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN; -• het kind heeft in de periode van indiening van het verzoek tot en met het moment van beslissen op het verzoek hoofdverblijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN. - -Voor een kind dat ten tijde van het indienen van het verzoek de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, is het volgende vereist: - -• het kind heeft een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het indienen van het verzoek toelating als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN; -• het kind heeft een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het indienen van het verzoek hoofdverblijf in het Koninkrijk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN; -• het kind heeft in de periode van indiening van het verzoek tot en met het moment van beslissen op het verzoek toelating voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN; -• het kind heeft in de periode van indiening van het verzoek tot en met het moment van beslissen op het verzoek hoofdverblijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN; -• er zijn op grond van het gedrag van het kind geen ernstige vermoedens dat het kind een gevaar oplevert voor de openbare orde als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN en artikel 9, tweede lid, RWN; -• het kind heeft in een op schrift gestelde en ondertekende verklaring ingestemd met de naturalisatie; -• het kind heeft zich bereid verklaard bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen; -• de hiervoor bedoelde verklaringen zijn in persoon door het kind afgelegd. - -Ten aanzien van minderjarigen namens wie na 1 april 2003 een verzoek om na-naturalisatie is ingediend, dat nog niet definitief is afgehandeld, en bij wie het geconstateerde gat in het vreemdelingrechtelijke verblijfsrecht geheel of gedeeltelijk is gelegen in de periode vóór 1 januari 2009, wordt als volgt gehandeld. - -In iedere zaak waarin bij de behandeling van een verzoek om na-naturalisatie een gat in de verblijfsrechtelijke historie (dus een gat in de aanééngesloten verblijfsrechtelijke toelating) is geconstateerd door de bevoegde autoriteit in Curaçao en Sint Maarten dan wel door de IND in Nederland, zal de Gouverneur van het eilandgebied hier nader onderzoek naar laten doen. - -Van dit onderzoek wordt een onderzoeksverslag gemaakt, dat vergezeld gaat van documentatie die de conclusie van het onderzoek onderbouwt. - -Het onderzoeksverslag wordt bij het Bericht omtrent Toelating (BOT) gevoegd en getekend door de Gouverneur van het eilandgebied. - -Het onderzoeksverslag in combinatie met het BOT is doorslaggevend voor het vaststellen of gedurende de onderzochte periode sprake is geweest van onafgebroken ‘toelating’ (verblijfsrecht) in Curaçao en Sint Maarten. - -Het onderzoeksverslag zal één van de volgende drie conclusies bevatten: - -1. het gat in het verblijfsrecht is aantoonbaar te wijten aan de vreemdeling zelf en daarmee niet aanvaardbaar34De vreemdeling heeft bijvoorbeeld aantoonbaar door eigen schuld te laat een verlengingsverzoek ingediend.; dan wel -2. het gat in het verblijfsrecht is aantoonbaar verklaarbaar door de manier van administratieve afwikkeling van overheidszijde en daarmee aanvaardbaar35Onder deze categorie kan vallen: aantoonbaar niet-functioneren van het registratiesysteem in de gestelde periode, aantoonbaar onjuist invullen van het registratiesysteem in het individuele geval, etc.; dan wel -3. de oorzaak van het gat in het verblijfsrecht is onbekend, maar door de vreemdeling is aannemelijk gemaakt dat hij/zij gedurende het gestelde gat in het verblijfsrecht onafgebroken in Curaçao en Sint Maarten heeft verbleven, en daardoor is het gat in het verblijfsrecht aanvaardbaar. Tot deze conclusie kan enkel worden gekomen indien het gat in het verblijfsrecht niet te verklaren is met hetgeen onder 1 of 2 staat vermeld, en indien vervolgonderzoek is verricht door de bevoegde autoriteiten in Curaçao en Sint Maarten. Hierbij kunnen de volgende documenten van de vreemdeling worden gevraagd en van overheidszijde worden geverifieerd: - -– het reisdocument (met alle in- en uitreisstempels en/of visa over de te onderzoeken periode); -– het aanvraagformulier (verlenging) vergunning tot (tijdelijk) verblijf; -– de beslissing omtrent een aanvraag; -– het aanvraagformulier tewerkstellingsvergunning; -– de beslissing omtrent een aanvraag; -– belastingaanslagen; -– werkcontract en/of loonstrook; en/of -– afschriften bankrekening; -– etc. - -NB: Alleen een bewijs van inschrijving in de bevolkingsadministratie volstaat niet; dat geeft namelijk onvoldoende bewijs dat betrokkene inderdaad ‘aanwezig’ is geweest op het eiland. - -Deze regeling heeft geen betrekking op reeds onherroepelijk afgewezen zaken. Dit betekent dat in het geval van een reeds afgewezen verzoek om na-naturalisatie, waartegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend, er geen recht bestaat op een heroverweging van de afgewezen zaak. - -Nog openstaande *eerste aanleg na-naturalisatiezaken* die al in Nederland liggen ter behandeling, worden door de bevoegde autoriteiten in Curaçao en Sint Maarten aangevuld (‘herstel verzuim’) met een onderzoeksverslag. De IND zal hierom in een voorkomend geval verzoeken. - -Bij nog openstaande *bezwaarzaken* tegen afgewezen verzoeken om na-naturalisatie wordt door de IND aan de bevoegde autoriteiten in Curaçao en Sint Maarten om een onderzoek gevraagd. - -Ook in nog openstaande *beroepszaken* terzake van na-naturalisatie wordt door de