2010-10-01 | BWBR0004471 | Monumentenwet 1988

This commit is contained in:
Coornhert 2010-10-01 12:00:00 +00:00
parent 9ac38c7d9b
commit 117d03fa33

View file

@ -66,7 +66,14 @@ Onze minister doet mededeling van zijn beschikking aan burgemeester en wethouder
### Artikel 5
Met ingang van de datum waarop de mededeling, bedoeld in artikel 3, vierde lid, heeft plaatsgevonden tot het moment dat inschrijving in het register, bedoeld in artikel 6, eerste lid, of artikel 7, plaatsvindt dan wel vaststaat dat het monument niet wordt ingeschreven in een van die registers, zijn de artikelen 11 tot en met 31 van overeenkomstige toepassing.
**1.** Met ingang van de datum waarop de mededeling, bedoeld in artikel 3, vierde lid, heeft plaatsgevonden tot het moment dat inschrijving in het register, bedoeld in artikel 6, eerste lid, of artikel 7, vierde lid, plaatsvindt dan wel vaststaat dat het monument niet in een van die registers wordt ingeschreven, zijn op een archeologisch monument de artikelen 11 tot en met 29 en artikel 63, eerste en derde lid, van overeenkomstige toepassing.
**2.**
Gedurende de periode, bedoeld in het eerste lid, zijn op een ander monument dan een archeologisch monument van overeenkomstige toepassing:
a. de artikelen 11, eerste lid, en 63, tweede en derde lid; en
b. de hoofdstukken 2, 3, 4 en 6 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor zover die betrekking hebben op een beschermd monument als bedoeld in artikel 1.1 van die wet.
### Artikel 6
@ -102,7 +109,7 @@ Met ingang van de datum waarop de mededeling, bedoeld in artikel 3, vierde lid,
Indien de afschriften van het register niet overeenstemmen met het register dan wel onderling niet gelijkluidend zijn, worden als beschermd monument slechts aangemerkt de monumenten die staan vermeld op het afschrift van het register, dat is opgenomen in de openbare registers, bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken.
### Paragraaf 2. Vergunningen tot wijziging, afbraak of verwijdering
### Paragraaf 2. Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering
### Artikel 11
@ -112,92 +119,77 @@ Indien de afschriften van het register niet overeenstemmen met het register dan
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning:
a. een beschermd monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;
b. een beschermd monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze, waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
a. een beschermd archeologisch monument te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;
b. een beschermd archeologisch monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze, waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.
### Artikel 12
Een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 11 wordt ingediend bij burgemeester en wethouders.
**1.** Een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 11, tweede lid wordt ingediend bij burgemeester en wethouders.
**2.** Artikel 3.1, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is van overeenkomstige toepassing.
### Artikel 13
In afwijking van het bepaalde in artikel 12 wordt een aanvraag om vergunning die betrekking heeft op een monument als bedoeld in artikel 7, eerste lid, ingediend bij Onze minister.
In afwijking van het bepaalde in artikel 12 wordt een aanvraag om vergunning die betrekking heeft op een archeologisch monument als bedoeld in artikel 7, eerste lid, ingediend bij Onze minister.
### Artikel 14
**1.**
**1.** Onze minister beslist op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 11, tweede lid.
Burgemeester en wethouders beslissen omtrent de aanvraag, bedoeld in artikel 12, tenzij het betreft:
**2.** Onze minister kan een rapport verlangen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van Onze minister in voldoende mate is vastgesteld.
a. een archeologisch monument;
b. een monument dat in gebruik is bij Onze Minister van Defensie en tevens een militaire bestemming heeft.
**2.** In de gevallen waarin burgemeester en wethouders niet beslissen, beslist Onze minister.
**3.** Indien een aanvraag om vergunning een archeologisch monument betreft, kan Onze minister een rapport verlangen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van Onze minister in voldoende mate is vastgesteld.
**4.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud en inrichting van het rapport, bedoeld in het derde lid.
**3.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud en inrichting van het rapport, bedoeld in het tweede lid.
### Artikel 14a
**1.**
Op de voorbereiding van een besluit op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 11 is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat:
a. in de gevallen dat burgemeester en wethouders beslissen over de aanvraag, dezen het ontwerp van het besluit ter inzage leggen na ontvangst van het advies of de adviezen, bedoeld in artikel 16, derde lid, en
b. in de gevallen dat Onze minister beslist over de aanvraag, burgemeester en wethouders ten aanzien van het door hem opgesteld ontwerp van het besluit toepassing geven aan de artikelen 3:11 tot en met 3:17 van de Algemene wet bestuursrecht.
**1.** Op de voorbereiding van een besluit op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 11, tweede lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat burgemeester en wethouders ten aanzien van het door Onze minister opgestelde ontwerp van het besluit toepassing geven aan de artikelen 3:11 tot en met 3:17 van die wet.
**2.** Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
**3.** In de gevallen dat Onze minister beslist over een aanvraag om vergunning, zenden burgemeester en wethouders tijdig naar voren gebrachte zienswijzen onmiddellijk aan hem door.
**3.** Burgemeester en wethouders zenden tijdig naar voren gebrachte zienswijzen onmiddellijk door aan Onze minister.
**4.** In de gevallen dat Onze minister beslist over een aanvraag om vergunning is artikel 3:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
**4.** Artikel 3:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
**5.** Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing in de gevallen waarin een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 13 wordt ingediend.
**6.** In de gevallen dat burgemeester en wethouders beslissen over de aanvraag, delen dezen Onze minister mee dat zij het ontwerp van een besluit ter inzage hebben gelegd.
**5.** In afwijking van het eerste lid geeft Onze minister in gevallen als bedoeld in artikel 13 toepassing aan de artikelen 3:11 tot en met 3:17 van die wet. Het tweede, derde en vierde lid zijn niet van toepassing.
### Artikel 15
De gemeenteraad stelt een verordening vast waarin ten minste de inschakeling wordt geregeld van een commissie op het gebied van de monumentenzorg die burgemeester en wethouders adviseert over aanvragen om vergunning als bedoeld in artikel 11. Van de commissie maken geen deel uit leden van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente. Binnen de commissie zijn enkele leden deskundig op het gebied van de monumentenzorg.
**1.** De gemeenteraad stelt een verordening vast waarin ten minste de inschakeling wordt geregeld van een commissie op het gebied van de monumentenzorg die in elk geval tot taak heeft te adviseren over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Van de commissie maken geen deel uit leden van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente. Binnen de commissie zijn enkele leden deskundig op het gebied van de monumentenzorg.
**2.**
Burgemeester en wethouders vragen de commissie op het gebied van de monumentenzorg advies, voordat:
a. zij beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; of
b. zij advies uitbrengen omtrent een aanvraag om of het ontwerp van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
### Artikel 16
**1.** In bij ministeriële regeling te bepalen gevallen leggen burgemeester en wethouders een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 11 voor advies voor aan Onze minister. In de gevallen, bedoeld in de eerste volzin, zenden burgemeester en wethouders onmiddellijk afschrift van de aanvraag om vergunning aan de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten. De gevallen, bedoeld in de eerste volzin, kunnen onder meer betreffen het afbreken van een beschermd monument, het reconstrueren van een beschermd monument en het geven van een nieuwe bestemming aan een beschermd monument.
**2.** Indien de aanvraag een beschermd monument betreft dat buiten de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde bebouwde kom ligt, zenden burgemeester en wethouders onmiddellijk afschrift van de aanvraag om vergunning aan gedeputeerde staten.
**3.** In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, adviseert Onze minister schriftelijk over de aanvraag binnen twee maanden na de datum van verzending van het afschrift. Indien gedeputeerde staten advies uitbrengen, gebeurt dat schriftelijk binnen twee maanden na de datum van verzending van het afschrift.
**4.** Burgemeester en wethouders beslissen binnen vier maanden na de datum van ontvangst van het advies of het laatste van de adviezen, bedoeld in het derde lid, doch in ieder geval binnen de in artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalde termijn.
**5.** Indien burgemeester en wethouders niet voldoen aan het vierde lid, wordt de vergunning geacht te zijn verleend.
**6.** Burgemeester en wethouders doen van de beschikking op de aanvraag om vergunning mededeling aan Onze minister en aan gedeputeerde staten. Daarbij geven burgemeester en wethouders een omschrijving van de aard van de werkzaamheden.
**7.** De werking van de vergunning wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. De vergunninghouder kan de voorzieningenrechter van de rechtbank, onderscheidenlijk de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzoeken de opschorting op te heffen. Titel 8.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
Vervallen
### Artikel 17
**1.** In de gevallen dat Onze minister over de aanvraag om vergunning beslist, zenden burgemeester en wethouders de aanvraag onmiddellijk na ontvangst aan hem door. Zij zenden gelijktijdig afschrift aan gedeputeerde staten en stellen de aanvrager schriftelijk in kennis van de datum van doorzending.
**1.** Burgemeester en wethouders zenden de aanvraag, bedoeld in artikel 12, onmiddellijk na ontvangst aan Onze minister door. Zij zenden gelijktijdig afschrift aan gedeputeerde staten en stellen de aanvrager schriftelijk in kennis van de datum van doorzending.
**2.** Artikel 16, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing. Artikel 16, zevende lid, is van toepassing.
**2.** Indien Onze minister niet voldoet aan artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt de vergunning geacht te zijn verleend.
**3.** Onze minister doet van de beschikking op de aanvraag om vergunning mededeling aan burgemeester en wethouders en aan gedeputeerde staten.
**3.** De werking van de vergunning wordt opgeschort, totdat de beroepstermijn is verstreken, of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. De vergunninghouder kan de voorzieningenrechter van de rechtbank onderscheidenlijk de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzoeken de opschorting op te heffen. Titel 8.3 van de Algemene wet bestuursrechtspraak is van overeenkomstige toepassing.
**4.** Onze minister doet van de beschikking op de aanvraag om vergunning mededeling aan burgemeester en wethouders en aan gedeputeerde staten.
### Artikel 18
Burgemeester en wethouders nemen met betrekking tot een kerkelijk monument geen beslissing ingevolge artikel 16 dan in overeenstemming met de eigenaar, voorzover het betreft een beslissing waarbij wezenlijke belangen van het belijden van de godsdienst of de levensovertuiging in dat monument in het geding zijn.
Vervallen
### Artikel 19
**1.** Burgemeester en wethouders dan wel Onze minister kunnen aan een vergunning voorschriften verbinden in het belang van de monumentenzorg.
**1.** Onze minister kan aan een vergunning als bedoeld in artikel 11, tweede lid, voorschriften verbinden in het belang van de archeologische monumentenzorg.
**2.** De vergunning kan voor een bepaalde tijd worden verleend.
**3.**
Indien de vergunning een archeologisch monument betreft, kunnen daaraan in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
Aan een vergunning als bedoeld in artikel 11, tweede lid, kunnen in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of
@ -205,7 +197,7 @@ c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begelei
### Artikel 20
**1.** Burgemeester en wethouders en, voor zover het betreft de monumenten die niet gelegen zijn binnen het grondgebied van enige gemeente, Onze minister houden een openbaar register aan, waarin aantekening wordt gehouden van vergunningen die ingevolge artikel 16 of artikel 17 zijn verleend of worden geacht te zijn verleend.
**1.** Burgemeester en wethouders, en voor zover het monumenten als bedoeld in artikel 7, eerste lid, betreft, Onze minister houden een openbaar register aan waarin aantekening wordt gehouden van omgevingsvergunningen voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en vergunningen als bedoeld in artikel 11, tweede lid.
**2.**
@ -220,23 +212,15 @@ d. de aard van de werkzaamheden.
### Artikel 21
**1.**
**1.** Onverminderd artikel 5.19 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht kan Onze minister een vergunning als bedoeld in artikel 11, tweede lid, intrekken, indien de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen.
De vergunning kan door degene die haar heeft verleend worden ingetrokken indien:
a. blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;
b. blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften, bedoeld in artikel 19 niet naleeft;
c. de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen.
**2.** Van een besluit tot intrekking van een vergunning wordt mededeling gedaan aan Onze minister dan wel burgemeester en wethouders en aan gedeputeerde staten.
**2.** Van een besluit tot intrekking van een vergunning wordt mededeling gedaan aan burgemeester en wethouders en aan gedeputeerde staten.
### Paragraaf 3. Schadevergoeding in verband met de beslissing op de vergunningaanvraag
### Artikel 22
**1.** Voorzover blijkt dat de aanvrager van een vergunning als bedoeld in artikel 11 ten gevolge van de weigering daarvan of ten gevolge van de aan de vergunning verbonden voorschriften schade lijdt, welke redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent, behoudens het bepaalde in het tweede lid, Onze minister, de schadebeoordelingscommissie gehoord, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.
**2.** Ingeval de beslissing over de vergunningsaanvraag is genomen door burgemeester en wethouders in afwijking van het advies van Onze minister, besluiten zij, de schadebeoordelingscommissie gehoord, omtrent de schadevergoeding, bedoeld in het eerste lid, ten laste van de gemeente. De artikelen 23 tot en met 29, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat burgemeester en wethouders in de plaats treden van Onze minister.
Voorzover blijkt dat de aanvrager van een vergunning als bedoeld in artikel 11, tweede lid ten gevolge van de weigering daarvan of ten gevolge van de aan de vergunning verbonden voorschriften schade lijdt, welke redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent Onze minister, de schadebeoordelingscommissie gehoord, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.
### Artikel 23
@ -284,11 +268,11 @@ Onze minister beslist binnen twee maanden na ontvangst van het advies van de sch
### Artikel 30
Onze Minister is, voorzover hij vergunningverlenend gezag is, bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van een verbod als bedoeld in artikel 11, of van een voorschrift als bedoeld in artikel 19.
Vervallen
### Artikel 31
De werking van een beschikking tot oplegging van een last onder bestuursdwang als bedoeld in artikel 30 wordt opgeschort tot de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist, tenzij de vereiste spoed zich daartegen verzet.
Vervallen
### Artikel 32
@ -365,17 +349,13 @@ g. de betaling en terugvordering van de uitkering, alsmede het verlenen van voor
**1.** De gemeenteraad stelt ter bescherming van een beschermd stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- en dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld.
**2.** Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre geldende bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin van het vorige lid kunnen worden aangemerkt, dan wel of een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening, de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten gehoord, kan worden vastgesteld.
**2.** Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre geldende bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin van het vorige lid kunnen worden aangemerkt, dan wel of een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening, de Onze Minister gehoord, kan worden vastgesteld.
**3.** Indien een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste of tweede lid, opnieuw moet worden vastgesteld ingevolge artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening, kan de gemeenteraad, de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten gehoord, in afwijking van artikel 3.1, eerste lid, van die wet, voor het desbetreffende gebied een beheersverordening als bedoeld in die wet vaststellen.
**3.** Indien een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste of tweede lid, opnieuw moet worden vastgesteld ingevolge artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening, kan de gemeenteraad, de Onze Minister gehoord, in afwijking van artikel 3.1, eerste lid, van die wet, voor het desbetreffende gebied een beheersverordening als bedoeld in die wet vaststellen.
### Artikel 37
**1.** In beschermde stads- of dorpsgezichten is het verboden een bouwwerk geheel of gedeeltelijk af te breken zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (sloopvergunning). Paragraaf 3.4.2 van de Wet ruimtelijke ordening is op deze vergunning van toepassing.
**2.** Burgemeester en wethouders kunnen de aanvrager van een sloopvergunning als bedoeld in het eerste lid verplichten een rapport over te leggen waarin de archeologische waarde van de bodem onder het af te breken bouwwerk naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.
**3.** Aan een sloopvergunning als bedoeld in het eerste lid kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften worden verbonden met betrekking tot de wijze van slopen.
Vervallen
## Hoofdstuk V. Archeologische monumentenzorg
@ -400,47 +380,33 @@ De gemeenteraad houdt bij de vaststelling van een bestemmingsplan of een beheers
### Artikel 39
**1.** Bij een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologische monumentenzorg een aanlegvergunning als bedoeld in artikel 3.3, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening verplicht worden gesteld.
**1.** Bij een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologische monumentenzorg een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht verplicht worden gesteld.
**2.** Bij een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden bepaald dat de aanvrager van een aanlegvergunning een rapport dient over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.
**3.**
Aan de vergunning, bedoeld in het eerste lid, kunnen in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of
c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
**2.** Bij een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid een rapport dient over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen in voldoende mate is vastgesteld.
### Artikel 40
**1.** Bij een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden bepaald dat de aanvrager van een reguliere bouwvergunning als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de Woningwet een rapport dient over te leggen als bedoeld in artikel 39, tweede lid.
**1.** Bij een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een rapport dient over te leggen als bedoeld in artikel 39, tweede lid.
**2.** Bij een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden bepaald dat aan een reguliere bouwvergunning als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de Woningwet voorschriften kunnen worden verbonden als bedoeld in artikel 39, derde lid.
**2.** Bij een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden bepaald dat aan een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid voorschriften kunnen worden verbonden die zijn vastgesteld krachtens artikel 2.22, derde lid, onderdeel d, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
### Artikel 41
**1.** De aanvrager van een ontheffing als bedoeld in de artikelen 3.6, eerste lid, onder c, 3.22 of 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening of van een projectbesluit als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onder f, van die wet, kan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden verplicht een rapport over te leggen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders of, in geval van een projectbesluit naar het oordeel van de gemeenteraad, in voldoende mate is vastgesteld.
**1.** De aanvrager van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht kan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden verplicht een rapport over te leggen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1.1 van die wet in voldoende mate is vastgesteld.
**2.**
In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan een ontheffing als bedoeld in de artikelen 3.6, eerste lid, onder c, 3.22 of 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening of een projectbesluit als bedoeld in die wet in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of
c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de ontheffing of, in geval van een projectbesluit als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onder f, van de Wet ruimtelijke ordening door de gemeenteraad of burgemeester en wethouders, bij dit besluit te stellen kwalificaties.
**2.** De aanvrager van een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel h, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht kan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden verplicht een rapport over te leggen, waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1.1 van die wet in voldoende mate is vastgesteld.
### Artikel 41a
De artikelen 39, 40 en 41 zijn niet van toepassing op projecten met een oppervlakte kleiner dan 100 m^2; de gemeenteraad kan een hiervan afwijkende andere oppervlakte vaststellen.
De artikelen 39, 40 en 41, eerste lid zijn niet van toepassing op projecten met een oppervlakte kleiner dan 100 m^2; de gemeenteraad kan een hiervan afwijkende andere oppervlakte vaststellen.
### Artikel 42
Voor zover blijkt dat de aanvrager van een sloopvergunning als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van een aanlegvergunning als bedoeld in artikel 3.3, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening, een ontheffing als bedoeld in de artikelen 3.6, eerste lid, onder c, 3.22 of 3.23 van die wet of een projectbesluit als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onder f, van die wet of van een reguliere bouwvergunning als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de Woningwet tengevolge van de weigering daarvan in het belang van de archeologische monumentenzorg of ten gevolge van voorschriften die in het belang van de archeologische monumentenzorg aan het desbetreffende besluit zijn verbonden, schade lijdt die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijner laste behoort te blijven, kennen burgemeester en wethouders hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.
Vervallen
### Artikel 43
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud en inrichting van het rapport, bedoeld in de artikelen 39, tweede lid, 40, eerste lid, en 41, eerste lid.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud en inrichting van het rapport, bedoeld in de artikelen 39, tweede lid, 40, eerste lid, en 41, eerste en tweede lid.
### Paragraaf 2. Archeologische attentiegebieden
@ -569,7 +535,7 @@ De artikelen 53 en 54 zijn van toepassing in de aansluitende zone, bedoeld in ar
Onze minister houdt een Centraal archeologisch informatiesysteem in stand waarin in ieder geval worden opgenomen en openbaar gemaakt:
a. de registers, bedoeld in de artikelen 6 en 7, voor zover die archeologische monumenten betreffen;
b. de beslissingen die op de aanvragen om vergunning als bedoeld in artikel 11, tweede lid, zijn genomen voor zover die beslissingen archeologische monumenten betreffen;
b. de beslissingen op de aanvragen om vergunning, bedoeld in artikel 11, tweede lid;
c. de besluiten, bedoeld in artikel 44, eerste lid;
d. het rapport, bedoeld in artikel 46, vierde lid; en
e. de meldingen, bedoeld in de artikelen 46, eerste en tweede lid, 53, eerste lid, en 54.
@ -590,13 +556,13 @@ Onze minister kan bij schade dan wel dreigende schade aan archeologische monumen
**1.** Onze minister kan bepalen dat een rechthebbende ten aanzien van een terrein moet dulden dat dat terrein in het belang van een archeologisch onderzoek wordt betreden, dat daarop metingen worden verricht dan wel daarin opgravingen worden gedaan.
**2.** Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat een rechthebbende ten aanzien van een terrein moet dulden dat een terrein in het belang van archeologisch onderzoek wordt betreden, dat daarop metingen worden verricht, dan wel daarin opgravingen worden gedaan, voor zover dat onderzoek dient ter voorbereiding of ter uitvoering van een besluit als bedoeld in de artikelen 3.1, 3.6, eerste lid, onder c, 3.10, 3.22 of 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening.
**2.** Het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding of uitvoering van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 van die wet of een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht kan bepalen dat een rechthebbende ten aanzien van een terrein moet dulden dat een terrein in het belang van archeologisch onderzoek wordt betreden, dat daarop metingen worden verricht dan wel dat daarin opgravingen worden gedaan, voor zover dat onderzoek dient ter voorbereiding of ter uitvoering daarvan.
### Artikel 58
**1.** Schade veroorzaakt door een maatregel als bedoeld in de artikelen 56 of 57, eerste lid, wordt door Onze minister naar redelijkheid vergoed.
**2.** Schade veroorzaakt door een maatregel als bedoeld in artikel 57, tweede lid, wordt door burgemeester en wethouders naar redelijkheid vergoed.
**2.** Schade veroorzaakt door een maatregel als bedoeld in artikel 57, tweede lid, wordt door het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 57, tweede lid, naar redelijkheid vergoed.
### Artikel 59
@ -612,29 +578,19 @@ Onze minister kan formulieren vaststellen ten aanzien van de meldingen, bedoeld
### Artikel 61
**1.** Hij die opzettelijk handelt in strijd met de artikelen 11, artikel 37, eerste lid, eerste volzin, 45, eerste lid, 53, eerste lid, dan wel opzettelijk handelt in strijd met een maatregel getroffen op grond van artikel 56, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie.
**2.** De feiten zijn misdrijven.
Vervallen
### Artikel 62
**1.** Hij die handelt in strijd met de artikelen 11, artikel 37, eerste lid, eerste volzin, 45, eerste lid, 53, eerste lid, dan wel handelt in strijd met een maatregel getroffen op grond van artikel 56, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vijfde categorie.
**2.** De feiten zijn overtredingen.
Vervallen
### Artikel 63
**1.** Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de bij besluit van Onze minister onderscheidenlijk de bij besluit van burgemeester en wethouders aangewezen personen.
**1.** Onze minister draagt zorg voor de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens deze wet.
**2.**
**2.** Het bestuursorgaan dat met betrekking tot een monument bevoegd is een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht te verlenen, draagt zorg voor de bestuursrechtelijke handhaving van artikel 11, eerste lid, voor zover het een ander monument dan een archeologisch monument betreft.
Met de opsporing van de bij de artikelen 61 en 62 strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd artikel 141 van de Wetboek van Strafvordering, belast de in het eerste lid bedoelde ambtenaren, voor zover zij bij besluit van Onze Minister van Justitie daartoe zijn aangewezen.
Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.
**3.** De in het eerste en het tweede lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner.
**4.** Van een besluit van Onze minister als bedoeld in het eerste lid of van Onze Minister van Justitie als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
**3.** Met betrekking tot de handhaving van het bepaalde bij of krachtens deze wet is hoofdstuk 5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing, met uitzondering van artikel 5.2 en paragraaf 5.5 van die wet en, indien het een archeologisch monument betreft, met uitzondering van artikel 5.11 van die wet.
## Hoofdstuk VII. Overgangs- en slotbepalingen