diff --git a/amvb/besluit-omgevingsrecht/BWBR0027464/README.md b/amvb/besluit-omgevingsrecht/BWBR0027464/README.md index 2e05ba8f746..9aab30b5976 100644 --- a/amvb/besluit-omgevingsrecht/BWBR0027464/README.md +++ b/amvb/besluit-omgevingsrecht/BWBR0027464/README.md @@ -3,7 +3,7 @@ titel: Besluit omgevingsrecht bwb_id: BWBR0027464 type: AMvB status: geldend -datum_inwerkingtreding: '2010-10-01' +datum_inwerkingtreding: '2016-10-11' bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0027464 citeertitel: Besluit omgevingsrecht --- @@ -27,7 +27,7 @@ In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - *gesloten bodemenergiesysteem:* installatie waarmee, zonder grondwater te onttrekken en na gebruik in de bodem terug te brengen, gebruik wordt gemaakt van de bodem voor de levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken, door middel van een gesloten circuit van leidingen, met inbegrip van een bijbehorende warmtepomp circulatiepomp en regeneratievoorziening, voor zover aanwezig; - *landelijke voorziening:* landelijke voorziening, bedoeld in artikel 7.6, eerste lid, van de wet; - *open bodemenergiesysteem:* installatie waarmee van de bodem gebruik wordt gemaakt voor de levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken, door grondwater te onttrekken en na gebruik in de bodem terug te brengen, met inbegrip van bijbehorende bronpompen en warmtewisselaar en, voor zover aanwezig, warmtepomp en regeneratievoorziening; -- *Seveso III-richtlijn:* Richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, houdende wijziging en vervolgens intrekking van Richtlijn 96/82/EG van de Raad (PbEU 2012, L 197); +- *Seveso III-richtlijn:* Richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, houdende wijziging en vervolgens intrekking van Richtlijn 96/82/EG van de Raad (PbEU 2012, L 197); - *wet:* Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. @@ -136,6 +136,13 @@ d. het veranderen van de bouwkundige staat van een voorziening waarin gevaarlijk **9.** Het eerste tot en met het achtste lid zijn niet van toepassing indien de activiteit deel uitmaakt van een IPPC-installatie. +### Artikel 2.2aa + +Als categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, worden tevens aangewezen: + +a. het realiseren van een project of het verrichten van een andere handeling als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, behoudens de gevallen, bedoeld in de artikelen 2.9, eerste, tweede, derde of vijfde lid, of 9.4, eerste, achtste of negende lid, van die wet, artikel 9, vijfde lid, van de Spoedwet wegverbreding of artikel 13, achtste lid, van de Tracéwet, voor zover dat project, onderscheidenlijk die handeling bestaat uit een activiteit waarop het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a tot en met h of in artikel 2.2 van de wet, of bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de wet in samenhang met artikel 2.2a van toepassing is en voor zover voor dat project, onderscheidenlijk voor die andere handeling geen vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming is aangevraagd of verleend; +b. het verrichten van een handeling als bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 of 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, behoudens de gevallen, bedoeld in de artikelen 3.3, tweede of zevende lid, 3.8, tweede of zevende lid, 3.10, tweede of derde lid, of 3.31, eerste lid, voor zover die handeling bestaat uit een activiteit waarop het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a tot en met h of in artikel 2.2 van de wet, of bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de wet in samenhang met artikel 2.2a van toepassing is en voor zover voor die handeling geen ontheffing als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, 3.8, eerste lid of 3.10, tweede lid in samenhang met 3.8, eerste lid, is aangevraagd of verleend. + ### Artikel 2.2b **1.** Ter voorkoming van interferentie tussen gesloten of open bodemenergiesystemen onderling of anderszins ter bevordering van een doelmatig gebruik van bodemenergie, kan bij gemeentelijke verordening een interferentiegebied als bedoeld in artikel 2.2a, zesde lid, worden aangewezen. @@ -156,7 +163,7 @@ d. het veranderen van de bouwkundige staat van een voorziening waarin gevaarlijk **2.** -In afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, onder 2°, van de wet is geen omgevingsvergunning vereist met betrekking tot veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan voor zover die veranderingen betrekking hebben op een activiteit die geen deel uitmaakt van een IPPC-installatie en op die activiteit hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing is, tenzij het betreft veranderingen: +In afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, onder 2°, van de wet is geen omgevingsvergunning vereist met betrekking tot veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan voor zover die veranderingen betrekking hebben op een activiteit die geen deel uitmaakt van een IPPC-installatie en op die activiteit hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing is, tenzij het betreft veranderingen: a. waarop paragraaf 3.5.8 van dat besluit van toepassing is, of b. van een activiteit, aangewezen in bijlage I, onderdeel C, categorie 1.4, onder a. @@ -180,17 +187,17 @@ b. seizoensgebonden bouwwerken. ### Artikel 2.7 -Als categorieën gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet worden aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II. +Als categorieën gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet worden aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II. ### Artikel 2.8 -Als categorieën gevallen als bedoeld in artikel 5.16, tweede lid, onder g, van de Wet milieubeheer waarbij bij het verlenen van een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet een beoordeling van de gevolgen voor de luchtkwaliteit als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer is vereist, worden aangewezen de categorieën gevallen, bedoeld in artikel 4, onderdelen 9 en 11, van bijlage II. +Als categorieën gevallen als bedoeld in artikel 5.16, tweede lid, onder g, van de Wet milieubeheer waarbij bij het verlenen van een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet een beoordeling van de gevolgen voor de luchtkwaliteit als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer is vereist, worden aangewezen de categorieën gevallen, bedoeld in artikel 4, onderdelen 9 en 11, van bijlage II. ### Paragraaf 2.4. Nadere regels over planologische gebruiksactiviteiten ### Artikel 2.9 -Bij de vaststelling of het bouwen van een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van bijlage II in achtererfgebied als bedoeld in dat artikellid al dan niet in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening, worden reeds aanwezige bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied, bedoeld in dat artikellid, in mindering gebracht op het door het bestemmingsplan of de beheersverordening toegestane maximum van die bouwwerken. +Bij de vaststelling of het bouwen van een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van bijlage II in achtererfgebied als bedoeld in dat artikellid al dan niet in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening, worden reeds aanwezige bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied, bedoeld in dat artikellid, in mindering gebracht op het door het bestemmingsplan of de beheersverordening toegestane maximum van die bouwwerken. ## Hoofdstuk 3. Bevoegd gezag @@ -214,7 +221,7 @@ b. artikel 2.1, eerste lid, onder c, en waarbij ten behoeve van de verwezenlijki Gedeputeerde staten van de provincie waar het betrokken project in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, zijn bevoegd te beslissen op: -a. elke aanvraag die betrekking heeft op activiteiten met betrekking tot een inrichting waarop het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 van toepassing is of waartoe een installatie behoort voor een industriële activiteit als bedoeld in bijlage I, categorie 4, van richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (PbEU L334), +a. elke aanvraag die betrekking heeft op activiteiten met betrekking tot een inrichting waarop het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 van toepassing is of waartoe een installatie behoort voor een industriële activiteit als bedoeld in bijlage I, categorie 4, van richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (PbEU L334), b. overige aanvragen die betrekking hebben op activiteiten met betrekking tot inrichtingen die behoren tot een categorie ten aanzien waarvan dat in bijlage I, onderdeel C, is bepaald, voor zover het betreft activiteiten met betrekking tot een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort. **2.** @@ -222,7 +229,8 @@ b. overige aanvragen die betrekking hebben op activiteiten met betrekking tot in Onze Minister is bevoegd te beslissen op een aanvraag die betrekking heeft op: a. activiteiten met betrekking tot een inrichting als bedoeld in categorie 29.3 van bijlage I, onderdeel C; -b. een categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.2a, zevende lid. +b. activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de wet, met betrekking tot een inrichting als bedoeld in categorie 29.1 van bijlage I, onderdeel C; +c. een categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.2a, zevende lid. **3.** Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is bevoegd, in overeenstemming met Onze Minister, te beslissen op een aanvraag die betrekking heeft op activiteiten met betrekking tot een inrichting die behoort tot een categorie die in bijlage I, onderdeel C, is aangewezen en die geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen op of in de territoriale zee op een plaats die niet deel uitmaakt van een gemeente of provincie, tenzij het vierde lid van toepassing is. @@ -387,7 +395,7 @@ k. de noodzaak ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor het milieu te **1.** Voor zover de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een stookinstallatie met een nominaal elektrisch vermogen van 300 MW of meer, beoordeelt het bevoegd gezag of het afvangen en comprimeren van kooldioxide en het transporteren daarvan naar een geschikte opslaglocatie in technisch en economisch opzicht haalbaar is. Bij de beoordeling worden de belangen van de bescherming van het milieu en de volksgezondheid in acht genomen. -**2.** Indien het bevoegd gezag van oordeel is dat het afvangen, comprimeren en transporteren van kooldioxide haalbaar is, verbindt het aan de vergunning het voorschrift dat binnen de inrichting geschikte ruimte wordt vrijgemaakt of vrijgehouden om kooldioxide af te vangen, te comprimeren en te transporteren. +**2.** Indien het bevoegd gezag van oordeel is dat het afvangen, comprimeren en transporteren van kooldioxide haalbaar is, verbindt het aan de vergunning het voorschrift dat binnen de inrichting geschikte ruimte wordt vrijgemaakt of vrijgehouden om kooldioxide af te vangen, te comprimeren en te transporteren. ### Artikel 5.5 @@ -563,7 +571,7 @@ Aan een omgevingsvergunning voor een activiteit die is aangewezen in artikel 2.2 **1.** Een omgevingsvergunning voor de categorieën activiteiten, bedoeld in artikel 2.2a, eerste lid, onder a tot en met i, wordt geweigerd indien het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17, eerste lid, van de Wet milieubeheer, heeft beslist dat een milieueffectrapport moet worden gemaakt. -**2.** Een omgevingsvergunning voor de categorieën activiteiten, bedoeld in artikel 2.2a, tweede lid, onderdelen a tot en met g, kan worden geweigerd in het belang van het doelmatig beheer van afvalstoffen. +**2.** Een omgevingsvergunning voor de categorieën activiteiten, bedoeld in artikel 2.2a, tweede lid, onderdelen a tot en met h, kan worden geweigerd in het belang van het doelmatig beheer van afvalstoffen. **3.** Een omgevingsvergunning voor de categorie activiteiten, bedoeld in artikel 2.2a, derde lid, wordt geweigerd indien de activiteit niet voldoet aan de grenswaarden voor geluid, bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, onder c, onder 2° en 3°, van de wet. @@ -629,6 +637,46 @@ Vervallen Voor zover de omgevingsvergunning wordt verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet zijn de artikelen 3.1.2, 3.1.6 en 3.3.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening van overeenkomstige toepassing. +### Paragraaf 5.6. Regels met betrekking tot Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten + +### Artikel 5.21 + +**1.** Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend op de gronden die zijn aangegeven in de artikelen 2.8 en 5.5, derde lid, van de Wet natuurbescherming, het bepaalde krachtens artikel 2.9, zevende lid, van die wet en de artikelen 2.13 en 2.14 van het Besluit natuurbescherming. + +**2.** Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel b, en het betreft een handeling als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend op de gronden die zijn aangegeven in artikel 3.3, vierde lid, van de Wet natuurbescherming. + +**3.** Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel b, en het betreft een handeling als bedoeld in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend op de gronden die zijn aangegeven in artikel 3.8, vijfde lid, van de Wet natuurbescherming. + +**4.** Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel b, en het betreft een handeling als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend op de gronden die zijn aangegeven in artikel 3.8, vijfde lid, of 3.10, tweede lid, van de Wet natuurbescherming. + +### Artikel 5.22 + +**1.** Aan een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a, wordt, ingeval toepassing wordt gegeven aan artikel 5.21, eerste lid in samenhang met artikel 2.8, vierde lid, van de Wet natuurbescherming, het voorschrift verbonden dat compenserende maatregelen als bedoeld in artikel 2.8, vierde lid, onder c, van die wet worden getroffen. Behoudens gevallen waarin artikel 6.10a, tweede lid, van toepassing is, melden gedeputeerde staten de compenserende maatregelen aan Onze Minister van Economische Zaken, die de Europese Commissie van de maatregelen op de hoogte stelt. + +**2.** Aan een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel b, voor zover het betreft een handeling als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming, worden voorschriften verbonden als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Wet natuurbescherming. + +### Artikel 5.23 + +**1.** Het bevoegd gezag wijzigt voorschriften van de omgevingsvergunning die betrekking hebben op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a, op de grond die is aangegeven in artikel 5.4, tweede lid, van de Wet natuurbescherming. + +**2.** Het bevoegd gezag kan voorschriften van de omgevingsvergunning die betrekking hebben op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a, wijzigen op de gronden die zijn aangegeven in artikel 5.4, eerste lid, onderdelen c en d, van de Wet natuurbescherming. + +**3.** Het bevoegd gezag kan voorschriften van de omgevingsvergunning die betrekking hebben op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel b, wijzigen op de gronden die zijn aangegeven in artikel 5.4, eerste, onderdelen c en d, van de Wet natuurbescherming. + +### Artikel 5.24 + +**1.** Het bevoegd gezag trekt een omgevingsvergunning voor zover die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a, geheel of gedeeltelijk in op de grond die is aangegeven in artikel 5.4, tweede lid, van de Wet natuurbescherming. + +**2.** Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning voor zover die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a, geheel of gedeeltelijk intrekken op de gronden die zijn aangegeven in artikel 5.4, eerste lid, onderdelen c en d, van de Wet natuurbescherming. + +**3.** Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning voor zover die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel b, geheel of gedeeltelijk intrekken op de gronden die zijn aangegeven in artikel 5.4, eerste lid, onderdelen c en d, van de Wet natuurbescherming. + +## Hoofdstuk 5a. Uitgebreide voorbereidingsprocedure + +### Artikel 5a.1 + +Als categorie als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel f, van de wet worden aangewezen gevallen als bedoeld in artikel 6.10a, derde lid. + ## Hoofdstuk 6. Advies, verklaring van geen bedenkingen en bijzondere bestuurlijke verplichtingen ### Paragraaf 6.1. Advies over de aanvraag @@ -643,7 +691,7 @@ Voor zover de omgevingsvergunning wordt verleend met toepassing van artikel 2.12 **1.** Met betrekking tot een aanvraag ten aanzien van activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de wet vragen burgemeester en wethouders, ingeval zij het inwinnen van advies noodzakelijk achten om te kunnen beoordelen of het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, onder d, van de wet, advies aan de welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester. -**2.** In gevallen waarin burgemeester en wethouders niet het bevoegd gezag zijn, betrekken zij, indien zij toepassing hebben gegeven aan het eerste lid, het advies van de welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester bij het advies dat zij ingevolge artikel 2.26, derde of vierde lid, van de wet uitbrengen aan het bevoegd gezag. +**2.** In gevallen waarin burgemeester en wethouders niet het bevoegd gezag zijn, betrekken zij, indien zij toepassing hebben gegeven aan het eerste lid, het advies van de welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester bij het advies dat zij ingevolge artikel 2.26, derde of vierde lid, van de wet uitbrengen aan het bevoegd gezag. ### Artikel 6.3 @@ -719,6 +767,31 @@ Vervallen De artikelen 6.8 en 6.9 zijn niet van toepassing in gevallen als bedoeld in 3.10, derde lid, van de wet. +### Artikel 6.10a + +**1.** Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a of b, wordt de omgevingsvergunning niet verleend dan nadat gedeputeerde staten als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming hebben verklaard dat zij daartegen geen bedenkingen hebben. + +**2.** Indien de activiteit betrekking heeft op een project of handeling behorend tot een in artikel 1.3, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming aangewezen categorie van projecten en handelingen, wordt in het eerste lid in plaats van «gedeputeerde staten als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming hebben verklaard dat zij daartegen geen bedenkingen hebben» gelezen «Onze Minister van Economische Zaken heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft». + +**3.** Het eerste lid, al dan niet in samenhang met het tweede lid, is niet van toepassing indien gedeputeerde staten als bedoeld in het eerste lid tevens het bevoegd gezag zijn, onderscheidenlijk indien Onze Minister van Economische Zaken tevens het bevoegd gezag is, om te beslissen op de desbetreffende aanvraag om een omgevingsvergunning. + +**4.** + +Een verklaring kan slechts worden gegeven: + +a. voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.aa, onderdeel a: op de gronden, die zijn aangegeven in artikel 2.8 en artikel 5.5, derde lid, van de Wet natuurbescherming, het bepaalde krachtens artikel 2.9, zevende lid, van die wet en de artikelen 2.13 en 2.14 van het Besluit natuurbescherming. +b. voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel b: + +1°. voor zover het betreft een handeling als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming: op de gronden, aangegeven in artikel 3.3, vierde lid, van de Wet natuurbescherming; +2°. voor zover het betreft een handeling als bedoeld in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming: op de gronden, aangegeven in artikel 3.8, vijfde lid, van de Wet natuurbescherming; +3°. voor zover het betreft een handeling als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming: op de gronden, aangegeven in artikel 3.8, vijfde lid, of 3.10, tweede lid, van de Wet natuurbescherming. + +**5.** Ingeval de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a, wordt in voorkomend geval in de verklaring opgenomen hoeveel ontwikkelingsruimte overeenkomstig artikel 2.7, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van het Besluit natuurbescherming wordt toegedeeld aan het project, onderscheidenlijk de andere handeling. + +### Artikel 6.10b + +Voor zover een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a, geeft een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 6.10a, eerste of tweede lid, toepassing aan artikel 2.29, eerste lid, van de wet in het geval, bedoeld in artikel 5.4, tweede lid, van de Wet natuurbescherming. + ### Paragraaf 6.3. Bijzondere gevallen van bestuurlijke verplichtingen ### Artikel 6.11 @@ -736,12 +809,12 @@ b. de aanvraag met de daarbij behorende gegevens en bescheiden ter inzage wordt Het tweede lid is van toepassing op een aanvraag voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet: -a. die plaatsvindt in een in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen obstakelbeheergebied rondom een militaire luchthaven en betrekking heeft op een antenne-installatie als bedoeld in artikel 4, onderdeel 5, van bijlage II; +a. die plaatsvindt in een in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen obstakelbeheergebied rondom een militaire luchthaven en betrekking heeft op een antenne-installatie als bedoeld in artikel 4, onderdeel 5, van bijlage II; b. die plaatsvindt in een A- of B-veiligheidszone rondom een munitieopslag en betrekking heeft op: -1°. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 4, onderdeel 1, van bijlage II, voor zover het betreft huisvesting in verband met mantelzorg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van die bijlage; -2°. het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, bedoeld in artikel 4, onderdeel 9, van bijlage II, voor zover het betreft een buiten de bebouwde kom gelegen logiesfunctie voor werknemers; -3°. ander gebruik van gronden of bouwwerken voor een termijn van ten hoogste tien jaar als bedoeld in artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II, voor zover dat gebruik strekt tot het mogelijk maken van het verblijf van personen. +1°. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan als bedoeld in artikel 4, onderdeel 1, van bijlage II, voor zover het betreft huisvesting in verband met mantelzorg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van die bijlage; +2°. het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, bedoeld in artikel 4, onderdeel 9, van bijlage II, voor zover het betreft een buiten de bebouwde kom gelegen logiesfunctie voor werknemers; +3°. ander gebruik van gronden of bouwwerken voor een termijn van ten hoogste tien jaar als bedoeld in artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II, voor zover dat gebruik strekt tot het mogelijk maken van het verblijf van personen. ### Artikel 6.12 @@ -829,7 +902,7 @@ Op de voorbereiding van een omgevingsvergunning die wordt verleend met toepassin ### Artikel 6.19 -Als categorie van gevallen als bedoeld in artikel 3.9, derde lid, tweede volzin, van de wet wordt aangewezen de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.2a, eerste lid, onder a tot en met i, tweede lid, onder a en b, vierde en vijfde lid. +Als categorie van gevallen als bedoeld in artikel 3.9, derde lid, tweede volzin, van de wet wordt aangewezen de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.2a, eerste lid, onder a tot en met i, tweede lid, onder a, b en h, vierde en vijfde lid. ## Hoofdstuk 7. Handhaving