2018-01-01 | BWBR0031621 | Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen
This commit is contained in:
parent
2cf27cc758
commit
0a33acba77
1 changed files with 23 additions and 191 deletions
|
|
@ -1,16 +1,17 @@
|
|||
---
|
||||
titel: Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen
|
||||
titel: Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang
|
||||
bwb_id: BWBR0031621
|
||||
type: AMvB
|
||||
status: geldend
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2012-06-06'
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2018-01-01'
|
||||
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0031621
|
||||
citeertitel: Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen
|
||||
citeertitel: Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor
|
||||
gastouderopvang
|
||||
---
|
||||
|
||||
# Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen
|
||||
# Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 1. Kwaliteitseisen kindercentra, voorzieningen voor gastouderopvang, gastouders en gastouderbureaus
|
||||
## Hoofdstuk 1. Kwaliteitseisen gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang
|
||||
|
||||
### Paragraaf 1. Algemene bepalingen
|
||||
|
||||
|
|
@ -18,106 +19,43 @@ citeertitel: Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen
|
|||
|
||||
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. *AMHK:* advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling als bedoeld in artikel 4.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
|
||||
b. *bemiddelingsmedewerker:* de medewerker, werkzaam bij het gastouderbureau, die bemiddelt tussen gastouder en vraagouder en die daartoe de voorziening voor gastouderopvang bezoekt;
|
||||
c. *buitenschoolse opvang:* kinderopvang verzorgd door een kindercentrum voor kinderen in de leeftijd dat ze naar het basisonderwijs kunnen gaan, waarbij opvang wordt geboden voor of na de dagelijkse schooltijd evenals gedurende vrije dagen of middagen en in schoolvakanties;
|
||||
d. *dagopvang:* kinderopvang verzorgd door een kindercentrum voor kinderen tot de leeftijd waarop zij het basisonderwijs volgen;
|
||||
e. *groep:* een eenheid die bestaat uit een aantal kinderen met één of meer beroepskrachten dan wel uit een aantal door een gastouder op te vangen kinderen;
|
||||
f. *huiselijk geweld:* huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
|
||||
g. *kindermishandeling:* kindermishandeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg;
|
||||
h. *meldcode:* meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling;
|
||||
i. *vraagouder:* ouder die kinderopvang vraagt die geboden wordt door een gastouder;
|
||||
j. *wet:*
|
||||
Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.
|
||||
- *AMHK:* advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling als bedoeld in artikel 4.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
|
||||
- *bemiddelingsmedewerker:* de medewerker, werkzaam bij het gastouderbureau, die bemiddelt tussen gastouder en vraagouder en die daartoe de voorziening voor gastouderopvang bezoekt;
|
||||
- *groep:* een eenheid die bestaat uit een aantal door een gastouder op te vangen kinderen;
|
||||
- *huiselijk geweld:* huiselijk geweld als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
|
||||
- *kindermishandeling:* kindermishandeling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet;
|
||||
- *meldcode:* meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling;
|
||||
- *vraagouder:* ouder die kinderopvang vraagt die geboden wordt door een gastouder.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Kwaliteitseisen kindercentra
|
||||
|
||||
### Artikel 2
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De houder van een kindercentrum inventariseert jaarlijks de veiligheids- en gezondheidsrisico’s van kinderopvang in het desbetreffende kindercentrum. Deze inventarisatie bevat in ieder geval:
|
||||
|
||||
a. een beschrijving van de veiligheids- en gezondheidsrisico's die de opvang van kinderen in alle voor kinderen toegankelijke ruimtes in een kindercentrum, daaronder mede begrepen de buitenspeelruimte, met zich brengt;
|
||||
b. een plan van aanpak, waarin is aangegeven welke maatregelen en binnen welke termijn deze maatregelen zijn respectievelijk worden genomen in verband de in onderdeel a bedoelde risico's en de samenhang daartussen.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Bij ministeriële regeling kunnen in elk geval nadere regels worden gesteld met betrekking tot:
