2023-08-01 | BWBR0007625 | Wet educatie en beroepsonderwijs
This commit is contained in:
parent
ccf55a7c23
commit
0e19dbca23
1 changed files with 244 additions and 97 deletions
|
|
@ -196,6 +196,10 @@ Het bevoegd gezag draagt zorg voor het personeelsbeleid, voor zover het betreft
|
|||
|
||||
**5.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.3.10
|
||||
|
||||
Artikel 2:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing in het verkeer tussen ouders, studenten, vavo-studenten of deelnemers en het bevoegd gezag.
|
||||
|
||||
### Titel 4. Niet uit ’s Rijks kas bekostigde instellingen werkzaam op het gebied van het beroepsonderwijs
|
||||
|
||||
### Artikel 1.4.1
|
||||
|
|
@ -206,9 +210,9 @@ Onze Minister besluit op aanvraag van het bevoegd gezag van een andere dan een i
|
|||
|
||||
a. de kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 1.3.6,
|
||||
a1. de informatie aan aspirant-studenten, bedoeld in artikel 6.1.3a,
|
||||
b. het onderwijs, met uitzondering van de artikelen 7.1.1 en 7.2.4a, derde lid, mits het aantal begeleide onderwijsuren en het aantal uren beroepspraktijkvorming op grond van de studieduur naar evenredigheid ten minste gelijk is aan het aantal uren, bedoeld in artikel 7.2.7, tweede tot en met vierde lid, de examens, de verklaring, bedoeld in artikel 7.4.6a, eerste lid, en in geval van een samenwerkingscollege de artikelen 8.6.1 en 8.6.3,
|
||||
c. de rechtsbescherming, bedoeld in hoofdstuk 7, titel 5,
|
||||
d. de onderwijsovereenkomst, bedoeld in artikel 8.1.3, eerste tot en met derde lid,
|
||||
b. het onderwijs, met uitzondering van de artikelen 7.1.1, 7.1.5 en 7.2.4a, derde lid, mits het aantal begeleide onderwijsuren en het aantal uren beroepspraktijkvorming op grond van de studieduur naar evenredigheid ten minste gelijk is aan het aantal uren, bedoeld in artikel 7.2.7, tweede tot en met vierde lid, de examens, de verklaring, bedoeld in artikel 7.4.6a, eerste lid, en in geval van een samenwerkingscollege de artikelen 8.6.1 en 8.6.3,
|
||||
c. de commissie van beroep voor de examens, bedoeld in artikel 7.5.3,
|
||||
d. vervallen,
|
||||
e. de vooropleidingseisen, bedoeld in artikel 8.2.1, en
|
||||
f. de opneming in de Registratie instellingen en opleidingen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -218,6 +222,8 @@ Het bevoegd gezag voegt bij deze aanvraag in elk geval een beschrijving van de r
|
|||
|
||||
**1b.** Een beroepsopleiding als bedoeld in lid 1 of lid 1a van een andere dan een in artikel 1.1.1 bedoelde instelling bevat geen keuzedelen die niet zijn gekoppeld aan een kwalificatie, behorend bij een beroepsopleiding waarvoor de instelling een diploma-erkenning heeft op grond van lid 1 of lid 1a.
|
||||
|
||||
**1c.** Het bevoegd gezag dat een beroepsopleiding als bedoeld in lid 1 of lid 1a verzorgt kan met een student overeenkomen dat de student slechts een onderdeel van de beroepsopleiding zal volgen.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister besluit binnen drie maanden na ontvangst van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
|
@ -266,7 +272,7 @@ d. de artikelen 8.3.1 tot en met 8.3.3.
|
|||
|
||||
### Artikel 1.4a.1
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister besluit op aanvraag van het bevoegd gezag van een in het tweede lid bedoelde instelling, dat aan de met goed gevolg afgelegde examens of onderdelen van examens van een opleiding educatie, verzorgd door die instelling, een diploma als bedoeld in artikel 7.4.6 of, indien het betreft voortgezet algemeen volwassenenonderwijs of Nederlands als tweede taal I en II, een diploma of certificaat als bedoeld in artikel 7.4.11, vijfde lid, is verbonden, indien die instelling in acht neemt hetgeen bij of krachtens deze wet voor die opleiding is bepaald ten aanzien van de kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 1.3.6, en ten aanzien van het onderwijs, bedoeld in hoofdstuk 7, met uitzondering van artikel 7.1.1, titel 2 en titel 4, voor zover het betreft de artikelen 7.4.4, 7.4.5, achtste lid, en 7.4.7, en eveneens in acht neemt hetgeen is bepaald in artikel 8.1.1d, en in artikel 1.4a.2.
|
||||
**1.** Onze Minister besluit op aanvraag van het bevoegd gezag van een in het tweede lid bedoelde instelling, dat aan de met goed gevolg afgelegde examens of onderdelen van examens van een opleiding educatie, verzorgd door die instelling, een diploma als bedoeld in artikel 7.4.6 of, indien het betreft voortgezet algemeen volwassenenonderwijs of Nederlands als tweede taal I en II, een diploma of certificaat als bedoeld in artikel 7.4.11, vijfde lid, is verbonden, indien die instelling in acht neemt hetgeen bij of krachtens deze wet voor die opleiding is bepaald ten aanzien van de kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 1.3.6, en ten aanzien van het onderwijs, bedoeld in hoofdstuk 7, met uitzondering van de artikelen 7.1.1 en 7.1.5, titel 2 en titel 4, voor zover het betreft de artikelen 7.4.4, 7.4.5, achtste lid, en 7.4.7, en eveneens in acht neemt hetgeen is bepaald in artikel 8.1.1d, en in artikel 1.4a.2.
|
||||
|
||||
**2.** Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan voor een andere dan een in artikel 1.1.1 bedoelde instelling of voor een instelling. Het bevoegd gezag voegt bij deze aanvraag in elk geval het ontwerp van een beschrijving van de regeling voor het onderwijsprogramma en de examens, bedoeld in artikel 7.4.8, voor de opleiding educatie waarop de aanvraag betrekking heeft.
|
||||
|
||||
|
|
@ -491,7 +497,7 @@ g. heffingen,
|
|||
h. inkoop van diensten,
|
||||
i. kosten van werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid aan gewezen personeel alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet, waaronder mede begrepen gewezen personeel dat was belast met werkzaamheden op het gebied van de educatie, met inbegrip van educatieve programma's als bedoeld in artikel 2.3.1, tweede lid, zoals luidend op 31 december 2008,
|
||||
j. loopbaanoriëntatie en -begeleiding,
|
||||
k. gehandicapte studenten, en
|
||||
k. studenten met een handicap of chronische ziekte, en
|
||||
l. studenten die in aanmerking komen voor ondersteuning op grond van artikel 8.1.5.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
|
@ -549,7 +555,7 @@ b. de ontwikkelingen van het bestel van het beroepsonderwijs.
|
|||
|
||||
### Artikel 2.2.4
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister maakt aan elke instelling jaarlijks in september bekend welke rijksbijdrage voor het beroepsonderwijs voor het daarop volgende jaar wordt verstrekt. Hij deelt daarbij mee op welke wijze de rijksbijdrage is berekend en vermeldt daarbij afzonderlijk het bedrag voor gehandicapte studenten alsmede het bedrag voor de entreeopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a.
|
||||
**1.** Onze Minister maakt aan elke instelling jaarlijks in september bekend welke rijksbijdrage voor het beroepsonderwijs voor het daarop volgende jaar wordt verstrekt. Hij deelt daarbij mee op welke wijze de rijksbijdrage is berekend en vermeldt daarbij afzonderlijk het bedrag voor studenten met een handicap of chronische ziekte alsmede het bedrag voor de entreeopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a.
|
||||
|
||||
**2.** De rijksbijdrage wordt betaald volgens een door Onze Minister te bepalen kasritme.
|
||||
|
||||
|
|
@ -853,7 +859,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 2.5.4
|
||||
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag stelt jaarlijks een bestuursverslag over het afgelopen jaar vast en maakt het openbaar. Het bestuursverslag bevat ten minste het verslag, bedoeld in artikel 1.3.6, tweede lid, voorzover dat in het desbetreffende jaar is uitgebracht, dan wel de hoofdpunten van laatstgenoemd verslag, alsmede de hoofdpunten van de bevindingen van de inspectie met betrekking tot de examens. Ook legt het bevoegd gezag in het bestuursverslag verantwoording af over de omgang met een branchecode voor goed bestuur. Bij ministeriële regeling kan een branchecode worden aangewezen.
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag stelt jaarlijks een bestuursverslag over het afgelopen jaar vast en maakt het openbaar. Het bestuursverslag bevat ten minste het verslag, bedoeld in artikel 1.3.6, tweede lid, voorzover dat in het desbetreffende jaar is uitgebracht, dan wel de hoofdpunten van laatstgenoemd verslag, alsmede de hoofdpunten van de bevindingen van de inspectie met betrekking tot de examens en informatie over schorsing en verwijdering van studenten, vavo-studenten en deelnemers in het afgelopen jaar. Ook legt het bevoegd gezag in het bestuursverslag verantwoording af over de omgang met een branchecode voor goed bestuur. Bij ministeriële regeling kan een branchecode worden aangewezen.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de inrichting en de wijze en het tijdstip van openbaarmaking van het bestuursverslag.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1106,29 +1112,43 @@ b. een lid van of namens de studentenraad of ouderraad.
|
|||
|
||||
### Artikel 3.1.5
|
||||
|
||||
**1.** Indien sprake is van wanbeheer van een of meer bestuurders of toezichthouders van de rechtspersoon kan Onze Minister het bevoegd gezag een aanwijzing geven. Een aanwijzing omvat een of meer maatregelen en is evenredig aan het doel waarvoor zij wordt gegeven.
|
||||
**1.** Onze Minister kan het bevoegd gezag een aanwijzing tot het nemen van een of meer maatregelen geven, indien sprake is van wanbeheer.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Onder wanbeheer wordt verstaan:
|
||||
|
||||
a. financieel wanbeleid;
|
||||
b. ernstige nalatigheid om, in ieder geval in strijd met de artikelen 1.3.6 en 1.3.6a, maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de kwaliteit en goede voortgang van het onderwijs aan de instelling en om te voorkomen dat de kwaliteit van het stelsel van beroepsonderwijs en educatie in gevaar komt;
|
||||
c. ongerechtvaardigde verrijking, al dan niet beoogd, van de rechtspersoon die de instelling in stand houdt, een bestuurder of toezichthouder zelf dan wel een derde;
|
||||
d. onrechtmatig handelen waaronder wordt verstaan het in de hoedanigheid van bestuurder of toezichthouder handelen in strijd met wettelijke bepalingen waarmee financieel voordeel wordt behaald ten gunste van de rechtspersoon die de instelling in stand houdt, een bestuurder of toezichthouder zelf dan wel een derde; en
|
||||
e. het in ernstige mate verwaarlozen van de zorg voor wat door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd in de omgang met betrokkenen binnen de instelling, waaronder wordt verstaan intimidatie of bedreiging van personeel of studenten door een bestuurder of toezichthouder.
|
||||
b. het in ernstige mate of langdurig nalaten om, in ieder geval in strijd met de artikelen 1.3.6 en 1.3.6a, maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de kwaliteit en de goede voortgang van het onderwijs, waaronder de deugdelijke afsluiting daarvan;
|
||||
c. het door een bestuurder of toezichthouder ongerechtvaardigd verrijken van het bevoegd gezag, zichzelf of een derde;
|
||||
d. het in de hoedanigheid van bestuurder of toezichthouder handelen in strijd met wettelijke bepalingen waardoor financieel voordeel wordt behaald ten gunste van het bevoegd gezag, zichzelf of een derde;
|
||||
e. het in ernstige mate verwaarlozen van de zorg voor wat door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd in de omgang met betrokkenen binnen de instelling, waaronder in ieder geval wordt verstaan intimidatie of bedreiging van personeel of studenten door een bestuurder of toezichthouder.
|
||||
|
||||
**3.** In de aanwijzing geeft Onze Minister met redenen omkleed aan op welke punten sprake is van wanbeheer alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.
|
||||
**3.** Onze Minister motiveert in de aanwijzing waarom het doel van de aanwijzing niet met een minder zwaar middel kan worden bereikt
|
||||
|
||||
**4.** Een aanwijzing bevat de termijn waarbinnen aan de aanwijzing moet zijn voldaan.
|
||||
**4.** De aanwijzing vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
**5.** Voordat Onze Minister een aanwijzing geeft heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 11 of artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht verricht en daarover een inspectierapport uitgebracht als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht, waaruit volgt dat sprake is van wanbeheer als bedoeld in het tweede lid.
|
||||
|
||||
Voorafgaand aan een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid heeft:
|
||||
### Artikel 3.1.6
|
||||
|
||||
a. de inspectie onderzoek verricht als bedoeld in artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht;
|
||||
b. de inspectie daarover een rapport als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht uitgebracht; en
|
||||
c. het bevoegd gezag vier weken de gelegenheid zijn zienswijze met betrekking tot de voorgenomen aanwijzing naar voren te brengen.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onze Minister kan het bevoegd gezag een spoedaanwijzing tot het nemen van een of meer voorlopige maatregelen geven, indien:
|
||||
|
||||
a. het bevoegd gezag tekortschiet in de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet;
|
||||
b. uit dat tekortschieten of mede uit dat tekortschieten een wezenlijk vermoeden van wanbeheer als bedoeld in artikel 3.1.5, tweede lid, volgt; en
|
||||
c. dat is vereist in verband met onverwijlde spoed.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister motiveert in de spoedaanwijzing waarom het doel van de spoedaanwijzing niet met een minder zwaar middel kan worden bereikt.
|
||||
|
||||
**3.** De spoedaanwijzing vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.
|
||||
|
||||
**4.** De spoedaanwijzing bepaalt de duur waarvoor zij geldt. Deze geldigheidsduur bedraagt ten hoogste zes maanden. Onze Minister kan de geldigheidsduur eenmalig verlengen met ten hoogste zes maanden. Op een verlengingsbesluit is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**5.** Voordat Onze Minister een spoedaanwijzing geeft heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 11 of artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht verricht en daarover een inspectierapport uitgebracht als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht, waaruit volgt dat is voldaan aan de vereisten, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
**6.** Onze Minister informeert de beide Kamers der Staten-Generaal onverwijld nadat toepassing is gegeven aan het eerste lid.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 4. Personeel
|
||||
|
||||
|
|
@ -1504,8 +1524,8 @@ dat de aspirant-studenten in staat zijn de opleidingsmogelijkheden te vergelijke
|
|||
|
||||
Onze Minister kan besluiten dat ten aanzien van een beroepsopleiding in de beroepsopleidende of beroepsbegeleidende leerweg die de instelling verzorgt, de rechten, genoemd in artikel 1.3.1, gedurende twee jaar worden ontnomen indien:
|
||||
|
||||
a. gebleken is dat de kwaliteit van die opleiding langer dan één jaar zeer zwak is geweest, of
|
||||
b. niet of niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van de kwaliteitszorg, het onderwijs of de examens, dan wel
|
||||
a. gebleken is dat de kwaliteit van die opleiding ten minste drie maanden zeer zwak is geweest,
|
||||
b. niet of niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van de kwaliteitszorg, het onderwijs of de examens, of
|
||||
c. niet of niet meer wordt voldaan aan een of meer zorgplichten, bedoeld in artikel 6.1.3.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
|
@ -1544,9 +1564,9 @@ c. de regels op het gebied van veiligheid, bedoeld in artikel 8a.2.2, derde lid,
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van artikel 6.1.4, eerste lid, onder a, geeft hij aan het bevoegd gezag een waarschuwing op grond van zijn bevindingen ten aanzien van de kwaliteit van de opleiding. Onze Minister geeft eerst toepassing aan artikel 6.1.4, eerste lid, onder a, nadat
|
||||
Voordat Onze Minister een besluit neemt op grond van artikel 6.1.4, eerste lid, onder a, geeft hij aan het bevoegd gezag een waarschuwing op grond van zijn bevindingen ten aanzien van de kwaliteit van de opleiding, onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven bedraagt ten minste drie maanden. Onze Minister geeft pas toepassing aan artikel 6.1.4, eerste lid, onder a, nadat:
|
||||
|
||||
a. na de waarschuwing ten minste een jaar verstreken is, en
|
||||
a. de termijn, bedoeld in de aanhef, is verstreken, en
|
||||
b. Onze Minister aan de hand van een nader onderzoek tot het oordeel is gekomen dat niet of niet in voldoende mate gevolg is gegeven aan de waarschuwing.
|
||||
|
||||
**2.** Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van artikel 6.1.4, eerste lid, onder b, geeft hij aan het bevoegd gezag een waarschuwing, onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem dienaangaande plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven bedraagt ten minste drie maanden.
|
||||
|
|
@ -1589,7 +1609,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
Onze Minister kan ten aanzien van een beroepsopleiding in de beroepsopleidende of beroepsbegeleidende leerweg, verzorgd door een niet uit ’s Rijks kas bekostigde instelling, het recht, bedoeld in artikel 1.4.1, ontnemen indien
|
||||
|
||||
a. gebleken is dat de kwaliteit van die opleiding langer dan één jaar onvoldoende is geweest,
|
||||
a. gebleken is dat de kwaliteit van die opleiding ten minste drie maanden onvoldoende is geweest,
|
||||
b. niet of niet meer voldaan wordt aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 1.4.1, eerste lid, aan artikel 1.4.1, tiende lid, onderdelen a tot en met c, aan artikel 1.4.2, of aan de leveringsverplichting, bedoeld in artikel 12, eerste, derde en vierde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers, of
|
||||
c. in strijd is gehandeld met artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1614,12 +1634,10 @@ b. de beroepspraktijkvorming, bedoeld in de artikelen 7.2.8 en 7.2.9.
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van artikel 6.2.2, eerste lid, onder a, geeft hij aan het bevoegd gezag een waarschuwing op grond van zijn bevindingen ten aanzien van de kwaliteit van de opleiding.
|
||||
Voordat Onze Minister een besluit neemt op grond van artikel 6.2.2, eerste lid, onder a, geeft hij aan het bevoegd gezag een waarschuwing op grond van zijn bevindingen ten aanzien van de kwaliteit van de opleiding, onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven bedraagt ten minste drie maanden. Onze Minister geeft pas toepassing aan artikel 6.2.2, eerste lid, onder a, nadat:
|
||||
|
||||
Onze Minister geeft eerst toepassing aan artikel 6.2.2, eerste lid, onder a, nadat
|
||||
|
||||
a. na de waarschuwing ten minste een jaar verstreken is, en
|
||||
b. Onze Minister aan de hand van een hernieuwd onderzoek tot het oordeel is gekomen dat niet of niet in voldoende mate gevolg is gegeven aan de waarschuwing.
|
||||
a. de termijn, bedoeld in het eerste lid, is verstreken, en
|
||||
b. Onze Minister aan de hand van een nader onderzoek tot het oordeel is gekomen dat niet of niet in voldoende mate gevolg is gegeven aan de waarschuwing.
|
||||
|
||||
**2.** Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van artikel 6.2.2, eerste lid, onder b, geeft hij aan het bevoegd gezag een waarschuwing, onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem dienaangaande plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven bedraagt ten minste drie maanden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1639,6 +1657,25 @@ In de gevallen, bedoeld in artikel 6.2.2, eerste lid, onder a en b, is artikel 6
|
|||
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag kan niet eerder dan na verloop van drie studiejaren na de ontneming, bedoeld in het eerste lid, het recht opnieuw verkrijgen. Artikel 1.6.1 is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.2.3c
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd de artikelen 6.2.2 tot en met 6.2.3b kan Onze Minister besluiten dat ten aanzien van een beroepsopleiding aan een niet uit ’s Rijks kas bekostigde instelling als bedoeld in artikel 1.4.1 gedurende ten hoogste zes maanden rechten kunnen worden geschorst indien:
|
||||
|
||||
a. het bevoegd gezag wat betreft het onderwijs of de examinering tekortschiet in de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet;
|
||||
b. er daardoor of mede daardoor een wezenlijk vermoeden bestaat dat niet aan alle voorwaarden wordt voldaan om tot diplomering over te gaan of de kwaliteit van de examens in grote mate niet voldoet aan de standaarden, bedoeld in artikel 7.4.4; en
|
||||
c. de inzet van andere bevoegdheden van Onze Minister op grond van deze wet niet kan worden afgewacht.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Onze Minister schorst uitsluitend:
|
||||
|
||||
a. het recht op examinering voor de betreffende beroepsopleiding, of een deel daarvan;
|
||||
b. het recht om voor die opleiding een diploma als bedoeld in artikel 7.4.6 te verstrekken;
|
||||
c. het recht om voor onderdelen van die opleiding een certificaat als bedoeld in artikel 7.2.3 te verstrekken; of
|
||||
d. het recht om voor onderdelen van die opleiding een mbo-verklaring als bedoeld in artikel 7.4.6a te verstrekken.
|
||||
|
||||
### Titel 3. De exameninstellingen
|
||||
|
||||
### Artikel 6.3.1
|
||||
|
|
@ -1649,7 +1686,7 @@ In de gevallen, bedoeld in artikel 6.2.2, eerste lid, onder a en b, is artikel 6
|
|||
|
||||
### Artikel 6.3.2
|
||||
|
||||
Artikel 6.2.3b is van overeenkomstige toepassing op exameninstellingen.
|
||||
De artikelen 6.2.3b en 6.2.3c zijn van overeenkomstige toepassing op exameninstellingen.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.3.3
|
||||
|
||||
|
|
@ -2082,9 +2119,9 @@ b. de procedures rond de examens en de voorwaarden waaronder examens worden afge
|
|||
|
||||
### Artikel 7.4.4a
|
||||
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag kan de examinering van een beroepsopleiding overdragen aan een andere instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 of 1.4.1 of aan een exameninstelling, voor zover deze het recht op examinering van die beroepsopleiding hebben.
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag kan de gehele examinering van een beroepsopleiding overdragen aan een andere instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 of 1.4.1 of aan een exameninstelling, voor zover deze het recht op examinering van die beroepsopleiding hebben.
|
||||
|
||||
**2.** Indien ten aanzien van een beroepsopleiding toepassing is gegeven aan artikel 6.1.5b, eerste lid, 6.2.3b, eerste lid, dan wel 6.3.2, eerste lid, is het bevoegd gezag voor die beroepsopleiding gehouden toepassing te geven aan het eerste lid.
|
||||
**2.** Indien ten aanzien van een beroepsopleiding toepassing is gegeven aan artikel 6.1.5b, eerste lid, 6.2.3b, eerste lid, 6.2.3c, eerste lid, dan wel 6.3.2, eerste lid, is het bevoegd gezag voor die beroepsopleiding gehouden toepassing te geven aan het eerste lid. Voor zover er bij toepassing van artikel 6.2.3c, eerste lid, sprake is van een schorsing van een deel van het recht op examinering, bedoeld in artikel 6.2.3c, tweede lid, onder a, of een schorsing als bedoeld in artikel 6.2.3c, tweede lid, onder b, c of d, is het bevoegd gezag in afwijking van het eerste lid slechts gehouden dit deel over te dragen.
|
||||
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag kan de examinering van extraneï die op grond van een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 8.4.2 een entreeopleiding volgen, onder zijn verantwoordelijkheid laten uitvoeren door het bevoegd gezag van een school voor voortgezet onderwijs.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2188,28 +2225,47 @@ c. indien deze noodzakelijk is voor deelneming van personen met een buitenlandse
|
|||
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van het onderwijsprogramma en de examinering.
|
||||
|
||||
**2.** Het bevoegd gezag legt de beschrijving van het onderwijsprogramma, met vermelding van het aantal begeleide onderwijsuren als bedoeld in artikel 7.2.7 per programmaonderdeel per studiejaar en het aantal klokuren beroepspraktijkvorming per studiejaar, en de regels met betrekking tot het examen tijdig voor aanvang van de opleiding vast in de onderwijs- en examenregeling van de instelling en zorgt ervoor dat studenten en deelnemers volledig en tijdig worden geïnformeerd over het onderwijsprogramma, examens en het ondersteuningsaanbod voor gehandicapte studenten en deelnemers die extra ondersteuning behoeven.
|
||||
**2.** Het bevoegd gezag legt de beschrijving van het onderwijsprogramma en de regels met betrekking tot het examen tijdig voor aanvang van de opleiding vast in de onderwijs- en examenregeling van de instelling en zorgt ervoor dat studenten en deelnemers volledig en tijdig worden geïnformeerd over het onderwijsprogramma, examens en het ondersteuningsaanbod voor studenten met een handicap of chronische ziekte en deelnemers die extra ondersteuning behoeven.
|
||||
|
||||
**2a.**
|
||||
|
||||
De onderwijs- en examenregeling omvat in elk geval bepalingen over:
|
||||
|
||||
a. de inhoud en inrichting van een opleiding, waaronder voor een beroepsopleiding begrepen:
|
||||
|
||||
1°. de leerweg;
|
||||
2°. de examenvoorzieningen;
|
||||
3°. de kwalificatie of, bij inschrijving voor een opleidingsdomein of een kwalificatiedossier, dat opleidingsdomein of dat kwalificatiedossier;
|
||||
4°. het beoogde niveau van de te behalen kwalificatie; en
|
||||
5°. de keuzedelen en de onderdelen met betrekking tot persoonlijke, culturele of levensbeschouwelijke vorming, bedoeld in artikel 6.1.2a, tweede lid, die deel uitmaken van de beroepsopleiding;
|
||||
b. het aantal begeleide onderwijsuren, bedoeld in artikel 7.2.7, per programmaonderdeel per studiejaar;
|
||||
c. het aantal klokuren beroepspraktijkvorming per studiejaar;
|
||||
d. de tijdvakken waarbinnen de opleiding wordt verzorgd;
|
||||
e. de locatie en in voorkomend geval het samenwerkingscollege waar de opleiding wordt verzorgd; en
|
||||
f. de gronden waarop de examencommissie vrijstelling kan verlenen van een instellingsexamen of een centraal examen.
|
||||
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat beroepsopleidingen aantoonbaar voldoen aan de eisen van artikel 7.2.7, derde, vierde, zesde, zevende, achtste en negende lid.
|
||||
|
||||
**4.** Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat de instelling beschikt over een studentenstatuut waarin de rechten en plichten van de studenten en deelnemers zijn opgenomen. In het studentenstatuut zijn in elk geval de nadere regels, bedoeld in artikel 8.1.7a, vierde lid, opgenomen.
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat de instelling beschikt over een toegankelijk en begrijpelijk studentenstatuut waarin de rechten en plichten van de studenten zijn opgenomen, en stelt de actuele versie van het studentenstatuut voor de studenten beschikbaar. Het bevoegd gezag bevordert voorts de kennis van het studentenstatuut. Het studentenstatuut bevat in elk geval:
|
||||
|
||||
a. een beschrijving van de procedures voor de behandeling van klachten en geschillen, bedoeld in titel 5, daaronder begrepen de inrichting van de toegankelijke faciliteit, bedoeld in artikel 7.5.1;
|
||||
b. een beschrijving van de procedures voor de behandeling van geschillen inzake medezeggenschap;
|
||||
c. een beschrijving van de beroepsrechten die kunnen worden ontleend aan deze wet en andere wettelijke regelingen;
|
||||
d. een beschrijving van aanvullende procedures ter bescherming van de rechten van studenten die door het bevoegd gezag worden getroffen;
|
||||
e. de nadere regels over het bindend studieadvies, bedoeld in artikel 8.1.7a, vierde lid;
|
||||
f. het beleid met betrekking tot het beperkt en beheersbaar houden van de middelen die van de studenten worden gevraagd voor schoolkosten die door het bevoegd gezag noodzakelijk worden bevonden;
|
||||
g. in voorkomend geval, bepalingen over de terugbetaling van voorschotten, verstrekt door het bevoegd gezag, ter voldoening van een bij of krachtens de wet geregelde geldelijke bijdrage als bedoeld in artikel 8.1.4;
|
||||
h. bepalingen over de terugbetaling van cursusgeld in andere gevallen dan bedoeld in artikel 14, tweede lid, onderdeel a tot en met d, van het Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet 2000;
|
||||
i. het beleid van het bevoegd gezag met betrekking tot verzuim, schorsing en verwijdering van studenten;
|
||||
j. de rechten en plichten ten aanzien van zwangerschap en bevalling; en
|
||||
k. de instellingsregels over het mbo-studentenfonds, bedoeld in artikel 8.1.5e.
|
||||
|
||||
**5.** De examencommissie stelt regels vast met betrekking tot de goede gang van zaken tijdens het afnemen van de toetsen, het examen of de examenonderdelen.
|
||||
|
||||
**6.** Indien ten aanzien van een beroepsopleiding toepassing is gegeven aan artikel 7.4.4a, dan treedt de examenregeling van de instelling of exameninstelling die de examinering verzorgt in de plaats van de examenregeling van de instelling die het onderwijs verzorgt.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.4.8a
|
||||
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag draagt zorg voor een behoorlijke behandeling van klachten van studenten en deelnemers, aspirant-studenten en aspirant-deelnemers, voormalige studenten en deelnemers, personeel en overige betrokkenen bij het onderwijs of de praktijkbegeleiding van de instelling over gedragingen van het bevoegd gezag of ten behoeve van de instelling met taken belaste personen.
|
||||
|
||||
**2.** Het bevoegd gezag voorziet in de klachtbehandeling met overeenkomstige toepassing van in elk geval de artikelen 9:3 tot en met 9:7, eerste lid, 9:8, eerste lid, aanhef en onderdelen a tot en met e, en derde lid, eerste volzin, 9:9, 9:10, eerste lid, tweede lid, onderdelen b en c, en derde lid, 9:11, 9:12, eerste lid, 9:12a, 9:15 en 9:16 van de Algemene wet bestuursrecht.
|
||||
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag voorziet in een klachtencommissie die is belast met de behandeling van en advisering over klachten en die bestaat uit ten minste drie leden die geen deel uitmaken van een bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1.1.1 waaronder een voorzitter die niet werkzaam is voor of bij het bevoegd gezag.
|
||||
|
||||
**4.** Op een ieder die is betrokken bij de uitvoering van dit artikel is artikel 2:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**5.** Het bevoegd gezag stelt voor de instelling een regeling vast waarin de klachtbehandeling met inachtneming van de voorgaande leden nader is uitgewerkt en maakt deze openbaar.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.4.9
|
||||
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag van een exameninstelling zorgt voor een goede organisatie en kwaliteit van de examinering.
|
||||
|
|
@ -2282,7 +2338,7 @@ Deze paragraaf is van toepassing op opleidingen voortgezet algemeen volwasseneno
|
|||
|
||||
**5.** Artikel 7.4.6, eerste en derde lid, is van toepassing, met dien verstande dat degene die een onderdeel van een examen van de opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs of Nederlands als tweede taal I of II met goed gevolg heeft afgelegd een certificaat ontvangt. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald onder welke voorwaarden het bezit van certificaten aanspraak geeft op een diploma.
|
||||
|
||||
**6.** De artikelen 7.4.8, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 7.4.8a, zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**6.** De artikelen 7.4.8, eerste en tweede lid, lid 2a en vierde en vijfde lid, en 7.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**7.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -2319,10 +2375,46 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Titel 5. Commissie van beroep voor de examens
|
||||
### Titel 5. Rechtsbescherming van studenten, vavo-studenten, extraneï en deelnemers
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 1. Toegankelijke faciliteit; klachten
|
||||
|
||||
### Artikel 7.5.1
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In deze titel wordt onder «betrokkene» verstaan:
|
||||
|
||||
a. een student, een vavo-student, een extraneus en een deelnemer;
|
||||
b. een aanstaande student, een aanstaande vavo-student, een aanstaande extraneus en een aanstaande deelnemer;
|
||||
c. een voormalige student, een voormalige vavo-student, een voormalige extraneus en een voormalige deelnemer.
|
||||
|
||||
**2.** Het bevoegd gezag richt een toegankelijke en eenduidige faciliteit in. Het bevoegd gezag stelt een nadere regeling vast met betrekking tot deze paragraaf en paragraaf 2, die een onderdeel vormt van het bestuursreglement.
|
||||
|
||||
**3.** Een betrokkene dient een klacht als bedoeld in artikel 7.5.2 dan wel beroep of bezwaar als bedoeld in paragraaf 2 van deze titel en artikel 8.1.7a, vijfde lid, vanwege een schriftelijke beslissing van een orgaan van een instelling inhoudende een rechtshandeling op grond van deze wet en daarop gebaseerde regelingen, vanwege het ontbreken van een dergelijke beslissing dan wel vanwege een geschil met betrekking tot het maken, wijzigen of uitvoeren van afspraken als bedoeld in artikel 8.1.3a, tweede lid, in bij de faciliteit. Indien het een beroep of bezwaar van een betrokkene aan een openbare instelling betreft, is artikel 6:4, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
|
||||
|
||||
**4.** De termijn voor het schriftelijk indienen van een bezwaar als bedoeld in paragraaf 2 bedraagt zes weken. De termijn voor het schriftelijk indienen van een beroep als bedoeld in paragraaf 2 en artikel 8.1.7a, vijfde lid, bedraagt twee weken.
|
||||
|
||||
**5.** De faciliteit bevestigt de ontvangst van een binnengekomen klacht, beroep of bezwaar schriftelijk aan de betrokkene en zendt deze, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, zo spoedig mogelijk door aan het bevoegde orgaan. Indien het een openbare instelling betreft, is artikel 6:15, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
|
||||
|
||||
**6.** De datum van ontvangst, bedoeld in het vijfde lid, is bepalend voor de vraag of een klacht, beroep of bezwaar tijdig is ingediend. Indien het een openbare instelling betreft, is artikel 6:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
|
||||
|
||||
**7.** Indien de faciliteit een klacht, beroep of bezwaar aan een onbevoegd orgaan heeft gezonden, zendt dit orgaan het desbetreffende stuk zo spoedig mogelijk terug naar de faciliteit. Het bevoegde orgaan behandelt een klacht, beroep of bezwaar dat door een betrokkene rechtstreeks is ingediend bij dit orgaan slechts na tussenkomst van de faciliteit.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.5.2
|
||||
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag draagt zorg voor een behoorlijke behandeling van klachten van studenten en deelnemers, aspirant-studenten en aspirant-deelnemers, voormalige studenten en deelnemers, personeel en overige betrokkenen bij het onderwijs of de praktijkbegeleiding van de instelling over gedragingen van het bevoegd gezag of ten behoeve van de instelling met taken belaste personen.
|
||||
|
||||
**2.** Het bevoegd gezag voorziet in de klachtbehandeling met overeenkomstige toepassing van in elk geval de artikelen 9:3 tot en met 9:7, eerste lid, 9:8, eerste lid, aanhef en onderdelen a tot en met e, en derde lid, eerste volzin, 9:9, 9:10, eerste lid, tweede lid, onderdelen b en c, en derde lid, 9:11, 9:12, eerste lid, 9:12a, 9:15 en 9:16 van de Algemene wet bestuursrecht.
|
||||
|
||||
**3.** Het bevoegd gezag voorziet in een klachtencommissie die is belast met de behandeling van en advisering over klachten en die bestaat uit ten minste drie leden die geen deel uitmaken van een bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1.1.1, onder w, waaronder een voorzitter die niet werkzaam is voor of bij het bevoegd gezag.
|
||||
|
||||
**4.** Op een ieder die is betrokken bij de uitvoering van dit artikel is artikel 2:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 2. Commissie van beroep voor de examens; geschillenadviescommissie
|
||||
|
||||
### Artikel 7.5.3
|
||||
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag van een instelling of exameninstelling stelt al dan niet in samenwerking met een of meer bevoegde gezagsorganen van andere instellingen of exameninstellingen een commissie van beroep voor de examens in, dan wel sluit zich bij een dergelijke commissie aan. Beslissingen van de examencommissie of van de examinatoren kunnen worden onderworpen aan het oordeel van een commissie van beroep voor de examens.
|
||||
|
||||
**2.** De commissie van beroep voor de examens bestaat uit een even aantal gewone leden en evenveel plaatsvervangende leden, een voorzitter, tevens lid, en een plaatsvervangend voorzitter.
|
||||
|
|
@ -2331,11 +2423,11 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**4.** Op eigen verzoek wordt aan de leden en plaatsvervangende leden van de commissie van beroep voor de examens ontslag verleend. Bij het bereiken van de leeftijd van zeventig jaar wordt hun ontslag verleend met ingang van de eerstvolgende maand. Zij worden ontslagen indien zij uit hoofde van ziekte of gebreken ongeschikt zijn hun functie te vervullen alsmede indien zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf zijn veroordeeld. Alvorens het ontslag op grond van het in de derde volzin bepaalde wordt verleend, wordt de betrokkene van het voornemen tot ontslag in kennis gesteld en wordt hem de gelegenheid geboden zich ter zake te doen horen.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.5.2
|
||||
### Artikel 7.5.4
|
||||
|
||||
**1.** De commissie van beroep voor de examens oordeelt over beslissingen van de examencommissie of van de examinatoren.
|
||||
|
||||
**2.** De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht, twee weken.
|
||||
**2.** Het beroep kan, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht, worden ingesteld terzake dat een beslissing in strijd is met het recht.
|
||||
|
||||
**3.** De commissie beslist binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het beroepschrift is verstreken, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van artikel 7:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, tenzij de commissie deze termijn heeft verlengd met ten hoogste twee weken.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2345,19 +2437,71 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**6.** Indien de commissie het beroep gegrond acht, vernietigt zij de beslissing geheel of gedeeltelijk. De commissie is niet bevoegd in de plaats van de geheel of gedeeltelijk vernietigde beslissing een nieuwe beslissing te nemen, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van artikel 7:25 van de Algemene wet bestuursrecht. Zij kan bepalen dat opnieuw of, indien de beslissing is geweigerd, alsnog in de zaak wordt beslist, dan wel dat het examen of enig onderdeel daarvan opnieuw wordt afgenomen onder door de commissie te stellen voorwaarden. De examencommissie of de examinator van wie de beslissing is vernietigd, voorziet voor zover nodig opnieuw in de zaak met inachtneming van de uitspraak van de commissie van beroep voor de examens. De commissie kan daarvoor in haar uitspraak een termijn stellen.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.5.3
|
||||
### Artikel 7.5.5
|
||||
|
||||
**1.** In zaken waarin het belang van de appellant een onverwijlde voorziening bij voorraad vordert, kan deze bij met redenen omkleed verzoekschrift, in afwachting van de uitspraak in de hoofdzaak, aan de voorzitter van de commissie van beroep voor de examens een voorlopige voorziening vragen. De voorzitter beslist op dat verzoek na de desbetreffende examencommissie dan wel de desbetreffende examinator te hebben gehoord, althans te hebben opgeroepen.
|
||||
|
||||
**2.** Herziening van een uitspraak van de commissie kan op verzoek van elk van beide partijen plaatsvinden op grond van nader gebleken feiten of omstandigheden die indien deze eerder bekend waren geweest tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.5.4
|
||||
### Artikel 7.5.6
|
||||
|
||||
De leden van de examencommissie en de examinatoren verstrekken aan de commissie van beroep voor de examens de inlichtingen die zij voor de uitvoering van haar taak nodig oordeelt.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.5.5
|
||||
### Artikel 7.5.7
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag stelt, al dan niet in samenwerking met een of meer bevoegde gezagsorganen van andere instellingen, een geschillenadviescommissie in of sluit zich bij een dergelijke commissie aan. Op een geschillenadviescommissie is artikel 7:13, eerste tot en met zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing. De leden van de geschillenadviescommissie zijn functioneel onafhankelijk.
|
||||
|
||||
**2.** De geschillenadviescommissie brengt aan het bevoegd gezag advies uit over bezwaren met betrekking tot schriftelijke beslissingen van organen van een instelling inhoudende een rechtshandeling op grond van deze wet en daarop gebaseerde regelingen dan wel met betrekking tot het ontbreken van een dergelijke beslissing. De vorige volzin is niet van toepassing op beslissingen als bedoeld in artikel 7.5.4.
|
||||
|
||||
**3.** De geschillenadviescommissie neemt tevens kennis van geschillen tussen studenten of vavo-studenten en het bevoegd gezag van een instelling met betrekking tot het maken, wijzigen en uitvoeren van de afspraken, bedoeld in artikel 8.1.3a, tweede lid.
|
||||
|
||||
**4.** De geschillenadviescommissie gaat na of een minnelijke schikking tussen partijen mogelijk is.
|
||||
|
||||
**5.** Indien sprake is van onverwijlde spoed kan de voorzitter van de geschillenadviescommissie desgevraagd bepalen dat de geschillenadviescommissie zo spoedig mogelijk advies uitbrengt aan het bevoegd gezag. De voorzitter bepaalt binnen een week na ontvangst van het bezwaar of sprake is van onverwijlde spoed en brengt de betrokkene en het bevoegd gezag hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte. Het bevoegd gezag neemt dan, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht, binnen vier weken na ontvangst van het bezwaar door de faciliteit een beslissing.
|
||||
|
||||
**6.** Het bevoegd gezag kan een commissie belasten met de behandeling van en advisering over zowel bezwaren als bedoeld in het tweede lid als klachten als bedoeld in artikel 7.5.2, onverminderd het bepaalde bij of krachtens dit artikel en de artikelen 7.5.2 en 7.5.8.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.5.8
|
||||
|
||||
Het bevoegd gezag beslist na ontvangst van het bezwaar binnen tien weken, onverminderd de beslissingen op grond van de procedure, bedoeld in artikel 7.5.7, vijfde lid. Wat de openbare instellingen betreft beslist het bevoegd gezag in afwijking van artikel 7:10, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 3. Beroep op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
|
||||
|
||||
### Artikel 7.5.9
|
||||
|
||||
**1.** Een schriftelijke beslissing van een orgaan van een instelling inhoudende een rechtshandeling die jegens een betrokkene is genomen op grond van deze wet en daarop gebaseerde regelingen, wordt voor de toepassing van de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht met betrekking tot besluiten aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van die wet. Het beroep kan worden ingesteld door de betrokkene.
|
||||
|
||||
**2.** Tegen een beslissing van een college van beroep bijzonder onderwijs als bedoeld in artikel 7.5.10 kan geen beroep worden ingesteld.
|
||||
|
||||
**3.** De organen van de instelling verstrekken aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de gegevens die zij voor de uitvoering van haar taak nodig oordeelt.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 4. Colleges van beroep bijzonder onderwijs
|
||||
|
||||
### Artikel 7.5.10
|
||||
|
||||
**1.** In afwijking van artikel 7.5.9, eerste lid, kan het bevoegd gezag van een bijzondere instelling, al dan niet in samenwerking met bevoegde gezagsorganen van een of meer andere bijzondere instellingen met een levensbeschouwelijke aard, in een regeling bepalen dat de instelling in verband met de levensbeschouwelijke aard van de instelling een college van beroep bijzonder onderwijs instelt voor de behandeling van beroepen ingesteld door een betrokkene tegen een beslissing van een orgaan van een instelling die jegens hem op grond van deze wet en daarop gebaseerde regelingen is genomen.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De regeling bevat in elk geval regels over:
|
||||
|
||||
a. de omvang en samenstelling van het college;
|
||||
b. indien nodig, de splitsing in kamers, alsmede de verdeling van de werkzaamheden over de verschillende kamers;
|
||||
c. de zittingstermijn van de leden en eventuele plaatsvervangende leden van het college;
|
||||
d. de wijze waarop het lidmaatschap of plaatsvervangend lidmaatschap van het college eindigt;
|
||||
e. de procedure voor het minnelijk schikken van geschillen en de gevallen waarin deze procedure achterwege kan worden gelaten;
|
||||
f. de wijze waarop in het secretariaat van het college wordt voorzien; en
|
||||
g. de wijze waarop de voorzitter wordt vervangen.
|
||||
|
||||
**3.** De voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter of voorzitters moeten voldoen aan de vereisten voor benoembaarheid tot rechterlijk ambtenaar, bedoeld in artikel 5 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.
|
||||
|
||||
**4.** De regeling bevat tevens een uitwerking van de rechtsgang bij het college, waarbij de artikelen 7.5.3, derde en vierde lid, 7.5.4, zesde lid, 7.5.5, eerste lid, en 7.5.6 van overeenkomstige toepassing zijn.
|
||||
|
||||
**5.** Het college beslist binnen tien weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het beroepschrift is verstreken.
|
||||
|
||||
**6.** De regeling alsmede wijzigingen daarvan worden vastgesteld met inachtneming van de artikelen 7.5.1 tot en met 7.5.9 en worden na de vaststelling zo spoedig mogelijk gezonden aan Onze Minister. Onze Minister kan binnen drie maanden verklaren van oordeel te zijn, dat het bevoegd gezag bij de vaststelling van de rechtsgang de artikelen 7.5.1 tot en met 7.5.9 niet in acht heeft genomen en daartoe in redelijkheid geen beroep heeft kunnen doen op de eigen levensbeschouwelijke aard van de bijzondere instelling die zich tegen inachtneming daarvan zou verzetten, of dat onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Binnen drie maanden wordt het bezwaar ondervangen.
|
||||
|
||||
**7.** De werking van het besluit van Onze Minister, bedoeld in het zesde lid, wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken, of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
|
||||
|
||||
### Titel 6. Commissie van beroep voor de extern gelegitimeerde examens
|
||||
|
||||
|
|
@ -2460,15 +2604,17 @@ b. vreemdeling is en jonger is dan 18 jaar op de eerste dag waarop de opleiding
|
|||
c. vreemdeling is, 18 jaar of ouder is op de eerste dag waarop de opleiding of het onderdeel van de opleiding begint waarvoor voor de eerste maal inschrijving wordt gewenst en op die dag rechtmatig verblijft houdt in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000, of
|
||||
d. vreemdeling is, niet meer voldoet aan een van de voorwaarden genoemd onder b of c, en eerder in overeenstemming met een van die onderdelen is ingeschreven voor een opleiding of het onderdeel van de opleiding van een instelling, welke opleiding of welk onderdeel van de opleiding nog steeds wordt gevolgd en nog niet is voltooid.
|
||||
|
||||
**1a.** Indien na de inschrijving voor de opleiding of een onderdeel van de opleiding blijkt dat deze op welke grond dan ook niet in overeenstemming met de vijfde volzin van het eerste lid heeft plaatsgevonden, wordt de onderwijsovereenkomst, bedoeld in artikel 8.1.3, met onmiddellijke ingang ontbonden.
|
||||
**1a.** Indien na de inschrijving voor de opleiding of een onderdeel van de opleiding blijkt dat deze op welke grond dan ook niet in overeenstemming met de vijfde volzin van het eerste lid heeft plaatsgevonden, wordt de inschrijving met onmiddellijke ingang beëindigd.
|
||||
|
||||
**1b.** Voor de ho-student die zich heeft ingeschreven voor een associate degree-opleiding als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel m, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek geldt niet de verplichting, bedoeld in de eerste volzin van het eerste lid, om gebruik te kunnen maken van de onderwijsvoorzieningen.
|
||||
|
||||
**2.** De inschrijving geschiedt voor een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs of een onderdeel daarvan of voor een beroepsopleiding. In geval van een beroepsopleiding geschiedt de inschrijving voor een opleidingsdomein, een kwalificatiedossier of een kwalificatie. Bij de inschrijving worden alle gegevens vermeld die het bevoegd gezag nodig heeft om te kunnen voldoen aan de verplichting, bedoeld in artikel 2.3.6a, tweede lid, of ingeval van een beroepsopleiding, artikel 2.5.5a, tweede lid.
|
||||
**1c.** Het bevoegd gezag van een bijzondere instelling maakt de beslissing over inschrijving schriftelijk en voorzien van een deugdelijke motivering bekend aan de student of vavo-student. Indien de student of vavo-student jonger dan 18 jaar is, maakt het bevoegd gezag de beslissing ook aan de ouders, voogden of verzorgers schriftelijk bekend.
|
||||
|
||||
**2.** De inschrijving geschiedt voor een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs of een onderdeel daarvan of voor een beroepsopleiding. In geval van een beroepsopleiding geschiedt de inschrijving voor een opleidingsdomein, een kwalificatiedossier of een kwalificatie. Bij de inschrijving worden alle gegevens vermeld die het bevoegd gezag nodig heeft om te kunnen voldoen aan de verplichting, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers.
|
||||
|
||||
**3.** De toelating tot beroepsopleidingen staat voor zover het de beroepsbegeleidende leerweg betreft, uitsluitend open voor degenen voor wie de volledige leerplicht, bedoeld in paragraaf 2 van de Leerplichtwet 1969, is geëindigd.
|
||||
|
||||
**4.** Het bevoegd gezag van een bijzondere instelling kan aangeven dat degenen die wensen te worden ingeschreven voor een entreeopleiding of een basisberoepsopleiding, geacht worden de grondslag en de doelstellingen van de instelling te respecteren. De inschrijving kan worden geweigerd dan wel beëindigd indien de betrokkene de grondslag en de doelstellingen van de instelling niet respecteert. Ten aanzien van degenen die wensen te worden ingeschreven voor een vakopleiding, middenkaderopleiding of een specialistenopleiding, kan het bevoegd gezag ook aangeven dat zij geacht worden de grondslag en de doelstellingen van de instelling te onderschrijven en kan de inschrijving van een betrokkene ook worden geweigerd dan wel beëindigd, indien deze de grondslag en de doelstellingen van de instelling niet onderschrijft. De inschrijving aan een bijzondere instelling kan eveneens worden geweigerd dan wel beëindigd indien gegronde vrees bestaat dat de betrokkene van die inschrijving en de daaraan verbonden rechten misbruik zal maken door in ernstige mate afbreuk te doen aan de eigen aard van die instelling, dan wel indien is gebleken dat de betrokkene van die inschrijving en de daaraan verbonden rechten een dergelijk misbruik heeft gemaakt. De weigering dan wel beëindiging van de inschrijving geschiedt schriftelijk en is met redenen omkleed. De inschrijving kan niet worden beëindigd op grond van de tweede of derde volzin indien voor betrokkene geen gelegenheid bestaat de opleiding aan een andere instelling te volgen. De inschrijving kan niet worden geweigerd of beëindigd op grond van de derde volzin maar uitsluitend op grond van de tweede volzin die van overeenkomstige toepassing is op de vak-, middenkader- en specialistenopleiding, indien betrokkene binnen een verticale scholengemeenschap doorstroomt respectievelijk is doorgestroomd van openbaar voortgezet onderwijs naar beroepsonderwijs.
|
||||
**4.** Het bevoegd gezag van een bijzondere instelling kan aangeven dat degenen die wensen te worden ingeschreven voor een entreeopleiding of een basisberoepsopleiding, geacht worden de grondslag en de doelstellingen van de instelling te respecteren. De inschrijving kan worden geweigerd dan wel beëindigd indien de betrokkene de grondslag en de doelstellingen van de instelling niet respecteert. Ten aanzien van degenen die wensen te worden ingeschreven voor een vakopleiding, middenkaderopleiding of een specialistenopleiding, kan het bevoegd gezag ook aangeven dat zij geacht worden de grondslag en de doelstellingen van de instelling te onderschrijven en kan de inschrijving van een betrokkene ook worden geweigerd dan wel beëindigd, indien deze de grondslag en de doelstellingen van de instelling niet onderschrijft. De inschrijving aan een bijzondere instelling kan eveneens worden geweigerd dan wel beëindigd indien gegronde vrees bestaat dat de betrokkene van die inschrijving en de daaraan verbonden rechten misbruik zal maken door in ernstige mate afbreuk te doen aan de eigen aard van die instelling, dan wel indien is gebleken dat de betrokkene van die inschrijving en de daaraan verbonden rechten een dergelijk misbruik heeft gemaakt. De beëindiging van de inschrijving geschiedt schriftelijk en is met redenen omkleed. De inschrijving kan niet worden beëindigd op grond van de tweede of derde volzin indien voor betrokkene geen gelegenheid bestaat de opleiding aan een andere instelling te volgen. De inschrijving kan niet worden geweigerd of beëindigd op grond van de derde volzin maar uitsluitend op grond van de tweede volzin die van overeenkomstige toepassing is op de vak-, middenkader- en specialistenopleiding, indien betrokkene binnen een verticale scholengemeenschap doorstroomt respectievelijk is doorgestroomd van openbaar voortgezet onderwijs naar beroepsonderwijs.
|
||||
|
||||
**5.** De inschrijving voor een opleidingsdomein kan uitsluitend geschieden voor een beroepsopleiding in de beroepsopleidende leerweg op het tweede, derde of vierde niveau, bedoeld in artikel 7.2.2, derde lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2509,7 +2655,10 @@ b. hij reeds zes jaar of langer in een beroepsopleiding ingeschreven is geweest
|
|||
c. paragraaf 2a van de Leerplichtwet 1969 niet meer op hem van toepassing is, en:
|
||||
|
||||
1°. hij zich niet uiterlijk op de datum, genoemd in artikel 8.0.1, eerste lid, heeft aangemeld, voor zover het een opleiding betreft die start bij de aanvang van het op die datum volgende studiejaar, en voor zover het derde lid van dat artikel niet van toepassing is, of
|
||||
2°. ten behoeve van hem geen studiekeuzeadvies is uitgebracht als bedoeld in artikel 8.0.4, voor zover het bevoegd gezag daartoe voor diegene verplichte intakeactiviteiten organiseert.
|
||||
2°. ten behoeve van hem geen studiekeuzeadvies is uitgebracht als bedoeld in artikel 8.0.4, voor zover het bevoegd gezag daartoe voor diegene verplichte intakeactiviteiten organiseert; of
|
||||
d. hij niet voor 1 juli heeft gereageerd op het verzoek van het bevoegd gezag om te kennen te geven of hij zijn aanmelding wenst te handhaven, voor zover het bevoegd gezag een reactie op dit verzoek als voorwaarde voor de toelating heeft gesteld.
|
||||
|
||||
**3a.** Het bevoegd gezag kan zich niet beroepen op de grond, bedoeld in het derde lid, onderdeel d, indien het bevoegd gezag degene die om toelating verzoekt na de aanmelding niet schriftelijk heeft geïnformeerd dat het geven van een reactie als bedoeld in het derde lid, onderdeel d, een voorwaarde voor de toelating is.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -2519,8 +2668,9 @@ a. de betrokkene niet wordt ingeschreven op grond van het tweede lid;
|
|||
b. de betrokkene niet wordt ingeschreven omdat hij niet voldoet aan de voor die opleiding krachtens artikel 8.2.2a gestelde eisen; of
|
||||
c. paragraaf 2a van de Leerplichtwet 1969 op hem van toepassing is, en de betrokkene niet wordt ingeschreven:
|
||||
|
||||
1°. omdat hij zich niet uiterlijk op de datum, genoemd in artikel 8.0.1, eerste lid, heeft aangemeld, voor zover het een opleiding betreft die start bij de aanvang van het op die datum volgende studiejaar, en voor zover het derde lid van dat artikel niet van toepassing is; of
|
||||
2°. omdat ten behoeve van hem geen studiekeuzeadvies is uitgebracht als bedoeld in artikel 8.0.4, voor zover het bevoegd gezag daartoe voor diegene verplichte intakeactiviteiten organiseert.
|
||||
1°. omdat hij zich niet uiterlijk op de datum, genoemd in artikel 8.0.1, eerste lid, heeft aangemeld, voor zover het een opleiding betreft die start bij de aanvang van het op die datum volgende studiejaar, en voor zover het derde lid van dat artikel niet van toepassing is;
|
||||
2°. omdat ten behoeve van hem geen studiekeuzeadvies is uitgebracht als bedoeld in artikel 8.0.4, voor zover het bevoegd gezag daartoe voor diegene verplichte intakeactiviteiten organiseert; of
|
||||
3°. op grond van het derde lid, onderdeel d.
|
||||
|
||||
**5.** Bij een inschrijvingsbeperking als bedoeld in het tweede lid hanteert het bevoegd gezag geen toelatingscriteria waarbij aan betrokkenen die aan de vooropleidingseisen voor de desbetreffende opleiding voldoen, extra eisen worden gesteld aan hun geschiktheid. Onverminderd de vorige volzin, verleent het bevoegd gezag aan de inschrijving van betrokkenen die in overeenstemming met artikel 8.0.1, eerste lid, uiterlijk op 1 april voor de desbetreffende opleiding zijn aangemeld, voorrang.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2538,29 +2688,11 @@ c. paragraaf 2a van de Leerplichtwet 1969 op hem van toepassing is, en de betrok
|
|||
|
||||
**2.** Openbare instellingen zijn toegankelijk voor studenten en vavo-studenten zonder onderscheid naar godsdienst of levensbeschouwing.
|
||||
|
||||
**3.** Indien tot een bijzondere instelling andere studenten en vavo-studenten worden toegelaten dan voor wie de instelling in verband met de godsdienstige of levensbeschouwelijke richting wordt in stand gehouden, kunnen deze studenten en vavo-studenten niet worden verplicht tot het volgen van onderwijs dat in verband met die richting door de instelling wordt verzorgd.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.1.3
|
||||
|
||||
**1.** Aan de inschrijving ligt een overeenkomst tussen het bevoegd gezag en de student of vavo-student ten grondslag.
|
||||
|
||||
**2.** De overeenkomst wordt, overeenkomstig een door het bevoegd gezag vastgesteld model, schriftelijk aangegaan. De overeenkomst wordt gesloten voor de duur van de beroepsopleiding of een deel daarvan, dan wel de opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs of een deel daarvan waarop de inschrijving betrekking heeft.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De overeenkomst regelt de rechten en verplichtingen van partijen, daaronder begrepen die, welke voortvloeien uit de wet, en omvat ten minste bepalingen over:
|
||||
|
||||
a. de inhoud en inrichting van een opleiding, waaronder voor een beroepsopleiding begrepen de leerweg, de examenvoorzieningen en de kwalificatie, of, bij inschrijving voor een opleidingsdomein of een kwalificatiedossier, dat opleidingsdomein of dat kwalificatiedossier, het beoogde niveau van de te behalen kwalificatie en het keuzedeel, de keuzedelen en het onderdeel of de onderdelen, bedoeld in artikel 6.1.2a, tweede lid, die deel uitmaken van de beroepsopleiding,
|
||||
b. de tijdvakken waarbinnen en, de locatie, alsmede in voorkomend geval het samenwerkingscollege, waar de opleiding wordt verzorgd,
|
||||
c. de wijze waarop partijen uit de overeenkomst voortkomende prestaties gestalte zullen geven,
|
||||
d. in voorkomend geval, terugbetaling van voorschotten, verstrekt door het bevoegd gezag, ter voldoening van een bij of krachtens de wet geregelde geldelijke bijdrage als bedoeld in artikel 8.1.4,
|
||||
e. de terugbetaling van cursusgeld in andere gevallen dan bedoeld in artikel 14, tweede lid onder a tot en met d, van het Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet 2000,
|
||||
f. het verzuimbeleid van het bevoegd gezag,
|
||||
g. indien sprake is van een gehandicapte student of vavo-student, de extra ondersteuning die voortvloeit uit zijn handicap,
|
||||
h. de rechten en plichten ten aanzien van zwangerschap en bevalling, en
|
||||
i. de gevallen waarin en de wijze waarop de overeenkomst voortijdig kan worden ontbonden.
|
||||
|
||||
**4.** Indien tot een bijzondere instelling andere studenten en vavo-studenten worden toegelaten dan voor wie de instelling in verband met de godsdienstige of levensbeschouwelijke richting wordt in stand gehouden, kunnen deze studenten en vavo-studenten niet worden verplicht tot het volgen van onderwijs dat in verband met die richting door de instelling wordt verzorgd.
|
||||
|
||||
**5.** Definitieve verwijdering van een student of vavo-student waarop de Leerplichtwet 1969 van toepassing is, vindt niet plaats dan nadat het bevoegd gezag ervoor heeft zorggedragen dat een andere instelling, een school voor speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, dan wel een instelling als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Leerplichtwet 1969 bereid is de student of vavo-student toe te laten. Indien aantoonbaar gedurende 8 weken zonder succes is gezocht naar een zodanige instelling of school waarnaar kan worden verwezen, kan in afwijking van de eerste volzin tot definitieve verwijdering worden overgegaan.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 8.1.3a
|
||||
|
||||
|
|
@ -2692,21 +2824,21 @@ b. voor 1 augustus 2005 studiefinanciering in de zin van de Wet studiefinancieri
|
|||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Aan een advies als bedoeld in het eerste lid kan het bevoegd gezag een besluit tot ontbinding van de onderwijsovereenkomst, bedoeld in artikel 8.1.3, verbinden. Tot ontbinding wordt slechts overgaan indien:
|
||||
Aan een advies als bedoeld in het eerste lid kan het bevoegd gezag de beëindiging van de inschrijving voor de desbetreffende opleiding verbinden. Tot beëindiging van de inschrijving wordt slechts overgaan indien:
|
||||
|
||||
a. de student naar het oordeel van het bevoegd gezag, met inachtneming van de bij ministeriële regeling vastgestelde persoonlijke omstandigheden, onvoldoende vordering heeft gemaakt in de opleiding;
|
||||
b. het bevoegd gezag heeft gezorgd voor zodanige voorzieningen dat de mogelijkheden voor goede voortgang van de opleiding zijn gewaarborgd, en
|
||||
c. het bevoegd gezag de desbetreffende student een schriftelijke waarschuwing heeft gegeven onder bepaling van een redelijke termijn waarbinnen de studieresultaten ten genoegen van het bevoegd gezag dienen te zijn verbeterd.
|
||||
|
||||
**3.** Van de student waarvan de onderwijsovereenkomst op grond van het tweede lid is ontbonden, wordt de inschrijving voor de desbetreffende opleiding aan de betrokken instelling beëindigd. De student kan niet opnieuw aan die instelling voor die opleiding worden ingeschreven. Het bevoegd gezag spant zich in de student te ondersteunen en begeleiden naar een andere opleiding al dan niet aan die instelling, rekening houdend met diens voorkeuren. Artikel 8.1.3, vijfde lid, is daarbij van overeenkomstige toepassing op een student op wie de Leerplichtwet 1969 niet meer van toepassing is. Het bevoegd gezag biedt de student in elk geval de mogelijkheid zich te laten inschrijven aan een andere opleiding aan die instelling waarvoor de inschrijving wel mogelijk is. De vorige volzin geldt niet voor beroepscolleges als bedoeld in artikel 1.3.2 of als het een student betreft op wie artikel 8.1.1c, derde lid, onderdeel a of b, van toepassing is.
|
||||
**3.** De student van wie de inschrijving voor een opleiding op grond van het tweede lid is beëindigd, kan niet opnieuw aan die instelling voor die opleiding worden ingeschreven. Het bevoegd gezag spant zich in de student te ondersteunen en begeleiden naar een andere opleiding al dan niet aan die instelling, rekening houdend met diens voorkeuren. Artikel 8.1.7d, tweede lid, is daarbij van overeenkomstige toepassing op een student op wie de Leerplichtwet 1969 niet meer van toepassing is. Het bevoegd gezag biedt de student in elk geval de mogelijkheid zich te laten inschrijven aan een andere opleiding aan die instelling waarvoor de inschrijving wel mogelijk is. De vorige volzin geldt niet voor beroepscolleges als bedoeld in artikel 1.3.2 of als het een student betreft op wie artikel 8.1.1c, derde lid, onderdeel a of b, van toepassing is.
|
||||
|
||||
**4.** Het bevoegd gezag stelt ter uitvoering van de voorgaande leden nadere regels vast. Deze regels hebben in elk geval betrekking op de te behalen studieresultaten en de voorzieningen, bedoeld in het tweede lid.
|
||||
|
||||
**5.** Tegen het advies, bedoeld in het eerste lid, staat binnen twee weken na het uitbrengen van het advies, beroep open bij de Commissie van beroep voor de examens, bedoeld in artikel 7.5.1. De artikelen 7.5.1 tot en met 7.5.4 zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**5.** Tegen het advies, bedoeld in het eerste lid, staat beroep open bij de Commissie van beroep voor de examens, bedoeld in artikel 7.5.3. De artikelen 7.5.3 tot en met 7.5.6 zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.1.7b
|
||||
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag kan in bijzondere gevallen na advies van de examencommissie en na zorgvuldige afweging van de betrokken belangen de onderwijsovereenkomst met een student ontbinden dan wel weigeren, als die student door zijn gedragingen of uitlatingen blijk heeft gegeven van ongeschiktheid voor de uitoefening van een of meer beroepen waartoe de door hem gevolgde opleiding hem opleidt, dan wel voor de praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening.
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag kan in bijzondere gevallen na advies van de examencommissie en na zorgvuldige afweging van de betrokken belangen beslissen de student niet in te schrijven of de inschrijving te beëindigen, als die student door zijn gedragingen of uitlatingen blijk heeft gegeven van ongeschiktheid voor de uitoefening van een of meer beroepen waartoe de door hem gevolgde opleiding hem opleidt, dan wel voor de praktische voorbereiding op de beroepsuitoefening.
|
||||
|
||||
**2.** Het bevoegd gezag dan wel het bevoegd gezag van een andere instelling die een zelfde of verwante opleiding verzorgt, kan besluiten de student niet opnieuw of niet voor die opleiding in te schrijven.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2972,11 +3104,15 @@ Het bevoegd gezag van een instelling en het bevoegd gezag van een school melden
|
|||
|
||||
### Artikel 8.5a.6
|
||||
|
||||
Voordat een leerling van een school in een doorlopende leerroute voor de eerste keer een deel van het onderwijsprogramma volgt dat behoort tot de beroepsopleiding die deel uitmaakt van die doorlopende leerroute, sluiten het bevoegd gezag van de instelling en de leerling een overeenkomst waarop artikel 8.1.3, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing is.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 8.5a.7
|
||||
|
||||
De leerling van een school die een doorlopende leerroute vmbo-mbo volgt wordt met ingang van het derde studiejaar van die doorlopende leerroute vmbo-mbo ingeschreven als student aan de instelling die het beroepsonderwijs binnen de doorlopende leerroute vmbo-mbo verzorgt. De overeenkomst, bedoeld in artikel 8.5a.6, wordt gezien als overeenkomst, bedoeld in artikel 8.1.3. In afwijking van artikel 8.1.1a, eerste lid, eerste volzin, overlegt de school de gegevens, bedoeld in die volzin.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De leerling van een school die een doorlopende leerroute vmbo-mbo volgt wordt met ingang van het derde studiejaar van die doorlopende leerroute vmbo-mbo ingeschreven als student aan de instelling die het beroepsonderwijs binnen de doorlopende leerroute vmbo-mbo verzorgt. In afwijking van artikel 8.1.1a, eerste lid, eerste volzin, overlegt de school de gegevens, bedoeld in die volzin.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de inschrijving, bedoeld in het eerste lid, is het studentenstatuut, bedoeld in artikel 7.4.8, vierde lid, reeds van toepassing op een leerling van een school die een doorlopende leerroute vmbo-mbo volgt.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.5a.8
|
||||
|
||||
|
|
@ -2995,7 +3131,7 @@ b. de examinering en diplomering betreffende de beroepsopleiding die deel uitmaa
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In het kader van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.4.8, tweede lid, die wordt opgesteld ten aanzien van een doorlopende leerroute, beschrijft het bevoegd gezag van de instelling samen met het bevoegd gezag van de school voor de gehele doorlopende leerroute vmbo-mbo het onderwijsprogramma en de examinering per studiejaar. Daarbij wordt vermeld welke onderdelen van het onderwijsprogramma en van het examen:
|
||||
In het kader van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.4.8, tweede lid, en lid 2a die wordt opgesteld ten aanzien van een doorlopende leerroute, beschrijft het bevoegd gezag van de instelling samen met het bevoegd gezag van de school voor de gehele doorlopende leerroute vmbo-mbo het onderwijsprogramma en de examinering per studiejaar. Daarbij wordt vermeld welke onderdelen van het onderwijsprogramma en van het examen:
|
||||
|
||||
a. voortgezet onderwijs betreffen, en welk deel daarbinnen vakoverstijgend is;
|
||||
b. beroepsonderwijs betreffen;
|
||||
|
|
@ -3054,7 +3190,7 @@ Voor de vakoverstijgende delen van het onderwijsprogramma, bedoeld in artikel 8.
|
|||
|
||||
### Artikel 8.5a.14
|
||||
|
||||
Op een student aan een doorlopende leerroute op wie de Leerplichtwet 1969 niet van toepassing is, is artikel 8.1.3, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing, indien hij nog geen vmbo-diploma heeft behaald.
|
||||
Op een student aan een doorlopende leerroute op wie de Leerplichtwet 1969 niet van toepassing is, is artikel 8.1.7d, tweede lid, van overeenkomstige toepassing, indien hij nog geen vmbo-diploma heeft behaald.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.5a.15
|
||||
|
||||
|
|
@ -3197,6 +3333,10 @@ c. de termijn waarbinnen tot instemming of onthouding van de instemming moet wor
|
|||
|
||||
**5.** De studentenraad doet jaarlijks schriftelijk verslag van zijn werkzaamheden en draagt er zorg voor dat alle bij de instelling betrokkenen van het verslag kennis kunnen nemen.
|
||||
|
||||
### Artikel 8a.2.1a
|
||||
|
||||
Indien het bevoegd gezag een voorstel voor advies of instemming voorlegt aan de studentenraad, wijst het bevoegd gezag de studentenraad uitdrukkelijk op haar instemmings- of adviesbevoegdheid.
|
||||
|
||||
### Artikel 8a.2.2
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
|
@ -3218,14 +3358,14 @@ c. de beroeps- en klachtenregelingen voor studenten en vavo-studenten;
|
|||
d. de hoogte en de besteding van de vrijwillige ouder- of studentbijdrage, alsmede de wijze waarop deze bijdrage tussen student of vavo-student en bevoegd gezag wordt overeengekomen;
|
||||
e. de wijze waarop informatie wordt gegeven over de inhoud, planning en organisatie van het onderwijs en de examens;
|
||||
f. de besteding van stagefondsen;
|
||||
g. de model-onderwijsovereenkomst;
|
||||
g. vervallen;
|
||||
h. de model-praktijkovereenkomst;
|
||||
i. het beleid met betrekking tot toelating, schorsing en verwijdering van studenten en vavo-studenten;
|
||||
i. vervallen;
|
||||
j. de wijze van vastleggen van studievorderingen van studenten en vavo-studenten en in dat verband het beleid met betrekking tot bescherming van de privacy van studenten en vavo-studenten;
|
||||
k. de regels op het gebied van veiligheid, gezondheid en welzijn voor zover deze de studenten en vavo-studenten betreffen;
|
||||
l. het reglement voor de studentenraad, met inachtneming van artikel 8a.3.1, derde lid;
|
||||
m. het onderwijsprogramma indien dit minder uren als bedoeld in artikel 7.2.7, derde of vierde lid, omvat;
|
||||
n. het beleid met betrekking tot het beperkt en beheersbaar houden van de middelen die van de studenten en vavo-studenten worden gevraagd voor schoolkosten die door het bevoegd gezag noodzakelijk worden bevonden;
|
||||
m. het onderwijsprogramma indien dit minder uren als bedoeld in artikel 7.2.7, derde of vierde lid, omvat.
|
||||
n. vervallen;
|
||||
o. het beleid bij de toepassing van artikel 8.1.5;
|
||||
p. het vaststellen of wijzigen van een examenreglement voor een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in artikel 2.60 van de Wet op het voortgezet onderwijs 2020;
|
||||
q. het vaststellen of wijzigen van een programma van toetsing en afsluiting voor een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in de artikelen 2.60a tot en met 2.60c van de Wet op het voortgezet onderwijs 2020.
|
||||
|
|
@ -3444,7 +3584,7 @@ Indien de uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 2 van de bij de Algemen
|
|||
|
||||
### Artikel 11.1
|
||||
|
||||
**1.** Indien het bevoegd gezag van een instelling in strijd handelt met het bepaalde bij of krachtens deze wet dan wel indien de raad van toezicht een aanwijzing als bedoeld in artikel 3.1.5 niet opvolgt, kan Onze Minister bepalen dat de rijksbijdrage, voorschotten daaronder begrepen, geheel of gedeeltelijk wordt ingehouden dan wel opgeschort.
|
||||
**1.** Indien het bevoegd gezag van een instelling in strijd handelt met het bepaalde bij of krachtens deze wet dan wel een aanwijzing als bedoeld in artikel 3.1.5 of een spoedaanwijzing als bedoeld in artikel 3.1.6 niet opvolgt, kan Onze Minister de rijksbijdrage, voorschotten daaronder begrepen, geheel of gedeeltelijk inhouden dan wel opschorten.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien het bevoegd gezag of het personeel van een instelling in strijd handelt met artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3452,11 +3592,18 @@ Indien de uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 2 van de bij de Algemen
|
|||
|
||||
### Artikel 11.2
|
||||
|
||||
**1.** Het is anderen dan de instellingen die daartoe ingevolge deze wet gerechtigd zijn, verboden onderwijs aan te bieden of te verzorgen, dan wel examinering te verzorgen, onder de naam van een in de Registratie instellingen en opleidingen opgenomen beroepsopleiding.
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
**2.** Degene die in strijd handelt met het eerste lid, wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie.
|
||||
Het is anderen dan de instellingen die daartoe ingevolge deze wet zijn gerechtigd, verboden om:
|
||||
|
||||
**3.** Het in het eerste lid strafbaar gestelde feit is een overtreding.
|
||||
a. een beroepsopleiding in de zin van deze wet te verzorgen of aan te bieden;
|
||||
b. een examen in de zin van deze wet af te nemen of aan te bieden;
|
||||
c. een diploma als bedoeld in artikel 7.4.6, een certificaat als bedoeld in artikel 7.2.3 of een mbo-verklaring als bedoeld in artikel 7.4.6a af te geven of in het vooruitzicht te stellen; of
|
||||
d. de indruk te wekken dat een activiteit onderwijs of examinering in de zin van deze wet betreft, dan wel kan leiden tot een diploma als bedoeld in artikel 7.4.6, een certificaat als bedoeld in artikel 7.2.3 of een mbo-verklaring als bedoeld in artikel 7.4.6a.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen aan degene die handelt in strijd met het eerste lid.
|
||||
|
||||
**3.** De bestuurlijke boete, bedoeld in het tweede lid, bedraagt ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, of, indien dat passender is, ten hoogste 10% van de omzet van de onderneming, onderscheidenlijk, indien de overtreding door een ondernemersvereniging is begaan, van de gezamenlijke omzet van de ondernemingen die van de vereniging deel uitmaken, in het boekjaar voorafgaande aan het besluit waarin de bestuurlijke boete wordt opgelegd.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Opschorten en terugvorderen rijksbijdrage educatie
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue