2003-08-01 | BWBR0003420 | Wet op het primair onderwijs
This commit is contained in:
parent
32d276449e
commit
0944410b38
1 changed files with 38 additions and 24 deletions
|
|
@ -48,7 +48,7 @@ een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel
|
|||
|
||||
*school voor voortgezet speciaal onderwijs:*
|
||||
|
||||
een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra of deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs;
|
||||
een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra;
|
||||
|
||||
*instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs:*
|
||||
|
||||
|
|
@ -56,7 +56,7 @@ een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in art
|
|||
|
||||
*school voor voortgezet onderwijs:*
|
||||
|
||||
een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in deel I van de Wet op het voortgezet onderwijs;
|
||||
een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs;
|
||||
|
||||
*openbare school:*
|
||||
|
||||
|
|
@ -105,7 +105,9 @@ b. het onder a bedoelde personeel dat zonder benoeming is tewerkgesteld, tenzij
|
|||
|
||||
*nascholing*:
|
||||
|
||||
een vorm van scholing, gegeven aan leden van het personeel om hun kennis, inzicht, vaardigheden en beroepshoudingen direct verband houdend met de uitoefening van hun beroep, voortbouwend op de in de initiële opleiding verworven aanvangsbekwaamheid te verdiepen en uit te breiden.
|
||||
een vorm van scholing, gegeven aan leden van het personeel om hun kennis, inzicht, vaardigheden en beroepshoudingen direct verband houdend met de uitoefening van hun beroep, voortbouwend op de in de initiële opleiding verworven aanvangsbekwaamheid te verdiepen en uit te breiden;
|
||||
|
||||
leerlinggebonden budget: een leerlinggebonden budget voor een leerling als bedoeld in artikel 70a.
|
||||
|
||||
### Artikel 1a
|
||||
|
||||
|
|
@ -302,7 +304,7 @@ e. geestelijke stromingen.
|
|||
|
||||
**5.** Ten aanzien van de onderwijsactiviteiten, genoemd in het eerste tot en met vierde lid, worden bij algemene maatregel van bestuur kerndoelen vastgesteld. De algemene maatregel van bestuur bedoeld in de vorige volzin, wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat 4 weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een van beide Kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.
|
||||
|
||||
**6.** Voor de school geldt de eis dat zij tenminste de kerndoelen bij haar onderwijsactiviteiten als aan het eind van het basisonderwijs te bereiken doelstellingen hanteert. Kerndoelen geven een beschrijving van kwaliteiten van leerlingen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden.
|
||||
**6.** Voor de school geldt de eis dat zij tenminste de kerndoelen bij haar onderwijsactiviteiten als aan het eind van het basisonderwijs te bereiken doelstellingen hanteert. Kerndoelen geven een beschrijving van kwaliteiten van leerlingen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden. Indien de eerste volzin niet kan worden toegepast voor een leerling voor wie een leerlinggebonden budget beschikbaar is dan wel voor een visueel gehandicapte leerling, wordt in het handelingsplan, bedoeld in artikel 40a, aangegeven wat daarvan de reden is en welke vervangende onderwijsdoelen worden gehanteerd.
|
||||
|
||||
**7.** Indien een bevoegd gezag van een bijzondere school dringend bedenkingen heeft tegen de krachtens het vijfde lid vastgestelde kerndoelen, kan het bevoegd gezag eigen kerndoelen voor de school vaststellen. Deze kerndoelen zijn van gelijk niveau als de kerndoelen, bedoeld in het vijfde lid. Het bevoegd gezag zendt de vastgestelde kerndoelen aan de inspecteur.
|
||||
|
||||
|
|
@ -351,7 +353,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**1.** Het schoolplan bevat een beschrijving van het beleid met betrekking tot de kwaliteit van het onderwijs dat binnen de school wordt gevoerd, en omvat in elk geval het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid en het beleid met betrekking tot de bewaking en verbetering van de kwaliteit van het onderwijs. Het schoolplan omvat mede het beleid ten aanzien van de aanvaarding van materiële bijdragen of geldelijke bijdragen, niet zijnde ouderbijdragen of op de onderwijswetgeving gebaseerde bijdragen, indien het bevoegd gezag daarbij verplichtingen op zich neemt waarmee de leerlingen binnen de schooltijden en tijdens de activiteiten die worden georganiseerd onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, alsmede tijdens het overblijven, zullen worden geconfronteerd. Het schoolplan kan op een of meer scholen voor basisonderwijs en een of meer scholen voor ander onderwijs van hetzelfde bevoegd gezag betrekking hebben.
|
||||
|
||||
**2.** Het onderwijskundig beleid omvat in elk geval de uitwerking van de wettelijke opdrachten voor het onderwijs en van de door het bevoegd gezag in het schoolplan opgenomen eigen opdrachten voor het onderwijs in een onderwijsprogramma. Daarbij worden tevens betrokken de voorzieningen die zijn getroffen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften.
|
||||
**2.** Het onderwijskundig beleid omvat in elk geval de uitwerking van de wettelijke opdrachten voor het onderwijs en van de door het bevoegd gezag in het schoolplan opgenomen eigen opdrachten voor het onderwijs in een onderwijsprogramma. Daarbij worden tevens betrokken de voorzieningen die zijn getroffen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften en voor leerlingen voor wie een leerlinggebonden budget beschikbaar is.
|
||||
|
||||
**3.** Het personeelsbeleid, voor zover dat in het schoolplan tot uitdrukking wordt gebracht, omvat in elk geval maatregelen met betrekking tot het personeel die bijdragen aan de ontwikkeling en de uitvoering van het onderwijskundig beleid alsmede het document inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding, bedoeld in artikel 30 van de wet.
|
||||
|
||||
|
|
@ -368,7 +370,7 @@ a. de doelen van het onderwijs en de resultaten die met het onderwijsleerproces
|
|||
1°. de resultaten worden beschreven die met het onderwijsleerproces worden bereikt, en
|
||||
2°. de context wordt vermeld waarin de onder 1° bedoelde resultaten dienen te worden geplaatst.
|
||||
b. de wijze waarop aan de zorg voor het jonge kind wordt vormgegeven,
|
||||
c. de wijze waarop aan de zorg voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften wordt vormgegeven,
|
||||
c. de wijze waarop aan de zorg voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften en voor leerlingen voor wie een leerlinggebonden budget beschikbaar is, wordt vormgegeven
|
||||
d. de wijze waarop de verplichte onderwijstijd wordt benut,
|
||||
e. de geldelijke bijdrage, bedoeld in artikel 40, eerste lid, waarbij een ontwerp van een overeenkomst voor een dergelijke bijdrage, die voldoet aan de eisen die in artikel 40, eerste lid, zijn geformuleerd, in de schoolgids wordt opgenomen,
|
||||
f. de rechten en plichten van de ouders, de verzorgers, de leerlingen en het bevoegd gezag, waaronder de informatie over de klachtenregeling, bedoeld in artikel 14, en de gronden voor vrijstelling van het onderwijs, bedoeld in artikel 41, tweede lid, en
|
||||
|
|
@ -629,7 +631,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het bevoegd gezag of de bevoegde gezagsorganen van scholen in een samenwerkingsverband stellen een permanente commissie leerlingenzorg in. Deze commissie bepaalt op aanvraag van de ouders of plaatsing van een leerling op een speciale school voor basisonderwijs noodzakelijk is. De commissie kan voorts worden belast met andere taken. Indien sprake is van een samenwerkingsverband zonder speciale school voor basisonderwijs is de tweede volzin niet van toepassing en adviseert de commissie in elk geval
|
||||
Het bevoegd gezag of de bevoegde gezagsorganen van scholen in een samenwerkingsverband stellen een permanente commissie leerlingenzorg in. Deze commissie bepaalt op aanvraag van de ouders of plaatsing van een leerling op een speciale school voor basisonderwijs noodzakelijk is. De commissie weigert de toelaatbaarheid tot een speciale school voor basisonderwijs niet op grond van het feit dat de leerling aangewezen zou zijn op een onderwijssoort binnen een cluster als bedoeld in artikel 2, vierde lid onder b of c, dan wel tot het cluster, bedoeld in genoemd artikel onder d, van de Wet op de expertisecentra, indien een commissie voor de indicatiestelling, bedoeld in artikel 28c van genoemde wet, heeft geoordeeld dat die leerling niet toelaatbaar is tot een onderwijssoort binnen dat cluster dan wel tot het cluster, bedoeld in artikel 2, vierde lid onder d, van die wet. De commissie kan voorts worden belast met andere taken. Indien sprake is van een samenwerkingsverband zonder speciale school voor basisonderwijs is de tweede volzin niet van toepassing en adviseert de commissie in elk geval
|
||||
|
||||
a. op verzoek van de ouders of het bevoegd gezag van de basisschool die de leerling bezoekt over de wijze waarop een leerling op die school kan worden begeleid, en
|
||||
b. indien in het samenwerkingsverband voorzieningen zijn getroffen ten behoeve van de basisscholen voor de opvang van kinderen die extra zorg behoeven over de verwijzing naar die voorzieningen.
|
||||
|
|
@ -843,7 +845,7 @@ b. indien een geschil inzake de desbetreffende voorgenomen beslissing bij die co
|
|||
|
||||
**1.** De beslissing over toelating en verwijdering van leerlingen berust bij het bevoegd gezag. De toelating tot de school is niet afhankelijk van het houden van rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000. De toelating mag niet afhankelijk worden gesteld van een geldelijke bijdrage van de ouders. Overeenkomsten waarbij ouders worden verplicht tot het betalen van een geldelijke bijdrage zijn nietig, behoudens voorzover zij na de toelating van de leerling tot de school schriftelijk zijn aangegaan en in het desbetreffende schriftelijke stuk aan de ouders kenbaar is gemaakt dat het een vrijwillige bijdrage betreft waarvoor de overeenkomst niet behoeft te worden aangegaan, doch waarvoor geldt dat na de ondertekening wel een verplichting tot betaling van de overeengekomen bijdrage bestaat. Zodanige overeenkomsten zijn evenzeer nietig, indien deze niet hebben voorzien in de vermelding dat de ouders de mogelijkheid hebben er voor te kiezen om de overeenkomst slechts voor bepaalde voorzieningen aan te gaan en ten behoeve daarvan niet een specificatie voor de te onderscheiden voorzieningen in de overeenkomst is opgenomen. Zodanige overeenkomsten zijn voorts nietig indien ten aanzien daarvan geen reductie- en kwijtscheldingsregeling geldt en de inhoud van die regeling niet in de overeenkomst is opgenomen. Een overeenkomst wordt telkens voor de periode van een schooljaar aangegaan.
|
||||
|
||||
**2.** Toelating van leerlingen afkomstig van een school voor speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, alsmede overgang van een leerling naar een dergelijke school of instelling, vindt slechts plaats in overeenstemming met de ouders en het bevoegd gezag van de desbetreffende school of instelling.
|
||||
**2.** Toelating van leerlingen afkomstig van een school voor speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, alsmede overgang van een leerling naar een dergelijke school of instelling, vindt slechts plaats in overeenstemming met de ouders.
|
||||
|
||||
**3.** Een leerling wordt niet toegelaten tot een speciale school voor basisonderwijs dan nadat de permanente commissie leerlingenzorg van het samenwerkingsverband waarvan de speciale school voor basisonderwijs deel uitmaakt, heeft bepaald dat plaatsing van de leerling op een zodanige school noodzakelijk is. Indien de permanente commissie leerlingenzorg, bedoeld in de eerste volzin, heeft bepaald dat plaatsing van de leerling op een speciale school voor basisonderwijs noodzakelijk is, wordt de leerling toegelaten uiterlijk met ingang van het eerste van de volgende tijdstippen: de eerste dag na de voor de school geldende zomervakantie, de eerste dag na de voor de school geldende kerstvakantie dan wel 1 april.
|
||||
|
||||
|
|
@ -853,9 +855,17 @@ b. indien een geschil inzake de desbetreffende voorgenomen beslissing bij die co
|
|||
|
||||
**6.** Indien tegen het besluit, bedoeld in het eerste lid, van het bevoegd gezag van een openbare school bezwaar is gemaakt, besluit het bevoegd gezag in afwijking van artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht binnen 4 weken na ontvangst van het bezwaarschrift.
|
||||
|
||||
### Artikel 40a
|
||||
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag van een school waar een visueel gehandicapte leerling is ingeschreven of een leerling voor wie een leerlinggebonden budget beschikbaar is, stelt in overeenstemming met de ouders voor elk schooljaar een handelingsplan op. Indien de inschrijving van de in de eerste volzin bedoelde leerling plaatsvindt op of na 1 augustus wordt het handelingsplan zo spoedig mogelijk doch uiterlijk een maand na die inschrijving opgesteld.
|
||||
|
||||
**2.** In het handelingsplan dat betrekking heeft op het laatste schooljaar van de periode gedurende welke voor de leerling een leerlinggebonden budget beschikbaar is, wordt aangegeven dat de voortzetting van de voorzieningen die voor de leerling zijn getroffen op basis van het leerlinggebonden budget, afhankelijk is van een nieuwe beoordeling door een zodanige commissie voor de indicatiestelling.
|
||||
|
||||
**3.** Het handelingsplan wordt jaarlijks met de ouders geëvalueerd.
|
||||
|
||||
### Artikel 41
|
||||
|
||||
**1.** De leerlingen nemen deel aan alle voor hen bestemde onderwijsactiviteiten, onverminderd artikel 172, eerste lid.
|
||||
**1.** Onverminderd artikel 172, eerste lid, nemen de leerlingen deel aan alle voor hen bestemde onderwijsactiviteiten, met dien verstande dat die onderwijsactiviteiten voor de leerlingen onderling kunnen verschillen.
|
||||
|
||||
**2.** Het bevoegd gezag kan op verzoek van de ouders een leerling vrijstellen van het deelnemen aan bepaalde onderwijsactiviteiten. Een vrijstelling kan slechts worden verleend op door het bevoegd gezag vastgestelde gronden. Het bevoegd gezag bepaalt bij de vrijstelling welke onderwijsactiviteiten voor de leerling in de plaats komen van die waarvan vrijstelling is verleend.
|
||||
|
||||
|
|
@ -871,12 +881,16 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**1.** Binnen vier weken na een daartoe strekkend verzoek van een permanente commissie leerlingenzorg als bedoeld in artikel 23 zendt de basisschool de commissie de gegevens waaruit blijkt om welke reden naar het oordeel van de directeur van de basisschool, mede op advies van het onderwijzend personeel van de school, de leerling niet op de school kan worden gehandhaafd en een beschrijving van de maatregelen die tijdens het verblijf van de leerling op de school zijn getroffen om te bewerkstelligen dat de leerling wel op de school zou kunnen worden gehandhaafd. De basisschool verstrekt de commissie desgevraagd tevens binnen vier weken alle nadere gegevens die de commissie verlangt en die redelijkerwijs door de school kunnen worden verstrekt.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing bij overgang van een leerling van een speciale school voor basisonderwijs naar een dergelijke school in een ander samenwerkingsverband, met dien verstande dat de gegevens inzicht geven in de voortgang van de ontwikkeling van de leerling en vergezeld gaan van het handelingsplan.
|
||||
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing bij overgang van een leerling van een speciale school voor basisonderwijs naar een dergelijke school in een ander samenwerkingsverband, met dien verstande dat de gegevens inzicht geven in de voortgang van de ontwikkeling van de leerling.
|
||||
|
||||
**3.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een verzoek van de permanente commissie leerlingenzorg met betrekking tot een leerling van een school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, met dien verstande dat de gegevens inzicht geven in de voortgang van de ontwikkeling van de leerling.
|
||||
|
||||
**4.** Afschrift van het rapport, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, en van het handelingsplan wordt aan de ouders van de leerling verstrekt.
|
||||
|
||||
**5.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien het een verzoek betreft van ouders van een leerling in het kader van hun verzoek aan de commissie voor de indicatiestelling, bedoeld in artikel 28c, van de Wet op de expertisecentra
|
||||
|
||||
**6.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de in dit artikel bedoelde gegevens.
|
||||
|
||||
**5.** Bij het verstrekken van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, meldt de basisschool wanneer en aan welke permanente commissie leerlingenzorg door haar reeds eerder dergelijke gegevens over de leerling werden verstrekt.
|
||||
|
||||
##### Paragraaf 5. Ouders
|
||||
|
|
@ -1125,7 +1139,7 @@ i. de aanwijzing van een andere school of andere scholen waaraan een personeelsl
|
|||
|
||||
**1.** Indien het bevoegd gezag van een bijzondere school op grond van artikel 36, derde lid, een student de toegang weigert, deelt het deze beslissing, schriftelijk en met redenen omkleed, mede door toezending of uitreiking aan de student, onverminderd het bepaalde in dat artikellid.
|
||||
|
||||
**2.** Indien het bevoegd gezag van een bijzondere school op grond van artikel 40 weigert een leerling toe te laten dan wel een leerling verwijdert, deelt het de beslissing daartoe, schriftelijk en met redenen omkleed, mede door toezending of uitreiking aan de ouders. Daarbij wordt tevens de inhoud van het bepaalde in het derde lid, eerste volzin, vermeld. Voordat het bevoegd gezag van een bijzondere school op grond van dat artikellid beslist tot verwijdering van een leerling, hoort het de ouders van de leerling, onverminderd het bepaalde in dat artikellid.
|
||||
**2.** Indien het bevoegd gezag van een bijzondere school op grond van artikel 40 weigert een leerling toe te laten dan wel een leerling verwijdert, deelt het de beslissing daartoe, schriftelijk en met redenen omkleed, mede door toezending of uitreiking aan de ouders. Daarbij wordt tevens de inhoud van het bepaalde in het derde lid, eerste volzin, vermeld. Voordat het bevoegd gezag van een bijzondere school op grond van dat artikellid beslist tot verwijdering van een leerling, hoort het de ouders van de leerling, onverminderd het bepaalde in dat artikellid. Het bevoegd gezag neemt de beslissing, bedoeld in de eerste volzin, zo spoedig mogelijk, met dien verstande dat de beslissing over de toelating van een leerling voor wie een leerlinggebonden budget beschikbaar is uiterlijk drie maanden na ontvangst van het verzoek tot toelating wordt genomen.
|
||||
|
||||
**3.** Binnen 6 weken na de mededeling, bedoeld in het tweede lid, kunnen de ouders bij het bevoegd gezag schriftelijk hun bezwaren kenbaar maken tegen de beslissing. Het bevoegd gezag beslist binnen 4 weken na ontvangst van de bezwaren. Alvorens te beslissen hoort het bevoegd gezag de ouders.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1850,7 +1864,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 108
|
||||
|
||||
**1.** Voor zover artikel 107 geen toepassing vindt, kan het bevoegd gezag een gedeelte van een gebouw of terrein in gebruik geven ten behoeve van uit de openbare kas bekostigd onderwijs dan wel voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Voor zover niet nodig voor uit de openbare kas bekostigd onderwijs, kan het bevoegd gezag een gedeelte van het gebouw of terrein verhuren aan een derde, voor zover het gehuurde niet bestemd zal zijn als woon- of bedrijfsruimte als bedoeld in de artikelen 1623a, tweede lid, en 1624, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek. Indien het een niet door de gemeente in stand gehouden school betreft, is voor verhuur toestemming van burgemeester en wethouders vereist.
|
||||
**1.** Voor zover artikel 107 geen toepassing vindt, kan het bevoegd gezag een gedeelte van een gebouw of terrein in gebruik geven ten behoeve van uit de openbare kas bekostigd onderwijs dan wel voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Voor zover niet nodig voor uit de openbare kas bekostigd onderwijs, kan het bevoegd gezag een gedeelte van het gebouw of terrein verhuren aan een derde, voor zover het gehuurde niet bestemd zal zijn als woon- of bedrijfsruimte in de zin van de vijfde en zesde afdeling van titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Indien het een niet door de gemeente in stand gehouden school betreft, is voor verhuur toestemming van burgemeester en wethouders vereist.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1861,7 +1875,7 @@ b. indien het in gebruik gegeven dan wel verhuurde deel nodig is voor gebruik do
|
|||
|
||||
**3.** Ingebruikgeving of verhuur ingevolge het eerste lid geschiedt niet indien het voorgenomen gebruik zich niet verdraagt met het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school.
|
||||
|
||||
**4.** Op de ingebruikgeving en verhuur ingevolge het eerste lid zijn de bepalingen van de Huurwet niet van toepassing.
|
||||
**4.** Op de ingebruikgeving en verhuur ingevolge het eerste lid is artikel 230a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing.
|
||||
|
||||
**5.** Het zonder toestemming van burgemeester en wethouders verhuren van een gebouw of terrein door het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school alsmede elk met dit artikel strijdig beding opgenomen in een huurovereenkomst met betrekking tot schoolgebouwen, is nietig.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1895,7 +1909,7 @@ Voorzieningen aan gebouwen of terreinen in verband met verhuur krachtens de arti
|
|||
|
||||
**8.** De toestemming, bedoeld in het zevende lid, wordt verleend voor een tijdvak van ten hoogste 3 jaren. Op verzoek van het bevoegd gezag kan dit tijdvak telkens worden verlengd met een termijn van ten hoogste 3 jaren.
|
||||
|
||||
**9.** De Huurwet is niet van toepassing op de verhuur, bedoeld in het zevende lid.
|
||||
**9.** Op de verhuur, bedoeld in het zevende lid, is artikel 230a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel
|
||||
|
||||
|
|
@ -2535,13 +2549,13 @@ Waar in deze paragraaf sprake is van een aantal leerlingen, is dat het aantal le
|
|||
|
||||
### Artikel 153
|
||||
|
||||
**1.** De bekostiging van een bijzondere school wordt beëindigd en een openbare school wordt opgeheven indien het aantal leerlingen, voor zover het niet betreft het aantal leerlingen van een nevenvestiging, gedurende 2 achtereenvolgende schooljaren of in het eerste en het derde schooljaar van 3 achtereenvolgende schooljaren telkens minder heeft bedragen dan de opheffingsnorm die, berekend overeenkomstig de artikelen 154 en 155, geldt voor de gemeente of voor het deel van de gemeente waarin de school, daaronder niet begrepen een nevenvestiging, is gelegen. De eerste volzin is niet van toepassing zolang gedurende de eerste 5 schooljaren van de bekostiging van een school het aantal leerlingen van de school, voor zover het niet betreft het aantal leerlingen van een nevenvestiging, niet heeft voldaan aan de stichtingsnorm die werd vastgesteld met toepassing van artikel 77, tweede lid, en op grond waarvan de school voor bekostiging in aanmerking werd genomen. De tweede volzin is niet van toepassing op scholen als bedoeld in artikel 84.
|
||||
**1.** De bekostiging van een bijzondere school wordt beëindigd en een openbare school wordt opgeheven indien het aantal leerlingen, voor zover het niet betreft het aantal leerlingen van een nevenvestiging, gedurende 3 achtereenvolgende schooljaren telkens minder heeft bedragen dan de opheffingsnorm die, berekend overeenkomstig de artikelen 154 en 155, geldt voor de gemeente of voor het deel van de gemeente waarin de school, daaronder niet begrepen een nevenvestiging, is gelegen. De eerste volzin is niet van toepassing zolang gedurende de eerste 5 schooljaren van de bekostiging van een school het aantal leerlingen van de school, voor zover het niet betreft het aantal leerlingen van een nevenvestiging, niet heeft voldaan aan de stichtingsnorm die werd vastgesteld met toepassing van artikel 77, tweede lid, en op grond waarvan de school voor bekostiging in aanmerking werd genomen. De tweede volzin is niet van toepassing op scholen als bedoeld in artikel 84.
|
||||
|
||||
**2.** De opheffingsnormen, berekend op grond van artikel 154, zijn voor de eerste maal opgenomen in de bij deze wet behorende bijlage. Deze normen zijn tot en met 31 juli 1998 van kracht. Deze normen worden met ingang van 1 augustus 1998 telkens voor een tijdvak van 5 jaar bij ministeriële regeling aangepast op basis van de gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek betreffende 1 januari van het tweede jaar voorafgaand aan het laatste jaar waarin de opheffingsnormen van kracht zijn. De ministeriële regeling, bedoeld in de derde volzin, wordt, te zamen met bij die regeling op grond van artikel 155 vastgestelde normen voor delen van gemeenten, voor 1 november van het jaar voorafgaand aan het laatste jaar waarin de opheffingsnormen van kracht zijn, bekendgemaakt in het officiële publikatieblad van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Van de bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
|
||||
|
||||
**3.** De beëindiging van de bekostiging van een bijzondere school of de opheffing van een openbare school geschiedt met ingang van 1 augustus volgend op de 2 achtereenvolgende schooljaren onderscheidenlijk met ingang van 1 augustus volgend op de 3 achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in het eerste lid. De beëindiging van de bekostiging van een bijzondere school of de opheffing van een openbare school ten aanzien waarvan gedurende de eerste 5 schooljaren van de bekostiging van de school het eerste lid, tweede volzin, toepassing diende te vinden, geschiedt met ingang van 1 augustus volgend op die 5 schooljaren.
|
||||
**3.** De beëindiging van de bekostiging van een bijzondere school of de opheffing van een openbare school geschiedt met ingang van 1 augustus volgend op de 3 achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in het eerste lid. De beëindiging van de bekostiging van een bijzondere school of de opheffing van een openbare school ten aanzien waarvan gedurende de eerste 5 schooljaren van de bekostiging van de school het eerste lid, tweede volzin, toepassing diende te vinden, geschiedt met ingang van 1 augustus volgend op die 5 schooljaren.
|
||||
|
||||
**4.** Indien het aantal leerlingen van een bijzondere school of een openbare school, voor zover het niet betreft het aantal leerlingen van een nevenvestiging, in het tweede schooljaar van de 2 achtereenvolgende schooljaren onderscheidenlijk in het derde schooljaar van de 3 achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in het eerste lid, gelijk is aan of meer bedraagt dan 50 en de school, daaronder niet begrepen een nevenvestiging, binnen een straal van 5 km de laatste school van de richting is onderscheidenlijk de laatste openbare school is, wordt de bekostiging van de bijzondere school niet beëindigd of de openbare school niet opgeheven op grond van dit artikel, mits het bevoegd gezag tijdig de in artikel 160, tweede lid, bedoelde mededeling heeft gedaan.
|
||||
**4.** Indien het aantal leerlingen van een bijzondere school of een openbare school, voor zover het niet betreft het aantal leerlingen van een nevenvestiging, in het derde schooljaar van de 3 achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in het eerste lid, gelijk is aan of meer bedraagt dan 50 en de school, daaronder niet begrepen een nevenvestiging, binnen een straal van 5 km de laatste school van de richting is onderscheidenlijk de laatste openbare school is, wordt de bekostiging van de bijzondere school niet beëindigd of de openbare school niet opgeheven op grond van dit artikel, mits het bevoegd gezag tijdig de in artikel 160, tweede lid, bedoelde mededeling heeft gedaan.
|
||||
|
||||
**5.** Indien binnen 10 km van een school waarbinnen openbaar onderwijs wordt gegeven, over de weg gemeten geen school aanwezig is waarbinnen openbaar onderwijs wordt gegeven en aan het volgen van openbaar onderwijs behoefte bestaat, wordt de eerstgenoemde school niet opgeheven op grond van dit artikel.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2577,9 +2591,9 @@ De uitkomst van de berekening wordt afgerond, waarbij de decimalen worden verwaa
|
|||
|
||||
### Artikel 157
|
||||
|
||||
**1.** Indien een bevoegd gezag scholen in stand houdt in uitsluitend 1 gemeente of, ingeval voor die gemeente op grond van artikel 155 opheffingsnormen zijn vastgesteld, in uitsluitend 1 deel van die gemeente, wordt, in afwijking van artikel 153, eerste tot en met derde lid, de bekostiging van een bijzondere school niet beëindigd en een openbare school niet opgeheven op grond van artikel 153 indien de school ten minste 23 leerlingen telt, de gemiddelde schoolgrootte van alle scholen van dat bevoegd gezag ten minste 10/6x de voor die gemeente onderscheidenlijk dat deel van de gemeente geldende opheffingsnorm, dan wel ten minste 290 bedraagt en het bevoegd gezag tijdig de in artikel 160, tweede lid, bedoelde mededeling heeft gedaan.
|
||||
**1.** Indien een bevoegd gezag scholen in stand houdt in uitsluitend 1 gemeente of, ingeval voor die gemeente op grond van artikel 155 opheffingsnormen zijn vastgesteld, in uitsluitend 1 deel van die gemeente, wordt, in afwijking van artikel 153, eerste tot en met derde lid, de bekostiging van een bijzondere school niet beëindigd en een openbare school niet opgeheven op grond van artikel 153 indien de school ten minste 23 leerlingen telt, de gemiddelde schoolgrootte van alle scholen van dat bevoegd gezag ten minste 10/6x de voor die gemeente onderscheidenlijk dat deel van de gemeente geldende opheffingsnorm, dan wel ten minste 290 bedraagt en het bevoegd gezag tijdig de in artikel 160, tweede lid, bedoelde mededeling heeft gedaan. Indien het bevoegd gezag dat bij die mededeling aangeeft, tellen bij de toepassing van de gemiddelde schoolgrootte niet mee de door hem aangeduide scholen die sinds de aanvang van de bekostiging niet meer dan 5 schooljaren zijn bekostigd en waarvan het aantal leerlingen, voor zover het niet betreft het aantal leerlingen van een nevenvestiging, niet heeft voldaan aan de stichtingsnorm op grond waarvan de school voor bekostiging in aanmerking werd genomen. De tweede volzin is niet van toepassing op scholen als bedoeld in artikel 84.
|
||||
|
||||
**2.** Indien een bevoegd gezag scholen in stand houdt in meer dan 1 gemeente, of in meer dan 1 deel van een gemeente waarvoor op grond van artikel 155 opheffingsnormen zijn vastgesteld, wordt, in afwijking van artikel 153, eerste tot en met derde lid, de bekostiging van een bijzondere school niet beëindigd en een openbare school niet opgeheven op grond van artikel 153 indien de school ten minste 23 leerlingen telt en de gemiddelde schoolgrootte van alle scholen van dat bevoegd gezag ten minste 10/6x het gewogen gemiddelde van de voor elk van die gemeenten en delen van gemeenten geldende opheffingsnormen, dan wel ten minste 290 bedraagt en het bevoegd gezag tijdig de in artikel 160, tweede lid, bedoelde mededeling heeft gedaan. Het gewogen gemiddelde, bedoeld in de eerste volzin, wordt vastgesteld door het aantal scholen van het bevoegd gezag in elke gemeente of elk deel van een gemeente te vermenigvuldigen met de voor die gemeente onderscheidenlijk dat deel geldende opheffingsnorm en de som van de verkregen uitkomsten te delen door het totale aantal scholen van het bevoegd gezag.
|
||||
**2.** Indien een bevoegd gezag scholen in stand houdt in meer dan 1 gemeente, of in meer dan 1 deel van een gemeente waarvoor op grond van artikel 155 opheffingsnormen zijn vastgesteld, wordt, in afwijking van artikel 153, eerste tot en met derde lid, de bekostiging van een bijzondere school niet beëindigd en een openbare school niet opgeheven op grond van artikel 153 indien de school ten minste 23 leerlingen telt en de gemiddelde schoolgrootte van alle scholen van dat bevoegd gezag ten minste 10/6x het gewogen gemiddelde van de voor elk van die gemeenten en delen van gemeenten geldende opheffingsnormen, dan wel ten minste 290 bedraagt en het bevoegd gezag tijdig de in artikel 160, tweede lid, bedoelde mededeling heeft gedaan. Het gewogen gemiddelde, bedoeld in de eerste volzin, wordt vastgesteld door het aantal scholen van het bevoegd gezag in elke gemeente of elk deel van een gemeente te vermenigvuldigen met de voor die gemeente onderscheidenlijk dat deel geldende opheffingsnorm en de som van de verkregen uitkomsten te delen door het totale aantal scholen van het bevoegd gezag. Indien het bevoegd gezag dat bij de mededeling, bedoeld in de eerste volzin, aangeeft, tellen bij de toepassing van de gemiddelde schoolgrootte en het gewogen gemiddelde niet mee de door hem aangeduide scholen die sinds de aanvang van de bekostiging niet meer dan 5 schooljaren zijn bekostigd en waarvan het aantal leerlingen, voor zover het niet betreft het aantal leerlingen van een nevenvestiging, niet heeft voldaan aan de stichtingsnorm op grond waarvan de school voor bekostiging in aanmerking werd genomen. De derde volzin is niet van toepassing op scholen als bedoeld in artikel 84.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -2605,7 +2619,7 @@ c. in de overeenkomst is in elk geval opgenomen de verplichting voor elk bevoegd
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De bekostiging van een bijzondere nevenvestiging wordt beëindigd of een openbare nevenvestiging wordt opgeheven indien de nevenvestiging gedurende 2 achtereenvolgende schooljaren of in het eerste en het derde schooljaar van 3 achtereenvolgende schooljaren op de teldatum 1 oktober niet heeft voldaan of geacht wordt niet te hebben voldaan aan een van de volgende voorwaarden:
|
||||
De bekostiging van een bijzondere nevenvestiging wordt beëindigd of een openbare nevenvestiging wordt opgeheven indien de nevenvestiging gedurende 3 achtereenvolgende schooljaren op de teldatum 1 oktober niet heeft voldaan of geacht wordt niet te hebben voldaan aan een van de volgende voorwaarden:
|
||||
|
||||
a. het aantal leerlingen van de nevenvestiging bedraagt ten minste 23 en binnen een straal van 2 km bevindt zich geen school,
|
||||
b. het aantal leerlingen van de nevenvestiging bedraagt ten minste 50 en binnen een straal van 3 km bevindt zich geen school waar onderwijs wordt gegeven van dezelfde richting of richtingen onderscheidenlijk waar openbaar onderwijs wordt gegeven,
|
||||
|
|
@ -2613,7 +2627,7 @@ c. het aantal leerlingen van de nevenvestiging bedraagt ten minste 23 en binnen
|
|||
d. binnen 10 km van de openbare nevenvestiging over de weg gemeten, is geen andere school aanwezig waarbinnen openbaar onderwijs wordt gegeven, of
|
||||
e. bij het gelijkstellen van de nevenvestiging met een zelfstandige school zou deze met toepassing van artikel 157 en onder vervanging van het getal 290 in dat artikel door 260, voor bekostiging in aanmerking komen.
|
||||
|
||||
**2.** De beëindiging van de bekostiging van een bijzondere nevenvestiging of de opheffing van een openbare nevenvestiging geschiedt met ingang van 1 augustus volgend op de 2 achtereenvolgende schooljaren, onderscheidenlijk met ingang van 1 augustus volgend op de 3 achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
**2.** De beëindiging van de bekostiging van een bijzondere nevenvestiging of de opheffing van een openbare nevenvestiging geschiedt met ingang van 1 augustus volgend op de 3 achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
**3.** Indien het bevoegd gezag van oordeel is dat op de teldatum 1 oktober wordt voldaan aan een van de voorwaarden genoemd in het eerste lid en het de nevenvestiging in het op die datum volgende schooljaar wil handhaven, deelt het dit voor 1 februari voorafgaand aan dat schooljaar onder de gemotiveerde vermelding van de voorwaarde die het betreft schriftelijk mede aan Onze minister. Indien deze mededeling niet tijdig wordt gedaan, wordt de nevenvestiging geacht gedurende het desbetreffende schooljaar niet aan een van de voorwaarden genoemd in het eerste lid te voldoen, tenzij het eerste lid, onder d, van toepassing is.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2621,7 +2635,7 @@ e. bij het gelijkstellen van de nevenvestiging met een zelfstandige school zou d
|
|||
|
||||
Onze minister maakt voor 1 mei, volgend op de mededeling, bedoeld in het derde lid, aan het bevoegd gezag van de desbetreffende school bekend dat
|
||||
|
||||
a. de nevenvestiging naar zijn oordeel gedurende 2 achtereenvolgende schooljaren of in het eerste en het derde schooljaar van 3 achtereenvolgende schooljaren op de teldatum 1 oktober niet heeft voldaan of geacht wordt niet te hebben voldaan aan een van de voorwaarden genoemd in het eerste lid zodat de bekostiging van de bijzondere nevenvestiging wordt beëindigd of de openbare nevenvestiging dient te worden opgeheven,
|
||||
a. de nevenvestiging naar zijn oordeel gedurende 3 achtereenvolgende schooljaren op de teldatum 1 oktober niet heeft voldaan of geacht wordt niet te hebben voldaan aan een van de voorwaarden genoemd in het eerste lid zodat de bekostiging van de bijzondere nevenvestiging wordt beëindigd of de openbare nevenvestiging dient te worden opgeheven,
|
||||
b. de nevenvestiging naar zijn oordeel niet voldoet aan een van de voorwaarden genoemd in het eerste lid maar, gelet op het eerste lid, de bekostiging van de bijzondere nevenvestiging wordt voortgezet of de openbare nevenvestiging in stand kan worden gehouden, of
|
||||
c. de nevenvestiging naar zijn oordeel voldoet aan een van de voorwaarden genoemd in het eerste lid, zodat de bekostiging van de bijzondere nevenvestiging wordt voortgezet of de openbare nevenvestiging in stand kan, dan wel dient te worden gehouden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2822,7 +2836,7 @@ De gemeenteraad kan onderdeel a van het plan, voor zover het betreft een aanpass
|
|||
Het plan heeft betrekking op:
|
||||
|
||||
a. basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs,
|
||||
b. scholen als bedoeld in de Wet op de expertisecentra en deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs, en
|
||||
b. scholen als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, en
|
||||
c. rechtspersonen die niet een school als bedoeld onder a of b in stand houden en naar het oordeel van de gemeenteraad in aanmerking komen voor het verzorgen van onderwijs in allochtone levende talen.
|
||||
|
||||
Voor de toepassing van deze afdeling wordt met een school gelijkgesteld een op het grondgebied van de gemeente gelegen nevenvestiging van een school waarvan de hoofdvestiging in een andere gemeente is gelegen.
|
||||
|
|
@ -2912,7 +2926,7 @@ Het bevoegd gezag en de gemeente zijn verplicht Onze minister en de door hem aan
|
|||
|
||||
**2.** De schoolbegeleidingsdienst gaat uit van een gemeente of een andere rechtspersoon die krachtens de doelstelling en gezien de activiteiten niet het maken van winst beoogt.
|
||||
|
||||
**3.** De schoolbegeleidingsdienst heeft tot taak het ten behoeve van elke school en uitgaande van de in elk van de scholen aanwezige behoeften op verzoek van het bevoegd gezag van die scholen verrichten van begeleidingsactiviteiten, ontwikkelingsactiviteiten, advisering, informatieverstrekking en evaluatie, alsmede van activiteiten die dienen tot bevordering van een optimale schoolloopbaan van leerlingen. Onder activiteiten die dienen tot bevordering van een optimale schoolloopbaan van leerlingen wordt mede verstaan het ondersteunen bij het onderwijs aan leerlingen van basisscholen, speciale scholen voor basisonderwijs, scholen voor speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 2, tweede lid onder a, b, c, f, h, j, k, m of n, van de Wet op de expertisecentra, instellingen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8, eerste lid tweede volzin, van de Wet op de expertisecentra, scholen voor voortgezet onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs en instellingen voor beroepsonderwijs die zijn opgenomen in een ziekenhuis niet zijnde een academisch ziekenhuis of die in verband met ziekte thuis verblijven.
|
||||
**3.** De schoolbegeleidingsdienst heeft tot taak het ten behoeve van elke school en uitgaande van de in elk van de scholen aanwezige behoeften op verzoek van het bevoegd gezag van die scholen verrichten van begeleidingsactiviteiten, ontwikkelingsactiviteiten, advisering, informatieverstrekking en evaluatie, alsmede van activiteiten die dienen tot bevordering van een optimale schoolloopbaan van leerlingen. Onder activiteiten die dienen tot bevordering van een optimale schoolloopbaan van leerlingen wordt mede verstaan het ondersteunen bij het onderwijs aan leerlingen van basisscholen, speciale scholen voor basisonderwijs, scholen voor speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 2, tweede lid onder a, b, c, f, h, j, k, m of n, van de Wet op de expertisecentra, instellingen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8, eerste lid tweede volzin, van de Wet op de expertisecentra, scholen voor voortgezet onderwijs en instellingen voor beroepsonderwijs die zijn opgenomen in een ziekenhuis niet zijnde een academisch ziekenhuis of die in verband met ziekte thuis verblijven.
|
||||
|
||||
**4.** Het ondersteunen, bedoeld in het derde lid, kan in overeenstemming tussen de schoolbegeleidingsdienst en de school waarbij de leerling is ingeschreven, mede het geven van onderwijs aan de leerling betreffen.
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue