diff --git a/wet/wet-werk-en-bijstand/BWBR0015703/README.md b/wet/wet-werk-en-bijstand/BWBR0015703/README.md index 40f00224e17..11e7a78f88f 100644 --- a/wet/wet-werk-en-bijstand/BWBR0015703/README.md +++ b/wet/wet-werk-en-bijstand/BWBR0015703/README.md @@ -660,23 +660,6 @@ d. de persoon die onderwijs volgt waarvoor aanspraak op studiefinanciering kan b **6.** De norm voor gehuwden, op wie het eerste lid van toepassing is, is gelijk aan de som van de normen, bedoeld in dat lid, die voor ieder van de rechthebbende echtgenoten afzonderlijk van toepassing is. -### Artikel 22b - -**1.** - -In afwijking van deze paragraaf is voor belanghebbenden de norm per kalendermaand, indien het betreft: - -a. gehuwden met een of meer ten laste komende kinderen die naast de echtgenoot nog met een of meer andere meerderjarige personen die op grond van artikel 22a tot het eerste lid van dat artikel worden gerekend in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben, en waarvan een echtgenoot 18, 19 of 20 jaar is en de andere echtgenoot 21 jaar of ouder: - -1°. van 1 januari 2015 tot 1 juli 2015: € 511,68 plus de op basis van artikel 22a van toepassing zijnde norm voor de echtgenoot van 21 jaar of ouder, -2°. van 1 juli 2015 tot 1 januari 2016: € 512,65 plus de op basis van artikel 22a van toepassing zijnde norm voor de echtgenoot van 21 jaar of ouder; -b. een alleenstaande die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en die met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, maar waarbij geen van die meerderjarige personen op grond van artikel 22a tot het eerste lid van dat artikel worden gerekend: - -1°. van 1 januari 2015 tot 1 juli 2015: € 1.077,63, -2°. van 1 juli 2015 tot 1 januari 2016: € 1.079,78. - -**2.** Dit artikel vervalt met ingang van 1 juli 2016. - ### Artikel 23 **1.** @@ -748,7 +731,7 @@ j. een een- of tweemalige premie van ten hoogste € 2.339,00 per kalenderjaar, k. een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk van ten hoogste een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag; l. bij ministeriële regeling aan te wijzen uitkeringen en vergoedingen voor materiële en immateriële schade; m. giften en andere dan de in onderdeel l bedoelde vergoedingen voor materiële en immateriële schade voorzover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn; -n. inkomsten uit arbeid tot 25 procent van deze inkomsten, met een maximum van € 196,00 per maand, voor zover hij algemene bijstand ontvangt, waarbij voor een persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt geldt dat die inkomsten gedurende ten hoogste zes aaneengesloten maanden niet tot de middelen worden gerekend en dat dit naar het oordeel van het college moet bijdragen aan zijn arbeidsinschakeling; +n. inkomsten uit arbeid tot 25 procent van deze inkomsten, met een maximum van € 196,00 per maand, voor zover hij algemene bijstand ontvangt, waarbij voor een persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt geldt dat die inkomsten gedurende ten hoogste zes aaneengesloten maanden niet tot de middelen worden gerekend en dat dit naar het oordeel van het college moet bijdragen aan zijn arbeidsinschakeling; o. de ten behoeve van een levensloopregeling als bedoeld in artikel 39d van de Wet op de loonbelasting 1964 bij een uitvoerder als bedoeld in artikel 19g, derde lid, van die wet, zoals dit artikellid op 31 december 2011 luidde opgebouwde voorziening; p. een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 29a van de Algemene nabestaandenwet; q. een uitkering als bedoeld in artikel 118a, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet of een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2:52 of 3:10 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten; @@ -763,7 +746,7 @@ u. hetgeen een mantelzorger op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 2 v. een uitkering tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek die de belanghebbende jonger dan 21 jaar van zijn ouder of ouders ontvangt, voor zover deze uitkering op grond van artikel 12 reeds in aanmerking is genomen bij de vaststelling van het recht op bijzondere bijstand; w. een koopkrachttegemoetkoming als bedoeld in artikel 36a; x. het vrijgelaten deel van de toeslag, uitkering, kinderbijslag of ouderdomspensioen op grond van de artikelen 14h, vijfde lid, van de Toeslagenwet, 27h, vijfde lid, van de Werkloosheidswet, 54a, vijfde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, 24a, vijfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, 29h,vijfde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 3:44, vijfde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, 97, vijfde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, 45h, vijfde lid, van de Ziektewet, 17h, vijfde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet, 45a, vijfde lid, van de Algemene nabestaandenwet, 17j, vijfde lid, van de Algemene Ouderdomswet, 29, zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, en 29, zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; -y. een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 3 van de Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen; +y. een inkomensondersteuning als bedoeld in artikel 33a van de Algemene Ouderdomswet; z. inkomsten uit arbeid van een persoon die medisch urenbeperkt is tot 15 procent van deze inkomsten uit arbeid, met een maximum van € 124,00 per maand, voor zover hij algemene bijstand ontvangt, tenzij onderdeel n of r van toepassing is. **3.**