IND aan de bevoegde autoriteiten in Curaçao en Sint Maarten om een onderzoek gevraagd. Wanneer het onderzoek oplevert dat het verblijfsgat de vreemdeling niet is aan te rekenen, wordt de beslissing in bezwaar ingetrokken en wordt, indien aan de overige voorwaarden voor na-naturalisatie wordt voldaan, het bezwaar gegrond verklaard. - -Een onderzoekverslag wordt – behoudens uitzonderingen – binnen twee maanden na het verzoek daartoe beschikbaar gesteld. - -Voor zaken waarin uitsluitend gaten in het verblijfsrecht voorkomen die gelegen zijn nà 1 januari 2009, geldt deze regeling niet. Voor deze datum is gekozen, omdat de verwachting gerechtvaardigd is dat vanaf deze datum de vreemdelingrechtelijke registratie in Curaçao en Sint Maarten consistent is. - #### 1 Een verzoek om naturalisatie op grond van dit artikellid zal ingevolge artikel 2, derde lid, RWN moeten worden ingediend door de wettelijk vertegenwoordiger van het kind. Ook de andere leden van artikel 2 RWN zijn van toepassing. @@ -5568,9 +5604,17 @@ Voorts moet het kind vanaf het moment van indiening van het verzoek tot en met h #### 3 -De periode van drie jaar toelating en hoofdverblijf is niet van toepassing op een kind dat ‘niet deelde’, omdat het geboren is in de periode tussen het afleggen van een optieverklaring of het indienen van een verzoek om naturalisatie door de ouder én de daadwerkelijke verkrijging van het Nederlanderschap door de ouder. In die situatie zal het pasgeboren kind niet hebben kunnen delen in de verkrijging van of verlening van het Nederlanderschap aan de ouder, omdat het ten tijde van het afleggen van die verklaring of het indienen van het verzoek nog niet was geboren en dus niet was vermeld in de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie van de ouder (vergelijk artikel 6, tweede lid, BVVN en artikel 31, tweede lid, BVVN)8Ten tijde van het afleggen van de optie of het indienen van het verzoek was het kind nog niet geboren en kón dus ook niet worden voldaan aan het vereiste dat het kind sedert dat tijdstip “toelating en hoofdverblijf voor onbepaalde tijd” heeft. Het tijdstip van het afleggen van de optie of het indienen van het verzoek is in dit ver band dus bepalend. Om die reden is het niet mogelijk om het na het bedoelde tijdstip geboren kind nog vóór de verkrijging van het Nederlanderschap van de ouder mee te nemen in de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie van de ouder..Ten behoeve van en namens een dergelijk kind kan op grond van onderhavig artikellid tijdens de procedure van de ouder een zelfstandig naturalisatieverzoek worden ingediend. In artikel 11, vierde lid, RWN is geregeld dat kinderen die tijdens de optie- of naturalisatieprocedure van hun ouder(s) worden geboren op een vereenvoudigde manier zelf het Nederlanderschap kunnen verkrijgen. Uit het artikellid volgt wel dat het kind dat geboren wordt tijdens de optie- of naturalisatieprocedure van de ouder, pas voor verlening van het Nederlanderschap in aanmerking komt, nadat de ouder Nederlander is geworden. Hieruit volgt echter niet dat een naturalisatieverzoek ten behoeve van het kind pas zou mogen worden ingediend nadat de ouder Nederlander is geworden. Om de procedure van het kind te bespoedigen mag een verzoek ten behoeve van dat kind dan ook al tijdens de optie- of naturalisatieprocedure van de ouder worden ingediend. Dit verzoek wordt op de gebruikelijke wijze behandeld, hetgeen betekent dat het verzoek aan de hierna te noemen voorwaarden moet voldoen.Ter verduidelijking: In deze situatie heeft het kind niet bij geboorte het Nederlanderschap verkregen op grond van artikel 3, eerste lid, RWN, omdat de ouder op het moment van de geboorte nog niet de Nederlandse nationaliteit bezat.20101922901-12-201018-11-2010WBN-CM2010/320101922901-12-201018-11-2010WBN-CM2010/302-12-201010-10-2010Geldt alleen voor verzoeken om +De periode van drie jaar toelating en hoofdverblijf is niet van toepassing op een kind dat ‘niet deelde’, omdat het geboren is in de periode tussen het afleggen van een optieverklaring of het indienen van een verzoek om naturalisatie door de ouder én de daadwerkelijke verkrijging van het Nederlanderschap door de ouder. In die situatie zal het pasgeboren kind niet hebben kunnen delen in de verkrijging van of verlening van het Nederlanderschap aan de ouder, omdat het ten tijde van het afleggen van die verklaring of het indienen van het verzoek nog niet was geboren en dus niet was vermeld in de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie van de ouder (vergelijk artikel 6, tweede lid, BVVN en artikel 31, tweede lid, BVVN)8Ten tijde van het afleggen van de optie of het indienen van het verzoek was het kind nog niet geboren en kón dus ook niet worden voldaan aan het vereiste dat het kind sedert dat tijdstip “toelating en hoofdverblijf voor onbepaalde tijd” heeft. Het tijdstip van het afleggen van de optie of het indienen van het verzoek is in dit ver band dus bepalend. Om die reden is het niet mogelijk om het na het bedoelde tijdstip geboren kind nog vóór de verkrijging van het Nederlanderschap van de ouder mee te nemen in de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie van de ouder.. + + + Ten behoeve van en namens een dergelijk kind kan op grond van onderhavig artikellid tijdens de procedure van de ouder een zelfstandig naturalisatieverzoek worden ingediend. In artikel 11, vierde lid, RWN is geregeld dat kinderen die tijdens de optie- of naturalisatieprocedure van hun ouder(s) worden geboren op een vereenvoudigde manier