2009-07-15 | BWBR0005181 | Woningwet
This commit is contained in:
parent
aa6ff8fad4
commit
0e6f391a01
1 changed files with 14 additions and 21 deletions
|
|
@ -588,7 +588,7 @@ c. de termijn ten aanzien van een bouwwerk waarop artikel 3.22 van de Wet ruimte
|
|||
|
||||
**7.** In een geval als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, b of c, is de rechthebbende na het verstrijken van de in de bouwvergunning gestelde termijn gehouden het bouwwerk hetzij terstond te slopen hetzij terstond in overeenstemming te brengen met de van toepassing zijnde voorschriften. In een geval als bedoeld in het zesde lid is de rechthebbende gehouden het bouwwerk te slopen binnen het in de bouwvergunning daartoe vastgestelde tijdvak.
|
||||
|
||||
**8.** In het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, is na het verstrijken van de termijn artikel 3.22, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing.
|
||||
**8.** In het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, is na het verstrijken van de termijn artikel 3.22, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 46
|
||||
|
||||
|
|
@ -612,9 +612,9 @@ c. een ontheffing van de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde li
|
|||
|
||||
**4.** In de situatie, bedoeld in het derde lid, tweede volzin, wordt de beslissing omtrent de aanvraag om bouwvergunning voorbereid overeenkomstig de procedure die van toepassing is op de voorbereiding van de beslissing omtrent de aanvraag om een ontheffing, een projectbesluit of een besluit als bedoeld in artikel 3.40, 3.41 of 3.42 van de Wet ruimtelijke ordening. Daarbij beslissen burgemeester en wethouders omtrent de aanvraag om bouwvergunning, voor zover van toepassing in afwijking van artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht, binnen vier weken nadat is beslist omtrent de aanvraag om een ontheffing, een projectbesluit of een besluit als bedoeld in artikel 3.40, 3.41 of 3.42 van de Wet ruimtelijke ordening.
|
||||
|
||||
**5.** Indien burgemeester en wethouders niet omtrent de aanvraag om bouwvergunning beslissen binnen de daarvoor in het eerste of vierde lid gestelde termijn en, indien het derde lid van toepassing is, een ontheffing, een projectbesluit of een besluit als bedoeld in artikel 3.40, 3.41 of 3.42 van de Wet ruimtelijke ordening is genomen, is de vergunning van rechtswege verleend. Deze verlening wordt aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.
|
||||
**5.** Indien wordt beslist omtrent een aanvraag om bouwvergunning op een moment dat ten behoeve daarvan een ontheffing, projectbesluit of een besluit als bedoeld in artikel 3.40, 3.41 of 3.42 van de Wet ruimtelijke ordening is genomen, maar nog niet in werking is getreden, mag slechts en moet die bouwvergunning worden geweigerd, in afwijking van artikel 44, eerste lid, aanhef en onderdeel c, indien het bouwen in strijd is met het bestemmingsplan in samenhang met die ontheffing, dan wel in strijd is met dat projectbesluit of dat besluit. Indien burgemeester en wethouders niet omtrent de aanvraag om bouwvergunning beslissen binnen de daarvoor in het eerste of vierde lid gestelde termijn en, indien het derde lid van toepassing is, een ontheffing, een projectbesluit of een besluit als bedoeld in artikel 3.40, 3.41 of 3.42 van de Wet ruimtelijke ordening is genomen, is de vergunning van rechtswege verleend. Deze verlening wordt aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.
|
||||
|
||||
**6.** De beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning en een beslissing omtrent een aanvraag om een ontheffing, een projectbesluit of een besluit als bedoeld in artikel 3.40, 3.41 of 3.42 van de Wet ruimtelijke ordening, voor zover deze beslissing ziet op het bouwen waarop de aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft, worden voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht als één besluit aangemerkt.
|
||||
**6.** De beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning en een beslissing omtrent een aanvraag om een ontheffing, een projectbesluit of een besluit als bedoeld in artikel 3.40, 3.41 of 3.42 van de Wet ruimtelijke ordening, voor zover deze beslissing ziet op het bouwen waarop de aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft, worden voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht als één besluit aangemerkt. De beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning treedt niet eerder in werking dan een op dat bouwen betrekking hebbende beslissing krachtens de Wet ruimtelijke ordening als bedoeld in de eerste volzin.
|
||||
|
||||
**7.** Indien de vergunning een woonkeet betreft, doen burgemeester en wethouders tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking mededeling van de in het eerste lid bedoelde beslissing aan de inspecteur.
|
||||
|
||||
|
|
@ -651,7 +651,9 @@ In afwijking van artikel 46, eerste lid, houden burgemeester en wethouders de be
|
|||
|
||||
a. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 3.7 van de Wet ruimtelijke ordening in werking is getreden;
|
||||
b. een bestemmingsplan in ontwerp ter inzage is gelegd;
|
||||
c. een verklaring als bedoeld in artikel 4.1, vijfde lid, of in artikel 4.3, vierde lid, van die wet is bekendgemaakt.
|
||||
c. een verklaring als bedoeld in artikel 4.1, vijfde lid, of in artikel 4.3, vierde lid, van die wet is bekendgemaakt;
|
||||
d. een bestemmingsplan is vastgesteld;
|
||||
e. een bestemmingsplan na vaststelling is bekendgemaakt.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -660,20 +662,13 @@ De aanhouding duurt totdat:
|
|||
a. het voorbereidingsbesluit overeenkomstig artikel 3.7, vijfde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening is vervallen;
|
||||
b. de termijn voor vaststelling van het bestemmingsplan ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wet ruimtelijke ordening is overschreden;
|
||||
c. de termijn voor bekendmaking van het bestemmingsplan ingevolge artikel 3.8, derde, vierde of zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening is overschreden;
|
||||
d. het bestemmingsplan in werking is getreden;
|
||||
d. het bestemmingsplan in werking is getreden dan wel in beroep is vernietigd;
|
||||
e. de termijn, genoemd in artikel 4.1, vijfde lid, of in artikel 4.3, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening is verstreken;
|
||||
f. de verordening, bedoeld in artikel 4.1, of de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 4.3, in werking is getreden.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste lid kan de bouwvergunning worden verleend indien het bouwwerk niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan.
|
||||
|
||||
In afwijking van het eerste lid kan de bouwvergunning worden verleend indien:
|
||||
|
||||
a. het bouwwerk niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan;
|
||||
b. het een bouwwerk betreft ten aanzien waarvan artikel 3.10, 3.22, 3.23, 3.27, 3.29, 3.40, 3.41 of 3.42 van de Wet ruimtelijke ordening wordt toegepast.
|
||||
|
||||
**4.** Op de voorbereiding van een besluit tot vergunningverlening voor een bouwwerk als bedoeld in het derde lid, onder b, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat een ieder zijn zienswijze omtrent de aanvraag kenbaar kan maken. Indien het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan al ingevolge genoemde afdeling 3.4 in ontwerp ter inzage heeft gelegen, kunnen de zienswijzen op dit plan geen betrekking hebben.
|
||||
|
||||
**5.** Na het verstrijken van de aanhoudingsduur, bedoeld in het tweede lid, of in geval van een bouwvergunning als bedoeld in het derde lid, onder b, na de terinzageligging overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van de ontwerp-besluiten, beslissen burgemeester en wethouders in afwijking van artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht omtrent de aanvraag overeenkomstig artikel 46.
|
||||
**4.** Na het verstrijken van de aanhoudingsduur, bedoeld in het tweede lid, beslissen burgemeester en wethouders omtrent de aanvraag overeenkomstig artikel 46.
|
||||
|
||||
### Artikel 50a
|
||||
|
||||
|
|
@ -689,7 +684,7 @@ b. het een bouwwerk betreft ten aanzien waarvan artikel 3.10, 3.22, 3.23, 3.27,
|
|||
|
||||
**2.** De aanhouding, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, duurt totdat een ter voldoening aan artikel 36 van de Monumentenwet 1988 vast te stellen bestemmingsplan of beheersverordening in werking is getreden.
|
||||
|
||||
**3.** Onverminderd artikel 50, vierde en vijfde lid, kunnen burgemeester en wethouders, in afwijking van het eerste lid, eerste volzin, de bouwvergunning verlenen indien het bouwplan niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde, ter bescherming van het beschermde stads- of dorpsgezicht strekkende bestemmingsplan, een projectbesluit daaronder begrepen. Alvorens te besluiten horen burgemeester en wethouders de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten. Van het besluit wordt onverwijld mededeling gedaan aan genoemde dienst.
|
||||
**3.** Burgemeester en wethouders kunnen, in afwijking van het eerste lid, eerste volzin, de bouwvergunning verlenen indien het bouwplan niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde, ter bescherming van het beschermde stads- of dorpsgezicht strekkende bestemmingsplan. Alvorens te besluiten horen burgemeester en wethouders de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten. Van het besluit wordt onverwijld mededeling gedaan aan genoemde dienst.
|
||||
|
||||
**4.** Na het verstrijken van de aanhoudingsduur, bedoeld in het tweede lid, beslissen burgemeester en wethouders omtrent de aanvraag om bouwvergunning overeenkomstig artikel 46.
|
||||
|
||||
|
|
@ -792,9 +787,9 @@ Onverminderd artikel 40, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 en artikel 6.17,
|
|||
|
||||
**1.** Een reguliere bouwvergunning wordt op aanvraag in twee fasen verleend.
|
||||
|
||||
**2.** De bouwvergunning eerste fase mag slechts en moet worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel c, d, e, f of g, van toepassing is.
|
||||
**2.** De bouwvergunning eerste fase mag slechts en moet worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel b, c, d, e, f of g, van toepassing is, met dien verstande dat onderdeel b van dat lid slechts van toepassing is voor zover de daar bedoelde voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn.
|
||||
|
||||
**3.** De bouwvergunning tweede fase mag slechts en moet worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel a of b, van toepassing is.
|
||||
**3.** De bouwvergunning tweede fase mag slechts en moet worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel a of b, van toepassing is, met dien verstande dat onderdeel b van dat lid niet van toepassing is voor zover de daar bedoelde voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1077,7 +1072,7 @@ Er is een Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting. Het Centraal Fonds voor de Vo
|
|||
|
||||
Het fonds:
|
||||
|
||||
a. verstrekt subsidie aan toegelaten instellingen ter bevordering van de sanering van toegelaten instellingen die niet beschikken over de noodzakelijk te achten financiële middelen, of, volgens bij algemene maatregel van bestuur gegeven voorschriften, ter tegemoetkoming in de kosten van werkzaamheden van toegelaten instellingen, en
|
||||
a. verstrekt subsidie aan toegelaten instellingen ter bevordering van de sanering van toegelaten instellingen die niet beschikken over de noodzakelijk te achten financiële middelen, of, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gegeven voorschriften, ter tegemoetkoming in de kosten van werkzaamheden van toegelaten instellingen, en
|
||||
b. verricht taken in het kader van het toezicht op toegelaten instellingen, voorzover die taken bij algemene maatregel van bestuur zijn aangegeven, welke taken de financiële aspecten van de werkzaamheden van die instellingen betreffen en tot welke taken kan behoren het aan Onze Minister verschaffen van inzicht in de financiële situatie van die instellingen gezamenlijk.
|
||||
|
||||
**2.** Uit het fonds worden geen garanties verleend.
|
||||
|
|
@ -1151,9 +1146,7 @@ Het fonds verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening van zij
|
|||
|
||||
### Artikel 71j
|
||||
|
||||
**1.** De rechtspositie van het personeel van het fonds is in overeenstemming met de regels die gelden voor ambtenaren die zijn aangesteld bij ministeries, met dien verstande dat waar in deze regels een bevoegdheid is toegekend aan een andere minister dan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, deze bevoegdheid wordt uitgeoefend door het bestuur van het fonds.
|
||||
|
||||
**2.** Bij algemene maatregel van bestuur kan worden afgeweken van de in het eerste lid bedoelde regels.
|
||||
De rechtspositie van het personeel van het fonds is in overeenstemming met de regels die gelden voor ambtenaren die zijn aangesteld bij ministeries, met dien verstande dat waar in deze regels een bevoegdheid is toegekend aan een andere minister dan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, deze bevoegdheid wordt uitgeoefend door het bestuur van het fonds.
|
||||
|
||||
### Artikel 71k
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue