2021-10-01 | BWBR0026494 | Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 toegespitst op het gebruik in de Nederlandse Antillen
This commit is contained in:
parent
72577c2e92
commit
0895470832
1 changed files with 91 additions and 50 deletions
|
|
@ -6552,17 +6552,17 @@ Zie voor het overgangsrecht de toelichting bij artikel 14, tweede lid, RWN, para
|
|||
|
||||
Onze Minister kan de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap intrekken, indien zij berust op een door de betrokken persoon gegeven valse verklaring of bedrog, dan wel op het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit. De intrekking werkt terug tot het tijdstip van verkrijging of verlening van het Nederlanderschap. De intrekking is niet mogelijk indien sedert de verkrijging of verlening een periode van twaalf jaar is verstreken. De derde volzin is niet van toepassing indien de betrokken persoon is veroordeeld voor een van de misdrijven omschreven in de artikelen 6,7, 8 en 8bis van het op 17 juli 1998 te Rome tot stand gekomen Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof (Trb. 2000, 120 en Trb. 2011, 73).
|
||||
|
||||
#### 1
|
||||
#### 1. Intrekkingsmogelijkheid bij fraude beperkt tot 12 jaar na uitvaardigen Koninklijk Besluit
|
||||
|
||||
Vóór de herziening van de RWN was het niet mogelijk om in geval van fraude over te gaan tot intrekking van het Nederlanderschap. Echter, sinds de inwerkingtreding van de herziene RWN, dus vanaf 1 april 2003, kan onze Minister in geval van fraude, óók indien gepleegd vóór 1 april 2003, alsnog overgaan tot intrekking van het Nederlanderschap. Betrokkene wordt dan geacht dat hij onder de oude RWN wél in het bezit was van het Nederlanderschap maar onder de herziene RWN niet. Intrekking van het Nederlanderschap is echter niet meer mogelijk indien betrokkene sinds de verlening van het Nederlanderschap meer dan twaalf jaar in het bezit is geweest van het Nederlanderschap.
|
||||
Vóór de herziening van de RWN was het niet mogelijk om in geval van fraude over te gaan tot intrekking van het Nederlanderschap. Echter, sinds de inwerkingtreding van de herziene RWN, dus vanaf 1 april 2003, kan Onze Minister in geval van fraude overgaan tot intrekking van het Nederlanderschap.
|
||||
|
||||
De terugwerkende kracht van de intrekking wordt beperkt door artikel II RRWN. Op grond van dit artikel werkt intrekking van het Nederlanderschap nooit verder terug dan de datum van inwerkingtreding van de herziene RWN (1 april 2003). Hierdoor heeft het intrekkingsbesluit geen rechtsgevolg ten aanzien van de periode vóór de inwerkingtreding van de Rijkswetten van 21 december 2000 en 18 april 2002 tot wijziging van de RWN. Met andere woorden, na intrekking van het Nederlanderschap wordt betrokkene geacht dat hij wél in het bezit is geweest van de Nederlandse nationaliteit, maar vanaf het moment van inwerkingtreding van de wijzigingswetten van 2000 en 2002 niet meer in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.
|
||||
Tot 1 april 2015 werd de terugwerkende kracht van de intrekking beperkt door artikel II RRWN. Op grond van dit artikel werkte intrekking van het Nederlanderschap nooit verder terug dan de datum van inwerkingtreding van de herziene RWN (1 april 2003). Hierdoor had het intrekkingsbesluit geen rechtsgevolg ten aanzien van de periode vóór de inwerkingtreding van de Rijkswetten van 21 december 2000 en 18 april 2002 tot wijziging van de RWN. Met andere woorden, na intrekking van het Nederlanderschap werd betrokkene geacht wél in het bezit te zijn geweest van de Nederlandse nationaliteit, maar vanaf het moment van inwerkingtreding van de wijzigingswetten van 2000 en 2002 niet meer in het bezit te zijn geweest van de Nederlandse nationaliteit.
|
||||
|
||||
Ingevolge artikel II, tweede lid, RRWN heeft een persoon van wie het Nederlanderschap is ingetrokken geen aanspraak op de rechten die de RWN in het algemeen verbindt aan de status van oud-Nederlander. Hij kan dan ook geen optie uitbrengen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN en ook niet in aanmerking komen voor een versnelde naturalisatie als bedoeld in artikel 8, tweede lid, RWN, eerste zinsdeel (‘verzoeker die te eniger tijd het Nederlanderschap (...) heeft bezeten’). Voor de toepassing van laatstbedoelde bepalingen wordt hij geacht het Nederlanderschap niet te hebben bezeten.
|
||||
Ingevolge artikel II, tweede lid, RRWN heeft een persoon van wie het Nederlanderschap is ingetrokken geen aanspraak op de rechten die de RWN in het algemeen verbindt aan de status van oud-Nederlander. Hij kan dan ook geen optie uitbrengen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN en ook niet in aanmerking komen voor een versnelde naturalisatie als bedoeld in artikel 8, tweede lid, RWN, eerste zinsdeel ('verzoeker die te eniger tijd het Nederlanderschap (...) heeft bezeten').
|
||||
|
||||
N.B. In geval van fraude gepleegd bij het uitbrengen van een optieverklaring vóór de inwerkingtreding van de herziene RWN, dus vóór 1 april 2003, is intrekking van het Nederlanderschap niet mogelijk. Een optie die werd uitgebracht vóór de herziening van de RWN was een eenzijdige rechtshandeling. Indien achteraf wordt geconstateerd dat bij het uitbrengen van de optie niet aan alle wettelijke voorwaarden werd voldaan, moet worden geconcludeerd dat aan de optie geen rechtsgevolg is verbonden, waardoor de betrokkene geacht moet worden nimmer het Nederlanderschap door die optie te hebben verkregen. Intrekking van het Nederlanderschap is in dat geval dus niet aan de orde.
|
||||
N.B. In geval van fraude gepleegd bij het uitbrengen van een optieverklaring vóór de inwerkingtreding van de herziene RWN, dus vóór 1 april 2003, is intrekking van het Nederlanderschap niet mogelijk. Een optie die werd uitgebracht vóór de herziening van de RWN was een eenzijdige rechtshandeling. Indien achteraf wordt geconstateerd dat bij het uitbrengen van de optie niet aan alle wettelijke voorwaarden werd voldaan, moet worden geconcludeerd dat aan de optie geen rechtsgevolg is verbonden, waardoor de betrokkene geacht moet worden nimmer het Nederlanderschap door die optie te hebben verkregen. Intrekking van het Nederlanderschap is in dat geval dus niet aan de orde.
|
||||
|
||||
A heeft in 1997 ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, RWN geopteerd voor het Nederlanderschap. Eerst in 2004 komt aan het licht dat bij de optie niet aan alle voorwaarden is voldaan en dat A bij het afleggen van de optieverklaring heeft gefraudeerd. Zou dat destijds bekend zijn geweest, dan zou de administratie aan de optieverklaring geen rechtsgevolg hebben toegekend. In het hier geschetste geval is geen sprake van intrekking van verkregen Nederlanderschap. De optieverklaring is afgelegd vóór 1 april 2003 en toentertijd werd het Nederlanderschap niet verkregen door een schriftelijke bevestiging van de autoriteit die de optieverklaring in ontvangst nam, maar door slechts het simpele afleggen van de optieverklaring, mits daarbij was voldaan aan alle optievoorwaarden. Welnu, aangezien in het onderhavige geval is geconstateerd dat niet aan alle voorwaarden is voldaan, zal achteraf bezien moeten worden geconcludeerd dat aan de optie geen rechtsgevolg is verbonden. A moet dan ook geacht worden niet het Nederlanderschap door de optie te hebben verkregen. Intrekking van het Nederlanderschap is hier niet aan de orde.
|
||||
A heeft in 1997 ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, RWN geopteerd voor het Nederlanderschap. Eerst in 2021 komt aan het licht dat bij de optie niet aan alle voorwaarden is voldaan en dat A bij het afleggen van de optieverklaring heeft gefraudeerd. Zou dat destijds bekend zijn geweest, dan zou de administratie aan de optieverklaring geen rechtsgevolg hebben toegekend. In het hier geschetste geval is geen sprake van intrekking van verkregen Nederlanderschap. De optieverklaring is afgelegd vóór 1 april 2003 en toentertijd werd het Nederlanderschap niet verkregen door een schriftelijke bevestiging van de autoriteit die de optieverklaring in ontvangst nam, maar door slechts het simpele afleggen van de optieverklaring, mits daarbij was voldaan aan alle optievoorwaarden. Welnu, aangezien in het onderhavige geval is geconstateerd dat niet aan alle voorwaarden is voldaan, zal achteraf bezien moeten worden geconcludeerd dat aan de optie geen rechtsgevolg is verbonden. A moet dan ook geacht worden niet het Nederlanderschap door de optie te hebben verkregen. Intrekking van het Nederlanderschap is hier niet aan de orde.
|
||||
|
||||
#### 2
|
||||
|
||||
|
|
@ -6614,25 +6614,27 @@ De intrekking werkt terug tot het tijdstip waarop het Nederlanderschap werd verk
|
|||
|
||||
De intrekking kan tot gevolg hebben dat de betrokkene staatloos wordt. Overigens is dit het enige geval waarin staatloosheid kan ontstaan als gevolg van verlies van het Nederlanderschap (zie artikel 14, zesde lid, RWN). De hier bedoelde intrekking, zelfs indien staatloosheid kan ontstaan, berust op zowel artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van het op 30 augustus 1961 te New York totstandgekomen Verdrag tot beperking der staatloosheid (Trb. 1967, 124) als op artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b van het op 6 november 1997 te Straatsburg totstandgekomen Europees Verdrag inzake nationaliteit (Trb. 1998, 149).
|
||||
|
||||
##### 2.3
|
||||
##### 2.3. Belangenafweging
|
||||
|
||||
In de afweging om tot intrekking over te gaan, zal worden meegewogen:
|
||||
|
||||
– de aard en de ernst van het bedrog, de valse verklaring of de verzwijging;
|
||||
– de eventuele staatloosheid na intrekking;
|
||||
– de tijdsduur die sinds de verkrijging of verlening is verlopen;
|
||||
– overige relevante factoren (vergelijk artikel 68, eerste lid, BVVN).
|
||||
− de aard en de ernst van het bedrog, de valse verklaring of de verzwijging;
|
||||
− de eventuele staatloosheid na intrekking;
|
||||
− de tijdsduur die sinds de verkrijging of verlening is verlopen;
|
||||
− overige relevante factoren (vergelijk artikel 68 BVVN).
|
||||
|
||||
In het kader van ‘overige relevante factoren’ kan onder meer worden gedacht aan eventuele bijzondere omstandigheden en aan de termijn waarbinnen de betrokkene het Nederlanderschap alsnog kan verkrijgen. Blijkt bij de afweging van de belangen een intrekking niet opportuun of disproportioneel, dan wordt niet ingetrokken.66 Zie TK 1998–1999, 25 891, nr. 5, p. 23–24. Onder de omstandigheden dat betrokkene woonachtig is binnen het Koninkrijk en hetzij door optie, hetzij door naturalisatie, onmiddellijk in aanmerking zou kunnen komen voor verkrijging of verlening van het Nederlanderschap, is in zijn algemeenheid een intrekking niet opportuun.
|
||||
In het kader van ‘overige relevante factoren’ kan onder meer worden gedacht aan eventuele bijzondere omstandigheden en aan de termijn waarbinnen de betrokkene het Nederlanderschap alsnog kan verkrijgen. Blijkt bij de afweging van de belangen een intrekking niet opportuun of disproportioneel, dan wordt niet ingetrokken.1Zie TK 1998–1999, 25 891, nr. 5, p. 23–24. Onder de omstandigheden dat betrokkene woonachtig is binnen het Koninkrijk en hetzij door optie, hetzij door naturalisatie, onmiddellijk in aanmerking zou kunnen komen voor verkrijging of verlening van het Nederlanderschap, is in zijn algemeenheid een intrekking niet opportuun.
|
||||
|
||||
A is genaturaliseerd op 15 april 2003. Mei 2003 wordt A in België veroordeeld wegens het plegen van een gewapende overval in 1999. A gaat in hoger beroep van de veroordeling. A wist bij de indiening van zijn verzoek om naturalisatie dat de strafzaak tegen hem aanhangig was. Wegens verzwijging tijdens de naturalisatieprocedure van het feit dat er een strafzaak tegen hem loopt, zou het Nederlanderschap kunnen worden ingetrokken. Augustus 2004 wordt de voornemenprocedure gestart. Tijdens de voornemenprocedure tot intrekking voert A aan dat hij onschuldig is en stelt tevens dat van intrekken moet worden afgezien tot er een onherroepelijk strafvonnis is (er is nog niet beslist op het hoger beroep). Verder moet in de belangenafweging worden meegewogen dat hij, nu hij de Belgische nationaliteit kwijt is door naturalisatie tot Nederlander, na intrekking van het Nederlanderschap staatloos zal zijn.
|
||||
A is genaturaliseerd op 15 april 2003. Mei 2003 wordt A in België veroordeeld wegens het plegen van een gewapende overval in 1999. A gaat in hoger beroep van de veroordeling. A wist bij de indiening van zijn verzoek om naturalisatie dat de strafzaak tegen hem aanhangig was.
|
||||
|
||||
Wegens verzwijging tijdens de naturalisatieprocedure van het feit dat er een strafzaak tegen hem loopt, zou het Nederlanderschap kunnen worden ingetrokken. Augustus 2004 wordt de voornemenprocedure gestart. Tijdens de voornemenprocedure tot intrekking voert A aan dat hij onschuldig is en stelt tevens dat van intrekken moet worden afgezien tot er een onherroepelijk strafvonnis is (er is nog niet beslist op het hoger beroep). Verder moet in de belangenafweging worden meegewogen dat hij, nu hij de Belgische nationaliteit kwijt is door naturalisatie tot Nederlander, na intrekking van het Nederlanderschap staatloos zal zijn.
|
||||
|
||||
In de belangenafweging komen de volgende zaken aan de orde:
|
||||
|
||||
1. de aard en de ernst van het bedrog, de valse verklaring of de verzwijging;
|
||||
2. de eventuele staatloosheid na intrekking;
|
||||
3. de tijdsduur die sinds de verkrijging of verlening is verlopen;
|
||||
4. overige relevante factoren (vergelijk artikel 68, eerste lid, BVVN).
|
||||
4. overige relevante factoren (vergelijk artikel 68 BVVN).
|
||||
|
||||
Voor de belangenafweging geldt dat A is genaturaliseerd, terwijl, naar later blijkt, sprake is van ernstige vermoedens dat A gevaar oplevert voor de openbare orde, hetgeen een grond tot weigering voor naturalisatie is. A heeft bij zijn naturalisatie verzwegen dat hij op dat moment strafrechtelijk werd vervolgd en heeft de zogenaamde waarheidsverklaring niet juist ingevuld (de aard van de verzwijging). A heeft een voor naturalisatie relevant feit verzwegen, dat zou hebben geleid tot weigering van zijn verzoek om naturalisatie (de ernst van de verzwijging). Een eventuele intrekking is dan niet, ten opzichte van de aard en de ernst van de verzwijging, disproportioneel.
|
||||
|
||||
|
|
@ -7130,6 +7132,14 @@ In principe zou dit voor de minderjarige C verlies van het Nederlanderschap meeb
|
|||
|
||||
D ontleent bij haar geboorte in 2006 de Dominicaanse nationaliteit aan haar ongehuwde moeder. Op 11 maart 2012 wordt zij erkend door een Nederlandse man. Zij verkrijgt daardoor het Nederlanderschap op grond van artikel 4 lid 2 RWN en behoudt de Dominicaanse nationaliteit. Haar moeder vestigt zich kort daarna met D in Nederland en dient op 20 oktober 2017, na vijf jaar toelating en hoofdverblijf, een verzoek om naturalisatie in. In april 2018 wordt aan haar het Nederlanderschap verleend. De Nederlandse man verzoekt de rechtbank in mei 2018 zijn erkenning van D te vernietigen. De rechtbank gaat daartoe over bij beschikking van 30 september 2018. Daartegen wordt geen hoger beroep ingesteld, zodat de beschikking op 31 december 2018 in kracht van gewijsde gaat. Hoewel uit artikel 1:206 lid 1 BW volgt dat de erkenning wordt geacht nimmer rechts gevolg te hebben gehad, verliest D het Nederlanderschap niet omdat haar moeder op 31 december 2018 Nederlander was. Dat de moeder op 11 maart 2012 nog geen Nederlander was, is niet van belang.
