2005-07-01 | BWBR0006147 | Tracéwet
This commit is contained in:
parent
fa96cb6b5a
commit
1145dd5312
1 changed files with 26 additions and 46 deletions
|
|
@ -86,24 +86,17 @@ Een beslissing om het in dit hoofdstuk bedoelde besluitvormingsproces ten aanzie
|
|||
|
||||
**1.** Indien Onze Minister de aanleg of wijziging van een hoofdweg, hoofdvaarweg of landelijke spoorweg als bedoeld in artikel 2, of de medewerking aan de aanleg of wijziging van een landelijke spoorweg als bedoeld in artikel 2, in overweging neemt stelt hij ter voorbereiding van de in hoofdstuk III bedoelde beslissingen een trajectnota op.
|
||||
|
||||
**2.** Op die voorbereiding is de in paragraaf 3.5.6 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing. Een trajectnota als bedoeld in dit hoofdstuk wordt voor toepassing van die procedure gelijkgesteld met een ontwerp van een besluit als bedoeld in artikel 3:30, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Bij de voorbereiding betrekt Onze Minister de besturen van de provincies, van de regionale openbare lichamen en van de gemeenten en waterschappen op het gebied waarvan de trajectnota redelijkerwijs betrekking kan hebben dan wel betrekking heeft.
|
||||
**2.** Bij de voorbereiding betrekt Onze Minister de besturen van de provincies, van de regionale openbare lichamen en van de gemeenten en waterschappen op het gebied waarvan de trajectnota redelijkerwijs betrekking kan hebben dan wel betrekking heeft.
|
||||
|
||||
**3.** De kennisgeving, bedoeld in artikel 3:30, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht geschiedt gelijktijdig met de kennisgevingen, welke zijn voorgeschreven in artikel 7.13, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer.
|
||||
**3.** Onze Minister geeft kennis van zijn voornemen om een trajectnota op te stellen met overeenkomstige toepassing van artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Deze kennisgeving geschiedt gelijktijdig met de kennisgeving, die is voorgeschreven in artikel 7.13, tweede lid, van de Wet milieubeheer.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
**4.** De terinzagelegging van het voornemen geschiedt ten kantore van de betrokken bestuursorganen.
|
||||
|
||||
Onze Minister geeft van het voornemen verder onverwijld kennis:
|
||||
|
||||
a. in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen;
|
||||
b. in de *Staatscourant*.
|
||||
|
||||
**5.** Onze Minister stelt een ieder in de gelegenheid binnen vier weken na publikatie als bedoeld in het vierde lid zijn zienswijze over het voornemen naar voren te brengen.
|
||||
**5.** Onze Minister stelt een ieder in de gelegenheid naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze omtrent het voornemen naar voren te brengen.
|
||||
|
||||
**6.** Onze Minister bereidt de trajectnota voor gelijktijdig en in samenhang met de voorbereiding van het milieu-effectrapport, als voorgeschreven bij of krachtens de Wet milieubeheer.
|
||||
|
||||
**7.** Een trajectnota als bedoeld in dit hoofdstuk wordt voor de toepassing van de artikelen 7.30, eerste lid, 7.31 en 7.32 van de Wet milieubeheer gelijkgesteld met een voorontwerp van een besluit als bedoeld in artikel 7.27, eerste lid, van laatstbedoelde wet.
|
||||
|
||||
**8.** Onze Minister stemt de toepassing van het vijfde lid en de toepassing van artikel 7.14, vierde lid, van de Wet milieubeheer op elkaar af.
|
||||
**7.** Een trajectnota als bedoeld in dit hoofdstuk wordt voor de toepassing van de artikelen 7.30, eerste lid, en 7.32 van de Wet milieubeheer gelijkgesteld met een voorontwerp van een besluit als bedoeld in artikel 7.27, eerste lid, van laatstbedoelde wet.
|
||||
|
||||
### Artikel 4
|
||||
|
||||
|
|
@ -141,13 +134,9 @@ Indien de trajectnota betrekking heeft op het tracé van een landelijke spoorweg
|
|||
|
||||
### Artikel 7
|
||||
|
||||
**1.** Binnen een week na de mededeling, bedoeld in artikel 3:30 van de Algemene wet bestuursrecht, legt Onze Minister door tussenkomst van de betrokken bestuursorganen de trajectnota ter inzage ten kantore van die organen.
|
||||
**1.** Onze Minister geeft kennis van de trajectnota met overeenkomstige toepassing van artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht.
|
||||
|
||||
**2.** De artikelen 3:20, eerste lid, aanhef en onder *b*, 3:21, tweede lid, 3:22, eerste en derde lid, 3:25, eerste lid, eerste volzin, tweede en derde lid, en 3:31, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van artikel 3:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kunnen bedenkingen worden ingebracht binnen acht weken na de dag waarop de trajectnota ter inzage is gelegd.
|
||||
|
||||
**4.** Na de periode van acht weken, bedoeld in het derde lid, blijven de stukken ter inzage liggen op de door Onze Minister in overleg met de betrokken bestuursorganen te bepalen uren totdat Onze Minister een standpunt als bedoeld in artikel 9, eerste lid, heeft bepaald.
|
||||
**2.** De artikelen 3:11, 3:14, 3:15, eerste lid, 3:16 en 3:17 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van «het ontwerp van het te nemen besluit» en het «ontwerp» wordt gelezen: de trajectnota. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
|
||||
|
||||
### Artikel 8
|
||||
|
||||
|
|
@ -175,7 +164,7 @@ c. of en zo ja, tegen welke van die alternatieven en varianten zij bedenkingen h
|
|||
|
||||
**1.** Indien het standpunt van Onze Minister inhoudt dat hij de aanleg of wijziging van een hoofdweg, hoofdvaarweg of landelijke spoorweg als bedoeld in artikel 2, of de medewerking aan de aanleg of wijziging van een landelijke spoorweg als bedoeld in artikel 2 niet verder in overweging neemt, deelt hij dit standpunt onder opgave van redenen schriftelijk mee aan de betrokken bestuursorganen en, indien de trajectnota betrekking heeft op het tracé van een landelijke railweg, aan de beheerder van de railweg.
|
||||
|
||||
**2.** Binnen een week na de mededeling, bedoeld in het eerste lid, legt Onze Minister het standpunt ter inzage. Artikel 7, eerste lid, van deze wet en artikel 3:22, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**2.** Binnen een week na de mededeling, bedoeld in het eerste lid, legt Onze Minister het standpunt ter inzage. Artikel 3, vierde lid, van deze wet en artikel 3:11, derde en vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 11
|
||||
|
||||
|
|
@ -203,7 +192,7 @@ a. de gebruikers van de woningen of de woonwagenstandplaatsen, het bevoegd gezag
|
|||
b. vervallen;
|
||||
c. de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, indien het betrekking heeft op scholen.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister geeft met betrekking tot het ontwerp-tracébesluit toepassing aan de in paragraaf 3.5.6 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure met inachtneming van de volgende volzinnen. Bij de procedure betrekt Onze Minister de besturen van de provincies, gemeenten en waterschappen op het gebied waarvan het ontwerp-tracébesluit betrekking heeft. Binnen een week na de datum van toezending, bedoeld in het eerste lid, legt Onze Minister het ontwerp-tracébesluit met de toelichting daarop ter inzage. Artikel 7, eerste tot en met derde lid, is van overeenkomstige toepassing. Na de periode van vier weken, bedoeld in artikel 3:22, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht blijven de stukken ter inzage liggen op de door Onze Minister in overleg met de betrokken bestuursorganen te bepalen uren totdat Onze Minister een tracébesluit als bedoeld in artikel 15, eerste lid, heeft vastgesteld.
|
||||
**3.** Op de voorbereiding van het tracébesluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Bij de voorbereiding betrekt Onze Minister de besturen van de provincies, gemeenten en waterschappen op het gebied waarvan het te nemen tracébesluit betrekking heeft. De terinzagelegging geschiedt tevens ten kantore van de betrokken bestuursorganen. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
|
||||
|
||||
**4.** In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, kan Onze Minister, indien de omvang van het ontwerp-tracébesluit daartoe aanleiding geeft, volstaan met eenieder van de in het tweede lid, onder a, bedoelde personen de strekking van het ontwerp-tracébesluit mee te delen en de onderdelen van het ontwerp-tracébesluit die voor de betrokkene redelijkerwijs van belang zijn, toe te zenden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -213,15 +202,13 @@ Provinciale staten, het algemeen bestuur van een regionaal openbaar lichaam en d
|
|||
|
||||
### Artikel 14
|
||||
|
||||
**1.** Indien Onze Minister in de bij de toepassing van artikel 12, derde lid, naar voren gebrachte zienswijzen of ingebrachte bedenkingen dan wel in het ingevolge artikel 13 door provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten gegeven oordeel aanleiding vindt zijn voorkeur voor het verloop en de geografische omvang van een aan te leggen of te wijzigen hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg te wijzigen, bepaalt hij in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer uiterlijk binnen twaalf weken na het verstrijken van de in artikel 13 bedoelde termijn zijn gewijzigde voorkeur en werkt hij deze eveneens binnen de in dit lid bedoelde termijn van twaalf weken uit tot een gewijzigd ontwerp-tracébesluit. De zienswijzen en mededelingen als bedoeld in de eerste volzin kunnen geen grond vinden in bedenkingen tegen de trajectnota. Artikel 9, derde lid, is van overeenkomstige toepassing indien het bepalen van de gewijzigde voorkeur dan wel het uitwerken daarvan tot een gewijzigd ontwerp-tracébesluit niet binnen de in de eerste volzin bedoelde termijn kan geschieden.
|
||||
**1.** Indien Onze Minister in de naar voren gebrachte zienswijzen dan wel in het ingevolge artikel 13 door provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten gegeven oordeel aanleiding vindt zijn voorkeur voor het verloop en de geografische omvang van een aan te leggen of te wijzigen hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg te wijzigen, bepaalt hij in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer uiterlijk binnen twaalf weken na het verstrijken van de in artikel 13 bedoelde termijn zijn gewijzigde voorkeur en werkt hij deze eveneens binnen de in dit lid bedoelde termijn van twaalf weken uit tot een gewijzigd ontwerp-tracébesluit. De zienswijzen en mededelingen als bedoeld in de eerste volzin kunnen geen grond vinden in bedenkingen tegen de trajectnota. Artikel 9, derde lid, is van overeenkomstige toepassing indien het bepalen van de gewijzigde voorkeur dan wel het uitwerken daarvan tot een gewijzigd ontwerp-tracébesluit niet binnen de in de eerste volzin bedoelde termijn kan geschieden.
|
||||
|
||||
**2.** Bij toepassing van het eerste lid van dit artikel vinden de artikelen 9, tweede lid, 11, tweede en vierde lid, 12 en 13 overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** Indien Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in andere dan de in het eerste lid bedoelde gevallen aanleiding vindt om een tracébesluit vast te stellen dat afwijkt van het ontwerp-tracébesluit dan wel, indien het eerste lid toepassing heeft gevonden, het gewijzigde ontwerp-tracébesluit, legt Onze Minister, alvorens het tracébesluit wordt vastgesteld, de onderdelen van het voorgenomen tracébesluit, voor zover deze afwijken van het ontwerp-tracébesluit dan wel het gewijzigde ontwerp-tracébesluit, gedurende twee weken ter inzage overeenkomstig artikel 7, eerste lid. Binnen de in de eerste volzin genoemde termijn kunnen schriftelijk bedenkingen worden ingebracht bij Onze Minister.
|
||||
|
||||
### Artikel 14a
|
||||
|
||||
Indien Onze Minister naar aanleiding van de bij toepassing van artikel 12, derde lid, naar voren gebrachte zienswijzen of bedenkingen dan wel het ingevolge artikel 13 door provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten gegeven oordeel in overweging neemt om in het tracébesluit met toepassing van de artikelen 87e tot en met 87i of 106d tot en met 106h van de Wet geluidhinder hogere waarden vast te stellen voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting in zones met betrekking tot gebouwen en standplaatsen als bedoeld in artikel 12, tweede lid, onder a, ten aanzien waarvan dat artikellid niet is toegepast, wordt, alvorens het tracébesluit wordt vastgesteld, ter zake toepassing gegeven aan dat artikellid voor zover het betreft bedoelde gebouwen en standplaatsen en legt Onze Minister de daarop betrekking hebbende onderdelen van het ontwerp-tracébesluit gedurende twee weken ter inzage overeenkomstig artikel 7, eerste lid. Binnen de in de eerste volzin genoemde termijn kunnen schriftelijk bedenkingen worden ingebracht bij Onze Minister.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 15
|
||||
|
||||
|
|
@ -251,7 +238,7 @@ Indien Onze Minister naar aanleiding van de bij toepassing van artikel 12, derde
|
|||
|
||||
**2.** Bij de bekendmaking van het tracébesluit worden de motivering en de toelichting op het tracé vermeld.
|
||||
|
||||
**3.** Binnen een week na de datum van toezending legt Onze Minister het besluit onder opgave van de redenen daarvoor en met de toelichting op het tracé ter inzage. Artikel 7, eerste lid, van deze wet en artikel 3:22, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**3.** De terinzagelegging geschiedt tevens ten kantore van de betrokken bestuursorganen.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk IV. Projectuitvoering
|
||||
|
||||
|
|
@ -277,32 +264,27 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Op de voorbereiding van de besluiten op de aanvragen om de in het tweede lid bedoelde vergunningen is de in de paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.5 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing, met dien verstande dat:
|
||||
Op de voorbereiding van de in het tweede lid bedoelde besluiten is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat:
|
||||
|
||||
a. de in artikel 3:18, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde mededeling tevens wordt gedaan aan Onze Minister;
|
||||
b. de ontwerpen van de besluiten binnen een door Onze Minister te bepalen termijn worden toegezonden aan Onze Minister, die zorg draagt voor de in artikel 3:19, eerste lid, tweede volzin, van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde toezending;
|
||||
c. de mededeling, bedoeld in artikel 3:19, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht in alle gevallen ook wordt gedaan door kennisgeving in de Staatscourant;
|
||||
d. Onze Minister de mededelingen, bedoeld in artikel 3:19, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor verschillende ontwerpen kan samenvoegen in één mededeling, welke wordt gedaan door Onze Minister;
|
||||
e. in afwijking van artikel 3:28 van de Algemene wet bestuursrecht de besluiten worden genomen binnen een door Onze Minister te bepalen termijn;
|
||||
f. de besluiten onverwijld worden gezonden aan Onze Minister;
|
||||
g. de in de artikelen 3:23, tweede lid, 3:24, derde lid, en 3:25, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde toezending tevens geschiedt aan Onze Minister;
|
||||
h. Onze Minister beslist over de toepassing van artikel 3:29 van de Algemene wet bestuursrecht.
|
||||
a. de ontwerpen van de besluiten binnen een door Onze Minister te bepalen termijn worden toegezonden aan Onze Minister, die zorg draagt voor de in artikel 3:13, eerste lid, van die wet bedoelde toezending;
|
||||
b. Onze Minister ten aanzien van de ontwerpen van de besluiten gezamenlijk toepassing kan geven aan de artikelen 3:11, eerste lid, en 3:12 van die wet;
|
||||
c. zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder;
|
||||
d. in afwijking van artikel 3:18 van die wet de besluiten worden genomen binnen een door Onze Minister te bepalen termijn;
|
||||
e. de besluiten onverwijld worden toegezonden aan Onze Minister.
|
||||
|
||||
**5.** Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing op de voorbereiding van de in het tweede lid bedoelde ambtshalve te nemen besluiten.
|
||||
**5.** Artikel 46, eerste lid, van de Woningwet is niet van toepassing op aanvragen om een bouwvergunning ter uitvoering van het tracébesluit.
|
||||
|
||||
**6.** Artikel 46, eerste lid, van de Woningwet is niet van toepassing op aanvragen om een bouwvergunning ter uitvoering van het tracébesluit.
|
||||
**6.** Indien een bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd is te beslissen op een aanvraag om een vergunning niet of niet tijdig overeenkomstig de aanvraag beslist, kunnen Onze Minister en Onze Minister wie het mede aangaat gezamenlijk een beslissing op de aanvraag nemen. In het laatste geval treedt hun besluit in de plaats van het besluit van het in eerste aanleg bevoegde bestuursorgaan. Indien Onze in de eerste volzin bedoelde Ministers voornemens zijn zelf een beslissing op de aanvraag te nemen, plegen zij overleg met het bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd is op de aanvraag te beslissen.
|
||||
|
||||
**7.** Indien een bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd is te beslissen op een aanvraag om een vergunning niet of niet tijdig overeenkomstig de aanvraag beslist, kunnen Onze Minister en Onze Minister wie het mede aangaat gezamenlijk een beslissing op de aanvraag nemen. In het laatste geval treedt hun besluit in de plaats van het besluit van het in eerste aanleg bevoegde bestuursorgaan. Indien Onze in de eerste volzin bedoelde Ministers voornemens zijn zelf een beslissing op de aanvraag te nemen, plegen zij overleg met het bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd is op de aanvraag te beslissen.
|
||||
**7.** Het zesde lid is van overeenkomstige toepassing op de in het tweede lid bedoelde ambtshalve te nemen besluiten.
|
||||
|
||||
**8.** Het zevende lid is van overeenkomstige toepassing op de in het tweede lid bedoelde ambtshalve te nemen besluiten.
|
||||
**8.** Indien bij de toepassing van het zesde lid de beslissing op een aanvraag wordt genomen door Onze in dat lid bedoelde Ministers, stort het bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd was te beslissen op de aanvraag, de ter zake ontvangen leges in 's Rijks kas.
|
||||
|
||||
**9.** Indien bij de toepassing van het zevende lid de beslissing op een aanvraag wordt genomen door Onze in dat lid bedoelde Ministers, stort het bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd was te beslissen op de aanvraag, de ter zake ontvangen leges in 's Rijks kas.
|
||||
**9.** Ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde aanvragen is Onze Minister mede bevoegd deze in te dienen bij de bevoegde bestuursorganen.
|
||||
|
||||
**10.** Ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde aanvragen is Onze Minister mede bevoegd deze in te dienen bij de bevoegde bestuursorganen.
|
||||
**10.** De in het tweede lid bedoelde besluiten worden, voor zover ten aanzien daarvan het vierde lid is toegepast, gelijktijdig door Onze Minister bekendgemaakt.
|
||||
|
||||
**11.** De in het tweede lid bedoelde besluiten alsmede de in artikel 3:27 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde overwegingen worden, voor zover ten aanzien daarvan het vierde lid is toegepast, gelijktijdig door Onze Minister bekendgemaakt. Zij worden voorts in de Staatscourant geplaatst.
|
||||
|
||||
**12.** Voor zover een ontwerp van een besluit als bedoeld in het tweede lid, zijn grondslag vindt in een concrete beleidsbeslissing in een planologische kernbeslissing als bedoeld in artikel 39 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, of in een tracébesluit, kunnen bedenkingen daarop geen betrekking hebben.
|
||||
**11.** Voor zover een ontwerp van een besluit als bedoeld in het tweede lid, zijn grondslag vindt in een concrete beleidsbeslissing in een planologische kernbeslissing als bedoeld in artikel 39 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, of in een tracébesluit, kunnen bedenkingen daarop geen betrekking hebben.
|
||||
|
||||
### Artikel 20a
|
||||
|
||||
|
|
@ -365,12 +347,10 @@ De artikelen 14a tot en met 20c zijn van overeenkomstige toepassing.
|
|||
|
||||
**1.** Tegen een tracébesluit of een ander in artikel 20, tweede lid, bedoeld besluit kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht vangt de termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen de in artikel 20, tweede lid, bedoelde besluiten aan met ingang van de dag na die waarop de in artikel 20, elfde lid, bedoelde bekendmaking is geschied.
|
||||
**2.** In afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht vangt de termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen de in artikel 20, tweede lid, bedoelde besluiten aan met ingang van de dag na die waarop de in artikel 20, tiende lid, bedoelde bekendmaking is geschied.
|
||||
|
||||
**3.** Voor beroepen tegen een concrete beleidsbeslissing in een planologische kernbeslissing als bedoeld in artikel 39 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, die de grondslag vormt voor een tracébesluit, vangt, in afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht, de beroepstermijn aan met ingang van de dag waarop beroep kan worden ingesteld tegen het tracébesluit. Indien niet binnen een jaar na het van kracht worden van de planologische kernbeslissing een daarop berustend tracébesluit is vastgesteld, vangt de beroepstermijn aan met ingang van de dag waarop dat jaar is verstreken.
|
||||
|
||||
**4.** Artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing met betrekking tot een tracébesluit.
|
||||
|
||||
### Artikel 25b
|
||||
|
||||
**1.** Met betrekking tot beroepen tegen een tracébesluit beslist de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen twaalf maanden na ontvangst van een verweerschrift.
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue