diff --git a/wet/wet-inkomstenbelasting-2001/BWBR0011353/README.md b/wet/wet-inkomstenbelasting-2001/BWBR0011353/README.md index a3aeaf46387..0f6266a4c3d 100644 --- a/wet/wet-inkomstenbelasting-2001/BWBR0011353/README.md +++ b/wet/wet-inkomstenbelasting-2001/BWBR0011353/README.md @@ -125,6 +125,10 @@ b. in overige gevallen: voorzover dat bij ministeriële regeling is bepaald. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger verstaan een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger als bedoeld in artikel 3, vierde tot en met twaalfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. +### Artikel 1.11 + +Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden + ## Hoofdstuk 2. Raamwerk ### Afdeling 2.1. Belastingplichtigen @@ -240,14 +244,14 @@ Voor belastingplichtigen die gedurende het gehele kalenderjaar of een gedeelte d De belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning (afdeling 3.1 respectievelijk afdeling 7.2) wordt bepaald aan de hand van de volgende tabel. -| Bij een belastbaar inkomen uit werk en woning van meer dan | maar niet meer dan | bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare inkomen uit werk en woning dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat | | +| Bij een belastbaar inkomen uit werk en woning van meer dan | maar niet meer dan | bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare inkomen uit werk en woning dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat | | | --- | --- | --- | --- | | I | II | III | IV | -| – | € 37.149 | – | 9,28% | -| € 37.149 | € 73.031 | € 3.447 | 36,93% | -| € 73.031 | – | € 16.698 | 49,50% | +| – | € 38.098 | – | 9,32% | +| € 38.098 | € 75.518 | € 3.550 | 36,97% | +| € 75.518 | – | € 17.384 | 49,50% | -**2.** Indien bij het bepalen van het belastbare inkomen uit werk en woning een of meer bedragen ter zake van grondslagverminderende posten als bedoeld in het derde lid in aftrek zijn gebracht, bedraagt de belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning het op basis van het eerste lid bepaalde bedrag vermeerderd met 12,57% van het bedrag waarmee de som van het belastbare inkomen uit werk en woning en de in aftrek gebrachte bedragen ter zake van grondslagverminderende posten als bedoeld in het derde lid, het in de eerste kolom van de in het eerste lid opgenomen tabel laatstvermelde bedrag te boven gaat, doch ten hoogste met 12,57% van de in aftrek gebrachte bedragen ter zake van grondslagverminderende posten als bedoeld in het derde lid. +**2.** Indien bij het bepalen van het belastbare inkomen uit werk en woning een of meer bedragen ter zake van grondslagverminderende posten als bedoeld in het derde lid in aftrek zijn gebracht, bedraagt de belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning het op basis van het eerste lid bepaalde bedrag vermeerderd met 12,53% van het bedrag waarmee de som van het belastbare inkomen uit werk en woning en de in aftrek gebrachte bedragen ter zake van grondslagverminderende posten als bedoeld in het derde lid, het in de eerste kolom van de in het eerste lid opgenomen tabel laatstvermelde bedrag te boven gaat, doch ten hoogste met 12,53% van de in aftrek gebrachte bedragen ter zake van grondslagverminderende posten als bedoeld in het derde lid. **3.** @@ -265,14 +269,14 @@ e. de persoonsgebonden aftrek, bedoeld in artikel 6.1. In afwijking van artikel 2.10 wordt voor de belastingplichtige die geboren is vóór 1 januari 1946 de belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning (afdeling 3.1 respectievelijk afdeling 7.2) bepaald aan de hand van de volgende tabel. -| Bij een belastbaar inkomen uit werk en woning van meer dan | maar niet meer dan | bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare inkomen uit werk en woning dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat | | +| Bij een belastbaar inkomen uit werk en woning van meer dan | maar niet meer dan | bedraagt de belasting het in kolom III vermelde bedrag, vermeerderd met het bedrag dat wordt berekend door het in kolom IV vermelde percentage te nemen van het gedeelte van het belastbare inkomen uit werk en woning dat het in kolom I vermelde bedrag te boven gaat | | | --- | --- | --- | --- | | I | II | III | IV | -| – | € 38.703 | – | 9,28% | -| € 38.703 | € 73.031 | € 3.591 | 36,93% | -| € 73.031 | – | € 16.268 | 49,50% | +| – | € 40.021 | – | 9,32% | +| € 40.021 | € 75.518 | € 3.729 | 36,97% | +| € 75.518 | – | € 16.852 | 49,50% | -**2.** Indien bij het bepalen van het belastbare inkomen uit werk en woning een of meer bedragen ter zake van grondslagverminderende posten als bedoeld in het derde lid in aftrek zijn gebracht, bedraagt de belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning het op basis van het eerste lid bepaalde bedrag vermeerderd met 12,57% van het bedrag waarmee de som van het belastbare inkomen uit werk en woning en de in aftrek gebrachte bedragen ter zake van grondslagverminderende posten als bedoeld in het derde lid, het in de eerste kolom van de in het eerste lid opgenomen tabel laatstvermelde bedrag te boven gaat, doch ten hoogste met 12,57% van de in aftrek gebrachte bedragen ter zake van grondslagverminderende posten als bedoeld in het derde lid. +**2.** Indien bij het bepalen van het belastbare inkomen uit werk en woning een of meer bedragen ter zake van grondslagverminderende posten als bedoeld in het derde lid in aftrek zijn gebracht, bedraagt de belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning het op basis van het eerste lid bepaalde bedrag vermeerderd met 12,53% van het bedrag waarmee de som van het belastbare inkomen uit werk en woning en de in aftrek gebrachte bedragen ter zake van grondslagverminderende posten als bedoeld in het derde lid, het in de eerste kolom van de in het eerste lid opgenomen tabel laatstvermelde bedrag te boven gaat, doch ten hoogste met 12,53% van de in aftrek gebrachte bedragen ter zake van grondslagverminderende posten als bedoeld in het derde lid. **3.** @@ -304,11 +308,11 @@ Vervallen ### Artikel 2.12 -De belasting op het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang (afdeling 4.1 respectievelijk afdeling 7.3) bedraagt 26,9%. +De belasting op het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang (afdeling 4.1 respectievelijk afdeling 7.3) wordt bepaald aan de hand van de volgende tabel. ### Artikel 2.13 -De belasting op het belastbare inkomen uit sparen en beleggen (afdeling 5.1 respectievelijk afdeling 7.4) bedraagt 32%. +De belasting op het belastbare inkomen uit sparen en beleggen (afdeling 5.1 respectievelijk afdeling 7.4) bedraagt 36%. ### Afdeling 2.4. Toerekeningsregels @@ -333,6 +337,10 @@ e. van een werkgever die een met de belastingplichtige verbonden persoon is als **4.** Met betrekking tot het derde lid, onderdeel e, is artikel 3.16, twaalfde lid, van overeenkomstige toepassing. +### Artikel 2.14bis + +Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden + ### Artikel 2.14a **1.** Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven van een afgezonderd particulier vermogen als bedoeld in het tweede lid, geacht bij degene die dat vermogen bij leven of bij overlijden heeft afgezonderd tot zijn bezit te behoren, onderscheidenlijk op te komen (toerekening). Na het overlijden van de persoon, bedoeld in de eerste volzin, worden de bezittingen en schulden alsmede de opbrengsten en uitgaven van een afgezonderd particulier vermogen als bedoeld in het tweede lid, toegerekend aan diens erfgenamen, per erfgenaam in dezelfde verhouding als hij verkrijger krachtens erfrecht is van de overledene. Vanaf het moment dat de in de vorige volzin bedoelde erfgenaam is overleden, treden diens erfgenamen en de daaropvolgende erfgenamen in de plaats van de overleden erfgenaam, per erfgenaam in dezelfde verhouding als hij erfgenaam is van de overleden erfgenaam waarvoor hij in de plaats treedt. @@ -385,7 +393,7 @@ b. het rechtens dan wel in feite, direct of indirect, vervreemden van vermogensb **1.** Inkomensbestanddelen van de belastingplichtige en zijn *partner* worden in aanmerking genomen bij degene door wie de inkomensbestanddelen zijn genoten of op wie deze drukken. Bestanddelen van de rendementsgrondslag van de belastingplichtige en zijn partner worden in aanmerking genomen bij degene tot wiens bezit die bestanddelen behoren. -**2.** Gemeenschappelijke inkomensbestanddelen, de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, en de op grond van artikel 9.2 als voorheffing in aanmerking te nemen geheven dividendbelasting, van de belastingplichtige en zijn partner worden geacht bij hen op te komen, tot hun bezit te behoren onderscheidenlijk als voorheffing in aanmerking te worden genomen, in de onderlinge verhouding die zij daarvoor ieder jaar bij het doen van aangifte kiezen. De korting voor groene beleggingen, bedoeld in artikel 8.19, van de belastingplichtige en zijn partner wordt geacht bij hen op te komen in de verhouding die op grond van dit artikel wordt toegepast voor de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen. Indien de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen van de belastingplichtige en zijn partner nihil bedraagt, wordt de korting in aanmerking genomen bij degene met het hoogste verzamelinkomen. Indien het verzamelinkomen van de belastingplichtige en het verzamelinkomen van zijn partner aan elkaar gelijk zijn en de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen van de belastingplichtige en zijn partner nihil bedraagt, wordt de korting in aanmerking genomen bij degene met de hoogste leeftijd. +**2.** Gemeenschappelijke inkomensbestanddelen, de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, vijfde lid, en de op grond van artikel 9.2 als voorheffing in aanmerking te nemen geheven dividendbelasting, van de belastingplichtige en zijn partner worden geacht bij hen op te komen, tot hun bezit te behoren onderscheidenlijk als voorheffing in aanmerking te worden genomen, in de onderlinge verhouding die zij daarvoor ieder jaar bij het doen van aangifte kiezen. De korting voor groene beleggingen, bedoeld in artikel 8.19, van de belastingplichtige en zijn partner wordt geacht bij hen op te komen in de verhouding die op grond van dit artikel wordt toegepast voor de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen. Indien de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen van de belastingplichtige en zijn partner nihil bedraagt, wordt de korting in aanmerking genomen bij degene met het hoogste verzamelinkomen. Indien het verzamelinkomen van de belastingplichtige en het verzamelinkomen van zijn partner aan elkaar gelijk zijn en de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen van de belastingplichtige en zijn partner nihil bedraagt, wordt de korting in aanmerking genomen bij degene met de hoogste leeftijd. **3.** Een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel wordt geacht bij de belastingplichtige en zijn partner voor de helft op te komen, de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen wordt geacht bij de belastingplichtige en zijn partner voor de helft tot hun bezit te behoren en de geheven dividendbelasting wordt geacht bij ieder voor de helft te zijn geheven voorzover zij daarvoor geen onderlinge verhouding hebben gekozen. @@ -615,7 +623,7 @@ b. belastingen die buiten Nederland in enige vorm naar de winst of bestanddelen **1.** -Bij het bepalen van de winst komen, onverminderd artikel 3.14, tot een bedrag van  € 5.100 niet in aftrek kosten en lasten die verband houden met de volgende posten: +Bij het bepalen van de winst komen, onverminderd artikel 3.14, tot een bedrag van  € 5.600 niet in aftrek kosten en lasten die verband houden met de volgende posten: a. voedsel, drank en genotmiddelen; b. representatie, daaronder begrepen recepties, feestelijke bijeenkomsten en vermaak en @@ -629,7 +637,7 @@ c. congressen, seminars, symposia, excursies, studiereizen en dergelijke. **5.** Indien de belastingplichtige daarvoor bij de aangifte kiest, komen, in afwijking van het eerste lid, kosten en lasten die verband houden met de in dat lid genoemde posten, voor 80% in aftrek. -**6.** Voor de toepassing van het eerste, tweede en vijfde lid worden kosten en lasten die verband houden met een tot het privé-vermogen van de belastingplichtige behorend of door hem in privé gehuurd vervoermiddel, eerst beperkt tot € 0,21 per kilometer. +**6.** Voor de toepassing van het eerste, tweede en vijfde lid worden kosten en lasten die verband houden met een tot het privé-vermogen van de belastingplichtige behorend of door hem in privé gehuurd vervoermiddel, eerst beperkt tot € 0,23 per kilometer. **7.** Voor de toepassing van het zesde lid worden met de belastingplichtige gelijkgesteld personen die behoren tot zijn huishouden. @@ -695,7 +703,7 @@ a. ten behoeve van de belastingplichtige zelf: 1°. verhuizing naar een andere woonruimte: de kosten van het overbrengen van zijn inboedel, vermeerderd met € 7750; 2°. huisvesting buiten zijn woonplaats: gedurende ten hoogste twee jaar; -b. tot het privé-vermogen van de belastingplichtige behorend of door hem in privé gehuurd vervoermiddel: € 0,21 per kilometer; +b. tot het privé-vermogen van de belastingplichtige behorend of door hem in privé gehuurd vervoermiddel: € 0,23 per kilometer; c. tot het privévermogen van de belastingplichtige behorende of door hem in privé gehuurde bezitting, andere dan vervoermiddelen als bedoeld in onderdeel b: 1º. indien die bezitting tot het privé-vermogen behoort: een gebruiksvergoeding van ten hoogste het product van het op die bezitting van toepassing zijnde percentage, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, tweede zin, en de waarde van die bezitting, mits dat product positief is en voor zover dat product kan worden toegerekend aan de periode van het gebruik van de bezitting in de onderneming, alsmede een evenredig deel van de kosten die in huurverhoudingen door de huurder plegen te worden gedragen; @@ -747,11 +755,11 @@ De onttrekking bedraagt bij een woningwaarde van: | meer dan | maar niet meer dan | op jaarbasis | | --- | --- | --- | | – | € 12.500 | 0,65% van deze waarde | -| € 12.500 | € 25.000 | 0,90% van deze waarde | -| € 25.000 | € 50.000 | 1,00% van deze waarde | -| € 50.000 | € 75.000 | 1,10% van deze waarde | -| € 75.000 | € 1.200.000 | 1,20% van deze waarde | -| € 1.200.000 | – | € 14.400 vermeerderd met 2,35% van de woningwaarde voor zover deze uitgaat boven € 1.200.000 | +| € 12.500 | € 25.000 | 0,85% van deze waarde | +| € 25.000 | € 50.000 | 0,95% van deze waarde | +| € 50.000 | € 75.000 | 1,05% van deze waarde | +| € 75.000 | € 1.310.000 | 1,20% van deze waarde | +| € 1.310.000 | – | € 15.720 vermeerderd met 2,35% van de woningwaarde voor zover deze uitgaat boven € 1.310.000 | **3.** De woningwaarde is de volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor die woning vastgestelde waarde of waarden voor het kalenderjaar van de onttrekking. Indien een woning deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken, wordt de woningwaarde gesteld op het gedeelte van de waarde van de onroerende zaak dat kan worden toegerekend aan die woning. @@ -775,7 +783,7 @@ b. 35% van de waarde van de auto als onttrekking in aanmerking genomen indien de De auto wordt in ieder geval geacht ook voor privédoeleinden ter beschikking te staan tenzij blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt. -**2.** De onttrekking, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, wordt op jaarbasis verlaagd met 6% van de waarde van de auto indien uit het kentekenregister blijkt dat de CO_2-uitstoot 0 gram per kilometer is, met dien verstande dat het bedrag van de verlaging ten hoogste € 1.800 bedraagt tenzij de auto wordt aangedreven door een motor die kan worden gevoed met waterstof of de auto is voorzien van geïntegreerde zonnepanelen waarbij de voor de aandrijving benodigde energie wordt opgeslagen in een accupakket dat geen lood bevat en de zonnepanelen een vermogen hebben van ten minste 1 kilowattpiek. +**2.** De onttrekking, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, wordt op jaarbasis verlaagd met 6% van de waarde van de auto indien uit het kentekenregister blijkt dat de CO_2-uitstoot 0 gram per kilometer is, met dien verstande dat het bedrag van de verlaging ten hoogste € 1.800 bedraagt tenzij de auto wordt aangedreven door een motor die kan worden gevoed met waterstof of de auto is voorzien van geïntegreerde zonnepanelen waarbij de voor de aandrijving benodigde energie wordt opgeslagen in een accupakket dat geen lood bevat en het vermogen van de zonnepanelen in wattpiek gedeeld door het verbruik in wattuur per kilometer ten minste 7 is. Het verbruik in wattuur wordt gemeten overeenkomstig bijlage XXI bij Verordening (EU) 2017/1151 van de Commissie van 1 juni 2017 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie en Verordening (EU) nr. 1230/2012 van de Commissie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie (PbEU 2017, L 175). **3.** Voor de toepassing van dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt woon-werkverkeer geacht niet voor privédoeleinden plaats te vinden. Indien uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt, wordt de onttrekking gesteld op nihil. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld waaraan een rittenregistratie moet voldoen. Tevens kunnen regels worden gesteld over het anderszins laten blijken dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt. @@ -914,7 +922,7 @@ De volgens de vorige volzinnen vastgestelde winst wordt met betrekking tot schep Bij inwilliging van het verzoek wordt tot de winst van het jaar waarin het verzoek wordt gedaan, mede gerekend het gezamenlijke bedrag – dat is bepaald naar de toestand op het tijdstip dat onmiddellijk aan dat jaar voorafgaat – van: -a. de op grond van de artikelen 3.53 en 3.54 gevormde reserves van de onderneming die verband houden met de zeescheepvaart en +a. de op grond van de artikelen 3.53, 3.54 en 3.54aa gevormde reserves van de onderneming die verband houden met de zeescheepvaart en b. een bedrag ter grootte van het positieve verschil tussen de waarde die in het economische verkeer wordt toegekend aan de zaken die door de onderneming worden gebruikt voor het behalen van winst uit zeescheepvaart en de waarde waarvoor deze zaken op dat tijdstip te boek zijn gesteld. **3.** Het in het tweede lid bedoelde gezamenlijke bedrag blijft buiten aanmerking voorzover dit het bedrag waarvoor de belastingplichtige op het in de aanhef van dat lid bedoelde tijdstip aanspraak kan maken op verrekening van verliezen volgens afdeling 3.13, te boven gaat. De inspecteur stelt het bedrag dat buiten aanmerking blijft, per onderneming vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. @@ -993,12 +1001,7 @@ Vervallen **2.** Voor de afschrijving en de afwaardering tot lagere bedrijfswaarde worden de onderdelen van een gebouw, de daarbij behorende ondergrond en aanhorigheden als één bedrijfsmiddel beschouwd. Werktuigen die van een gebouw kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken, worden als een afzonderlijk bedrijfsmiddel beschouwd. -**3.** - -De bodemwaarde van een gebouw is: - -a. voor een gebouw dat bestemd is om direct of indirect hoofdzakelijk ter beschikking te worden gesteld aan een ander dan een met de belastingplichtige verbonden persoon of lichaam (gebouw ter belegging): de WOZ-waarde van het gebouw; -b. voor een ander gebouw (gebouw in eigen gebruik): 50% van de WOZ-waarde. +**3.** De bodemwaarde van een gebouw is: de WOZ-waarde van het gebouw. **4.** @@ -1055,7 +1058,7 @@ Vervallen ### Artikel 3.34a -Voor de willekeurige afschrijving blijft een vermindering van de aanschaffings- of voortbrengingskosten ingevolge een herinvesteringsreserve als bedoeld in artikel 3.54 buiten aanmerking. Daarbij wordt het bedrag van die vermindering geacht willekeurig te zijn afgeschreven. +Voor de willekeurige afschrijving blijft een vermindering van de aanschaffings- of voortbrengingskosten ingevolge een herinvesteringsreserve als bedoeld in de artikelen 3.54 en 3.54aa buiten aanmerking. Daarbij wordt het bedrag van die vermindering geacht willekeurig te zijn afgeschreven. ### Artikel 3.35 @@ -1100,11 +1103,11 @@ Bij een investeringsbedrag in een kalenderjaar van: | meer dan | maar niet meer dan | bedraagt de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek | | --- | --- | --- | -| – | € 2.600 | € 0 | -| € 2.600 | € 63.716 | 28% van het investeringsbedrag | -| € 63.716 | € 117.991 | € 17.841 | -| € 117.991 | € 353.973 | € 17.841 verminderd met 7,56% van het gedeelte van het investeringsbedrag dat de € 117.991 te boven gaat | -| € 353.973 | – | € 0 | +| – | € 2.800 | € 0 | +| € 2.800 | € 69.765 | 28% van het investeringsbedrag | +| € 69.765 | € 129.194 | € 19.535 | +| € 129.194 | € 387.580 | € 19.535 verminderd met 7,56% van het gedeelte van het investeringsbedrag dat de € 129.194 te boven gaat | +| € 387.580 | – | € 0 | **3.** Indien de onderneming van de belastingplichtige deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met een of meer andere belastingplichtigen die daarbij winst uit onderneming genieten of belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting, worden voor de toepassing van het tweede lid hun investeringen voor het samenwerkingsverband en de door de belastingplichtige voor de betreffende onderneming gedane buitenvennootschappelijke investeringen samengeteld en bedraagt de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek het aldus op de voet van het tweede lid bepaalde bedrag vermenigvuldigd met het aan de belastingplichtige toe te rekenen investeringsbedrag en gedeeld door de som van het gezamenlijke investeringsbedrag voor het samenwerkingsverband en het bedrag van de door de belastingplichtige voor de betreffende onderneming gedane buitenvennootschappelijke investeringen. @@ -1114,14 +1117,14 @@ Bij een investeringsbedrag in een kalenderjaar van: **2.** Energie-investeringen zijn investeringen die door Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat in overeenstemming met Onze Minister en na overleg met Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat bij ministeriële regeling zijn aangewezen als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie. -**3.** De energie-investeringsaftrek bedraagt 45,5 percent. +**3.** De energie-investeringsaftrek bedraagt 40 percent. **4.** Als bedrag aan energie-investeringen wordt ten hoogste in aanmerking genomen: -a. indien de onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft geen deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met een of meer andere ondernemers die daarbij voor eigen rekening een onderneming drijven of belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting: € 136.000.000; -b. indien de onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft wel deel uitmaakt van een zodanig samenwerkingsverband: € 136.000.000 vermenigvuldigd met het bedrag aan energie-investeringen van de ondernemer en gedeeld door het gezamenlijke bedrag aan energie-investeringen van de ondernemer en de bedoelde andere deelnemers aan het samenwerkingsverband. +a. indien de onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft geen deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met een of meer andere ondernemers die daarbij voor eigen rekening een onderneming drijven of belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting: € 149.000.000; +b. indien de onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft wel deel uitmaakt van een zodanig samenwerkingsverband: € 149.000.000 vermenigvuldigd met het bedrag aan energie-investeringen van de ondernemer en gedeeld door het gezamenlijke bedrag aan energie-investeringen van de ondernemer en de bedoelde andere deelnemers aan het samenwerkingsverband. **5.** Onder de aanschaffings- of voortbrengingskosten ter zake van een energie-investering als bedoeld in het eerste lid, worden, indien de ondernemer daarvoor bij de aangifte kiest, tevens begrepen de kosten van een advies ter zake van energiebesparende maatregelen in gebouwen of bij processen dat op die investering of mede op die investering betrekking heeft en voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen eisen. @@ -1230,7 +1233,7 @@ d. degene die voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in een lichaam en ### Artikel 3.47 -**1.** Indien in een kalenderjaar tegen overdrachtsprijzen voor een bedrag van meer dan € 2.600 aan goederen wordt vervreemd, wordt van de overdrachtsprijzen een gelijk percentage als ter zake van de investering in die goederen als investeringsaftrek in aanmerking is genomen, ten bate van de winst over dat jaar gebracht (desinvesteringsbijtelling). +**1.** Indien in een kalenderjaar tegen overdrachtsprijzen voor een bedrag van meer dan € 2.800 aan goederen wordt vervreemd, wordt van de overdrachtsprijzen een gelijk percentage als ter zake van de investering in die goederen als investeringsaftrek in aanmerking is genomen, ten bate van de winst over dat jaar gebracht (desinvesteringsbijtelling). **2.** Desinvesteringsbijtelling heeft alleen plaats voorzover de vervreemding plaatsvindt binnen vijf jaar na het begin van het kalenderjaar waarin de investering heeft plaatsgevonden en wordt over geen hoger bedrag berekend dan het investeringsbedrag voorzover daarover investeringsaftrek in aanmerking is genomen. @@ -1299,8 +1302,9 @@ Vervallen Bij het bepalen van de in een kalenderjaar genoten winst kan worden gereserveerd: -a. tot gelijkmatige verdeling van kosten en lasten (egalisatiereserve); en -b. tot herinvestering in bedrijfsmiddelen volgens artikel 3.54 (herinvesteringsreserve). +a. tot gelijkmatige verdeling van kosten en lasten (egalisatiereserve); +b. tot herinvestering in bedrijfsmiddelen volgens artikel 3.54 (herinvesteringsreserve); en +c. tot herinvestering in bedrijfsmiddelen volgens artikel 3.54aa (herinvesteringsreserve bij het staken van een gedeelte van een onderneming ten gevolge van overheidsingrijpen). **2.** Met betrekking tot een in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde reserve is artikel 3.26, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing. @@ -1348,6 +1352,14 @@ c. bij algemene maatregel van bestuur aangewezen EU- of nationale regelgeving di **13.** Indien een besluit of regeling als bedoeld in het twaalfde lid, onderdeel b, de mogelijkheden om de onderneming of een gedeelte daarvan op de huidige locatie in de huidige vorm voort te zetten of uit te breiden in belangrijke mate beperkt, wordt voor de toepassing van het negende en tiende lid een vervreemding van bedrijfsmiddelen van de onderneming respectievelijk het gedeelte daarvan die plaatsvindt binnen drie jaar nadat een dergelijk besluit of een dergelijke regeling in werking is getreden, geacht een gevolg te zijn van overheidsingrijpen, met dien verstande dat een latere vervreemding ook nog geacht wordt een gevolg te zijn van overheidsingrijpen indien deze vervreemding door bijzondere omstandigheden is vertraagd en daaraan binnen de hiervoor bedoelde periode van drie jaar reeds een begin van uitvoering is gegeven. +### Artikel 3.54aa + +**1.** Een herinvesteringsreserve kan mede worden gevormd ter zake van de vervreemding van een bedrijfsmiddel in het kader van het staken van een gedeelte van een onderneming ten gevolge van overheidsingrijpen als bedoeld in artikel 3.54, twaalfde lid, zolang het voornemen bestaat dat het bedrag van die reserve in het jaar van die vervreemding of in een van de daaropvolgende drie jaren zal worden geherinvesteerd in een of meer bedrijfsmiddelen ten behoeve van een andere onderneming waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet. + +**2.** Indien bij het bepalen van de winst van een onderneming een herinvesteringsreserve als bedoeld in het eerste lid is gevormd, kan bij tijdige herinvestering het bedrag van die reserve in mindering worden gebracht op de aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen die door de belastingplichtige worden aangeschaft of voortgebracht ten behoeve van een andere onderneming waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet, mits voor het bepalen van de winst bij beide ondernemingen dezelfde bepalingen van toepassing zijn. In dat geval wordt de herinvesteringsreserve gelijktijdig en voor hetzelfde bedrag opgenomen in de winst van de onderneming waarin de herinvesteringsreserve is gevormd. + +**3.** Voor de toepassing van het eerste en tweede lid is artikel 3.54 van overeenkomstige toepassing. + ### Artikel 3.54a **1.** Indien de belastingplichtige de onderneming van een vennootschap waarvan hij aandelen of winstbewijzen houdt, in het kader van de ontbinding van die vennootschap met toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, voortzet of mede voortzet, wordt op het tijdstip van de voortzetting op de balans van de onderneming een reserve gevormd (positieve of negatieve terugkeerreserve). @@ -1579,7 +1591,7 @@ Voor de toepassing van deze paragraaf en de daarop rustende bepalingen wordt ond **1.** De zelfstandigenaftrek geldt voor de *ondernemer *die aan het *urencriterium *voldoet. -**2.** Indien de ondernemer bij het begin van het kalenderjaar de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt, bedraagt de zelfstandigenaftrek € 5.030. +**2.** Indien de ondernemer bij het begin van het kalenderjaar de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt, bedraagt de zelfstandigenaftrek € 3.750. **3.** Indien de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was en bij hem in die periode niet meer dan tweemaal zelfstandigenaftrek is toegepast, wordt de zelfstandigenaftrek verhoogd met € 2123. De eerste volzin is niet van toepassing voor de ondernemer die met toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een onderneming voortzet of mede voortzet waarbij dit voortzetten een aanvang heeft genomen in het kalenderjaar of in een van de vijf daaraan voorafgaande kalenderjaren. @@ -1599,13 +1611,13 @@ Voor de toepassing van deze paragraaf en de daarop rustende bepalingen wordt ond ### Artikel 3.77 -**1.** De aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk geldt voor de *ondernemer* die aan het *urencriterium* voldoet en in het kalenderjaar ten minste 500 uur besteedt aan werk dat bij een S&O-verklaring als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen is aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk. De aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk bedraagt € 14.202. +**1.** De aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk geldt voor de *ondernemer* die aan het *urencriterium* voldoet en in het kalenderjaar ten minste 500 uur besteedt aan werk dat bij een S&O-verklaring als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen is aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk. De aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk bedraagt € 15.551. -**2.** Indien de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was en aan hem voor die periode met betrekking tot ten hoogste twee kalenderjaren een S&O-verklaring is afgegeven, wordt de aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk verhoogd met € 7.106. Een S&O-verklaring die is afgegeven voor een deel van een kalenderjaar wordt aangemerkt als een S&O-verklaring afgegeven met betrekking tot een heel kalenderjaar. De eerste volzin is niet van toepassing voor de ondernemer die met toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een onderneming voortzet of mede voortzet waarbij dit voortzetten een aanvang heeft genomen in het kalenderjaar of in een van de vijf daaraan voorafgaande kalenderjaren. +**2.** Indien de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was en aan hem voor die periode met betrekking tot ten hoogste twee kalenderjaren een S&O-verklaring is afgegeven, wordt de aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk verhoogd met € 7.781. Een S&O-verklaring die is afgegeven voor een deel van een kalenderjaar wordt aangemerkt als een S&O-verklaring afgegeven met betrekking tot een heel kalenderjaar. De eerste volzin is niet van toepassing voor de ondernemer die met toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een onderneming voortzet of mede voortzet waarbij dit voortzetten een aanvang heeft genomen in het kalenderjaar of in een van de vijf daaraan voorafgaande kalenderjaren. **3.** Artikel 3.6, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing. -**4.** Indien op grond van artikel 29 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen de in artikel 23, derde, vierde en zevende lid, van die wet vermelde percentages worden verhoogd, verlaagd of op nihil worden gesteld, kan bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat het in het eerste lid vermelde bedrag in dezelfde mate worden verhoogd tot maximaal € 16.866, worden verlaagd of op nihil worden gesteld. Het nieuwe bedrag geldt met betrekking tot de S&O-verklaringen die betrekking hebben op een kalenderjaar dat aanvangt op of na de dag waarop de wijziging in werking treedt. +**4.** Indien op grond van artikel 29 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen de in artikel 23, derde, vierde en zevende lid, van die wet vermelde percentages worden verhoogd, verlaagd of op nihil worden gesteld, kan bij ministeriële regeling van Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat het in het eerste lid vermelde bedrag in dezelfde mate worden verhoogd tot maximaal € 18.468, worden verlaagd of op nihil worden gesteld. Het nieuwe bedrag geldt met betrekking tot de S&O-verklaringen die betrekking hebben op een kalenderjaar dat aanvangt op of na de dag waarop de wijziging in werking treedt. ### Artikel 3.78 @@ -1673,7 +1685,7 @@ c. indien bij de ondernemer in de vijf voorafgaande kalenderjaren met betrekking ### Artikel 3.79a -De MKB-winstvrijstelling bedraagt 14% van het gezamenlijke bedrag van de winst die de belastingplichtige als *ondernemer* geniet uit een of meer ondernemingen (paragraaf 3.2.2) nadat dit bedrag is verminderd met de ondernemersaftrek (paragraaf 3.2.4). +De MKB-winstvrijstelling bedraagt 13,31% van het gezamenlijke bedrag van de winst die de belastingplichtige als *ondernemer* geniet uit een of meer ondernemingen (paragraaf 3.2.2) nadat dit bedrag is verminderd met de ondernemersaftrek (paragraaf 3.2.4). ### Afdeling 3.3. Belastbaar loon @@ -1753,24 +1765,24 @@ Indien de belastingplichtige op ten minste vier dagen per week naar dezelfde pla | --- | --- | --- | | van meer dan | maar niet meer dan | op jaarbasis | | – | 10 km | – | -| 10 km | 15 km | € 509 | -| 15 km | 20 km | € 676 | -| 20 km | 30 km | € 1.126 | -| 30 km | 40 km | € 1.396 | -| 40 km | 50 km | € 1.819 | -| 50 km | 60 km | € 2.024 | -| 60 km | 70 km | € 2.244 | -| 70 km | 80 km | € 2.322 | -| 80 km | – | € 2.354 | +| 10 km | 15 km | € 558 | +| 15 km | 20 km | € 741 | +| 20 km | 30 km | € 1.233 | +| 30 km | 40 km | € 1.529 | +| 40 km | 50 km | € 1.992 | +| 50 km | 60 km | € 2.217 | +| 60 km | 70 km | € 2.458 | +| 70 km | 80 km | € 2.543 | +| 80 km | – | € 2.578 | **5.** Indien de belastingplichtige op drie dagen, twee dagen of één dag per week naar dezelfde plaats van werkzaamheden pleegt te reizen, bedraagt de reisaftrek: a. indien de reisafstand niet meer beloopt dan 90 kilometer: driekwart, de helft respectievelijk een kwart van het in de tabel aangegeven bedrag; -b. indien de reisafstand meer beloopt dan 90 kilometer: € 0,26 per kilometer van die reisafstand vermenigvuldigd met het aantal dagen waarop wordt gereisd, maar niet meer dan € 2.354 per jaar. +b. indien de reisafstand meer beloopt dan 90 kilometer: € 0,28 per kilometer van die reisafstand vermenigvuldigd met het aantal dagen waarop wordt gereisd, maar niet meer dan € 2.578 per jaar. -**6.** Indien de belastingplichtige naar verschillende plaatsen van werkzaamheden pleegt te reizen, vinden het vierde en vijfde lid afzonderlijk toepassing met betrekking tot het reizen naar elk van die plaatsen, waarbij de som van de volgens deze leden bepaalde reisaftrek niet meer bedraagt dan € 2.354 per jaar. +**6.** Indien de belastingplichtige naar verschillende plaatsen van werkzaamheden pleegt te reizen, vinden het vierde en vijfde lid afzonderlijk toepassing met betrekking tot het reizen naar elk van die plaatsen, waarbij de som van de volgens deze leden bepaalde reisaftrek niet meer bedraagt dan € 2.578 per jaar. **7.** Indien de belastingplichtige op dezelfde dag naar verschillende plaatsen van werkzaamheden pleegt te reizen, zijn de vorige leden uitsluitend van toepassing op het reizen naar de meest bereisde plaats van werkzaamheden. Indien de plaatsen van werkzaamheden even vaak plegen te worden bereisd, geldt de grootste reisafstand. @@ -1885,7 +1897,9 @@ b. met een preferentie van ten minste 15% dividend per jaar. **4.** Rechten als bedoeld in het eerste lid zijn vermogensrechten die, gelet op de feiten en omstandigheden, economisch overeenkomen of vergelijkbaar zijn met aandelen als bedoeld in het tweede lid of vorderingen als bedoeld in het derde lid, alsmede overige rechten of verplichtingen waarvan het waardeverloop in enigszins belangrijke mate afhankelijk is van managementdoeleinden of aandeelhoudersdoeleinden zoals winst, omzet, kostenvermindering, aantrekken van financieringsbronnen, het gereed maken voor verkoop of overname van een onderneming of onderdelen daarvan, het aankopen of overnemen van ondernemingen of onderdelen daarvan, of die in enigszins belangrijke mate in waarde vermeerderen bij een verkoop of overname van een onderneming, dan wel bij een wijziging van een belang in een onderneming. -**5.** +**5.** Voor de toepassing van dit artikel wordt tot het totale geplaatste aandelenkapitaal gerekend een lening die mede bijdraagt aan een beloning als bedoeld in het eerste lid, waarbij een dergelijke lening voor de toepassing van het tweede lid als afzonderlijke soort wordt aangemerkt. + +**6.** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een met de belastingplichtige verbonden persoon verstaan: @@ -1949,7 +1963,7 @@ c. voordelen die door de belastingplichtige als vrijwilliger, bedoeld in artikel Het eerste lid is alleen van toepassing indien: -a. het deel van de opbrengsten dat betrekking heeft op het ter beschikking stellen van de woonruimte niet meer bedraagt dan € 5.881 per jaar, en +a. het deel van de opbrengsten dat betrekking heeft op het ter beschikking stellen van de woonruimte niet meer bedraagt dan € 5.998 per jaar, en b. zowel de belastingplichtige als degenen aan wie ter beschikking is gesteld gedurende de periode van de terbeschikkingstelling als ingezetenen op het woonadres ter zake van de woning zijn ingeschreven in de basisregistratie personen. ### Artikel 3.98 @@ -2119,7 +2133,7 @@ l. uitkeringen en verstrekkingen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteun m. bij ministeriële regeling aan te wijzen uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met uitkeringen als bedoeld in de onderdelen a tot en met l; n. uitkeringen ingevolge artikel 118a, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet; o. de vaste vergoedingen voor behandeling of verpleging, bedoeld in de algemene maatregel van bestuur gebaseerd op artikel 11a van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945, onderscheidenlijk artikel 15 van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet en artikel 3 van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers, alsmede bij ministeriële regeling aan te wijzen voorzieningen voor militaire oorlogs- of dienstslachtoffers die verband houden met invaliditeit; -p. bij ministeriële regeling aan te wijzen publiekrechtelijke uitkeringen en verstrekkingen die zijn gericht op het verbeteren of behouden van de positie van de belastingplichtige op de arbeidsmarkt en daarmee samenhangende vervoersvoorzieningen voor het bereiken van de werkplek of opleidingslocatie; +p. bij ministeriële regeling aan te wijzen publiekrechtelijke uitkeringen en verstrekkingen die zijn gericht op het verbeteren of behouden van de positie van de belastingplichtige op de arbeidsmarkt en daarmee samenhangende vervoersvoorzieningen voor het bereiken van de werkplek of opleidingslocatie, alsmede vervoersvoorzieningen die strekken tot verbetering van de leefomstandigheden en die deel uitmaken van dan wel rechtstreeks samenhangen met eerstgenoemde vervoersvoorzieningen; q. uitkeringen op grond van buitenlandse regelingen die naar aard en strekking overeenkomen met uitkeringen als bedoeld in de onderdelen a tot en met p; r. uitkeringen op grond van de overeenkomst tussen de Bondsrepubliek Duitsland en de Conference on Jewish Material Claims Against Germany, gebaseerd op artikel 2 van de Vereinbarung vom 18. September 1990 über die Herstellung der Einheit Deutschlands zwischen der Bundesrepublik Deutschland und der Deutschen Demokratischen Republik zur Durchführung und Auslegung des am 31. August 1990 in Berlin unterzeichneten Einigungvertrages. @@ -2239,12 +2253,12 @@ De voordelen uit eigen woning worden bij een eigenwoningwaarde van: | meer dan | maar niet meer dan | op jaarbasis | | --- | --- | --- | -| – | € 12.500 | nihil | +| – | € 12.500 | Nihil | | € 12.500 | € 25.000 | 0,10% van deze waarde | | € 25.000 | € 50.000 | 0,20% van deze waarde | | € 50.000 | € 75.000 | 0,25% van deze waarde | -| € 75.000 | € 1.200.000 | 0,35% van deze waarde | -| € 1.200.000 | – | € 4.200 vermeerderd met 2,35% van de eigenwoningwaarde voor zover deze uitgaat boven € 1.200.000 | +| € 75.000 | € 1.310.000 | 0,35% van deze waarde | +| € 1.310.000 | – | € 4.585 vermeerderd met 2,35% van de eigenwoningwaarde voor zover deze uitgaat boven € 1.310.000 | **2.** De eigenwoningwaarde is de volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor die woning vastgestelde waarde of waarden voor het kalenderjaar. Indien een eigen woning deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken, wordt de eigenwoningwaarde gesteld op het gedeelte van de waarde van de onroerende zaak dat kan worden toegekend aan de woning. @@ -2252,7 +2266,7 @@ De voordelen uit eigen woning worden bij een eigenwoningwaarde van: **4.** De voordelen uit een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, tweede en derde lid, worden gesteld op nihil. -**5.** De voordelen uit een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, zesde lid, worden gesteld op 0,55% van de eigenwoningwaarde. In afwijking van de eerste volzin, worden bij een eigenwoningwaarde van meer dan € 1.200.000 de voordelen gesteld op € 6.600 vermeerderd met 2,35% van de eigenwoningwaarde voor zover deze uitgaat boven € 1.200.000. +**5.** De voordelen uit een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, zesde lid, worden gesteld op 0,55% van de eigenwoningwaarde. In afwijking van de eerste volzin, worden bij een eigenwoningwaarde van meer dan € 1.310.000 de voordelen gesteld op € 7.205 vermeerderd met 2,35% van de eigenwoningwaarde voor zover deze uitgaat boven € 1.310.000. **6.** Met betrekking tot een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, wordt de aanvangsdatum, onderscheidenlijk de einddatum van de periode waarover de voordelen uit die eigen woning in aanmerking worden genomen gesteld op de aanvangsdatum, onderscheidenlijk de einddatum waarop het adres van de desbetreffende eigen woning als woonadres van de belastingplichtige is opgenomen in de basisregistratie personen. De eerste volzin is niet van toepassing indien registratie van de belastingplichtige op het adres van de eigen woning in de basisregistratie personen niet mogelijk is of indien artikel 3.111, achtste lid, toepassing vindt. @@ -2262,7 +2276,7 @@ Met betrekking tot de *eigen woning* die tijdelijk ter beschikking is gesteld aa ### Artikel 3.114 -**1.** Indien de opbrengsten uit het anders dan voor korte duur ter beschikking stellen van al dan niet gestoffeerde of gemeubileerde woonruimte die geen zelfstandige woning vormt en deel uitmaakt van de woning die de belastingplichtige anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat, niet meer bedragen dan € 5.881 per jaar, wordt die woonruimte aangemerkt als onderdeel van de *eigen woning* en worden de voordelen, andere dan bedoeld in artikel 3.112, eerste lid, niet in aanmerking genomen. +**1.** Indien de opbrengsten uit het anders dan voor korte duur ter beschikking stellen van al dan niet gestoffeerde of gemeubileerde woonruimte die geen zelfstandige woning vormt en deel uitmaakt van de woning die de belastingplichtige anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat, niet meer bedragen dan € 5.998 per jaar, wordt die woonruimte aangemerkt als onderdeel van de *eigen woning* en worden de voordelen, andere dan bedoeld in artikel 3.112, eerste lid, niet in aanmerking genomen. **2.** Voor toepassing van dit artikel dient zowel de belastingplichtige als degene aan wie ter beschikking is gesteld gedurende de tijd van de terbeschikkingstelling als ingezetene op het woonadres ter zake van de woning te zijn ingeschreven in de basisregistratie personen. @@ -2505,9 +2519,11 @@ n: de nog resterende maximale looptijd van de oorspronkelijke looptijd van de sc **1.** Indien nog een andere woning van de belastingplichtige wordt aangemerkt als eigen woning door de toepassing van artikel 3.111, tweede of derde lid, gaat de aflossingseis, bedoeld in artikel 3.119a, eerste lid, onderdeel c, met toepassing van de stand en looptijd van de aflossing ter zake van de tot de eigenwoningschuld behorende schuld op dat moment over van de te vervreemden eigen woning naar de schuld ter zake van die andere eigen woning, voor zover de schuld ten behoeve van die andere eigen woning de schuld ten behoeve van de te vervreemden eigen woning niet overtreft. -**2.** Voor zover een schuld dient ter voorfinanciering van een toekomstig vervreemdingssaldo eigen woning zijn de voorwaarden van artikel 3.119a, eerste lid, onderdelen b en c, gedurende de periode dat artikel 3.111, tweede of derde lid, van toepassing is niet van toepassing. +**2.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt bij het gezamenlijk met de partner aangaan van een eigenwoningschuld de aflossingseis mede geacht te zijn overgegaan van de schuld ter zake van de te vervreemden eigen woning naar de schuld ter zake van de andere woning voor zover de aflossingseis voor ten minste het schuldaandeel van de belastingplichtige in de laatstgenoemde schuld bij de belastingplichtige of zijn partner is overgegaan. Onder overgaan van de aflossingseis naar de partner wordt in dit kader verstaan het bij de partner voor het deel van de aflossingseis dat bij hem in aanmerking wordt genomen op overeenkomstige wijze toepassen van het eerste lid. -**3.** Indien ten aanzien van de belastingplichtige twee woningen gelijktijdig als eigen woning worden aangemerkt en vervolgens één van die woningen wordt vervreemd, wordt direct daarna de eigenwoningschuld voor de andere woning opnieuw vastgesteld door toepassing van artikel 3.119a, tweede lid, onderdelen a en c voor zover de in dat onderdeel c bedoelde kosten betrekking hebben op de verwerving, en derde lid, waarbij de actuele stand van de eigenwoningreserve in de plaats komt van de stand direct voorafgaande aan het moment waarop de woning ten aanzien van de belastingplichtige als een eigen woning is aangemerkt. Vervolgens wordt artikel 3.119aa, tweede lid, onderdeel a, opnieuw toegepast. Daarna wordt artikel 3.119a, vierde lid, opnieuw toegepast bij de partner en wordt bij de belastingplichtige vervolgens artikel 3.119aa, tweede lid, onderdeel b, opnieuw toegepast. Daarna wordt artikel 3.119a, tweede lid, onderdelen b en c voor zover de in dat onderdeel c bedoelde kosten betrekking hebben op de verbetering, het onderhoud of de afkoop van de rechten van erfpacht, opstal of beklemming van de woning, en derde lid, opnieuw toegepast, waarbij de actuele stand van de eigenwoningreserve in de plaats komt van de stand direct voorafgaande aan de verbetering, het onderhoud of de afkoop. Ten slotte wordt artikel 3.119aa, tweede lid, onderdeel c, opnieuw toegepast. +**3.** Voor zover een schuld dient ter voorfinanciering van een toekomstig vervreemdingssaldo eigen woning zijn de voorwaarden van artikel 3.119a, eerste lid, onderdelen b en c, gedurende de periode dat artikel 3.111, tweede of derde lid, van toepassing is niet van toepassing. + +**4.** Indien ten aanzien van de belastingplichtige twee woningen gelijktijdig als eigen woning worden aangemerkt en vervolgens één van die woningen wordt vervreemd, wordt direct daarna de eigenwoningschuld voor de andere woning opnieuw vastgesteld door toepassing van artikel 3.119a, tweede lid, onderdelen a en c voor zover de in dat onderdeel c bedoelde kosten betrekking hebben op de verwerving, en derde lid, waarbij de actuele stand van de eigenwoningreserve in de plaats komt van de stand direct voorafgaande aan het moment waarop de woning ten aanzien van de belastingplichtige als een eigen woning is aangemerkt. Vervolgens wordt artikel 3.119aa, tweede lid, onderdeel a, opnieuw toegepast. Daarna wordt artikel 3.119a, vierde lid, opnieuw toegepast bij de partner en wordt bij de belastingplichtige vervolgens artikel 3.119aa, tweede lid, onderdeel b, opnieuw toegepast. Daarna wordt artikel 3.119a, tweede lid, onderdelen b en c voor zover de in dat onderdeel c bedoelde kosten betrekking hebben op de verbetering, het onderhoud of de afkoop van de rechten van erfpacht, opstal of beklemming van de woning, en derde lid, opnieuw toegepast, waarbij de actuele stand van de eigenwoningreserve in de plaats komt van de stand direct voorafgaande aan de verbetering, het onderhoud of de afkoop. Ten slotte wordt artikel 3.119aa, tweede lid, onderdeel c, opnieuw toegepast. ### Artikel 3.119g @@ -2568,7 +2584,7 @@ In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen worden kosten voor verbeteri **1.** Indien de voordelen uit eigen woning, bedoeld in artikel 3.112, meer bedragen dan de op deze voordelen drukkende aftrekbare kosten, komt de belastingplichtige in aanmerking voor de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld. -**2.** De aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld is gelijk aan 83 1/3% van het verschil tussen de voordelen uit eigen woning, bedoeld in artikel 3.112, en de op deze voordelen drukkende aftrekbare kosten. +**2.** De aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld is gelijk aan 80% van het verschil tussen de voordelen uit eigen woning, bedoeld in artikel 3.112, en de op deze voordelen drukkende aftrekbare kosten. **3.** Indien de belastingplichtige een partner heeft, worden voor de toepassing van dit artikel de voordelen van de belastingplichtige en zijn partner en de op deze voordelen drukkende aftrekbare kosten samengevoegd. De aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld wordt in dat geval gesteld op een evenredig gedeelte van de in het tweede lid berekende aftrek, bepaald naar de verhouding waarin de belastbare inkomsten uit eigen woning die worden geacht bij de belastingplichtige op te komen, staan tot de gezamenlijke belastbare inkomsten uit eigen woning van hem en zijn partner. @@ -2597,7 +2613,7 @@ Als lijfrenten als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a, die dienen t a. lijfrenten als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a, waarvan de termijnen toekomen aan de belastingplichtige, ingaan uiterlijk in het jaar waarin hij de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, en uitsluitend eindigen bij zijn overlijden; b. lijfrenten als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a, waarvan de termijnen toekomen aan een natuurlijk persoon en ingaan bij het overlijden van de belastingplichtige, van zijn *partner* of zijn gewezen partner, waarbij indien de termijnen toekomen aan een van hun bloed- of aanverwanten, niet zijnde de partner of gewezen partner, in de rechte lijn of in de tweede of derde graad van de zijlijn, deze uitsluitend eindigen hetzij bij het overlijden van de gerechtigde hetzij uiterlijk op het tijdstip waarop deze de leeftijd van 30 jaar bereikt; -c. lijfrenten als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a, waarvan de termijnen toekomen aan de belastingplichtige, een looptijd hebben van ten minste vijf jaar, niet eerder ingaan dan in het jaar waarin hij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, bereikt en uiterlijk ingaan in het jaar waarin hij de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, voor zover het gezamenlijke bedrag aan termijnen van die lijfrenten – beoordeeld naar het tijdstip van premiebetaling – niet meer beloopt dan € 24.168 per jaar. +c. lijfrenten als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a, waarvan de termijnen toekomen aan de belastingplichtige, een looptijd hebben van ten minste vijf jaar, niet eerder ingaan dan in het jaar waarin hij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, bereikt en uiterlijk ingaan in het jaar waarin hij de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, voor zover het gezamenlijke bedrag aan termijnen van die lijfrenten – beoordeeld naar het tijdstip van premiebetaling – niet meer beloopt dan € 26.463 per jaar. **2.** In afwijking van artikel 1.7, eerste lid, kan voor rechten als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c zijn overeengekomen dat het bedrag van de uitkeringen als gevolg van het overlijden van de partner of gewezen partner afneemt tot ten hoogste 70% van het bedrag dat gold vóór het overlijden. @@ -2657,7 +2673,7 @@ a. bij in leven zijn van de verzekeringnemer: 1°. dat de termijnen aan hem worden uitgekeerd en de eerste termijn wordt uitgekeerd uiterlijk in het kalenderjaar waarin hij de leeftijd bereikt die vijf jaar hoger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet; 2°. dat, ingeval de eerste termijn wordt uitgekeerd vóór het kalenderjaar waarin hij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, bereikt, de periode tussen de eerste termijn en de laatste termijn ten minste 20 jaar bedraagt, vermeerderd met het aantal jaren tussen het tijdstip van het uitkeren van de eerste termijn en de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, van de verzekeringnemer; -3°. dat, ingeval de eerste termijn wordt uitgekeerd na het kalenderjaar waarin hij de leeftijd heeft bereikt die een jaar lager is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, de periode tussen de eerste termijn en de laatste termijn ten minste 5 jaar bedraagt indien het gezamenlijke bedrag aan termijnen in een kalenderjaar niet meer beloopt dan € 24.168, en ten minste 20 jaar bedraagt, verminderd met het aantal jaren tussen het tijdstip waarop hij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt en het tijdstip van het uitkeren van de eerste termijn, indien het gezamenlijke bedrag aan termijnen in een kalenderjaar meer beloopt dan dat bedrag; +3°. dat, ingeval de eerste termijn wordt uitgekeerd na het kalenderjaar waarin hij de leeftijd heeft bereikt die een jaar lager is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, de periode tussen de eerste termijn en de laatste termijn ten minste 5 jaar bedraagt indien het gezamenlijke bedrag aan termijnen in een kalenderjaar niet meer beloopt dan € 26.463, en ten minste 20 jaar bedraagt, verminderd met het aantal jaren tussen het tijdstip waarop hij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt en het tijdstip van het uitkeren van de eerste termijn, indien het gezamenlijke bedrag aan termijnen in een kalenderjaar meer beloopt dan dat bedrag; 4°. dat, ingeval de uitkering van de eerste termijn plaatsvindt binnen zes maanden na het overlijden van de partner of gewezen partner van de verzekeringnemer, in afwijking van het onder 2° en 3° bepaalde, de periode tussen de eerste termijn en de laatste termijn ten minste 5 jaar bedraagt, verminderd met het aantal jaren dat de leeftijd van de belastingplichtige op het tijdstip van het uitkeren van de eerste termijn hoger is dan de leeftijd die 15 jaar hoger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet; b. bij overlijden van de verzekeringnemer terwijl ingevolge onderdeel a nog geen termijnen zijn ingegaan: @@ -2667,7 +2683,7 @@ b. bij overlijden van de verzekeringnemer terwijl ingevolge onderdeel a nog geen 4°. dat, ingeval de termijnen toekomen aan een bloed- of aanverwant, niet zijnde de partner of gewezen partner, in de rechte lijn of in de tweede of derde graad van de zijlijn die jonger is dan 30 jaar, de periode tussen de eerste termijn en de laatste termijn hetzij ten minste 5 jaar bedraagt doch nimmer meer dan het aantal jaren dat deze bloed- of aanverwant jonger is dan 30 jaar ten tijde van het uitkeren van de eerste termijn, hetzij ten minste 20 jaar bedraagt; 5°. dat, ingeval de termijnen toekomen aan een ander persoon dan bedoeld onder 2°, 3° en 4°, de periode tussen de eerste termijn en de laatste termijn ten minste 5 jaar bedraagt, verminderd met het aantal jaren dat de leeftijd van de belastingplichtige op het tijdstip van het uitkeren van de eerste termijn hoger is dan de leeftijd die 15 jaar hoger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet. -**5.** In afwijking van het eerste lid mag het tegoed van een lijfrenterekening, onderscheidenlijk de waarde van een lijfrentebeleggingsrecht, waarvan de termijnen nog niet zijn ingegaan, in één termijn worden uitgekeerd, mits de waarde in het economische verkeer van dat tegoed, onderscheidenlijk van dat recht, op het onmiddellijk aan het tijdstip van uitkering voorafgaande tijdstip niet meer bedraagt dan € 4.898. Voor de toepassing van de eerste volzin worden lijfrenterekeningen en lijfrentebeleggingsrechten die de belastingplichtige aanhoudt bij eenzelfde bank, beleggingsonderneming of beheerder van een beleggingsinstelling of instelling voor collectieve belegging in effecten, geacht tezamen één rekening onderscheidenlijk één beleggingsrecht te vormen. +**5.** In afwijking van het eerste lid mag het tegoed van een lijfrenterekening, onderscheidenlijk de waarde van een lijfrentebeleggingsrecht, waarvan de termijnen nog niet zijn ingegaan, in één termijn worden uitgekeerd, mits de waarde in het economische verkeer van dat tegoed, onderscheidenlijk van dat recht, op het onmiddellijk aan het tijdstip van uitkering voorafgaande tijdstip niet meer bedraagt dan € 5.364. Voor de toepassing van de eerste volzin worden lijfrenterekeningen en lijfrentebeleggingsrechten die de belastingplichtige aanhoudt bij eenzelfde bank, beleggingsonderneming of beheerder van een beleggingsinstelling of instelling voor collectieve belegging in effecten, geacht tezamen één rekening onderscheidenlijk één beleggingsrecht te vormen. **6.** Indien ingevolge het vierde lid, onderdeel a of b, termijnen zijn ingegaan en de genieter van de termijnen voor uitkering van de laatste termijn overlijdt, gaat het recht op de nog niet uitgekeerde termijnen over op zijn erfgenamen. @@ -2683,7 +2699,7 @@ b. bij overlijden van de verzekeringnemer terwijl ingevolge onderdeel a nog geen **1.** Indien de belastingplichtige bij de aanvang van het kalenderjaar nog niet de leeftijd heeft bereikt die vijf jaar hoger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, kan hij, vanwege een pensioentekort in het voorafgaande kalenderjaar, premies voor lijfrenten als bedoeld in artikel 3.124, eerste lid, onderdeel a, in aanmerking nemen tot een gezamenlijk bedrag van ten hoogste 30% van de premiegrondslag, waarbij op de uitkomst van deze berekening nog in aftrek komt de volgens het vierde lid bepaalde vermindering in verband met de opbouw van pensioenaanspraken. -**2.** Indien de belastingplichtige in de aan het kalenderjaar voorafgaande periode van tien jaar minder premies voor lijfrenten in aanmerking heeft genomen dan mogelijk was op grond van het eerste lid kan hij, op bij zijn aangifte gedaan verzoek, het niet aangewende bedrag, voor zover dit niet in een eerder jaar op grond van dit lid in aanmerking is genomen, te beginnen met het in het oudste jaar niet aangewende bedrag, in het kalenderjaar alsnog in aanmerking nemen. Het alsnog in aanmerking te nemen bedrag bedraagt ten hoogste € 38.000. +**2.** Indien de belastingplichtige in de aan het kalenderjaar voorafgaande periode van tien jaar minder premies voor lijfrenten in aanmerking heeft genomen dan mogelijk was op grond van het eerste lid kan hij, op bij zijn aangifte gedaan verzoek, het niet aangewende bedrag, voor zover dit niet in een eerder jaar op grond van dit lid in aanmerking is genomen, te beginnen met het in het oudste jaar niet aangewende bedrag, in het kalenderjaar alsnog in aanmerking nemen. Het alsnog in aanmerking te nemen bedrag bedraagt ten hoogste € 41.608. **3.** @@ -2694,13 +2710,13 @@ b. het belastbare loon; c. het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden; d. de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen; -van de belastingplichtige waarvan ten hoogste € 128.810 in aanmerking wordt genomen, verminderd met een bedrag van € 13.646. +van de belastingplichtige waarvan ten hoogste € 137.800 in aanmerking wordt genomen, verminderd met een bedrag van € 17.545. -**4.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt de vermindering in verband met de opbouw van pensioenaanspraken gesteld op: 6,27 keer de aan het voorafgaande kalenderjaar toe te rekenen aangroei van het bedrag van de jaarlijkse uitkeringen van de aan de belastingplichtige toekomende aanspraken volgens een pensioenregeling voorzover deze aangroei het gevolg is van de toeneming van de diensttijd in dat kalenderjaar, vermeerderd met het gezamenlijke bedrag van de door de belastingplichtige in het voorafgaande kalenderjaar voor een nettopensioen als bedoeld in artikel 5.17 betaalde of verrekende premies, gedeeld door de nettofactor, bedoeld in artikel 5.16, vierde lid. +**4.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt de vermindering in verband met de opbouw van pensioenaanspraken gesteld op: het gezamenlijke bedrag van de in het voorafgaande kalenderjaar in pensioenregelingen van de belastingplichtige ingelegde premies voor ouderdomspensioen en partnerpensioen op of na pensioendatum, exclusief de premie voor een compensatie als bedoeld in artikel 38s van de Wet op de loonbelasting 1964, vermeerderd met het gezamenlijke bedrag van de door de belastingplichtige in het voorafgaande kalenderjaar voor een nettopensioen als bedoeld in artikel 5.17 betaalde of verrekende premies, gedeeld door de nettofactor, bedoeld in artikel 5.16, vierde lid. **5.** Indien de belastingplichtige in het kalenderjaar een onderneming – of een gedeelte daarvan – waaruit hij als ondernemer winst geniet staakt, wordt op zijn verzoek in afwijking van de voorgaande leden voor de berekening van hetgeen in het kalenderjaar aan lijfrentepremies in aanmerking kan worden genomen, niet uitgegaan van de voor die berekening relevante gegevens van het voorafgaande kalenderjaar, maar van die van het kalenderjaar zelf. Alsdan wordt voor de toepassing van het eerste en tweede lid in het volgende kalenderjaar de premiegrondslag verminderd met de daarin begrepen stakingswinst. -**6.** Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de bepaling van de in het vierde lid, onderdeel a, bedoelde waardeaangroei van pensioenaanspraken en de verstrekking van informatie daaromtrent. +**6.** Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de bepaling van de in het vierde lid, bedoelde waardeaangroei van pensioenaanspraken en de verstrekking van informatie daaromtrent. ### Artikel 3.128 @@ -2714,16 +2730,16 @@ Vervallen Het maximum bedraagt: -a. € 510.970 in de gevallen waarin: +a. € 559.483 in de gevallen waarin: 1°. de ondernemer ten tijde van het staken een leeftijd heeft bereikt die ten hoogste vijf jaar lager is dan de ten tijde van het staken geldende pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet; 2°. de ondernemer ten tijde van het staken voor 45% of meer arbeidsongeschikt is en de hem toekomende termijnen van lijfrenten ingaan binnen zes maanden na het staken of 3°. de onderneming wordt gestaakt door het overlijden van de ondernemer; -b. € 255.495 in de gevallen – andere dan die van onderdeel a – waarin: +b. € 279.752 in de gevallen – andere dan die van onderdeel a – waarin: 1°. de ondernemer ten tijde van het staken een leeftijd heeft bereikt die ten hoogste vijftien jaar lager is dan de ten tijde van het staken geldende pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, of 2°. de aan de ondernemer toekomende termijnen van lijfrenten dadelijk ingaan; -c. € 127.755 in de overige gevallen. +c. € 139.885 in de overige gevallen. **3.** @@ -2790,7 +2806,7 @@ Het eerste lid vindt toepassing indien: a. het een aanspraak als bedoeld in artikel 3.124, eerste lid, onderdeel b of onderdeel c, betreft en de aanspraak zodanig wordt gewijzigd dat deze niet langer aan de in dat onderdeel gestelde voorwaarden voldoet; b. het een aanspraak als bedoeld in artikel 3.125 betreft en de aanspraak – beoordeeld vanuit de verzekeringnemer – zodanig wordt gewijzigd dat deze niet langer aan de in dat artikel gestelde voorwaarden voldoet; c. het een aanspraak als bedoeld in artikel 3.125 betreft en de aanspraak zodanig wordt gewijzigd dat indien de gewijzigde aanspraak van begin af aan zou zijn bedongen het op grond van de artikelen 3.127 en 3.129 in totaal aanmerking te nemen bedrag aan premies voor lijfrenten lager zou zijn geweest dan het in aftrek gebrachte bedrag; -d. de aanspraak wordt afgekocht of vervreemd, behoudens ingeval een aanspraak op *lijfrente* of periodieke uitkeringen waarvan nog geen termijnen zijn vervallen, in één bedrag wordt uitgekeerd en de waarde in het economische verkeer van die aanspraak op het onmiddellijk aan het tijdstip van afkoop voorafgaande tijdstip niet meer bedraagt dan € 4.898; deze uitkering in één bedrag wordt als een termijn van lijfrente aangemerkt. Artikel 3.126a, vijfde lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing; +d. de aanspraak wordt afgekocht of vervreemd, behoudens ingeval een aanspraak op *lijfrente* of periodieke uitkeringen waarvan nog geen termijnen zijn vervallen, in één bedrag wordt uitgekeerd en de waarde in het economische verkeer van die aanspraak op het onmiddellijk aan het tijdstip van afkoop voorafgaande tijdstip niet meer bedraagt dan € 5.364; deze uitkering in één bedrag wordt als een termijn van lijfrente aangemerkt. Artikel 3.126a, vijfde lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing; e. de aanspraak formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid wordt, anders dan ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25, vijfde lid, van de Invorderingswet 1990; f. het een aanspraak betreft waarvoor als verzekeraar optreedt een persoon of lichaam als bedoeld in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, en de aanspraak wordt prijsgegeven, behoudens voorzover de aanspraak niet voor verwezenlijking vatbaar is; g. de verzekeraar of de in artikel 3.126, eerste lid, onderdeel d, onder 2°, bedoelde belastingplichtige niet langer voldoet aan de in artikel 3.126 gestelde voorwaarden; @@ -2813,11 +2829,11 @@ k. een pensioentekort waarvoor premies voor lijfrenten in aanmerking zijn genome **9.** -Bij een gehele of gedeeltelijke afkoop van een aanspraak op lijfrente als bedoeld in artikel 3.125 of artikel 3.126a vindt het eerste lid geen toepassing indien: +Bij een gehele of gedeeltelijke afkoop van een aanspraak op lijfrente als bedoeld in artikel 3.125 of artikel 3.126a vindt het eerste lid geen toepassing: -a. de verzekeringnemer dan wel, indien deze is overleden, de gerechtigde tot de aanspraak langdurig arbeidsongeschikt is en voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden ter zake van deze arbeidsongeschiktheid; -b. de verzekeringnemer dan wel, indien deze is overleden, de gerechtigde tot de aanspraak op het moment van afkoop nog niet de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt; en -c. het gezamenlijke bedrag van hetgeen ter zake van dergelijke afkopen in het kalenderjaar wordt ontvangen niet meer bedraagt dan € 45.722, dan wel, indien dat hoger is, niet meer dan het gemiddelde van de premiegrondslag, bedoeld in artikel 3.127, derde lid, vermeerderd met het in dat lid als laatste vermelde bedrag, van het kalenderjaar en het voorafgaande kalenderjaar. +a. indien de verzekeringnemer dan wel, indien deze is overleden, de gerechtigde tot de aanspraak langdurig arbeidsongeschikt is en voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden ter zake van deze arbeidsongeschiktheid; +b. indien de verzekeringnemer dan wel, indien deze is overleden, de gerechtigde tot de aanspraak op het moment van afkoop nog niet de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt; en +c. voor zover het gezamenlijke bedrag van hetgeen ter zake van dergelijke afkopen in het kalenderjaar wordt ontvangen niet meer bedraagt dan € 50.063, dan wel, indien dat hoger is, niet meer dan het gemiddelde van de premiegrondslag, bedoeld in artikel 3.127, derde lid, vermeerderd met het in dat lid als laatste vermelde bedrag, van het kalenderjaar en het voorafgaande kalenderjaar. Hetgeen wordt ontvangen ter zake van een afkoop als bedoeld in de eerste volzin, wordt als een termijn van lijfrente aangemerkt. @@ -3106,6 +3122,10 @@ b. een coöperatie of vereniging op coöperatieve grondslag gelijkgesteld met ee **2.** Het eerste lid is niet van toepassing op rechten van lidmaatschap van coöperaties indien die rechten direct en uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het recht op uitsluitend of nagenoeg uitsluitend gebruik belichamen van een gebouw of van een gedeelte daarvan dat blijkens zijn inrichting is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt. +### Artikel 4.5b + +Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden + ### Afdeling 4.3. Aanmerkelijk belang ### Artikel 4.6 @@ -3183,11 +3203,20 @@ f. het bovenmatige deel van schulden die de belastingplichtige, zijn partner of **3.** Behoudens de toepassing van het eerste lid, onderdeel e, behoren tot de reguliere voordelen niet de aan aandeelhouders uitgereikte aandelen. +**4.** Tot de reguliere voordelen behoren niet onmiddellijke of middellijke uitdelingen van winst, als gevolg van giften aan algemeen nut beogende instellingen en steunstichtingen SBBI door een lichaam waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft. + +**5.** + +Onder giften worden verstaan bevoordelingen uit vrijgevigheid en al dan niet verplichte bijdragen, voor zover daardoor geen op geld waardeerbare aanspraken ontstaan. Onder giften worden niet verstaan: + +a. giften die niet rechtstreeks worden gedaan door een lichaam waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft; +b. bevoordelingen of bijdragen in contant geld. + #### Paragraaf 4.5.2. De omvang van reguliere voordelen ### Artikel 4.14 -**1.** Het forfaitaire voordeel bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a, wordt gesteld op 6,17% per jaar van de waarde in het economische verkeer die bij het begin van het kalenderjaar aan de tot het aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen kan worden toegekend, verminderd met de overige op grond van artikel 4.12, onderdeel a, ter zake van die aandelen of winstbewijzen in aanmerking genomen reguliere voordelen, met dien verstande dat het forfaitaire voordeel ten minste op nihil wordt gesteld. +**1.** Het forfaitaire voordeel bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a, wordt gesteld op 6,04% per jaar van de waarde in het economische verkeer die bij het begin van het kalenderjaar aan de tot het aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen kan worden toegekend, verminderd met de overige op grond van artikel 4.12, onderdeel a, ter zake van die aandelen of winstbewijzen in aanmerking genomen reguliere voordelen, met dien verstande dat het forfaitaire voordeel ten minste op nihil wordt gesteld. **2.** Het voordeel wordt naar tijdsgelang berekend. Indien de aandelen of winstbewijzen niet het gehele kalenderjaar tot het aanmerkelijk belang hebben behoord, worden bij de berekening van het voordeel gedeelten van kalendermaanden verwaarloosd. @@ -3227,7 +3256,7 @@ Als het bovenmatige deel van schulden, bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onde a. als positief bedrag: de totale som van die schulden voor zover deze het maximumbedrag, bedoeld in het tweede lid, overschrijdt; b. als negatief bedrag: de totale som van die schulden voor zover deze lager is dan het maximumbedrag, bedoeld in het tweede lid, doch ten hoogste het bedrag dat eerder ingevolge onderdeel a of op grond van een naar aard en strekking daarmee vergelijkbare buitenlandse regeling in de heffing is betrokken, voor zover ter zake van dat bedrag nog niet eerder een negatief bedrag als het bovenmatige deel van schulden in aanmerking is genomen. -**2.** Het maximumbedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt € 700.000, vermeerderd met de bedragen die eerder op grond van artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f, of op grond van een naar aard en strekking daarmee vergelijkbare buitenlandse regeling in de heffing zijn betrokken. +**2.** Het maximumbedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt € 500.000, vermeerderd met de bedragen die eerder op grond van artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f, of op grond van een naar aard en strekking daarmee vergelijkbare buitenlandse regeling in de heffing zijn betrokken. **3.** Schulden van de belastingplichtige, zijn partner of de belastingplichtige tezamen met zijn partner worden in een kalenderjaar eenmaal in aanmerking genomen bij de belastingplichtige en zijn partner tezamen. Het maximumbedrag, bedoeld in het tweede lid, geldt voor de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk. @@ -3239,9 +3268,9 @@ b. als negatief bedrag: de totale som van die schulden voor zover deze lager is ### Artikel 4.14b -**1.** Schulden die een met de belastingplichtige verbonden persoon rechtens dan wel in feite direct of indirect heeft bij vennootschappen waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang als bedoeld in afdeling 4.3 heeft, maar waarin de verbonden persoon geen aanmerkelijk belang als bedoeld in afdeling 4.3 heeft, worden als schulden als bedoeld in artikel 4.14a, eerste lid, in aanmerking genomen bij de belastingplichtige voor zover de schulden van de verbonden persoon meer bedragen dan € 700.000 en voor die verbonden persoon geen schulden zijn als bedoeld in artikel 4.14a, zesde lid. Voor de toepassing van de eerste zin wordt onder een met de belastingplichtige verbonden persoon verstaan: een bloed- of aanverwant in de rechte lijn van de belastingplichtige of van zijn partner. +**1.** Schulden die een met de belastingplichtige verbonden persoon rechtens dan wel in feite direct of indirect heeft bij vennootschappen waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang als bedoeld in afdeling 4.3 heeft, maar waarin de verbonden persoon geen aanmerkelijk belang als bedoeld in afdeling 4.3 heeft, worden als schulden als bedoeld in artikel 4.14a, eerste lid, in aanmerking genomen bij de belastingplichtige voor zover de schulden van de verbonden persoon meer bedragen dan € 500.000 en voor die verbonden persoon geen schulden zijn als bedoeld in artikel 4.14a, zesde lid. Voor de toepassing van de eerste zin wordt onder een met de belastingplichtige verbonden persoon verstaan: een bloed- of aanverwant in de rechte lijn van de belastingplichtige of van zijn partner. -**2.** Het bedrag van € 700.000, bedoeld in het eerste lid, geldt voor de verbonden persoon en zijn partner gezamenlijk. +**2.** Het bedrag van € 500.000, bedoeld in het eerste lid, geldt voor de verbonden persoon en zijn partner gezamenlijk. **3.** Het eerste lid is niet van toepassing op schulden als bedoeld in het eerste lid voor zover die schulden ingevolge artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f, schulden van de belastingplichtige, zijn partner of de belastingplichtige tezamen met zijn partner zijn. @@ -3253,7 +3282,7 @@ b. als negatief bedrag: de totale som van die schulden voor zover deze lager is ### Artikel 4.14c -**1.** Indien een belastingplichtige in Nederland gaat wonen en op dat tijdstip schulden heeft aan vennootschappen als bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f, wordt het maximumbedrag, bedoeld in artikel 4.14a, tweede lid, gesteld op het bedrag van die schulden, doch ten minste op € 700.000. Artikel 4.14b is van overeenkomstige toepassing. +**1.** Indien een belastingplichtige in Nederland gaat wonen en op dat tijdstip schulden heeft aan vennootschappen als bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f, wordt het maximumbedrag, bedoeld in artikel 4.14a, tweede lid, gesteld op het bedrag van die schulden, doch ten minste op € 500.000. Artikel 4.14b is van overeenkomstige toepassing. **2.** @@ -3363,10 +3392,23 @@ Voor de toepassing van dit artikel worden als ondernemingsvermogen aangemerkt: a. de bezittingen en schulden voor zover toerekenbaar aan de onderneming of medegerechtigdheid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, vermeerderd met: b. het beleggingsvermogen tot ten hoogste vijf percent van de waarde in het economische verkeer van de bezittingen en schulden, bedoeld in onderdeel a. -**7.** Tot het vermogen van de onderneming, bedoeld in het zesde lid, onderdeel a, wordt niet gerekend een belang in een ander lichaam. +**7.** Tot het ondernemingsvermogen, bedoeld in het zesde lid, onderdeel a, wordt niet gerekend een belang in een ander lichaam. **8.** +Tot het ondernemingsvermogen, bedoeld in het zesde lid, onderdeel a, worden mede niet gerekend: + +a. onroerende zaken of gedeelten daarvan voor zover die meer dan bijkomstig rechtens dan wel in feite, direct of indirect, ter beschikking zijn gesteld aan een ander, of die daartoe bestemd zijn; en +b. schulden die rechtstreeks samenhangen met die onroerende zaken of gedeelten daarvan. + +**9.** Voor de toepassing van het achtste lid, onderdeel a, wordt niet als een ander aangemerkt: een lichaam waarin de erflater ten tijde van het overlijden een direct aanmerkelijk belang als bedoeld in afdeling 4.3, met uitzondering van artikel 4.10, heeft of een indirect belang als bedoeld in het vijfde lid, aanhef en onderdeel a of onderdeel b, aanhef en onder 1° tot en met 3°, heeft. + +**10.** Het achtste lid is niet van toepassing op een terbeschikkingstelling van los land op grond van een schriftelijke pachtovereenkomst, mits wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 396, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. + +**11.** Onder onroerende zaken als bedoeld in het achtste lid, onderdeel a, worden mede verstaan: appartementsrechten, rechten van opstal en erfpacht of vruchtgebruik van onroerende zaken, dan wel de economische eigendom, opgevat overeenkomstig artikel 2, tweede lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, van onroerende zaken of genoemde rechten. + +**12.** + Als ondernemingsvermogen als bedoeld in het zesde lid, onderdeel a, wordt mede aangemerkt het in de tweede volzin omschreven deel van een vordering op de verkrijger van aandelen of winstbewijzen die krachtens erfrecht overgaan, of op een vennootschap waarin hij, direct of indirect een aanmerkelijk belang heeft, indien de vordering is ontstaan voor 1 januari 2010 uit hoofde van een overdracht van aandelen of winstbewijzen in een vennootschap, en die vennootschap ten tijde van de overdracht en ten tijde van het toepassing vinden van dit artikel een onderneming als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, drijft. Het in de eerste volzin bedoelde deel van de vordering dat mede wordt aangemerkt als ondernemingsvermogen, wordt berekend volgens de formule: @@ -3383,9 +3425,9 @@ O: de waarde in het economische verkeer van het ondernemingsvermogen, bedoeld in T: de waarde in het economische verkeer van alle bezittingen en schulden van de vennootschap waarop de vordering bestaat ten tijde van het toepassing vinden van dit artikel. -**9.** Hetgeen binnen twee jaren na de ontbinding van een huwelijksgemeenschap door overlijden bij de verdeling van die gemeenschap meer aan tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen dan overeenkomt met de evenredige gerechtigdheid van de overledene in die aandelen wordt toebedeeld aan de nalatenschap, is een vervreemding van de langstlevende echtgenoot welke voor de toepassing van dit artikel en artikel 4.39a gelijk wordt gesteld met een overgang krachtens erfrecht en waarbij de langstlevende echtgenoot als erflater wordt aangemerkt. +**13.** Hetgeen binnen twee jaren na de ontbinding van een huwelijksgemeenschap door overlijden bij de verdeling van die gemeenschap meer aan tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen dan overeenkomt met de evenredige gerechtigdheid van de overledene in die aandelen wordt toebedeeld aan de nalatenschap, is een vervreemding van de langstlevende echtgenoot welke voor de toepassing van dit artikel en artikel 4.39a gelijk wordt gesteld met een overgang krachtens erfrecht en waarbij de langstlevende echtgenoot als erflater wordt aangemerkt. -**10.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel. +**14.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel. ### Artikel 4.17b @@ -3393,7 +3435,7 @@ T: de waarde in het economische verkeer van alle bezittingen en schulden van de **2.** De in artikel 4.17a, eerste lid, onderdeel c, opgenomen voorwaarde dat de verkrijger een binnenlands belastingplichtige moet zijn geldt op verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden niet indien de overgang krachtens erfrecht op de niet in Nederland wonende verkrijger binnen twee jaren na het overlijden van de erflater wordt gevolgd door een verdeling van de nalatenschap voor zover daarbij de verkregen aandelen worden toegedeeld aan een binnenlandse belastingplichtige waarbij deze aandelen of winstbewijzen geen deel uitmaken van het vermogen van een voor zijn rekening gedreven onderneming en niet tot het resultaat uit een werkzaamheid van hem behoren. -**3.** Indien ten gevolge van de verdeling van de nalatenschap binnen twee jaren na het overlijden van de erflater wijziging komt in de gerechtigdheid tot preferente aandelen als bedoeld in artikel 4.17a, derde lid, of een vordering als bedoeld in het achtste lid van dat artikel, vindt artikel 4.17a op verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden toepassing op basis van de aldus ontstane gerechtigdheid. +**3.** Indien ten gevolge van de verdeling van de nalatenschap binnen twee jaren na het overlijden van de erflater wijziging komt in de gerechtigdheid tot preferente aandelen als bedoeld in artikel 4.17a, derde lid, of een vordering als bedoeld in artikel 4.17a, twaalfde lid, vindt artikel 4.17a op verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden toepassing op basis van de aldus ontstane gerechtigdheid. **4.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel. @@ -3410,7 +3452,7 @@ d. de verkrijger reeds gedurende de 36 maanden die onmiddellijk voorafgaan aan h **2.** Indien het eerste lid toepassing vindt, wordt niet als vervreemding aangemerkt het deel van de overdrachtsprijs dat toerekenbaar is aan het ondernemingsvermogen van de vennootschap waarop de aandelen of winstbewijzen betrekking hebben, doch nooit meer dan de overdrachtsprijs verminderd met de tegenprestatie. -**3.** Artikel 4.17a, derde tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing. +**3.** Artikel 4.17a, derde tot en met elfde lid, is van overeenkomstige toepassing. **4.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel en kan onder nader te stellen voorwaarden worden bepaald dat in bij die regeling te bepalen gevallen de in het eerste lid, onderdeel d, bedoelde termijn tot een bij die regeling te bepalen periode wordt verkort. @@ -3772,7 +3814,7 @@ Voor de toepassing van deze afdeling worden inkomen uit aanmerkelijk belang en v **1.** Indien de belastingplichtige en zijn *partner* in het kalenderjaar en het daaraan voorafgaande kalenderjaar geen aanmerkelijk belang hebben, wordt een nog niet verrekend verlies uit aanmerkelijk belang op verzoek van de belastingplichtige omgezet in een belastingkorting voor verlies uit aanmerkelijk belang. Ingeval de belastingplichtige geen partner heeft en in het kalenderjaar is overleden, geldt in afwijking van de eerste volzin slechts als voorwaarde voor het indienen van een verzoek tot omzetting van een nog niet verrekend verlies uit aanmerkelijk belang in een belastingkorting, dat de belastingplichtige ten tijde van het overlijden geen aanmerkelijk belang heeft. -**2.** De belastingkorting bedraagt 26,9% van het nog niet verrekende verlies. +**2.** De belastingkorting bedraagt het in de eerste regel van de vierde kolom van de tabel in artikel 2.12 opgenomen percentage van het nog niet verrekende verlies. **3.** De inspecteur stelt het bedrag van de belastingkorting vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. Artikel 4.50, vierde, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing. @@ -3792,19 +3834,22 @@ Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is het voordeel uit sparen en beleggen **1.** Het voordeel uit sparen en beleggen wordt gesteld op het product van het effectieve rendementspercentage, bedoeld in het tweede lid, en de grondslag sparen en beleggen. De grondslag sparen en beleggen is de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar (peildatum) voor zover die rendementsgrondslag meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen. -**2.** Het effectieve rendementspercentage wordt gesteld op het rendement gedeeld door de rendementsgrondslag. Het rendement is de som van 0,01% van de waarde van de banktegoeden op de peildatum en 6,17% van de waarde van de overige bezittingen op de peildatum, verminderd met 2,46% van de waarde van de schulden op de peildatum. Indien het ingevolge de tweede zin berekende rendement negatief is, wordt het rendement op nihil gesteld. +**2.** Het effectieve rendementspercentage wordt gesteld op het rendement gedeeld door de rendementsgrondslag. Het rendement is de som van 0,01% van de waarde van de banktegoeden op de peildatum en 6,04% van de waarde van de overige bezittingen op de peildatum, verminderd met 2,46% van de waarde van de schulden op de peildatum. Indien het ingevolge de tweede zin berekende rendement negatief is, wordt het rendement op nihil gesteld. **3.** Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder banktegoeden verstaan: a. deposito’s als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht en daarmee naar aard en strekking overeenkomende buitenlandse deposito’s; -b. een recht van vruchtgebruik dat rust op een banktegoed als bedoeld in onderdeel a; en -c. contant geld. +b. een recht van vruchtgebruik dat rust op een banktegoed als bedoeld in onderdeel a; +c. contant geld; +d. een lidmaatschapsrecht in een vereniging van eigenaars als bedoeld in artikel 125, tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek; +e. een vorderingsrecht voortvloeiende uit de bijzondere rekening van de notaris, bedoeld in artikel 25 van de Wet op het notarisambt; +f. een vorderingsrecht voortvloeiende uit de bijzondere rekening van de gerechtsdeurwaarder, bedoeld in artikel 19 van de Gerechtsdeurwaarderswet. **4.** Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder schulden mede verstaan een genotsrecht van een schuld waarvan de genotsgerechtigde de rente moet voldoen. -**5.** Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde *partner* heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, wordt bij de toepassing van het eerste lid uitgegaan van het op grond van artikel 2.17 aan hem toegerekende gedeelte van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen. De gezamenlijke grondslag sparen en beleggen is de gezamenlijke rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar (peildatum) van de belastingplichtige en zijn *partner* voor zover die gezamenlijke rendementsgrondslag meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen van de belastingplichtige en zijn *partner*. +**5.** Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde *partner* heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, wordt bij de toepassing van het eerste lid uitgegaan van het op grond van artikel 2.17 aan hem toegerekende gedeelte van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen. De gezamenlijke grondslag sparen en beleggen is de gezamenlijke rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar (peildatum) van de belastingplichtige en zijn *partner* voor zover die gezamenlijke rendementsgrondslag meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen van de belastingplichtige en zijn *partner*. Bij de berekening van het effectieve rendementspercentage wordt hierbij uitgegaan van de gezamenlijke rendementsgrondslag en wordt bij de berekening van het rendement uitgegaan van de waarde van de banktegoeden, de waarde van de overige bezittingen en de waarde van de schulden van de belastingplichtige en zijn partner tezamen. **6.** Indien de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar nog niet binnenlands belastingplichtig is, of indien de binnenlandse belastingplicht gedurende het kalenderjaar anders dan door overlijden eindigt, wordt eveneens uitgegaan van de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar maar wordt het voordeel uit sparen en beleggen naar tijdsgelang herleid, waarbij gedeelten van kalendermaanden worden verwaarloosd. @@ -3834,7 +3879,7 @@ b. verplichtingen tot het doen van periodieke uitkeringen of verstrekkingen die c. verplichtingen die voortvloeien uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen, uit een belastingwet waarop de Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing is, uit de Invorderingswet 1990 of uit daarmee overeenkomende buitenlandse wetgeving, niet in aanmerking worden genomen; d. in afwijking van onderdeel c verplichtingen die voortvloeien uit de erfbelasting wel in aanmerking worden genomen alsmede de daarmee verband houdende verplichtingen voortvloeiende uit de belastingrente, bedoeld in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, of de invorderingsrente, bedoeld in hoofdstuk V van de Invorderingswet 1990; e. onderdeel d van overeenkomstige toepassing is op verplichtingen die voortvloeien uit een met de erfbelasting overeenkomende buitenlandse erfbelasting alsmede de daarmee verband houdende verplichtingen voortvloeiende uit een met de regeling voor de belastingrente, bedoeld in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, of de regeling voor de invorderingsrente, bedoeld in hoofdstuk V van de Invorderingswet 1990, overeenkomende renteregeling; -f. verplichtingen, niet zijnde verplichtingen als bedoeld in de onderdelen a, b en c, en het vierde lid, alleen in aanmerking worden genomen voorzover de gezamenlijke waarde daarvan meer bedraagt dan € 3.400. Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde *partner* heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, wordt het in de eerste volzin, onderdeel f, genoemde bedrag voor de belastingplichtige en zijn *partner* gezamenlijk op € 6.800 gesteld. +f. verplichtingen, niet zijnde verplichtingen als bedoeld in de onderdelen a, b en c, en het vierde lid, alleen in aanmerking worden genomen voorzover de gezamenlijke waarde daarvan meer bedraagt dan € 3.700. Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde *partner* heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, wordt het in de eerste volzin, onderdeel f, genoemde bedrag voor de belastingplichtige en zijn *partner* gezamenlijk op € 7.400 gesteld. **4.** In afwijking van het derde lid, aanhef en onderdeel d, wordt niet in aanmerking genomen de verplichting die voortvloeit uit de Successiewet 1956 met betrekking tot de toepassing van artikel 7 van de Natuurschoonwet 1928 voor zover er geen sprake is van terstond invorderbare belasting als bedoeld in artikel 7, vijfde lid, van de Natuurschoonwet 1928. @@ -3922,13 +3967,13 @@ Tot de bezittingen behoren niet: a. rechten op kapitaalsuitkeringen of prestaties uit *levensverzekering*, uitsluitend bestaande uit een kapitaalsuitkering bij overlijden van de belastingplichtige, zijn *partner* of een bloed- of aanverwant, dan wel op prestaties in natura ter zake van de verzorging van een uitvaart, mits: -1°. de som van het verzekerde kapitaal uit dergelijke levensverzekeringen per verzekerde niet meer bedraagt dan € 7.913; +1°. de som van het verzekerde kapitaal uit dergelijke levensverzekeringen per verzekerde niet meer bedraagt dan € 8.665; -dan wel indien de som van het verzekerde kapitaal meer bedraagt dan  € 7.913: -2°. de som van de waarde van die rechten per persoon niet meer bedraagt dan € 7.913; +dan wel indien de som van het verzekerde kapitaal meer bedraagt dan  € 8.665: +2°. de som van de waarde van die rechten per persoon niet meer bedraagt dan € 8.665; b. rechten op kapitaalsuitkeringen die uitsluitend kunnen plaatsvinden bij invaliditeit, ziekte of ongeval; c. rechten op termijnen van een in artikel 4.28 bedoelde overdrachtsprijs van een aanmerkelijk belang; -d. geld, elektronisch geld in de vorm van een chipkaart, alsmede vermogensrechten die zijn bestemd voor het doen van consumentenaankopen zoals cadeaubonnen, voor een bedrag van in totaal € 596 met dien verstande dat indien de belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar dezelfde *partner* heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, het genoemde bedrag voor de belastingplichtige en zijn *partner* gezamenlijk op € 1.192 wordt gesteld. +d. geld, elektronisch geld in de vorm van een chipkaart, alsmede vermogensrechten die zijn bestemd voor het doen van consumentenaankopen zoals cadeaubonnen, voor een bedrag van in totaal € 653 met dien verstande dat indien de belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar dezelfde *partner* heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, het genoemde bedrag voor de belastingplichtige en zijn *partner* gezamenlijk op € 1.306 wordt gesteld. ### Artikel 5.11 @@ -3942,7 +3987,7 @@ Tot de bezittingen en schulden behoren niet lopende termijnen van inkomsten en v ### Artikel 5.13 -**1.** Tot de bezittingen behoren niet groene beleggingen voor een bedrag van in totaal € 65.072. Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde *partner* heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, wordt het in de eerste volzin genoemde bedrag voor de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk op € 130.144 gesteld. +**1.** Tot de bezittingen behoren niet groene beleggingen voor een bedrag van in totaal € 71.251. Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde *partner* heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, wordt het in de eerste volzin genoemde bedrag voor de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk op € 142.502 gesteld. **2.** Indien een belastingplichtige zowel groene beleggingen in de vorm van een of meer banktegoeden als groene beleggingen in de vorm van overige bezittingen heeft, wordt het eerste lid toegepast op die overige bezittingen en uitsluitend voor de resterende ruimte op die banktegoeden. @@ -3954,7 +3999,7 @@ Tot de bezittingen en schulden behoren niet lopende termijnen van inkomsten en v Als groene fondsen kunnen voor de toepassing van dit artikel worden aangewezen: -a. banken als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, waarvan het doel en de feitelijke werkzaamheden hoofdzakelijk bestaan in het direct of indirect verstrekken van kredieten ten behoeve van projecten in het belang van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos, of het direct of indirect beleggen van vermogen in dergelijke projecten; +a. banken als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, of onderdelen van banken, waarvan het doel en de feitelijke werkzaamheden hoofdzakelijk bestaan in het direct of indirect verstrekken van kredieten ten behoeve van projecten in het belang van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos, of het direct of indirect beleggen van vermogen in dergelijke projecten; b. beleggingsinstellingen als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, waarvan het doel en de feitelijke werkzaamheden hoofdzakelijk bestaan in het direct of indirect beleggen van vermogen in projecten in het belang van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos. **3.** @@ -3970,7 +4015,7 @@ b. in ontwikkelingslanden en daarmee gelijk te stellen gebieden gelegen projecte **6.** Op verklaringen en aanwijzingen als bedoeld in het derde lid is hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen niet van toepassing. -**7.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het indirect verstrekken van kredieten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a. +**7.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het administratieve onderscheid tussen het onderdeel van de bank dat het groenfonds is en de overige onderdelen van de bank en met betrekking tot het indirect verstrekken van kredieten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a. **8.** Bij ministeriële regeling kunnen in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat of Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit nadere regels worden gesteld met betrekking tot de verklaring bedoeld in het derde lid. Het ontwerp van een ministeriële regeling bedoeld in het derde lid of in de vorige volzin wordt ten minste vier weken voordat de regeling wordt vastgesteld, toegezonden aan de Staten-Generaal. @@ -4019,7 +4064,7 @@ b. een bank, beleggingsonderneming of beheerder van een beleggingsinstelling als ### Artikel 5.16b -**1.** De jaarlijkse premie ter zake van alle nettolijfrenten van de belastingplichtige gezamenlijk bedraagt ten hoogste het percentage, genoemd in artikel 3.127, eerste lid, vermenigvuldigd met de nettofactor, bedoeld in artikel 5.16, vierde lid, van het gezamenlijke bedrag in het voorafgaande kalenderjaar van de inkomensbestanddelen, bedoeld in artikel 3.127, derde lid, onderdelen a tot en met d, voor zover dit bedrag het bedrag, genoemd in artikel 3.127, derde lid, overtreft. +**1.** De jaarlijkse premie ter zake van alle nettolijfrenten van de belastingplichtige gezamenlijk bedraagt ten hoogste het percentage, genoemd in artikel 3.127, eerste lid, vermenigvuldigd met de nettofactor, bedoeld in artikel 5.16, vierde lid, van het gezamenlijke bedrag in het voorafgaande kalenderjaar van de inkomensbestanddelen, bedoeld in artikel 3.127, derde lid, onderdelen a tot en met d, voor zover dit bedrag het in artikel 3.127, derde lid, als eerste vermelde bedrag overtreft. **2.** De ten hoogste in aanmerking te nemen premie, bedoeld in het eerste lid, wordt verminderd met de premie die in het voorafgaande kalenderjaar is ingelegd ten behoeve van een nettopensioenregeling als bedoeld in artikel 5.17, eerste lid. @@ -4194,189 +4239,6 @@ Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, in het kader van dit hoofdstuk passen **3.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste en tweede lid. -### Afdeling 5.6. Tegenbewijsregeling - -### Artikel 5.25 - -**1.** Indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het werkelijke rendement van bezittingen en schulden lager is dan het voordeel uit sparen en beleggen, wordt het belastbare inkomen uit sparen en beleggen in afwijking van artikel 5.1 gesteld op het werkelijke rendement van bezittingen en schulden, verminderd met de persoonsgebonden aftrek (hoofdstuk 6). - -**2.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt het werkelijke rendement van bezittingen en schulden ten minste op nihil gesteld. - -**3.** Het werkelijke rendement van bezittingen en schulden van een minderjarig kind wordt overeenkomstig artikel 2.15 toegerekend aan de ouder of ouders. - -**4.** Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, wordt het aan hem toegerekende gedeelte van het gezamenlijke werkelijke rendement van bezittingen en schulden bij hem in aanmerking genomen als het werkelijke rendement van bezittingen en schulden. Deze toerekening geschiedt naar rato van de voor de bepaling van het voordeel uit sparen en beleggen toegepaste toerekening van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen. - -**5.** Het gezamenlijke werkelijke rendement van bezittingen en schulden is het werkelijke rendement van bezittingen en schulden van de belastingplichtige en zijn partner tezamen. - -**6.** In afwijking van de artikelen 4:1, 4:2, eerste lid, 6:4, eerste lid en 6:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht maakt de belastingplichtige bij een beroep op de tegenbewijsregeling op basis van het werkelijke rendement gebruik van een door de inspecteur ter beschikking te stellen formulier. - -**7.** Ter aanvulling op het ter beschikking gestelde formulier kunnen tot zes weken na verzending van het formulier nadere stukken ingediend worden. - -**8.** Het zesde en zevende lid is niet van toepassing indien de gegevens voor de tegenbewijsregeling op basis van het werkelijke rendement door de inspecteur zijn gevraagd als onderdeel van de uitnodiging tot het doen van aangifte. - -### Artikel 5.26 - -**1.** Het werkelijke rendement van bezittingen en schulden is het gezamenlijke bedrag van alle voordelen die worden behaald met bezittingen en schulden. - -**2.** - -De voordelen bestaan uit: - -a. de reguliere voordelen die worden getrokken uit bezittingen en schulden; en -b. de vermogensaanwas van bezittingen en schulden. - -**3.** Bij het bepalen van het werkelijke rendement van bezittingen en schulden zijn de artikelen 5.3, derde lid, onderdeel f, 5.10, onderdelen a en d, en 5.13 niet van toepassing, evenmin als hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001. - -### Artikel 5.27 - -**1.** - -Tot de reguliere voordelen behoren in ieder geval genoten: - -a. rente; -b. huur; -c. pacht; -d. dividend; -e. winstuitkering; -f. vergoeding voor het verstrekken van kapitaal; -g. licentievergoeding; -h. gebruiksvergoeding. - -**2.** - -Negatieve reguliere voordelen zijn door de belastingplichtige verschuldigde renten ter zake van: - -a. een door hem aangegane schuld; -b. een banktegoed als bedoeld in artikel 5.2, derde lid, of een door hem verstrekte geldlening. - -**3.** Indien bij een niet onder zakelijke omstandigheden gesloten overeenkomst voorwaarden zijn bedongen die afwijken van voorwaarden die in het economische verkeer door onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen, worden de reguliere voordelen bepaald alsof laatstbedoelde voorwaarden zijn overeengekomen. - -### Artikel 5.28 - -**1.** De vermogensaanwas van bezittingen en schulden bestaat uit het verschil tussen de waarde aan het einde van het kalenderjaar van het saldo van bezittingen en schulden en de waarde aan het begin van het kalenderjaar van het saldo van bezittingen en schulden, verminderd met de stortingen en vermeerderd met de onttrekkingen. - -**2.** - -Voor de toepassing van het eerste lid wordt: - -a. een afname van een negatief saldo van bezittingen en schulden als een positieve vermogensaanwas in aanmerking genomen; -b. een toename van een negatief saldo van bezittingen en schulden als een negatieve vermogensaanwas in aanmerking genomen. - -### Artikel 5.29 - -**1.** - -Een storting is een positieve waardemutatie van het saldo van bezittingen en schulden die het directe gevolg is van: - -a. het tot de bezittingen gaan behoren van een vermogensbestanddeel; of -b. het niet langer tot de schulden behoren van een schuld. - -**2.** Als storting wordt mede aangemerkt een positieve waardemutatie die het directe gevolg is van een uitbreiding of verbetering van een bezitting voor zover die waardemutatie niet reeds een storting is op grond van het eerste lid. - -**3.** In afwijking van het eerste en tweede lid is een positieve waardemutatie die voortvloeit uit een uitbreiding of verbetering van een woning geen storting. - -**4.** In afwijking van het eerste lid is een positieve waardemutatie die voortvloeit uit onderhoud van een bezitting geen storting. - -**5.** Stortingen worden in aanmerking genomen tegen de waarde ten tijde van de storting. - -### Artikel 5.30 - -**1.** - -Een onttrekking is een negatieve waardemutatie van het saldo van bezittingen en schulden die het directe gevolg is van: - -a. het niet langer tot de bezittingen behoren van een bezitting; of -b. het tot de schulden gaan behoren van een verplichting. - -**2.** Onttrekkingen worden in aanmerking genomen tegen de waarde ten tijde van de onttrekking. - -### Artikel 5.31 - -**1.** De waarde van bezittingen en schulden wordt bepaald met overeenkomstige toepassing van afdeling 5.4 en de daarop berustende bepalingen, met dien verstande dat de waarde van een woning wordt bepaald op basis van het tweede tot en met vijfde lid. - -**2.** - -De waarde van een woning: - -a. aan het begin van het kalenderjaar: wordt gesteld op de op grond van artikel 5.20, eerste of tweede lid, voor die woning voor het kalenderjaar vastgestelde waarde; -b. aan het einde van het kalenderjaar: wordt gesteld op de op grond van artikel 5.20, eerste of tweede lid, voor die woning voor het daaropvolgende kalenderjaar vastgestelde waarde of, indien het derde lid van toepassing is, op de waarde die op grond van het derde lid aan het einde van het kalenderjaar in aanmerking wordt genomen; -c. op een ander tijdstip in het kalenderjaar: wordt gesteld op de waarde, bedoeld in onderdeel a, vermeerderd met een tijdsevenredige waardemutatie die wordt berekend door het verschil tussen de waarde, bedoeld in onderdeel b, en de waarde, bedoeld in onderdeel a, te delen door het totale aantal dagen van het kalenderjaar en te vermenigvuldigen met het aantal dagen dat op dat tijdstip is verstreken sinds het begin van het kalenderjaar. - -**3.** Indien artikel 18, derde lid, onderdeel b, van de Wet waardering onroerende zaken vanwege een uitbreiding of verbetering van een woning wordt toegepast of op overeenkomstige wijze wordt toegepast bij het bepalen van de op grond van artikel 5.20, eerste of tweede lid, voor het daaropvolgende kalenderjaar vastgestelde waarde, wordt als waarde aan het einde van het kalenderjaar in aanmerking genomen de waarde die zonder die uitbreiding of verbetering van de woning op grond van artikel 5.20, eerste of tweede lid, zou zijn vastgesteld voor het daaropvolgende kalenderjaar. - -**4.** - -Artikel 5.20, derde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat: - -a. de betreffende waarde van de woning wordt gesteld op het percentage, bedoeld in artikel 5.20, derde lid, eerste zin, van de met toepassing van het tweede lid berekende waarde van de woning; -b. de berekening van dat percentage wordt gebaseerd op de hoogte van de huur of de pacht zoals die geldt op het tijdstip waarvoor de betreffende waarde geldt. - -**5.** Artikel 5.20, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de met toepassing van het tweede lid berekende waarde van de woning wordt verminderd met de waarde van de erfpachtcanon, bedoeld in artikel 5.20, vierde lid. - -### Artikel 5.31a - -Voor de toepassing van deze afdeling behoren rechten op kapitaalsuitkeringen of prestaties uit levensverzekering, uitsluitend bestaande uit een kapitaalsuitkering bij overlijden van de belastingplichtige, zijn partner of een bloed- of aanverwant, dan wel op prestaties in natura ter zake van de verzorging van een uitvaart, uitsluitend tot de bezittingen, indien: - -a. de som van het verzekerde kapitaal uit dergelijke levensverzekeringen aan het begin van het kalenderjaar per verzekerde meer bedraagt dan het in artikel 5.10, onderdeel a, vermelde bedrag; en -b. de som van de waarde van die rechten aan het begin van het kalenderjaar per persoon meer bedraagt dan het in artikel 5.10, onderdeel a, vermelde bedrag. - -### Artikel 5.31b - -**1.** Voor de toepassing van deze afdeling behoren geld, elektronisch geld in de vorm van een chipkaart, alsmede vermogensrechten die zijn bestemd voor het doen van consumentenaankopen, zoals cadeaubonnen, uitsluitend tot de bezittingen, indien het totale bedrag van die vermogensbestanddelen aan het begin van het kalenderjaar hoger is dan het in artikel 5.10, onderdeel d, eerstvermelde bedrag. In dat geval wordt een deel van het werkelijke rendement van die vermogensbestanddelen niet in aanmerking genomen. Dit deel wordt berekend door het werkelijke rendement van die vermogensbestanddelen te vermenigvuldigen met het quotiënt van het in artikel 5.10, onderdeel d, eerstvermelde bedrag en het totale bedrag van die vermogensbestanddelen aan het begin van het kalenderjaar. Hierbij wordt het werkelijke rendement van die vermogensbestanddelen bepaald met overeenkomstige toepassing van de artikelen 5.26 tot en met 5.31, 5.33 en 5.34. - -**2.** Ingeval de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, wordt het eerste lid toegepast op het gezamenlijke geld, het gezamenlijke elektronische geld in de vorm van een chipkaart, alsmede de gezamenlijke vermogensrechten die zijn bestemd voor het doen van consumentenaankopen, zoals cadeaubonnen, van de belastingplichtige en zijn partner, met dien verstande dat daarbij het in artikel 5.10, onderdeel d, als tweede vermelde bedrag wordt toegepast. - -### Artikel 5.32 - -**1.** Voor de toepassing van deze afdeling behoren groene beleggingen uitsluitend tot de bezittingen, indien de waarde van de groene beleggingen aan het begin van het kalenderjaar hoger is dan het in artikel 5.13, eerste lid, eerstvermelde bedrag. In dat geval wordt een deel van het werkelijke rendement van die groene beleggingen niet in aanmerking genomen. Dit deel wordt berekend door het werkelijke rendement van de groene beleggingen te vermenigvuldigen met het quotiënt van het in artikel 5.13, eerste lid, eerstvermelde bedrag en de waarde van de groene beleggingen aan het begin van het kalenderjaar. Hierbij wordt het werkelijke rendement van de groene beleggingen bepaald met overeenkomstige toepassing van de artikelen 5.26 tot en met 5.31, 5.33 en 5.34. - -**2.** Ingeval de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, wordt het eerste lid toegepast op de gezamenlijke groene beleggingen van de belastingplichtige en zijn partner, met dien verstande dat daarbij het in artikel 5.13, eerste lid, als tweede vermelde bedrag wordt toegepast. - -### Artikel 5.32a - -**1.** Voor de toepassing van deze afdeling behoren rechten op kapitaalsuitkeringen als bedoeld in hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 uitsluitend tot de bezittingen, indien de waarde van die rechten aan het begin van het kalenderjaar hoger is dan € 123.428. In dat geval wordt een deel van het werkelijke rendement van die rechten niet in aanmerking genomen. Dit deel wordt berekend door het werkelijke rendement van die rechten te vermenigvuldigen met het quotiënt van € 123.428 en de waarde van die rechten aan het begin van het kalenderjaar. Hierbij wordt het werkelijke rendement van die rechten bepaald met overeenkomstige toepassing van de artikelen 5.26 tot en met 5.31, 5.33 en 5.34. - -**2.** Ingeval de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, wordt het eerste lid toegepast op de gezamenlijke rechten op kapitaalsuitkeringen als bedoeld in hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel AN, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 van de belastingplichtige en zijn partner, met dien verstande dat daarbij een bedrag van € 246.856 wordt toegepast. - -### Artikel 5.33 - -**1.** Indien de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar nog niet binnenlands belastingplichtig is, wordt bij de toepassing van artikel 5.28 voor het begin van het kalenderjaar gelezen: het begin van de binnenlandse belastingplicht. - -**2.** Indien de binnenlandse belastingplicht gedurende het kalenderjaar eindigt, wordt bij de toepassing van artikel 5.28 voor het einde van het kalenderjaar gelezen: het einde van de binnenlandse belastingplicht. - -### Artikel 5.34 - -**1.** - -Reguliere voordelen behoren tot het werkelijke rendement in het kalenderjaar waarin zij zijn: - -a. ontvangen; -b. verrekend; -c. ter beschikking gesteld; -d. rentedragend geworden; of -e. vorderbaar en inbaar geworden. - -**2.** - -Negatieve reguliere voordelen behoren tot het werkelijke rendement in het kalenderjaar waarin zij zijn: - -a. betaald; -b. verrekend; -c. ter beschikking gesteld; of -d. rentedragend geworden. - -### Artikel 5.35 - -**1.** Na toepassing van artikel 5.16c, eerste lid, in het voorafgaande kalenderjaar op de gehele of gedeeltelijke aanspraak op een nettolijfrente wordt tot het werkelijke rendement van bezittingen en schulden gerekend het product van het in artikel 5.2, tweede lid, als tweede vermelde percentage en het bedrag dat gelijk is aan de helft van de waarde van die gehele aanspraak, onderscheidenlijk gedeeltelijke aanspraak, aan het begin van het voorafgaande kalenderjaar, vermenigvuldigd met tien. - -**2.** Ingeval de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het bedrag van de belasting die is verschuldigd over het bedrag dat ingevolge het eerste lid tot het werkelijke rendement van bezittingen en schulden wordt gerekend, hoger is dan het totale bedrag van de belasting en de belastingrente, bedoeld in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, die zouden zijn verschuldigd indien de mogelijkheid zou bestaan de in de voorafgaande jaren ingevolge artikel 5.16 genoten vrijstelling door middel van navorderingsaanslagen ongedaan te maken, wordt in afwijking van het eerste lid tot het werkelijke rendement van bezittingen en schulden gerekend dit totale bedrag vermenigvuldigd met het quotiënt van 100% en het in artikel 2.13 vermelde percentage. - -### Artikel 5.36 - -**1.** Na toepassing van artikel 5.17e, eerste lid, in het voorafgaande kalenderjaar op de aanspraak op een nettopensioen wordt tot het werkelijke rendement van bezittingen en schulden gerekend het product van het in artikel 5.2, tweede lid, als tweede vermelde percentage en het bedrag dat gelijk is aan de helft van de waarde van die aanspraak aan het begin van het voorafgaande kalenderjaar, vermenigvuldigd met tien. - -**2.** Ingeval de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het bedrag van de belasting die is verschuldigd over het bedrag dat ingevolge het eerste lid tot het werkelijke rendement van bezittingen en schulden wordt gerekend, hoger is dan het totale bedrag van de belasting en de belastingrente, bedoeld in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, die zouden zijn verschuldigd indien de mogelijkheid zou bestaan de in de voorafgaande jaren ingevolge artikel 5.17 genoten vrijstelling door middel van navorderingsaanslagen ongedaan te maken, wordt in afwijking van het eerste lid tot het werkelijke rendement van bezittingen en schulden gerekend dit totale bedrag vermenigvuldigd met het quotiënt van 100% en het in artikel 2.13 vermelde percentage. - ## Hoofdstuk 6. Persoonsgebonden aftrek ### Afdeling 6.1. Persoonsgebonden aftrek @@ -4582,10 +4444,10 @@ Bij een verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek van | meer dan | maar niet meer dan | wordt gezinshulp geacht extra te zijn voor zover de uitgaven voor gezinshulp meer bedragen dan het in deze kolom vermelde percentage van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek | | --- | --- | --- | -| – | € 35.287 | 0% | -| € 35.287 | € 52.928 | 1% | -| € 52.928 | € 70.561 | 2% | -| € 70.561 | – | 3% | +| – | € 38.638 | 0% | +| € 38.638 | € 57.954 | 1% | +| € 57.954 | € 77.261 | 2% | +| € 77.261 | – | 3% | **4.** Indien de belastingplichtige gedurende het gehele jaar een partner heeft, worden de uitgaven voor gezinshulp samengevoegd en geldt voor de toepassing van het derde lid het gezamenlijke bedrag van de verzamelinkomens van de belastingplichtige en zijn partner vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek. De eerste volzin is ook van toepassing indien de belastingplichtige op grond van artikel 2.17, zevende lid, eerste volzin, geacht wordt het gehele kalenderjaar een partner te hebben gehad. @@ -4595,7 +4457,7 @@ Bij een verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek van De uitgaven, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, worden in aanmerking genomen, indien wordt gereisd: -a. per auto anders dan per taxi: voor € 0,21 per kilometer; +a. per auto anders dan per taxi: voor € 0,23 per kilometer; b. op andere wijze: voor de werkelijke kosten. **7.** Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel f, wordt met een medisch voorschrift gelijkgesteld een voorschrift van een persoon die bevoegd is tot het voeren van de titel diëtist. @@ -4652,11 +4514,11 @@ Indien het gezamenlijke bedrag van de verzamelinkomens van de belastingplichtige Uitgaven voor specifieke zorgkosten worden in aanmerking genomen voor zover zij samen, na toepassing van de verhoging ingevolge artikel 6.19, meer bedragen dan: -a. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 8.603 niet te boven gaat: € 149; -b. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 8.603 te boven gaat, maar  € 45.695 niet te boven gaat: 1,65% van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek; -c. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 45.695 te boven gaat: de som van 1,65% van € 45.695 en 5,75% van het gedeelte van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek dat € 45.695 te boven gaat. +a. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 9.420 niet te boven gaat: € 163; +b. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 9.420 te boven gaat, maar  € 50.034 niet te boven gaat: 1,65% van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek; +c. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 50.034 te boven gaat: de som van 1,65% van € 50.034 en 5,75% van het gedeelte van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek dat € 50.034 te boven gaat. -**2.** Indien de belastingplichtige gedurende het gehele jaar een partner heeft, worden de uitgaven voor specifieke zorgkosten samengevoegd en geldt voor de toepassing van het eerste lid het gezamenlijke bedrag van de verzamelinkomens van de belastingplichtige en zijn partner vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek en wordt in het eerste lid, onderdeel a en onderdeel b, het bedrag van € 8.603 vervangen door € 17.206 en wordt in het eerste lid, onderdeel a, het bedrag van € 149 vervangen door € 298. De eerste volzin is ook van toepassing indien de belastingplichtige op grond van artikel 2.17, zevende lid, eerste volzin, geacht wordt het gehele kalenderjaar een partner te hebben gehad. +**2.** Indien de belastingplichtige gedurende het gehele jaar een partner heeft, worden de uitgaven voor specifieke zorgkosten samengevoegd en geldt voor de toepassing van het eerste lid het gezamenlijke bedrag van de verzamelinkomens van de belastingplichtige en zijn partner vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek en wordt in het eerste lid, onderdeel a en onderdeel b, het bedrag van € 9.420 vervangen door € 18.840 en wordt in het eerste lid, onderdeel a, het bedrag van € 163 vervangen door € 326. De eerste volzin is ook van toepassing indien de belastingplichtige op grond van artikel 2.17, zevende lid, eerste volzin, geacht wordt het gehele kalenderjaar een partner te hebben gehad. ### Artikel 6.21 @@ -4754,7 +4616,7 @@ b. de belastingplichtige aanspraak kan maken op de in de verklaring genoemde ver c. de instelling bereid en in staat is die vergoeding uit te keren, en d. de belastingplichtige de vrijheid heeft over de vergoeding te beschikken. -**2.** *Giften* die bestaan uit het afzien door de vrijwilliger van vergoedingen voor daadwerkelijk gemaakte kosten worden in aanmerking genomen voor zover sprake is van kosten die naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen behoren te worden vergoed, met dien verstande dat kosten voor vervoer per auto, anders dan per taxi, in aanmerking worden genomen voor € 0,21 per kilometer. De eerste volzin is ook van toepassing in de situatie waarin de instelling voor deze kosten geen vergoedingsregeling heeft getroffen. +**2.** *Giften* die bestaan uit het afzien door de vrijwilliger van vergoedingen voor daadwerkelijk gemaakte kosten worden in aanmerking genomen voor zover sprake is van kosten die naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen behoren te worden vergoed, met dien verstande dat kosten voor vervoer per auto, anders dan per taxi, in aanmerking worden genomen voor € 0,23 per kilometer. De eerste volzin is ook van toepassing in de situatie waarin de instelling voor deze kosten geen vergoedingsregeling heeft getroffen. **3.** Indien giften op grond van het eerste lid in aanmerking worden genomen, kunnen giften op grond van het tweede lid aan dezelfde instelling slechts in aanmerking worden genomen voor zover de daadwerkelijk gemaakte kosten hoger zijn dan de in het eerste lid bedoelde vergoeding. @@ -4769,19 +4631,43 @@ b. een bevoordeling of bijdrage die wordt betaald, verrekend of ter beschikking **1.** Periodieke *giften* worden in aanmerking genomen indien zij berusten op een bij notariële of onderhandse akte van schenking aangegane verplichting om de uitkeringen of verstrekkingen gedurende vijf of meer jaren ten minste jaarlijks uit te keren. -**2.** Voor de toepassing van het eerste lid worden periodieke giften in aanmerking genomen tot het gezamenlijke bedrag van ten hoogste € 250.000 per kalenderjaar. +**2.** Periodieke giften in natura waarvan de waarde in het economische verkeer in totaal meer bedraagt dan € 10.000 per kalenderjaar, worden voor de toepassing van het eerste lid slechts in aanmerking genomen voor zover die waarde in het economische verkeer volgt uit een onafhankelijk taxatierapport of een factuur. -**3.** Indien de belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar een partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, worden de periodieke giften voor de toepassing van het tweede lid samengevoegd. +**3.** Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder giften in natura mede begrepen een kwijtschelding van een vordering die betrekking heeft op een of meer vermogensbestanddelen in natura. -**4.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld waaraan de onderhandse akte van schenking, bedoeld in het eerste lid, moet voldoen. +**4.** Voor de toepassing van het eerste lid worden periodieke giften in aanmerking genomen tot het gezamenlijke bedrag van ten hoogste € 250.000 per kalenderjaar. + +**5.** Indien de belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar een partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, worden de periodieke giften voor de toepassing van het tweede en vierde lid samengevoegd. Over deze periode geldt voor de toepassing van het tweede lid, in plaats van een bedrag van € 10.000, een bedrag van € 20.000. + +**6.** + +De akte van schenking kan voorschrijven dat de periodieke gift in ieder geval wordt beëindigd bij: + +a. verlies van de status als instelling of vereniging; +b. faillissement van de instelling of vereniging; +c. bij arbeidsongeschiktheid van de schenker of van een van de schenkers; of +d. bij werkloosheid van de schenker of van een van de schenkers. + +**7.** Tussentijdse beëindiging van de periodieke gift op grond van een omstandigheid als bedoeld in het zesde lid kan uitsluitend betrekking hebben op de nog niet vervallen termijnen van de periodieke gift en is uitsluitend mogelijk indien de schenker niet of nauwelijks invloed heeft op die omstandigheid. Indien de periodieke gift binnen een periode van vijf jaar eindigt op grond van een omstandigheid als bedoeld in het zesde lid, wordt geacht te zijn voldaan aan het eerste lid. + +**8.** Bij ministeriële regeling worden regels gesteld waaraan de akte van schenking, alsmede het taxatierapport, onderscheidenlijk de factuur, moet voldoen. ### Artikel 6.39 -**1.** Andere *giften* worden in aanmerking genomen voorzover zij met schriftelijke bescheiden kunnen worden gestaafd en voorzover zij samen zowel € 60 als 1% van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek te boven gaan, en vervolgens tot ten hoogste 10% van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek. +**1.** Andere *giften* worden in aanmerking genomen voor zover zij met schriftelijke bescheiden kunnen worden gestaafd en voor zover zij samen zowel € 60 als 1% van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek te boven gaan, en vervolgens tot ten hoogste 10% van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek. -**2.** Indien de belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar een *partner* heeft worden andere giften samengevoegd. Over deze periode geldt voor de toepassing van het eerste lid, in plaats van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek het gezamenlijke bedrag van de verzamelinkomens van de belastingplichtige en zijn partner vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek. +**2.** Andere giften in natura waarvan de waarde in het economische verkeer in totaal meer bedraagt dan € 10.000 per kalenderjaar, worden voor de toepassing van het eerste lid slechts in aanmerking genomen voor zover die waarde in het economische verkeer volgt uit een onafhankelijk taxatierapport dat of factuur die aan bij ministeriële regeling te stellen regels voldoet. -**3.** Indien de belastingplichtige gedurende een deel van het kalenderjaar een partner heeft en zij een keuze als bedoeld in artikel 2.17, zevende lid, van deze wet hebben gemaakt, wordt de belastingplichtige voor de toepassing van het tweede lid geacht gedurende het gehele kalenderjaar een partner te hebben gehad. +**3.** Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder giften in natura mede begrepen een kwijtschelding van een vordering die betrekking heeft op een of meer vermogensbestanddelen in natura. + +**4.** + +Indien de belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar een *partner* heeft worden andere giften samengevoegd. Over deze periode geldt: + +a. voor de toepassing van het eerste lid, in plaats van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek het gezamenlijke bedrag van de verzamelinkomens van de belastingplichtige en zijn partner vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek; +b. voor de toepassing van het tweede lid, in plaats van een bedrag van € 10.000, een bedrag van € 20.000. + +**5.** Indien de belastingplichtige gedurende een deel van het kalenderjaar een partner heeft en zij een keuze als bedoeld in artikel 2.17, zevende lid, van deze wet hebben gemaakt, wordt de belastingplichtige voor de toepassing van het vierde lid geacht gedurende het gehele kalenderjaar een partner te hebben gehad. ### Artikel 6.39a @@ -5081,7 +4967,7 @@ De *gecombineerde heffingskorting* bedraagt maximaal het bedrag van de *gecombin **1.** De algemene heffingskorting geldt voor iedere belastingplichtige. -**2.** De algemene heffingskorting bedraagt € 3.070, verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met 6,095% van het gedeelte van het belastbare inkomen uit werk en woning dat meer bedraagt dan € 22.660. +**2.** De algemene heffingskorting bedraagt € 3.362, verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met 6,630% van het gedeelte van het belastbare inkomen uit werk en woning dat meer bedraagt dan € 24.812. ### Artikel 8.11 @@ -5091,12 +4977,12 @@ De *gecombineerde heffingskorting* bedraagt maximaal het bedrag van de *gecombin De arbeidskorting bedraagt: -a. 8,231% van het *arbeidsinkomen* met een maximum van € 884, vermeerderd met: -b. 29,861% van het *arbeidsinkomen* voor zover dat meer bedraagt dan € 10.740, waarbij de som van de bedragen berekend op de voet van de onderdelen a en b niet meer bedraagt dan € 4.605, alsmede vermeerderd met: -c. 3,085% van het arbeidsinkomen voor zover dat meer bedraagt dan € 23.201, waarbij de som van de bedragen berekend op de voet van de onderdelen a, b en c niet meer bedraagt dan € 5.052, en verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met: -d. 6,51% van het *arbeidsinkomen* voor zover dat meer bedraagt dan € 37.691. +a. 8,425% van het *arbeidsinkomen* met een maximum van € 968, vermeerderd met: +b. 31,433% van het *arbeidsinkomen* voor zover dat meer bedraagt dan € 11.490, waarbij de som van de bedragen berekend op de voet van de onderdelen a en b niet meer bedraagt dan € 5.158, alsmede vermeerderd met: +c. 2,471% van het arbeidsinkomen voor zover dat meer bedraagt dan € 24.820, waarbij de som van de bedragen berekend op de voet van de onderdelen a, b en c niet meer bedraagt dan € 5.532, en verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met: +d. 6,51% van het *arbeidsinkomen* voor zover dat meer bedraagt dan € 39.957. -Ingeval het *arbeidsinkomen* niet meer bedraagt dan € 37.691, bedraagt de arbeidskorting ten minste de volgens artikel 22a van de Wet op de loonbelasting 1964 toegekende arbeidskorting ter zake van het loon dat wordt belast volgens de loonbelastingtabellen, bedoeld in artikel 25, tweede lid, van die wet, maar maximaal het in de eerste volzin, onderdeel c, als tweede vermelde bedrag. +Ingeval het *arbeidsinkomen* niet meer bedraagt dan € 39.957, bedraagt de arbeidskorting ten minste de volgens artikel 22a van de Wet op de loonbelasting 1964 toegekende arbeidskorting ter zake van het loon dat wordt belast volgens de loonbelastingtabellen, bedoeld in artikel 25, tweede lid, van die wet, maar maximaal het in de eerste volzin, onderdeel c, als tweede vermelde bedrag. ### Artikel 8.12 @@ -5116,13 +5002,13 @@ Vervallen De inkomensafhankelijke combinatiekorting geldt voor de belastingplichtige indien: -a. hij een *arbeidsinkomen* heeft dat meer bedraagt dan € 5.547; +a. hij een *arbeidsinkomen* heeft dat meer bedraagt dan € 6.073; b. in het kalenderjaar gedurende ten minste zes maanden een kind dat bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisregistratie personen, en c. hij in het kalenderjaar geen partner heeft, dan wel indien hij wel een partner heeft, hij in het kalenderjaar een lager *arbeidsinkomen* heeft dan zijn partner. -Bij ministeriële regeling wordt bepaald in welke gevallen een *kind* dat niet op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisregistratie personen, voor de toepassing van onderdeel b beschouwd wordt ook op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige te staan ingeschreven in de basisregistratie personen. +Indien een kind dat niet op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisregistratie personen, gedurende het kalenderjaar in de huishoudens van diens beide ouders verblijft (co-ouderschap), wordt het kind voor de toepassing van onderdeel b geacht ten minste zes maanden op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige te staan ingeschreven in de basisregistratie personen als het kind gedurende ten minste 156 dagen van het kalenderjaar in elk van beide huishoudens verblijft en het kind op hetzelfde woonadres als diens andere ouder staat ingeschreven in de basisregistratie personen. In het jaar van aanvang of beëindiging van co-ouderschap wordt het aantal dagen, genoemd in de tweede zin, naar tijdsgelang herrekend indien ten minste zes maanden sprake is van co-ouderschap. -**2.** De inkomensafhankelijke combinatiekorting bedraagt 11,45% van het *arbeidsinkomen*, voor zover dat bij de belastingplichtige meer beloopt dan € 5.547, doch niet meer dan € 2.694. +**2.** De inkomensafhankelijke combinatiekorting bedraagt 11,45% van het *arbeidsinkomen*, voor zover dat bij de belastingplichtige meer beloopt dan € 6.073, doch niet meer dan € 2.950. **3.** Indien het *arbeidsinkomen* van de belastingplichtige in het kalenderjaar gelijk is aan dat van zijn partner, geldt de inkomensafhankelijke combinatiekorting alleen voor de oudste belastingplichtige. @@ -5146,19 +5032,19 @@ Vervallen **1.** De jonggehandicaptenkorting geldt voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten recht heeft op toekenning van een uitkering of op arbeidsondersteuning, tenzij voor hem de ouderenkorting geldt. -**2.** De jonggehandicaptenkorting bedraagt  € 820. +**2.** De jonggehandicaptenkorting bedraagt  € 898. ### Artikel 8.17 **1.** De ouderenkorting geldt voor de belastingplichtige die bij het einde van het kalenderjaar, of indien de belastingplicht in de loop van het jaar is geëindigd, bij het einde van de belastingplicht, de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt. -**2.** De ouderenkorting bedraagt € 1.835, verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met 15% van het verzamelinkomen voor zover dat meer bedraagt dan € 40.888. +**2.** De ouderenkorting bedraagt € 2.010, verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met 15% van het verzamelinkomen voor zover dat meer bedraagt dan € 44.770. ### Artikel 8.18 **1.** De alleenstaande ouderenkorting geldt voor de belastingplichtige indien hij in het kalenderjaar in aanmerking komt voor een uitkering als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet, of daarvoor in aanmerking zou komen indien hij zou voldoen aan de voorwaarde van artikel 7, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene Ouderdomswet. -**2.** De alleenstaande ouderenkorting bedraagt € 478. +**2.** De alleenstaande ouderenkorting bedraagt € 524. ### Artikel 8.18a @@ -5211,7 +5097,7 @@ d. de op grond van artikel 12 van het Besluit van het Europees Parlement nr. 200 **2.** -In afwijking van het eerste lid wordt dividendbelasting niet als voorheffing in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten laste van wie de dividendbelasting is ingehouden niet tevens de uiteindelijk gerechtigde is tot de opbrengst waarop dividendbelasting is ingehouden. Niet als uiteindelijk gerechtigde wordt beschouwd degene die in samenhang met de genoten opbrengst een tegenprestatie heeft verricht als onderdeel van een samenstel van transacties waarbij aannemelijk is dat: +Voor de toepassing van het eerste lid wordt dividendbelasting slechts als voorheffing in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten laste van wie de dividendbelasting is ingehouden tevens de uiteindelijk gerechtigde is tot de opbrengst waarop dividendbelasting is ingehouden. De belastingplichtige maakt aannemelijk dat hij de uiteindelijk gerechtigde is tot die opbrengst, met dien verstande dat de inspecteur het tegendeel aannemelijk maakt indien de geheven dividendbelasting in het kalenderjaar € 1.000 of minder bedraagt. Voor de toepassing van de eerste en tweede zin wordt in ieder geval niet als uiteindelijk gerechtigde beschouwd degene die in samenhang met de genoten opbrengst een tegenprestatie heeft verricht als onderdeel van een samenstel van transacties waarbij: a. de opbrengst geheel of gedeeltelijk direct of indirect ten goede is gekomen aan een natuurlijk persoon die of lichaam dat in mindere mate gerechtigd is tot vermindering, teruggaaf of verrekening van dividendbelasting dan degene die de tegenprestatie heeft verricht; en b. deze natuurlijk persoon of dat lichaam een positie in aandelen, winstbewijzen, kapitaalverstrekkingen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 of geldleningen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel d, van die wet op directe of indirecte wijze behoudt of verkrijgt die vergelijkbaar is met zijn positie in soortgelijke aandelen, winstbewijzen, kapitaalverstrekkingen of geldleningen voorafgaand aan het moment waarop het samenstel van transacties een aanvang heeft genomen. @@ -5221,7 +5107,11 @@ b. deze natuurlijk persoon of dat lichaam een positie in aandelen, winstbewijzen Voor de toepassing van het tweede lid: a. kan van een samenstel van transacties eveneens sprake zijn ingeval transacties zijn aangegaan op een gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht of een met een gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht vergelijkbaar systeem dat gelegen of werkzaam is in een staat die niet een lidstaat is van de Europese Unie; -b. wordt met een samenstel van transacties gelijkgesteld een transactie die betrekking heeft op de enkele verwerving van een of meer dividendbewijzen of op de vestiging van kortlopende genotsrechten op aandelen. +b. wordt met een samenstel van transacties gelijkgesteld een transactie die betrekking heeft op de enkele verwerving van een of meer dividendbewijzen of op de vestiging van kortlopende genotsrechten op aandelen; +c. behoren tot een samenstel van transacties ook transacties die rechtens dan wel in feite direct of indirect zijn aangegaan door: + +1°. een lichaam waarin de belastingplichtige, al dan niet tezamen met zijn partner, voor ten minste een derde gedeelte belang heeft; +2°. de partner van de belastingplichtige of een bloed- of aanverwant in de rechte lijn van de belastingplichtige, waarbij een partner van een kind wordt gelijkgesteld met een bloed- of aanverwant. **4.** In afwijking van het eerste lid wordt dividendbelasting niet als voorheffing in aanmerking genomen indien de dividendbelasting is ingehouden op de opbrengst die deel uitmaakt van een lijfrenterekening als bedoeld in artikel 3.126a of een lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in artikel 3.126a. @@ -5250,9 +5140,9 @@ Vervallen Een aanslag wordt vastgesteld indien: -a. de verschuldigde belasting het saldo van de gezamenlijke voorheffingen en de voorlopige teruggaven (voorheffingssaldo), met meer dan € 51 te boven gaat; +a. de verschuldigde belasting het saldo van de gezamenlijke voorheffingen en de voorlopige teruggaven (voorheffingssaldo), met meer dan € 56 te boven gaat; b. de belastingplichtige binnen een bij ministeriële regeling te stellen termijn aangifte heeft gedaan; -c. de rendementsgrondslag van de belastingplichtige aan het begin van het kalenderjaar meer bedraagt dan € 33.748 of, ingeval hij het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, de gezamenlijke rendementsgrondslag van de belastingplichtige en zijn partner aan het begin van het kalenderjaar meer bedraagt dan € 67.496; of +c. de rendementsgrondslag van de belastingplichtige aan het begin van het kalenderjaar meer bedraagt dan € 36.952 of, ingeval hij het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, de gezamenlijke rendementsgrondslag van de belastingplichtige en zijn partner aan het begin van het kalenderjaar meer bedraagt dan € 73.904; of d. de belastingplichtige of, ingeval hij het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, zijn partner aan het begin van het kalenderjaar groene beleggingen bezit die door de toepassing van artikel 5.13 niet tot de rendementsgrondslag behoren. **2.** In andere gevallen wordt geen aanslag vastgesteld en worden voorheffingen niet verrekend. @@ -5266,7 +5156,7 @@ b. indien de belastingplichtige een niet in Nederland wonende artiest of beroeps **4.** Het derde lid, onderdeel a, is niet van toepassing indien een voorlopige teruggaaf is vastgesteld waarbij ook rekening is gehouden met negatieve bestanddelen van het belastbare inkomen, dan wel waarbij geheel of gedeeltelijk ten onrechte of tot een hoger bedrag dan in artikel 8.9, eerste lid, tweede volzin, is aangeduid, een verhoging van de gecombineerde heffingskorting volgens artikel 8.9 in aanmerking is genomen. In het laatste geval hoeft de belastingplichtige geen aangifte te doen indien de onjuiste verhoging blijkt bij de aangifte van de partner. -**5.** In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b, c en d, wordt, indien het voorheffingssaldo de verschuldigde belasting niet, of met niet meer dan € 16 te boven gaat, de aanslag vastgesteld op nihil. Daarbij worden de voorheffingen en de voorlopige teruggaven niet verrekend. +**5.** In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b, c en d, wordt, indien het voorheffingssaldo de verschuldigde belasting niet, of met niet meer dan € 18 te boven gaat, de aanslag vastgesteld op nihil. Daarbij worden de voorheffingen en de voorlopige teruggaven niet verrekend. **6.** Indien een of meer voorlopige teruggaven zijn vastgesteld, wordt, indien volgens de vorige leden geen aanslag wordt vastgesteld, na verloop van de in artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bedoelde termijn, een aanslag geacht te zijn vastgesteld tot het bedrag van de voorlopige teruggaaf of teruggaven. @@ -5278,7 +5168,7 @@ b. indien de belastingplichtige een niet in Nederland wonende artiest of beroeps Gelijktijdig met de aanslag stelt de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vast en vermeldt afzonderlijk op het aanslagbiljet: -a. het bedrag van de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, aan het begin van het kalenderjaar, indien dit meer bedraagt dan € 33.748 of, ingeval de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, indien de gezamenlijke rendementsgrondslag van belastingplichtige en zijn partner aan het begin van het kalenderjaar meer bedraagt dan € 67.496 (beschikking bedrag rendementsgrondslag); +a. het bedrag van de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, aan het begin van het kalenderjaar, indien dit meer bedraagt dan € 36.952 of, ingeval de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, indien de gezamenlijke rendementsgrondslag van belastingplichtige en zijn partner aan het begin van het kalenderjaar meer bedraagt dan € 73.904 (beschikking bedrag rendementsgrondslag); b. het bedrag aan groene beleggingen dat aan het begin van het kalenderjaar niet behoort tot de bezittingen op grond van artikel 5.13 (beschikking bedrag groen beleggen). **2.** Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, is artikel 2.17, tweede, derde en vierde lid, van overeenkomstige toepassing voor de vaststelling van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b. Indien artikel 2.17, tweede of derde lid, is toegepast voor de toedeling van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, geldt bij de toedeling van de bedragen van de rendementsgrondslag en de groene beleggingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, dezelfde verhouding. Indien de eerste volzin is toegepast voor de toedeling van het bedrag van de rendementsgrondslag, geldt bij de toedeling van het bedrag groen beleggen dezelfde verhouding. In afwijking van artikel 2.17, tweede lid, derde en vierde volzin, wordt de korting voor groene beleggingen, bedoeld in artikel 8.19, van de belastingplichtige en zijn partner geacht bij hen op te komen in de verhouding die wordt toegepast op de rendementsgrondslag respectievelijk de groene beleggingen. @@ -5299,7 +5189,11 @@ b. het bedrag aan groene beleggingen dat aan het begin van het kalenderjaar niet **4.** In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist de inspecteur binnen zes weken na ontvangst van een bezwaarschrift als bedoeld in het tweede lid. -**5.** De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot beschikkingen die afzonderlijk op het aanslagbiljet van de voorlopige aanslag zijn vermeld, waarbij voor de toepassing van dit artikel het verzamelinkomen, bedoeld in artikel 2.18, de betalingskorting, bedoeld in artikel 27a van de Invorderingswet 1990, alsmede de belastingrente en de revisierente, bedoeld in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, geacht worden onderdeel uit te maken van de voorlopige aanslag. +**5.** De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot beschikkingen die afzonderlijk op het aanslagbiljet van de voorlopige aanslag zijn vermeld, waarbij voor de toepassing van dit artikel het verzamelinkomen, bedoeld in artikel 2.18, en de belastingrente en de revisierente, bedoeld in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, geacht worden onderdeel uit te maken van de voorlopige aanslag. De termijn, bedoeld in het tweede lid, bedraagt ter zake van de beschikking belastingrente ten minste zes weken na de dag van dagtekening van de gehele of gedeeltelijke afwijzing van een verzoek om herziening, met dien verstande dat een verzoek om herziening kan worden ingediend tot zes weken na de dag van dagtekening van de aanslag waarmee de voorlopige aanslag wordt verrekend. + +### Artikel 9.5a + +In afwijking van artikel 9.5 wordt in de periode waarin de percentages voor banktegoeden en voor schulden, bedoeld in artikel 5.2, nog niet ingevolge artikel 10.6ter, tweede en vierde lid, voor het kalenderjaar zijn vastgesteld bij het opleggen van een voorlopige aanslag over dat kalenderjaar ter zake van belastbaar inkomen uit sparen en beleggen uitgegaan van bij ministeriële regeling vast te stellen percentages. Daarbij wordt het te hanteren percentage voor banktegoeden vastgesteld op het rentepercentage van de maand juli van het voorafgaande kalenderjaar op deposito’s van huishoudens met een opzegtermijn van maximaal drie maanden, zoals gepubliceerd door De Nederlandsche Bank, en het percentage voor schulden op het rentepercentage van de maand juli van het voorafgaande kalenderjaar over het totale uitstaande bedrag aan woninghypotheken van huishoudens, zoals gepubliceerd door De Nederlandsche Bank. ### Artikel 9.6 @@ -5307,9 +5201,13 @@ b. het bedrag aan groene beleggingen dat aan het begin van het kalenderjaar niet **2.** In bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen wordt een onjuiste belastingaanslag door de inspecteur ambtshalve verminderd. -**3.** Indien de belastingplichtige een verzoek om ambtshalve vermindering heeft gedaan en dat verzoek geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, beslist de inspecteur dat bij een voor bezwaar vatbare beschikking. +**3.** Niettegenstaande het bepaalde krachtens het tweede lid wordt de aanslag die op een te hoog bedrag is vastgesteld door de inspecteur ambtshalve verminderd indien een verzoek daartoe is ingediend binnen de termijn, bedoeld in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 60 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is niet van toepassing. -**4.** Voor de toepassing van dit artikel en voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep ten aanzien van de voor bezwaar vatbare beschikking, bedoeld in het derde lid, wordt een voor bezwaar vatbare beschikking waarvan het bedrag op het aanslagbiljet van de belastingaanslag is vermeld of ingevolge het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift behoort te worden vermeld geacht onderdeel uit te maken van de belastingaanslag. +**4.** Indien gegevens worden verstrekt nadat de aanslag is vastgesteld en die gegevensverstrekking uitsluitend op dezelfde wijze plaatsvindt als naar aanleiding van een uitnodiging tot het doen van aangifte, wordt die gegevensverstrekking aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering voor zover die gegevensverstrekking strekt tot een vermindering van de aanslag. + +**5.** Indien de belastingplichtige een verzoek om ambtshalve vermindering heeft gedaan en dat verzoek geheel of gedeeltelijk wordt afgewezen, beslist de inspecteur dat bij een voor bezwaar vatbare beschikking. + +**6.** Voor de toepassing van dit artikel en voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep ten aanzien van de voor bezwaar vatbare beschikking, bedoeld in het vijfde lid, wordt een voor bezwaar vatbare beschikking waarvan het bedrag op het aanslagbiljet van de belastingaanslag is vermeld of ingevolge het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift behoort te worden vermeld geacht onderdeel uit te maken van de belastingaanslag. ### Artikel 9.7 @@ -5317,7 +5215,7 @@ b. het bedrag aan groene beleggingen dat aan het begin van het kalenderjaar niet **2.** In afwijking van artikel 25c, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan Onze Minister ook een aanwijzing massaal bezwaar geven voor de beslissing op een groot aantal verzoeken om ambtshalve vermindering of een groot aantal bezwaarschriften en verzoeken om ambtshalve vermindering tezamen indien naar het oordeel van Onze Minister voor deze beslissing de beantwoording van eenzelfde rechtsvraag van belang is. -**3.** In afwijking van artikel 25e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 9.6, derde lid, beslist de inspecteur door middel van één collectieve beslissing op verzoeken om ambtshalve vermindering waarvoor de aanwijzing massaal bezwaar geldt. De collectieve beslissing wordt bekendgemaakt door gelijktijdige kennisgeving ervan in de Staatscourant en op de website van de Belastingdienst. De collectieve beslissing is geen voor bezwaar vatbare beschikking. +**3.** In afwijking van artikel 25e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 9.6, vijfde lid, beslist de inspecteur door middel van één collectieve beslissing op verzoeken om ambtshalve vermindering waarvoor de aanwijzing massaal bezwaar geldt. De collectieve beslissing wordt bekendgemaakt door gelijktijdige kennisgeving ervan in de Staatscourant en op de website van de Belastingdienst. De collectieve beslissing is geen voor bezwaar vatbare beschikking. **4.** In afwijking van artikel 25e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en het derde lid beslist de inspecteur door middel van één gezamenlijke collectieve beslissing en collectieve uitspraak ingeval een aanwijzing massaal bezwaar is gegeven voor de beslissing op een groot aantal bezwaarschriften en verzoeken om ambtshalve vermindering tezamen. @@ -5327,7 +5225,7 @@ b. het bedrag aan groene beleggingen dat aan het begin van het kalenderjaar niet ### Artikel 10.1 -**1.** Bij het begin van het kalenderjaar worden de in de artikelen 2.10, 2.10a, 3.15, eerste lid, 3.41, 3.42, 3.47, 3.77, 3.87, 3.125, 3.126a, 3.127, tweede lid, 3.129, 3.133, 5.2, 5.3, 5.5, 5.10,5.13, 6.17, derde lid, 6.20, 8.10, 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel a, 8.14a, 8.16a, 8.17, 8.18, 9.4, 9.4a en 10.7 vermelde bedragen, het in artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel b, als tweede vermelde bedrag en het in artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel c, als tweede vermelde bedrag bij ministeriële regeling vervangen door andere. Deze bedragen worden berekend door de te vervangen bedragen te vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen. Indien in het voorafgaande jaar een dergelijke afronding is toegepast, kan bij vervanging worden uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag. +**1.** Bij het begin van het kalenderjaar worden de in de artikelen 2.10, 2.10a, 2.12, 3.15, eerste lid, 3.41, 3.42, 3.47, 3.77, 3.87, 3.125, 3.126a, 3.127, tweede lid, 3.129, 3.133, 5.3, 5.5, 5.10,5.13, 6.17, derde lid, 6.20, 8.10, 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel a, 8.14a, 8.16a, 8.17, 8.18, 9.4, 9.4a en 10.7 vermelde bedragen, het in artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel b, als tweede vermelde bedrag en het in artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel c, als tweede vermelde bedrag bij ministeriële regeling vervangen door andere. Deze bedragen worden berekend door de te vervangen bedragen te vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen. Indien in het voorafgaande jaar een dergelijke afronding is toegepast, kan bij vervanging worden uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag. **2.** In afwijking in zoverre van het eerste lid, tweede volzin, wordt het bedrag dat is vermeld in de eerste regel van de tweede kolom en in de tweede regel van de eerste kolom van de tabel in artikel 2.10, eerste lid, berekend door het te vervangen bedrag te vermenigvuldigen met de uitkomst van de formule: 1 + (75% x (tabelcorrectiefactor – 1)). @@ -5347,7 +5245,7 @@ Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in artikel 2.10, tweede lid, en art **1.** Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in artikel 3.127, derde lid, eerstvermelde bedrag bij ministeriële regeling vervangen door een ander bedrag. Dit bedrag wordt berekend door het te vervangen bedrag te vermenigvuldigen met de contractloonontwikkelingsfactor en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen. Indien in het voorafgaande jaar een dergelijke afronding is toegepast, kan bij vervanging worden uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag. -**2.** De contractloonontwikkelingsfactor is de verhouding van het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, bij het begin van het kalenderjaar tot het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, bij het begin van het voorafgaande kalenderjaar. +**2.** De contractloonontwikkelingsfactor is de verhouding van het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, bij het begin van het kalenderjaar tot het bedrag, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, bij het begin van het voorafgaande kalenderjaar. **3.** Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in artikel 3.127, eerste lid, vermelde percentage bij ministeriële regeling vervangen door een ander percentage. Dit percentage wordt gesteld op het voor dat jaar in artikel 18a, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 vermelde percentage. @@ -5463,16 +5361,16 @@ Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in artikel 8.10, tweede lid, vermel Het percentage in artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel b, wordt berekend door het verschil van het in artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel b, als tweede vermelde bedrag en het in artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel a, genoemde bedrag, na toepassing van artikel 10.1 te delen door het verschil van: -a. 99,95% van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, en +a. 99,95% van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, en b. het volgens het vierde lid berekende bedrag. -**4.** Het in artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel b, eerstvermelde bedrag wordt gesteld op 46,27% van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag. +**4.** Het in artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel b, eerstvermelde bedrag wordt gesteld op 46,27% van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag. **5.** Het percentage in artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel c, wordt berekend door het verschil van het in dat onderdeel na toepassing van artikel 10.1 als tweede vermelde bedrag en het in artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel b, na toepassing van artikel 10.1 als tweede vermelde bedrag te delen door het verschil van het volgens het zevende lid berekende bedrag en het volgens het zesde lid berekende bedrag. -**6.** Het in artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel c, eerstvermelde bedrag wordt gesteld op 99,95% van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag. +**6.** Het in artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel c, eerstvermelde bedrag wordt gesteld op 99,95% van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag. -**7.** Het vermelde bedrag in artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel d, en het bedrag in artikel 8.11, tweede lid, tweede volzin, worden gesteld op 99,95% van 225% van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met € 14.512. +**7.** Het vermelde bedrag in artikel 8.11, tweede lid, eerste volzin, onderdeel d, en het bedrag in artikel 8.11, tweede lid, tweede volzin, worden gesteld op 99,95% van 225% van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met € 15.889. **8.** De volgens het tweede, derde en vijfde lid berekende percentages worden rekenkundig afgerond op drie decimalen. @@ -5703,7 +5601,7 @@ c. tot uitkering te zijn gekomen: te zijn gedeblokkeerd. **1.** -Tot het voordeel uit kapitaalverzekering eigen woning behoort niet de rente begrepen in de uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning voor zover de uitkering niet meer bedraagt dan € 184.500 indien: +Tot het voordeel uit kapitaalverzekering eigen woning behoort niet de rente begrepen in de uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning voor zover de uitkering niet meer bedraagt dan € 202.000 indien: a. de uitkering heeft gediend als aflossing van de eigenwoningschuld; b. ter zake van de verzekering jaarlijks premies zijn voldaan en @@ -5892,7 +5790,7 @@ Vervallen Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2013/565. -Artikel 3.139, onderdeel b, zoals dat luidde op 31 december 2013, blijft van toepassing met betrekking tot hetgeen wordt ontvangen als teruggave van of nagekomen betaling ter zake van uitgaven voor specifieke zorgkosten die op grond van afdeling 6.5, zoals die afdeling op 31 december 2013 luidde, in aanmerking zijn genomen. +Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden ### Artikel 10a.10 @@ -5972,11 +5870,11 @@ Voor een pensioenregeling als bedoeld in artikel 3.18 zoals dat luidde op de da ### Artikel 10a.25 -**1.** Voor de toepassing van artikel 3.127, eerste lid, wordt in afwijking van het vierde lid, onderdeel a, van dat artikel, voor de belastingplichtige die met toepassing van artikel 38q van de Wet op de loonbelasting 1964 pensioenaanspraken opbouwt volgens de normeringen en begrenzingen uit de artikelen 18 tot en met 18ga van die wet alsmede de daarop gebaseerde bepalingen zoals deze luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen, de vermindering in verband met de opbouw van pensioenaanspraken gesteld op het bedrag dat volgt uit artikel 3.127, vierde lid, onderdeel a, zoals dat luidde op 31 december 2023. Voor de toepassing van de eerste zin blijven artikel 3.127, zesde lid, alsmede de daarop gebaseerde bepalingen zoals deze luidden op 31 december 2023, van toepassing. De eerste en tweede zin zijn van overeenkomstige toepassing op de aan de belastingplichtige toe te rekenen pensioenaanspraken die zijn opgebouwd in de periode van 1 januari 2023 tot en met 30 juni 2023. +**1.** Voor de toepassing van artikel 3.127, eerste lid, wordt in afwijking van het vierde lid van dat artikel, voor de belastingplichtige die met toepassing van artikel 38q van de Wet op de loonbelasting 1964 pensioenaanspraken opbouwt volgens de normeringen en begrenzingen uit de artikelen 18 tot en met 18ga van die wet alsmede de daarop gebaseerde bepalingen zoals deze luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen, de vermindering in verband met de opbouw van pensioenaanspraken gesteld op het bedrag dat volgt uit artikel 3.127, vierde lid, zoals dat luidde op 31 december 2023. Voor de toepassing van de eerste zin blijven artikel 3.127, zesde lid, alsmede de daarop gebaseerde bepalingen zoals deze luidden op 31 december 2023, van toepassing. De eerste en tweede zin zijn van overeenkomstige toepassing op de aan de belastingplichtige toe te rekenen pensioenaanspraken die zijn opgebouwd in de periode van 1 januari 2023 tot en met 30 juni 2023. **2.** -Voor de toepassing van artikel 3.127, eerste lid, wordt in afwijking van het vierde lid, onderdeel a, van dat artikel, voor de belastingplichtige die een ouderdomspensioen of partnerpensioen bij overlijden op of na pensioendatum opbouwt, waarbij de premie per dienstjaar is bepaald met inachtneming van artikel 38r, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, de vermindering in verband met de opbouw van pensioenaanspraken gesteld op het bedrag dat volgt uit de formule: +Voor de toepassing van artikel 3.127, eerste lid, wordt in afwijking van het vierde lid van dat artikel, voor de belastingplichtige die een ouderdomspensioen of partnerpensioen bij overlijden op of na pensioendatum opbouwt, waarbij de premie per dienstjaar is bepaald met inachtneming van artikel 38r, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, de vermindering in verband met de opbouw van pensioenaanspraken gesteld op het bedrag dat volgt uit de formule: A = (1 – (X–Y) / X) * B @@ -6040,7 +5938,7 @@ Afdeling 3.14 zoals die luidde op 31 december 2022 blijft van toepassing op ver ### Artikel 10b.1 -**1.** De artikelen 3.31, 3.42 en 3.42a vervallen met ingang van 1 januari 2024. +**1.** De artikelen 3.31, 3.42 en 3.42a vervallen met ingang van 1 januari 2029. **2.** Artikel 3.20, tweede lid, vervalt met ingang van 1 januari 2026.