2008-08-01 | BWBR0014753 | Besluit leerlinggebonden financiering

This commit is contained in:
Coornhert 2008-08-01 12:00:00 +00:00
parent f18b0f3d83
commit 0e3ca1abc4

View file

@ -32,17 +32,15 @@ ICD-10: het classificatiesysteem voor psychische stoornissen volgens Internation
Cochleair implantaat: een electronische prothese die het buiten-, midden- en binnenoor overbrugt. Het zet geluid om in electrische pulsen die de gehoorzenuw stimuleren;
Jeugd-GGZ: de geestelijke gezondheidszorg voor kinderen en jeugdigen, is onderdeel van de jeugdzorg.
Jeugd-GGZ: de geestelijke gezondheidszorg voor kinderen en jeugdigen, is onderdeel van de jeugdzorg;
Onderwijskundig rapport: rapport opgesteld door de directeur van de school die wordt verlaten ten behoeve van de ontvangende school of een school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs dan wel de Wet op het voortgezet onderwijs.
onderwijskundig rapport: onderwijskundig rapport als bedoeld in artikel 43 van de wet en de artikelen 42 en 43 van de Wet op het primair onderwijs;
LG: lichamelijk gehandicapte kinderen voor wie vaststaat dat zij overwegend op een orthopedagogische en orthodidactische benadering aangewezen zijn.
LG: lichamelijk gehandicapte kinderen voor wie vaststaat dat zij overwegend op een orthopedagogische en orthodidactische benadering aangewezen zijn;
LZK: langdurig somatisch zieke kinderen voor wie vaststaat dat zij overwegend op een orthopedagogische en orthodidactische benadering aangewezen zijn.
LZK: langdurig somatisch zieke kinderen voor wie vaststaat dat zij overwegend op een orthopedagogische en orthodidactische benadering aangewezen zijn;
ZMLK: zeer moeilijk lerende kinderen voor wie vaststaat dat zij overwegend op een orthopedagogische en orthodidactische benadering aangewezen zijn;
landelijke commissie toezicht indicatiestelling: de commissie, bedoeld in artikel 28e, eerste lid, van de wet.
ZMLK: zeer moeilijk lerende kinderen voor wie vaststaat dat zij overwegend op een orthopedagogische en orthodidactische benadering aangewezen zijn.
### Artikel 2
@ -61,8 +59,9 @@ a. ten aanzien van cluster 1:
het onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen die tevens zeer moeilijk lerend zijn;
b. ten aanzien van cluster 2:
1°. het onderwijs aan dove kinderen die tevens zeer moeilijk lerend zijn en
1°. het onderwijs aan dove kinderen die tevens zeer moeilijk lerend zijn,
2°. het onderwijs aan slechthorende kinderen die tevens zeer moeilijk lerend zijn, en
3°. het onderwijs aan doofblinde kinderen; en
c. ten aanzien van cluster 3:
het onderwijs aan lichamelijk gehandicapte kinderen die tevens zeer moeilijk lerend zijn.
@ -80,64 +79,46 @@ b. vier of meer andere leden.
**2.** Tot de commissie voor de indicatiestelling behoren de volgende deskundigen: een onderwijsdeskundige, een als diagnosticus gekwalificeerd gedragswetenschapper, een jeugdarts of andere arts, en een maatschappelijk werker of voor zover het cluster 2 betreft, een logopedist.
**3.** De commissie voor de indicatiestelling die een verzoek beoordeelt als bedoeld in artikel 28c, eerste lid, aanhef, of tweede lid, derde volzin, van de wet, is samengesteld uit de voorzitter en vier andere leden. Het tweede lid is van toepassing.
**3.** De commissie voor de indicatiestelling die een verzoek beoordeelt als bedoeld in artikel 28c, eerste lid, aanhef, of tweede lid, derde volzin, van de wet, artikel 70b van de Wet op het primair onderwijs en artikel 77b van de Wet op het voortgezet onderwijs, is samengesteld uit de voorzitter en vier andere leden. Het tweede lid is van toepassing.
**4.** Indien dat in een uitzonderlijk geval in het belang van een goede beoordeling noodzakelijk is, kan de commissie in haar samenstelling, bedoeld in het derde lid, met een of meer daartoe deskundigen worden uitgebreid.
**5.** De leden van de commissie voor de indicatiestelling vervullen geen nevenbetrekking of nevenwerkzaamheden die schadelijk zijn voor de vervulling van de functie van lid van de commissie en zij verrichten hun werkzaamheden zonder last of ruggespraak.
### Artikel 4a
**1.** De gegevens en verklaringen die bij het aanmeldingsformulier, bedoeld in artikel 28c, vierde lid, van de wet, worden gevoegd zijn de toepasselijke onderzoeksgegevens en het onderwijskundig rapport, bedoeld in de afzonderlijke artikelen 13 tot en met 23.
**2.** Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de ouders van een leerling toestemming geven aan de commissie voor de indicatiestelling of de instantie binnen het regionaal expertisecentrum die de ouders bij de aanmelding begeleidt de gegevens en verklaringen, bedoeld in het eerste lid, op te vragen bij degene die het onderzoek heeft verricht of het rapport heeft opgesteld.
### Artikel 5
**1.** Tot de voorzitter en de leden van de landelijke commissie toezicht indicatiestelling behoren de volgende deskundigen: een arts en deskundigen op het gebied van de orthopedagogiek, de onderwijskunde en testaangelegenheden.
**2.** De voorzitter en de leden van de landelijke commissie toezicht indicatiestelling worden voor een periode van vier jaar benoemd. Herbenoeming voor een aansluitende periode is mogelijk.
**3.**
De voorzitter of een lid van de landelijke commissie toezicht indicatiestelling kan in zijn ambt worden geschorst indien:
a. een strafrechtelijke vervolging terzake van misdrijf tegen hem is ingesteld;
b. het voornemen tot ontslag aan hem is te kennen gegeven of
c. naar het oordeel van Onze minister het belang van goed toezicht dat vordert.
**4.** De voorzitter en de leden, bedoeld in het tweede lid, worden op hun verzoek ontslagen.
Vervallen
### Artikel 6
**1.** De landelijke commissie toezicht indicatiestelling stelt een reglement van orde vast.
**2.** De commissie, bedoeld in het eerste lid, komt jaarlijks ten minste vijfmaal bijeen.
**3.** De voltallige commissie, bedoeld in het eerste lid, beslist bij meerderheid van stemmen.
**4.** De commissie, bedoeld in het eerste lid, draagt er zorg voor dat de verwerving van gegevens en verklaringen als bedoeld in artikel 28c, vijfde lid, van de wet op een voor alle betrokkenen zo efficiënt mogelijke wijze geschiedt.
Vervallen
### Artikel 7
De landelijke commissie toezicht indicatiestelling stelt jaarlijks voor 1 mei een verslag op van haar werkzaamheden over het afgelopen kalenderjaar. Daarin komt in ieder geval aan de orde het aantal leerlingen waarvoor zij op grond van artikel 28c, vijfde lid, van de wet de gegevens heeft ontvangen, de wijze waarop zij die gegevens heeft verwerkt ten behoeve van de totstandkoming van haar adviezen, bedoeld in artikel 28e, derde lid, van de wet en het aantal door haar gegeven aanwijzingen, bedoeld in artikel 28e, tweede lid, eerste volzin, van de wet met de aanleiding voor die aanwijzingen en haar werkwijze daaromtrent. Het verslag, bedoeld in de eerste volzin, wordt aan Onze minister gezonden.
Vervallen
### Artikel 8
**1.** De landelijke commissie toezicht indicatiestelling stelt jaarlijks voor 1 oktober een jaarwerkplan vast waarin inzicht wordt gegeven in de voorgenomen uitoefening van haar werkzaamheden voor het komende kalenderjaar. Het jaarwerkplan behoeft de instemming van Onze minister en wordt binnen 14 dagen na vaststelling aan hem gezonden.
**2.** De landelijke commissie toezicht indicatiestelling stelt binnen een maand na inwerkingtreding van dit besluit een plan vast ten aanzien van haar werkzaamheden over de periode 1 augustus 2003 tot en met 31 december 2003. Het plan behoeft de instemming van Onze minister en wordt binnen 14 dagen na vaststelling aan hem gezonden.
Vervallen
### Artikel 9
**1.** De kosten van de landelijke commissie toezicht indicatiestelling worden door Onze minister vergoed. De commissie zendt jaarlijks voor 1 mei aan Onze minister een ontwerp voor de begroting voor het volgende kalenderjaar van de aan de taakvervulling door de commissie verbonden uitgaven en zendt jaarlijks voor 1 november haar begroting voor het volgende kalenderjaar ten aanzien van de middelen die ingevolge de desbetreffende begrotingswet ter beschikking zijn gesteld.
**2.** De commissie, bedoeld in het eerste lid, legt jaarlijks voor 1 mei aan Onze minister rekening en verantwoording af van het geldelijk beheer over het afgelopen kalenderjaar.
**3.** De commissie, bedoeld in het eerste lid, stelt binnen een maand na inwerkingtreding van dit besluit haar begroting vast over de periode 1 augustus 2003 tot en met 31 december 2003 ten aanzien van de middelen die ingevolge de desbetreffende begrotingswet ter beschikking zijn gesteld. Zij zendt die begroting binnen 14 dagen na vaststelling aan Onze minister.
Vervallen
### Artikel 10
**1.** Het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 40a, eerste lid, van de wet, zendt per kwartaal een rapportage als bedoeld in dat artikel aan de landelijke commissie toezicht indicatiestelling.
**2.** De rapportage, bedoeld in het eerste lid, betreft in elk geval de reden van toelating per leerling, en de aard van diens problematiek in relatie tot het te volgen onderwijs.
Vervallen
### Artikel 11
**1.**
Het aantal schooljaren waarop het oordeel van de commissie voor de indicatiestelling, bedoeld in artikel 28c, tweede lid, eerste volzin, van de wet betrekking heeft, is
a. indien het betreft de toelaatbaarheid tot het speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs aan:
@ -152,6 +133,10 @@ a. indien het betreft de toelaatbaarheid tot het speciaal onderwijs of voortgeze
8°. meervoudig gehandicapte kinderen: 4 schooljaren, en
b. indien het betreft de toelaatbaarheid tot cluster 4: 3 schooljaren voor alle tot cluster 4 behorende onderwijssoorten.
**2.** Indien het de toelaatbaarheid van een kind met het syndroom van Down betreft voor de onderwijssoort zeer moeilijk lerende kinderen, ziet het oordeel van de commissie voor de indicatiestelling in afwijking van het eerste lid op de schooljaren waarvoor het kind ingeschreven staat bij een school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de wet en artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, en op de studiejaren waarvoor het betreffende kind deelnemer is als bedoeld in artikel 2.2.5 van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
**3.** Indien het de toelaatbaarheid van een jongere afkomstig uit een justitiële jeugdinrichting betreft en deze jongere toelaatbaar is op grond van artikel 23, derde lid, ziet het oordeel van de commissie voor de indicatiestelling in afwijking van het eerste lid op een periode van één schooljaar aansluitend op de periode dat deze jongere in een justitiële jeugdinrichting heeft gezeten. Indien het oordeel in de loop van een schooljaar wordt gegeven, wordt de periode tot de eerste dag van het eerstvolgende schooljaar toegevoegd aan de in de eerste volzin bedoelde periode.
## Hoofdstuk 3. Indicatiecriteria
### Paragraaf 1. Algemeen
@ -178,14 +163,25 @@ f. ontbrekende leervoorwaarden of leerachterstand bij leerlingen met een IQ tuss
1°. voor kinderen tot en met 7 jaar het ontbreken van algemene leervoorwaarden, blijkend uit ernstige tekortkomingen in eigenschappen die noodzakelijk zijn om deel te kunnen nemen aan regulier onderwijs: voor de leerling die nog niet naar school gaat of voor de leerling uit groep 1 en 2, voor deze laatste blijkend uit gegevens van het onderwijskundig rapport, zodanig dat sprake is van ernstige tekortkomingen op het gebied van het leer- en taakgedrag, zoals werkhouding, taakgerichtheid, aandacht en motivatie, waarbij uit rapportages blijkt dat de leerling gedurende een jaar zeer geringe vooruitgang heeft geboekt;
2°. voor kinderen van 8 tot 12 jaar een zeer geringe vooruitgang gedurende een jaar op de gebieden van aanvankelijk lezen, spellen en rekenen die blijkt uit een didactisch toetsoverzicht van tenminste een jaar met ruwe toetsscores; of
3°. voor leerlingen van 12 jaar en ouder schoolvorderingen die niet verder gaan dan beheersing van de leerstof tot en met eind groep 3,
g. het ontbreken van algemene voorwaarden wat betreft het schools en relationeel functioneren bij de leerling die voor cluster 4 wordt aangemeld, blijkend uit gegevens van het onderwijskundig rapport of gegevens van een zorginstantie zodanig dat sprake is van ernstige tekortkomingen in verband met het gedrag op het gebied van het leer- en taakgedrag zoals werkhouding, taakgerichtheid, aandacht en motivatie of ernstige problemen in de interactie met het onderwijsgevend personeel of ernstig storend gedrag ten aanzien van het onderwijsleerproces van medeleerlingen, waarbij de genoemde problemen manifest zijn gedurende een jaar, zich niet beperken tot een bepaalde situatie en weinig of niet worden beïnvloed door op de problemen gerichte aanpak en afspraken, of
h. extreem gedrag bij de leerling die voor cluster 4 wordt aangemeld, waarbij op basis van psychodiagnostisch onderzoek blijkt dat de leerling een gevaar voor zichzelf of voor anderen is, de leerling zelfverwondend of suïcidaal gedrag vertoont, lijdt aan ernstige depressie of extreem fysiek of extreem verbaal agressief gedrag vertoont, waarbij dit gedrag zich niet beperkt tot een bepaalde situatie en weinig of niet wordt beïnvloed door op de problemen gerichte aanpak en afspraken.
g. het ontbreken van algemene voorwaarden wat betreft het leer- of werkgedrag van de leerling blijkend uit gegevens van een psychodiagnostisch onderzoek niet ouder dan een jaar en uit het onderwijskundig rapport zodanig dat er sprake is van:
1°. ernstige tekortkomingen in verband met het gedrag op het gebied van het leer- en taakgedrag zoals werkhouding, taakgerichtheid, aandacht en motivatie;
2°. ernstige problemen in de interactie met het onderwijsgevend personeel; of
3°. ernstig storend gedrag in het onderwijsleerproces van medeleerlingen, waarbij de genoemde problemen manifest zijn gedurende ten minste een jaar, zich niet beperken tot een bepaalde situatie en weinig of niet worden beïnvloed door op de problemen gerichte aanpak en afspraken, of
h. extreem agressief gedrag of extreem impulsief gedrag bij de leerling die voor cluster 4 wordt aangemeld, waarbij op basis van psychodiagnostisch onderzoek blijkt dat de leerling een gevaar voor zichzelf of voor anderen is of extreem fysiek of extreem verbaal agressief gedrag vertoont, waarbij dit gedrag zich niet beperkt tot een bepaalde situatie en weinig of niet wordt beïnvloed door op de problemen gerichte aanpak en afspraken.
### Artikel 14
**1.** Onder zorg als bedoeld in de artikelen 16, 17, 19, 20, 21, 23 en 27 wordt verstaan: de extra zorg vanuit de zorgstructuur van het regulier onderwijs, afgestemd op de behoeften van de leerling van tenminste een half jaar, blijkend uit het onderwijskundig rapport, of, indien de leerling nog geen school bezoekt, uit de gegevens van de zorginstantie.
**1.** Onder zorg als bedoeld in de artikelen 16, 17, 19, 20, 21, 23 en 27 wordt de extra zorg verstaan die is geboden of zal kunnen worden geboden door de reguliere school en door het samenwerkingsverband waarvan deze school deel uitmaakt, om het onderwijs aan te passen aan de onderwijsbeperking van de leerling, bedoeld in artikel 13, die samenhangt met de handicap of de stoornis van de leerling.
**2.** Onder ondersteuning als bedoeld in de artikelen 16, 17, 19, 20, 21 en 23 wordt verstaan: de ondersteuning van zorg- of hulpverleningsinstanties, die redelijkerwijs voor de desbetreffende stoornis beschikbaar is.
**2.**
De zorg, bedoeld in het eerste lid, wordt beschreven in het onderwijskundig rapport. Indien deze zorg na een half jaar onvoldoende effect heeft gehad of zal kunnen hebben, wordt in het onderwijskundig rapport tevens beschreven:
a. de evaluatie waar dit uit blijkt, of
b. indien de leerling nog geen school bezoekt, de gegevens van de zorginstantie waar dit uit blijkt.
**3.** Onder ondersteuning als bedoeld in de artikelen 16, 17, 19, 20, 21 en 23 wordt verstaan: de ondersteuning van zorg- of hulpverleningsinstanties, die redelijkerwijs voor de desbetreffende stoornis beschikbaar is.
### Paragraaf 2. Indicatiecriteria Cluster 2
@ -198,7 +194,14 @@ Een leerling is toelaatbaar tot het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaa
a. een gehoorstoornis van 80 decibel of meer bij het beste oor zonder gehoortoestel, of
b. een gehoorstoornis tussen 70 decibel en 80 decibel bij het beste oor zonder gehoortoestel waarbij de leerling kennelijk dooffunctionerend is.
**2.** Bij leerlingen met een cochleair implantaat wordt de gehoorbeperking twee jaar na operatie vastgesteld met gebruik van het cochleair implantaat.
**2.**
Een leerling met een cochleair implantaat is toelaatbaar tot het onderwijs, bedoeld in het eerste lid, indien is vastgesteld:
a. dat de leerling, met gebruikmaking van het cochleair implantaat dat ten minste twee jaar eerder is aangebracht, kennelijk dooffunctionerend is; en
b. dat er sprake is van een zeer geringe verbale communicatieve redzaamheid, zodanig dat bij de leerling betekenisverlening aan geluid niet of nauwelijks tot stand komt en dat de leerling niet of nauwelijks in staat is om door middel van gesproken taal te reageren.
**3.** De vaststelling op grond van het tweede lid, onderdelen a en b, geschiedt op basis van een audiologisch onderzoek aangevuld met een logopedisch onderzoek of een door een gedragsdeskundige gemaakte beschrijving van de wijze waarop de leerling het cochleair implantaat gebruikt.
### Artikel 16
@ -206,10 +209,7 @@ b. een gehoorstoornis tussen 70 decibel en 80 decibel bij het beste oor zonder g
Een leerling is toelaatbaar tot het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs aan slechthorende kinderen, indien:
a. op basis van audiologisch onderzoek:
1°. een gehoorstoornis tussen 35 decibel en 80 decibel is vastgesteld bij het beste oor zonder gehoortoestel maar indien aanwezig met gebruik van een cochleair implantaat dat tenminste twee jaar eerder is aangebracht, niet zijnde een gehoorstoornis als bedoeld in artikel 15, eerste lid onder b; of
2°. zo nodig aangevuld met logopedisch onderzoek, een gehoorstoornis van meer dan 80 decibel is vastgesteld bij het beste oor zonder gehoortoestel, maar indien aanwezig met gebruik van een cochleair implantaat dat tenminste twee jaar eerder is aangebracht, waarbij de leerling kennelijk slechthorend functionerend is, en
a. op basis van audiologisch onderzoek een gehoorstoornis, niet zijnde een gehoorstoornis als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel b, is vastgesteld tussen 35 decibel en 80 decibel bij het beste oor zonder gehoortoestel;
b. sprake is van een beperking in de onderwijsparticipatie die blijkt uit:
1°. een leerachterstand als bedoeld in artikel 13, onder a; of
@ -218,6 +218,13 @@ c. de zorg onvoldoende effect heeft gesorteerd of zal kunnen sorteren, en de ond
**2.**
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een leerling met een cochleair implantaat dat ten minste 2 jaar eerder is aangebracht met dien verstande dat:
a. het audiologische onderzoek is aangevuld met een logopedisch onderzoek of met een door een gedragsdeskundige gemaakte beschrijving van de wijze waarop de leerling het cochleair implantaat gebruikt; en
b. de leerling wat betreft de communicatie is aangewezen op het gesproken Nederlands aangevuld met gebaren.
**3.**
Een leerling van 12 jaar of ouder is tevens toelaatbaar tot het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs aan slechthorende kinderen, indien:
a. op basis van logopedisch en psychodiagnostisch onderzoek gericht op het communicatief en cognitief functioneren, zo nodig aangevuld met audiologisch onderzoek, is vastgesteld:
@ -228,7 +235,7 @@ b. sprake is van een beperking als bedoeld in het eerste lid, onder b, en
c. gerichte spraak- of taaltherapie van een half jaar geen vooruitgang heeft opgeleverd, ofwel een ernstige stoornis, die indien van toepassing volgens het classificatiesysteem DSM-IV of ICD-10 is vastgesteld en de beperking, bedoeld in het eerste lid, onder b, negatief beïnvloedt,
d. de zorg onvoldoende effect heeft gesorteerd of zal kunnen sorteren, en de ondersteuning deelname aan het regulier onderwijs niet mogelijk maakt.
**3.**
**4.**
Een leerling van 12 jaar of ouder is tevens toelaatbaar tot het onderwijs, bedoeld in het eerste lid, aanhef, indien:
@ -279,17 +286,45 @@ b. wordt voldaan aan het eerste lid, onder b.
**3.** Bij leerlingen met een cochleair implantaat wordt het gehoor twee jaar na operatie vastgesteld met gebruik van het cochleair implantaat.
### Artikel 18a
**1.**
Een leerling is toelaatbaar tot het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs aan doofblinde kinderen, indien deze leerling geen diepe of ernstige stoornis in de intellectuele ontwikkeling als bedoeld in artikel 22, eerste lid, heeft, waarbij rekening is gehouden met leerlingkenmerken en:
a. op basis van multidisciplinair onderzoek is vastgesteld dat deze leerling:
1°. een gehoorstoornis heeft van 35 decibel of meer bij het beste oor zonder gehoortoestel of indien van toepassing met gebruik van het cochleair implantaat; en
2°. een visuele beperking heeft van ten minste 0.3 gezichtsscherpte of een diameter gezichtsveld heeft van minder dan 30 graden gemeten bij het beste oog, waarbij het gezichtsvermogen gecorrigeerd is;
b. op basis van medisch onderzoek een syndroom bij deze leerling is vastgesteld dat:
1°. bekend is met gehoorverlies of verlies van het gezichtsvermogen al dan niet progressief; en
2°. leidt tot een ernstige beperking om deel te nemen aan het onderwijs; of
c. op basis van medisch onderzoek een syndroom of een neurologisch deficit bij deze leerling is vastgesteld dat leidt tot een beperking in de onderwijsparticipatie en waardoor op neurologische basis:
1°. problemen aan het gezichtsvermogen ontstaan;
2°. gehoorproblemen ontstaan; of
3°. ernstige problemen in de auditieve en visuele verwerking.
**2.**
Van een multidisciplinair onderzoek als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is sprake, indien naast een psychologisch of orthopedagogisch onderzoek in ieder geval is uitgevoerd:
a. een audiologisch onderzoek;
b. een visueel onderzoek; en
c. een medisch onderzoek naar neurologische stoornissen.
### Paragraaf 3. Indicatiecriteria Cluster 3
### Artikel 19
**1.** Een leerling is toelaatbaar tot het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs aan zeer moeilijk lerende kinderen, indien op basis van psychodiagnostisch onderzoek dat individueel is afgenomen en rekening houdt met de kenmerken van de leerling, is vastgesteld een intelligentiequotiënt lager dan 60, niet zijnde een diepe of ernstige stoornis als bedoeld in artikel 22, eerste lid.
**1.** Een leerling is toelaatbaar tot het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs aan zeer moeilijk lerende kinderen, indien op basis van psychodiagnostisch onderzoek dat individueel is afgenomen en rekening houdt met de kenmerken van de leerling, is vastgesteld een intelligentiequotiënt lager dan 55, niet zijnde een diepe of ernstige stoornis als bedoeld in artikel 22, eerste lid.
**2.**
Een leerling is tevens toelaatbaar tot het onderwijs, bedoeld in het eerste lid, indien:
a. op basis van psychodiagnostisch onderzoek dat individueel is afgenomen en rekening houdt met de kenmerken van de leerling, een intelligentiequotiënt tussen 59 en 70 is vastgesteld,
a. op basis van psychodiagnostisch onderzoek dat individueel is afgenomen en rekening houdt met de kenmerken van de leerling, een intelligentiequotiënt tussen 54 en 70 is vastgesteld,
b. sprake is van een beperking in de onderwijsparticipatie die blijkt uit:
1°. een leerachterstand of het ontbreken van algemene leervoorwaarden als bedoeld in artikel 13, onder f; en
@ -352,24 +387,32 @@ a. op basis van psychodiagnostisch of psychiatrisch onderzoek eventueel in combi
1°. een emotionele stoornis;
2°. een gedragsstoornis; of
3°. een ontwikkelingsstoornis,
b. die zich manifesteert op school, en hetzij thuis, hetzij bij vrijetijdsbesteding waarbij gerichte hulpverlening verleend wordt door een voorziening als Jeugdhulpverlening, Jeugd-GGZ of hulp door een kinderpsychiatrische voorziening of Jeugdbescherming,
c. sprake is van een beperking in de onderwijsparticipatie die blijkt uit:
b. de stoornis, bedoeld onder a, zich manifesteert op school, en thuis of tijdens vrijetijdsbesteding waarbij gerichte hulpverlening is verleend of wordt verleend door een voorziening als Jeugdhulpverlening, Jeugd-GGZ of hulp door een kinderpsychiatrische voorziening of Jeugdbescherming,
c. sprake is van een beperking in de onderwijsparticipatie die blijkt uit twee in dit onderdeel bedoelde subonderdelen:
1°. het ontbreken van algemene leervoorwaarden als bedoeld in artikel 13, onder g; of
2°. de leerling extreem gedrag vertoont als bedoeld in artikel 13, onder h, en
1°. leerachterstanden als bedoeld in artikel 13, onder a, die niet toe te schrijven zijn aan een beperkt niveau van cognitief functioneren;
2°. ernstige tekortkomingen in verband met het gedrag als bedoeld in artikel 13, onder g, sub 1°;
3°. ernstige problemen in de interactie met het onderwijzend personeel als bedoeld in artikel 13, onder g, sub 2°;
4°. ernstig storend gedrag in het onderwijsleerproces van medeleerlingen als bedoeld in artikel 13, onder g, sub 3°; of
5°. extreem agressief gedrag of extreem impulsief gedrag als bedoeld in artikel 13, onder h, en
d. de zorg onvoldoende effect heeft gesorteerd of zal kunnen sorteren, en de ondersteuning deelname aan het regulier onderwijs niet mogelijk maakt.
**2.**
Een leerling is tevens toelaatbaar tot cluster 4, indien:
a. er sprake is van ernstige gedragsproblemen, die zich manifesteren op school, en hetzij thuis, hetzij bij vrijetijdsbesteding, waarvoor gerichte geïndiceerde hulpverlening verleend wordt door een voorziening als Jeugdhulpverlening, Jeugd-GGZ, of hulp van een kinderpsychiatrische voorziening of Jeugdbescherming, waarbij uit de resultaten blijkt dat na een half jaar weinig tot geen vooruitgang is geboekt,
b. sprake is van een beperking in de onderwijsparticipatie, die blijkt uit:
a. er sprake is van ernstige gedragsproblemen, die zich manifesteren op school en thuis of tijdens vrijetijdsbesteding, waarvoor gerichte geïndiceerde hulpverlening is verleend of wordt verleend door een voorziening als Jeugdhulpverlening, Jeugd-GGZ, of hulp van een kinderpsychiatrische voorziening of Jeugdbescherming, waarbij uit de resultaten blijkt dat na een half jaar weinig tot geen vooruitgang is geboekt,
b. sprake is van een beperking in de onderwijsparticipatie die blijkt uit twee in dit onderdeel bedoelde subonderdelen:
1°. het ontbreken van algemene leervoorwaarden, als bedoeld in artikel 13, onder g; of
2°. de leerling extreem gedrag vertoont, als bedoeld in artikel 13, onder h, en
1°. leerachterstanden als bedoeld in artikel 13, onder a, die niet toe te schrijven zijn aan een beperkt niveau van cognitief functioneren;
2°. ernstige tekortkomingen in verband met het gedrag als bedoeld in artikel 13, onder g, sub 1°;
3°. ernstige problemen in de interactie met het onderwijzend personeel als bedoeld in artikel 13, onder g, sub 2°;
4°. ernstig storend gedrag in het onderwijsleerproces van medeleerlingen als bedoeld in artikel 13, onder g, sub 3°; of
5°. extreem agressief gedrag of extreem impulsief gedrag als bedoeld in artikel 13, onder h, en
c. de zorg onvoldoende effect heeft gesorteerd of zal kunnen sorteren, en de ondersteuning deelname aan het regulier onderwijs niet mogelijk maakt.
**3.** Een jongere afkomstig uit een justitiële jeugdinrichting is toelaatbaar tot cluster 4, indien de ouders het bewijs van inschrijving bij de school in de justitiële jeugdinrichting overleggen aan de commissie voor de indicatiestelling.
### Paragraaf 5. Overige bepalingen
### Artikel 24
@ -379,8 +422,9 @@ c. de zorg onvoldoende effect heeft gesorteerd of zal kunnen sorteren, en de ond
Indien een leerling op grond van de artikelen 15 tot en met 17, en 19 tot en met 23 toelaatbaar zou zijn tot meer dan één onderwijssoort of toelaatbaar zou zijn tot zowel een onderwijssoort als tot cluster 4 dan geldt het volgende:
a. indien het in ieder geval betreft onderwijs aan dove kinderen, dan wel het onderwijs aan slechthorende kinderen: dan wordt de leerling toelaatbaar verklaard tot het onderwijs aan dove, respectievelijk het onderwijs aan slechthorende kinderen,
b. indien het in ieder geval betreft onderwijs aan zeer moeilijk lerende kinderen: dan wordt de leerling toelaatbaar verklaard tot het onderwijs aan zeer moeilijk lerende kinderen,
c. indien het in ieder geval cluster 4 betreft: dan wordt de leerling toelaatbaar verklaard tot cluster 4.
b. indien het in ieder geval betreft onderwijs aan doofblinde kinderen: dan wordt de leerling toelaatbaar verklaard tot het onderwijs aan doofblinde kinderen,
c. indien het in ieder geval betreft onderwijs aan zeer moeilijk lerende kinderen: dan wordt de leerling toelaatbaar verklaard tot het onderwijs aan zeer moeilijk lerende kinderen,
d. indien het in ieder geval cluster 4 betreft: dan wordt de leerling toelaatbaar verklaard tot cluster 4.
**2.** Bij indicaties anders dan bedoeld in het eerste lid, beoordeelt de commissie voor de indicatiestelling op basis van de handicaps of de leerling toelaatbaar is tot een van de onderwijssoorten of tot cluster 4.
@ -392,7 +436,7 @@ c. indien het in ieder geval cluster 4 betreft: dan wordt de leerling toelaatbaa
### Artikel 26
**1.** Voor het vaststellen van de stoornissen en beperkingen genoemd in de artikelen 14 tot en met 22 worden betrouwbare onderzoeksgegevens gebruikt. Wanneer het een diagnose betreft die een aantal symptomen samenvat, dan is voor de indicatiestelling een heldere omschrijving nodig van de aard van de problemen en de mate waarin de leerling beperkt wordt bij het volgen van onderwijs.
**1.** Voor het vaststellen van de stoornissen en beperkingen genoemd in de artikelen 14 tot en met 22 worden betrouwbare onderzoeksgegevens gebruikt. Wanneer het een diagnose betreft die een aantal symptomen samenvat, dan is voor de indicatiestelling een heldere omschrijving nodig van de aard van de problemen, de mate waarin de leerling beperkt wordt bij het volgen van onderwijs en die waar van toepassing geclassificeerd zijn op basis van de classificatiesystemen DSM-IV of ICD-10.
**2.**