zelf het Nederlanderschap kunnen verkrijgen. Uit het artikellid volgt wel dat het kind dat geboren wordt tijdens de optie- of naturalisatieprocedure van de ouder, pas voor verlening van het Nederlanderschap in aanmerking komt, nadat de ouder Nederlander is geworden. Hieruit volgt echter niet dat een naturalisatieverzoek ten behoeve van het kind pas zou mogen worden ingediend nadat de ouder Nederlander is geworden. Om de procedure van het kind te bespoedigen mag een verzoek ten behoeve van dat kind dan ook al tijdens de optie- of naturalisatieprocedure van de ouder worden ingediend. Dit verzoek wordt op de gebruikelijke wijze behandeld, hetgeen betekent dat het verzoek aan de hierna te noemen voorwaarden moet voldoen. + + + Ter verduidelijking: In deze situatie heeft het kind niet bij geboorte het Nederlanderschap verkregen op grond van artikel 3, eerste lid, RWN, omdat de ouder op het moment van de geboorte nog niet de Nederlandse nationaliteit bezat. + +20101922901-12-201018-11-2010WBN-CM2010/320101922901-12-201018-11-2010WBN-CM2010/302-12-201010-10-2010Geldt alleen voor verzoeken om naturalisatie die zijn ingediend op of na 1 oktober -2010.10-10-2010Stcrt. 2010, 19229, datum inwerkingtreding 02-12-2010, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze tekst. Deze wijziging werkt terug tot 10-10-2010. De paragraaf is nieuw toegevoegd. +2010. #### 4 @@ -5586,15 +5630,177 @@ Als een kind bij het indienen van het verzoek op grond van het vierde lid zestie #### 7 -Gelet op de tekst van het onderhavige artikellid bestaat er een verdeling naar leeftijd waarbij verschillende voorwaarden gelden.Voor een kind geboren in de periode tussen de optieverklaring/het verzoek om naturalisatie van de ouder én de verkrijging van het Nederlanderschap door de ouder is het volgende vereist:•vanaf het moment van indiening van het verzoek tot en met het moment van beslissen op het verzoek heeft het kind toelating voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN•vanaf het moment van indiening van het verzoek tot en met het moment van beslissen op het verzoek heeft het kind hoofdverblijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN.Voor een kind dat ten tijde van het indienen van het verzoek jonger is dan zestien jaar is het volgende vereist:•het kind heeft een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het indienen van het verzoek toelating als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN;•het kind heeft een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het indienen van het verzoek hoofdverblijf in het Koninkrijk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN;•het kind heeft in de periode van indiening van het verzoek tot en met het moment van beslissen op het verzoek toelating voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN;•het kind heeft in de periode van indiening van het verzoek tot en met het moment van beslissen op het verzoek hoofdverblijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN.Voor een kind dat ten tijde van het indienen van het verzoek de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, is het volgende vereist:•het kind heeft een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het indienen van het verzoek toelating als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN;•het kind heeft een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het indienen van het verzoek hoofdverblijf in het Koninkrijk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN;•het kind heeft in de periode van indiening van het verzoek tot en met het moment van beslissen op het verzoek toelating voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN;•het kind heeft in de periode van indiening van het verzoek tot en met het moment van beslissen op het verzoek hoofdverblijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN;•er zijn op grond van het gedrag van het kind geen ernstige vermoedens dat het kind een gevaar oplevert voor de openbare orde als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN en artikel 9, tweede lid, RWN;•het kind heeft in een op schrift gestelde en ondertekende verklaring ingestemd met de naturalisatie;•het kind heeft zich bereid verklaard bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen;•de hiervoor bedoelde verklaringen zijn in persoon door het kind afgelegd.20101922901-12-201018-11-2010WBN-CM2010/320101922901-12-201018-11-2010WBN-CM2010/302-12-201010-10-2010Geldt alleen voor verzoeken om +Gelet op de tekst van het onderhavige artikellid bestaat er een verdeling naar leeftijd waarbij verschillende voorwaarden gelden. + + + Voor een kind geboren in de periode tussen de optieverklaring/het verzoek om naturalisatie van de ouder én de verkrijging van het Nederlanderschap door de ouder is het volgende vereist: + + + • + vanaf het moment van indiening van het verzoek tot en met het moment van beslissen op het verzoek heeft het kind toelating voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN + + + • + vanaf het moment van indiening van het verzoek tot en met het moment van beslissen op het verzoek heeft het kind hoofdverblijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN. + + + + + Voor een kind dat ten tijde van het indienen van het verzoek jonger is dan zestien jaar is het volgende vereist: + + + • + het kind heeft een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het indienen van het verzoek toelating als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN; + + + • + het kind heeft een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het indienen van het verzoek hoofdverblijf in het Koninkrijk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN; + + + • + het kind heeft in de periode van indiening van het verzoek tot en met het moment van beslissen op het verzoek toelating voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN; + + + • + het kind heeft in de periode van indiening van het verzoek tot en met het moment van beslissen op het verzoek hoofdverblijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN. + + + + + Voor een kind dat ten tijde van het indienen van het verzoek de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, is het volgende vereist: + + + • + het kind heeft een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het indienen van het verzoek toelating als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN; + + + • + het kind heeft een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het indienen van het verzoek hoofdverblijf in het Koninkrijk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN; + + + • + het kind heeft in de periode van indiening van het verzoek tot en met het moment van beslissen op het verzoek toelating voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN; + + + • + het kind heeft in de periode van indiening van het verzoek tot en met het moment van beslissen op het verzoek hoofdverblijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN; + + + • + er zijn op grond van het gedrag van het kind geen ernstige vermoedens dat het kind een gevaar oplevert voor de openbare orde als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN en artikel 9, tweede lid, RWN; + + + • + het kind heeft in een op schrift gestelde en ondertekende verklaring ingestemd met de naturalisatie; + + + • + het kind heeft zich bereid verklaard bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen; + + + • + de hiervoor bedoelde verklaringen zijn in persoon door het kind afgelegd. + + + +20101922901-12-201018-11-2010WBN-CM2010/320101922901-12-201018-11-2010WBN-CM2010/302-12-201010-10-2010Geldt alleen voor verzoeken om naturalisatie die zijn ingediend op of na 1 oktober -2010.10-10-2010Stcrt. 2010, 19229, datum inwerkingtreding 02-12-2010, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze tekst. Deze wijziging werkt terug tot 10-10-2010. De paragraaf is nieuw toegevoegd. +2010. #### 8 -Ten aanzien van minderjarigen namens wie na 1 april 2003 een verzoek om na-naturalisatie is ingediend, dat nog niet definitief is afgehandeld, en bij wie het geconstateerde gat in het vreemdelingrechtelijke verblijfsrecht geheel of gedeeltelijk is gelegen in de periode vóór 1 januari 2009, wordt als volgt gehandeld.In iedere zaak waarin bij de behandeling van een verzoek om na-naturalisatie een gat in de verblijfsrechtelijke historie (dus een gat in de aanééngesloten verblijfsrechtelijke toelating) is geconstateerd door de bevoegde autoriteit in Curaçao onderscheidenlijk in Sint Maarten dan wel door de IND in Nederland, zal de Gouverneur hier nader onderzoek naar laten doen.Van dit onderzoek wordt een onderzoeksverslag gemaakt, dat vergezeld gaat van documentatie die de conclusie van het onderzoek onderbouwt.Het onderzoeksverslag wordt bij het Bericht omtrent Toelating (BOT) gevoegd en getekend door de directeur van de met de uitvoering van de Landsverordening toelating en uitzetting belaste dienst.Het onderzoeksverslag in combinatie met het BOT is doorslaggevend voor het vaststellen of gedurende de onderzochte periode sprake is geweest van onafgebroken ‘toelating’ (verblijfsrecht) in Curaçao of in Sint Maarten.Vormgeving uitkomst onderzoeksverslagHet onderzoeksverslag zal één van de volgende drie conclusies bevatten:1.het gat in het verblijfsrecht is aantoonbaar te wijten aan de vreemdeling zelf en daarmee niet aanvaardbaar10De vreemdeling heeft bijvoorbeeld aantoonbaar door eigen schuld te laat een verlengingsverzoek ingediend.; dan wel2.het gat in het verblijfsrecht is aantoonbaar verklaarbaar door de manier van administratieve afwikkeling van overheidszijde en daarmee aanvaardbaar11Onder deze categorie kan vallen: aantoonbaar niet-functioneren van het registratiesysteem in de gestelde periode, aantoonbaar onjuist invullen van het registratiesysteem in het individuele geval, etc.; dan wel3.de oorzaak van het gat in het verblijfsrecht is onbekend, maar door de vreemdeling is aannemelijk gemaakt dat hij/zij gedurende het gestelde gat in het verblijfsrecht onafgebroken in Curaçao of Sint Maarten heeft verbleven, en daardoor is het gat in het verblijfsrecht aanvaardbaar. Tot deze conclusie kan enkel worden gekomen indien het gat in het verblijfsrecht niet te verklaren is met hetgeen onder 1 of 2 staat vermeld, en indien vervolgonderzoek is verricht door de bevoegde autoriteiten in Curaçao onderscheidenlijk in Curaçao onderscheidenlijk in Sint Maarten Sint Maarten. Hierbij kunnen de volgende documenten van de vreemdeling worden gevraagd en van overheidszijde worden geverifieerd:–het reisdocument (met alle in- en uitreisstempels en/of visa over de te onderzoeken periode);–het aanvraagformulier (verlenging) vergunning tot (tijdelijk) verblijf;–de beslissing omtrent een aanvraag;–het aanvraagformulier tewerkstellingsvergunning;–de beslissing omtrent een aanvraag;–belastingaanslagen;–werkcontract en/of loonstrook; en/of–afschriften bankrekening;–etc.NB: Alleen een bewijs van inschrijving in de bevolkingsadministratie volstaat niet; dat geeft namelijk onvoldoende bewijs dat betrokkene inderdaad ‘aanwezig’ is geweest op het eiland.Deze regeling heeft geen betrekking op reeds onherroepelijk afgewezen zaken. Dit betekent dat in het geval van een reeds afgewezen verzoek om na-naturalisatie, waartegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend, er geen recht bestaat op een heroverweging van de afgewezen zaak.Nog openstaande *eerste aanleg naturalisatiezaken* die al in Nederland liggen ter behandeling, worden door de bevoegde autoriteiten in Curaçao onderscheidenlijk in Sint Maarten aangevuld (‘herstel verzuim’) met een onderzoeksverslag. De IND zal hierom in een voorkomend geval verzoeken.Bij nog openstaande *bezwaarzaken* tegen afgewezen verzoeken om na-naturalisatie wordt door de IND aan de bevoegde autoriteiten in Curaçao onderscheidenlijk in Sint Maarten om een onderzoek gevraagd.Ook in nog openstaande *beroepszaken* terzake van na-naturalisatie wordt door de IND aan de bevoegde autoriteiten in Curaçao onderscheidenlijk in Sint Maarten om een onderzoek gevraagd. Wanneer het onderzoek oplevert dat het verblijfsgat de vreemdeling niet is aan te rekenen, wordt de beslissing in bezwaar ingetrokken en wordt, indien aan de overige voorwaarden voor mede-naturalisatie wordt voldaan, het bezwaar gegrond verklaard.Een onderzoekverslag wordt – behoudens uitzonderingen – binnen twee maanden na het verzoek daartoe beschikbaar gesteld.Voor zaken waarin uitsluitend gaten in het verblijfsrecht voorkomen die gelegen zijn nà 1 januari 2009, geldt deze regeling niet. Voor deze datum is gekozen, omdat de verwachting gerechtvaardigd is dat vanaf deze datum de vreemdelingrechtelijke registratie in Curaçao en Sint Maarten consistent is.20101922901-12-201018-11-2010WBN-CM2010/320101922901-12-201018-11-2010WBN-CM2010/302-12-201010-10-2010Geldt alleen voor verzoeken om +Ten aanzien van minderjarigen namens wie na 1 april 2003 een verzoek om na-naturalisatie is ingediend, dat nog niet definitief is afgehandeld, en bij wie het geconstateerde gat in het vreemdelingrechtelijke verblijfsrecht geheel of gedeeltelijk is gelegen in de periode vóór 1 januari 2009, wordt als volgt gehandeld. + + + In iedere zaak waarin bij de behandeling van een verzoek om na-naturalisatie een gat in de verblijfsrechtelijke historie (dus een gat in de aanééngesloten verblijfsrechtelijke toelating) is geconstateerd door de bevoegde autoriteit in Curaçao onderscheidenlijk in Sint Maarten dan wel door de IND in Nederland, zal de Gouverneur hier nader onderzoek naar laten doen. + + + Van dit onderzoek wordt een onderzoeksverslag gemaakt, dat vergezeld gaat van documentatie die de conclusie van het onderzoek onderbouwt. + + + Het onderzoeksverslag wordt bij het Bericht omtrent Toelating (BOT) gevoegd en getekend door de directeur van de met de uitvoering van de Landsverordening toelating en uitzetting belaste dienst. + + + Het onderzoeksverslag in combinatie met het BOT is doorslaggevend voor het vaststellen of gedurende de onderzochte periode sprake is geweest van onafgebroken ‘toelating’ (verblijfsrecht) in Curaçao of in Sint Maarten. + + Vormgeving uitkomst onderzoeksverslag + + Het onderzoeksverslag zal één van de volgende drie conclusies bevatten: + + + 1. + het gat in het verblijfsrecht is aantoonbaar te wijten aan de vreemdeling zelf en daarmee niet aanvaardbaar10De vreemdeling heeft bijvoorbeeld aantoonbaar door eigen schuld te laat een verlengingsverzoek ingediend.; dan wel + + + 2. + het gat in het verblijfsrecht is aantoonbaar verklaarbaar door de manier van administratieve afwikkeling van overheidszijde en daarmee aanvaardbaar11Onder deze categorie kan vallen: aantoonbaar niet-functioneren van het registratiesysteem in de gestelde periode, aantoonbaar onjuist invullen van het registratiesysteem in het individuele geval, etc.; dan wel + + + 3. + de oorzaak van het gat in het verblijfsrecht is onbekend, maar door de vreemdeling is aannemelijk gemaakt dat hij/zij gedurende het gestelde gat in het verblijfsrecht onafgebroken in Curaçao of Sint Maarten heeft verbleven, en daardoor is het gat in het verblijfsrecht aanvaardbaar. Tot deze conclusie kan enkel worden gekomen indien het gat in het verblijfsrecht niet te verklaren is met hetgeen onder 1 of 2 staat vermeld, en indien vervolgonderzoek is verricht door de bevoegde autoriteiten in Curaçao onderscheidenlijk in Curaçao onderscheidenlijk in Sint Maarten Sint Maarten. Hierbij kunnen de volgende documenten van de vreemdeling worden gevraagd en van overheidszijde worden geverifieerd: + + + – + het reisdocument (met alle in- en uitreisstempels en/of visa over de te onderzoeken periode); + + + – + het aanvraagformulier (verlenging) vergunning tot (tijdelijk) verblijf; + + + – + de beslissing omtrent een aanvraag; + + + – + het aanvraagformulier tewerkstellingsvergunning; + + + – + de beslissing omtrent een aanvraag; + + + – + belastingaanslagen; + + + – + werkcontract en/of loonstrook; en/of + + + – + afschriften bankrekening; + + + – + etc. + + + NB: Alleen een bewijs van inschrijving in de bevolkingsadministratie volstaat niet; dat geeft namelijk onvoldoende bewijs dat betrokkene inderdaad ‘aanwezig’ is geweest op het eiland. + + + + + Deze regeling heeft geen betrekking op reeds onherroepelijk afgewezen zaken. Dit betekent dat in het geval van een reeds afgewezen verzoek om na-naturalisatie, waartegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend, er geen recht bestaat op een heroverweging van de afgewezen zaak. + + + Nog openstaande *eerste aanleg naturalisatiezaken* die al in Nederland liggen ter behandeling, worden door de bevoegde autoriteiten in Curaçao onderscheidenlijk in Sint Maarten aangevuld (‘herstel verzuim’) met een onderzoeksverslag. De IND zal hierom in een voorkomend geval verzoeken. + + + Bij nog openstaande *bezwaarzaken* tegen afgewezen verzoeken om na-naturalisatie wordt door de IND aan de bevoegde autoriteiten in Curaçao onderscheidenlijk in Sint Maarten om een onderzoek gevraagd. + + + Ook in nog openstaande *beroepszaken* terzake van na-naturalisatie wordt door de IND aan de bevoegde autoriteiten in Curaçao onderscheidenlijk in Sint Maarten om een onderzoek gevraagd. Wanneer het onderzoek oplevert dat het verblijfsgat de vreemdeling niet is aan te rekenen, wordt de beslissing in bezwaar ingetrokken en wordt, indien aan de overige voorwaarden voor mede-naturalisatie wordt voldaan, het bezwaar gegrond verklaard. + + + Een onderzoekverslag wordt – behoudens uitzonderingen – binnen twee maanden na het verzoek daartoe beschikbaar gesteld. + + + Voor zaken waarin uitsluitend gaten in het verblijfsrecht voorkomen die gelegen zijn nà 1 januari 2009, geldt deze regeling niet. Voor deze datum is gekozen, omdat de verwachting gerechtvaardigd is dat vanaf deze datum de vreemdelingrechtelijke registratie in Curaçao en Sint Maarten consistent is. + +20101922901-12-201018-11-2010WBN-CM2010/320101922901-12-201018-11-2010WBN-CM2010/302-12-201010-10-2010Geldt alleen voor verzoeken om naturalisatie die zijn ingediend op of na 1 oktober -2010.10-10-2010Stcrt. 2010, 19229, datum inwerkingtreding 02-12-2010, bevat een wijziging met terugwerkende kracht van deze tekst. Deze wijziging werkt terug tot 10-10-2010. De paragraaf is nieuw toegevoegd. +2010. ### 11-5. Toelichting ad @@ -5606,74 +5812,6 @@ c. **ten aanzien van hem geen van de afwijzingsgronden van artikel 9, eerste lid **Het besluit tot verlening wordt niet bekend gemaakt dan nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd.** -In dit artikellid is een regeling getroffen voor een kind dat niet heeft gedeeld in de verkrijging van het Nederlanderschap door of de verlening daarvan aan de ouder(s), omdat het tussen het moment van het afleggen van de optieverklaring of het indienen van het verzoek om naturalisatie door de ouder(s) én de bevestiging van de verklaring of het koninklijk besluit tot naturalisatie, meerderjarig is geworden. Dit kind wordt niet vermeld in de bevestiging van de optie respectievelijk in het koninklijk besluit van de ouder. Het verzoek om medeverkrijging of medeverlening zal door de Gouverneur respectievelijk Onze Minister bij beschikking zijn afgewezen. - -Vóór 1 april 2003 kon een kind dat tijdens de behandeling van het verzoek om naturalisatie van zijn ouder(s) meerderjarig was geworden (de zogenaamde meerijder), tegelijk met zijn ouders worden genaturaliseerd indien werd voldaan aan alle vereisten van artikel 8 RWN (dus ook de woontermijn van vijf jaar en het inburgeringsvereiste). Thans geldt op grond van de onderhavige bepaling voor deze verzoekers een aantal soepeler voorwaarden. Zo geldt voor hen een kortere termijn van toelating en hoofdverblijf (drie jaar) en geldt voor hen – evenmin als voor alle (minderjarige) kinderen die op grond van artikel 11 RWN worden genaturaliseerd – niet het inburgeringsvereiste en de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit. Voorts heeft de onderhavige bepaling niet alleen betrekking op verzoekers die niet hebben gedeeld in de verkrijging van het Nederlanderschap van de ouder door middel van naturalisatie, maar betreft het tevens verzoekers die niet hebben gedeeld in de verkrijging van het Nederlanderschap van de ouder(s) door middel van optie. Beoogd is dat voor de in de onderhavige bepaling bedoelde verzoekers zoveel mogelijk dezelfde vereisten gelden als voor medeverlening van minderjarigen van zestien jaar en ouder. - -Het in het vijfde lid bedoelde kind kan genaturaliseerd worden “op zijn verzoek”. Dit betekent dat hij ná het bereiken van de meerderjarigheid en ná de verkrijging/verlening van het Nederlanderschap door of aan de ouder(s) zelfstandig een verzoek om naturalisatie kan indienen. Voor de behandeling van het verzoek zijn leges verschuldigd (artikel 13 RWN). De bestaande praktijk vóór 1 april 2003 was dat zeventienjarigen – met het oog op het bereiken van de meerderjarigheid gedurende de behandeling van het verzoek van de ouder(s) – tegelijk met de ouder(s) een verzoek om naturalisatie indienden om op die wijze te kunnen ‘meerijden’ met het verzoek van de ouder(s). Deze mogelijkheid is met dit artikellid komen te vervallen. - -Het onderhavige artikellid bepaalt dat het kind van een ouder die het Nederlanderschap door optie of naturalisatie heeft verkregen “niet deelde wegens het bereiken van de meerderjarigheid”. Hieruit volgt dat degene die op grond van deze bepaling een verzoek indient, op het moment van de verkrijging van het Nederlanderschap van zijn ouder(s) door optie of naturalisatie wél moet hebben voldaan aan de overige voorwaarden voor medeverkrijging of medeverlening. - -Ingevolge het onderhavig artikellid dient het kind een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf in het Koninkrijk te hebben (zie de toelichting bij artikel 11, derde lid, RWN). Bovendien moet deze onafgebroken periode zijn aangevangen voordat hij meerderjarig werd. - -De verzoeker dient bovendien “sedert het tijdstip van het verzoek, toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf” in het Koninkrijk te hebben. Aangetoond moet worden dat verzoeker vanaf het moment van indiening van het verzoek tot en met het moment van de beslissing op het verzoek een verblijfsrecht heeft dat naar zijn aard niet-tijdelijk is (zie ook de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN). Het is niet de bedoeling dat het verzoek reeds wordt ingediend op een moment dat verzoeker nog niet in het bezit is van een verblijfsvergunning van niet-tijdelijke aard, in de verwachting dat hij een dergelijke verblijfsvergunning (spoedig) zal verkrijgen. In dat geval zal hij worden geadviseerd om te wachten met indiening totdat wel aan deze voorwaarde is voldaan. Staat hij niettemin op indiening van het verzoek, dan dient de Gouverneur het verzoek in ontvangst te nemen. Op het advies aan de IND wordt duidelijk aangegeven dat het gevraagde verblijfsdocument niet is overgelegd. In dat geval kan het verzoek met inachtneming van het bepaalde in artikel 4:5 Awb buiten behandeling worden gesteld dan wel (vanwege het niet hebben voldaan aan de in artikel 4:5 Awb gestelde termijnen) worden afgewezen. In dat laatste geval zal een inhoudelijke beslissing moeten worden genomen op het verzoek. Als bij het nemen van die beslissing blijkt (aan de hand van een overgelegd verblijfsdocument) dat aan verzoeker met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning van niet-tijdelijke aard is verleend en de ingangsdatum van die vergunning is gelegen op of vóór de datum van indiening van het verzoek, dan wordt – achteraf bezien – alsnog aan de betreffende voorwaarde voldaan. Voorts moet verzoeker vanaf het moment van indiening van het verzoek tot en met het moment van de beslissing op het verzoek hoofdverblijf in het Koninkrijk hebben (zie ook de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN). - -Ingevolge onderhavig artikellid moet de verzoeker zich bij de indiening van zijn verzoek om naturalisatie bereid verklaren de verklaring van verbondenheid af te leggen (model 2.30). In de regel moet tijdens de naturalisatieceremonie de naturalisandus die de bereidverklaring afgegeven heeft, de verklaring van verbondenheid afleggen voordat hem het uittreksel van het besluit tot verlening van het Nederlanderschap wordt uitgereikt (zie de toelichting bij de artikelen 6, 7 en 8 RWN). - -*Samengevat gelden op grond van artikel 11, vijfde lid, RWN de volgende voorwaarden voor naturalisatie:* - -• de verzoeker was minderjarig op het moment van indienen van de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie van de ouder(s); -• de verzoeker heeft alleen niet gedeeld in de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap van de ouder(s) wegens het feit dat hij meerderjarig werd (aan alle overige toepasselijke voorwaarden voor medeverkrijging of medeverlening werd ten tijde van verkrijging van het Nederlanderschap door de ouder(s) voldaan); -• de verzoeker heeft een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het indienen van het verzoek toelating als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN; -• de verzoeker heeft een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het indienen van het verzoek hoofdverblijf in het Koninkrijk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN; -• de periode van ten minste drie jaren toelating en hoofdverblijf moet zijn aangevangen voordat verzoeker meerderjarig werd; -• de verzoeker heeft vanaf het moment van indiening van het verzoek tot en met het moment van beslissen op het verzoek toelating voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN; -• de verzoeker heeft vanaf het moment van indiening van het verzoek tot en met het moment van beslissen op het verzoek hoofdverblijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN; -• de verzoeker heeft zich bereid verklaard bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen; -• er zijn op grond van het gedrag van verzoeker geen ernstige vermoedens dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde als bedoeld in artikel 9, eerste lid aanhef en onder a, RWN en artikel 9, tweede lid, RWN. - -Ten aanzien van vreemdelingen die na 1 april 2003 een verzoek om naturalisatie hebben ingediend, dat nog niet definitief is afgehandeld, en bij wie het geconstateerde gat in het vreemdelingrechtelijke verblijfsrecht geheel of gedeeltelijk is gelegen in de periode vóór 1 januari 2009, wordt als volgt gehandeld. - -In iedere zaak waarin bij de behandeling van een verzoek om naturalisatie een gat in de verblijfsrechtelijke historie (dus een gat in de aanééngesloten verblijfsrechtelijke toelating) is geconstateerd door de bevoegde autoriteit in Curaçao en Sint Maarten dan wel door de IND in Nederland, zal de Gouverneur van het eilandgebied hier nader onderzoek naar laten doen. - -Van dit onderzoek wordt een onderzoeksverslag gemaakt, dat vergezeld gaat van documentatie die de conclusie van het onderzoek onderbouwt. - -Het onderzoeksverslag wordt bij het Bericht omtrent Toelating (BOT) gevoegd en getekend door de Gouverneur van het eilandgebied. - -Het onderzoeksverslag in combinatie met het BOT is doorslaggevend voor het vaststellen of gedurende de onderzochte periode sprake is geweest van onafgebroken ‘toelating’ (verblijfsrecht) in Curaçao en Sint Maarten. - -Het onderzoeksverslag zal één van de volgende drie conclusies bevatten: - -1. het gat in het verblijfsrecht is aantoonbaar te wijten aan de vreemdeling zelf en daarmee niet aanvaardbaar36De vreemdeling heeft bijvoorbeeld aantoonbaar door eigen schuld te laat een verlengingsverzoek ingediend.; dan wel -2. het gat in het verblijfsrecht is aantoonbaar verklaarbaar door de manier van administratieve afwikkeling van overheidszijde en daarmee aanvaardbaar37Onder deze categorie kan vallen: aantoonbaar niet-functioneren van het registratiesysteem in de gestelde periode, aantoonbaar onjuist invullen van het registratiesysteem in het individuele geval, etc.; dan wel -3. de oorzaak van het gat in het verblijfsrecht is onbekend, maar door de vreemdeling is aannemelijk gemaakt dat hij/zij gedurende het gestelde gat in het verblijfsrecht onafgebroken in Curaçao en Sint Maarten heeft verbleven, en daardoor is het gat in het verblijfsrecht aanvaardbaar. Tot deze conclusie kan enkel worden gekomen indien het gat in het verblijfsrecht niet te verklaren is met hetgeen onder 1 of 2 staat vermeld, en indien vervolgonderzoek is verricht door de bevoegde autoriteiten in Curaçao en Sint Maarten. Hierbij kunnen de volgende documenten van de vreemdeling worden gevraagd en van overheidszijde worden geverifieerd: - -– het reisdocument (met alle in- en uitreisstempels en/of visa over de te onderzoeken periode); -– het aanvraagformulier (verlenging) vergunning tot (tijdelijk) verblijf; -– de beslissing omtrent een aanvraag; -– het aanvraagformulier tewerkstellingsvergunning; -– de beslissing omtrent een aanvraag; -– belastingaanslagen; -– werkcontract en/of loonstrook; en/of -– afschriften bankrekening; -– etc. - -NB: Alleen een bewijs van inschrijving in de bevolkingsadministratie volstaat niet; dat geeft namelijk onvoldoende bewijs dat betrokkene inderdaad ‘aanwezig’ is geweest op het eiland. - -Deze regeling heeft geen betrekking op reeds onherroepelijk afgewezen zaken. Dit betekent dat in het geval van een reeds afgewezen verzoek om naturalisatie, waartegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend, er geen recht bestaat op een heroverweging van de afgewezen zaak. - -Nog openstaande *eerste aanleg naturalisatiezaken* die al in Nederland liggen ter behandeling, worden door de bevoegde autoriteiten in Curaçao en Sint Maarten aangevuld (‘herstel verzuim’) met een onderzoeksverslag. De IND zal hierom in een voorkomend geval verzoeken. - -Bij nog openstaande *bezwaarzaken* tegen afgewezen verzoeken om naturalisatie wordt door de IND aan de bevoegde autoriteiten in Curaçao en Sint Maarten om een onderzoek gevraagd. - -Ook in nog openstaande *beroepszaken* terzake van naturalisatie wordt door de IND aan de bevoegde autoriteiten in Curaçao en Sint Maarten om een onderzoek gevraagd. Wanneer het onderzoek oplevert dat het verblijfsgat de vreemdeling niet is aan te rekenen, wordt de beslissing in bezwaar ingetrokken en wordt, indien aan de overige voorwaarden voor naturalisatie wordt voldaan, het bezwaar gegrond verklaard. - -Een onderzoekverslag wordt – behoudens uitzonderingen – binnen twee maanden na het verzoek daartoe beschikbaar gesteld. - -Voor zaken waarin uitsluitend gaten in het verblijfsrecht voorkomen die gelegen zijn nà 1 januari 2009, geldt deze regeling niet. Voor deze datum is gekozen, omdat de verwachting gerechtvaardigd is dat vanaf deze datum de vreemdelingrechtelijke registratie in Curaçao en Sint Maarten consistent is. - -Miguel is 17 jaar op het moment dat zijn vader een verzoek om naturalisatie indient en daarbij vraagt om medenaturalisatie van Miguel. Tijdens de behandeling van het verzoek wordt Miguel 18 jaar. Op het moment dat de vader bij koninklijk besluit wordt genaturaliseerd, voldoet Miguel aan de voorwaarden in artikel 11, derde lid RWN met uitzondering van het vereiste van minderjarigheid. Van de IND ontvangt hij een beschikking die inhoudt dat het verzoek om medenaturalisatie is afgewezen. Miguel gaat hierna twee jaar in Canada wonen om te werken. Vervolgens hervestigt hij zich op Sint Eustatius en heeft daar drie jaar onafgebroken toelating en hoofdverblijf op het moment dat hij een verzoek om naturalisatie indient. Miguel kan niet met succes een beroep doen op artikel 11, vijfde lid RWN. De periode van drie jaar toelating en hoofdverblijf vóór het indienen van zijn verzoek om naturalisatie is immers niet aangevangen vóór het bereiken van de meerderjarigheid van Miguel. - #### 1 In dit artikellid is een regeling getroffen voor een kind dat niet heeft gedeeld in de verkrijging van het Nederlanderschap door of de verlening daarvan aan de ouder(s), omdat het tussen het moment van het afleggen van de optieverklaring of het indienen van het verzoek om naturalisatie door de ouder(s) én de bevestiging van de verklaring of het koninklijk besluit tot naturalisatie, meerderjarig is geworden. Dit kind wordt niet vermeld in de bevestiging van de optie respectievelijk in het koninklijk besluit van de ouder. Het verzoek om medeverkrijging of medeverlening zal door de Gouverneur respectievelijk Onze Minister bij beschikking zijn afgewezen. @@ -7355,9 +7493,7 @@ Geen. Zie de toelichting bij artikel 20 RWN. -De artikelen 429d, 429f-429l en 429s-429t zijn vervallen op 1 januari 2002 (Stb. 2001, 580). Er is een rijkswet in voorbereiding op grond waarvan de laatste zin van artikel 18 lid 1 vervalt.69 Naar verwachting per 1 januari 2010. - -Ten aanzien van burgerlijke zaken in Curaçao en Sint Maarten en Aruba geldt de Cassatieregeling voor Curaçao en Sint Maarten en Aruba. De termijn voor het instellen van beroep in cassatie bij de Hoge Raad bedraagt drie maanden. +Ten aanzien van burgerlijke zaken in de Curaçao en Sint Maarten geldt de Rijkswet cassatierechtspraak voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De termijn voor het instellen van beroep in cassatie bij de Hoge Raad bedraagt drie maanden. ## 19