diff --git a/wet/wet-maatregelen-woningmarkt-2014-ii/BWBR0034553/README.md b/wet/wet-maatregelen-woningmarkt-2014-ii/BWBR0034553/README.md index e806c0a1460..01c19b750b8 100644 --- a/wet/wet-maatregelen-woningmarkt-2014-ii/BWBR0034553/README.md +++ b/wet/wet-maatregelen-woningmarkt-2014-ii/BWBR0034553/README.md @@ -37,7 +37,7 @@ c. *groep:* de combinatie van rechtspersonen in het geval een rechtspersoon meer d. *heffingsjaar:* kalenderjaar waarover de verhuurderheffing is verschuldigd; e. *huurwoning:* in Nederland gelegen voor verhuur bestemde woning die ingevolge artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken als één onroerende zaak wordt aangemerkt en waarvan de huurprijs niet hoger is dan het bedrag, genoemd in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag, met uitzondering van een woning die wordt verhuurd in het kader van het hotel-, pension-, kamp- en vakantiebestedingsbedrijf aan personen die in die woning voor een korte periode verblijf houden en van een woning die krachtens artikel 3.1 van de Erfgoedwet als rijksmonument is aangewezen; f. *investeringskosten:* door de belastingplichtige betaalde investeringskosten die drukken op de belastingplichtige en noodzakelijkerwijs voortvloeien uit het verrichten van de activiteiten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 7°; -g. *Onze Minister:* Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst; +g. *Onze Minister:* Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; h. *WOZ-waarde:* volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor een kalenderjaar vastgestelde waarde, waarbij voor de toepassing van deze wet een waarde van € 270.000 wordt gehanteerd, indien deze waarde hoger is dan dat bedrag. **2.** @@ -52,8 +52,9 @@ b. *voorgenomen investering:* te verrichten activiteit die betreft: 3°. grootschalige verbouw van huurwoningen; 4°. verbouw van niet voor bewoning bestemde ruimten tot huurwoningen; 5°. sloop van huurwoningen; -6°. kleinschalige verbouw van huurwoningen, of -7°. samenvoeging van huurwoningen teneinde een of meer huurwoningen te verkrijgen; +6°. kleinschalige verbouw van huurwoningen; +7°. samenvoeging van huurwoningen teneinde een of meer huurwoningen te verkrijgen; of +8°. verduurzaming van huurwoningen; c. *voorlopige investeringsverklaring:* schriftelijke kennisgeving van Onze Minister aan de aanvrager, met gegevens over: 1°. de voorgenomen investering en @@ -150,8 +151,12 @@ e. grootschalige verbouw van huurwoningen: € 0 per verbouwde huurwoning; f. verbouw van niet voor bewoning bestemde ruimten tot huurwoningen: € 0 per gerealiseerde huurwoning; g. sloop van huurwoningen: € 0 per gesloopte huurwoning; h. kleinschalige verbouw van huurwoningen: € 0 per verbouwde huurwoning; -i. samenvoeging van huurwoningen teneinde een of meer huurwoningen te verkrijgen: € 0 per huurwoning waarmee het aantal huurwoningen door die samenvoeging is verminderd, en -j. de bouw van huurwoningen als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 2°, die gelegen zijn in een gebied als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a: € 0 per gebouwde huurwoning. +i. samenvoeging van huurwoningen teneinde een of meer huurwoningen te verkrijgen: € 0 per huurwoning waarmee het aantal huurwoningen door die samenvoeging is verminderd; +j. de bouw van huurwoningen als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 2°, die gelegen zijn in een gebied als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a: € 0 per gebouwde huurwoning; en +k. een verduurzaming van categorie 1: € 10.000 per verduurzaamde huurwoning; +l. een verduurzaming van categorie 2: € 7.000 per verduurzaamde huurwoning; +m. een verduurzaming van categorie 3: € 5.000 per verduurzaamde huurwoning; en +n. een verduurzaming van categorie 4: € 3.000 per verduurzaamde huurwoning. **2.** @@ -163,8 +168,9 @@ c. met betrekking tot investeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen g d. met betrekking tot investeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, die zijn gerealiseerd op of na 1 januari 2017 uitsluitend van toepassing in de gemeenten, genoemd in de bijlage bij deze wet; e. met betrekking tot investeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, die zijn gerealiseerd op of na 1 januari 2017 uitsluitend van toepassing in de in onderdeel a genoemde gebieden; f. met betrekking tot investeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, uitsluitend van toepassing voor zover die investeringen gerealiseerd zijn op of na 1 januari 2014; -g. met betrekking tot investeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, uitsluitend van toepassing voor zover die investeringen gerealiseerd zijn op of na 1 januari 2017, en -h. met betrekking tot investeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, uitsluitend van toepassing voor zover die investeringen zijn gerealiseerd in de in onderdeel a genoemde gebieden in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2016. +g. met betrekking tot investeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, uitsluitend van toepassing voor zover die investeringen gerealiseerd zijn op of na 1 januari 2017; +h. met betrekking tot investeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, uitsluitend van toepassing voor zover die investeringen zijn gerealiseerd in de in onderdeel a genoemde gebieden in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2016; en +i. met betrekking tot investeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen k tot en met n, uitsluitend van toepassing voor zover die investeringen gerealiseerd zijn op of na 1 januari 2019. **3.** @@ -178,8 +184,12 @@ e. de grootschalige verbouw van huurwoningen ten minste € 62.500 per verbouwd f. de verbouw van niet voor bewoning bestemde ruimten tot huurwoningen: ten minste € 25.000 per gerealiseerde huurwoning bedragen; g. de sloop van huurwoningen ten minste € 62.500 per gesloopte huurwoning bedragen; h. de kleinschalige verbouw van huurwoningen ten minste € 25.000 per verbouwde huurwoning bedragen; -i. de samenvoeging van huurwoningen teneinde een of meer huurwoningen te verkrijgen ten minste € 62.500 per huurwoning waarmee het aantal huurwoningen door die samenvoeging is verminderd, bedragen, en -j. de bouw van huurwoningen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, ten minste € 62.500 per gebouwde huurwoning bedragen. +i. de samenvoeging van huurwoningen teneinde een of meer huurwoningen te verkrijgen ten minste € 62.500 per huurwoning waarmee het aantal huurwoningen door die samenvoeging is verminderd, bedragen; +j. de bouw van huurwoningen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, ten minste € 62.500 per gebouwde huurwoning bedragen; en +k. de verduurzaming van huurwoningen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel k, ten minste € 25.000 per verduurzaamde huurwoning bedragen; +l. de verduurzaming van huurwoningen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel l, ten minste € 17.500 per verduurzaamde huurwoning bedragen; +m. de verduurzaming van huurwoningen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel m, ten minste € 12.500 per verduurzaamde huurwoning bedragen; en +n. de verduurzaming van huurwoningen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel n, ten minste € 7.500 per verduurzaamde huurwoning bedragen. **4.** Indien naar het oordeel van Onze Minister op enig tijdstip onvoldoende evenwicht bestaat of komt te bestaan tussen de heffingsverminderingen en het daarvoor in de rijksbegroting opgenomen bedrag, kunnen bij ministeriële regeling met ingang van 1 januari, 1 april, 1 juli of 1 oktober van enig jaar de in het eerste lid en derde lid genoemde bedragen worden verhoogd, verlaagd, dan wel op nihil worden gesteld. De nieuwe bedragen gelden voor voorlopige investeringsverklaringen waarvan de voorgenomen investering is aangemeld na het tijdstip waarop de ministeriële regeling in werking treedt. @@ -187,41 +197,47 @@ j. de bouw van huurwoningen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, ten mins ### Artikel 1.12 -**1.** +**1.** Een voorgenomen investering wordt langs elektronische weg aangemeld bij Onze Minister. -Een voorgenomen investering wordt langs elektronische weg bij Onze Minister uiterlijk aangemeld op: +**2.** + +De aanmelding, bedoeld in het eerste lid, wordt uiterlijk gedaan op: a. 31 december 2017 indien het een voorgenomen investering als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 4°, betreft in huurwoningen waarvan de huurprijs hoger dan of gelijk aan het bedrag, genoemd in artikel 20, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag, is; -b. 31 december 2019 indien het een voorgenomen investering als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 1°, 3°, 5°, 6° of 7°, betreft, dan wel indien het een voorgenomen investering als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 4°, betreft in huurwoningen waarvan de huurprijs lager is dan het bedrag, genoemd in artikel 20, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag, of +b. 31 december 2019 indien het een voorgenomen investering als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 1°, 3°, 5°, 6° of 7°, betreft, dan wel indien het een voorgenomen investering als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 4°, betreft in huurwoningen waarvan de huurprijs lager is dan het bedrag, genoemd in artikel 20, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag; c. 31 december 2021 indien het een voorgenomen investering als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 2°, betreft. -**2.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de inhoud van de aanmelding en welke gegevens daarbij worden verstrekt. +**3.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de inhoud van de aanmelding en welke gegevens daarbij worden verstrekt. -**3.** +**4.** Onze Minister geeft met betrekking tot de aanmelding, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een voorlopige investeringsverklaring af indien: -a. de voorgenomen investering, bedoeld in artikel 1.11, tweede lid, onderdelen a tot en met g, is voor de desbetreffende activiteit aangevangen op of na het ten aanzien van die activiteit genoemde tijdstip en de voorgenomen investering, bedoeld in artikel 1.11, tweede lid, onderdeel h, is aangevangen op of na 1 januari 2014 en voor 31 december 2016, +a. de voorgenomen investering: + +1°. bedoeld in artikel 1.11, tweede lid, onderdelen a tot en met g, voor de desbetreffende activiteit is aangevangen op of na het ten aanzien van die activiteit genoemde tijdstip; +2°. bedoeld in artikel 1.11, tweede lid, onderdeel h, is aangevangen op of na 1 januari 2014 en voor 31 december 2016; en +3°. bedoeld in artikel 1.11, tweede lid, onderdeel i, is aangevangen op of na 1 januari 2019; b. de voorgenomen investering voldoet aan het daarover bij of krachtens deze wet bepaalde en c. niet aannemelijk is dat ter verkrijging van die verklaring gegevens of bescheiden zijn verstrekt die zodanig onjuist of onvolledig zijn dat op de aanmelding een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste en volledige gegevens of bescheiden bekend zouden zijn geweest. -**4.** +**5.** De voorlopige investeringsverklaring vervalt indien: a. een voorgenomen investering als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 1°, 2°, 3° of 4°, niet binnen vijf jaar nadat deze overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens het eerste en tweede lid is aangemeld, als investering is aangemeld, of -b. een voorgenomen investering als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 5°, 6° of 7°, niet binnen drie jaar nadat deze overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens het eerste en tweede lid is aangemeld, als investering is aangemeld. +b. een voorgenomen investering als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 5°, 6°, 7° of 8°, niet binnen drie jaar nadat deze overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens het eerste en tweede lid is aangemeld, als investering is aangemeld. -**5.** +**6.** Onze Minister kan een voorlopige investeringsverklaring intrekken indien: a. de voorgenomen investering niet voldoet aan het daarover bij of krachtens deze wet bepaalde of b. aannemelijk is dat ter verkrijging van die verklaring gegevens of bescheiden zijn verstrekt die zodanig onjuist of onvolledig zijn dat op de aanmelding een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste en volledige gegevens of bescheiden bekend zouden zijn geweest. -**6.** De voorlopige investeringsverklaring is een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. +**7.** De voorlopige investeringsverklaring is een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. -**7.** Voorgenomen investeringen binnen het grondgebied van de opgeheven gemeente Menterwolde die uiterlijk op 31 december 2017 zijn aangemeld op grond van het eerste lid, kunnen na uitvoering aangemeld worden als gerealiseerde investering. Op deze investeringen zijn de bepalingen uit deze wet die van toepassing zijn op investeringen in de gemeenten, genoemd in artikel 1.11, tweede lid, onderdeel b, van overeenkomstige toepassing. +**8.** Voorgenomen investeringen binnen het grondgebied van de opgeheven gemeente Menterwolde die uiterlijk op 31 december 2017 zijn aangemeld op grond van het eerste lid, kunnen na uitvoering aangemeld worden als gerealiseerde investering. Op deze investeringen zijn de bepalingen uit deze wet die van toepassing zijn op investeringen in de gemeenten, genoemd in artikel 1.11, tweede lid, onderdeel b, van overeenkomstige toepassing. ### Artikel 1.13 @@ -233,8 +249,9 @@ Onze Minister geeft met betrekking tot de aanmelding, bedoeld in het eerste lid, a. met betrekking tot de daarin opgenomen gerealiseerde investering een voorlopige investeringsverklaring is afgegeven en deze niet is vervallen of ingetrokken; b. de gerealiseerde investering voldoet aan het daarover bij of krachtens deze wet bepaalde; -c. niet aannemelijk is dat ter verkrijging van die verklaring gegevens of bescheiden zijn verstrekt die zodanig onjuist of onvolledig zijn dat op de aanmelding een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste en volledige gegevens of bescheiden bekend zouden zijn geweest en -d. in geval sprake is van een gerealiseerde investering als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 3° of 6°: voor dezelfde huurwoning niet eerder een definitieve investeringsverklaring met betrekking tot een zodanige gerealiseerde investering is afgegeven. +c. niet aannemelijk is dat ter verkrijging van die verklaring gegevens of bescheiden zijn verstrekt die zodanig onjuist of onvolledig zijn dat op de aanmelding een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste en volledige gegevens of bescheiden bekend zouden zijn geweest; +d. in geval sprake is van een gerealiseerde investering als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 3° of 6°: voor dezelfde huurwoning niet eerder een definitieve investeringsverklaring met betrekking tot een zodanige gerealiseerde investering is afgegeven; en +e. ingeval sprake is van een gerealiseerde investering als bedoeld in artikel 1.2. tweede lid, onderdeel b, onder 8°: voor dezelfde investering geen subsidie is vastgesteld voor de verbetering van de energieprestatie bij of krachtens de Kaderwet overige BZK-subsidies. **3.** Het in een definitieve investeringsverklaring opgenomen bedrag aan heffingsvermindering is niet hoger dan het bedrag dat ten aanzien van de voorgenomen investering is opgenomen in de voorlopige investeringsverklaring. @@ -246,11 +263,16 @@ d. in geval sprake is van een gerealiseerde investering als bedoeld in artikel 1 ### Artikel 1.14 -**1.** Als diensten van algemeen economisch belang zijn aan de belastingplichtige opgedragen de activiteiten, bedoeld in de artikelen 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 7°, juncto artikel 1.11, tweede lid, en artikel 1.6, tweede lid. +**1.** Als diensten van algemeen economisch belang zijn aan de belastingplichtige opgedragen de activiteiten, bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 8°, juncto artikel 1.11, tweede lid, en artikel 1.6, tweede lid. **2.** De belastingplichtige komt uitsluitend compensatie toe voor de activiteiten, genoemd in het eerste lid. Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften gegeven omtrent de compensatie. -**3.** De opdracht, bedoeld in het eerste lid, heeft een werkingsduur van zes jaar. +**3.** + +De opdracht, bedoeld in het eerste lid, heeft een werkingsduur van: + +a. zes jaar voor zover het activiteiten als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 7°, betreft; +b. tien jaar voor zover het een activiteit als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 8°, betreft. **4.** Artikel 25d van de Mededingingswet is niet van toepassing op de belastingplichtige.