|
||||
|
||||
#### 3. Evenredigheidstoets bij verlies van Unieburgerschap na van rechtswege verlies van de Nederlandse nationaliteit
|
||||
|
||||
Een minderjarige raakt met het verlies van de Nederlandse nationaliteit ook het Unieburgerschap kwijt, tenzij hij ook een andere EU-nationaliteit bezit. Hij kan bij verlies van het Unieburgerschap verzoeken om toetsing aan het unierechtelijk evenredigheidsbeginsel.
|
||||
|
||||
Er vindt een evenredigheidstoets plaats op de individuele situatie van de (toen) minderjarige aan de hand van de feiten en omstandigheden op de datum waarop het verlies van rechtswege is ingetreden.
|
||||
|
||||
Voor de beoordeling en de procedure van deze unierechtelijke evenredigheidstoets wordt verwezen naar de toelichting op artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN, paragraaf 1.4.
|
||||
|
||||
### 14-7. Toelichting ad
|
||||
|
||||
**Het Nederlanderschap wordt niet verloren dan krachtens een van de bepalingen van dit hoofdstuk.**
|
||||
|
|
@ -7274,6 +7284,14 @@ Aan niet op het Unierecht betrekking hebbende argumenten, zoals het argument dat
|
|||
|
||||
Als sprake is van onevenredige gevolgen ten aanzien van het verlies van Unierechten, dan herkrijgt de aanvrager het Nederlanderschap, met terugwerkende kracht tot de datum van het eerdere van rechtswege verlies. Als geen sprake is van onevenredige gevolgen ten aanzien van het verlies van het Unieburgerschap, dan blijft het verlies in stand, dus herkrijgt de aanvrager niet het Nederlanderschap.
|
||||
|
||||
#### 2
|
||||
|
||||
Op 5 oktober 2020 is de Rijkswet van 11 september 2020, houdende regels inzake het creëren van tijdelijke uitzonderingen op de Rijkswet op het Nederlanderschap gepubliceerd (Rijkswet inperking gevolgen Brexit; Stb. 369). Deze Rijkswet bevat tijdelijke uitzonderingen op de Rijkswet op het Nederlanderschap voor Nederlanders, die de Britse nationaliteit verkrijgen.
|
||||
|
||||
Na de publicatie in het Staatsblad op 5 oktober 2020 is deze Rijkswet vooralsnog niet in werking getreden (zie artikel 4, eerste lid Rijkswet). De Rijkswet inperking gevolgen Brexit kan slechts worden ingetrokken door een andere Rijkswet. Het toepassen van artikel 4, tweede lid Rijkswet, dat gaat over het vervallen van de Rijkswet, is alleen mogelijk als eerder artikel 4, eerste lid Rijkswet heeft plaats gehad.
|
||||
|
||||
Dit betekent dat een Nederlander, die de Britse nationaliteit heeft aangevraagd en verkregen, het Nederlanderschap verliest, tenzij een van de situaties in paragraaf 1.2 bij de toelichting op artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a RWN van toepassing is of één van de uitzonderingen van artikel 15, tweede lid, RWN.
|
||||
|
||||
### 15-1-b. Toelichting ad
|
||||
|
||||
**Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren door het afleggen van een verklaring van afstand.**
|
||||
|
|
@ -7398,31 +7416,13 @@ Het verlies als hiervoor bedoeld, trad niet in indien:
|
|||
|
||||
N.B. Onder vigeur van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN kon verlies van het Nederlanderschap niet worden voorkomen door de afgifte van een bewijs van Nederlanderschap of een Nederlands reisdocument. Het verlies kon alleen worden tegengegaan óf door vóór het einde van de periode van tien jaar de woonplaats te vestigen in een ander land dan het geboorteland, óf door afstand te doen van de nationaliteit van het land van geboorte.
|
||||
|
||||
##### 1.5. Evenredigheidstoets op verlies van Unierechten na van rechtswege verlies van de Nederlandse nationaliteit
|
||||
##### 1.5. Evenredigheidstoets op verlies van Unieburgerschap na van rechtswege verlies van de Nederlandse nationaliteit
|
||||
|
||||
Op 12 maart 2019 stelde de rechter van de Europese Unie vast dat de Nederlandse verliesbepalingen van artikel 15, eerste lid en onder c en artikel 16, eerste lid en onder d RWN in overeenstemming zijn met het recht van de Europese Unie. Daaraan verbond de rechter wel als voorwaarde dat in een individuele en concrete situatie het mogelijk is om te laten toetsen of het verlies van het Unieburgerschap, áls dat tegelijkertijd gebeurde met het verlies van het Nederlanderschap, evenredig is aan het door de Nederlandse verliesbepaling beoogde doel.3Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:189. In geval van gebleken onevenredigheid moet de verloren nationaliteit met terugwerkende kracht kunnen worden herkregen. Deze uitspraak geldt alleen voor situaties waarin met het verlies van het Nederlanderschap tevens sprake is van verlies van het Unieburgerschap. Het Unieburgerschap is ingevoerd met het Verdrag van Maastricht, dat in werking trad op 1 november 1993. Verlies van het Nederlanderschap van voor 1 november 1993 valt daarom niet onder de uitspraak van de Europese rechter, waardoor in deze gevallen geen evenredigheidstoets op verlies van het Unieburgerschap hoeft plaats te vinden.
|
||||
Een meerderjarige raakt met het verlies van de Nederlandse nationaliteit ook het Unieburgerschap kwijt, tenzij hij ook een andere EU-nationaliteit bezit. Hij kan dan verzoeken om toetsing aan het unierechtelijk evenredigheidsbeginsel.
|
||||
|
||||
Daarna heeft de Raad van State in een uitspraak van 12 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:423) geoordeeld dat de evenredigheidstoets op het verlies van het Unieburgerschap kan worden uitgevoerd op basis van het rechtstreeks werkende artikel 20 VWEU.
|
||||
Voor de beoordeling en de procedure van deze evenredigheidstoets wordt verwezen naar hetgeen is vermeld bij de toelichting op artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN, paragraaf 1.4.
|
||||
|
||||
Verder heeft de Raad van State in een uitspraak van 20 mei 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1269) geoordeeld dat een evenredigheidstoets mogelijk moet zijn, indien men het Nederlanderschap is verloren op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN. De Raad van State overwoog hierbij dat het Hof een breed toepassingsbereik van de evenredigheidstoets op het oog had (ro. 2.6).
|
||||
|
||||
De Hoge Raad heeft bij beschikking van 3 april 2020 (ECLI:NL:HR:2020:593) geoordeeld dat deze evenredigheidstoetsing en de daaraan verbonden mogelijkheid van herkrijging van het Nederlanderschap met terugwerkende kracht, eveneens kan plaatsvinden in een procedure op grond van artikel 17 RWN.
|
||||
|
||||
Naar aanleiding van deze jurisprudentie is een wetswijziging van de RWN in voorbereiding. Totdat de RWN is aangepast kan bij constatering van het automatisch verlies van het Nederlanderschap, een dergelijke evenredigheidstoets worden verricht bij een aanvraag voor een Nederlands paspoort, of een Nederlandse identiteitskaart of door het aanvragen van een ‘Verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap’, zoals beschreven in artikel 15, vierde lid RWN, in combinatie met artikel 61 BvvN.
|
||||
|
||||
Indien in een van de voorgaande aanvraagprocedures wordt gesteld dat het automatisch verlies van het Nederlanderschap in een individuele situatie onevenredig is geweest uit het oogpunt van het Unierecht, dan vraagt het betreffende bestuursorgaan advies aan de IND over de evenredigheid van het verlies van het Unieburgerschap.
|
||||
|
||||
In de evenredigheidstoets wordt door de IND beoordeeld of het verlies van het Unieburgerschap in het individuele geval gevolgen heeft gehad die vanuit het oogpunt van het Unierecht onevenredig zijn, afgewogen tegen de wettelijke doelstelling van de desbetreffende verliesbepaling.
|
||||
|
||||
Bij deze beoordeling komt overigens louter gewicht toe aan gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap en de daaraan verbonden unierechten, zoals de uitoefening van het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie, de mogelijkheid daar beroepsactiviteiten te verrichten, en het in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde rechten zoals de eerbiediging van het familie-en gezinsleven en het belang van het kind.
|
||||
|
||||
Aan niet op het Unierecht betrekking hebbende argumenten, zoals het argument dat iemand zich nog steeds als Nederlander beschouwt of een sterke verbondenheid voelt met Nederland, komt geen gewicht toe. Evenmin dient rekening te worden gehouden met rechten, die louter gebaseerd zijn op nationaal recht.
|
||||
|
||||
In de evenredigheidstoets geldt als peildatum de dag waarop men het Nederlanderschap van rechtswege verloor, waarbij tevens gevolgen die op dat moment redelijkerwijze voorzienbaar waren, worden meegewogen. Hypothetische gevolgen of gevolgen die ten tijde van de peildatum niet redelijkerwijze voorzienbaar zijn, worden niet meegewogen.
|
||||
|
||||
Als sprake is van onevenredige gevolgen ten aanzien van het verlies van Unierechten, dan herkrijgt de aanvrager het Nederlanderschap, met terugwerkende kracht tot de datum van het eerdere van rechtswege verlies. Als geen sprake is van onevenredige gevolgen ten aanzien van het verlies van het Unieburgerschap, dan blijft het verlies in stand, dus herkrijgt de aanvrager niet het Nederlanderschap.
|
||||
|
||||
Een beroep op de evenredigheidstoets kan ook plaatsvinden na het verlies van de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 15, aanhef en onder c RWN (oud). Het eerste verlies van het Nederlanderschap op grond van artikel 15, aanhef en onder c RWN (oud) vond plaats op 1 januari 1995.
|
||||
Een evenredigheidstoets kan ook plaatsvinden na het verlies van de Nederlandse nationaliteit en van het Unieburgerschap op grond van artikel 15, aanhef en onder c (oud) RWN, indien het verlies plaatsvond op of na 1 januari 1995.
|
||||
|
||||
#### 2. Overgangsrecht
|
||||
|
||||
|
|
@ -7647,28 +7647,42 @@ De adoptie c.q. gezagsvoorziening moet dus het kind het Nederlanderschap hebben
|
|||
|
||||
### 16-1-a. Toelichting ad
|
||||
|
||||
**Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren door gerechtelijke vaststelling van het vaderschap, erkenning, wettiging of adoptie door een vreemdeling, indien hij diens nationaliteit daardoor verkrijgt, of deze reeds bezit.**
|
||||
**Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren door gerechtelijke vaststelling van het ouderschap, erkenning, wettiging of adoptie door een vreemdeling, indien hij diens nationaliteit daardoor verkrijgt, of deze reeds bezit.**
|
||||
|
||||
N.B. Veelal zal geen verlies van het Nederlanderschap intreden, omdat de moeder van Nederlandse nationaliteit is (zie artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, RWN).
|
||||
#### 1. Algemeen
|
||||
|
||||
Een minderjarige verliest de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a RWN door gerechtelijke vaststelling van het ouderschap, erkenning, wettiging of adoptie door een vreemdeling, als de minderjarige daardoor de niet-Nederlandse nationaliteit van deze vreemdeling verkrijgt.
|
||||
|
||||
De Nederlandse nationaliteit gaat voor een minderjarige eveneens verloren door gerechtelijke vaststelling van het ouderschap, erkenning, wettiging of adoptie door een vreemdeling, als de minderjarige deze niet-Nederlandse nationaliteit reeds bezat. Veelal zal overigens geen verlies van het Nederlanderschap intreden, omdat de andere ouder van Nederlandse nationaliteit is (zie artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, RWN).
|
||||
|
||||
Ook de andere gronden van artikel 16, tweede lid, RWN kunnen reden zijn, dat het Nederlanderschap niet verloren gaat.
|
||||
|
||||
Het minderjarige Nederlandse kind A, geboren in Nederland, heeft de Nederlandse vrouw B tot moeder en wordt erkend door de Turkse man C. Als gevolg van die erkenning is A van Turkse nationaliteit. Het Nederlanderschap ontleent A uitsluitend aan artikel 3, eerste lid, RWN.
|
||||
|
||||
Verlies van het Nederlanderschap zou voor A intreden op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, RWN ware het niet dat in dit geval het verlies wordt voorkomen, doordat een ouder, namelijk de moeder van A, het Nederlanderschap bezit.
|
||||
Verlies van het Nederlanderschap zou voor A intreden op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, RWN. In dit geval verliest de minderjarige de Nederlandse nationaliteit echter niet, omdat een ouder, namelijk de moeder van A, het Nederlanderschap bezit.
|
||||
|
||||
Voor A geldt wel, dat hij tijdens zijn minderjarigheid het Nederlanderschap alleen maar kan behouden zolang zijn moeder het Nederlanderschap bezit (tenzij hij tevens behoort tot een van de andere categorieën, genoemd in artikel 16, tweede lid, RWN). Zodra moeder het Nederlanderschap verliest – bijvoorbeeld als gevolg van vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit – verliest ook A zijn Nederlanderschap, mits hij nog minderjarig is.
|
||||
Voor A geldt wel, dat hij tijdens zijn minderjarigheid het Nederlanderschap alleen maar kan behouden zolang zijn moeder het Nederlanderschap bezit (tenzij hij tevens behoort tot een van de andere categorieën, genoemd in artikel 16, tweede lid, RWN). Zodra de moeder het Nederlanderschap verliest – bijvoorbeeld als gevolg van vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit – verliest ook A zijn Nederlanderschap, mits hij nog minderjarig is.
|
||||
|
||||
A zou zijn Nederlanderschap door voormelde erkenning evenmin verliezen:
|
||||
A zou zijn Nederlanderschap door voormelde erkenning evenmin verliezen als:
|
||||
|
||||
– indien na de erkenning en tijdens de minderjarigheid van A, zijn Nederlandse moeder zou overlijden (artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b, RWN); óf
|
||||
– indien zijn moeder vóór het tijdstip van de erkenning reeds zou zijn overleden en zij bij haar overlijden het Nederlanderschap bezat (artikel 16, tweede lid, aanhef en onder c, RWN); óf
|
||||
– indien hij het Nederlanderschap (tevens) zou ontlenen aan artikel 3, derde lid, RWN of aan artikel 2, aanhef en onder a, WNI (artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d, RWN); óf
|
||||
– indien hij zou zijn geboren in Turkije en daar ten tijde van de verkrijging van de Turkse nationaliteit zijn hoofdverblijf zou hebben (artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e, RWN); óf
|
||||
– indien hij gedurende zijn minderjarigheid een onafgebroken periode van ten minste vijf jaren in Turkije zijn hoofdverblijf zou hebben of zou hebben gehad (artikel 16, tweede lid, aanhef en onder f, RWN).
|
||||
• na de erkenning en tijdens de minderjarigheid van A, zijn Nederlandse moeder zou overlijden (artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b, RWN); óf
|
||||
• zijn moeder vóór het tijdstip van de erkenning reeds zou zijn overleden en zij bij haar overlijden het Nederlanderschap bezat (artikel 16, tweede lid, aanhef en onder c, RWN); óf
|
||||
• hij het Nederlanderschap (tevens) zou ontlenen aan artikel 3, derde lid, RWN of aan artikel 2, aanhef en onder a, WNI (artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d, RWN); óf
|
||||
• hij zou zijn geboren in Turkije en daar ten tijde van de verkrijging van de Turkse nationaliteit zijn hoofdverblijf zou hebben (artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e, RWN); óf
|
||||
• hij gedurende zijn minderjarigheid een onafgebroken periode van ten minste vijf jaren in Turkije zijn hoofdverblijf zou hebben of zou hebben gehad (artikel 16, tweede lid, aanhef en onder f, RWN).
|
||||
|
||||
Uit een ongehuwde Turkse vrouw is in 2004 kind F geboren in Amsterdam. F, die de Turkse nationaliteit bezit, is tevens van Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 3, derde lid, RWN.
|
||||
|
||||
De minderjarige F wordt rechtsgeldig erkend door de Turkse man M. F bezit op het moment van de erkenning al de Turkse nationaliteit, zodat artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, RWN op hem van toepassing is. F verliest evenwel niet zijn Nederlanderschap. Het verlies wordt verhinderd door artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d, RWN.
|
||||
|
||||
#### 2. Evenredigheidstoets op verlies van Unieburgerschap na van rechtswege verlies van de Nederlandse nationaliteit
|
||||
|
||||
Een minderjarige raakt met het verlies van de Nederlandse nationaliteit ook het Unieburgerschap kwijt, tenzij hij ook een andere EU-nationaliteit bezit. Hij kan verzoeken om toetsing aan het unierechtelijk evenredigheidsbeginsel.
|
||||
|
||||
Voor de beoordeling en de procedure van deze evenredigheidstoets wordt verwezen naar hetgeen is vermeld bij de toelichting op artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a RWN, paragraaf 1.4.
|
||||
|
||||
Er vindt een evenredigheidstoets plaats op de individuele situatie van de (toen) minderjarige aan de hand van de feiten en omstandigheden op de datum waarop het verlies van rechtswege is ingetreden.
|
||||
|
||||
### 16-1-b. Toelichting ad
|
||||
|
||||
**Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren door het afleggen van een verklaring van afstand, indien hij de nationaliteit bezit van zijn vader, moeder of adoptiefouder als bedoeld in artikel 11, achtste lid.**
|
||||
|
|
@ -7774,15 +7788,32 @@ In 2004 is in Rotterdam kind C geboren uit het huwelijk van A en B. Moeder en va
|
|||
|
||||
**Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren indien zijn vader of moeder vrijwillig een andere nationaliteit verkrijgt en hij in deze verkrijging deelt of deze nationaliteit reeds bezit.**
|
||||
|
||||
Niet alleen als het kind deelt in de vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit door de ouder zal het zijn Nederlanderschap verliezen, maar ook als het daarin niet deelt, doch die nationaliteit reeds bezit. Ook hier geldt dat geen verlies van het Nederlanderschap zal intreden indien het kind behoort tot een van de categorieën van artikel 16, tweede lid, RWN.
|
||||
#### 1. Algemeen
|
||||
|
||||
Een minderjarige verliest de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, als de vader of moeder het Nederlanderschap verliest op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN.
|
||||
|
||||
De minderjarige verliest de Nederlandse nationaliteit in de situatie dat hij:
|
||||
|
||||
• heeft gedeeld in de vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit door de ouder; of
|
||||
• de andere nationaliteit (die zijn ouder vrijwillig heeft verkregen) reeds bezat en dus niet gedeeld heeft in die vrijwillige verkrijging van de andere nationaliteit.
|
||||
|
||||
Ook hier geldt dat geen verlies van het Nederlanderschap zal intreden, als het kind behoort tot een van de categorieën van artikel 16, tweede lid, RWN.
|
||||
|
||||
Een Nederlands echtpaar emigreert naar Australië, waar kind A wordt geboren. A verkrijgt bij geboorte het Nederlanderschap, maar daarnaast ook de Australische nationaliteit door geboorte op het grondgebied van Australië.
|
||||
|
||||
Zes jaren na de geboorte van A verkrijgen de ouders door naturalisatie de Australische nationaliteit. A deelt daar niet in, omdat hij al Australiër is. Desondanks verliest hij het Nederlanderschap, aangezien hij reeds de nationaliteit bezit die zijn ouders op hun verzoek hebben verkregen.
|
||||
Zes jaren na de geboorte van A verkrijgen de ouders door naturalisatie de Australische nationaliteit en zij verliezen beiden de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN. A deelt daar niet in, omdat hij al Australiër is. Desondanks verliest hij het Nederlanderschap, aangezien hij reeds de nationaliteit bezit die zijn ouders op hun verzoek hebben verkregen.
|
||||
|
||||
De uitzonderingen, genoemd in artikel 16, tweede lid, RWN zijn op A niet van toepassing.
|
||||
|
||||
Hij kan niet geacht worden te behoren tot de in dat lid genoemde categorieën e en/of f, omdat – waar in die categorieën is vermeld ‘de door hem verkregen nationaliteit’ en/of ‘ten tijde van de verkrijging’ – daarmee in het kader van een casus als de onderhavige wordt bedoeld de door het kind verkregen nationaliteit op het tijdstip van vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit door de ouder(s) en niet de door het kind bij geboorte verkregen andere nationaliteit. Aangezien ten aanzien van A niet kan worden gesteld dat hij tegelijk met de naturalisatie van zijn ouders ook zelf een andere nationaliteit heeft verkregen, kan hij zich niet beroepen op de categorieën e en/of f van artikel 16, tweede lid, RWN.
|
||||
Er is in dit geval namelijk geen sprake van verkrijging van een nationaliteit door A, als bedoeld in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e of f, RWN. A heeft immers de Australische nationaliteit al verkregen bij geboorte.
|
||||
|
||||
#### 2. Evenredigheidstoets op verlies van Unieburgerschap na van rechtswege verlies van de Nederlandse nationaliteit
|
||||
|
||||
Een minderjarige raakt met het verlies van de Nederlandse nationaliteit ook het Unieburgerschap kwijt, tenzij hij ook een andere EU-nationaliteit bezit. Hij kan dan verzoeken om toetsing aan het unierechtelijke evenredigheidsbeginsel.
|
||||
|
||||
Voor de beoordeling en de procedure van deze evenredigheidstoets wordt verwezen naar hetgeen is vermeld bij de toelichting op artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN, in paragraaf 1.4.
|
||||
|
||||
Er vindt een evenredigheidstoets plaats op de individuele situatie van de (toen) minderjarige aan de hand van de feiten en omstandigheden op de datum waarop het verlies van rechtswege is ingetreden.
|
||||
|
||||
### 16-1-d. Toelichting ad
|
||||
|
||||
|
|
@ -7835,7 +7866,7 @@ Ook C verliest in 2008 zijn Nederlanderschap. Voor C gaat het Nederlanderschap i
|
|||
|
||||
Ook een minderjarige die het Unieburgerschap is verloren vanwege het automatisch verlies van de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 16, eerste lid aanhef en onder d RWN, kan verzoeken om toetsing aan het evenredigheidsbeginsel uit het oogpunt van het Unierecht. Verlies van de Nederlandse nationaliteit op deze grond vindt plaats als de vader of moeder het Nederlanderschap verliest op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, c of d, RWN of op grond van artikel 15A RWN.
|
||||
|
||||
Voor de beoordeling en de procedure van de evenredigheidstoets op het verlies van Unierechten wordt verwezen naar hetgeen is vermeld in paragraaf 1.4 bij de toelichting op artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a RWN en paragraaf 1.5 bij de toelichting op artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c RWN.
|
||||
Voor de beoordeling en de procedure van de evenredigheidstoets op het verlies van Unierechten wordt verwezen naar hetgeen is vermeld in paragraaf 1.4 bij de toelichting op artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a RWN.
|
||||
|
||||
Een evenredigheidstoets op het verlies van het Unieburgerschap kan ook worden uitgevoerd, na het verlies van de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c RWN (oud), als de ouders het Nederlanderschap zijn verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder c RWN (oud).
|
||||
|
||||
|
|
@ -7845,6 +7876,8 @@ Er vindt een evenredigheidstoets plaats op de individuele en persoonlijke situat
|
|||
|
||||
**Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren indien hij zelfstandig dezelfde nationaliteit verkrijgt als zijn vader of moeder.**
|
||||
|
||||
#### 1. Algemeen
|
||||
|
||||
Van verlies op grond van deze bepaling is alleen sprake indien de vreemde nationaliteitswetgeving de mogelijkheid kent dat een (Nederlandse) minderjarige zelfstandig die vreemde nationaliteit kan verkrijgen én de minderjarige door middel van deze zelfstandige verkrijgingsgrond de vreemde nationaliteit heeft verkregen. Om tot verlies van het Nederlanderschap te kunnen leiden, moet het gaan om een nationaliteit die zijn vader of moeder ook heeft.
|
||||
|
||||
Aan de verkrijging moet vrijwilligheid ten grondslag liggen. Zou een minderjarige – bijvoorbeeld als gevolg van gewijzigde wetgeving in een bepaald land – van rechtswege de nationaliteit van dat land verkrijgen, terwijl dat bovendien de nationaliteit van zijn vader of moeder is, dan zal dat voor de betreffende minderjarige geen verlies van het Nederlanderschap tot gevolg hebben, omdat het element vrijwilligheid ten aanzien van de verkregen nationaliteit ontbreekt. De nationaliteit van de vader of moeder dient aldus vrijwillig te zijn verkregen, hetzij op eigen verzoek, hetzij als gevolg van een namens de minderjarige gepleegde rechtshandeling door zijn wettelijk vertegenwoordiger(s).
|
||||
|
|
@ -7859,6 +7892,14 @@ Echter, in dit geval wordt verlies van het Nederlanderschap voorkomen door artik
|
|||
|
||||
Een eventueel toekomstig verlies van het Nederlanderschap door B leidt voor A niet tot verlies van het Nederlanderschap. Artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g, RWN is, wat dat betreft, anders geredigeerd dan artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, RWN.
|
||||
|
||||
#### 2. Evenredigheidstoets op verlies van Unieburgerschap na van rechtswege verlies van de Nederlandse nationaliteit
|
||||
|
||||
Een minderjarige raakt met het verlies van de Nederlandse nationaliteit ook zijn Unieburgerschap kwijt, tenzij hij ook een andere EU-nationaliteit bezit. Hij kan dan verzoeken om toetsing aan het unierechtelijke evenredigheidsbeginsel.
|
||||
|
||||
Voor de beoordeling en de procedure van deze evenredigheidstoets wordt verwezen naar hetgeen is vermeld bij de toelichting op artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN, paragraaf 1.4.
|
||||
|
||||
Er vindt een evenredigheidstoets plaats op de individuele situatie van de (toen) minderjarige aan de hand van de feiten en omstandigheden op de datum waarop het verlies van rechtswege is ingetreden.
|
||||
|
||||
### 16-2. Toelichting ad
|
||||
|
||||
**Het verlies van het Nederlanderschap, bedoeld in het eerste lid treedt niet in:**
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue