2020-04-01 | BWBR0013800 | Wet op het onderwijstoezicht

This commit is contained in:
Coornhert 2020-04-01 12:00:00 +00:00
parent fd80594175
commit 0da5ef2df9

View file

@ -16,7 +16,7 @@ citeertitel: Wet op het onderwijstoezicht
In deze wet wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voorzover het betreft het onderwijs op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, Onze Minister van Economische Zaken,
a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
b. de inspectie: de Inspectie van het onderwijs,
c. de inspecteur-generaal: de inspecteur-generaal van het onderwijs,
d. onderwijswet:
@ -39,7 +39,7 @@ d. onderwijswet:
e. onderwijs: bij of krachtens een onderwijswet geregeld onderwijs, waaronder mede worden begrepen werkzaamheden als bedoeld in de artikelen 176e, eerste lid, en 176g, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, 162h, eerste lid, en 162j, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra, en 118n, eerste lid, en 118p, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs,
f. voorschoolse educatie: voorschoolse educatie als bedoeld in de artikel 1.1, eerste lid, van de Wet kinderopvang,
g. instelling: school, instelling of exameninstelling in de zin van een onderwijswet, daaronder begrepen een niet bekostigde instelling,
h instelling voor hoger onderwijs: een instelling als bedoeld in artikel 1.2, onderdelen a en b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,
h instelling voor hoger onderwijs: een instelling als bedoeld in artikel 1.2, onderdelen a en b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek,
i. samenwerkingsverband: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs,
ia. Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven: de rechtspersoon, bedoeld in 1.5.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs,
j. regionaal expertisecentrum: regionaal expertisecentrum als bedoeld in artikel 28b van de Wet op de expertisecentra, waaronder begrepen de commissie voor de indicatiestelling die door het regionaal expertisecentrum in stand wordt gehouden,
@ -74,7 +74,7 @@ b. het bevorderen van:
2°. de kwaliteit van de uitoefening van de taken van de samenwerkingsverbanden,
3°. de kwaliteit van de uitoefening van de taken van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven, en
4°. de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het stelsel van hoger onderwijs, met inbegrip van het stelsel van accreditatie, bedoeld in hoofdstuk 5 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
c. het beoordelen en bevorderen van de financiële rechtmatigheid door in ieder geval het verrichten van onderzoek naar de rechtmatige verkrijging van de bekostiging, naar de controlerapporten van de door het bestuur aangewezen accountant, naar de rechtmatigheid van de bestedingen en naar de rechtmatigheid van het financieel beheer, alsmede het beoordelen en bevorderen van de financiële doelmatigheid en het bevorderen van de financiële continuïteit van de bekostigde instellingen, de samenwerkingsverbanden en de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven,
c. het beoordelen en bevorderen van de financiële rechtmatigheid door in ieder geval het verrichten van onderzoek naar de rechtmatige verkrijging van de bekostiging, naar de controlerapporten van de door het bestuur aangewezen accountant, naar de rechtmatigheid van de bestedingen en naar de rechtmatigheid van het financieel beheer, alsmede het beoordelen en bevorderen van de financiële doelmatigheid en het bevorderen van de financiële continuïteit van de bekostigde instellingen, de samenwerkingsverbanden en de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven,
d. het rapporteren over de ontwikkeling van, in bijzonder van de kwaliteit van, het onderwijs en over de uitoefening van de taken door de instellingen, de samenwerkingsverbanden en de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven, in het bijzonder over de kwaliteit daarvan, en
e. het verrichten van andere bij of krachtens de wet aan de inspectie opgedragen taken.
@ -214,21 +214,21 @@ e. beschikbare signalen over mogelijke knelpunten, waaronder het gevoerde person
**1.**
Zo spoedig mogelijk na ontvangst van de beschikking waarin is vermeld dat de bekostiging een aanvang zal nemen, bedoeld in artikel 79, achtste lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 86, zesde lid, van de Wet op de expertisecentra, artikel 66, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, toont het bevoegd gezag bij de inspectie aan dat het ten aanzien van die instelling kan voldoen aan de vereisten met betrekking tot:
Zo spoedig mogelijk na ontvangst van de beschikking waarin is vermeld dat de bekostiging een aanvang zal nemen, bedoeld in artikel 79, achtste lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 86, zesde lid, van de Wet op de expertisecentra, artikel 66, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, toont het bevoegd gezag bij de inspectie aan dat het ten aanzien van die instelling kan voldoen aan de vereisten met betrekking tot:
a. de bekwaamheid van degenen die onderwijs geven, bedoeld in artikel 3 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 3 van de Wet op de expertisecentra en artikel 33 van de Wet op het voortgezet onderwijs, en
a. de bekwaamheid van degenen die onderwijs geven, bedoeld in artikel 3 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 3 van de Wet op de expertisecentra en artikel 33 van de Wet op het voortgezet onderwijs, en
b. de voorschriften omtrent onderwijstijd gesteld op grond van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs.
**2.** De inspectie kan indien het bepaalde in het eerste lid daartoe aanleiding geeft overleg voeren met het bevoegd gezag van de instelling. Naar aanleiding van dit overleg kan de inspectie besluiten dat het bepaalde in artikel 11b, tweede tot en met zesde lid, van overeenkomstige toepassing is, met dien verstande dat in afwijking van het derde lid bij het opstellen van de risicoanalyse het schoolplan niet wordt betrokken, en in afwijking van het vierde lid de risicoanalyse wordt opgesteld binnen drie maanden na het overleg, bedoeld in de eerste volzin.
**2.** De inspectie kan indien het bepaalde in het eerste lid daartoe aanleiding geeft overleg voeren met het bevoegd gezag van de instelling. Naar aanleiding van dit overleg kan de inspectie besluiten dat het bepaalde in artikel 11b, tweede tot en met zesde lid, van overeenkomstige toepassing is, met dien verstande dat in afwijking van het derde lid bij het opstellen van de risicoanalyse het schoolplan niet wordt betrokken, en in afwijking van het vierde lid de risicoanalyse wordt opgesteld binnen drie maanden na het overleg, bedoeld in de eerste volzin.
### Artikel 11b
**1.**
Binnen een maand na aanvang van de bekostiging van een instelling, bedoeld in artikel 81 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 87 van de Wet op de expertisecentra, artikel 66, vierde lid van de Wet op het voortgezet onderwijs, verstrekt de instelling aan de inspectie gegevens met betrekking tot:
Binnen een maand na aanvang van de bekostiging van een instelling, bedoeld in artikel 81 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 87 van de Wet op de expertisecentra, artikel 66, vierde lid van de Wet op het voortgezet onderwijs, verstrekt de instelling aan de inspectie gegevens met betrekking tot:
a. het schoolplan, bedoeld in artikel 12 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 21 van de Wet op de expertisecentra en artikel 24 van de Wet op het voortgezet onderwijs,
b. de bekwaamheid van degenen die onderwijs geven, bedoeld in artikel 3 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 3 van de Wet op de expertisecentra en artikel 33 van de Wet op het voortgezet onderwijs, en
a. het schoolplan, bedoeld in artikel 12 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 21 van de Wet op de expertisecentra en artikel 24 van de Wet op het voortgezet onderwijs,
b. de bekwaamheid van degenen die onderwijs geven, bedoeld in artikel 3 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 3 van de Wet op de expertisecentra en artikel 33 van de Wet op het voortgezet onderwijs, en
c. het voldoen aan de voorschriften omtrent onderwijstijd die gelden op grond van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs.
**2.**
@ -238,31 +238,31 @@ De inspectie oefent toezicht uit door middel van het opstellen van een risicoana
a. de gegevens, bedoeld in het eerste lid, niet binnen de genoemde termijn zijn verstrekt,
b. de inspectie onvolkomenheden constateert in de naleving van het eerste lid.
**3.** Bij het opstellen van de risicoanalyse worden de onderwerpen, genoemd in het eerste lid, onderdelen a, b en c, betrokken.
**3.** Bij het opstellen van de risicoanalyse worden de onderwerpen, genoemd in het eerste lid, onderdelen a, b en c, betrokken.
**4.** De risicoanalyse wordt binnen drie maanden nadat de bekostiging is aangevangen door de inspectie opgesteld.
**5.** Binnen een maand nadat de risicoanalyse is opgesteld toont de instelling ten genoegen van de inspectie aan dat de onvolkomenheden, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, zijn hersteld.
**5.** Binnen een maand nadat de risicoanalyse is opgesteld toont de instelling ten genoegen van de inspectie aan dat de onvolkomenheden, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, zijn hersteld.
**6.** Indien de instelling twee maanden na het opstellen van de risicoanalyse nog steeds in gebreke is ten aanzien van de naleving van het eerste lid, onderdelen a, b en c, kunnen de maatregelen worden genomen die door de in het eerste lid, aanhef, genoemde onderwijswetten worden mogelijk gemaakt.
**6.** Indien de instelling twee maanden na het opstellen van de risicoanalyse nog steeds in gebreke is ten aanzien van de naleving van het eerste lid, onderdelen a, b en c, kunnen de maatregelen worden genomen die door de in het eerste lid, aanhef, genoemde onderwijswetten worden mogelijk gemaakt.
**7.** Nadat het bevoegd gezag van een niet uit de openbare kas bekostigde bijzondere school overeenkomstig artikel 5 van de Wet op het primair onderwijs of artikel 54 van de Wet op het voortgezet onderwijs aan Onze Minister kennis heeft gegeven van de oprichting van de school, besluit de inspectie zo spoedig mogelijk na de aanvang van het onderwijs of deze onderwijsvoorziening een school is als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 3, van de Leerplichtwet 1969.
**7.** Nadat het bevoegd gezag van een niet uit de openbare kas bekostigde bijzondere school overeenkomstig artikel 5 van de Wet op het primair onderwijs of artikel 54 van de Wet op het voortgezet onderwijs aan Onze Minister kennis heeft gegeven van de oprichting van de school, besluit de inspectie zo spoedig mogelijk na de aanvang van het onderwijs of deze onderwijsvoorziening een school is als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 3, van de Leerplichtwet 1969.
### Artikel 12
**1.** De inspectie gaat bij een onderzoek als bedoeld in de artikelen 11 en 12a uit van openbare verantwoordingsinformatie over de resultaten en de kwaliteit van het onderwijs, de financiële situatie van de instelling en de wijze waarop de professionaliteit van de instelling en het bestuur is gewaarborgd.
**1.** De inspectie gaat bij een onderzoek als bedoeld in de artikelen 11 en 12a uit van openbare verantwoordingsinformatie over de resultaten en de kwaliteit van het onderwijs, de financiële situatie van de instelling en de wijze waarop de professionaliteit van de instelling en het bestuur is gewaarborgd.
**2.** De informatie, bedoeld in het eerste lid, is richtinggevend voor het oordeel van de inspectie, indien deze voldoende actueel en betrouwbaar is.
### Artikel 12a
**1.** Ter uitvoering van de in artikel 3, eerste lid, onderdelen a en c, bedoelde taken onderzoekt de inspectie met inachtneming van artikel 4 de naleving van de wettelijke voorschriften en de financiële rechtmatigheid bij instellingen voor hoger onderwijs.
**1.** Ter uitvoering van de in artikel 3, eerste lid, onderdelen a en c, bedoelde taken onderzoekt de inspectie met inachtneming van artikel 4 de naleving van de wettelijke voorschriften en de financiële rechtmatigheid bij instellingen voor hoger onderwijs.
**2.** Ter uitvoering van de in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1°, onderdeel b, subonderdeel 4° en onderdeel c, bedoelde taken onderzoekt de inspectie ontwikkelingen in het stelsel van hoger onderwijs.
**3.** Ter uitvoering van de in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 1°, onderdeel b, subonderdeel 4° en onderdeel c, bedoelde taken kan de inspectie naar aanleiding van signalen van buitenaf die mogelijk kunnen leiden tot gevolgen op stelselniveau in incidentele gevallen onderzoek verrichten op aanwijzing van de Minister dan wel uit eigen beweging onder door Onze Minister te stellen voorwaarden.
**4.** Artikel 11, vierde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing. De artikelen 20, eerste tot en met vijfde lid, en 21 zijn van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzet.
**4.** Artikel 11, vierde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing. De artikelen 20, eerste tot en met vijfde lid, en 21 zijn van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzet.
### Artikel 13
@ -309,7 +309,7 @@ Artikel 11 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de inspecti
a. het al dan niet voldoen aan de wettelijke voorschriften met betrekking tot het ondersteuningsplan, bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs en artikel 17a van de Wet op het voortgezet onderwijs,
b. het aantal leerplichtige jongeren wonend in het gebied van het samenwerkingsverband dat niet is ingeschreven bij een school als bedoeld in de Leerplichtwet 1969,
c. het aantal leerplichtige leerlingen van scholen in het samenwerkingsverband dat het onderwijs aan de school waaraan hij is ingeschreven gedurende een aaneengesloten periode van ten minste vier weken zonder geldige reden niet meer volgt, en
d. de wijze waarop een samenwerkingsverband zorg draagt voor de kwaliteit van het onderwijs aan een orthopedagogisch-didactisch centrum als bedoeld in artikel 18a, lid 10a, van de Wet op het primair onderwijs en artikel 17a, lid 10a, van de Wet op het voortgezet onderwijs.
d. de wijze waarop een samenwerkingsverband zorg draagt voor de kwaliteit van het onderwijs aan een orthopedagogisch-didactisch centrum als bedoeld in artikel 18a, lid 10a, van de Wet op het primair onderwijs en artikel 17a, lid 10a, van de Wet op het voortgezet onderwijs.
**2.** De artikelen 12, 13, 14 en 15 zijn van overeenkomstige toepassing.
@ -453,7 +453,7 @@ De inspectie draagt zorg voor een verantwoorde taakuitoefening.
**1.** Er is een klachtadviescommissie belast met de behandeling van en advisering over klachten over gedragingen van de inspectie. Op de behandeling van en advisering over klachten is de in afdeling 9.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.
**2.** De klachtadviescommissie bestaat uit ten minste drie leden, die worden benoemd en ontslagen door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap na overleg met Onze Minister van Economische Zaken. De leden maken geen deel uit van en zijn niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van de inspectie. De leden kiezen uit hun midden een voorzitter. De benoeming geschiedt voor de tijd van ten hoogste vier jaar. Herbenoeming kan tweemaal en telkens voor ten hoogste vier jaar plaatsvinden.
**2.** De klachtadviescommissie bestaat uit ten minste drie leden, die worden benoemd en ontslagen door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De leden maken geen deel uit van en zijn niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van de inspectie. De leden kiezen uit hun midden een voorzitter. De benoeming geschiedt voor de tijd van ten hoogste vier jaar. Herbenoeming kan tweemaal en telkens voor ten hoogste vier jaar plaatsvinden.
**3.** De voorzitter en leden zijn afzonderlijk of gezamenlijk deskundig op het gebied van onderwijs, in het bijzonder op het gebied van de vrijheid van richting en inrichting, toezicht en klachtbehandeling.
@ -463,7 +463,7 @@ De inspectie draagt zorg voor een verantwoorde taakuitoefening.
**1.** Er is een Raad van advies inzake de inspectie die tot taak heeft de inspectie bij te staan in de waarborging van een zorgvuldige en professionele uitoefening van het toezicht. De raad adviseert de inspecteur-generaal onderscheidenlijk het hoofd inspectie gevraagd en ongevraagd over de kwaliteit van de uitoefening van het toezicht, in het bijzonder over de uitvoering van de artikelen 13 en 22.
**2.** De raad bestaat uit ten minste drie leden, die worden benoemd en ontslagen door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap na overleg met Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. De benoeming geschiedt voor de tijd van ten hoogste vier jaar. De leden kiezen uit hun midden een voorzitter.
**2.** De raad bestaat uit ten minste drie leden, die worden benoemd en ontslagen door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De benoeming geschiedt voor de tijd van ten hoogste vier jaar. De leden kiezen uit hun midden een voorzitter.
**3.** De voorzitter en leden zijn afzonderlijk of gezamenlijk deskundig op het gebied van onderwijs, kwaliteitszorg en toezicht.
@ -559,7 +559,7 @@ Uit het basisregister onderwijs kunnen persoonsgegevens worden verstrekt aan:
a. de school of instelling waar de betrokkene als leerling, deelnemer, student of extraneus is of was ingeschreven, voor zover de gegevens betrekking hebben op de periode waarin hij aan de desbetreffende school of instelling is of was ingeschreven, en
b. de school of instelling waar de betrokkene als leerling, deelnemer of extraneus is ingeschreven, voor zover de gegevens betrekking hebben op de periode waarin hij aan een andere school of instelling was ingeschreven.
**1a.** Uit het basisregister onderwijs kunnen aan de in artikel 24b, eerste lid, onderdelen d en e, genoemde instellingen tevens de in die onderdelen bedoelde gegevens worden verstrekt.
**1a.** Uit het basisregister onderwijs kunnen aan de in artikel 24b, eerste lid, onderdelen d en e, genoemde instellingen tevens de in die onderdelen bedoelde gegevens worden verstrekt.
**2.** Uit het basisregister onderwijs worden desgevraagd kosteloos persoonsgegevens verstrekt aan burgemeester en wethouders, voorzover dat verplicht is op grond van artikel 64 van de Participatiewet, artikel 45 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 45 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.
@ -719,7 +719,7 @@ Artikel 24j is van overeenkomstige toepassing.
**3.**
Uit het register vrijstellingen en vervangende leerplicht wordt jaarlijks op 1 oktober aan Onze Minister een opsomming verstrekt van het landelijk en per woongemeente aantal:
Uit het register vrijstellingen en vervangende leerplicht wordt jaarlijks op 1 oktober aan Onze Minister een opsomming verstrekt van het landelijk en per woongemeente aantal:
a. jongeren die eerder een beroep op vrijstelling hebben gedaan;
b. overige vrijgestelde jongeren;
@ -772,24 +772,24 @@ f. overige derden.
Behoudens artikel 24r omvat het diplomaregister gegevens over:
a. getuigschriften van met goed gevolg afgelegde propedeutische examens van uit s Rijks kas bekostigde opleidingen hoger beroepsonderwijs en met goed gevolg afgelegde afsluitende examens van uit s Rijks kas bekostigde opleidingen hoger onderwijs, met uitzondering van de programmas, bedoeld in artikel 7.8a, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, die op of na 1 januari 1996 zijn afgegeven door instellingen als bedoeld in de onderdelen a, b, c en g van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
b. diplomas, cijferlijsten en certificaten van uit s Rijks kas bekostigde beroepsopleidingen die op of na 1 januari 2007 zijn afgegeven door instellingen als bedoeld in artikel 1.1.1, onder b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
c. diplomas, cijferlijsten en certificaten van opleidingen als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs die op of na 1 januari 2007 zijn afgegeven door instellingen als bedoeld in artikel 1.3.1, derde lid, van die wet;
d. diplomas van staatsexamens als bedoeld in artikel 60, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs die op of na 1 januari 2011 zijn afgegeven door het College voor examens;
e. diplomas voor het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet inburgering die op of na 1 januari 2007 zijn afgegeven;
f. diplomas en cijferlijsten van onderwijs als bedoeld in artikel 2 van de Wet op het voortgezet onderwijs die op of na 1 januari 2006 zijn afgegeven door scholen als bedoeld in artikel 64, eerste lid, van die wet aan leerlingen die aan de desbetreffende school zijn ingeschreven;
a. getuigschriften van met goed gevolg afgelegde propedeutische examens van uit s Rijks kas bekostigde opleidingen hoger beroepsonderwijs en met goed gevolg afgelegde afsluitende examens van uit s Rijks kas bekostigde opleidingen hoger onderwijs, met uitzondering van de programmas, bedoeld in artikel 7.8a, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, die op of na 1 januari 1996 zijn afgegeven door instellingen als bedoeld in de onderdelen a, b, c en g van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
b. diplomas, cijferlijsten en certificaten van uit s Rijks kas bekostigde beroepsopleidingen die op of na 1 januari 2007 zijn afgegeven door instellingen als bedoeld in artikel 1.1.1, onder b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
c. diplomas, cijferlijsten en certificaten van opleidingen als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs die op of na 1 januari 2007 zijn afgegeven door instellingen als bedoeld in artikel 1.3.1, derde lid, van die wet;
d. diplomas van staatsexamens als bedoeld in artikel 60, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs die op of na 1 januari 2011 zijn afgegeven door het College voor examens;
e. diplomas voor het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet inburgering die op of na 1 januari 2007 zijn afgegeven;
f. diplomas en cijferlijsten van onderwijs als bedoeld in artikel 2 van de Wet op het voortgezet onderwijs die op of na 1 januari 2006 zijn afgegeven door scholen als bedoeld in artikel 64, eerste lid, van die wet aan leerlingen die aan de desbetreffende school zijn ingeschreven;
g. diplomas en cijferlijsten van onderwijs als bedoeld in artikel 2 van de Wet op het voortgezet onderwijs die op of na een bij koninklijk besluit te bepalen datum zijn afgegeven door scholen als bedoeld in artikel 64, eerste lid, van die wet aan leerlingen die zijn ingeschreven aan een school of afdeling voor voortgezet speciaal onderwijs;
h. diplomas, cijferlijsten en certificaten van staatsexamens als bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs die op of na 1 januari 2011 zijn afgegeven door het College voor examens;
i. getuigschriften van met goed gevolg afgelegde afsluitende examens van de uit s Rijks kas bekostigde programmas, bedoeld in artikel 7.8a, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek die op of na 1 januari 2007 zijn afgegeven door instellingen als bedoeld in de onderdelen a, b, c en g, van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
h. diplomas, cijferlijsten en certificaten van staatsexamens als bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs die op of na 1 januari 2011 zijn afgegeven door het College voor examens;
i. getuigschriften van met goed gevolg afgelegde afsluitende examens van de uit s Rijks kas bekostigde programmas, bedoeld in artikel 7.8a, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek die op of na 1 januari 2007 zijn afgegeven door instellingen als bedoeld in de onderdelen a, b, c en g, van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
j. getuigschriften van met goed gevolg afgelegde afsluitende examens van uit s Rijks kas bekostigde opleidingen hoger onderwijs die op of na een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip zijn afgegeven door de instelling, bedoeld in onderdeel h van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
k. getuigschriften van met goed gevolg afgelegde afsluitende examens van uit s Rijks kas bekostigde opleidingen hoger onderwijs die op of na een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip zijn afgegeven door instellingen als bedoeld in onderdeel i van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
l. diplomas en cijferlijsten van onderwijs als bedoeld in artikel 14a, eerste lid, onderdeel b, en artikel 14b van de Wet op de expertisecentra die zijn afgegeven door scholen voor voortgezet speciaal onderwijs;
m. getuigschriften van met goed gevolg afgelegde examens van niet uit s Rijks kas bekostigde opleidingen als bedoeld in artikel 7.3b van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek die op of na een bij koninklijk besluit te bepalen datum zijn afgegeven door instellingen als bedoeld in de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
n. getuigschriften van met goed gevolg afgelegde examens van niet uit s Rijks kas bekostigde opleidingen als bedoeld in artikelen 7.3a en 7.3b van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek die op of na een bij koninklijk besluit te bepalen datum zijn afgegeven door rechtspersonen voor hoger onderwijs;
o. getuigschriften van met goed gevolg afgelegde afsluitende examens van de niet uit s Rijks kas bekostigde programmas, bedoeld in artikel 7.8a, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet invoering associate degree-opleiding die op of na een bij koninklijk besluit te bepalen datum zijn afgegeven door rechtspersonen voor hoger onderwijs;
p. diplomas en certificaten van niet uit s Rijks kas bekostigde beroepsopleidingen die op of na 1 januari 2012 zijn afgegeven door andere dan in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs bedoelde instellingen of instellingen als bedoeld in die wet ten aanzien waarvan toepassing is gegeven aan artikel 1.4.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
q. diplomas, cijferlijsten en certificaten van niet uit s Rijks kas bekostigde opleidingen educatie die op of na 1 januari 2012 zijn afgegeven door andere dan in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs bedoelde instellingen of instellingen als bedoeld in die wet ten aanzien waarvan toepassing is gegeven aan artikel 1.4a.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
r. diplomas en cijferlijsten die op of na 1 januari 2012 zijn afgegeven door scholen die zijn aangewezen op grond van artikel 56 van de Wet op het voortgezet onderwijs.
p. diplomas en certificaten van niet uit s Rijks kas bekostigde beroepsopleidingen die op of na 1 januari 2012 zijn afgegeven door andere dan in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs bedoelde instellingen of instellingen als bedoeld in die wet ten aanzien waarvan toepassing is gegeven aan artikel 1.4.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
q. diplomas, cijferlijsten en certificaten van niet uit s Rijks kas bekostigde opleidingen educatie die op of na 1 januari 2012 zijn afgegeven door andere dan in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs bedoelde instellingen of instellingen als bedoeld in die wet ten aanzien waarvan toepassing is gegeven aan artikel 1.4a.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
r. diplomas en cijferlijsten die op of na 1 januari 2012 zijn afgegeven door scholen die zijn aangewezen op grond van artikel 56 van de Wet op het voortgezet onderwijs.
### Artikel 24o