2001-01-01 | BWBR0007311 | Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994
This commit is contained in:
parent
47421eb00c
commit
0cafaf4d08
1 changed files with 114 additions and 207 deletions
|
|
@ -3,7 +3,7 @@ titel: Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994
|
|||
bwb_id: BWBR0007311
|
||||
type: AMvB
|
||||
status: geldend
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2018-12-19'
|
||||
datum_inwerkingtreding: '1997-07-01'
|
||||
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0007311
|
||||
citeertitel: Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994
|
||||
---
|
||||
|
|
@ -14,17 +14,14 @@ citeertitel: Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994
|
|||
|
||||
### Artikel 1
|
||||
|
||||
Dit besluit geeft uitvoering aan de artikelen 1, tweede lid, 4, 22, tweede lid, 23a, eerste lid, 24a, eerste lid, 25b, 30, tweede lid, 37b, derde lid en vierde lid, onderdeel b, 71, tweede lid, 72, eerste lid, 73, eerste lid, 74, eerste lid, 77a, zesde lid, en 84, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 en artikel 37, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
|
||||
Dit besluit geeft uitvoering aan de artikelen 1, tweede lid, 4, 19, eerste lid, 22, tweede en derde lid, 25b, 30, derde en vierde lid, 37b, derde lid en vierde lid, onderdeel b, 37c, tweede lid, 50, tweede lid, 71, tweede lid, 72, eerste lid, 73 en 74, eerste lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 en artikel 37 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
|
||||
|
||||
### Artikel 2
|
||||
|
||||
In dit besluit wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. wet: Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994;
|
||||
b. belasting: motorrijtuigenbelasting;
|
||||
c. technisch hulpmiddel: een technisch hulpmiddel als bedoeld in artikel 77a, eerste lid, van de wet;
|
||||
d. kentekengegevens: de gegevens, bedoeld in artikel 77a, tweede lid, van de wet;
|
||||
e. technisch systeem: een technisch systeem als bedoeld in artikel 77a, derde lid, van de wet.
|
||||
b. belasting: motorrijtuigenbelasting.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk II. Belastbaar feit en definities
|
||||
|
||||
|
|
@ -34,92 +31,40 @@ Met betrekking tot het gebruik van motorrijtuigen als bedoeld in artikel 1, twee
|
|||
|
||||
### Artikel 4
|
||||
|
||||
Met motorrijwielen worden gelijkgesteld motorrijtuigen die:
|
||||
Met motorrijwielen als bedoeld in artikel 2, onderdeel *d*, van de wet worden gelijkgesteld motorrijtuigen op drie wielen die:
|
||||
|
||||
a. in het kentekenregister zijn ingeschreven met de aanduiding voertuigcategorie L en de voertuigclassificatie L5e of L7e; of
|
||||
b. voldoen aan de normen geldend voor voertuigcategorie L en de voertuigclassificatie L5e of L7e, genoemd in artikel 4 van en bijlage I bij de Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (PbEU 2013, L 60).
|
||||
1°. geschikt zijn voor het vervoer van ten hoogste twee personen;
|
||||
2°. niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie of een daarmee vergelijkbare constructie;
|
||||
3°. zijn geconstrueerd met een frame;
|
||||
4°. een directe stuuroverbrenging hebben naar het voorwiel; en
|
||||
5°. waarin de motor en versnellingsbak centraal zijn geplaatst.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk IIA. SCHORSING
|
||||
|
||||
### Artikel 4a
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** Voor een personenauto, bestelauto of motorrijwiel vindt artikel 19, eerste lid, van de wet toepassing indien het motorrijtuig zich gedurende de schorsingsperiode bevindt op een aan de inspecteur te melden stallingsplaats.
|
||||
|
||||
**2.** Voor een vrachtauto vindt artikel 19, eerste lid, van de wet toepassing indien de vrachtauto zich gedurende de schorsingsperiode bevindt op een aan de inspecteur te melden stallingsplaats in Nederland.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk III. Tarief
|
||||
|
||||
### Artikel 5
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Voor een personenauto of bestelauto die is voorzien van een installatie voor het verplaatsen of vastzetten van een rolstoel wordt het gewicht van die installatie niet meegerekend bij het vaststellen van de eigen massa van het motorrijtuig indien het daartoe strekkende verzoek vergezeld gaat van bescheiden waaruit blijkt:
|
||||
|
||||
a. dat het motorrijtuig is voorzien van een in de aanhef bedoelde installatie;
|
||||
b. het gewicht van die installatie; en
|
||||
c. de datum waarop die installatie is ingebouwd in het motorrijtuig.
|
||||
|
||||
### Artikel 5aa
|
||||
**2.** Het verzoek, bedoeld in artikel 22, derde lid, van de wet gaat vergezeld van schriftelijk bewijs dat de personenauto of de bestelauto is ingericht en bestemd om mede te worden aangedreven door een elektromotor met een vermogen van ten minste 10 kW en van een opgave van het gewicht van de elektromotor en van het gewicht van de daarbij behorende accu's.
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Artikel 23a, eerste lid, van de wet vindt toepassing indien:
|
||||
|
||||
a. de personenauto een binnenruimte heeft, gesitueerd achter de in de achterste stand geplaatste zitplaatsen voor de bestuurder en de bijrijder, die een rechthoekig blok kan bevatten van ten minste 170 cm hoogte over een lengte van ten minste 200 cm en over een breedte van ten minste 90 cm;
|
||||
b. de binnenruimte is voorzien van:
|
||||
|
||||
– minimaal twee vaste zitplaatsen, eventueel in de vorm van draaibare zitplaatsen voor de bestuurder en de bijrijder;
|
||||
– een vaste tafel, eventueel zodanig bevestigd dat deze eenvoudig kan worden verwijderd;
|
||||
– slaapaccommodatie voor twee of meer personen, eventueel gecreëerd met behulp van de zitplaatsen, niet zijnde de zitplaatsen voor de bestuurder en de bijrijder;
|
||||
– vaste en afsluitbare opbergfaciliteiten; en
|
||||
– een vast keukenblok met een minimale hoogte van het werkblad van ten minste 60 cm, voorzien van een ingebouwde uitneembare watervoorziening met een spoelbak, een kraan en een afvoer, het geheel bestemd voor gebruik in de binnenruimte; en
|
||||
c. de slaapaccommodatie, bedoeld in onderdeel b, derde aandachtsstreepje, voldoet aan:
|
||||
|
||||
– indien het een tweepersoonsslaapplaats betreft: een lengte van ten minste 180 cm en een breedte van ten minste 110 cm; of
|
||||
– indien het twee of meer afzonderlijke slaapplaatsen betreft: een lengte van ten minste 180 cm en een breedte van ten minste 60 cm, geldend voor ten minste twee slaapplaatsen.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid vindt artikel 23a, eerste lid, van de wet mede toepassing, indien de binnenruimte van de personenauto geen hoogte van 170 cm maar wel van ten minste 130 cm heeft, en het dak is voorzien van een al dan niet uitklapbare, permanent aangebrachte gesloten dakconstructie waardoor de hoogte over een breedte van ten minste 90 cm en een lengte van ten minste 100 cm verhoogd kan worden tot ten minste 170 cm.
|
||||
|
||||
**3.** Indien aan de binnenkant van de in het eerste en tweede lid bedoelde binnenruimte materialen zijn aangebracht tegen de wanden, de vloer of het plafond, wordt voor de beoordeling van de vraag of wordt voldaan aan de in het eerste en tweede lid genoemde maten uitgegaan van de aldus verkleinde binnenruimte.
|
||||
|
||||
**4.** De toepassing van artikel 23a van de wet vindt plaats op verzoek.
|
||||
|
||||
**5.** Het verzoek wordt bij de inspecteur ingediend voor de aanvang van het tijdvak.
|
||||
|
||||
**6.** Bij het verzoek worden bescheiden overgelegd waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden, alsmede een opgave van het kenteken van de personenauto.
|
||||
|
||||
**7.** Indien een motorrijtuig waarvoor artikel 23a van de wet reeds van toepassing is van houder wisselt, wordt de aanvraag om wijziging van de tenaamstelling aangemerkt als een verzoek om toepassing van artikel 23a, eerste lid, van de wet. Het vijfde en zesde lid zijn alsdan niet van toepassing.
|
||||
|
||||
**8.** De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. Tenzij in de beschikking anders is bepaald, werkt deze terug tot op het tijdstip waarop het verzoek is ingediend.
|
||||
|
||||
**9.** Indien niet of niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 23a, eerste of tweede lid, van de wet, stelt degene aan wie de beschikking is verleend de inspecteur daarvan onverwijld in kennis.
|
||||
|
||||
**10.** Indien niet of niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 23a, eerste of tweede lid, van de wet, trekt de inspecteur de beschikking in bij voor bezwaar vatbare beschikking.
|
||||
|
||||
**11.** Indien degene aan wie de beschikking, bedoeld in het achtste lid, is verleend niet voldoet aan de verplichting, bedoeld in het negende lid, wordt de beschikking geacht te zijn vervallen op het tijdstip waarop aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden niet meer wordt voldaan.
|
||||
**3.** De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.
|
||||
|
||||
### Artikel 5a
|
||||
|
||||
**1.** Ten behoeve van eenzelfde gehandicapte vindt artikel 24a van de wet toepassing voor één bestelauto.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Artikel 24a van de wet vindt slechts toepassing indien het verzoek daartoe wordt ingediend bij de inspecteur voor de aanvang van het tijdvak, en
|
||||
|
||||
a. bij het verzoek worden overgelegd:
|
||||
|
||||
– bescheiden waaruit blijkt dat de gehandicapte beschikt over een rolstoel als bedoeld in artikel 24a, eerste lid, van de wet die is verstrekt in het kader van een beschikking ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning of een beschikking van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisaties werk en inkomen, dan wel waarvoor hij beschikt over een verklaring van een arts die is afgegeven ten hoogste zes weken voorafgaand aan de datum van indiening van het verzoek, dat hij voor zijn vervoer is aangewezen op het gebruik van een dergelijke rolstoel;
|
||||
– een afschrift van de kentekencard of van de delen I en II, de delen I en I B of deel I A en B van het kentekenbewijs dat ingevolge artikel 36, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 is afgegeven voor de bestelauto; en
|
||||
b. de bestelauto uitsluitend wordt gebruikt voor het in artikel 24a, eerste lid, van de wet bedoelde vervoer, alsmede voor het persoonlijk gebruik, gebruik door inwonende gezinsleden daaronder begrepen, van de gehandicapte en, in geval dit een ander is, van de houder van de bestelauto.
|
||||
|
||||
**3.** Indien artikel 24a van de wet reeds wordt toegepast voor een andere bestelauto ten behoeve van de gehandicapte en die andere bestelauto wordt vervangen, wordt in het verzoek vermeld vanaf welke datum de bestelauto waarop het verzoek betrekking heeft die andere bestelauto vervangt voor het in artikel 24a, eerste lid, van de wet bedoelde vervoer.
|
||||
|
||||
**4.** De beschikking, bedoeld in artikel 24a, zevende lid, van de wet, werkt terug tot op het tijdstip waarop het verzoek is ingediend, tenzij in de beschikking anders is bepaald.
|
||||
|
||||
**5.** Telkens vóór het einde van het vierde opeenvolgende tijdvak, gerekend vanaf het tijdstip waarop de beschikking van kracht is geworden, wordt een verklaring van de gehandicapte en, in geval dit een ander is, de houder overgelegd dat de bestelauto uitsluitend wordt gebruikt voor het in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde gebruik en dat de bestelauto niet in een zodanige staat is gebracht, anders dan door een aanpassing als bedoeld in het artikel 24a, tweede lid,van de wet, dat het een personenauto is.
|
||||
|
||||
**6.** Indien niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden en beperkingen voor de toepassing van artikel 24a van de wet, trekt de inspecteur de beschikking in. De intrekking geschiedt bij voor bezwaar vatbare beschikking. Indien degene aan wie de beschikking is verleend niet voldoet aan de verplichting bedoeld in artikel 17, tweede lid, of artikel 24a, vierde lid, van de wet, wordt de beschikking geacht te zijn vervallen op het tijdstip waarop niet langer aan de voorwaarden en beperkingen van artikel 24a van de wet wordt voldaan.
|
||||
|
||||
**7.** In afwijking van het eerste lid kan artikel 24a van de wet voor twee bestelauto’s worden toegepast, indien naar het oordeel van de inspecteur in het belang van de gehandicapte redelijkerwijs niet kan worden volstaan met het toepassen van artikel 24a van de wet voor één bestelauto.
|
||||
|
||||
### Artikel 5b
|
||||
|
||||
**1.** Artikel 25*b* van de wet vindt toepassing voor een motorrijtuig dat wordt gebruikt in de uitoefening van de detailhandel en dat is voorzien van een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte die blijvend is ingericht als winkel en uitsluitend als zodanig wordt gebruikt, indien met het motorrijtuig niet wordt gereden op autowegen en autosnelwegen.
|
||||
|
||||
**2.** De toepassing van artikel 25*b* van de wet vindt plaats op verzoek.
|
||||
|
|
@ -142,31 +87,50 @@ b. de bestelauto uitsluitend wordt gebruikt voor het in artikel 24a, eerste lid,
|
|||
|
||||
Artikel 30 van de wet vindt toepassing voor
|
||||
|
||||
a. een motorrijtuig dat wordt gebruikt voor het vervoer van kermis- of circusbenodigdheden: indien het motorrijtuig uitsluitend als zodanig wordt gebruikt en wordt gehouden door een kermis- of circusexploitant;
|
||||
b. een motorrijtuig dat is ingericht als werktuig: indien het motorrijtuig als zodanig uiterlijk herkenbaar is, het als zodanig wordt gebruikt op vaste plaatsen en daarmee niet meer dan zestig dagen gedurende iedere opeenvolgende periode van vier aaneengesloten tijdvakken na het eerste tijdvak waarop artikel 30, eerste lid, van de wet van toepassing is, dan wel, in het geval een kortere vrijstellingsperiode van toepassing is, niet meer dan vijftien dagen per tijdvak van de weg gebruik wordt gemaakt en het gebruik uitsluitend dient voor de verplaatsing naar een andere werkplek;
|
||||
c. een motorrijtuig dat is ingericht als werkplaats: indien het motorrijtuig is voorzien van een laadruimte waarin permanent een werkbank is aangebracht, het met het oog op de te verrichten werkzaamheden noodzakelijke gereedschap permanent daarin aanwezig is, het motorrijtuig uitsluitend als zodanig wordt gebruikt en daarmee niet meer dan zestig dagen gedurende iedere opeenvolgende periode van vier aaneengesloten tijdvakken na het eerste tijdvak waarop artikel 30, eerste lid, van de wet van toepassing is, dan wel, in het geval een kortere vrijstellingsperiode van toepassing is, niet meer dan vijftien dagen per tijdvak van de weg gebruik wordt gemaakt en het gebruik uitsluitend dient voor de verplaatsing naar een andere werkplek.
|
||||
a. een motorrijtuig dat in de uitoefening van een bedrijf, niet zijnde een lease- of verhuurbedrijf van motorrijtuigen, wordt gebruikt als reserve-motorrijtuig: indien het motorrijtuig een toegestane maximum massa heeft van ten hoogste 11.000 kg dan wel de richtlijn niet op het motorrijtuig van toepassing is, het motorrijtuig beschikbaar wordt gehouden voor vervanging van motorrijtuigen van dezelfde soort in gevallen van noodzakelijk herstel of onderhoud van die motorrijtuigen of van plotseling optredende bedrijfsdrukte en daarmee uitsluitend in deze gevallen niet meer dan zestig dagen gedurende de vier aaneengesloten tijdvakken waarover belasting wordt betaald gebruik van de weg wordt gemaakt;
|
||||
b. een motorrijtuig dat wordt gebruikt voor het vervoer van kermis- of circusbenodigdheden: indien het motorrijtuig wordt gehouden door een kermis- of circusexploitant, uitsluitend als zodanig wordt gebruikt en daarmee niet meer dan zestig dagen gedurende de vier aaneengesloten tijdvakken waarover belasting wordt betaald gebruik van de weg wordt gemaakt;
|
||||
c. een motorrijtuig dat is ingericht als werktuig: indien het motorrijtuig als zodanig uiterlijk herkenbaar is, het als zodanig wordt gebruikt op vaste plaatsen en daarmee niet meer dan zestig dagen gedurende de vier aaneengesloten tijdvakken waarover belasting wordt betaald van de weg gebruik wordt gemaakt en het gebruik uitsluitend dient voor de verplaatsing naar een andere werkplek;
|
||||
d. een motorrijtuig dat is ingericht als werkplaats: indien het motorrijtuig is voorzien van een laadruimte waarin permanent een werkbank is aangebracht, het met het oog op de te verrichten werkzaamheden noodzakelijke gereedschap permanent daarin aanwezig is, het motorrijtuig uitsluitend als zodanig wordt gebruikt en daarmee niet meer dan zestig dagen gedurende de vier aaneengesloten tijdvakken waarover belasting wordt betaald van de weg gebruik wordt gemaakt en het gebruik uitsluitend dient voor de verplaatsing naar een andere werkplek;
|
||||
e. een motorrijtuig dat wordt gebruikt als verhuiswagen: indien het motorrijtuig een toegestane maximum massa heeft van ten hoogste 11.000 kg, wordt gehouden door een verhuisondernemer, uitsluitend als zodanig wordt gebruikt en daarmee niet meer dan zestig dagen gedurende de vier aaneengesloten tijdvakken waarover belasting wordt betaald gebruik van de weg wordt gemaakt;
|
||||
f. een motorrijtuig dat is ingericht voor bijzondere, niet geregeld voorkomende transporten: indien aan de hand van bescheiden wordt aangetoond dat het motorrijtuig als zodanig is ingericht en daarmee niet meer dan zestig dagen gedurende de vier aaneengesloten tijdvakken waarover de belasting wordt betaald gebruik van de weg wordt gemaakt;
|
||||
g. een motorrijtuig dat is ingericht voor het vervoer van paarden: indien het motorrijtuig uitsluitend niet-beroepsmatig ten behoeve van de paardensport wordt gebruikt, de houder van het motorrijtuig een verklaring overlegt waaruit dit blijkt en met het motorrijtuig niet meer dan zestig dagen gedurende de vier aaneengesloten tijdvakken waarover belasting wordt betaald gebruik van de weg wordt gemaakt.
|
||||
|
||||
**2.** De toepassing van artikel 30, eerste lid, van de wet vindt plaats op verzoek.
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
**3.** Het verzoek wordt bij de inspecteur ingediend voor de aanvang van het eerste tijdvak waarover om de toepassing van artikel 30, eerste lid, van de wet wordt verzocht.
|
||||
Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onderdeel *a*, komen in aanmerking:
|
||||
|
||||
**4.** Bij het verzoek worden bescheiden overgelegd waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden, alsmede een opgave van het kenteken van het motorrijtuig.
|
||||
- één motorrijtuig op een wagenpark van meer dan drie motorrijtuigen van dezelfde soort;
|
||||
- twee motorrijtuigen op een wagenpark van meer dan negen motorrijtuigen van dezelfde soort;
|
||||
- drie motorrijtuigen op een wagenpark van meer dan vierentwintig motorrijtuigen van dezelfde soort;
|
||||
- vier motorrijtuigen op een wagenpark van meer dan negenenveertig motorrijtuigen van dezelfde soort en vervolgens één motorrijtuig op elke vijftig motorrijtuigen van dezelfde soort.
|
||||
|
||||
**5.** Wanneer een motorrijtuig niet meer voldoet aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden doet de belastingplichtige daarvan opgaaf aan de inspecteur.
|
||||
**3.** De toepassing van artikel 30, eerste en tweede lid, van de wet vindt plaats op verzoek.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
**4.** Het verzoek wordt bij de inspecteur ingediend voor de aanvang van de vier aaneengesloten tijdvakken waarover de belasting wordt betaald.
|
||||
|
||||
**5.** Bij het verzoek worden bescheiden overgelegd waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de in het eerste en tweede lid gestelde voorwaarden, alsmede een opgave van het kenteken van het motorrijtuig.
|
||||
|
||||
**6.** Bij het verzoek wordt een verklaring overgelegd dat voor motorrijtuigen die niet meer voldoen aan de in het eerste en tweede lid gestelde voorwaarden een opgaaf aan de inspecteur zal worden gedaan.
|
||||
|
||||
**7.**
|
||||
|
||||
De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.
|
||||
|
||||
Tenzij in de beschikking anders is bepaald, werkt deze terug tot op het tijdstip waarop het eerste tijdvak aanvangt waarop het verzoek betrekking heeft.
|
||||
Tenzij in de beschikking anders is bepaald, werkt deze terug tot op het tijdstip waarop de vier aaneengesloten tijdvakken aanvangen waarop het verzoek betrekking heeft.
|
||||
|
||||
**7.** Indien aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden niet langer wordt voldaan, trekt de inspecteur de beschikking in. De intrekking geschiedt bij voor bezwaar vatbare beschikking.
|
||||
**8.** Indien aan de in het eerste en tweede lid bedoelde voorwaarden niet langer wordt voldaan, trekt de inspecteur de beschikking in. De intrekking geschiedt bij voor bezwaar vatbare beschikking.
|
||||
|
||||
**8.** Indien degene aan wie de beschikking is verleend niet voldoet aan de verplichting bedoeld in het vijfde lid, wordt de beschikking geacht te zijn vervallen op het tijdstip waarop aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden niet meer wordt voldaan.
|
||||
**9.** Indien degene aan wie de beschikking is verleend niet voldoet aan de verplichting bedoeld in het zesde lid, wordt de beschikking geacht te zijn vervallen op het tijdstip waarop aan de in het eerste en tweede lid gestelde voorwaarden niet meer wordt voldaan.
|
||||
|
||||
**10.** De houder van een motorrijtuig waarop de voorwaarde van het gebruik van de weg op niet meer dan zestig dagen gedurende de vier aaneengesloten tijdvakken waarover de belasting wordt betaald, van toepassing is, is verplicht aantekening te houden van de dagen waarop gebruik van de weg wordt gemaakt, alsmede van het aantal kilometers dat op de desbetreffende dagen is gereden.
|
||||
|
||||
### Artikel 7
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** Artikel 50 van de wet vindt toepassing voor een autobus die in de uitoefening van een bedrijf, niet zijnde een lease- of verhuurbedrijf van motorrijtuigen, wordt gebruikt als reserve-motorrijtuig: indien de autobus beschikbaar wordt gehouden voor vervanging van motorrijtuigen van dezelfde soort in gevallen van noodzakelijk herstel of onderhoud van die motorrijtuigen of van plotseling optredende bedrijfsdrukte en daarmee uitsluitend in deze gevallen niet meer dan zestig dagen gedurende het tijdvak van twaalf maanden waarover belasting wordt betaald gebruik van de weg wordt gemaakt.
|
||||
|
||||
**2.** De toepassing van artikel 50, eerste lid, van de wet vindt plaats op verzoek.
|
||||
|
||||
**3.** Artikel 6, tweede lid, en vierde tot en met tiende lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk IIIA. Bedrijfsvoertuigenpark
|
||||
|
||||
|
|
@ -174,17 +138,18 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
De inspecteur verleent een vergunning voor een bedrijfsvoertuigenpark onder de nadere voorwaarden en beperkingen dat:
|
||||
|
||||
a. tot het bedrijfsvoertuigenpark geen vrachtauto’s behoren ten aanzien waarvan artikel 25b van de wet, artikel 30 van de wet of een vrijstelling als bedoeld in hoofdstuk VIII van de wet van toepassing is;
|
||||
b. vervallen;
|
||||
a. tot het bedrijfsvoertuigenpark geen vrachtauto’s behoren ten aanzien waarvan artikel 25*b* van de wet, artikel 30 van de wet of een vrijstelling als bedoeld in hoofdstuk VI van de wet van toepassing is;
|
||||
b. een aanhangwagen die behoort tot een bedrijfsvoertuigenpark is voorzien van een nummerplaat die is ingericht en aangebracht volgens bij ministeriële regeling te stellen regels dan wel voor de aanhangwagen een kenteken is opgegeven krachtens de Wegenverkeerswet 1994;
|
||||
c. het verzoek tijdig is ingediend, tezamen met de overeenkomstig ministeriële regeling vereiste gegevens;
|
||||
d. de inspecteur niet in de drie jaren, voorafgaand aan het verzoek om een vergunning, een eerder aan de aanvrager verleende vergunning heeft ingetrokken op de voet van artikel 37b, vijfde lid, aanhef en onderdelen a of b, van de wet;
|
||||
e. de houder schriftelijk verklaart wijzigingen met betrekking tot de in het bedrijfsvoertuigenpark opgenomen vrachtauto’s en aanhangwagens aan de inspecteur te melden.
|
||||
d. de samenstelling van het bedrijfsvoertuigenpark niet zodanig is dat ingevolge artikel 37c, tweede lid, van de wet geen teruggaaf zal kunnen plaatsvinden;
|
||||
e. de inspecteur niet in de drie jaren, voorafgaand aan het verzoek om een vergunning, een eerder aan de aanvrager verleende vergunning heeft ingetrokken op de voet van artikel 37b, vijfde lid, aanhef en onderdelen a of b, van de wet;
|
||||
f. de houder schriftelijk verklaart wijzigingen met betrekking tot de in het bedrijfsvoertuigenpark opgenomen vrachtauto’s en aanhangwagens aan de inspecteur te melden.
|
||||
|
||||
### Artikel 7b
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De vergunning, bedoeld in artikel 37b van de wet, kan slechts op verzoek worden gewijzigd indien gedurende het jaar waarvoor zij is afgegeven:
|
||||
De vergunning, bedoeld in artikel 37a van de wet kan slechts op verzoek worden gewijzigd indien gedurende het jaar waarvoor zij is afgegeven:
|
||||
|
||||
a. een vrachtauto, behorende tot het bedrijfsvoertuigenpark, wordt verkocht, gesloopt of definitief naar het buitenland wordt overgebracht;
|
||||
b. een vrachtauto, anders dan bedoeld in onderdeel a, uit het bedrijfsvoertuigenpark wordt genomen, met dien verstande dat de vrachtauto voor de berekening van de teruggaaf krachtens artikel 37c van de wet wordt geacht gedurende het jaar geen deel te hebben uitgemaakt van het bedrijfsvoertuigenpark;
|
||||
|
|
@ -201,26 +166,18 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 8
|
||||
|
||||
De in artikel 71, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet bedoelde vrijstelling wordt slechts verleend indien:
|
||||
Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die zijn ingericht en uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van zieken en gewonden en die als zodanig uiterlijk herkenbaar zijn, wordt verleend indien:
|
||||
|
||||
a. de personenauto ingericht is voor het vervoeren van zieken of gewonden en uiterlijk herkenbaar is als ambulance;.
|
||||
b. de personenauto wordt gebruikt:
|
||||
|
||||
1°. door de Regionale Ambulancevoorziening, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet ambulancezorgvoorzieningen;
|
||||
2°. bij de ambulancezorg waarvoor op grond van artikel 20 van de Wet ambulancezorgvoorzieningen vrijstelling is verleend;
|
||||
3°. als wensambulance voor het vervoer van ernstig zieken of zwaar gehandicapten in verband met het in vervulling laten gaan van een, doorgaans laatste, wens van sociale of recreatieve aard;
|
||||
4°. door het Nederlandse Rode Kruis voor vervoer van personen die geen medische zorg behoeven en van wie de gezondheidstoestand door het vervoer niet negatief zal worden beïnvloed, uitsluitend voor zover dit betreft vervoer in verband met bezoek aan religieuze, culturele, recreatieve, sociale of soortgelijke gebeurtenissen;
|
||||
5°. als ambulance van ziekenhuizen voor het vervoer van patiënten op het ziekenhuisterrein; of
|
||||
6°. als bedrijfsambulance voor het vervoer van zieken en gewonden op het bedrijfsterrein; en
|
||||
|
||||
c. de personenauto uitsluitend wordt gebruikt voor het vervoer van zieken of gewonden of het verlenen van spoedeisende medische hulp.
|
||||
a. zij voldoen aan de bepalingen gesteld in het Eisenbesluit ambulancevervoer; en
|
||||
b. een vergunning is verleend op de voet van artikel 2 van de Wet ambulancevervoer, dan wel het motorrijtuig behoort tot de in artikel 17*a* van die wet bedoelde categorieën van ambulancevervoer.
|
||||
|
||||
### Artikel 9
|
||||
|
||||
Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die zijn ingericht en uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van een stoffelijk overschot, wordt verleend indien:
|
||||
|
||||
a. direct achter de bestuurderszitplaats een vaste wand is aangebracht over de gehele breedte van het motorrijtuig; en
|
||||
b. de achterruimte niet is voorzien van zitplaatsen en veiligheidsgordels.
|
||||
a. direct achter de bestuurderszitplaats een vaste wand is aangebracht over de gehele breedte van het motorrijtuig;
|
||||
b. de achterruimte niet is voorzien van zitplaatsen en veiligheidsgordels; en
|
||||
c. de achterruimte geheel is voorzien van een verhoogde laadvloer.
|
||||
|
||||
### Artikel 10
|
||||
|
||||
|
|
@ -233,13 +190,17 @@ d. voorzieningen voor vervoer en verzorging van zieke of gewonde dieren.
|
|||
|
||||
### Artikel 11
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die worden gehouden door een museum als historisch exemplaar of daaraan als zodanig in bruikleen zijn afgestaan wordt verleend, indien:
|
||||
|
||||
a. wordt aangetoond dat de motorrijtuigen als zodanig worden gehouden; en
|
||||
b. met de motorrijtuigen geen gebruik van de weg wordt gemaakt anders dan in het kader van vooraf bij de inspecteur aangemelde bijzondere gelegenheden.
|
||||
|
||||
### Artikel 12
|
||||
|
||||
**1.** De vrijstelling van belasting, bedoeld in artikel 72, eerste lid, onderdeel b, van de wet wordt verleend, respectievelijk het overgangsrecht oudere motorrijtuigen, bedoeld in hoofdstuk XA van de wet, wordt toegepast, indien de ingevolge die bepaling respectievelijk dat hoofdstuk vereiste ouderdom, respectievelijk het tijdstip van eerste ingebruikneming, blijkt uit het kentekenregister, dan wel deze ouderdom of dit tijdstip aan de hand van bescheiden wordt aangetoond.
|
||||
Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die 25 jaar en ouder zijn, wordt verleend indien:
|
||||
|
||||
**2.** De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, wordt voor zover het vrachtauto’s en autobussen betreft slechts verleend, indien de houder van het motorrijtuig een verklaring overlegt dat het motorrijtuig uitsluitend niet-bedrijfsmatig wordt gebruikt.
|
||||
a. uit het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens blijkt dat het desbetreffende motorrijtuig ten minste 25 jaar oud is, dan wel aan de hand van bescheiden zulks wordt aangetoond; en
|
||||
b. voor zover het andere motorrijtuigen betreft, de houder van het motorrijtuig een verklaring overlegt dat het motorrijtuig uitsluitend wordt gebruikt voor andere doeleinden dan het bedrijfsmatig vervoeren van personen of goederen.
|
||||
|
||||
### Artikel 13
|
||||
|
||||
|
|
@ -249,10 +210,15 @@ Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die uitsluitend worden gebruikt v
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die uitsluitend worden gebruikt door de politie wordt verleend indien:
|
||||
Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die uitsluitend worden gebruikt door de politie en als zodanig uiterlijk herkenbaar zijn, wordt verleend indien:
|
||||
|
||||
a. het motorrijtuig is geregistreerd op naam van een politie-instantie; en
|
||||
b. het motorrijtuig uitsluitend wordt gebruikt door politie-ambtenaren voor de uitoefening van hun politietaak.
|
||||
a. het motorrijtuig is geregistreerd op naam van een politie-instantie;
|
||||
b. het motorrijtuig is voorzien van:
|
||||
|
||||
- een tweetonige hoorn;
|
||||
- een duidelijk zichtbaar blauw zwaai- of knipperlicht; en
|
||||
- ten minste aan weerszijden één of meer duidelijk zichtbare afbeeldingen van het politielogo, bedoeld in de Regeling politielogo; en
|
||||
c. het motorrijtuig uitsluitend wordt gebruikt door politie-ambtenaren voor de uitoefening van hun politietaak.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -266,26 +232,37 @@ b. het motorrijtuig is voorzien van:
|
|||
- ten minste aan weerszijden één of meer duidelijk zichtbare afbeeldingen van een brandweerembleem dan wel in voorkomend geval een gemeentewapen, welke afbeeldingen alle een oppervlakte hebben van ten minste 314 cm²; en
|
||||
c. het motorrijtuig uitsluitend wordt gebruikt door brandweerlieden voor de uitoefening van hun brandweertaak.
|
||||
|
||||
**3.** Onder brandweer-instantie wordt mede begrepen een aangewezen inrichting als bedoeld in artikel 31 van de Wet veiligheidsregio’s.
|
||||
**3.** Onder brandweer-instantie wordt mede begrepen een bedrijf dat beschikt over een eigen bedrijfsbrandweer.
|
||||
|
||||
### Artikel 15
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die zijn ingericht en uitsluitend worden gebruikt als uitleenbureau van openbare leeszalen en bibliotheken, wordt verleend indien:
|
||||
|
||||
a. het motorrijtuig uiterlijk als zodanig herkenbaar is aan afbeeldingen of opschriften aan de buitenzijde van het motorrijtuig;
|
||||
b. het kenteken van het motorrijtuig op naam van een natuurlijke of rechtspersoon waarvan de werkzaamheid uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bestaat uit het in stand houden van openbare leeszalen en bibliotheken, is ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens; en
|
||||
c. de houder een verklaring overlegt dat het motorrijtuig is ingericht en uitsluitend wordt gebruikt voor het in de aanhef genoemde doel.
|
||||
|
||||
### Artikel 16
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die uitsluitend worden gebruikt voor schooltandverzorging, de keuringsdienst van waren of de vleeskeuringsdienst wordt verleend indien:
|
||||
|
||||
a. het kenteken van het motorrijtuig op naam van een openbaar lichaam is ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens;
|
||||
b. het motorrijtuig specifiek is ingericht voor de in de aanhef genoemde doeleinden; en
|
||||
c. het openbaar lichaam een verklaring overlegt dat het motorrijtuig uitsluitend wordt gebruikt voor het in de aanhef genoemde gebruik.
|
||||
|
||||
### Artikel 17
|
||||
|
||||
Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die zijn ingericht en uitsluitend worden gebruikt als vuilniswagen, kolkenzuiger of straatveegwagen wordt verleend indien:
|
||||
|
||||
a. het motorrijtuig te naam is gesteld in het kentekenregister op naam van een openbaar lichaam of van een bedrijf dat zich bezighoudt met werkzaamheden waarbij deze motorrijtuigen worden ingezet; en
|
||||
a. het kenteken van het motorrijtuig op naam van een openbaar lichaam of van een bedrijf dat zich bezighoudt met werkzaamheden waarbij deze motorrijtuigen worden ingezet, is ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens; en
|
||||
b. de houder van het motorrijtuig een verklaring overlegt dat het motorrijtuig is ingericht en uitsluitend wordt gebruikt als een in de aanhef genoemd motorrijtuig.
|
||||
|
||||
### Artikel 18
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die zijn ingericht en uitsluitend worden gebruikt voor het vervoer van voor vernietiging bestemde dieren wordt verleend indien:
|
||||
|
||||
a. het kenteken van het motorrijtuig op naam van een openbaar lichaam is ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens; en
|
||||
b. het openbaar lichaam een verklaring overlegt dat het motorrijtuig is ingericht en uitsluitend wordt gebruikt voor het in de aanhef genoemde vervoer.
|
||||
|
||||
### Artikel 19
|
||||
|
||||
|
|
@ -296,7 +273,11 @@ b. een verklaring overlegt dat het motorrijtuig is ingericht en uitsluitend word
|
|||
|
||||
### Artikel 20
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die zijn ingericht voor het gebruik elders dan op wegen en uitsluitend worden gebruikt voor het landbouw- of het bosbouwbedrijf wordt verleend indien:
|
||||
|
||||
a. de houder van het motorrijtuig zich bezighoudt met landbouw of bosbouw;
|
||||
b. met het motorrijtuig uitsluitend gebruik van de weg wordt gemaakt voor de verplaatsing naar een andere werkplek of voor het vervoer van landbouw- of bosbouwprodukten tussen de desbetreffende landbouw- of bosbouwterreinen en bedrijfsgebouwen van het desbetreffende landbouw- of bosbouwbedrijf; en
|
||||
c. de houder een verklaring overlegt dat het motorrijtuig is ingericht en uitsluitend wordt gebruikt voor de in de aanhef bedoelde doeleinden met inachtneming van onderdeel *b*.
|
||||
|
||||
### Artikel 21
|
||||
|
||||
|
|
@ -313,75 +294,55 @@ Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen waarmee met het oog op een ingevo
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die blijkens een ingevolge de Wet personenvervoer of de Wet personenvervoer 2000 afgegeven vergunning, dan wel voor zover afgegeven een vergunningbewijs, zijn bestemd om daarmee als personenauto openbaar vervoer of taxivervoer te verrichten en daarvoor geheel of nagenoeg geheel worden gebruikt, wordt verleend indien worden overgelegd:
|
||||
Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die blijkens een ingevolge de Wet personenvervoer of de Wet personenvervoer 2000 afgegeven vergunning, dan wel voor zover afgegeven een vergunningbewijs, zijn bestemd om daarmee als personenauto openbaar vervoer of taxivervoer te verrichten en daarvoor geheel of nagenoeg geheel worden gebruikt, wordt verleend indien:
|
||||
|
||||
a. een afschrift van de vergunning of van het vergunningbewijs;
|
||||
b. een afschrift van de kentekencard of van de delen I en II, de delen I en I B of deel I A en B van het kentekenbewijs dat ingevolge artikel 36, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 is afgegeven voor het motorrijtuig; en
|
||||
c. een verklaring van de exploitant van het motorrijtuig dat het motorrijtuig geheel of nagenoeg geheel wordt gebruikt voor het verrichten van openbaar vervoer of taxivervoer in de zin van de Wet personenvervoer 2000.
|
||||
a. een afschrift van de vergunning of van het vergunningbewijs wordt overgelegd;
|
||||
b. een afschrift van de delen I en II van het kentekenbewijs dat is afgegeven voor het motorrijtuig wordt overgelegd; en
|
||||
c. een verklaring wordt overgelegd van de exploitant van het motorrijtuig dat het motorrijtuig geheel of nagenoeg geheel wordt gebruikt voor het verrichten van openbaar vervoer of taxivervoer in de zin van de Wet personenvervoer 2000.
|
||||
|
||||
**2.** Op een met de inspecteur afgesproken tijdstip worden jaarlijks een afschrift als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en een verklaring als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, overgelegd.
|
||||
**2.** Telkens vóór het einde van het vierde opeenvolgende tijdvak, gerekend vanaf het tijdstip waarop de vrijstelling van kracht is geworden, worden een afschrift als bedoeld in het eerste lid, onderdeel *a*, en een verklaring als bedoeld in het eerste lid, onderdeel *c*, overgelegd.
|
||||
|
||||
### Artikel 24
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die zijn geregistreerd in het buitenland en in Nederland feitelijk ter beschikking staan van natuurlijke personen die hun hoofdverblijf buiten Nederland hebben, wordt verleend, indien aannemelijk wordt gemaakt dat het gebruik in Nederland van incidentele aard is.
|
||||
|
||||
### Artikel 25
|
||||
|
||||
Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die zijn geregistreerd in het buitenland en door een aldaar gevestigde werkgever ter beschikking zijn gesteld aan een als werknemer bij hem in dienst zijnde in Nederland wonende persoon, wordt verleend indien:
|
||||
|
||||
a. met het motorrijtuig in Nederland uitsluitend gebruik wordt gemaakt van de weg door de werknemer of zijn inwonende gezinsleden;
|
||||
b. de werkgever blijkens een schriftelijke verklaring te kennen heeft gegeven dat het motorrijtuig door hem aan belanghebbende ter beschikking is gesteld en hoofdzakelijk is bestemd voor de uitvoering van de werkzaamheden buiten Nederland; en
|
||||
a. het motorrijtuig hoofdzakelijk is bestemd voor de uitoefening van de werkzaamheden van de werknemer buiten Nederland, alsmede voor persoonlijk gebruik, gebruik door inwonende gezinsleden daaronder begrepen;
|
||||
b. de werkgever blijkens een schriftelijke verklaring heeft toegestaan dat het motorrijtuig mede voor persoonlijk gebruik wordt aangewend; en
|
||||
c. de werknemer als gevolg van de arbeidsverhouding tussen hem en zijn werkgever in beginsel geen invloed kan uitoefenen op de beslissing in welk land het motorrijtuig wordt geregistreerd.
|
||||
|
||||
### Artikel 26
|
||||
|
||||
Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die zijn geregistreerd in het buitenland en die worden gebruikt door Nederlands ingezetenen die elders dan in Nederland hoofd zijn van een eenmansbedrijf, lid zijn van een maatschap, of bestuurder, vennoot of aandeelhouder zijn van een onderneming, opgericht in de vorm van een vennootschap, wordt verleend indien:
|
||||
|
||||
a. met het motorrijtuig in Nederland uitsluitend gebruik wordt gemaakt van de weg door de Nederlands ingezetene of zijn inwonende gezinsleden; en
|
||||
b. het motorrijtuig blijkens een kilometerregistratie voor ten minste 50% zakelijk buiten Nederland wordt gebruikt; het zakelijk gebruik buiten Nederland wordt per kalenderjaar bepaald, waarbij de afstand die wordt overbrugd van de woonplaats naar de in het buitenland gelegen werkplaats en omgekeerd buiten beschouwing blijft; en
|
||||
a. het motorrijtuig uitsluitend wordt gebruikt door de houder;
|
||||
b. uitsluitend de afstand van de woonplaats naar de in het buitenland gelegen werkplaats en omgekeerd wordt overbrugd; en
|
||||
c. de houder niet een werknemer is als bedoeld in artikel 25.
|
||||
|
||||
### Artikel 26a
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen die zijn geregistreerd in het buitenland en in Nederland ten hoogste twee weken feitelijk ter beschikking staan van een houder die in Nederland zijn hoofdverblijf heeft of is gevestigd, wordt verleend indien:
|
||||
|
||||
a. het motorrijtuig vanuit het andere land in Nederland ter beschikking staat van de houder, indien van toepassing daaronder begrepen zijn inwonende gezinsleden;
|
||||
b. de houder, indien van toepassing daaronder begrepen zijn inwonende gezinsleden, met het motorrijtuig geen gebruik heeft gemaakt van de weg in Nederland in de twaalf maanden voorafgaand aan de periode van terbeschikkingstelling in Nederland; en
|
||||
c. een beroep op de vrijstelling wordt gedaan vóór aanvang van het gebruik van de weg met het motorrijtuig in Nederland, door middel van een elektronische melding.
|
||||
|
||||
**2.** Ingeval voor het motorrijtuig een beroep wordt gedaan op de vrijstelling van belasting van personenauto’s en motorrijwielen ingevolge artikel 3a van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, geldt dit mede als een beroep op de vrijstelling ingevolge het eerste lid, onderdeel c.
|
||||
|
||||
**3.** Indien voor een motorrijtuig waarvoor een beroep op de vrijstelling is gedaan niet of niet langer wordt voldaan aan een in het eerste lid genoemde voorwaarde, stelt degene aan wie de vrijstelling is verleend, de inspecteur daarvan onverwijld in kennis.
|
||||
|
||||
**4.** Indien de houder of een inwonend gezinslid van de houder met het motorrijtuig opnieuw gebruikmaakt van de weg in Nederland in de vijftig weken volgend op de periode van twee weken waarvoor vrijstelling van belasting als bedoeld in het eerste lid werd verleend, vangt, in afwijking in zoverre van artikel 13, eerste lid, van de wet, het tijdvak aan met ingang van de eerste dag van het gebruik van de weg na het verstrijken van die vrijstelling tenzij wordt aangetoond met ingang van welke dag het in het buitenland geregistreerd motorrijtuig in Nederland ter beschikking heeft gestaan in welk geval het tijdvak aanvangt met die datum.
|
||||
|
||||
**5.** Indien het beroep op de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, daaronder begrepen een beroep op de vrijstelling als bedoeld in het tweede lid, elektronisch wordt ingetrokken vóór de dag waarop volgens het elektronische beroep op de vrijstelling het gebruik in Nederland van de weg aanvangt, geldt het beroep als niet gedaan.
|
||||
|
||||
### Artikel 27
|
||||
|
||||
**1.** De vrijstellingen, bedoeld in de artikelen 8 tot en met 10, 13, 14, 17, 19, 21, 23, 25 en 26, worden op verzoek verleend. De vrijstelling, bedoeld in artikel 12, wordt voor vrachtauto’s en autobussen op verzoek verleend, indien de houder van het motorrijtuig niet reeds een verklaring als bedoeld in artikel 12, tweede lid, heeft overgelegd.
|
||||
**1.** De vrijstellingen, bedoeld in de artikelen 8 tot en met 26 worden op verzoek verleend.
|
||||
|
||||
**2.** Ingeval voor een motorrijtuig een verzoek wordt ingediend om vrijstelling van de belasting van personenauto’s en motorrijwielen ingevolge artikel 2 of artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, geldt dit verzoek mede als verzoek om toepassing van de vrijstelling ingevolge artikel 25 onderscheidenlijk artikel 26 van dit besluit.
|
||||
**2.** Het verzoek wordt bij de inspecteur ingediend vóór de aanvang van het tijdvak, dan wel van het gebruik van de weg in Nederland met het motorrijtuig.
|
||||
|
||||
**3.** Het verzoek wordt bij de inspecteur ingediend vóór de aanvang van het tijdvak, onderscheidenlijk van het gebruik van de weg in Nederland met het motorrijtuig.
|
||||
**3.** Bij het verzoek worden de in de artikelen 8 tot en met 26 bedoelde opgaven, verklaringen en bescheiden overgelegd, alsmede een opgave van het kenteken van het motorrijtuig.
|
||||
|
||||
**4.** Bij het verzoek worden de bescheiden die van belang zijn voor de toepassing van de vrijstelling overgelegd, alsmede een opgave van het kenteken van het motorrijtuig.
|
||||
**4.** Bij het verzoek wordt een verklaring overgelegd dat voor motorrijtuigen die niet meer voldoen aan in de artikelen 8 tot en met 26 gestelde voorwaarden of omstandigheden, dan wel - voor zover het andere motorrijtuigen betreft - worden afgestoten, een opgaaf aan de inspecteur zal worden gedaan.
|
||||
|
||||
**5.** De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. De vrijstelling werkt, tenzij in de beschikking anders is bepaald, terug tot op het tijdstip waarop het verzoek is ingediend.
|
||||
|
||||
**6.** Indien niet of niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden van de vrijstelling, of indien het motorrijtuig wordt afgestoten, stelt degene aan wie de vrijstelling is verleend, de inspecteur daarvan onverwijld in kennis.
|
||||
**6.** Indien de in het vierde lid bedoelde voorwaarden of omstandigheden zich niet langer voordoen, trekt de inspecteur de vrijstelling in. De intrekking geschiedt bij voor bezwaar vatbare beschikking.
|
||||
|
||||
**7.** Indien niet langer aan de voorwaarden van de vrijstelling wordt voldaan, trekt de inspecteur de vrijstelling in bij voor bezwaar vatbare beschikking.
|
||||
**7.** Indien degene aan wie de vrijstelling is verleend niet voldoet aan de verplichting bedoeld in het vierde lid, wordt de vrijstelling geacht te zijn vervallen op het tijdstip waarop de in de artikelen 8 tot en met 26 bedoelde voorwaarden of omstandigheden zich niet meer voordoen.
|
||||
|
||||
**8.** Indien degene aan wie de vrijstelling is verleend niet voldoet aan de verplichting, bedoeld in het zesde lid, vervalt de vrijstelling op het tijdstip waarop niet langer aan de voorwaarden van de vrijstelling wordt voldaan.
|
||||
|
||||
**9.** Bij beëindiging van de vrijstelling wordt de belasting verschuldigd over het resterende gedeelte van het lopende tijdvak, met dien verstande dat voor motorrijtuigen die niet zijn geregistreerd in het register, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet, de belasting verschuldigd wordt vanaf de dag waarop de vrijstelling is beëindigd.
|
||||
**8.** Bij beëindiging van de vrijstelling geldt als kort tijdvak waarover de belasting moet worden betaald, het tijdvak dat aanvangt met ingang van de dag waarop de vrijstelling is opgeheven en dat eindigt met de dag voorafgaande aan de eerste dag van het tijdvak met ingang waarvan de belasting voor het eerst na beëindiging van die vrijstelling moet worden betaald op de voet van artikel 11, eerste lid, van de wet.
|
||||
|
||||
### Artikel 28
|
||||
|
||||
**1.** Vrijstelling van een gedeelte van de belasting voor motorrijtuigen die worden gebezigd in het gecombineerde rail-wegvervoer van goederen tussen lid-staten van de Europese Unie wordt verleend indien de toepasselijkheid van de vrijstelling blijkt uit boeken en bescheiden.
|
||||
**1.** Vrijstelling van een gedeelte van de belasting voor motorrijtuigen, alsmede voor voertuigen als bedoeld in artikel 55 van de wet die worden gebezigd in het gecombineerde rail-wegvervoer van goederen tussen lid-staten van de Europese Unie wordt verleend indien de toepasselijkheid van de vrijstelling blijkt uit boeken en bescheiden.
|
||||
|
||||
**2.** Ter vaststelling van het aantal dagen dat het in het eerste lid bedoelde motorrijtuig of voertuig per trein is vervoerd, worden de dag van aanvang en de dag van beëindiging van het vervoer per trein te zamen gerekend één dag te zijn. Indien het aantal dagen dat het motorrijtuig of voertuig in het betrokken tijdvak per trein is vervoerd, minder is dan zestien in een tijdvak van twaalf maanden, of minder dan vier in een tijdvak van drie maanden, wordt de vrijstelling niet verleend.
|
||||
|
||||
|
|
@ -393,59 +354,7 @@ c. een beroep op de vrijstelling wordt gedaan vóór aanvang van het gebruik van
|
|||
|
||||
### Artikel 29
|
||||
|
||||
**1.** Voor motorrijtuigen die zijn geregistreerd in een ander land en die in Nederland feitelijk ter beschikking staan aan natuurlijke personen die hun hoofdverblijf buiten Nederland hebben, wordt, op basis van internationaal recht, vrijstelling van belasting verleend voor de periode, genoemd in dat internationale recht. Natuurlijke personen die niet zijn ingeschreven in de basisregistratie personen, genoemd in artikel 1.2 van de Wet basisregistratie personen, of niet verplicht zijn tot het doen van aangifte van verblijf en adres ingevolge artikel 2.38 van die wet, worden geacht hun hoofdverblijf buiten Nederland te hebben.
|
||||
|
||||
**2.** De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval verleend indien het motorrijtuig incidenteel in Nederland wordt gebruikt. Aan de voorwaarde van incidenteel gebruik wordt voldaan indien het motorrijtuig binnen een periode van twaalf maanden ten hoogste drie maanden al dan niet ononderbroken in Nederland wordt gebruikt.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Voor motorrijtuigen die niet worden gebruikt voor het vervoeren van goederen of personen tegen betaling bedraagt de periode, bedoeld in het eerste lid, voor een houder als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel c, van de wet die zijn hoofdverblijf in een andere lidstaat heeft:
|
||||
|
||||
a. zes maanden al dan niet ononderbroken per tijdvak van twaalf maanden vanaf de dag waarop het gebruik van de weg in Nederland aanvangt indien deze houder het motorrijtuig bezigt voor persoonlijk gebruik;
|
||||
b. de duur van de arbeidsrelatie van de houder indien het motorvoertuig voor het woon-werkverkeer van deze houder wordt gebruikt;
|
||||
c. de duur van de studie van de houder indien hij uitsluitend in Nederland verblijft voor deze studie.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk IVA. Controle
|
||||
|
||||
### Artikel 29a
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister van Financiën is de verwerkingsverantwoordelijke, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PbEU 2016, L 119).
|
||||
|
||||
**2.** De inspecteur kan naast technische hulpmiddelen van de verwerkingsverantwoordelijke technische hulpmiddelen van andere instanties gebruiken of medegebruiken.
|
||||
|
||||
**3.** De verwerkingsverantwoordelijke stelt jaarlijks voor 1 januari een cameraplan vast.
|
||||
|
||||
**4.** Het cameraplan bevat ten minste een opgave van het aantal en de locaties van de vaste technische hulpmiddelen die zijn geplaatst of worden ingezet of die zullen worden geplaatst of zullen worden ingezet in het daaropvolgende jaar. Het cameraplan bevat voorts een opgave van het aantal mobiele technische hulpmiddelen dat kan worden ingezet en de soort locaties waar deze technische hulpmiddelen kunnen worden ingezet. Het cameraplan bevat tevens een motivering van de plaatsing, locaties en inzet van de technische hulpmiddelen waarin de noodzaak van de plaatsing, locaties en inzet wordt onderbouwd.
|
||||
|
||||
**5.** Het cameraplan wordt in de Staatscourant gepubliceerd.
|
||||
|
||||
### Artikel 29b
|
||||
|
||||
Er wordt uitsluitend gebruikgemaakt van technische hulpmiddelen die in staat zijn minimaal 90% van de kentekengegevens die vastgelegd gaan worden op correcte wijze te verwerken.
|
||||
|
||||
### Artikel 29c
|
||||
|
||||
Er worden zodanige maatregelen of voorzieningen getroffen dat slechts gebruik of medegebruik wordt gemaakt van technische hulpmiddelen die zodanig zijn gericht en afgesteld dat zo veel mogelijk wordt voorkomen dat personen of zaken andere zaken dan het betreffende motorrijtuig herkenbaar op een foto-opname staan.
|
||||
|
||||
### Artikel 29d
|
||||
|
||||
**1.** De kentekengegevens worden centraal verwerkt door middel van het technische systeem.
|
||||
|
||||
**2.** De kentekengegevens worden automatisch na zeven werkdagen vernietigd in het technische systeem, overeenkomstig artikel 77a, vijfde lid, van de wet, indien deze vernietiging niet al eerder heeft plaatsgevonden.
|
||||
|
||||
**3.** De verwerkingsverantwoordelijke is belast met het beheer over het technische systeem.
|
||||
|
||||
### Artikel 29e
|
||||
|
||||
Alle wijzigingen in apparatuur, software of procedures die de beveiliging van het technische systeem en de kentekengegevens kunnen beïnvloeden, zijn bekend en beoordeeld door of namens de verwerkingsverantwoordelijke als zijnde aanvaardbaar.
|
||||
|
||||
### Artikel 29f
|
||||
|
||||
De verwerkingsverantwoordelijke laat eenmaal per jaar de uitvoering van de bij of krachtens artikel 77a van de wet gegeven regels door middel van een audit op privacyaspecten controleren.
|
||||
|
||||
### Artikel 29g
|
||||
|
||||
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de technische eisen die worden gesteld aan technische hulpmiddelen en het technische systeem waarin de kentekengegevens worden verwerkt.
|
||||
Vrijstelling van belasting voor motorrijtuigen waarvan de houder niet in Nederland woont of is gevestigd en die zijn ingeschreven in één van de in de bijlage bij dit besluit genoemde landen als toebehorende aan een in dat land wonende of gevestigde houder wordt verleend, met inachtneming van de bij het desbetreffende land vermelde aanwijzingen.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk V. Overgangsbepalingen
|
||||
|
||||
|
|
@ -477,5 +386,3 @@ Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de wet in werking treedt.
|
|||
Dit besluit kan worden aangehaald als Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994.
|
||||
|
||||
## Bijlage
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue