diff --git a/wet/wet-op-belastingen-van-rechtsverkeer/BWBR0002740/README.md b/wet/wet-op-belastingen-van-rechtsverkeer/BWBR0002740/README.md index f8ee746690f..e99d05b2532 100644 --- a/wet/wet-op-belastingen-van-rechtsverkeer/BWBR0002740/README.md +++ b/wet/wet-op-belastingen-van-rechtsverkeer/BWBR0002740/README.md @@ -189,7 +189,7 @@ g. krachtens verdeling van een gemeenschap tussen samenwoners, voor zover de gem h. bij fusie, splitsing en interne reorganisatie; i. van een zaak die is aangebracht door of in opdracht en voor rekening van de verkrijger of zijn rechtsvoorganger onder algemene titel; j. van bodembestanddelen, zoals zand, grind, veen en terpaarde, welke ingevolge beding geacht worden niet te zijn verkregen; -k. bedoeld in de artikelen 56, 85, tweede lid, en 103, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs, de artikelen 58 en 101, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra, de artikelen 50, 176 en 218, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 90 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs, artikel 2.13 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de artikelen 9.1.3 en 9.2.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, alsmede verkrijgingen waarvoor de vervreemder de in artikel 106, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 104, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra, de artikelen 76q, tweede lid, 98, tweede lid, en 221, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs vereiste toestemming heeft verkregen, een en ander voor zover het verkregene voor onderwijs is bestemd; +k. bedoeld in de artikelen 56, 85, tweede lid, en 103, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs, de artikelen 58 en 101, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra, artikel 50 van de Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 90 van de Wet op het hoger beroepsonderwijs, artikel 2.13 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de artikelen 9.1.3 en 9.2.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, alsmede verkrijgingen waarvoor de vervreemder de in artikel 106, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 104, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra, de artikelen 76q, tweede lid, en 98, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs vereiste toestemming heeft verkregen, een en ander voor zover het verkregene voor onderwijs is bestemd; l. krachtens de Ruilverkavelingswet 1954, de Reconstructiewet Midden-Delfland, de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniƫn, de Landinrichtingswet en de Reconstructiewet concentratiegebieden; m. door het bureau beheer landbouwgronden; n. vervallen; @@ -202,9 +202,9 @@ t. van landerijen en van de als kweek- of teeltmiddel gebruikte ondergrond van g u. door Staatsbosbeheer van objecten, als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer, niet zijnde bedrijfsondersteunende onroerende zaken; v. van landerijen en van de als kweek- of teeltmiddel gebruikte ondergrond van glasopstanden waarop de Landinrichtingswet niet van toepassing is - daaronder begrepen de rechten van erfpacht of beklemming daarop - bij hervestiging van het landbouwbedrijf van de verkrijger, indien landerijen en als kweek- of teeltmiddel gebruikte ondergrond van glasopstanden waarop de Landinrichtingswet van toepassing is, worden afgestaan. Deze bepaling is van toepassing voor zover de belasting is verschuldigd over een bedrag gelijk aan de - met overeenkomstige toepassing van artikel 11 bepaalde - waarde van de afgestane landerijen en van de als kweek- of teeltmiddel gebruikte ondergrond van glasopstanden; w. van landerijen en van ondergrond van glasopstanden - daaronder begrepen de rechten van erfpacht of beklemming daarop - bij hervestiging van een glastuinbouwbedrijf door de verkrijger indien de door hem afgestane landerijen en ondergrond van glasopstanden worden aangewend ter verbetering van de bedrijfsstructuur van het glastuinbouwbedrijf van de verkrijger van die afgestane gronden. Deze bepaling is van toepassing voor zover de belasting is verschuldigd over een bedrag gelijk aan de - met overeenkomstige toepassing van artikel 11 bepaalde - waarde van de afgestane landerijen en ondergrond van de glasopstanden, in bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Visserij en Natuurbeheer aan te wijzen gevallen en onder daarbij te stellen voorwaarden. -x. krachtens uitoefening van een wilsrecht als bedoeld in de artikelen 19 , 20, 21en 22 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, voorzover de totale waarde van de verkrijging uit de nalatenschap niet meer bedraagt dan het bedrag van de geldvordering, bedoeld in artikel 13, derde lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, vermeerderd met de rentevergoeding waarmee ingevolge artikel 1, tweede of vierde lid, van de Successiewet 1956 voor de heffing van het recht van successie rekening is gehouden. Voor de toepassing van de vorige volzin blijft bij het bepalen van de waarde van een verkrijging een door de ouder of stiefouder op grond van artikel 19, onderscheidenlijk artikel 21, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek voorbehouden vruchtgebruik buiten beschouwing. +x. krachtens uitoefening van een wilsrecht als bedoeld in de artikelen 19 , 20, 21 en 22 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, voorzover de totale waarde van de verkrijging uit de nalatenschap niet meer bedraagt dan het bedrag van de geldvordering, bedoeld in artikel 13, derde lid, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, vermeerderd met de rentevergoeding waarmee ingevolge artikel 1, tweede of vierde lid, van de Successiewet 1956 voor de heffing van het recht van successie rekening is gehouden. Voor de toepassing van de vorige volzin blijft bij het bepalen van de waarde van een verkrijging een door de ouder of stiefouder op grond van artikel 19, onderscheidenlijk artikel 21, van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek voorbehouden vruchtgebruik buiten beschouwing. -**2.** Ingeval bodembestanddelen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel *j*, of de waarde daarvan alsnog aan de verkrijger ten goede komen, wordt zulks beschouwd als een verkrijging in de zin van artikel 2. +**2.** Ingeval bodembestanddelen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, of de waarde daarvan alsnog aan de verkrijger ten goede komen, wordt zulks beschouwd als een verkrijging in de zin van artikel 2. **3.** Verwijdering van zaken die ingevolge een beding of krachtens de wet nog na de verkrijging mogen worden weggenomen wordt, indien die verwijdering plaatsvindt binnen drie maanden na de verkrijging, ten aanzien van die zaken beschouwd als de vervulling van een aan de verkrijging verbonden ontbindende voorwaarde, mits zij of hun waarde niet aan de verkrijger zijn ten goede gekomen.