|
||||
|
||||
a. de elementen die de inventarisatie, bedoeld in het eerste lid, minimaal bevat en de wijze waarop de houder van een kindercentrum die inventarisatie openbaar maakt;
|
||||
b. de wijze waarop de houder van een kindercentrum de veiligheid van kinderen in relatie tot de in het kindercentrum aanwezige beroepskrachten en beroepskrachten in opleiding waarborgt.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 2a
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De door de houder van een kindercentrum voor het personeel vast te stellen meldcode bevat ten minste de volgende elementen:
|
||||
|
||||
a. een stappenplan, inhoudende een omschrijving van de stappen voor het omgaan door personeelsleden met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling;
|
||||
b. een toebedeling van verantwoordelijkheden aan de diverse personeelsleden bij de stappen, bedoeld onder a, inclusief vermelding van de degene die eindverantwoordelijk is voor de beslissing over het al dan niet doen van een melding;
|
||||
c. specifieke aandacht, indien van toepassing, voor bijzondere vormen van geweld, die speciale kennis en vaardigheden van personeel vereisen;
|
||||
d. specifieke aandacht voor de wijze waarop personeel moet omgaan met gegevens waarvan zij het vertrouwelijk karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het in het eerste lid, onder a, bedoelde stappenplan, bevat ten minste de volgende stappen:
|
||||
|
||||
a. het in kaart brengen van de signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling;
|
||||
b. collegiale consultatie en zo nodig raadplegen van het AMHK of een deskundige op het gebied van letselduiding;
|
||||
c. een gesprek met de ouders en, indien mogelijk, het kind;
|
||||
d. het wegen van het risico op en de aard en de ernst van het huiselijk geweld of de kindermishandeling en bij twijfel altijd raadplegen van het AMHK en
|
||||
e. beslissen: zelf hulp bieden of hulp organiseren dan wel het doen van een melding.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 3
|
||||
|
||||
**1.** Beroepskrachten beschikken over een voor de werkzaamheden passende beroepskwalificatie.
|
||||
|
||||
**2.** Bij de inzet van beroepskrachten in opleiding wordt rekening gehouden met de opleidingsfase waarin zij zich op dat moment bevinden.
|
||||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling kunnen in ieder geval nadere regels worden gesteld met betrekking tot de opleidingseisen van beroepskrachten, bedoeld in het eerste lid, en de inzet van beroepskrachten in opleiding, bedoeld in het tweede lid.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 3a
|
||||
|
||||
**1.** Beroepskrachten meertalige buitenschoolse opvang beschikken over een voor de werkzaamheden passende opleiding.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de opleidingseisen van beroepskrachten meertalige buitenschoolse opvang.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 4
|
||||
|
||||
**1.** De maximale groepsgrootte wordt afgestemd op de leeftijdscategorieën van de kinderen in de groep, waarbij naarmate er meer kinderen in een hogere leeftijdscategorie vallen, de groep uit meer kinderen mag bestaan. Er wordt hierbij onderscheid gemaakt tussen dagopvang en buitenschoolse opvang.
|
||||
|
||||
**2.** Het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten wordt afgestemd op de grootte van de groep en het aantal uren gedurende welke aaneengesloten opvang wordt geboden, waarbij naarmate de kinderen uit een groep in een hogere leeftijdscategorie vallen, er minder beroepskrachten hoeven te worden ingezet. Er wordt hierbij onderscheid gemaakt tussen dagopvang en buitenschoolse opvang.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Bij ministeriële regeling kunnen in elk geval nadere regels worden gesteld met betrekking tot:
|
||||
|
||||
a. de groepsgrootte, bedoeld in het eerste lid;
|
||||
b. de verhouding tussen het aantal beroepskrachten en het aantal kinderen, bedoeld in het tweede lid;
|
||||
c. de minimale ondersteuning van de beroepskrachten, al dan niet in geval van calamiteiten.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5
|
||||
|
||||
**1.** Dagopvang vindt in beginsel plaats in vaste groepen met vaste beroepskrachten in een vaste groepsruimte. Buitenschoolse opvang vindt in beginsel plaats in vaste groepen.
|
||||
|
||||
**2.** Elk kindercentrum beschikt over een pedagogisch beleidsplan, waarin de voor dat kindercentrum kenmerkende visie op de omgang met kinderen is beschreven.
|
||||
|
||||
**3.** De houder van een kindercentrum en personen werkzaam bij een kindercentrum handelen in de praktijk van de dagopvang of de buitenschoolse opvang naar het door de houder vastgestelde pedagogische beleidsplan.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Bij ministeriële regeling kunnen in elk geval nadere regels worden gesteld met betrekking tot:
|
||||
|
||||
a. de elementen die het plan, bedoeld in het tweede lid, minimaal bevat;
|
||||
b. het maximum aantal vaste beroepskrachten;
|
||||
c. het maximum aantal vaste groepsruimtes per groep.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 6
|
||||
|
||||
**1.** De binnen- en buitenruimtes waar kinderen, gedurende de tijd dat zij worden opgevangen, verblijven, zijn veilig, toegankelijk en passend ingericht in overeenstemming met het aantal en de leeftijd van de op te vangen kinderen. Er wordt hierbij onderscheid gemaakt tussen dagopvang en buitenschoolse opvang.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen in elk geval nadere regels worden gesteld met betrekking tot de eisen waaraan de binnen- en buitenruimtes, bedoeld in het eerste lid, voldoen.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3. Kwaliteitseisen gastouderbureaus
|
||||
|
||||
|
|
@ -221,118 +159,12 @@ d. het bezit van een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5
|
|||
|
||||
De gastouder handelt overeenkomstig het pedagogisch beleidsplan dat door het gastouderbureau is opgesteld en ter beschikking gesteld op grond van artikel 11.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 2. Kwaliteitseisen peuterspeelzalen
|
||||
## Hoofdstuk 2. Overgangs- en slotbepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 17
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De houder van een peuterspeelzaal inventariseert jaarlijks de veiligheids- en gezondheidsrisico’s in de desbetreffende peuterspeelzaal. Deze inventarisatie bevat in ieder geval:
|
||||
|
||||
a. een beschrijving van de veiligheids- en gezondheidsrisico’s die het peuterspeelzaalwerk in alle voor kinderen toegankelijke ruimtes in een peuterspeelzaal, daaronder mede begrepen de buitenspeelruimte, met zich brengt;
|
||||
b. een plan van aanpak, waarin is aangegeven welke maatregelen en binnen welke termijn deze maatregelen zijn respectievelijk worden genomen in verband de in onderdeel a bedoelde risico’s en de samenhang daartussen.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Bij ministeriële regeling kunnen in elk geval nadere regels worden gesteld met betrekking tot:
|
||||
|
||||
a. de elementen die de inventarisatie, bedoeld in het eerste lid, minimaal bevat en de wijze waarop de houder van een peuterspeelzaal die inventarisatie openbaar maakt;
|
||||
b. de wijze waarop de houder van een peuterspeelzaal de veiligheid van kinderen in relatie tot de in de peuterspeelzaal aanwezige beroepskrachten en beroepskrachten in opleiding waarborgt.
|
||||
|
||||
### Artikel 17a
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De door de houder van een peuterspeelzaal voor het personeel vast te stellen meldcode bevat ten minste de volgende elementen:
|
||||
|
||||
a. een stappenplan, inhoudende een omschrijving van de stappen voor het omgaan door personeelsleden met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling;
|
||||
b. een toebedeling van verantwoordelijkheden aan de diverse personeelsleden werkzaam bij de peuterspeelzaal bij de stappen, bedoeld onder a, inclusief vermelding van de degene die eindverantwoordelijk is voor de beslissing over het al dan niet doen van een melding;
|
||||
c. specifieke aandacht, indien van toepassing, voor bijzondere vormen van geweld, die speciale kennis en vaardigheden van personeel vereisen;
|
||||
d. specifieke aandacht voor de wijze waarop personeel moet omgaan met gegevens waarvan zij het vertrouwelijk karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het in het eerste lid, onder a, bedoelde stappenplan, bevat ten minste de volgende stappen:
|
||||
|
||||
a. het in kaart brengen van de signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling;
|
||||
b. collegiale consultatie en zo nodig raadplegen van het AMHK of een deskundige op het gebied van letselduiding;
|
||||
c. een gesprek met de ouders en, indien mogelijk, het kind;
|
||||
d. het wegen van het risico op en de aard en de ernst van het huiselijk geweld of de kindermishandeling en bij twijfel altijd raadplegen van het AMHK en
|
||||
e. beslissen: zelf hulp bieden of hulp organiseren dan wel het doen van een melding.
|
||||
Een certificaat als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit deskundigheidseisen gastouders kinderopvang, zoals dat lid luidde op 31 december 2011, dat is verstrekt voor 1 januari 2012, geeft blijk van het voldoen aan de in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, bedoelde deskundigheidseis.
|
||||
|
||||
### Artikel 18
|
||||
|
||||
**1.** Beroepskrachten beschikken over een voor de werkzaamheden passende beroepskwalificatie.
|
||||
|
||||
**2.** Indien er tevens vrijwilligers worden ingezet bij het peuterspeelzaalwerk, dan stelt de houder van de peuterspeelzaal een beleidsplan op waarin onder meer de taken van de vrijwilliger zijn opgenomen.
|
||||
|
||||
**3.** De houder verstrekt aan de ouders onder meer informatie over de aanwezigheid, de inzet en de opleiding van de beroepskrachten.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Bij ministeriële regeling kunnen in elk geval nadere regels worden gesteld met betrekking tot:
|
||||
|
||||
a. de opleidingseisen, bedoeld in het eerste lid;
|
||||
b. de inhoud van het beleidsplan en de positie van de vrijwilliger, bedoeld in het tweede lid;
|
||||
c. de informatie die de houder verstrekt aan de ouders.
|
||||
|
||||
### Artikel 19
|
||||
|
||||
**1.** De groepsgrootte kan worden afgestemd op de leeftijdscategorieën van de kinderen.
|
||||
|
||||
**2.** Het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten en vrijwilligers wordt afgestemd op de grootte van de groep.
|
||||
|
||||
**3.** De houder van een peuterspeelzaal zorgt voor adequate vervanging bij calamiteiten en maakt deze bekend.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Bij ministeriële regeling kunnen in elk geval nadere regels worden gesteld met betrekking tot:
|
||||
|
||||
a. de groepsgrootte, bedoeld in het eerste lid;
|
||||
b. de verhouding tussen het aantal beroepskrachten en het aantal kinderen, bedoeld in het tweede lid;
|
||||
c. de vervanging, bedoel in het derde lid, en wijze waarop deze vervanging bekend gemaakt wordt.
|
||||
|
||||
### Artikel 20
|
||||
|
||||
**1.** De opvang vindt in beginsel plaats in vaste groepen met vaste beroepskrachten in een vaste groepsruimte.
|
||||
|
||||
**2.** Een peuterspeelzaal beschikt over een pedagogisch beleidsplan, waarin de voor die peuterspeelzaal kenmerkende visie op de omgang met kinderen is beschreven.
|
||||
|
||||
**3.** De houder en de personen werkzaam bij een peuterspeelzaal handelen in de praktijk van het peuterspeelzaalwerk naar het door de houder vastgestelde pedagogische beleidsplan.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Bij ministeriële regeling kunnen in elk geval nadere regels worden gesteld met betrekking tot:
|
||||
|
||||
a. het maximaal aantal vaste beroepskrachten, bedoeld in het eerste lid;
|
||||
b. de elementen die het plan, bedoeld in het tweede lid, minimaal bevat.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 3. Overgangs- en slotbepalingen
|
||||
|
||||
### Paragraaf 1. Overgangsbepaling
|
||||
|
||||
### Artikel 21
|
||||
|
||||
**1.** De gastouder of de houder van een kindcentrum, van een gastouderbureau of van een peuterspeelzaal wordt geacht tot 1 juli 2017 verlengd tot 1 januari 2018 ten aanzien van die onderwerpen waarvan de toezichthouder na een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62 of 2.20 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, voor 6 juni 2012 heeft vastgesteld dat er sprake is van een gelijkwaardig alternatief, voor zover er zich geen wijzigingen hebben voorgedaan, tevens te voldoen aan de kwaliteitseisen opgenomen in dit besluit en de daarop gebaseerde ministeriële regeling betreffende die onderwerpen.
|
||||
|
||||
**2.** Een certificaat als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit deskundigheidseisen gastouders kinderopvang, zoals dat lid luidde voorafgaande aan de inwerkingtreding van het Besluit van 16 augustus 2011 tot wijziging van het Besluit deskundigheidseisen gastouders kinderopvang in verband met het niet langer toelaten van het ervaringscertificaat als bewijs van deskundigheid (Stb. 398), dat is verstrekt voor 1 januari 2012, geeft blijk van het voldoen aan de in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van dit besluit bedoelde deskundigheidseis.
|
||||
|
||||
**3.** Bij koninklijk besluit kan de termijn, genoemd in het eerste lid, eenmalig met een half jaar worden verlengd.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Slotbepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 22
|
||||
|
||||
Het Besluit deskundigheidseisen gastouders kinderopvang wordt ingetrokken.
|
||||
|
||||
### Artikel 23
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 24
|
||||
|
||||
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
|
||||
|
||||
### Artikel 25
|
||||
|
||||
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen.
|
||||
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang.
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue