2019-02-01 | BWBR0005682 | Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
This commit is contained in:
parent
cf6b23a364
commit
0f2e736367
1 changed files with 540 additions and 320 deletions
|
|
@ -3,7 +3,7 @@ titel: Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
|
|||
bwb_id: BWBR0005682
|
||||
type: wet
|
||||
status: geldend
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2005-05-12'
|
||||
datum_inwerkingtreding: '2019-02-01'
|
||||
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0005682
|
||||
citeertitel: Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
|
||||
---
|
||||
|
|
@ -33,14 +33,17 @@ j. instellingsbestuur:
|
|||
– van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die geaccrediteerde opleidingen verzorgt: het orgaan dat als zodanig in de statuten is aangewezen;
|
||||
k. studiejaar: het tijdvak dat aanvangt op 1 september en eindigt op 31 augustus van het daaropvolgende jaar;
|
||||
l. inspectie: de inspectie, bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht;
|
||||
m. opleiding: een associate degree-opleiding, een bacheloropleiding of een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, waarvoor accreditatie is verleend of die een toets nieuwe opleiding met positief gevolg heeft ondergaan, tenzij uit deze wet het tegendeel blijkt;
|
||||
m. opleiding: een associate degree-opleiding, een bacheloropleiding of een masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3a waarvoor accreditatie is verleend, tenzij uit deze wet het tegendeel blijkt;
|
||||
n. duale opleiding: een opleiding als bedoeld in artikel 7.7, tweede lid,;
|
||||
o. faculteit der geneeskunde: de faculteit waarin de opleidingen voor het beroep van arts zijn ingesteld;
|
||||
p. accreditatieorgaan: de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie, bedoeld in artikel 1 van het Accreditatieverdrag;
|
||||
q. accreditatie: het keurmerk dat tot uitdrukking brengt dat de kwaliteit van een opleiding door het accreditatieorgaan positief is beoordeeld;
|
||||
r. toets nieuwe opleiding: het keurmerk dat tot uitdrukking brengt dat de kwaliteit van een voorgenomen opleiding door het accreditatieorgaan positief is beoordeeld;
|
||||
r1. verzwaarde toets nieuwe opleiding: keurmerk als bedoeld in artikel 5a.10a, vijfde lid, dat tot uitdrukking brengt dat de kwaliteit van een opleiding positief is beoordeeld;
|
||||
s. instellingstoets kwaliteitszorg: het keurmerk dat tot uitdrukking brengt dat de interne kwaliteitszorg en de inzet tot verbetering van de resultaten van een instelling voor hoger onderwijs voor zover die betrekking heeft op de kwaliteit van haar opleidingen door het accreditatieorgaan positief is beoordeeld;
|
||||
q1. accreditatiekader: het kader waarin het accreditatieorgaan zijn werkwijze met betrekking tot de taken, genoemd in artikel 5.2, eerste en tweede lid, vastlegt;
|
||||
q2. accreditatie nieuwe opleiding: accreditatie als bedoeld in artikel 5.8;
|
||||
q3. accreditatie bestaande opleiding: accreditatie als bedoeld in artikel 5.11;
|
||||
r. vervallen;
|
||||
r1. vervallen;
|
||||
s. erkenning ITK: de erkenning die tot uitdrukking brengt dat de interne kwaliteitszorg en de inzet tot verbetering van de resultaten van een instelling voor hoger onderwijs, voor zover betrekking hebbend op de kwaliteit van haar opleidingen, positief is beoordeeld;
|
||||
t. visitatiegroep: opleidingen die onderwijsinhoudelijk met elkaar overeenkomen;
|
||||
u. studiepunt: een studiepunt in de zin van artikel 7.4, eerste lid;
|
||||
v. Accreditatieverdrag: het op 3 september 2003 te Den Haag totstandgekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en Vlaamse hoger onderwijs (Trb. 2003, 167);
|
||||
|
|
@ -113,7 +116,7 @@ Het instellingsbestuur stelt richtlijnen vast met betrekking tot de ethische asp
|
|||
Met het oog op verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het hoger onderwijs kan bij wijze van experiment bij algemene maatregel van bestuur worden afgeweken van:
|
||||
|
||||
a. titel 2 van hoofdstuk 2,
|
||||
b. hoofdstuk 5a,
|
||||
b. hoofdstuk 5,
|
||||
c. hoofdstuk 6,
|
||||
d. hoofdstuk 7,
|
||||
e. titel 2 van hoofdstuk 9,
|
||||
|
|
@ -272,17 +275,15 @@ d. het bestuur en de inrichting.
|
|||
|
||||
### Artikel 1.17a
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Het instellingsbestuur van een instelling voor wetenschappelijk onderzoek als bedoeld in artikel 1.5 draagt er zorg voor dat wordt voorzien in een regelmatige beoordeling, mede door onafhankelijke deskundigen, van de kwaliteit van de werkzaamheden van de instelling. Voor zover die beoordeling mede geschiedt door onafhankelijke deskundigen worden de uitkomsten van dat deel van de beoordeling door het instellingsbestuur openbaar gemaakt.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister ziet toe op de uitvoering van het eerste lid. Hij kan onderzoek laten verrichten naar de kwaliteit van de werkzaamheden van de instellingen.
|
||||
|
||||
### Titel 3. Kwaliteitszorg
|
||||
|
||||
### Artikel 1.18
|
||||
|
||||
**1.** Het instellingsbestuur van een instelling voor hoger onderwijs en een instelling als bedoeld in artikel 1.5 draagt er zorg voor dat, zoveel mogelijk in samenwerking met andere instellingen, wordt voorzien in een regelmatige beoordeling, mede door onafhankelijke deskundigen, van de kwaliteit van de werkzaamheden van de instelling. De beoordeling bij instellingen voor hoger onderwijs geschiedt mede aan de hand van het oordeel van studenten over de kwaliteit van het onderwijs van de instelling. Voorzover die beoordeling mede geschiedt door onafhankelijke deskundigen, zijn de uitkomsten daarvan openbaar. Indien het instellingsbestuur van een instelling voor hoger onderwijs gebruik maakt van de mogelijkheid, bedoeld in artikel 5a.13a, vindt de beoordeling ten minste plaats op basis van het deel van het accreditatiekader voor de instellingstoets kwaliteitszorg en de aspecten van kwaliteit, bedoeld in artikel 5a.13b, tweede lid.
|
||||
|
||||
**2.** Onze minister ziet toe op de uitvoering van het eerste lid met uitzondering van de laatste volzin. Hij kan onderzoek laten verrichten naar de kwaliteit van de werkzaamheden van de instellingen voorzover het betreft de instellingen, bedoeld in artikel 1.5.
|
||||
|
||||
**3.** Het instellingsbestuur van een instelling voor hoger onderwijs draagt er tevens zorg voor dat in samenwerking met andere instellingen binnen een visitatiegroep, wordt voorzien in een regelmatige beoordeling, door onafhankelijke deskundigen, van de kwaliteit van de opleidingen. De tweede volzin van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing en de uitkomsten van de beoordeling zijn openbaar. De beoordeling bevat een samenvattend oordeel. De beoordeling vindt ten minste plaats op basis van het deel van het accreditatiekader voor accreditatie op grond van artikel 5a.8 of artikel 5a.13f en de aspecten van kwaliteit, bedoeld in 5a.8, tweede lid, of 5a.13f, eerste lid.
|
||||
Het instellingsbestuur van een instelling voor hoger onderwijs draagt er zorg voor dat, zoveel mogelijk in samenwerking met andere instellingen, wordt voorzien in een regelmatige beoordeling, mede door onafhankelijke deskundigen, van de kwaliteit van de werkzaamheden van de instelling. De beoordeling geschiedt mede aan de hand van het oordeel van studenten over de kwaliteit van het onderwijs van de instelling. Het deel van de beoordeling dat is uitgevoerd door onafhankelijke deskundigen wordt door het instellingsbestuur openbaar gemaakt. Bij de beoordeling worden de uitkomsten van eerdere beoordelingen betrokken.
|
||||
|
||||
### Titel 4. Overige voorschriften
|
||||
|
||||
|
|
@ -692,82 +693,477 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 5. Het toezicht
|
||||
## Hoofdstuk 5. Accreditatie in het hoger onderwijs
|
||||
|
||||
### Artikel 5.1
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
Dit hoofdstuk heeft betrekking op de instellingen voor hoger onderwijs en op rechtspersonen die door het aanbieden van opleidingen rechtspersoon voor hoger onderwijs willen worden.
|
||||
|
||||
### Titel 1. Accreditatieorgaan
|
||||
|
||||
### Artikel 5.2
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** Er is een accreditatieorgaan dat is belast met het verlenen van accreditatie en de erkenning ITK, en de overige hem bij of krachtens deze wet opgedragen taken. Het accreditatieorgaan bezit rechtspersoonlijkheid.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Activiteiten die het accreditatieorgaan verricht in het kader van het verlenen van accreditatie en de erkenning ITK zijn:
|
||||
|
||||
a. het indelen van opleidingen in visitatiegroepen op voorstel van de instelling;
|
||||
b. het instellen van een commissie van deskundigen die adviseert over een aanvraag toets nieuwe opleiding of instellingstoets kwaliteitszorg en het aanwijzen van een secretaris daarvan;
|
||||
c. het instemmen met de door instellingsbesturen binnen een visitatiegroep gezamenlijk samengestelde commissie van deskundigen en de daarvoor voorgestelde secretaris;
|
||||
d. het doen van een bindende voordracht aan de instelling voor de samenstelling van een commissie als bedoeld in onderdeel c, indien en voor zover de instellingsbesturen niet komen tot het gezamenlijk samenstellen van een dergelijke commissie;
|
||||
e. het op diens verzoek adviseren van Onze Minister over het gebruik van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 5.20, eerste lid, respectievelijk artikel 5.29, eerste lid; en
|
||||
f. het opstellen van een accreditatiekader.
|
||||
|
||||
**3.** Het accreditatieorgaan rapporteert desgevraagd aan Onze Minister over de kwaliteit van opleidingen in het hoger onderwijs met het oog op de vergelijkbaarheid van opleidingen aan de hand van zijn beoordelingen op grond van dit hoofdstuk. Het accreditatieorgaan doet eventueel voorstellen die hij in het belang van de kwaliteit van opleidingen in het hoger onderwijs nodig acht.
|
||||
|
||||
**4.** Bij ministeriële regeling worden de werkzaamheden bepaald die het accreditatieorgaan verricht in verband met het beoordelen van ander onderwijs dan hoger onderwijs of in verband met opdrachten als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het Accreditatieverdrag.
|
||||
|
||||
**5.** Onverminderd het Accreditatieverdrag is op het accreditatieorgaan de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.3
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het accreditatieorgaan neemt in het accreditatiekader in ieder geval een uitwerking op van:
|
||||
|
||||
a. de wijze van indeling van opleidingen in visitatiegroepen, het wijzigen van die indeling en de aanvraagprocedure voor wijziging van visitatiegroep door het instellingsbestuur;
|
||||
b. de wijze waarop, onverminderd artikel 5.14, de onafhankelijkheid en deskundigheid van de commissies, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, en hun secretarissen wordt gewaarborgd;
|
||||
c. de kwaliteitsaspecten, bedoeld in de artikelen 5.7, 5.12 en 5.23, waarbij ten minste onderscheid wordt gemaakt tussen het wetenschappelijk onderwijs en het hoger beroepsonderwijs, tussen associate degree-opleidingen, bacheloropleidingen en masteropleidingen en waarbij rekening wordt gehouden met het verschil in de wijze van beoordeling van opleidingen van instellingen met en zonder een erkenning ITK;
|
||||
d. de aanvraagprocedure voor het verkrijgen van accreditatie en de erkenning ITK, met dien verstande dat de uitwerking van de verzwaarde toets nieuwe opleiding voor de eerste opleiding die wordt verzorgd door een rechtspersoon die geaccrediteerde opleidingen wil verzorgen ten minste inhoudt dat deze plaatsvindt op basis van het volledige curriculum van de opleiding, waarop de aanvraag betrekking heeft, welke ten tijde van de aanvraag ten minste één maal recent in Nederland is verzorgd en waaraan studenten zijn afgestudeerd; en
|
||||
e. de voorwaarden voor het verlenen van de oordelen onvoldoende en voldoende aan de kwaliteitsaspecten van een opleiding, bedoeld in artikel 5.10, eerste lid, onderdeel d, en artikel 5.15, zesde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Alvorens het accreditatiekader vast te stellen of te wijzigen, voert het accreditatieorgaan overleg met vertegenwoordigers van de gezamenlijke instellingen voor hoger onderwijs en andere betrokkenen, waaronder studentenorganisaties als bedoeld in artikel 3.3 en de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel.
|
||||
|
||||
**3.** Het accreditatiekader of een wijziging daarvan behoeft de goedkeuring van Onze Minister. De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.
|
||||
|
||||
**4.** Onze Minister verleent zijn goedkeuring niet dan nadat vier weken zijn verstreken nadat zijn voornemen daartoe aan de beide kamers der Staten-Generaal is voorgelegd. Het besluit omtrent goedkeuring wordt binnen 17 weken na de verzending ter goedkeuring bekendgemaakt aan het accreditatieorgaan.
|
||||
|
||||
**5.** Het accreditatiekader of de wijziging daarvan wordt bekendgemaakt door plaatsing in de Staatscourant.
|
||||
|
||||
**6.** Het accreditatieorgaan bespreekt het accreditatiekader met instanties in de Europese landen, in het bijzonder met instanties in de grenslanden.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.4
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** Voordat Onze Minister een voordracht doet voor bestuursleden als bedoeld in artikel 5 van het Accreditatieverdrag, worden de vertegenwoordigers van de gezamenlijke instellingen voor hoger onderwijs en de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel gehoord.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het horen van de gezamenlijke studentenorganisaties, bedoeld in artikel 3.3, in verband met de voordracht van twee bestuursleden.
|
||||
|
||||
**3.** De bestuursleden die door Onze Minister worden voorgedragen zijn geen aan Onze Minister ondergeschikte ambtenaren.
|
||||
|
||||
**4.** Voordat het Comité van Ministers, bedoeld in het Accreditatieverdrag, een door Onze Minister voorgedragen bestuurslid schorst of ontslaat, worden de vertegenwoordigers van de gezamenlijke instellingen voor hoger onderwijs en de vakorganisaties, bedoeld in het eerste lid, door Onze Minister gehoord.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.5
|
||||
|
||||
Vervallen
|
||||
**1.** Onze Minister stelt jaarlijks aan het accreditatieorgaan ten laste van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap overeenkomstig de artikelen 14 en 15, derde lid, van het Accreditatieverdrag financiële middelen ter beschikking voor de vervulling van zijn taken, voortvloeiend uit artikel 1, eerste en tweede lid, van het Accreditatieverdrag.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister stelt jaarlijks voor 1 september van enig kalenderjaar, doch niet dan nadat hij daarover met het accreditatieorgaan heeft overlegd, het bedrag vast dat voor het daaropvolgende kalenderjaar aan het accreditatieorgaan ter beschikking zal worden gesteld en neemt dit bedrag op in het voorstel van wet tot vaststelling van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
|
||||
|
||||
**3.** Het boekjaar van het accreditatieorgaan valt samen met het kalenderjaar.
|
||||
|
||||
**4.** Zolang de wet tot vaststelling van de begroting, bedoeld in het eerste en tweede lid, niet in werking is getreden, verstrekt Onze Minister met ingang van het kalenderjaar waarop de begroting betrekking heeft, in de vorm van maandelijkse termijnen een voorschot aan het accreditatieorgaan tot een maximum van het bedrag, bedoeld in het tweede lid.
|
||||
|
||||
**5.** Overeenkomstig artikel 15, eerste en tweede lid, van het Accreditatieverdrag stelt Onze Minister, na overleg met het accreditatieorgaan, de tarieven vast die het instellingsbestuur aan het accreditatieorgaan verschuldigd is voor de door hem ten behoeve van het instellingsbestuur verrichte werkzaamheden.
|
||||
|
||||
### Titel 2. Toets nieuwe opleiding en accreditatie nieuwe opleiding
|
||||
|
||||
### Artikel 5.6
|
||||
|
||||
**1.** Een toets nieuwe opleiding is de toets van een opleiding, zonder accreditatie, op de kwaliteit in het kader van verkrijging van accreditatie.
|
||||
|
||||
**2.** Een toets nieuwe opleiding wordt uitgevoerd op aanvraag van het instellingsbestuur.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Bij de aanvraag vermeldt het instellingsbestuur tevens de door hem beoogde:
|
||||
|
||||
a. visitatiegroep waartoe de opleiding kan behoren;
|
||||
b. naam van de opleiding; en
|
||||
c. toevoeging aan de graad als bedoeld in artikel 7.10a, tweede lid, voor zover het een opleiding in het hoger beroepsonderwijs betreft.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Een toets nieuwe opleiding is niet vereist indien sprake is van:
|
||||
|
||||
a. het samenvoegen van geaccrediteerde opleidingen, voor zover het accreditatieorgaan in het kader van de aanvraag voor instemming met het verzorgen van de samengevoegde opleiding, bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, onderdeel b, heeft geoordeeld dat de samengevoegde opleiding geen nieuwe opleiding is als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid;
|
||||
b. het ongedaan maken van een samenvoeging van geaccrediteerde opleidingen als bedoeld in artikel 6.2, vijfde lid;
|
||||
c. het gezamenlijk verzorgen van een opleiding als bedoeld in artikel 7.3c, voor zover het accreditatieorgaan in het kader van de aanvraag voor instemming met het verzorgen van de gezamenlijke opleiding, bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, onderdeel e, heeft geoordeeld dat de gezamenlijke opleiding geen nieuwe opleiding is als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid; en
|
||||
d. het verzorgen van een nieuwe masteropleiding, die de voortzetting vormt van een bestaande geaccrediteerde postinitiële masteropleiding.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.7
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In het kader van een toets nieuwe opleiding wordt de kwaliteit van een opleiding beoordeeld aan de hand van de volgende kwaliteitsaspecten:
|
||||
|
||||
a. het beoogde eindniveau van de opleiding, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is;
|
||||
b. de inhoud en opzet van het onderwijsprogramma;
|
||||
c. de wijze van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten;
|
||||
d. de kwaliteit van het docententeam;
|
||||
e. de opleidingsspecifieke voorzieningen alsmede de instellingsbrede voorzieningen die van invloed zijn op de kwaliteit van de opleiding, daaronder mede begrepen voldoende studiebegeleiding en voorzieningen die de toegankelijkheid en studeerbaarheid voor studenten met een functiebeperking bevorderen; en
|
||||
f. de vormgeving en effectiviteit van de interne kwaliteitszorg gericht op de systematische verbetering van de opleiding.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
In het kader van een toets nieuwe opleiding wordt de kwaliteit van een opleiding, waarvan het accreditatieorgaan vast stelt dat daaraan feitelijk al onderwijs wordt verzorgd, beoordeeld aan de hand van de kwaliteitsaspecten, genoemd in de onderdelen a, b en d tot en met f, van het eerste lid alsmede aan de hand van:
|
||||
|
||||
a. het gerealiseerde niveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is; en
|
||||
b. de deugdelijkheid van de beoordeling, toetsing en examinering van de studenten.
|
||||
|
||||
**3.** Het accreditatieorgaan baseert zijn oordeel of een positief besluit op de aanvraag kan worden genomen op een advies van de commissie van deskundigen, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, onderdeel b. Van de commissie maakt ten minste een student deel uit.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Het accreditatieorgaan beoordeelt tevens of:
|
||||
|
||||
a. de naam van de opleiding voldoende inzicht biedt in de inhoud van de opleiding en aansluit bij hetgeen gebruikelijk is binnen de sector waartoe de opleiding behoort en binnen de beoogde visitatiegroep; en
|
||||
b. de toevoeging aan de graad, bedoeld in artikel 5.6, derde lid, onderdeel c, internationaal herkenbaar is aan de hand van een referentielijst, die bij ministeriële regeling wordt vastgesteld.
|
||||
|
||||
**5.** Het accreditatieorgaan neemt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een besluit.
|
||||
|
||||
**6.** Het instellingsbestuur is het accreditatieorgaan een vergoeding verschuldigd van de kosten van de beoordeling van de aanvraag, waaronder de beoordeling van de opleiding door de commissie van deskundigen.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.8
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Indien bij de toets nieuwe opleiding de kwaliteit van de opleiding door het accreditatieorgaan op alle kwaliteitsaspecten, genoemd in artikel 5.7, eerste, respectievelijk tweede lid, positief wordt beoordeeld, wordt aan de opleiding accreditatie nieuwe opleiding verleend voor de duur van zes jaar, met dien verstande dat:
|
||||
|
||||
a. het instellingsbestuur van een bekostigde instelling de opleiding aanmeldt voor registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.14, rekening houdend met de termijn, genoemd in artikel 6.2, zevende lid;
|
||||
b. het instellingsbestuur van een niet-bekostigde instelling de opleiding binnen zes maanden aanmeldt voor registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.14; en
|
||||
c. een opleiding, waaraan bij accreditatieverlening feitelijk nog geen onderwijs wordt verzorgd, drie jaar nadat accreditatie verkregen is, wordt beoordeeld op de kwaliteitsaspecten, genoemd in artikel 5.7, tweede lid, en bij die gelegenheid op die aspecten positief wordt beoordeeld.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid kan de termijn waarvoor accreditatie wordt verleend door het accreditatieorgaan worden bekort in verband met gelijktijdige beoordeling binnen de visitatiegroep waartoe de opleiding gaat behoren.
|
||||
|
||||
**3.** In het besluit tot verlening van accreditatie nieuwe opleiding vermeldt het accreditatieorgaan de datum waarop een aanvraag voor accreditatie bestaande opleiding moet worden ingediend.
|
||||
|
||||
**4.** Onze Minister kan de termijn waarvoor accreditatie is verleend in geval van onvoorziene omstandigheden verlengen.
|
||||
|
||||
**5.** Artikel 5.7, zesde lid, en artikel 5.10 zijn op de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.9
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Accreditatie nieuwe opleiding wordt door het accreditatieorgaan geweigerd indien:
|
||||
|
||||
a. uit de aanvraag blijkt dat de opleiding die de instelling verzorgt of voornemens is te verzorgen geheel of in hoofdzaak overeenstemt met een opleiding, verzorgd door dezelfde instelling, waarvoor accreditatie is geweigerd of is ingetrokken als bedoeld in artikel 5.19 of artikel 5.20, minder dan drie jaar voorafgaand aan de aanvraag; of
|
||||
b. de kwaliteit van de opleiding negatief wordt beoordeeld op een of meer kwaliteitsaspecten, genoemd in artikel 5.7.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, kan het accreditatieorgaan accreditatie nieuwe opleiding onder voorwaarden verlenen, indien de tekortkomingen op de kwaliteitsaspecten naar zijn oordeel binnen afzienbare tijd kunnen worden weggenomen.
|
||||
|
||||
**3.** Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen accreditatie nieuwe opleiding onder voorwaarden kan worden verleend en welke voorschriften aan accreditatie nieuwe opleiding onder voorwaarden kunnen worden verbonden. De voordracht voor de algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.10
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het accreditatieorgaan legt in het accreditatierapport vast:
|
||||
|
||||
a. het advies van de commissie van deskundigen over de kwaliteitsaspecten;
|
||||
b. zijn bevindingen;
|
||||
c. de te verbeteren kwaliteitsaspecten, voor zover zich naar zijn oordeel ten aanzien van een of meer van die aspecten tekortkomingen voordoen die binnen afzienbare tijd kunnen worden weggenomen;
|
||||
d. het eindoordeel voldoende of onvoldoende;
|
||||
e. het onderdeel van het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, dat naar zijn oordeel voor de opleiding passend is;
|
||||
f. het oordeel over de naam en de toevoeging aan de graad, bedoeld in artikel 5.6, derde lid, onderdelen b en c;
|
||||
g. de bijzondere kenmerken van de opleiding, voor zover van toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** Het accreditatierapport is onderdeel van het besluit op de aanvraag voor een toets nieuwe opleiding.
|
||||
|
||||
**3.** Alvorens een besluit te nemen op de aanvraag stelt het accreditatieorgaan binnen een door hem te bepalen termijn het instellingsbestuur in de gelegenheid zijn zienswijze over het voorgenomen besluit naar voren te brengen.
|
||||
|
||||
**4.** Gelijktijdig met de bekendmaking aan het instellingsbestuur van het besluit op de aanvraag, publiceert het accreditatieorgaan het besluit op een voor ieder kenbare wijze.
|
||||
|
||||
### Titel 3. Accreditatie bestaande opleiding, commissie van deskundigen en visitatie
|
||||
|
||||
### Artikel 5.11
|
||||
|
||||
**1.** Accreditatie bestaande opleiding kan worden verkregen door een opleiding waaraan accreditatie nieuwe opleiding is verleend en waarvan de kwaliteit voor het eind van de accreditatietermijn van accreditatie nieuwe opleiding is beoordeeld op de kwaliteitsaspecten, genoemd in artikel 5.12, overeenkomstig de procedure genoemd in artikel 5.13.
|
||||
|
||||
**2.** Accreditatie bestaande opleiding wordt de eerste keer verleend op aanvraag van het instellingsbestuur, die voor een door het accreditatieorgaan te bepalen datum moet worden ingediend, rekening houdend met de periode waarin visitatie, binnen de visitatiegroep waartoe de opleiding behoort, doorgaans plaatsvindt.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Indien van toepassing vermeldt het instellingsbestuur bij de aanvraag tevens de door hem beoogde gewijzigde
|
||||
|
||||
a. naam van de opleiding; en
|
||||
b. toevoeging aan de graad als bedoeld in artikel 7.10a, tweede en derde lid, voor zover het een opleiding in het hoger beroepsonderwijs betreft.
|
||||
|
||||
**4.** Het instellingsbestuur verstrekt bij de aanvraag, de delen van het visitatierapport, genoemd in artikel 5.13, vierde lid, onderdelen a en b.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.12
|
||||
|
||||
In het kader van een aanvraag voor accreditatie bestaande opleiding wordt de kwaliteit van de opleiding beoordeeld aan de hand van de volgende kwaliteitsaspecten:
|
||||
|
||||
a. het beoogde eindniveau van de opleiding, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is;
|
||||
b. de inhoud en opzet van het onderwijsprogramma;
|
||||
c. de kwaliteit van het docententeam;
|
||||
d. de opleidingsspecifieke voorzieningen alsmede de instellingsbrede voorzieningen die van invloed zijn op de kwaliteit van de opleiding, daaronder mede begrepen voldoende studiebegeleiding en voorzieningen die de toegankelijkheid en studeerbaarheid voor studenten met een functiebeperking bevorderen;
|
||||
e. de vormgeving en effectiviteit van de interne kwaliteitszorg gericht op de systematische verbetering van de opleiding;
|
||||
f. het gerealiseerde eindniveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is; en
|
||||
g. de deugdelijkheid van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.13
|
||||
|
||||
**1.** Onverminderd artikel 1.18, draagt het instellingsbestuur er zorg voor dat de kwaliteit van de opleiding ter verkrijging van accreditatie bestaande opleiding wordt gevisiteerd, in samenwerking met andere instellingen binnen de visitatiegroep. Daarbij bevordert het instellingsbestuur een brede inbreng van studenten.
|
||||
|
||||
**2.** De visitatie wordt uitgevoerd door de commissie van deskundigen, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, onderdeel c.
|
||||
|
||||
**3.** De visitatie vindt plaats op basis van een zelfevaluatie van de opleiding door het instellingsbestuur die in beginsel een door studenten aan de opleiding geschreven bijdrage bevat.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Van de visitatie wordt door de commissie van deskundigen een rapport opgesteld. Het visitatierapport bevat:
|
||||
|
||||
a. een oordeel over de kwaliteitsaspecten, genoemd in artikel 5.12;
|
||||
b. een samenvatting van de beoordeling, alsmede een eindoordeel;
|
||||
c. een bijlage waarin de aanbevelingen voor verdere ontwikkeling van de opleiding zijn opgenomen.
|
||||
|
||||
**5.** Het visitatierapport wordt door het instellingsbestuur binnen een week nadat het dit rapport van de commissie van deskundigen heeft ontvangen, verstrekt aan de universiteitsraad, bedoeld in artikel 9.31, dan wel de faculteitsraad, bedoeld in artikel 9.37, of de medezeggenschapsraad, bedoeld in artikel 10.17, of aan de ondernemingsraad en het orgaan binnen de universiteit of de hogeschool, dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, artikel 10.16a, derde lid, respectievelijk artikel 11.13 is ingesteld, en aan de opleidingscommissie, bedoeld in artikel 9.18, artikel 10.3c respectievelijk artikel 11.11.
|
||||
|
||||
**6.** De bijlage, bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, wordt binnen een jaar nadat het accreditatieorgaan het accreditatierapport heeft vastgesteld door het instellingsbestuur openbaar gemaakt.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.14
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het accreditatieorgaan stemt in met de samenstelling van de commissie van deskundigen, bedoeld in 5.2, tweede lid, onderdeel c, indien de commissie:
|
||||
|
||||
a. ten minste één student-lid heeft;
|
||||
b. bestaat uit leden die niet verbonden zijn aan de instelling die de opleiding verzorgt;
|
||||
c. haar werkzaamheden aantoonbaar zo inricht dat de beoordeling van de kwaliteit van de opleiding ten behoeve van verkrijging van accreditatie bestaande opleiding apart wordt verricht van de beoordeling van de opleiding ten behoeve van aanbevelingen voor verdere ontwikkeling; en
|
||||
d. voldoet aan de overige waarborgen voor de onafhankelijkheid en voor deskundigheid, die in het accreditatiekader zijn opgenomen.
|
||||
|
||||
**2.** Het instellingsbestuur doet tevens een voorstel voor een secretaris voor de commissie. Het accreditatieorgaan stemt in met de voorgestelde secretaris indien hij voldoet aan de waarborgen voor de onafhankelijkheid en voor deskundigheid die in het accreditatiekader zijn opgenomen.
|
||||
|
||||
**3.** Het instellingsbestuur dient voor een door het accreditatieorgaan te bepalen datum een aanvraag in om de instemming te verkrijgen.
|
||||
|
||||
**4.** Het accreditatieorgaan beslist binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.15
|
||||
|
||||
**1.** Het accreditatieorgaan beoordeelt op basis van het door hem ontvangen deel van het visitatierapport of een positief besluit op de aanvraag kan worden genomen.
|
||||
|
||||
**2.** In het geval, bedoeld in artikel 5.11, derde lid, alsmede indien er zich anderszins wijzigingen hebben voorgedaan in de opleiding, de sector, de visitatiegroep of de toevoeging aan de graad, beoordeelt het accreditatieorgaan tevens de naam en de toevoeging aan de graad. Artikel 5.7, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** Het accreditatieorgaan beslist binnen drie maanden na de uiterste aanvraagdatum op de aanvraag en verricht de beoordeling van de aanvragen van alle opleidingen binnen een visitatiegroep gezamenlijk en in dezelfde periode.
|
||||
|
||||
**4.** Indien op een aanvraag voor accreditatie bestaande opleiding pas kan worden beslist nadat de termijn van accreditatie nieuwe opleiding is verstreken, wordt de accreditatie nieuwe opleiding stilzwijgend verlengd totdat het besluit op de aanvraag voor accreditatie bestaande opleiding in werking treedt.
|
||||
|
||||
**5.** Het instellingsbestuur is het accreditatieorgaan een vergoeding verschuldigd van de kosten van de beoordeling van de aanvraag met dien verstande dat het instellingsbestuur het accreditatieorgaan geen vergoeding verschuldigd is voor de beoordeling door de commissie van deskundigen.
|
||||
|
||||
**6.** Artikel 5.10 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in het accreditatierapport tevens de visitatiegroep wordt vastgelegd waarin de opleiding wordt ingedeeld.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.16
|
||||
|
||||
**1.** Indien de opleiding door het accreditatieorgaan op alle kwaliteitsaspecten, genoemd in artikel 5.12 positief wordt beoordeeld, wordt accreditatie bestaande opleiding verleend, met dien verstande dat de opleiding elke zes jaar wordt herbeoordeeld en de kwaliteit van de opleiding bij die gelegenheid door het accreditatieorgaan telkens positief moet worden beoordeeld. De artikelen 5.11 tot en met 5.15 zijn op de herbeoordeling van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** In het besluit tot verlening van accreditatie bestaande opleiding en de bevestiging daarvan, bedoeld in het derde lid, vermeldt het accreditatieorgaan de datum waarop het visitatierapport moet worden overgelegd met het oog op de eerstvolgende herbeoordeling.
|
||||
|
||||
**3.** Voor zover de opleiding telkens op alle kwaliteitsaspecten door het accreditatieorgaan positief wordt beoordeeld en de opleiding accreditatie bestaande opleiding behoudt, stuurt het accreditatieorgaan het instellingsbestuur daarvan een bevestiging binnen drie maanden na de datum, bedoeld in het tweede lid, waarop het visitatierapport moet worden overgelegd, tenzij Onze Minister uitstel heeft verleend als bedoeld in het vierde lid in welk geval de door Onze Minister bepaalde datum in de plaats treedt van de datum, bedoeld in het tweede lid. Hij stuurt daarbij een besluit met betrekking tot het eindoordeel bedoeld in artikel 5.15, zesde lid, en in voorkomend geval met betrekking tot een wijziging in de naam en de toevoeging aan de graad, bedoeld in artikel 5.15, tweede lid.
|
||||
|
||||
**4.** Indien wegens onvoorziene omstandigheden het visitatierapport niet tijdig door het instellingsbestuur kan worden overgelegd, kan Onze Minister besluiten hem daarvan uitstel te verlenen.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.17
|
||||
|
||||
**1.** Accreditatie bestaande opleiding wordt door het accreditatieorgaan geweigerd indien de kwaliteit van de opleiding negatief wordt beoordeeld op een of meer van de kwaliteitsaspecten, genoemd in artikel 5.12.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid, kan het accreditatieorgaan accreditatie bestaande opleiding onder voorwaarden verlenen, indien de tekortkomingen op de kwaliteitsaspecten naar zijn oordeel binnen afzienbare tijd kunnen worden weggenomen. Artikel 5.9, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.18
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 5.16, derde lid, kan het accreditatieorgaan besluiten dat de opleiding accreditatie bestaande opleiding behoudt, ingeval de opleiding bij een herbeoordeling als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, door het accreditatieorgaan op een of meer van de kwaliteitsaspecten genoemd in artikel 5.12 negatief wordt beoordeeld maar de tekortkomingen naar zijn oordeel binnen afzienbare tijd kunnen worden weggenomen. Artikel 5.9, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Titel 4. Intrekking van accreditatie en de gevolgen van intrekking
|
||||
|
||||
### Artikel 5.19
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Accreditatie nieuwe opleiding wordt ingetrokken indien:
|
||||
|
||||
a. door het instellingsbestuur niet wordt voldaan aan de voorschriften, genoemd in artikel 5.8, eerste lid; of
|
||||
b. een opleiding na de beoordeling, bedoeld in artikel 5.8, eerste lid, onderdeel c, door het accreditatieorgaan negatief wordt beoordeeld op een of beide kwaliteitsaspecten, genoemd in artikel 5.7, tweede lid.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, kan het accreditatieorgaan besluiten dat de opleiding accreditatie nieuwe opleiding behoudt:
|
||||
|
||||
a. indien de tekortkomingen naar zijn oordeel binnen afzienbare tijd kunnen worden weggenomen; en
|
||||
b. voor zover de opleiding niet eerder accreditatie onder voorwaarden is verleend als bedoeld in artikel 5.9, tweede lid. Artikel 5.9, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** Accreditatie bestaande opleiding wordt ingetrokken indien niet wordt voldaan aan de voorschriften, genoemd in artikel 5.16, eerste lid, of indien het visitatierapport niet is ingediend op de datum, bedoeld in artikel 5.16, tweede of vierde lid, indien Onze Minister daaraan toepassing heeft gegeven.
|
||||
|
||||
**4.** Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen accreditatie onder voorwaarden als bedoeld in artikel 5.9, tweede lid, artikel 5.17, tweede lid, en artikel 5.18, wordt ingetrokken.
|
||||
|
||||
**5.** Artikel 5.10 is van overeenkomstige toepassing op het besluit tot intrekken van accreditatie.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.20
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister kan, na advies van het accreditatieorgaan, accreditatie nieuwe opleiding of accreditatie bestaande opleiding tussentijds intrekken, indien de kwaliteit van de opleiding zodanig is gewijzigd dat een beoordeling op de kwaliteitsaspecten, bedoeld in artikel 5.7, eerste, respectievelijk tweede lid, artikel 5.12 of artikel 5.23, tot een weigering of intrekking van accreditatie zou leiden.
|
||||
|
||||
**2.** Voordat het accreditatieorgaan een advies uitbrengt, stelt hij een onderzoek in naar de kwaliteit van de opleiding, voor welk onderzoek hij een commissie van deskundigen als bedoeld in artikel 5.14 instelt. Op het onderzoek is artikel 5.10 van overeenkomstige toepassing, alsmede de artikelen 5:13, 5:16, 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.21
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Indien accreditatie bestaande opleiding wordt geweigerd als bedoeld in artikel 5.17 of accreditatie wordt ingetrokken als bedoeld in artikel 5.19 en artikel 5.20, kan vanaf de datum waarop accreditatie nieuwe opleiding vervalt, dan wel vanaf de datum waarop het besluit tot intrekking van accreditatie in werking treedt:
|
||||
|
||||
a. aan de examens geen graad als bedoeld in artikel 7.10a meer worden verbonden; en
|
||||
b. een bekostigde instelling geen aanspraak meer maken op bekostiging als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid.
|
||||
|
||||
**2.** De instelling draagt er zorg voor dat studenten, ingeschreven aan de opleiding, de gelegenheid wordt geboden de opleiding te voltooien aan een andere instelling.
|
||||
|
||||
**3.** Voor die studenten, die de opleiding niet aan een andere instelling kunnen voltooien, wordt de opleiding aan de instelling zelf voortgezet voor een termijn van de resterende nominale studieduur van deze studenten, vermeerderd met een jaar, met dien verstande dat deze studenten de opleiding zonder onderbreking blijven volgen. In afwijking van het eerste lid, kan de instelling aan de examens graden verlenen en behoudt een bekostigde instelling aanspraak op bekostiging van de opleiding gedurende die termijn.
|
||||
|
||||
**4.** Het instellingsbestuur deelt het besluit, bedoeld in het eerste lid, binnen zes weken na de bekendmaking ervan mee aan de betrokken studenten en vermeldt daarbij op welke wijze en aan welke instelling zij de opleiding kunnen voltooien.
|
||||
|
||||
**5.** Onze Minister kan een last onder dwangsom opleggen ter hoogte van 500 euro voor iedere dag dat het instellingsbestuur de termijn van zes weken, genoemd in het vierde lid, overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van 50.000 euro.
|
||||
|
||||
**6.** In afwijking van het eerste tot en met vierde lid, kan Onze Minister, in het belang van instandhouding van een doelmatig onderwijsaanbod, besluiten dat een bekostigde instelling gedurende een door Onze Minister vast te stellen termijn aanspraak behoudt op bekostiging als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, dat aan de examens een graad als bedoeld in artikel 7.10a blijft verbonden en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, niet wordt beëindigd.
|
||||
|
||||
### Titel 5
|
||||
|
||||
### Artikel 5.22
|
||||
|
||||
Vervallen.
|
||||
|
||||
### Titel 6. Instellingstoets kwaliteitszorg en erkenning ITK
|
||||
|
||||
### Artikel 5.23
|
||||
|
||||
**1.** Een instellingstoets kwaliteitszorg is de toets op de interne kwaliteitszorg en de inzet tot verbetering van de resultaten van een instelling voor hoger onderwijs, voor zover betrekking hebbend op de kwaliteit van haar opleidingen.
|
||||
|
||||
**2.** Een instellingstoets kwaliteitszorg wordt uitgevoerd op aanvraag van het instellingsbestuur.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De kwaliteitszorg wordt beoordeeld aan de hand van de volgende kwaliteitsaspecten:
|
||||
|
||||
a. de visie van de instelling op de kwaliteit van haar onderwijs;
|
||||
b. de vormgeving en de effectiviteit van de interne kwaliteitszorg van een instelling;
|
||||
c. het gevoerde beleid op het gebied van personeel en voorzieningen; en
|
||||
d. de voorzieningen die de toegankelijkheid en studeerbaarheid voor studenten met een functiebeperking bevorderen.
|
||||
|
||||
**4.** Het accreditatieorgaan baseert zijn oordeel of een positief besluit op de aanvraag voor de instellingstoets kwaliteitszorg kan worden genomen op een advies van de commissie van deskundigen, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, onderdeel b. Van de commissie maakt ten minste een student deel uit.
|
||||
|
||||
**5.** Het accreditatieorgaan neemt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een besluit.
|
||||
|
||||
**6.** Het instellingsbestuur is het accreditatieorgaan een vergoeding verschuldigd van de kosten van de beoordeling van de aanvraag, waaronder de beoordeling van de kwaliteitszorg door de commissie van deskundigen.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.24
|
||||
|
||||
Indien de kwaliteitszorg door het accreditatieorgaan op de aspecten, genoemd in artikel 5.23, derde lid, positief wordt beoordeeld, wordt de erkenning ITK verleend voor de duur van zes jaar.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.25
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In geval van een erkenning ITK wordt in afwijking van artikel 5.7, eerste lid, de kwaliteit van een opleiding bij een aanvraag voor een toets nieuwe opleiding beoordeeld aan de hand van de volgende kwaliteitsaspecten:
|
||||
|
||||
a. het beoogde eindniveau van de opleiding, gelet op hetgeen internationaal gewenst of gangbaar is;
|
||||
b. de inhoud en opzet van het onderwijsprogramma en de kwaliteit van het docententeam; en
|
||||
c. de wijze van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 5.7, tweede lid, wordt de kwaliteit van een opleiding, waaraan feitelijk al onderwijs wordt verzorgd, bij een aanvraag voor een toets nieuwe opleiding beoordeeld op de kwaliteitsaspecten, genoemd in het eerste lid, onderdelen a en b, alsmede aan de hand van:
|
||||
|
||||
a. het gerealiseerde niveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is; en
|
||||
b. de deugdelijkheid van de beoordeling, toetsing en examinering van de studenten.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van artikel 5.12 wordt de kwaliteit van een opleiding bij een aanvraag voor accreditatie bestaande opleiding en bij de herbeoordelingen, bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, beoordeeld aan de hand van de kwaliteitsaspecten, genoemd in het eerste lid, onderdeel a en b, het kwaliteitsaspect, genoemd in het tweede lid, onderdeel b, alsmede aan de hand van het gerealiseerde eindniveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is.
|
||||
|
||||
**4.** Het instellingsbestuur kan het accreditatieorgaan verzoeken een of meer opleidingen in afwijking van het eerste tot en met derde lid te beoordelen op de kwaliteitsaspecten, genoemd in artikel 5.7, respectievelijk artikel 5.12.
|
||||
|
||||
**5.** In afwijking van artikel 5.8, eerste lid, wordt bij het verlenen van accreditatie nieuwe opleiding niet de voorwaarde gesteld tot aanvullende beoordeling als bedoeld in onderdeel c van dat artikellid.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.26
|
||||
|
||||
**1.** De erkenning ITK kan bij besluit door het accreditatieorgaan worden verlengd, indien de verlenging ten minste een jaar voor het eind van de termijn van verlening van de erkenning ITK door het instellingsbestuur is aangevraagd.
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 5.23 en artikel 5.24 zijn op de aanvraag van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** Indien op de aanvraag tot verlenging pas kan worden beslist nadat de verleningstermijn van de erkenning ITK is verstreken, wordt het besluit waarbij de erkenning ITK was verleend stilzwijgend verlengd totdat het besluit over verlenging van de erkenning ITK in werking treedt.
|
||||
|
||||
**4.** Indien wegens onvoorziene omstandigheden de aanvraag door het instellingsbestuur niet tijdig kan worden gedaan, kan Onze Minister de erkenning met maximaal twee jaar verlengen.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.27
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De erkenning ITK of verlenging van de erkenning ITK wordt door het accreditatieorgaan geweigerd indien:
|
||||
|
||||
a. binnen drie jaar voorafgaand aan de aanvraag voor een instellingstoets kwaliteitszorg de erkenning ITK is geweigerd of ingetrokken; of
|
||||
b. de kwaliteitszorg negatief wordt beoordeeld op een of meer kwaliteitsaspecten, genoemd in artikel 5.23, derde lid.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, kan het accreditatieorgaan besluiten de erkenning ITK of de verlenging van de erkenning ITK onder voorwaarden te verlenen, indien de tekortkomingen op de kwaliteitszorg naar zijn oordeel binnen afzienbare tijd kunnen worden weggenomen. Artikel 5.9, derde lid is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen een erkenning ITK onder voorwaarden als bedoeld in artikel 5.27, tweede lid, wordt ingetrokken.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.28
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het accreditatieorgaan legt in het ITK-rapport vast:
|
||||
|
||||
a. het advies van de commissie van deskundigen over de kwaliteitsaspecten;
|
||||
b. zijn bevindingen; en
|
||||
c. het eindoordeel voldoende of onvoldoende.
|
||||
|
||||
**2.** Het ITK-rapport is onderdeel van het besluit op de aanvraag voor een instellingstoets kwaliteitszorg.
|
||||
|
||||
**3.** Alvorens een besluit te nemen op de aanvraag stelt het accreditatieorgaan binnen een door hem te bepalen termijn het instellingsbestuur in de gelegenheid zijn zienswijze over het voorgenomen besluit naar voren te brengen.
|
||||
|
||||
**4.** Gelijktijdig met de bekendmaking aan de instelling van het besluit op de aanvraag, publiceert het accreditatieorgaan het besluit op een voor ieder kenbare wijze.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.29
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister kan, na advies van het accreditatieorgaan, de erkenning ITK tussentijds intrekken, indien de kwaliteitszorg zodanig is gewijzigd dat een beoordeling op de kwaliteitsaspecten, bedoeld in artikel 5.23, derde lid, tot een weigering van de erkenning ITK zou leiden.
|
||||
|
||||
**2.** Voordat het accreditatieorgaan een advies uitbrengt, stelt hij een onderzoek in naar de kwaliteitszorg van de opleidingen. Op het onderzoek zijn de artikelen 5.23, zesde lid, en 5.28 van overeenkomstige toepassing, alsmede de artikelen 5:13, 5:16, 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.30
|
||||
|
||||
**1.** Aanvragen voor een toets nieuwe opleiding als bedoeld in artikel 5.6, dan wel voor accreditatie bestaande opleiding als bedoeld in artikel 5.11, ingediend voorafgaand aan het moment dat het besluit tot weigering van verlenging of het besluit tot intrekking van de erkenning ITK onherroepelijk is geworden, worden beoordeeld overeenkomstig artikel 5.25, eerste, respectievelijk tweede lid, voor zover geen toepassing is gegeven aan het vierde lid. Op een aanvraag voor een toets nieuwe opleiding wordt beslist overeenkomstig artikel 5.25, vijfde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op visitatierapporten overgelegd ter voldoening aan het voorschrift, bedoeld in artikel 5.16, eerste lid.
|
||||
|
||||
### Titel 7. Overige bepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 5.31
|
||||
|
||||
**1.** Het accreditatieorgaan kan, al dan niet op aanvraag van het instellingsbestuur, besluiten de opleiding in een andere visitatiegroep in te delen indien dit beter past bij de aard van de opleiding of indien dit vanwege de planning van de werkzaamheden van het accreditatieorgaan redelijk is. Het accreditatieorgaan bepaalt voor welke datum een aanvraag moet worden ingediend.
|
||||
|
||||
**2.** Onverminderd artikel 5.11, derde lid, kan de naam van de opleiding of de toevoeging aan de graad als bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, op aanvraag van het instellingsbestuur, bij besluit door het accreditatieorgaan tussentijds worden gewijzigd. Op de wijziging is artikel 5.7, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** In verband met een wijziging van de visitatiegroep kan Onze Minister besluiten de accreditatie nieuwe opleiding maximaal twee jaar te verlengen, dan wel besluiten maximaal twee jaar uitstel te verlenen van de datum, bedoeld in artikel 5.16, tweede lid, waarop het visitatierapport moet worden overgelegd.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.32
|
||||
|
||||
Onze Minister kan bij toepassing van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, bepalen dat een instelling gedurende een door Onze Minister te bepalen termijn aanspraak behoudt op bekostiging, dat aan de examens een graad blijft verbonden en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, niet wordt beëindigd.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 5a. Accreditatie in het hoger onderwijs
|
||||
|
||||
### Artikel 5a.1
|
||||
|
||||
**1.** Dit hoofdstuk heeft betrekking op de bekostigde universiteiten en hogescholen en de Open Universiteit en op de levensbeschouwelijke universiteiten.
|
||||
|
||||
**2.** Dit hoofdstuk heeft tevens betrekking op de rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid die geaccrediteerde initiële of postinitiële opleidingen verzorgen of willen verzorgen.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Titel 1. Accreditatieorgaan
|
||||
|
||||
### Artikel 5a.2
|
||||
|
||||
**1.** Er is een accreditatieorgaan dat is belast met activiteiten in het kader van het verlenen van accreditatie, de toets nieuwe opleiding en de instellingstoets kwaliteitszorg op grond van titel 2 of 2a van dit hoofdstuk en overige hem bij of krachtens de wet opgedragen taken. Het accreditatieorgaan bezit rechtspersoonlijkheid.
|
||||
|
||||
**2.** Het accreditatieorgaan is tevens belast met het instellen van een commissie van deskundigen, die adviseert over de aanvraag om de toets nieuwe opleiding of de instellingstoets kwaliteitszorg. Daarnaast stemt het accreditatieorgaan in met een door de instellingsbesturen binnen een visitatiegroep gezamenlijk samengestelde commissie van deskundigen, voor de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, derde lid, ten behoeve van de aanvraag om accreditatie, indien het accreditatieorgaan zich ervan verzekerd heeft dat de commissie van deskundigen onafhankelijk en deskundig is. Indien het instellingsbestuur er niet in slaagt in samenwerking met andere instellingen binnen een visitatiegroep een commissie van deskundigen samen te stellen, doet het accreditatieorgaan een bindende voordracht voor de samenstelling van de commissie. Van de in de vorige volzinnen bedoelde commissies van deskundigen maakt een student deel uit.
|
||||
|
||||
**2a.**
|
||||
|
||||
Het accreditatieorgaan toetst bij de accreditatie en de toets nieuwe opleiding tevens:
|
||||
|
||||
a. de door een instellingsbestuur voorgestelde toevoeging aan een graad als bedoeld in artikel 7.10a, tweede lid, op internationale herkenbaarheid aan de hand van een referentielijst die bij ministeriële regeling wordt vastgesteld;
|
||||
b. of de door het instellingsbestuur gehanteerde naam van de opleiding voldoende inzicht biedt in de inhoud van de opleiding en aansluit bij hetgeen gebruikelijk is binnen de visitatiegroep of sector waartoe de opleiding behoort.
|
||||
|
||||
**3.** Het accreditatieorgaan is desgevraagd belast met het adviseren van Onze minister over het gebruiken van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 5a.12b en 5a.13e, tweede lid. Voordat het accreditatieorgaan een advies als bedoeld in de eerste volzin uitbrengt, kan hij een onderzoek instellen waarbij de artikelen 5:13, 5:16, 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing zijn en schakelt hij een commissie van deskundigen in.
|
||||
|
||||
**3a.** Het accreditatieorgaan deelt de opleidingen die door de instellingen worden verzorgd in visitatiegroepen in, nadat de betreffende instellingsbesturen in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze naar voren te brengen.
|
||||
|
||||
**4.** Het accreditatieorgaan rapporteert desgevraagd aan Onze minister over de kwaliteit van opleidingen in het hoger onderwijs met het oog op de vergelijkbaarheid aan de hand van zijn beoordelingen op grond van dit hoofdstuk. Het accreditatieorgaan doet op grond daarvan voorstellen die hij in het belang van de kwaliteit van opleidingen in het hoger onderwijs nodig acht.
|
||||
|
||||
**5.** Het accreditatieorgaan heeft tevens tot taak het accreditatiekader, bedoeld in artikel 5a.2a, te bespreken met instanties in de Europese landen, in het bijzonder met instanties in de grenslanden.
|
||||
|
||||
**6.** Bij ministeriële regeling worden de overige werkzaamheden bepaald die het accreditatieorgaan verricht in verband met het beoordelen van ander onderwijs dan hoger onderwijs of in verband met opdrachten als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het Accreditatieverdrag.
|
||||
|
||||
**7.** Onverminderd het Accreditatieverdrag en het daarop gebaseerde Beheersreglement is op het accreditatieorgaan de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5a.2a
|
||||
|
||||
**1.** Het accreditatieorgaan legt zijn werkwijze voor het verlenen van accreditatie, toets nieuwe opleiding en instellingstoets kwaliteitszorg, de samenstelling van een visitatiegroep en de uitwerking van de criteria, bedoeld in artikel 5a.8, tweede lid, 5a.10a, tweede lid, 5a.13b, tweede lid, 5a.13f, eerste lid en 5a.13g, eerste lid, vast in het accreditatiekader, waarbij voor de beoordeling ten minste onderscheid wordt gemaakt tussen het wetenschappelijk onderwijs en het hoger beroepsonderwijs, tussen bacheloropleidingen en masteropleidingen en waarbij het verschil in de wijze van beoordeling van aanvragen op grond van titel 2a ten opzichte van titel 2 wordt opgenomen.
|
||||
|
||||
**2.** Alvorens het accreditatiekader vast te stellen of te wijzigen, voert het accreditatieorgaan overleg met vertegenwoordigers van de instellingen en andere betrokkenen, waaronder studentenorganisaties als bedoeld in artikel 3.3 en de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel.
|
||||
|
||||
**3.** Het accreditatiekader of een wijziging daarvan behoeft de goedkeuring van Onze minister. De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. Onze minister verleent zijn goedkeuring niet dan nadat vier weken zijn verstreken nadat zijn voornemen daartoe aan de beide kamers der Staten-Generaal is voorgelegd. Het besluit omtrent goedkeuring wordt binnen 17 weken na de verzending ter goedkeuring bekendgemaakt aan het accreditatieorgaan.
|
||||
|
||||
**4.** Het accreditatiekader of de wijziging daarvan wordt bekendgemaakt door plaatsing in de Staatscourant.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5a.3
|
||||
|
||||
**1.** Voordat Onze minister een voordracht doet voor bestuursleden als bedoeld in artikel 5 van het Accreditatieverdrag, worden de gezamenlijke instellingen voor hoger onderwijs en de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheids- en onderwijspersoneel gehoord.
|
||||
|
||||
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het horen van de gezamenlijke studentenorganisaties, bedoeld in artikel 3.3, in verband met de voordracht van twee bestuursleden.
|
||||
|
||||
**3.** De bestuursleden die door Onze minister worden voorgedragen zijn geen aan Onze minister ondergeschikte ambtenaren.
|
||||
|
||||
**4.** Voordat het Comité van Ministers, bedoeld in het Accreditatieverdrag, een door Onze minister voorgedragen bestuurslid schorst of ontslaat, worden de instellingen en vakorganisaties, bedoeld in het eerste lid, door Onze minister gehoord.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5a.3a
|
||||
|
||||
|
|
@ -791,13 +1187,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 5a.6b
|
||||
|
||||
**1.** Onze minister stelt jaarlijks aan het accreditatieorgaan ten laste van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap overeenkomstig de artikelen 14 en 15, derde lid, van het Accreditatieverdrag financiële middelen ter beschikking voor de vervulling van zijn taken, voortvloeiend uit artikel 1, eerste en tweede lid, van het Accreditatieverdrag.
|
||||
|
||||
**2.** Onze minister stelt jaarlijks voor 1 september van enig kalenderjaar, doch niet dan nadat hij daarover met het accreditatieorgaan heeft overlegd, het bedrag vast dat voor het daaropvolgende kalenderjaar aan het accreditatieorgaan ter beschikking zal worden gesteld en neemt dit bedrag op in het voorstel van wet tot vaststelling van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
|
||||
|
||||
**3.** Het boekjaar van het accreditatieorgaan valt samen met het kalenderjaar.
|
||||
|
||||
**4.** Zolang de wet tot vaststelling van de begroting, bedoeld in het eerste en tweede lid, niet in werking is getreden, verstrekt Onze minister met ingang van het kalenderjaar waarop de begroting betrekking heeft, in de vorm van maandelijkse termijnen een voorschot aan het accreditatieorgaan tot een maximum van het bedrag, bedoeld in het tweede lid.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5a.6c
|
||||
|
||||
|
|
@ -823,28 +1213,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 5a.8
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In het accreditatiekader, bedoeld in artikel 5a.2a, worden voor het verlenen van accreditatie op grond van dit artikel door het accreditatieorgaan vastgelegd:
|
||||
|
||||
a. de gegevens die het instellingsbestuur meezendt bij een aanvraag om accreditatie,
|
||||
b. de wijze waarop de onafhankelijkheid van de beoordeling wordt gewaarborgd,
|
||||
c. de procedure voor het instemmen met een commissie van deskundigen, bedoeld in artikel 5a.2, tweede lid, en
|
||||
d. de voorwaarden voor het verlenen van de oordelen onvoldoende, voldoende, goed en excellent aan de onderdelen, bedoeld in het tweede lid.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Bij de beoordeling van de aanvraag om accreditatie wordt aandacht geschonken aan de aspecten van kwaliteit die betrekking hebben op de opleiding, waarbij ten minste worden beoordeeld:
|
||||
|
||||
a. het beoogde eindniveau van de opleiding, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is,
|
||||
b. de inhoud en opzet van het onderwijsprogramma,
|
||||
c. het gerealiseerde eindniveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is,
|
||||
d. de deugdelijkheid van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten,
|
||||
e. de kwaliteit en kwantiteit van het ingezette personeel alsmede het personeelsbeleid dat van invloed is op de kwaliteit van de opleiding,
|
||||
f. de opleidingsspecifieke voorzieningen alsmede de instellingsbrede voorzieningen die van invloed zijn op de kwaliteit van de opleiding daaronder mede begrepen voldoende studiebegeleiding en voorzieningen die de toegankelijkheid en studeerbaarheid voor studenten met een functiebeperking bevorderen, en
|
||||
g. de opzet en organisatie van de interne kwaliteitszorg gericht op de systematische verbetering van de opleiding.
|
||||
|
||||
**3.** De beoordeling van de aanvraag om accreditatie verricht het accreditatieorgaan gezamenlijk en in dezelfde periode voor alle opleidingen die tot een visitatiegroep behoren en waarvoor de termijn van een verleende accreditatie binnen één jaar verstrijkt of waarvoor een besluit toets nieuwe opleiding binnen één jaar vervalt.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5a.8a
|
||||
|
||||
|
|
@ -852,146 +1221,31 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 5a.9
|
||||
|
||||
**1.** Accreditatie wordt verleend op aanvraag van het instellingsbestuur.
|
||||
|
||||
**2.** Een aanvraag om accreditatie wordt voor een door het accreditatieorgaan te bepalen datum bij het accreditatieorgaan ingediend. De datum kan per visitatiegroep verschillen.
|
||||
|
||||
**3.** Het besluit op de aanvraag om accreditatie wordt gebaseerd op de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, derde lid.
|
||||
|
||||
**4.** Het accreditatieorgaan neemt binnen drie maanden na de uiterste aanvraagdatum een besluit op de aanvraag. Het besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop het besluit is genomen.
|
||||
|
||||
**5.** Het accreditatieorgaan wijst de aanvraag tot het verlenen van accreditatie af indien een van de criteria, bedoeld in artikel 5a.8, tweede lid, onder c en d, door hem als onvoldoende is beoordeeld.
|
||||
|
||||
**6.** Indien het accreditatieorgaan besluit dat geen accreditatie wordt verleend omdat bij de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, derde lid, door de onafhankelijke deskundigen artikel 1.18, derde lid, vierde volzin, niet in acht is genomen, treedt, in afwijking van het vierde lid, dat besluit in werking met ingang van de dag van bekendmaking daarvan en kan binnen een jaar na die bekendmaking, een nieuwe aanvraag om accreditatie worden ingediend. In afwijking van het zevende lid, is de periode van de accreditatie alsdan verlengd tot het moment dat, onder de voorwaarden van het achtste lid, op de aanvraag om accreditatie is beslist.
|
||||
|
||||
**7.** Het besluit tot het verlenen van accreditatie vervalt zes jaar na de dag van inwerkingtreding van het besluit.
|
||||
|
||||
**8.** Indien een instellingsbestuur voor de datum, bedoeld in het tweede lid, een aanvraag om accreditatie heeft ingediend, is, in afwijking van het zevende lid, de periode van de accreditatie verlengd tot het moment dat op de aanvraag om accreditatie is beslist indien het accreditatieorgaan niet voor afloop van de periode, bedoeld in het zevende lid, een besluit heeft genomen. In dat geval wordt de periode van de accreditatie verlengd tot aan het einde van het studiejaar of, indien nodig, tot aan het einde van het daaropvolgende studiejaar.
|
||||
|
||||
**9.** De instelling is het accreditatieorgaan een vergoeding verschuldigd van de kosten van de aanvraag om accreditatie en visitatie overeenkomstig een door Onze minister, na overleg met het accreditatieorgaan, vast te stellen tarief.
|
||||
|
||||
**10.** In afwijking van het zevende lid kan Onze Minister de termijn van accreditatie verlengen met maximaal twee jaar ten behoeve van de gelijktijdige beoordeling van de visitatiegroep.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5a.10
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het accreditatieorgaan legt zijn oordeel vast in een accreditatierapport dat bestaat uit de volgende onderdelen:
|
||||
|
||||
a. het besluit op de aanvraag om accreditatie,
|
||||
b. de bevindingen naar aanleiding van de beoordeling van de opleiding, bedoeld in artikel 5a.9, derde lid,
|
||||
c. een eindoordeel onvoldoende, voldoende, goed of excellent voor de opleiding, en in voorkomende gevallen
|
||||
d. de bijzondere kenmerken van de opleiding.
|
||||
|
||||
**2.** Het accreditatierapport is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.
|
||||
|
||||
**3.** Alvorens het accreditatierapport vast te stellen stelt het accreditatieorgaan het instellingsbestuur in de gelegenheid binnen een door het accreditatieorgaan te bepalen termijn zijn zienswijze over het voorgenomen accreditatierapport naar voren te brengen.
|
||||
|
||||
**4.** Gelijktijdig met de bekendmaking publiceert het accreditatieorgaan het accreditatierapport op een voor iedereen kenbare wijze.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5a.10a
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In het accreditatiekader, bedoeld in artikel 5a.2a, worden voor het verlenen van de toets nieuwe opleiding op grond van dit artikel door het accreditatieorgaan vastgelegd:
|
||||
|
||||
a. de gegevens die het instellingsbestuur meezendt bij een aanvraag om een toets nieuwe opleiding, en
|
||||
b. voor zover een toets nieuwe opleiding onder voorwaarden als bedoeld in artikel 5a.11, vierde lid, is verleend, de procedure en voorwaarden voor de instelling.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Bij de beoordeling van de aanvraag om een toets nieuwe opleiding wordt aandacht geschonken aan de aspecten van kwaliteit die betrekking hebben op de voorgenomen opleiding waarbij ten minste worden beoordeeld:
|
||||
|
||||
a. het beoogde eindniveau van de opleiding, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is,
|
||||
b. de inhoud en opzet van het onderwijsprogramma,
|
||||
c. de wijze van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten,
|
||||
d. de kwaliteit en kwantiteit van het ingezette personeel alsmede het personeelsbeleid dat van invloed is op de kwaliteit van de opleiding,
|
||||
e. de opleidingsspecifieke voorzieningen alsmede de instellingsbrede voorzieningen die van invloed zijn op de kwaliteit van de opleiding daaronder mede begrepen voldoende studiebegeleiding en voorzieningen die de toegankelijkheid en studeerbaarheid voor studenten met een functiebeperking bevorderen, en
|
||||
f. de opzet en organisatie van de interne kwaliteitszorg gericht op de systematische verbetering van de opleiding.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Indien door een instelling voor hoger onderwijs de toets nieuwe opleiding is aangevraagd voor een opleiding waaraan op het moment van de aanvraag al feitelijk onderwijs wordt verzorgd, worden in plaats van de in het tweede lid onder a en c genoemde aspecten beoordeeld:
|
||||
|
||||
a. het gerealiseerde niveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is, en
|
||||
b. de deugdelijkheid van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Indien door een instelling voor hoger onderwijs de toets nieuwe opleiding is aangevraagd voor een opleiding waaraan op het moment van de aanvraag nog geen feitelijk onderwijs wordt verzorgd en de opleiding wordt verzorgd door een instelling die niet beschikt over een instellingstoets kwaliteitszorg of een instellingstoets kwaliteitszorg onder voorwaarden, worden drie jaar nadat de toets nieuwe opleiding is verleend, de volgende aspecten van kwaliteit beoordeeld:
|
||||
|
||||
a. het gerealiseerde niveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is, en
|
||||
b. de deugdelijkheid van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten.
|
||||
|
||||
**5.** Onverminderd het eerste en tweede lid, legt het accreditatieorgaan overeenkomstig artikel 5a.8, eerste en tweede lid, zijn werkwijze vast voor de verzwaarde toets nieuwe opleiding, voor de eerste opleiding die wordt verzorgd door een rechtspersoon die geaccrediteerde opleidingen wil verzorgen. De werkwijze houdt ten minste in dat deze toets plaatsvindt op basis van het volledige curriculum van de opleiding, waarop de aanvraag betrekking heeft, welke opleiding ten tijde van de aanvraag ten minste één maal recent in Nederland is verzorgd en waaraan studenten zijn afgestudeerd.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5a.11
|
||||
|
||||
**1.** De toets nieuwe opleiding wordt verleend op aanvraag van het instellingsbestuur. Een toets nieuwe opleiding is niet vereist in het geval sprake is van het ongedaan maken van een samenvoeging als bedoeld in artikel 6.2, vijfde lid.
|
||||
|
||||
**2.** Het accreditatieorgaan neemt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag om de toets nieuwe opleiding een besluit. In dit besluit geeft het accreditatieorgaan aan welk onderdeel van het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, naar zijn oordeel voor de opleiding passend is en tot welke visitatiegroep de opleiding wordt gerekend.
|
||||
|
||||
**3.** Het accreditatieorgaan besluit gedurende drie jaar geen toets nieuwe opleiding te verlenen, indien uit de gegevens van de desbetreffende aanvraag blijkt dat de instelling voornemens is een opleiding te verzorgen die geheel of in hoofdzaak overeenstemt met een opleiding, verzorgd door diezelfde instelling, waarvoor geen accreditatie is verleend of het besluit tot het verlenen van accreditatie is ingetrokken.
|
||||
|
||||
**4.** Het accreditatieorgaan kan een toets nieuwe opleiding onder voorwaarden verlenen. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen het accreditatieorgaan een toets nieuwe opleiding onder voorwaarden kan verlenen en welke voorwaarden hieraan gesteld kunnen worden. Indien binnen ten hoogste twee jaar naar het oordeel van het accreditatieorgaan niet aan de gestelde voorwaarden is voldaan, verliest de opleiding de toets nieuwe opleiding met ingang van de dag waarop het accreditatieorgaan dat oordeel in een besluit heeft vastgelegd. Artikel 5a.12, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing. Onze minister legt het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de tweede volzin voor aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat vier weken na die voorlegging zijn verstreken.
|
||||
|
||||
**5.** Met een besluit tot het verlenen van een toets nieuwe opleiding laat het instellingsbestuur die opleiding als nieuwe opleiding registreren in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
Het besluit tot het verlenen van een toets nieuwe opleiding vervalt:
|
||||
|
||||
a. na zes jaar,
|
||||
b. een jaar na de dag waarop het besluit tot het verlenen van een toets nieuwe opleiding is genomen, indien niet aan de voorwaarden, bedoeld in het vierde lid, is voldaan,
|
||||
c. na tien maanden, indien het instellingsbestuur de bekostigde opleiding niet binnen deze termijn heeft laten registreren in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, of
|
||||
d. na zes maanden, indien het instellingsbestuur een opleiding, niet zijnde een opleiding onder c, niet binnen deze termijn heeft laten registreren in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13.
|
||||
|
||||
**7.** De toets nieuwe opleiding vervalt eveneens als de beoordeling, bedoeld in artikel 5a.10a, vierde lid, van een of beide aspecten in dat lid genoemd onder a en b, onvoldoende is, tenzij het accreditatieorgaan besluit een herstelperiode toe te kennen als bedoeld in artikel 5a.12a. De herstelperiode bedraagt in dat geval ten hoogste een jaar. Artikel 5a.12a is voor het overige van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**8.** De artikelen 5a.9, negende lid en 5a.10 zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**9.** Indien een toets nieuwe opleiding wordt aangevraagd voor een masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs die de voortzetting vormt van een postinitiële masteropleiding in het hoger beroepsonderwijs, waarvoor accreditatie is verleend, verleent het accreditatieorgaan de toets nieuwe opleiding zonder nader onderzoek voor dezelfde termijn als gold voor de accreditatie.
|
||||
|
||||
**10.** Onze Minister kan de termijn van het besluit toets nieuwe opleidingen met maximaal twee jaar verlengen in verband met de gelijktijdige beoordeling van de visitatiegroep.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5a.12
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Indien de accreditatie van een opleiding na het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde en zevende lid, of artikel 5a.12a, eerste lid, niet opnieuw wordt verleend, draagt de instelling er zorg voor dat aan studenten die voor de opleiding zijn ingeschreven, de gelegenheid wordt geboden deze opleiding te voltooien aan een andere instelling. Voor de studenten voor wie dat niet mogelijk is, wordt de opleiding aan de instelling voortgezet. Het instellingsbestuur maakt de inhoud van het besluit waarbij de accreditatie niet opnieuw wordt verleend, binnen zes weken bekend. Daarbij maakt het instellingsbestuur tevens bekend:
|
||||
|
||||
a. aan welke andere instelling studenten die opleiding kunnen voltooien,
|
||||
b. de termijn gedurende welke de opleiding wordt voortgezet ten behoeve van de studenten, bedoeld in de tweede volzin, met dien verstande dat zij die opleiding zonder onderbreking blijven volgen en die termijn ten hoogste de voor die studenten resterende aan de studielast van de opleiding gerelateerde duur vermeerderd met één jaar bedraagt.
|
||||
|
||||
**2.** Het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde en zevende lid, of artikel 5a.12a, eerste lid, heeft ten aanzien van een bekostigde instelling tot gevolg dat na het verstrijken van de door de instelling vastgestelde termijn, genoemd in het eerste lid, geen aanspraak bestaat op bekostiging als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, dat aan de examens geen graad als bedoeld in artikel 7.10a is verbonden en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, wordt beëindigd.
|
||||
|
||||
**3.** Het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde en zevende lid, heeft ten aanzien van een rechtspersoon voor hoger onderwijs tot gevolg dat na het verstrijken van de door de rechtspersoon vastgestelde termijn, genoemd in het eerste lid, aan de examens geen graad als bedoeld in artikel 7.10a is verbonden en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, wordt beëindigd.
|
||||
|
||||
**4.** Onze Minister kan een last onder dwangsom opleggen ter hoogte van 500 euro voor iedere dag dat het instellingsbestuur de termijn van zes weken, genoemd in het eerste lid, derde volzin, overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van 50.000 euro.
|
||||
|
||||
**5.** Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een opleiding die op grond van artikel 5a.11, vijfde lid, als nieuwe opleiding is opgenomen in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs en aansluitend geen accreditatie is verleend.
|
||||
|
||||
**6.** In afwijking van het eerste tot en met vijfde lid en indien het belang van het instandhouden van een doelmatig onderwijsaanbod dit vordert, kan Onze minister na het verstrijken van de periode, bedoeld in artikel 5a.9, zesde en zevende lid, besluiten dat een bekostigde instelling gedurende een door Onze minister vast te stellen termijn aanspraak behoudt op bekostiging als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, dat aan de examens een graad als bedoeld in artikel 7.10a blijft verbonden en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, niet wordt beëindigd.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5a.12a
|
||||
|
||||
**1.** Indien het accreditatieorgaan vaststelt dat de opleiding niet voldoet aan de aspecten van kwaliteit, bedoeld artikel 5a.8, tweede lid, kan het eenmaal de geldigheidsduur van het laatstgenomen accreditatiebesluit of het besluit waaruit blijkt dat de toets nieuwe opleiding met positief gevolg is ondergaan, verlengen met een periode van ten hoogste twee jaar. Daartoe besluit het accreditatieorgaan indien sprake is van een van de bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen.
|
||||
|
||||
**2.** Het accreditatieorgaan maakt in het besluit tot verlenging van de geldigheidsduur melding van de te verbeteren aspecten van kwaliteit. Tevens kan het daarin voorwaarden opnemen.
|
||||
|
||||
**3.** Artikel 5a.9, achtste en negende lid, is van overeenkomstige toepassing op het besluit tot verlenging.
|
||||
|
||||
**4.** In afwijking van artikel 5a.9, tweede lid, dient het instellingsbestuur bij het accreditatieorgaan een aanvraag om een besluit tot vaststelling dat de opleiding alsnog aan het accreditatiekader voldoet, in ten minste een half jaar voor afloop van de geldigheidsduur van het besluit tot verlenging van accreditatie.
|
||||
|
||||
**5.** Het besluit van het accreditatieorgaan, bedoeld in het vierde lid, geldt met ingang van het moment waarop het accreditatieorgaan de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, heeft gedaan. Op het vaststellingsbesluit is artikel 5a.9, zevende en achtste lid, van overeenkomstige toepassing.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5a.12b
|
||||
|
||||
**1.** Onze minister kan, na advies van het accreditatieorgaan, een besluit tot het verlenen van accreditatie of toets nieuwe opleiding intrekken, indien de beoordeling van de aspecten van kwaliteit van de opleiding, bedoeld in artikel 5a.8, tweede lid, 5a.10a, tweede lid, 5a.13f, eerste lid, of 5a.13g, eerste lid, zodanig is gewijzigd dat deze beoordeling van die aspecten tot een afwijzing van de aanvraag om accreditatie of toets nieuwe opleiding zou leiden.
|
||||
|
||||
**2.** Alvorens een besluit als bedoeld in het eerste lid te nemen, hoort Onze minister het instellingsbestuur.
|
||||
|
||||
**3.** Na intrekking van het besluit tot het verlenen van accreditatie of toets nieuwe opleiding is artikel 5a.12, eerste tot en met vijfde lid, op de opleiding van overeenkomstige toepassing.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5a.13
|
||||
|
||||
|
|
@ -1001,90 +1255,31 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 5a.13a
|
||||
|
||||
Het bestuur van een instelling voor hoger onderwijs kan een instellingstoets kwaliteitszorg aanvragen.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5a.13b
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In het accreditatiekader, bedoeld in artikel 5a.2a, worden voor het verlenen van de instellingstoets kwaliteitszorg door het accreditatieorgaan vastgelegd:
|
||||
|
||||
a. de gegevens die het instellingsbestuur meezendt bij een aanvraag om instellingstoets kwaliteitszorg, en
|
||||
b. de wijze waarop de onafhankelijkheid van de beoordeling wordt gewaarborgd.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Bij de beoordeling van de aanvraag om een instellingstoets kwaliteitszorg worden voor zover die betrekking hebben op de kwaliteit van haar opleidingen beoordeeld:
|
||||
|
||||
a. de visie op de kwaliteit van haar onderwijs,
|
||||
b. de vormgeving en de effectiviteit van de interne kwaliteitszorg van een instelling,
|
||||
c. het gevoerde beleid op het gebied van personeel en voorzieningen,
|
||||
d. de voorzieningen die de toegankelijkheid en studeerbaarheid voor studenten met een functiebeperking bevorderen.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5a.13c
|
||||
|
||||
**1.** Het besluit tot het verlenen van een instellingstoets kwaliteitszorg vervalt zes jaar na de dag van inwerkingtreding van het besluit.
|
||||
|
||||
**2.** Een aanvraag om verlenging van het besluit tot het verlenen van een instellingstoets kwaliteitszorg wordt ten minste een jaar voor de vervaldatum van het besluit tot het verlenen van de vorige instellingstoets kwaliteitszorg bij het accreditatieorgaan ingediend.
|
||||
|
||||
**3.** Indien een instellingsbestuur overeenkomstig de termijn, bedoeld in het tweede lid, een aanvraag om een instellingstoets kwaliteitszorg heeft ingediend, wordt, in afwijking van het eerste lid, de periode van het geldende besluit tot het verlenen van een instellingstoets kwaliteitszorg verlengd tot het moment dat onherroepelijk op de aanvraag is beslist.
|
||||
|
||||
**4.** Artikel 5a.9, negende lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5a.13d
|
||||
|
||||
**1.** Het accreditatieorgaan neemt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag om een instellingstoets kwaliteitszorg een besluit.
|
||||
|
||||
**2.** Het besluit tot het verlenen van een instellingstoets kwaliteitszorg treedt in werking met ingang van de dag waarop het vorige besluit tot het verlenen van een instellingstoets kwaliteitszorg vervalt, of indien een instelling voor de eerste maal een instellingstoets kwaliteitszorg wordt verleend, met ingang van de dag van bekendmaking van het besluit.
|
||||
|
||||
**3.** Het besluit op de aanvraag om een instellingstoets kwaliteitszorg wordt gebaseerd op de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, eerste lid.
|
||||
|
||||
**4.** Het accreditatieorgaan legt zijn oordeel vast in een rapport dat in ieder geval het besluit op de aanvraag om een instellingstoets kwaliteitszorg bevat. Het tweede tot en met het vierde lid van artikel 5a.10 zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**5.** Indien het accreditatieorgaan besluit geen instellingstoets kwaliteitszorg te verlenen, kan een instellingsbestuur gedurende drie jaar vanaf de datum van het besluit geen instellingstoets kwaliteitszorg aanvragen.
|
||||
|
||||
**6.** Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen het accreditatieorgaan aan het besluit tot het verlenen van een instellingstoets kwaliteitszorg voorwaarden kan verbinden en welke voorwaarden hierbij kunnen worden gesteld. Indien naar het oordeel van het accreditatieorgaan binnen twee jaar niet aan de gestelde voorwaarden is voldaan, verliest de instelling twee jaar na de dag waarop het besluit tot verlenen van de instellingstoets kwaliteitszorg is genomen de instellingstoets kwaliteitszorg. Onze minister legt het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de eerste volzin voor aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De voordracht voor die algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat vier weken na die voorlegging zijn verstreken.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5a.13e
|
||||
|
||||
**1.** Indien een instellingsbestuur beschikt over een besluit tot het verlenen van een instellingstoets kwaliteitszorg worden de opleidingen van de instelling bij accreditatie beoordeeld op grond van artikel 5a.13f en bij de toets nieuwe opleiding op grond van artikel 5a.13g, tenzij het instellingsbestuur het accreditatieorgaan verzoekt een aanvraag om accreditatie of toets nieuwe opleiding te beoordelen op grond van titel 2.
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 5a.12b, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de beoordeling betrekking heeft op de aspecten van kwaliteit, bedoeld in artikel 5a.13b, tweede lid.
|
||||
|
||||
**3.** Indien een instelling niet langer beschikt over een instellingstoets kwaliteitszorg worden de opleidingen van de instelling bij accreditatie of toets nieuwe opleiding beoordeeld op grond van titel 2 van dit hoofdstuk met uitzondering van de opleidingen waarvoor een volledige aanvraag bij het accreditatieorgaan is ingediend voor de dag dat op de aanvraag om een instellingstoets kwaliteitszorg is beslist.
|
||||
|
||||
**4.** Indien bij het verlenen van de instellingstoets kwaliteitszorg voorwaarden zijn gesteld op grond van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 5a.13d, zesde lid, heeft een besluit tot het verlenen van accreditatie op grond van artikel 5a.13f onderscheidenlijk de toets nieuwe opleiding op grond van artikel 5a.13g op een volledige aanvraag die bij het accreditatieorgaan is ingediend gedurende het jaar waarin aan de voorwaarden moet worden voldaan, een geldigheidsduur van twee jaar.
|
||||
|
||||
**5.** Indien een instelling op grond van het bepaalde in de tweede volzin van artikel 5a.13d, zesde lid, de instellingstoets kwaliteitszorg verliest, wordt de geldigheidsduur van een besluit als bedoeld in het vierde lid verlengd tot een jaar na de datum waarop het accreditatieorgaan het oordeel heeft bekendgemaakt dat niet aan de gestelde voorwaarden is voldaan. Het instellingsbestuur is verplicht binnen zes maanden na de datum waarop het accreditatieorgaan het oordeel, bedoeld in de vorige volzin, heeft bekendgemaakt een aanvraag om toetsing van de aspecten van artikel 5a.8, tweede lid, onderdelen e tot en met g, of artikel 5a.10a, tweede lid, onderdelen d tot en met f, bij het accreditatieorgaan in te dienen voor de aanvragen tot het verlenen van accreditatie of een toets nieuwe opleiding die zijn gedaan gedurende het jaar waarin de voorwaarden voor de instellingstoets kwaliteitszorg golden.
|
||||
|
||||
**6.** Het accreditatieorgaan besluit binnen drie maanden op een aanvraag, bedoeld in het vijfde lid. Bij een positief besluit van het accreditatieorgaan op de aanvraag wordt de duur van de accreditatie of toets nieuwe opleiding verlengd tot zes jaar. Bij een negatief besluit van het accreditatieorgaan zijn artikel 5a.12, eerste tot en met vijfde lid, en artikel 5a.12a van overeenkomstige toepassing. Indien het accreditatieorgaan niet binnen een jaar na de datum, waarop aan het instellingsbestuur het oordeel is bekendgemaakt dat niet aan de gestelde voorwaarden is voldaan, op de aanvraag heeft besloten, wordt de geldigheidsduur van een besluit als bedoeld in het vierde lid verlengd tot aan het einde van het studiejaar of, indien nodig tot aan het einde van het daarop volgende studiejaar.
|
||||
|
||||
**7.** Indien de instelling naar het oordeel van het accreditatieorgaan binnen twee jaar heeft voldaan aan de voorwaarden, gesteld bij het verlenen van de instellingstoets kwaliteitszorg, wordt de geldigheidsduur van een besluit, bedoeld in het vierde lid, verlengd tot zes jaar.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5a.13f
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Bij de beoordeling van de aanvraag om accreditatie voor een opleiding van een instellingsbestuur dat beschikt over een instellingstoets kwaliteitszorg wordt aandacht geschonken aan de aspecten van kwaliteit die betrekking hebben op het niveau van de opleiding waarbij ten minste worden beoordeeld:
|
||||
|
||||
a. het beoogde eindniveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst of gangbaar is,
|
||||
b. de inhoud en opzet van het onderwijsprogramma, de kwaliteit en kwantiteit van het ingezette personeel en de opleidingsspecifieke voorzieningen,
|
||||
c. het gerealiseerde eindniveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst en gangbaar is, en
|
||||
d. de deugdelijkheid van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten.
|
||||
|
||||
**2.** De artikelen 5a.8, tweede lid, 5a.9, 5a.10, 5a.12 en 5a.12a zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat met de criteria worden bedoeld de criteria op grond van dit artikel.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5a.13g
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Bij de beoordeling van de aanvraag om een toets nieuwe opleiding voor een voorgenomen opleiding van een instellingsbestuur dat beschikt over een instellingstoets kwaliteitszorg wordt aandacht geschonken aan de volgende aspecten van kwaliteit die betrekking hebben op het niveau van de voorgenomen opleiding waarbij ten minste worden beoordeeld:
|
||||
|
||||
a. het beoogde eindniveau, gelet op hetgeen internationaal gewenst of gangbaar is,
|
||||
b. de inhoud en opzet van het onderwijsprogramma, de kwaliteit en kwantiteit van het in te zetten personeel en de opleidingsspecifieke voorzieningen, en
|
||||
c. de wijze van beoordeling, toetsing en examinering van de studenten.
|
||||
|
||||
**2.** De artikelen 5a.10a, tweede lid, 5a.11 en 5a.12, vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat met de criteria worden bedoeld de criteria op grond van dit artikel.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Titel 3. Overige bepalingen
|
||||
|
||||
|
|
@ -1094,7 +1289,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 5a.15
|
||||
|
||||
Onze minister kan bij toepassing van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, bepalen dat een instelling gedurende een door Onze minister te bepalen termijn aanspraak behoudt op bekostiging als bedoeld in artikel 1.9, eerste lid, dat aan de examens een graad als bedoeld in artikel 7.10a of 7.10b blijft verbonden en dat de registratie in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, niet wordt beëindigd.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5a.16
|
||||
|
||||
|
|
@ -1117,23 +1312,33 @@ Vervallen
|
|||
Het instellingsbestuur legt het voornemen tot:
|
||||
|
||||
a. het verzorgen van een nieuwe opleiding, of
|
||||
b. het samenvoegen van bestaande opleidingen.
|
||||
b. het samenvoegen van bestaande opleidingen, of
|
||||
c. het gezamenlijk verzorgen van een opleiding of afstudeerrichting als bedoeld in artikel 7.3c,
|
||||
|
||||
ter instemming aan Onze minister voor met het oog op de beoordeling van een doelmatig onderwijsaanbod en de beoordeling van een doelmatige taakverdeling tussen de instellingen, gelet op het geheel van de voorzieningen op het gebied van het hoger onderwijs. Artikel 7.17, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** Onze minister kan zich bij de beoordeling van het voornemen, bedoeld in het eerste lid, laten bijstaan door een adviescommissie.
|
||||
**2.** Onze minister kan zich bij de beoordeling van het voornemen, bedoeld in het eerste lid, laten bijstaan door een adviescommissie. Bij het samenvoegen van bestaande opleidingen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, of bij het gezamenlijk verzorgen van een opleiding als bedoeld in artikel 7.3c oordeelt het accreditatieorgaan of er sprake is van een nieuwe opleiding.
|
||||
|
||||
**3.** Met inachtneming van de aanvraag kan Onze minister zijn instemming voor het verzorgen van een nieuwe opleiding beperken tot het verzorgen van een voltijdse, deeltijdse of duale opleiding. Onze minister kan zijn instemming ook onder andere beperkingen verlenen.
|
||||
|
||||
**4.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere eisen worden gesteld aan de aanvraag om instemming.
|
||||
|
||||
**5.** Indien sprake is van het samenvoegen van bestaande opleidingen kan Onze minister bij het verlenen van de instemming desgevraagd bepalen dat het instellingsbestuur uiterlijk bij de aanvang van het zesde studiejaar nadat de samenvoeging heeft plaatsgevonden deze ongedaan kan maken zonder dat daarvoor instemming als bedoeld in het eerste lid noodzakelijk is.
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
**6.** Ingeval van een nieuwe opleiding in een van de openbare lichamen BES wordt bij de beoordeling gelet op de voorzieningen op het gebied van hoger onderwijs in Nederland en Aruba, Curaçao en Sint Maarten.
|
||||
In geval Onze Minister instemt met het samenvoegen van bestaande opleidingen en het accreditatieorgaan heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een nieuwe opleiding:
|
||||
|
||||
**7.** De instemming van Onze minister vervalt, indien de opleiding niet binnen tien maanden nadat de instemming is verleend, is geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13.
|
||||
a. dient het instellingsbestuur van de samengevoegde opleiding de aanvraag voor accreditatie bestaande opleiding in, onderscheidenlijk legt het visitatierapport voor het eerst over, op de datum waarop ten behoeve van de opleidingen die worden samengevoegd als eerste de aanvraag accreditatie bestaande opleiding zou moeten worden ingediend, onderscheidenlijk als eerste het visitatierapport zou moeten worden overgelegd; en
|
||||
b. kan Onze Minister desgevraagd bepalen dat het instellingsbestuur uiterlijk bij de aanvang van het zesde studiejaar, nadat de samenvoeging heeft plaatsgevonden, deze ongedaan maakt zonder dat daarvoor instemming als bedoeld in het eerste lid noodzakelijk is. Alsdan legt het instellingsbestuur voor de afzonderlijke opleidingen het visitatierapport over op de datum waarop het instellingsbestuur van de samengevoegde opleiding het visitatierapport zou moeten overleggen.
|
||||
|
||||
**8.** Onze minister stelt beleidsregels vast op grond waarvan hij de aanvragen beoordeelt. Wijzigingen van de beleidsregels worden meegedeeld aan beide Kamers der Staten-Generaal.
|
||||
**6.** Onze Minister kan het instellingsbestuur maximaal twee jaar uitstel verlenen van de data, bedoeld in het vorige lid.
|
||||
|
||||
**7.** Indien sprake is van het samenvoegen van bestaande opleidingen kan Onze minister bij het verlenen van de instemming desgevraagd bepalen dat het instellingsbestuur uiterlijk bij de aanvang van het zesde studiejaar nadat de samenvoeging heeft plaatsgevonden deze ongedaan kan maken zonder dat daarvoor instemming als bedoeld in het eerste lid noodzakelijk is.
|
||||
|
||||
**8.** Ingeval van een nieuwe opleiding in een van de openbare lichamen BES wordt bij de beoordeling gelet op de voorzieningen op het gebied van hoger onderwijs in Nederland en Aruba, Curaçao en Sint Maarten.
|
||||
|
||||
**9.** De instemming van Onze minister vervalt, indien de opleiding niet binnen tien maanden nadat de instemming is verleend, is geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13.
|
||||
|
||||
**10.** Onze minister stelt beleidsregels vast op grond waarvan hij de aanvragen beoordeelt. Wijzigingen van de beleidsregels worden meegedeeld aan beide Kamers der Staten-Generaal.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.3
|
||||
|
||||
|
|
@ -1152,9 +1357,7 @@ Onze minister kan besluiten dat aan een opleiding de rechten, genoemd in artikel
|
|||
a. de verzorging van die opleiding, gelet op de spreiding en de mate van verscheidenheid van de voorzieningen in het hoger onderwijs, en het profiel van de instelling die de desbetreffende opleiding verzorgt, in redelijkheid niet of niet meer doelmatig kan worden geacht, of
|
||||
b. niet of niet meer wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald over de kwaliteitszorg, de registratie, het onderwijs, de examens, de promoties of de vooropleidingseisen of toelatingseisen.
|
||||
|
||||
**2.** Bij een besluit als bedoeld in het eerste lid bepaalt Onze minister het tijdstip waarop dat besluit van kracht wordt.
|
||||
|
||||
**3.** Artikel 5a.12, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op de opleiding, waaraan de rechten, genoemd in artikel 1.9, eerste en tweede lid, zijn ontnomen.
|
||||
**2.** Bij een besluit als bedoeld in het eerste lid bepaalt Onze minister het tijdstip waarop dat besluit van kracht wordt. Artikel 5.21, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.6
|
||||
|
||||
|
|
@ -1207,7 +1410,7 @@ b. de vraag, of de desbetreffende opleiding of het desbetreffende programma binn
|
|||
|
||||
**4.** Onze minister kan nadere regels stellen met betrekking tot het indienen van aanvragen en de daarbij over te leggen gegevens en bescheiden.
|
||||
|
||||
**5.** In het accreditatiekader, bedoeld in artikel 5a.8, eerste lid, legt het accreditatieorgaan het advieskader en zijn werkwijze vast.
|
||||
**5.** In het accreditatiekader legt het accreditatieorgaan het advieskader en zijn werkwijze vast.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.7c
|
||||
|
||||
|
|
@ -1244,7 +1447,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**4.** Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing indien de desbetreffende rechtspersoon de opleiding overdraagt aan een andere rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid waarop de artikelen 1.12 of 1.12a op het moment van de overdracht niet van toepassing zijn.
|
||||
|
||||
**5.** Indien door de in het eerste lid bedoelde rechtspersoon geen in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, geregistreerde opleidingen meer worden verzorgd, naast een associate degree-opleiding als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onderdeel a, niet langer een bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onderdeel b, of uitsluitend een opleiding in afbouw als bedoeld in artikel 5a.12 wordt verzorgd dan wel door de rechtspersoon uitsluitend een opleiding in afbouw als bedoeld in artikel 5a.12 wordt verzorgd, kan deze rechtspersoon slechts opnieuw graden verlenen na toepassing van het eerste tot en met derde lid.
|
||||
**5.** Indien door de in het eerste lid bedoelde rechtspersoon geen in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, geregistreerde opleidingen meer worden verzorgd, naast een associate degree-opleiding als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onderdeel a, niet langer een bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onderdeel b, of uitsluitend een opleiding in afbouw als bedoeld in artikel 5.21, derde lid, wordt verzorgd dan wel door de rechtspersoon uitsluitend een opleiding in afbouw als bedoeld in artikel 5.21, derde lid, wordt verzorgd, kan deze rechtspersoon slechts opnieuw graden verlenen na toepassing van het eerste tot en met derde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.10
|
||||
|
||||
|
|
@ -1302,12 +1505,12 @@ i. of het een opleiding gericht op een bepaald beroep betreft, waarvoor bij of k
|
|||
j. of toepassing is gegeven aan artikel 7.25, vierde lid,
|
||||
k. of eisen omtrent het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in artikel 7.27 gesteld worden,
|
||||
l. de gemeente, de gemeenten, het openbaar lichaam BES, de openbare lichamen BES of de plaats in het buitenland waar de opleiding is gevestigd,
|
||||
m. de door de instelling op grond van artikel 5a.12, eerste lid, vierde volzin, onder b, vastgestelde termijn,
|
||||
n. de door Onze minister op grond van artikel 5a.12, zesde lid, of 5a.15, vastgestelde termijn,
|
||||
o. indien toepassing is gegeven aan artikel 5a.12a: de termijn, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, en het door het accreditatieorgaan genomen besluit op grond van vijfde lid van dat artikel,
|
||||
m. de door de instelling op grond van artikel 5.21, tweede lid vastgestelde termijn,
|
||||
n. de door Onze minister op grond van artikel 5.21, zesde lid, of artikel 5.32, vastgestelde termijn,
|
||||
o. of toepassing is gegeven aan artikel 5.9, tweede lid, artikel 5.17, tweede lid, respectievelijk artikel 5.18,
|
||||
p. het tijdstip waarop voor het eerst inschrijving voor de opleiding mogelijk is,
|
||||
q. indien de opleiding niet langer zal worden verzorgd, het tijdstip waarop de registratie zal worden beëindigd, alsmede het tijdstip waarop voor het eerst inschrijving in de propedeutische fase van de opleiding of, indien die fase niet is ingesteld, de eerste periode in een associate degree-opleiding of een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs met een studielast van 60 studiepunten, niet meer mogelijk is,
|
||||
r. indien artikel 5a.9, zevende lid, van toepassing is: de door het accreditatieorgaan vastgestelde termijn, bedoeld in de tweede volzin van dat artikellid,
|
||||
r. indien toepassing is gegeven aan artikel 5.31, derde lid, de termijn waarvoor accreditatie nieuwe opleiding wordt verlengd,
|
||||
s. of Onze minister met betrekking tot een opleiding toestemming heeft verleend voor het hanteren van specifieke selectiecriteria, bedoeld in artikel 6.7, en in samenhang daarmee voor het vaststellen van een hoger collegegeld als bedoeld in dat artikel,
|
||||
t. of binnen de opleiding een programma wordt aangeboden ten aanzien waarvan Onze minister toestemming heeft verleend voor het hanteren van specifieke selectiecriteria, bedoeld in artikel 6.7, en in samenhang daarmee voor het vaststellen van een hoger collegegeld als bedoeld in dat artikel,
|
||||
u. of Onze minister toestemming heeft verleend voor het vaststellen van een hoger collegegeld als bedoeld in artikel 6.8,
|
||||
|
|
@ -1325,13 +1528,13 @@ b. de gegevens, bedoeld in het vierde lid, onderdelen b tot en met g, m, n, o, q
|
|||
|
||||
### Artikel 6.14
|
||||
|
||||
**1.** Het instellingsbestuur kan een aanvraag doen tot registratie van een opleiding waaraan accreditatie is verleend. Het instellingsbestuur kan een aanvraag doen tot registratie van een opleiding die de instelling voornemens is te verzorgen, nadat die opleiding de toets nieuwe opleiding met positief gevolg heeft ondergaan. Indien er sprake is van het ongedaan maken van een samenvoeging als bedoeld in artikel 6.2, vijfde lid, doet het instellingsbestuur een nieuwe aanvraag tot registratie van de oorspronkelijke opleidingen.
|
||||
**1.** Het instellingsbestuur doet een aanvraag tot registratie van een opleiding waaraan accreditatie is verleend. Indien er sprake is van het ongedaan maken van een samenvoeging als bedoeld in artikel 6.2, vijfde lid, onderdeel b, doet het instellingsbestuur een nieuwe aanvraag tot registratie van de oorspronkelijke opleidingen. Voor zover er sprake is van het behoud van accreditatie bestaande opleiding doet het accreditatieorgaan een melding tot het registreren van de bevestiging, bedoeld in artikel 5.16, derde lid, en het daarbij vermelden van de datum waarop het eerstvolgende visitatierapport moet worden overgelegd.
|
||||
|
||||
**2.** De aanvraag geschiedt onder vermelding van de gegevens, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid. Bij de aanvraag van een geaccrediteerde opleiding, voegt het instellingsbestuur het accreditatierapport, bedoeld in artikel 5a.10, eerste lid. Bij de aanvraag van een opleiding die de toets nieuwe opleiding met positief gevolg heeft ondergaan, voegt het instellingsbestuur het rapport van de toets nieuwe opleiding en het besluit van instemming van Onze minister, bedoeld in artikel 6.2, eerste lid. Indien de indeling van het Centraal register opleidingen hoger onderwijs naar het oordeel van het instellingsbestuur niet voldoet, volstaat het instellingsbestuur met een aanduiding van het onderdeel dat naar zijn oordeel het gebied van de opleiding het best omschrijft. Het instellingsbestuur dat een aanvraag doet voor registratie van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs, voegt zo nodig het besluit van Onze minister, bedoeld in artikel 7.4a, vijfde lid, eerste volzin, toe.
|
||||
**2.** De aanvraag geschiedt onder vermelding van de gegevens, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid. Bij de aanvraag voegt het instellingsbestuur het besluit, bedoeld in artikel 5.8, eerste lid, artikel 5.16, eerste lid, of artikel 5.22, tweede lid, en het besluit, bedoeld in artikel 6.2, eerste lid. Het instellingsbestuur dat een aanvraag doet voor registratie van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs voegt zo nodig het besluit, bedoeld in artikel 7.4a, vijfde lid, eerste volzin, toe.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister registreert binnen een redelijke termijn de opleiding overeenkomstig de door het instellingsbestuur verstrekte gegevens in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs.
|
||||
|
||||
**4.** Indien de gegevens niet volledig zijn of de indeling in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs naar het oordeel van Onze minister in redelijkheid niet passend kan worden geacht voor de opleiding stelt Onze Minister het instellingsbestuur in de gelegenheid om, binnen een door Onze Minister te bepalen termijn, te voorzien in de ontbrekende gegevens onderscheidenlijk de indeling te herzien. Indien het betreft de gegevens, bedoeld in het tweede lid, derde volzin, stelt Onze Minister de termijn vast binnen de termijn, bedoeld in artikel 5a.11, zesde lid, onderdeel c of d. Onverminderd artikel 6.15 weigert Onze Minister registratie in het register uitsluitend, indien Onze Minister de gegevens binnen deze termijn niet of niet volledig heeft ontvangen, indien hij constateert dat de gegevens niet juist zijn, of indien de herziene indeling naar het oordeel van Onze minister in redelijkheid niet passend geoordeeld kan worden voor de opleiding.
|
||||
**4.** Indien de gegevens niet volledig zijn of de indeling in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs naar het oordeel van Onze minister in redelijkheid niet passend kan worden geacht voor de opleiding stelt Onze Minister het instellingsbestuur in de gelegenheid om, binnen een door Onze Minister te bepalen termijn, te voorzien in de ontbrekende gegevens onderscheidenlijk de indeling te herzien. Hij houdt daarbij rekening met de termijn, bedoeld in artikel 5.8, eerste lid, onderdelen a en b. Onverminderd artikel 6.15 weigert Onze Minister registratie in het register uitsluitend, indien Onze Minister de gegevens binnen deze termijn niet of niet volledig heeft ontvangen, indien hij constateert dat de gegevens niet juist zijn, of indien de herziene indeling naar het oordeel van Onze minister in redelijkheid niet passend geoordeeld kan worden voor de opleiding.
|
||||
|
||||
**5.** Indien Onze minister constateert dat de gegevens in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs onvolledig of onjuist zijn of de indeling niet passend is voor de opleiding, kunnen de gegevens of de indeling door Onze minister aangepast worden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1343,14 +1546,14 @@ b. de gegevens, bedoeld in het vierde lid, onderdelen b tot en met g, m, n, o, q
|
|||
|
||||
Onze Minister beëindigt de registratie van een opleiding als bedoeld in artikel 7.3a indien:
|
||||
|
||||
a. het instellingsbestuur te kennen heeft gegeven dat de instelling de opleiding niet langer zal verzorgen,
|
||||
b. de termijn, bedoeld in de artikelen 5a.12, eerste, vierde of vijfde lid, of artikel 5a.15, is verstreken,
|
||||
a. de opleiding wordt beëindigd, na de termijn bedoeld in artikel 7.3, zesde lid,
|
||||
b. accreditatie bestaande opleiding wordt geweigerd of accreditatie wordt ingetrokken, op de datum, bedoeld in artikel 5.21, eerste lid, dan wel na de termijn, bedoeld in het derde lid,
|
||||
c. Onze minister met toepassing van artikel 6.5 heeft besloten dat ten aanzien van de opleiding de rechten, genoemd in artikel 1.9, eerste en tweede lid, ontnomen worden, dan wel
|
||||
d. Onze minister met toepassing van de artikelen 6.9, vierde lid, of 6.10 heeft besloten dat ten aanzien van de opleiding de rechten, bedoeld in artikel 1.12, ontnomen worden.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister wijzigt de registratie van het gegeven, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid, onder l, overeenkomstig het besluit, bedoeld in artikel 7.17a.
|
||||
|
||||
**3.** Onze minister wijzigt de registratie van het gegeven, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid, onderdeel r of s, overeenkomstig het besluit, bedoeld in artikel 6.7d.
|
||||
**3.** Onze minister wijzigt de registratie van het gegeven, bedoeld in artikel 6.13, vierde lid, onderdeel s, overeenkomstig het besluit, bedoeld in artikel 6.7d.
|
||||
|
||||
**4.** De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, onder a, geschiedt uiterlijk op 28 februari van het kalenderjaar voorafgaand aan het eerste studiejaar waarin de inschrijving voor de propedeutische fase van de bacheloropleiding of, indien die fase niet is ingesteld, de inschrijving voor de bacheloropleiding dan wel inschrijving voor de masteropleiding niet meer openstaat.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1402,8 +1605,6 @@ c. indien de specifieke aard, de inrichting of de kwaliteit van het onderwijs da
|
|||
|
||||
**6.** Indien het instellingsbestuur besluit een opleiding, te beëindigen, worden de aan die opleiding ingeschreven studenten in de gelegenheid gesteld hun opleiding zonder onderbreking bij die instelling te vervolgen. Daarbij wordt een termijn in acht genomen die ten hoogste de voor de betrokken studenten resterende, aan de studielast van de opleiding gerelateerde studieduur vermeerderd met een jaar bedraagt.
|
||||
|
||||
**7.** Het instellingsbestuur kan de naam van een opleiding wijzigen in het kader van het verlenen van accreditatie of tussentijds als daarmee wordt bereikt dat de naam beter aansluit bij wat binnen de visitatiegroep of de sector gebruikelijk is. Tussentijdse wijziging kan slechts plaatsvinden na instemming door het accreditatieorgaan. Het accreditatieorgaan stemt in als wordt voldaan aan de criteria, bedoeld in artikel 5a.2, lid 2a, onder b.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.3a
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
|
@ -1518,7 +1719,7 @@ Een student die is ingeschreven voor een opleiding in het wetenschappelijk onder
|
|||
|
||||
**8.** De studielast van de masteropleidingen op het gebied van de bouwkunst bedraagt 240 studiepunten.
|
||||
|
||||
**9.** Het instellingsbestuur kan bepalen dat een opleiding als bedoeld in het eerste lid een grotere studielast heeft dan 120 studiepunten en een opleiding als bedoeld in het tweede lid een grotere studielast heeft dan 60 studiepunten.
|
||||
**9.** Het instellingsbestuur kan bepalen dat een opleiding als bedoeld in het eerste lid een grotere studielast heeft dan 120 studiepunten en een opleiding als bedoeld in het derde lid een grotere studielast heeft dan 60 studiepunten.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.5
|
||||
|
||||
|
|
@ -1675,7 +1876,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**1.** Het instellingsbestuur verleent de graad Bachelor aan degene die in het wetenschappelijk onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding heeft afgelegd en de graad Master aan degene die het afsluitende examen van een masteropleiding of een postinitiële masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b, onderdeel a, heeft afgelegd. Afhankelijk van het vakgebied waarin het met goed gevolg afgelegde afsluitend examen van een bacheloropleiding, een masteropleiding of postinitiële masteropleiding is afgelegd, wordt aan de verleende graad toegevoegd «of Arts» dan wel «of Science». Bij ministeriële regeling kan voor een opleiding of een groep van opleidingen een andere toevoeging worden vastgesteld.
|
||||
|
||||
**2.** Het instellingsbestuur verleent de graad Associate degree, aan degene die in het hoger beroepsonderwijs met goed gevolg het afsluitend examen van een associate degree-opleiding heeft afgelegd, de graad Bachelor aan degene die in het hoger beroepsonderwijs met goed gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding heeft afgelegd en de graad Master aan degene die in het hoger beroepsonderwijs met goed gevolg een masteropleiding of een postinitiële masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b, onderdeel b, heeft afgelegd. Afhankelijk van het vakgebied waarin het met goed gevolg afgelegde afsluitend examen van een bacheloropleiding, een masteropleiding of een postinitiële masteropleiding is afgelegd, wordt aan de verleende graad de toevoeging verbonden die op grond van artikel 5a.2, lid 2a, onder a, met positief resultaat is getoetst.
|
||||
**2.** Het instellingsbestuur verleent de graad Associate degree, aan degene die in het hoger beroepsonderwijs met goed gevolg het afsluitend examen van een associate degree-opleiding heeft afgelegd, de graad Bachelor aan degene die in het hoger beroepsonderwijs met goed gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding heeft afgelegd en de graad Master aan degene die in het hoger beroepsonderwijs met goed gevolg een masteropleiding of een postinitiële masteropleiding als bedoeld in artikel 7.3b, onderdeel b, heeft afgelegd. Afhankelijk van het vakgebied waarin het met goed gevolg afgelegde afsluitend examen van een bacheloropleiding, een masteropleiding of een postinitiële masteropleiding is afgelegd, wordt aan de verleende graad de toevoeging verbonden die op grond van artikel 5.7, vierde lid, onderdeel b, met positief resultaat is getoetst.
|
||||
|
||||
**3.** Het instellingsbestuur kan de graad Associate degree en de graad Bachelor of Master en de toevoeging daaraan aanvullen met de vermelding van het vakgebied of het beroepenveld waarop de graad betrekking heeft.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1695,7 +1896,7 @@ a. de naam van de instelling en welke opleiding het betreft, zoals vermeld in he
|
|||
b. welke onderdelen het examen omvatte,
|
||||
c. in voorkomende gevallen welke bevoegdheid daaraan is verbonden, rekening houdend met artikel 7.6, eerste lid,
|
||||
d. welke graad is verleend, in overeenstemming met de opleidingsgegevens in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, en
|
||||
e. op welk tijdstip de opleiding voor het laatst is geaccrediteerd dan wel op welk tijdstip de opleiding de toets nieuwe opleiding, bedoeld in artikel 5a.11, tweede lid, met goed gevolg heeft ondergaan, en
|
||||
e. wanneer aan de opleiding accreditatie nieuwe opleiding dan wel accreditatie bestaande opleiding is verleend en wanneer het behoud van accreditatie bestaande opleiding voor het laatst is bevestigd als bedoeld in artikel 5.16, derde lid, en
|
||||
f. indien het getuigschrift een gezamenlijke opleiding of een gezamenlijke afstudeerrichting als bedoeld in artikel 7.3c betreft, de naam van de instelling of instellingen die de gezamenlijke opleiding of de gezamenlijke afstudeerrichting mede heeft of hebben verzorgd.
|
||||
|
||||
**3.** Degene die aanspraak heeft op uitreiking van een getuigschrift, kan overeenkomstig door het instellingsbestuur vast te stellen regels de examencommissie verzoeken daartoe nog niet over te gaan.
|
||||
|
|
@ -2084,9 +2285,9 @@ Het instellingsbestuur kan met het oog op de inschrijving voor een deeltijdse op
|
|||
|
||||
**2.** Het instellingsbestuur verleent vrijstelling van de in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde vooropleidingseis aan de bezitter van een al dan niet in Nederland afgegeven diploma dat bij ministeriële regeling is aangemerkt als tenminste gelijkwaardig aan het in het desbetreffende lid bedoelde diploma, onverminderd het derde en vierde lid. Het instellingsbestuur kan vrijstelling verlenen van de in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid, bedoelde vooropleidingseisen aan de bezitter van een al dan niet in Nederland afgegeven diploma dat niet in de in de eerste volzin genoemde ministeriële regeling is opgenomen, indien dat diploma naar het oordeel van het instellingsbestuur tenminste gelijkwaardig is aan het in artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid bedoelde diploma, onverminderd het derde en vierde lid. Indien het een buiten Nederland afgegeven diploma betreft, kan het instellingsbestuur bepalen dat geen examens of onderdelen daarvan worden afgelegd dan nadat ten genoegen van de desbetreffende examencommissie het bewijs is geleverd van voldoende beheersing van de Nederlandse taal voor het met vrucht kunnen volgen van het onderwijs. Het instellingsbestuur kan tevens bepalen dat betrokkene niet wordt ingeschreven zolang het in de voorgaande volzin bedoelde bewijs niet is geleverd.
|
||||
|
||||
**3.** Indien bij ministeriële regeling eisen als bedoeld in artikel 7.25, eerste of tweede lid, zijn vastgesteld kan de bezitter van een diploma als bedoeld in het eerste tot en met tweede lid geen examens afleggen voordat hij op een door het instellingsbestuur te bepalen wijze op grond van een aanvullend onderzoek heeft aangetoond te beschikken over de kennis en vaardigheden waarop de eisen, bedoeld in artikel 7.25, betrekking hebben.
|
||||
**3.** Indien nadere vooropleidingseisen als bedoeld in artikel 7.25, eerste, tweede of derde lid, of bijzondere nadere vooropleidingseisen als bedoeld in artikel 7.25a, eerste lid, zijn vastgesteld kan de bezitter van een diploma als bedoeld in het eerste tot en met tweede lid geen examens afleggen voordat hij op een door het instellingsbestuur te bepalen wijze op grond van een aanvullend onderzoek heeft aangetoond te beschikken over de kennis en vaardigheden waarop de nadere of bijzondere nadere vooropleidingseisen, bedoeld in de artikelen 7.25 onderscheidenlijk 7.25a, betrekking hebben.
|
||||
|
||||
**4.** Het instellingsbestuur kan bepalen dat de bezitter van een diploma als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid niet kan worden ingeschreven indien dat bestuur van oordeel is dat de eisen, bedoeld in artikel 7.25, van dien aard zijn dat redelijkerwijs verwacht kan worden dat niet tijdens het eerste jaar van inschrijving voor de opleiding op grond van een aanvullend onderzoek als bedoeld in het derde lid aangetoond kan worden dat betrokkene beschikt over de kennis en vaardigheden waarop die eisen betrekking hebben. Het instellingsbestuur bepaalt op welke wijze betrokkene op grond van een aanvullend onderzoek met het oog op de inschrijving vrijgesteld kan worden van die eisen.
|
||||
**4.** Het instellingsbestuur kan bepalen dat de bezitter van een diploma als bedoeld in het eerste dan wel tweede lid niet kan worden ingeschreven indien dat bestuur van oordeel is dat de eisen, bedoeld in de artikelen 7.25 of 7.25a, van dien aard zijn dat redelijkerwijs verwacht kan worden dat niet tijdens het eerste jaar van inschrijving voor de opleiding op grond van een aanvullend onderzoek als bedoeld in het derde lid aangetoond kan worden dat betrokkene beschikt over de kennis en vaardigheden waarop die eisen betrekking hebben. Het instellingsbestuur bepaalt op welke wijze betrokkene op grond van een aanvullend onderzoek met het oog op de inschrijving vrijgesteld kan worden van die eisen.
|
||||
|
||||
**5.** De bij het onderzoek, bedoeld in onderscheidenlijk de leden twee tot en met vier, te stellen eisen worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling.
|
||||
|
||||
|
|
@ -2541,7 +2742,7 @@ h. andere dan de in de onderdelen a tot en met g bedoelde omstandigheden die, in
|
|||
|
||||
### Artikel 7.51b
|
||||
|
||||
Het instellingsbestuur treft voorzieningen voor de financiële ondersteuning van een student die aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor een opleiding waaraan niet opnieuw accreditatie is verleend waardoor de student niet langer aanspraak op studiefinanciering maakt.
|
||||
Het instellingsbestuur treft voorzieningen voor de financiële ondersteuning van een student die aan de desbetreffende instelling is ingeschreven voor een opleiding die accreditatie bestaande opleiding is geweigerd als bedoeld in artikel 5.17, eerste lid, of waarvan accreditatie is ingetrokken als bedoeld in artikel 5.19 en artikel 5.20 waardoor de student niet langer aanspraak op studiefinanciering maakt.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.51c
|
||||
|
||||
|
|
@ -3270,8 +3471,9 @@ Voor elke opleiding of groep van opleidingen wordt een opleidingscommissie inges
|
|||
|
||||
a. instemmingsrecht ten aanzien van de onderwerpen in de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, tweede lid, onder a1, b, c, d, e, g en v,
|
||||
b. als taak het jaarlijks beoordelen van de wijze van uitvoeren van de onderwijs- en examenregeling,
|
||||
c. adviesrecht ten aanzien van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, met uitzondering van de onderwerpen ten aanzien waarvan de commissie op grond van onderdeel a instemmingsrecht heeft, en
|
||||
d. als taak het desgevraagd of uit eigen beweging advies uitbrengen of voorstellen doen aan het bestuur van de opleiding, bedoeld in artikel 9.17, eerste lid, en de decaan over alle aangelegenheden betreffende het onderwijs in de desbetreffende opleiding.
|
||||
c. adviesrecht ten aanzien van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, met uitzondering van de onderwerpen ten aanzien waarvan de commissie op grond van onderdeel a instemmingsrecht heeft,
|
||||
d. als taak het desgevraagd of uit eigen beweging advies uitbrengen of voorstellen doen aan het bestuur van de opleiding, bedoeld in artikel 9.17, eerste lid, en de decaan over alle aangelegenheden betreffende het onderwijs in de desbetreffende opleiding, en
|
||||
e. als taak het bespreken van het visitatierapport, bedoeld in artikel 5.13, vierde lid.
|
||||
|
||||
De commissie zendt de adviezen en voorstellen, bedoeld onder d, ter kennisneming aan de faculteitsraad.
|
||||
|
||||
|
|
@ -3385,7 +3587,7 @@ b. dat de onder a bedoelde wet niet van toepassing is op de universiteit.
|
|||
Het college van bestuur behoeft de voorafgaande instemming van de gezamenlijke vergadering voor elk door het college van bestuur te nemen besluit met betrekking tot de vaststelling of wijziging van:
|
||||
|
||||
a. het instellingsplan, bedoeld in artikel 2.2,
|
||||
b. de vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg overeenkomstig artikel 1.18, eerste lid, alsmede het voorgenomen beleid in het licht van de uitkomsten van de kwaliteitsbeoordeling, bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, tweede volzin, en
|
||||
b. de vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg overeenkomstig artikel 1.18 alsmede het voorgenomen beleid in het licht van de uitkomsten van de kwaliteitsbeoordeling, bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, tweede volzin, en
|
||||
c. het bestuurs- en beheersreglement, bedoeld in artikel 9.4.
|
||||
|
||||
**3.** Het college van bestuur behoeft eveneens de voorafgaande instemming van de gezamenlijke vergadering over de hoofdlijnen van de jaarlijkse begroting, waarbij in ieder geval aandacht wordt besteed aan de beoogde verdeling van de middelen over de beleidsterreinen onderwijs, onderzoek, huisvesting en beheer, investeringen en personeel. Artikel 9.36, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
|
@ -3445,7 +3647,7 @@ c. het bestuurs- en beheersreglement, bedoeld in artikel 9.4.
|
|||
Het college van bestuur behoeft de voorafgaande instemming van de universiteitsraad voor elk door het college van bestuur te nemen besluit met betrekking tot ten minste de vaststelling of wijziging van:
|
||||
|
||||
a. het instellingsplan, bedoeld in artikel 2.2,
|
||||
b. de vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg overeenkomstig artikel 1.18, eerste lid, alsmede het voorgenomen beleid in het licht van de uitkomsten van de kwaliteitsbeoordeling, bedoeld in artikel 2.9, tweede lid tweede volzin,
|
||||
b. de vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg overeenkomstig artikel 1.18, alsmede het voorgenomen beleid in het licht van de uitkomsten van de kwaliteitsbeoordeling, bedoeld in artikel 2.9, tweede lid tweede volzin,
|
||||
c. het studentenstatuut, bedoeld in artikel 7.59,
|
||||
d. het bestuurs- en beheersreglement, bedoeld in artikel 9.4,
|
||||
e. regels op het gebied van de arbeidsomstandigheden,
|
||||
|
|
@ -3919,8 +4121,10 @@ Voor elke opleiding of groep van opleidingen wordt een opleidingscommissie inges
|
|||
|
||||
a. instemmingsrecht ten aanzien van de onderwerpen in de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, tweede lid, onder a1, b, c, d, e, g en v,
|
||||
b. als taak het jaarlijks beoordelen van de wijze van uitvoeren van de onderwijs- en examenregeling,
|
||||
c. adviesrecht ten aanzien van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, met uitzondering van de onderwerpen ten aanzien waarvan de commissie op grond van onderdeel a instemmingsrecht heeft, en
|
||||
d. als taak het desgevraagd of uit eigen beweging advies uitbrengen aan de deelraad, bedoeld in artikel 10.25, en het faculteitsbestuur of het bestuur van de desbetreffende organisatorische eenheid dan wel, indien de hogeschool geen faculteiten omvat, aan het instellingsbestuur, over alle andere aangelegenheden betreffende het onderwijs in de desbetreffende opleiding.
|
||||
c. adviesrecht ten aanzien van de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, met uitzondering van de onderwerpen ten aanzien waarvan de commissie op grond van onderdeel a instemmingsrecht heeft,
|
||||
d. als taak het desgevraagd of uit eigen beweging advies uitbrengen aan de deelraad, bedoeld in artikel 10.25, en het faculteitsbestuur of het bestuur van de desbetreffende organisatorische eenheid dan wel, indien de hogeschool geen faculteiten omvat, aan het instellingsbestuur, over alle andere aangelegenheden betreffende het onderwijs in de desbetreffende opleiding,
|
||||
e vervallen, en
|
||||
f. als taak het bespreken van het visitatierapport, bedoeld in artikel 5.13, vierde lid.
|
||||
|
||||
De commissie zendt de adviezen en voorstellen, bedoeld onder e, ter kennisneming aan de medezeggenschapsraad of de daarvoor in aanmerking komende deelraad.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4100,7 +4304,7 @@ b. dat de onder a bedoelde wet niet van toepassing is op de hogeschool.
|
|||
Het college van bestuur behoeft de voorafgaande instemming van de gezamenlijke vergadering voor elk door hem te nemen besluit met betrekking tot de vaststelling of wijziging van:
|
||||
|
||||
a. het instellingsplan, bedoeld in artikel 2.2,
|
||||
b. de vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg overeenkomstig artikel 1.18, eerste lid, alsmede het voorgenomen beleid in het licht van de uitkomsten van de kwaliteitsbeoordeling, bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, tweede volzin,
|
||||
b. de vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg overeenkomstig artikel 1.18 alsmede het voorgenomen beleid in het licht van de uitkomsten van de kwaliteitsbeoordeling, bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, tweede volzin,
|
||||
c. het bestuurs- en beheersreglement, bedoeld in artikel 10.3b, en
|
||||
d. de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, met uitzondering van het tweede lid, onderdelen a tot en met g, van dat artikel.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4167,7 +4371,7 @@ Vervallen
|
|||
Het college van bestuur behoeft de voorafgaande instemming van de medezeggenschapsraad voor elke door het college van bestuur te nemen beslissing met betrekking tot ten minste de vaststelling of wijziging van:
|
||||
|
||||
a. het instellingsplan,
|
||||
b. de vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg overeenkomstig artikel 1.18, eerste lid, alsmede het voorgenomen beleid in het licht van de uitkomsten van de kwaliteitsbeoordeling, bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, tweede volzin,
|
||||
b. de vormgeving van het systeem van kwaliteitszorg overeenkomstig artikel 1.18, alsmede het voorgenomen beleid in het licht van de uitkomsten van de kwaliteitsbeoordeling, bedoeld in artikel 2.9, tweede lid, tweede volzin,
|
||||
c. het studentenstatuut,
|
||||
d. het bestuursreglement, alsmede indien artikel 10.8a van toepassing is, het desbetreffende deel van de statuten,
|
||||
e. de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, met uitzondering van de onderwerpen genoemd in het tweede lid, onder a tot en met g en v, alsmede het derde lid,
|
||||
|
|
@ -4478,7 +4682,7 @@ In het bestuurs- en beheersreglement wordt geregeld welke opleidingen door de Op
|
|||
|
||||
### Artikel 11.11
|
||||
|
||||
**1.** Voor elke opleiding of groep van opleidingen wordt door het college van bestuur een opleidingscommissie ingesteld. De commissie heeft tot taak te adviseren over het bevorderen en waarborgen van de kwaliteit van de opleiding. De commissie heeft voorts instemmingsrecht ten aanzien van de onderwerpen in de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, tweede lid, onder a1, b, c, d, e, g en v en adviesrecht ten aanzien van de vaststelling of wijziging van de overige onderdelen. Zij beoordeelt jaarlijks de wijze van uitvoering van die regeling en brengt advies uit over de regeling. De commissie brengt bovendien desgevraagd of uit eigen beweging advies uit aan het orgaan, bedoeld in artikel 11.3, tweede lid, over alle aangelegenheden die betrekking hebben op of van invloed zijn op het onderwijs in de desbetreffende opleiding of groep van opleidingen. De commissie zendt haar adviezen ter kennisneming aan de universiteitsraad dan wel, indien het college van bestuur heeft besloten dat de Wet op de ondernemingsraden met uitzondering van hoofdstuk VII B van toepassing is, de gezamenlijke vergadering van de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van een door het college van bestuur vastgestelde medezeggenschapsregeling ten behoeve van de studenten van de Open Universiteit is ingesteld.
|
||||
**1.** Voor elke opleiding of groep van opleidingen wordt door het college van bestuur een opleidingscommissie ingesteld. De commissie heeft tot taak te adviseren over het bevorderen en waarborgen van de kwaliteit van de opleiding. De commissie heeft voorts instemmingsrecht ten aanzien van de onderwerpen in de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13, tweede lid, onder a1, b, c, d, e, g en v en adviesrecht ten aanzien van de vaststelling of wijziging van de overige onderdelen. Zij beoordeelt jaarlijks de wijze van uitvoering van die regeling en brengt advies uit over de regeling. De commissie bespreekt het visitatierapport, bedoeld in artikel 5.13, vierde lid. De commissie brengt bovendien desgevraagd of uit eigen beweging advies uit aan het orgaan, bedoeld in artikel 11.3, tweede lid, over alle aangelegenheden die betrekking hebben op of van invloed zijn op het onderwijs in de desbetreffende opleiding of groep van opleidingen. De commissie zendt haar adviezen ter kennisneming aan de universiteitsraad dan wel, indien het college van bestuur heeft besloten dat de Wet op de ondernemingsraden met uitzondering van hoofdstuk VII B van toepassing is, de gezamenlijke vergadering van de ondernemingsraad en het orgaan dat op grond van een door het college van bestuur vastgestelde medezeggenschapsregeling ten behoeve van de studenten van de Open Universiteit is ingesteld.
|
||||
|
||||
**2.** Op een advies, bedoeld in het eerste lid, is artikel 9.35, aanhef en onderdelen b, c en d, van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4980,7 +5184,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**1.** Aan het Internationaal Instituut voor Sociale Studiën te ’s-Gravenhage kan het doctoraat worden verkregen op grond van de promotie. Tot de promotie heeft toegang ieder die met goed gevolg het afsluitend examen verbonden aan een opleiding in het derde lid, heeft afgelegd, dan wel aan wie op grond van artikel 7.10a, eerste of tweede lid, de graad Master is verleend, onverminderd het tweede lid.
|
||||
|
||||
**2.** De artikelen 1.12, vijfde lid, 1.18, eerste lid, eerste en tweede volzin, en tweede lid, 7.18, tweede lid, aanhef en onder b en c, derde, vierde en vijfde lid, 7.19 en 7.22 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van het college voor promoties een of meer hoogleraren van een in de bijlage van deze wet onder a of b opgenomen universiteit deel uitmaken.
|
||||
**2.** De artikelen 1.12, vijfde lid, 1.18, eerste en tweede volzin, 7.18, tweede lid, aanhef en onder b en c, derde, vierde en vijfde lid, 7.19 en 7.22 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van het college voor promoties een of meer hoogleraren van een in de bijlage van deze wet onder a of b opgenomen universiteit deel uitmaken.
|
||||
|
||||
**3.** Onze minister besluit op grond van welke opleidingen, verzorgd door het Internationaal Instituut voor Sociale Studiën, toegang tot de promotie kan worden verkregen. Het besluit wordt niet genomen dan nadat ten genoegen van Onze minister door het instellingsbestuur het bewijs is geleverd van voldoende kwaliteit van de desbetreffende onderwijsactiviteiten alsmede het bewijs dat wordt voldaan aan het tweede lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -5159,7 +5363,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 18.2
|
||||
|
||||
**1.** Het instellingsbestuur meldt uiterlijk 30 dagen na de dag van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 302) aan Onze Minister, wanneer de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, van een opleiding voor het laatst heeft plaatsgevonden.
|
||||
**1.** Het instellingsbestuur meldt uiterlijk 30 dagen na de dag van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 302) aan Onze Minister, wanneer de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, van een opleiding voor het laatst heeft plaatsgevonden.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister maakt de uit de artikelen 18.27 tot en met 18.30 voortvloeiende wijzigingen in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, bedoeld in artikel 6.13, bekend binnen vier maanden na de dag van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 302). Van deze bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
|
||||
|
||||
|
|
@ -5173,9 +5377,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 18.5
|
||||
|
||||
**1.** Onze minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 302) aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van die wet.
|
||||
|
||||
**2.** Onze minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 302) en vervolgens telkens na vier jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het functioneren van het accreditatieorgaan.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Titel 2. Wet van 6 juni 2002 (Stb. 303)
|
||||
|
||||
|
|
@ -5291,7 +5493,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 18.29
|
||||
|
||||
**1.** Aan de bacheloropleidingen, bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onder a, die een voortzetting vormen van opleidingen die voor de dag van de datum van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 303) zijn geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, en waarvan de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, heeft plaatsgevonden voor 1 januari 2000, is accreditatie verbonden tot en met 31 december 2005.
|
||||
**1.** Aan de bacheloropleidingen, bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onder a, die een voortzetting vormen van opleidingen die voor de dag van de datum van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 303) zijn geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, en waarvan de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, heeft plaatsgevonden voor 1 januari 2000, is accreditatie verbonden tot en met 31 december 2005.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -5304,7 +5506,7 @@ b. na 1 januari 2004 en de instelling aantoont dat op 1 december 2001 de start
|
|||
|
||||
### Artikel 18.30
|
||||
|
||||
**1.** Aan de opleidingen, bedoeld in artikel 18.20, die een voortzetting vormen van opleidingen die voor de dag van de datum van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 303) zijn geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, en waarvan de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, eerste lid, heeft plaatsgevonden voor 1 januari 2000, is accreditatie verbonden tot en met 31 december 2005.
|
||||
**1.** Aan de opleidingen, bedoeld in artikel 18.20, die een voortzetting vormen van opleidingen die voor de dag van de datum van inwerkingtreding van de wet van 6 juni 2002 (Stb. 303) zijn geregistreerd in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs, en waarvan de beoordeling, bedoeld in artikel 1.18, heeft plaatsgevonden voor 1 januari 2000, is accreditatie verbonden tot en met 31 december 2005.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -5645,6 +5847,24 @@ Een aanvraag voor een toets nieuw Ad-programma die op het tijdstip van inwerking
|
|||
|
||||
### Titel 17
|
||||
|
||||
### Artikel 18.89
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 5.13 en artikel 9.18, worden visitaties die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat zijn gestart, door een commissie van deskundigen, van wie het accreditatieorgaan heeft ingestemd met de samenstelling overeenkomstig artikel 5a.2, tweede lid, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat, afgerond overeenkomstig artikel 1.18, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat.
|
||||
|
||||
### Artikel 18.90
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 5.14, eerste lid, onderdeel c, richt de commissie van deskundigen, van wie het accreditatieorgaan heeft ingestemd met de samenstelling overeenkomstig artikel 5a.2, tweede lid, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat, zijn werkzaamheden in overeenkomstig artikel 1.18, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat.
|
||||
|
||||
### Artikel 18.91
|
||||
|
||||
**1.** Een lopend besluit toets nieuwe opleiding, genomen op grond van artikel 5a.11 of artikel 5a.13g, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat, onderscheidenlijk een lopend accreditatiebesluit, genomen op grond van artikel 5a.9 of artikel 5a.13f, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat, onderscheidenlijk een lopend besluit toets nieuw Ad-programma, genomen op grond van artikel 5a.13, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat, wordt op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat omgezet in een accreditatie nieuwe opleiding als bedoeld in artikel 5.8 onderscheidenlijk een accreditatie bestaande opleiding als bedoeld in artikel 5.16 onderscheidenlijk een toets nieuw Ad-programma als bedoeld in artikel 5.22.
|
||||
|
||||
**2.** Voor opleidingen waarvoor artikel 5a.12a, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat, is toegepast of waarvoor het visitatieproces voor een accreditatiebesluit op grond van artikel 5a.9 of artikel 5a.13f, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat, op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat gaande is, blijft hoofdstuk 5a zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat van kracht tot het moment waarop het accreditatieorgaan een nieuw besluit heeft genomen.
|
||||
|
||||
### Artikel 18.92
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 5.23, derde lid, worden aanvragen voor een instellingstoets kwaliteitszorg, ingediend voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat, beoordeeld overeenkomstig de kwaliteitsaspecten, genoemd in artikel 5a.13b, tweede lid, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet accreditatie op maat.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 19. Slotbepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 19.1
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue