diff --git a/wet/waterschapswet/BWBR0005108/README.md b/wet/waterschapswet/BWBR0005108/README.md index 07dd97f2586..0faa70185e0 100644 --- a/wet/waterschapswet/BWBR0005108/README.md +++ b/wet/waterschapswet/BWBR0005108/README.md @@ -18,7 +18,7 @@ citeertitel: Waterschapswet **1.** Waterschappen zijn openbare lichamen welke de waterstaatkundige verzorging van een bepaald gebied ten doel hebben. -**2.** De taken die tot dat doel aan waterschappen zijn of worden opgedragen betreffen het beheer van watersystemen en de zuivering van stedelijk afvalwater op de voet van artikel 2.17 van de Omgevingswet. Daarnaast kan de zorg voor een of meer andere waterstaatsaangelegenheden zijn of worden opgedragen. +**2.** De taken die tot dat doel aan waterschappen zijn of worden opgedragen betreffen het beheer van watersystemen, de zuivering van stedelijk afvalwater op de voet van artikel 2.17 van de Omgevingswet en de zuivering van stedelijk afvalwater dat wordt afgevoerd op een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet dat wordt beheerd door of namens het waterschap. Daarnaast kan de zorg voor een of meer andere waterstaatsaangelegenheden zijn of worden opgedragen. **3.** Het beheer van watersystemen, bedoeld in het tweede lid, omvat mede het voorkomen van schade aan waterstaatswerken veroorzaakt door muskus- en beverratten. @@ -121,8 +121,8 @@ Vervallen In het algemeen bestuur zijn de volgende categorieën van belanghebbenden vertegenwoordigd: a. de ingezetenen; -b. degenen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen als bedoeld in artikel 116, onder c; -c. degenen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van natuurterreinen als bedoeld in artikel 116, onder c. +b. degenen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen als bedoeld in artikel 116; +c. degenen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van natuurterreinen als bedoeld in artikel 116. ### Artikel 13 @@ -1568,9 +1568,8 @@ Behalve de belastingen of rechten waarvan de heffing krachtens bijzondere wetten Geen belasting wordt geheven ter zake van: a. de infrastructuur nodig voor de productie en distributie van drinkwater als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder b, in samenhang met artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet; -b. een net als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998; -c. een gastransportnet als bedoeld in artikel 39a van de Gaswet; of -d. werken als bedoeld in artikel 38 van de Warmtewet. +b. een systeem dat wordt beheerd door een transmissie- of distributiesysteembeheerder als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet; of +c. werken als bedoeld in artikel 38 van de Warmtewet. ### Artikel 115 @@ -1599,9 +1598,12 @@ d. het op verzoek van een glastuinbouwbedrijf uit afvalwater als bedoeld in arti Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: -a. ingezetene: degene die blijkens de basisregistratie personen bij het begin van het kalenderjaar woonplaats heeft in het gebied van het waterschap en die aldaar gebruik heeft van woonruimte, met dien verstande dat gebruik van woonruimte door de leden van een gezamenlijke huishouding wordt aangemerkt als gebruik door een lid van dat huishouden, dat wordt aangewezen door de in artikel 123, derde lid, onderdeel b, bedoelde ambtenaar van het waterschap; -b. woonruimte: een ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven; -c. natuurterreinen: ongebouwde onroerende zaken waarvan de inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Onder natuurterreinen worden mede verstaan bossen en open wateren met een oppervlakte van ten minste één hectare. +− *hernieuwbare energie:* energie uit hernieuwbare bronnen als bedoeld in artikel 2, onderdeel 1, van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PbEU 2018, L 328); +− *ingezetene:* degene die blijkens de basisregistratie personen bij het begin van het kalenderjaar woonplaats heeft in het gebied van het waterschap en die aldaar gebruik heeft van woonruimte, met dien verstande dat gebruik van woonruimte door de leden van een gezamenlijke huishouding wordt aangemerkt als gebruik door een lid van dat huishouden, dat wordt aangewezen door de in artikel 123, derde lid, onderdeel b, bedoelde ambtenaar van het waterschap; +− *natuurterreinen:* ongebouwde onroerende zaken waarvan de inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Onder natuurterreinen worden mede verstaan bossen en open wateren met een oppervlakte van ten minste één hectare; +− *onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen:* onroerende zaken als bedoeld in artikel 220a, tweede lid, van de Gemeentewet; +− *primair energiegebruik:* totale energetische waarde van de verbruikte primaire energiedragers, waarbij de energetische waarde van de secundaire energiedragers elektriciteit en warmte wordt teruggerekend naar de stookwaarde van de primaire energiedragers; +− *woonruimte:* ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven. ### Artikel 117 @@ -1616,11 +1618,15 @@ d. krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van gebouwde onro **2.** Uit de opbrengsten van de watersysteemheffing worden tevens de op grond van artikel 7.24 van de Waterwet verschuldigde bijdragen bekostigd. +**3.** Voorts kan de opbrengst van de watersysteemheffing tevens worden besteed aan de bekostiging van maatregelen voor het opwekken van hernieuwbare energie ter compensatie van de uitstoot van broeikasgassen, die vrijkomen als gevolg van het beheer van watersystemen en die in redelijkheid niet te vermijden zijn. De hoeveelheid op te wekken hernieuwbare energie mag niet hoger zijn dan tweemaal het primaire energiegebruik van het betreffende waterschap benodigd voor het beheer van watersystemen. + +**4.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de wijze waarop het primaire energiegebruik wordt bepaald. + ### Artikel 118 **1.** -Als één gebouwde onroerende zaak als bedoeld in artikel 117, onderdeel d, wordt aangemerkt: +Als één gebouwde onroerende zaak als bedoeld in artikel 117, eerste lid, onderdeel d, wordt aangemerkt: a. een gebouwd eigendom; b. een gedeelte van een gebouwd eigendom dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt; @@ -1628,11 +1634,11 @@ c. een samenstel van twee of meer van de in onderdeel a bedoelde gebouwde eigend d. het binnen het gebied van een gemeente gelegen deel van een in onderdeel a bedoeld eigendom, van een in onderdeel b bedoeld gedeelte of van een in onderdeel c bedoeld samenstel; e. het binnen het gebied van het waterschap gelegen deel van een in onderdeel a bedoeld eigendom, van een in onderdeel b bedoeld gedeelte, van een in onderdeel c bedoeld samenstel of van een in onderdeel d bedoeld deel. -**2.** Voor de toepassing van het eerste lid maken de ongebouwde eigendommen voorzover die een samenstel vormen met een gebouwd eigendom als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a tot en met e, deel uit van de gebouwde onroerende zaak, met uitzondering van de ongebouwde eigendommen, voorzover de waarde daarvan bij de waardebepaling op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken op basis van het bepaalde krachtens 18, derde lid, van die wet buiten aanmerking wordt gelaten. +**2.** Voor de toepassing van het eerste lid maken de ongebouwde eigendommen voorzover die een samenstel vormen met een gebouwd eigendom als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a tot en met e, deel uit van de gebouwde onroerende zaak, met uitzondering van de ongebouwde eigendommen, voorzover de waarde daarvan bij de waardebepaling op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken op basis van het bepaalde krachtens artikel 18, vierde lid, van die wet buiten aanmerking wordt gelaten. **3.** -Als één ongebouwde onroerende zaak als bedoeld in artikel 117, onderdeel b, wordt aangemerkt een kadastraal perceel of gedeelte daarvan, met dien verstande dat buiten aanmerking wordt gelaten: +Als één ongebouwde onroerende zaak als bedoeld in artikel 117, eerste lid, onderdeel b, wordt aangemerkt een kadastraal perceel of gedeelte daarvan, met dien verstande dat buiten aanmerking wordt gelaten: a. hetgeen ingevolge het eerste en tweede lid wordt aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak; b. een natuurterrein. @@ -1648,20 +1654,20 @@ b. hetgeen ingevolge het derde lid wordt aangemerkt als een ongebouwde onroerend ### Artikel 119 -**1.** Heffingsplichtig in de zin van artikel 117, onderdelen b, c en d, zijn degenen die bij het begin van het kalenderjaar als rechthebbende in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen rechthebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. +**1.** Heffingplichtig in de zin van artikel 117, eerste lid, onderdelen b, c en d, is degene die bij het begin van het kalenderjaar als rechthebbende in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen rechthebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. **2.** -Voor de toepassing van artikel 117, onderdelen b, c en d, is heffingplichtig de: +Voor de toepassing van artikel 117, eerste lid, onderdelen b, c en d, is heffingplichtig de: -a. beperkt gerechtigde en niet de eigenaar, ingeval de onroerende zaak is onderworpen aan het recht van beklemming, van erfpacht, van opstal of van vruchtgebruik; +a. beperkt gerechtigde en niet de eigenaar, ingeval de onroerende zaak is onderworpen aan het recht van beklemming, van erfpacht, van opstal, van vruchtgebruik, van gebruik of van bewoning; b. eigenaar voor wat betreft het recht van opstal, indien dat recht uitsluitend is gevestigd ten behoeve van de aanleg of het onderhoud, dan wel ten behoeve van de aanleg en het onderhoud, van ondergrondse dan wel bovengrondse leidingen. **3.** Indien de onroerende zaak is onderworpen aan beperkte rechten als bedoeld in het tweede lid, heeft voor de heffingplicht: -a. de vruchtgebruiker voorrang boven zowel de opstaller als de erfpachter, onderscheidenlijk de beklemde meier; +a. de vruchtgebruiker, de gebruiker of bewoner voorrang boven zowel de opstaller als de erfpachter, onderscheidenlijk de beklemde meier; b. de opstaller voorrang boven de erfpachter, onderscheidenlijk de beklemde meier. ### Artikel 120 @@ -1670,17 +1676,42 @@ b. de opstaller voorrang boven de erfpachter, onderscheidenlijk de beklemde meie **2.** -De toedeling van het kostendeel voor de categorie, bedoeld in artikel 117, onderdeel a, wordt bepaald aan de hand van de gemiddelde inwonerdichtheid per vierkante kilometer in het gebied van het waterschap. Het door het waterschap bij verordening, als bedoeld onder het eerste lid, te bepalen kostenaandeel bedraagt: +De toedeling van het kostendeel voor de categorie, bedoeld in artikel 117, eerste lid, onderdeel a, wordt bepaald aan de hand van de gemiddelde inwonerdichtheid per vierkante kilometer in het gebied van het waterschap. Het door het waterschap bij verordening, als bedoeld onder het eerste lid, te bepalen kostenaandeel bedraagt: a. minimaal 20% en maximaal 30% wanneer het aantal inwoners per vierkante kilometer niet meer bedraagt dan 500; b. minimaal 31% en maximaal 40% wanneer het aantal inwoners per vierkante kilometer meer bedraagt dan 500, maar niet meer dan 1000; c. minimaal 41% en maximaal 50% wanneer het aantal inwoners per vierkante kilometer meer bedraagt dan 1000. -**3.** Het algemeen bestuur kan de in het tweede lid genoemde maximale percentages verhogen tot 40, onderscheidenlijk 50 en 60 %. +**3.** Het algemeen bestuur kan de in het tweede lid genoemde maximale percentages aan de hand van gebiedskenmerken van het waterschap verhogen tot 40, onderscheidenlijk 50 en 60 %. -**4.** De toedeling van het kostendeel voor de categorieën, bedoeld in artikel 117, onderdelen b tot en met d, wordt bepaald op basis van de waarde van de onroerende zaken in het economische verkeer. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden hiertoe nadere regels gesteld. +**4.** -**5.** De in het eerste lid bedoelde verordening wordt ten minste eenmaal in de vijf jaren herzien. +Het kostendeel voor de categorie, bedoeld in artikel 117, eerste lid, onderdeel b, wordt vastgesteld in procenten volgens de formule: + +0,0029317*(A^0,7414854) + +waarbij A staat voor het aantal hectaren ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen, per 1000 inwoners in het gebied van het waterschap. + +**5.** + +Het kostendeel voor de categorie, bedoeld in artikel 117, eerste lid, onderdeel c, wordt vastgesteld in procenten volgens de formule: + +0,0000224*(B^1,1938609) + +waarbij B staat voor het aantal hectaren natuurterrein per 1000 inwoners in het gebied van het waterschap. + +**6.** Het kostendeel voor de categorie, bedoeld in artikel 117, eerste lid, onderdeel d, is het kostendeel uitgedrukt in procenten dat resteert na bepaling van de kostendelen van de categorieën, bedoeld in artikel 117, eerste lid, onderdelen a tot en met c. + +**7.** + +Het algemeen bestuur kan de in het vierde en vijfde lid bedoelde kostendelen aan de hand van gebiedskenmerken van het waterschap verhogen of verlagen met maximaal: + +a. 30% per kostendeel bij verordening als bedoeld in het eerste lid; of +b. 50% per kostendeel, volgens percentages die bij algemene maatregel van bestuur per gebiedskenmerk kunnen worden vastgesteld. + +**8.** De in het eerste lid bedoelde verordening wordt ten minste eenmaal in de vijf jaren herzien. + +**9.** De voordracht voor een krachtens het zevende lid, onderdeel b, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten Generaal is overgelegd. ### Artikel 121 @@ -1688,14 +1719,16 @@ c. minimaal 41% en maximaal 50% wanneer het aantal inwoners per vierkante kilome Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf: -a. ter zake van ingezetenen als bedoeld in artikel 117, onderdeel a: de woonruimte, waarbij het tarief wordt gesteld op een gelijk bedrag per woonruimte; -b. ter zake van ongebouwde onroerende zaken als bedoeld in artikel 117, onderdeel b: de oppervlakte, waarbij het tarief wordt gesteld op een gelijk bedrag per hectare; -c. ter zake van ongebouwde onroerende zaken als bedoeld in artikel 117, onderdeel c: de oppervlakte, waarbij het tarief wordt gesteld op een gelijk bedrag per hectare; -d. ter zake van gebouwde onroerende zaken als bedoeld in artikel 117, onderdeel d: de waarde die voor de onroerende zaak wordt bepaald op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor het kalenderjaar, waarbij het tarief wordt gesteld op een vast percentage van de waarde. +a. ter zake van ingezetenen als bedoeld in artikel 117, eerste lid, onderdeel a: de woonruimte, waarbij het tarief wordt gesteld op een gelijk bedrag per woonruimte; +b. ter zake van ongebouwde onroerende zaken als bedoeld in artikel 117, eerste lid, onderdeel b: de oppervlakte, waarbij het tarief wordt gesteld op een gelijk bedrag per hectare; +c. ter zake van ongebouwde onroerende zaken als bedoeld in artikel 117, eerste lid, onderdeel c: de oppervlakte, waarbij het tarief wordt gesteld op een gelijk bedrag per hectare; +d. ter zake van gebouwde onroerende zaken als bedoeld in artikel 117, eerste lid, onderdeel d: de waarde die voor de onroerende zaak wordt bepaald op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor het kalenderjaar, waarbij het tarief wordt gesteld op een percentage van de waarde dat voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen en onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen verschilt. -**2.** In afwijking in zoverre van het eerste lid, onderdeel d, wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de heffing ter zake van gebouwde onroerende zaken de waarde van onroerende zaken of onderdelen daarvan als bedoeld in artikel 220d, eerste lid, onderdelen c, h en j, van de Gemeentewet en van waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen die dienen als woning, buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in het eerste lid, onderdeel d, bedoelde waarde. +**2.** Bij het bepalen van het tarief voor gebouwde onroerende zaken als bedoeld in artikel 117, eerste lid, onderdeel d, is de verhouding tussen het percentage van de waarde van onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen en het percentage van de waarde van onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen gelijk aan de verhouding tussen de waardeontwikkeling van onroerende zaken gelegen in het waterschap die in hoofdzaak tot woning dienen en de waardeontwikkeling van onroerende zaken in het waterschap die niet in hoofdzaak tot woning dienen ten opzichte van de waarde twee jaar voorafgaand aan inwerkingtreding van dit lid. -**3.** Bij de toepassing van het tweede lid is het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken van overeenkomstige toepassing. +**3.** In afwijking in zoverre van het eerste lid, onderdeel d, wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de heffing ter zake van gebouwde onroerende zaken de waarde van onroerende zaken of onderdelen daarvan als bedoeld in artikel 220d, eerste lid, onderdelen c, h en j, van de Gemeentewet en van waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen die dienen als woning, buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in het eerste lid, onderdeel d, bedoelde waarde. + +**4.** Bij de toepassing van het derde lid is het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken van overeenkomstige toepassing. ### Artikel 122 @@ -1708,11 +1741,24 @@ d. ter zake van gebouwde onroerende zaken als bedoeld in artikel 117, onderdeel In afwijking van artikel 121, eerste lid, onderdelen b, c, en d kan het algemeen bestuur in de in artikel 120, eerste lid, genoemde verordening de heffing: a. maximaal 100% hoger vaststellen voor onroerende zaken die in hoofdzaak bestaan uit glasopstanden als bedoeld in artikel 220d, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet; -b. maximaal 100% hoger vaststellen voor verharde openbare wegen, indien het algemeen bestuur voor 1 juli 2012 geen tariefdifferentiatie toepaste; -c. maximaal 400% hoger vaststellen voor verharde openbare wegen, indien het algemeen bestuur voor 1 juli 2012 tariefdifferentiatie toepaste. +b. maximaal 100% hoger vaststellen voor verharde openbare wegen; +c. maximaal 100% hoger vaststellen voor ongebouwde onroerende zaken die zijn gelegen in een bepaald gedeelte van het gebied van het waterschap waarin door of vanwege het algemeen bestuur van het waterschap een wateraanvoerproject tot stand wordt of is gebracht. **4.** De afwijkingen als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid kunnen naast elkaar worden toegepast. +**5.** + +Het algemeen bestuur geeft pas toepassing aan het derde lid, onderdeel c, nadat: + +a. door tenminste één belanghebbende een verzoek is ingediend voor een wateraanvoerproject; +b. de potentiële heffingplichtigen in de gelegenheid zijn gesteld binnen een redelijke termijn schriftelijk of elektronisch kenbaar te maken of zij het wateraanvoerproject wenselijk achten; +c. ten minste de helft van de potentiële heffingplichtigen zich voor of tegen het wateraanvoerproject heeft uitgesproken; en +d. ten minste twee derde deel daarvan zich vóór het wateraanvoerproject heeft uitgesproken. + +**6.** Potentieel heffingplichtige is degene die op het moment dat uitvoering wordt gegeven aan het vijfde lid, onderdeel b, in de basisregistratie kadaster als rechthebbende is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen rechthebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. + +**7.** De heffing bedoeld in het derde lid, onderdeel c, kan voor de betrokken ongebouwde onroerende zaken op een verschillend of een gelijk percentage worden vastgesteld. Bij het vaststellen van een verschillend percentage kan het belang van de ongebouwde onroerende zaak bij het wateraanvoerproject vanwege onder meer de ligging en de bestemming in aanmerking worden genomen. + ### Hoofdstuk XVIIa. De heffing ter bekostiging van het wegenbeheer ### Artikel 122a @@ -1744,17 +1790,19 @@ d. krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van gebouwde onro Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: -a. zuiveringtechnisch werk: een werk voor het zuiveren van afvalwater of het transport van afvalwater, niet zijnde een openbaar vuilwaterriool; -b. openbaar vuilwaterriool: openbaar vuilwaterriool als bedoeld in de Omgevingswet; -c. afvoeren: het brengen van stoffen op een openbaar vuilwaterriool of op een zuiveringtechnisch werk; -d. stoffen: afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen; -e. afvalwater: afvalwater als bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Omgevingswet; -f. drinkwater: drinkwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet; -g. drinkwaterbedrijf: drinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet; -h. woonruimte: een ruimte als bedoeld in artikel 116, onder b; -i. bedrijfsruimte: een naar zijn aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen ruimte of terrein, niet zijnde een woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een openbaar vuilwaterriool; -j. ingenomen water: geleverd drink- en industriewater en warm tapwater, onttrokken grond- en oppervlaktewater en opgevangen hemelwater; -k. warm tapwater: warm tapwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet. +− *afvalwater:* stedelijk afvalwater als bedoeld in de Omgevingswet; +− *afvoeren:* brengen van stoffen op een openbaar vuilwaterriool of op een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet dat wordt beheerd door of namens het waterschap; +− *bedrijfsruimte:* naar zijn aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen ruimte of terrein, niet zijnde een woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een openbaar vuilwaterriool; +− *drinkwater:* drinkwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet; +− *drinkwaterbedrijf:* drinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet; +− *hernieuwbare energie:* hernieuwbare energie als bedoeld in artikel 116; +− *ingenomen water:* geleverd drink- en industriewater en warm tapwater, onttrokken grond- en oppervlaktewater en opgevangen hemelwater; +− *openbaar vuilwaterriool:* openbaar vuilwaterriool als bedoeld in de Omgevingswet; +− *primair energiegebruik:* primair energiegebruik als bedoeld in artikel 116; +− *stoffen:* afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen; +− *warm tapwater:* warm tapwater als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet; +− *woonruimte:* woonruimte als bedoeld in artikel 116; +− *zuiveringtechnisch werk:* werk voor het zuiveren van afvalwater of het transport van afvalwater, niet zijnde een openbaar vuilwaterriool. ### Artikel 122d @@ -1782,7 +1830,13 @@ c. in geval van het ter beschikking stellen van een woonruimte of bedrijfsruimte De opbrengst van de heffing kan tevens worden besteed: a. aan het verstrekken van subsidies ter tegemoetkoming in de kosten van het voorbereiden en uitvoeren van maatregelen die verband houden met het zuiveren van afvalwater aan diegenen die tot het treffen van die maatregelen zijn gehouden; -b. aan het verstrekken van subsidies aan heffingplichtigen tot behoud van het gebruik van zuiveringtechnische werken teneinde een stijging van het tarief van de heffing zoveel mogelijk te voorkomen. +b. aan het verstrekken van subsidies aan heffingplichtigen tot behoud van het gebruik van zuiveringtechnische werken teneinde een stijging van het tarief van de heffing zoveel mogelijk te voorkomen; +c. aan het doen van uitgaven ter beperking van de afvoer van hemelwater op een zuiveringtechnisch werk of op een openbaar vuilwaterriool; +d. aan de bekostiging van maatregelen voor het opwekken van hernieuwbare energie ter compensatie van de uitstoot van broeikasgassen, die vrijkomen als gevolg van de zuivering van afvalwater en die in redelijkheid niet te vermijden zijn. De hoeveelheid op te wekken hernieuwbare energie mag niet hoger zijn dan driemaal het primaire energiegebruik van het betreffende waterschap benodigd voor de zuivering van afvalwater. + +**6.** Voor de zuivering van ander afvalwater dan bedoeld in artikel 1, tweede lid, kan een waterschap een overeenkomst sluiten met degene die zich van dit afvalwater ontdoet. + +**7.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de wijze waarop het primaire energiegebruik wordt bepaald. ### Artikel 122e @@ -1796,28 +1850,36 @@ Voor de heffing geldt als grondslag de hoeveelheid en de hoedanigheid van de sto Eén vervuilingseenheid vertegenwoordigt met betrekking tot: -a. het zuurstofverbruik het jaarlijks verbruik van 54,8 kilogram zuurstof; -b. de gewichtshoeveelheden van de groep van stoffen chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink 1,00 kilogram; -c. de gewichtshoeveelheden van de groep van stoffen arseen, kwik en cadmium 0,100 kilogram; -d. de gewichtshoeveelheden van de stof chloride 650 kilogram; -e. de gewichtshoeveelheden van de stof sulfaat 650 kilogram; -f. de gewichtshoeveelheden van de stof fosfor 20,0 kilogram. +a. zuurstofverbruik: het jaarlijks verbruik van 54,8 kilogram zuurstof; +b. gewichtshoeveelheden van de groep van stoffen chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink: 1,00 kilogram; +c. gewichtshoeveelheden van de groep van stoffen arseen, kwik en cadmium: 0,100 kilogram; +d. gewichtshoeveelheden van de stof chloride: 650 kilogram; +e. gewichtshoeveelheden van de stof sulfaat: 650 kilogram; +f. gewichtshoeveelheden van de stof fosfor: 20,0 kilogram. **3.** -Het algemeen bestuur kan bij verordening bepalen dat: +Het algemeen bestuur kan bij verordening met betrekking tot één of meer van de in het tweede lid, onderdelen b tot en met f, genoemde stoffen: -a. de gewichtshoeveelheden met betrekking tot één of meer van de in het tweede lid, onderdelen b tot en met f bedoelde stoffen niet worden onderworpen aan de heffing; -b. het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot de gewichtshoeveelheden van één of meer van de in het tweede lid, onderdelen b tot en met f bedoelde stoffen: +a. de gewichtshoeveelheid die één vervuilingseenheid vertegenwoordigt, hoger vaststellen dan in het tweede lid is bepaald; +b. bepalen dat: -1°. tot minimaal nihil wordt verminderd op een door hem vast te stellen wijze; -2°. op nihil wordt gesteld indien dit aantal, na toepassing van het bepaalde krachtens de onderdelen a en b, niet uitgaat boven een door hem vast te stellen aantal vervuilingseenheden. +1°. zij niet worden onderworpen aan de heffing; +2°. een bepaald aantal vervuilingseenheden niet wordt onderworpen aan de heffing; +3°. vervuilingseenheden niet worden onderworpen aan de heffing, indien het aantal daarvan, na toepassing van de onderdelen a en b, onder 1° en 2°, niet uitgaat boven een bepaald aantal vervuilingseenheden; of +4°. zij niet of niet geheel worden onderworpen aan de heffing als de stof in een bepaalde concentratie aanwezig is. ### Artikel 122g -**1.** Het aantal vervuilingseenheden wordt berekend met behulp van door meting, bemonstering en analyse verkregen gegevens, overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels. +**1.** Het aantal vervuilingseenheden wordt berekend met behulp van gegevens verkregen door middel van door de heffingplichtige, gedurende elk etmaal van het kalenderjaar ondernomen meting, bemonstering en analyse, overeenkomstig door het algemeen bestuur bij belastingverordening te stellen regels. -**2.** Bij de maatregel kan worden bepaald dat ter uitvoering van die maatregel nadere regels worden gesteld bij verordening van het algemeen bestuur. +**2.** Op aanvraag van de heffingplichtige staat de ambtenaar van het waterschap, bedoeld in artikel 123, derde lid, onderdeel b, onder nader te stellen voorwaarden toe dat van de frequentie van meting, bemonstering en analyse, bedoeld in het eerste lid, wordt afgeweken indien de heffingplichtige aannemelijk maakt dat voor de berekening van de vervuilingswaarde met gegevens over meting, bemonstering en analyse van een beperkt aantal etmalen kan worden volstaan. Dit besluit wordt genomen bij voor bezwaar vatbare beschikking. + +**3.** De bepaling van het zuurstofverbruik van de stoffen welke in een kalenderjaar worden afgevoerd, geschiedt op basis van de som van het chemisch zuurstofverbruik door omzetting van de totale hoeveelheid organische koolstof in de stoffen en het zuurstofverbruik door omzetting van de totale hoeveelheid stikstof verminderd met de nitriet-stikstof en de nitraat- stikstof in de stoffen. Hierbij wordt het chemisch zuurstofverbruik gesteld op driemaal het totale gehalte aan organische koolstof in de afgevoerde stoffen. + +**4.** In afwijking van het derde lid, tweede volzin, wordt de verhouding tussen het chemisch zuurstofverbruik en het totale gehalte aan organische koolstof in de afgevoerde stoffen vastgesteld op lager dan drie onderscheidenlijk hoger dan drie, indien de heffingplichtige op zijn kosten onderscheidenlijk de ambtenaar van het waterschap, bedoeld in artikel 123, derde lid, onderdeel b, op kosten van het waterschap overeenkomstig door het algemeen bestuur bij belastingverordening te stellen nadere regels doet blijken dat deze verhouding lager is dan tweeënhalf onderscheidenlijk hoger is dan drieënhalf. Indien blijkt dat die verhouding lager is dan tweeënhalf of hoger is dan drieënhalf wordt de verhouding tussen het chemisch zuurstofverbruik en het totale gehalte aan organische koolstof in de afgevoerde stoffen gedeeld door tweeënhalf onderscheidenlijk drieënhalf en vermenigvuldigd met drie. + +**5.** Indien de uitkomst van de methode tot bepaling van het chemisch zuurstofverbruik in belangrijke mate is beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen, wordt op die uitkomst een correctie toegepast, overeenkomstig door het algemeen bestuur bij belastingverordening te stellen regels. ### Artikel 122h @@ -1855,11 +1917,11 @@ c. het aantal vervuilingseenheden niet is berekend met behulp van meting, bemons **1.** -Indien door de heffingplichtige aannemelijk is gemaakt dat het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan, die hij gebruikt, 1000 of minder bedraagt, en dat dit aantal aan de hand van de hoeveelheid ten behoeve van die bedrijfsruimte of dat onderdeel van die bedrijfsruimte ingenomen water bepaald kan worden, wordt dat aantal in afwijking van artikel 122g vastgesteld volgens de formule: A x B, waarbij, +Indien de heffingplichtige aannemelijk maakt dat het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan, die hij gebruikt, 1000 of minder bedraagt, en dat dit aantal aan de hand van de hoeveelheid ten behoeve van die bedrijfsruimte of dat onderdeel van die bedrijfsruimte ingenomen water bepaald kan worden, wordt dat aantal in afwijking van artikel 122g vastgesteld volgens de formule: A x B, waarbij, A = het aantal m^3 in het kalenderjaar ten behoeve van de bedrijfsruimte of het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water; -B = de afvalwatercoëfficiënt behorende bij de klasse van de in het derde lid opgenomen tabel met de klassegrenzen waarbinnen de vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m^3 ten behoeve van de bedrijfsruimte of van het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water is gelegen. +B = de afvalwatercoëfficiënt behorende bij klasse acht van de in het derde lid opgenomen tabel of indien de heffingplichtige of de in artikel 123, derde lid, onderdeel b, bedoelde ambtenaar van het waterschap doet blijken dat een andere klasse dan acht van toepassing is, de afvalwatercoëfficiënt behorende bij een andere klasse van de in het derde lid opgenomen tabel met de klassegrenzen waarbinnen de vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m^3 ten behoeve van de bedrijfsruimte of van het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water is gelegen. **2.** Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld voor de bepaling van de vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m^3 ten behoeve van de bedrijfsruimte of het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water. @@ -1969,7 +2031,9 @@ c. de dagtekening van het aanslagbiljet: de dagtekening van de schriftelijke ken ### Artikel 126 -Bij de heffing van waterschapsbelastingen blijven van de Algemene wet buiten toepassing de artikelen 2, vierde lid, 3, 3a, 37 tot en met 39, 47a, 48, 52, 53, 54, 55, 62, 66a, 66b, 71, 76, 80, tweede, derde en vierde lid, 82, 84, 86, 87 en 90 tot en met 95. Bij de heffing van waterschapsbelastingen die op andere wijze worden geheven, blijven bovendien de artikelen 5, 6 tot en met 9, 11, tweede lid, en 12 van die wet buiten toepassing. +**1.** Bij de heffing van waterschapsbelastingen blijven van de Algemene wet buiten toepassing de artikelen 2, vierde lid, 3, 3a, 37 tot en met 39, 47a, 48, 52, 53, 54, 55, 62, 66a, 66b, 71, 76, 80, tweede, derde en vierde lid, 82, 84, 86, 87 en 90 tot en met 95. Bij de heffing van waterschapsbelastingen die op andere wijze worden geheven, blijven bovendien de artikelen 5, 6 tot en met 9, 11, tweede lid, en 12 van die wet buiten toepassing. + +**2.** Op een bezwaarschrift dat niet is ingediend in de laatste zes weken van een kalenderjaar, doet de in artikel 123, derde lid, onderdeel b, bedoelde ambtenaar van het waterschap, in afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, uitspraak in het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen. ### Artikel 126a @@ -2010,7 +2074,7 @@ b. kan de in artikel 123, derde lid, onderdeel b, bedoelde ambtenaar van het wat Een ambtenaar als bedoeld in artikel 123, derde lid, onderdeel d, is voor zover dit voor de heffing van de in artikel 122d, eerste lid, van deze wet of artikel 7.2, tweede lid, van de Waterwet bedoelde waterschapsbelasting redelijkerwijs nodig is, bevoegd: a. elke plaats met medeneming van de benodigde apparatuur, zo nodig met behulp van de sterke arm, zonder toestemming van de bewoner te betreden met uitzondering van een woning; -b. monsters te nemen van het afvalwater dat wordt afgevoerd in de zin van artikel 122c, onderdeel c, van deze wet of wordt geloosd in de zin van artikel 7.1 van de Waterwet. +b. monsters te nemen van het afvalwater dat wordt afgevoerd in de zin van artikel 122c, van deze wet of wordt geloosd in de zin van artikel 7.1 van de Waterwet. ### Artikel 129 @@ -2204,11 +2268,17 @@ Het waterschapsbestuur neemt opnieuw een besluit omtrent het onderwerp van het v ### Artikel 165 -Vervallen +**1.** Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de wet van 10 februari 2025 tot wijziging van de Waterschapswet, de Waterwet en de Algemene wet bestuursrecht in verband met het versterken van de toepassing van het profijtbeginsel bij de watersysteemheffing, het geven van ruimte aan nieuwe ontwikkelingen en het oplossen van enkele knelpunten (Stb. 2025, 63) aan de Staten- Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van artikel 122, vijfde lid, in de praktijk. + +**2.** Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat zendt binnen tien jaar na de inwerkingtreding van de wet van 10 februari 2025 tot wijziging van de Waterschapswet, de Waterwet en de Algemene wet bestuursrecht in verband met het versterken van de toepassing van het profijtbeginsel bij de watersysteemheffing, het geven van ruimte aan nieuwe ontwikkelingen en het oplossen van enkele knelpunten (Stb. 2025, 63) aan de Staten- Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de artikelen 117, derde lid, en 122d, vijfde lid, onderdeel d, in de praktijk. ### Artikel 166 -Vervallen +**1.** Het bij of krachtens artikel 122k bepaalde, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel N, van de wet van 10 februari 2025 tot wijziging van de Waterschapswet, de Waterwet en de Algemene wet bestuursrecht in verband met het versterken van de toepassing van het profijtbeginsel bij de watersysteemheffing, het geven van ruimte aan nieuwe ontwikkelingen en het oplossen van enkele knelpunten (Stb. 2025, 63) blijft gedurende ten hoogste tien jaar van toepassing op de heffingplichtige voor wie de vervuilingswaarde per m^3 ingenomen water is bepaald aan de hand van artikel 2 van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009, zoals dat artikel luidde onmiddellijk voorafgaand aan voornoemd tijdstip, voor zover deze vervuilingswaarde per m^3 ingenomen water niet behoorde binnen de klassegrens die leidt tot een afvalwatercoëfficiënt behorende bij klasse acht. + +**2.** Voor de in het eerste lid bedoelde heffingplichtige stelt de ambtenaar van het waterschap, bedoeld in artikel 123, derde lid, onderdeel b, binnen tien jaar na het in het eerste lid bedoelde tijdstip een individuele afvalwatercoëfficiënt vast. Na deze vaststelling is op de desbetreffende heffingplichtige dit artikel niet meer van toepassing. + +**3.** Dit artikel is tevens niet langer van toepassing indien binnen de in het eerste lid bedoelde periode van ten hoogste tien jaar de in het tweede lid bedoelde vaststelling van de afvalwatercoëfficiënt nog niet heeft plaatsgevonden en door verandering in de bedrijfsomstandigheden vaststelling van een nieuwe afvalwatercoëfficiënt nodig is. ### Artikel 167