diff --git a/amvb/besluit-inburgering/BWBR0020674/README.md b/amvb/besluit-inburgering/BWBR0020674/README.md index 343bd8d9427..d78a57ec65f 100644 --- a/amvb/besluit-inburgering/BWBR0020674/README.md +++ b/amvb/besluit-inburgering/BWBR0020674/README.md @@ -30,15 +30,15 @@ k. gecombineerde inburgeringsvoorziening: een inburgeringsvoorziening, gecombine l. lening: de lening, bedoeld in artikel 16 van de wet; m. prognose: de opgave van het college met betrekking tot: -1°. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald, en ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening zal vaststellen; -2°. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald, en ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening zal vaststellen; -3°. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, van de wet aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald, en ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening zal vaststellen; -4°. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald, en ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening zal vaststellen; -5°. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald, en ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening zal vaststellen; +1°. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald, en ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening zal vaststellen; +2°. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald, en ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening zal vaststellen; +3°. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald, en ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening zal vaststellen; +4°. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald, en ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening zal vaststellen; n. budget: het budget dat in het jaar waarop de prognoses betrekking hebben beschikbaar is voor de verstrekking aan gemeenten van de voorschotten op het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdragen; o. inburgeringscursus: een door een cursusinstelling aangeboden cursus welke een inburgeringsplichtige in staat stelt mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse samenleving te verwerven, teneinde het inburgeringsexamen te behalen; p. Wet inburgering nieuwkomers: Wet inburgering nieuwkomers zoals die luidde op 31 december 2006; -q. persoonsvolgend budget: budget dat wordt verstrekt ten behoeve van de inburgering van een persoon als bedoeld in het besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 12 juni 2007, nr. 2007/11, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Stcrt. 2007, 111), die inburgeringsplichtig is op grond van de artikelen 3 tot en met 6 van de wet en die op 1 januari 2008 in een opvangvoorziening als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers verblijft. +q. persoonsvolgend budget: budget dat wordt verstrekt ten behoeve van de inburgering van een persoon als bedoeld in het besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 12 juni 2007, nr. 2007/11, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Stcrt. 2007, 111), die inburgeringsplichtig is op grond van de artikelen 3 tot en met 6 van de wet en die op 1 januari 2008 in een opvangvoorziening als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers verblijft; +r. duale inburgeringsvoorziening: inburgeringsvoorziening die met het oog op de actieve deelname van de inburgeringsplichtige aan de Nederlandse samenleving mede voorziet in activiteiten die in samenhang, en ten minste voor een deel gelijktijdig, met het verwerven van mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse samenleving worden uitgevoerd. ## Hoofdstuk 2. Inburgeringsplicht @@ -94,7 +94,7 @@ Niet inburgeringsplichtig is degene die beschikt over: a. het inburgeringsdiploma; b. een op wettelijke basis uitgereikt diploma of getuigschrift van afronding van een opleiding van wetenschappelijk onderwijs, hoger beroepsonderwijs, algemeen voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs of leerlingwezen, na onderwijs te hebben gevolgd in de Nederlandse taal; -c. een diploma staatsexamen Nederlands als tweede taal, programma I of II, als bedoeld in artikel 7.3.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs; +c. een diploma staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet educatie en beroepsonderwijs; d. een met een van de in onderdeel b genoemde diploma’s of getuigschriften vergelijkbaar diploma of ander document, behaald in het Nederlandstalig onderwijs in België, mits een voldoende is behaald voor het vak Nederlandse taal; e. een met een van de in onderdeel b genoemde diploma’s of getuigschriften vergelijkbaar diploma of ander document, behaald in het Nederlandstalig onderwijs in Suriname, mits een voldoende is behaald voor het vak Nederlandse taal; f. een diploma, certificaat of ander document, behaald in het Nederlandstalig onderwijs in de Nederlandse Antillen of Aruba, ten bewijze van afronding van een bij regeling van Onze Minister aangewezen Nederlands-Antilliaanse of Arubaanse opleiding, mits een voldoende is behaald voor het vak Nederlandse taal; @@ -213,7 +213,7 @@ c. gespreksvaardigheid; d. schrijfvaardigheid; e. leesvaardigheid. -**2.** In afwijking van het eerste lid, onderdelen d en e, verwerft de oudkomer, niet zijnde een geestelijke bedienaar, de daargenoemde schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal op het niveau A1 van het Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen. +**2.** In afwijking van het eerste lid, onderdelen d en e, verwerft de oudkomer, niet zijnde een geestelijke bedienaar, de daargenoemde schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal ten minste op het niveau A1 van het Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen. ### Artikel 2.10 @@ -713,7 +713,10 @@ Geen recht op vergoeding heeft: a. de gewezen inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringsvoorziening is vastgesteld, tenzij deze inburgeringsvoorziening op grond van artikel 23, vierde lid, van de wet is vervallen en geen beschikking als bedoeld in artikel 4.25, tweede lid, eerste volzin, is vastgesteld; b. de vreemdeling zonder rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e, dan wel l, van de Vreemdelingenwet 2000, tenzij het betreft een vreemdeling als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, met rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onderdeel g of h, van de Vreemdelingenwet 2000; -c. degene die op het tijdstip waarop het inburgeringsexamen is behaald, niet inburgeringsplichtig was, tenzij de inburgeringsplicht is geëindigd wegens het bereiken van de 65-jarige leeftijd; +c. degene die op het tijdstip waarop het inburgeringsexamen is behaald niet inburgeringsplichtig was, tenzij de inburgeringsplicht is geëindigd wegens: + +1°. het bereiken van de 65-jarige leeftijd, of +2°. een andere omstandigheid en op dat tijdstip een schuld bestond uit een niet eerder dan drie jaar voor dat tijdstip overeenkomstig artikel 4.1 verstrekte lening; d. degene aan wie de vergoeding reeds eerder is verstrekt; e. degene aan wie een persoonsvolgend budget is verstrekt. @@ -729,7 +732,7 @@ e. degene aan wie een persoonsvolgend budget is verstrekt. ### Artikel 4.23 -De socialezekerheidswetten en socialezekerheidsregelingen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet, zijn: +De socialezekerheidswetten en socialezekerheidsregelingen, bedoeld in artikel 19, vierde lid, van de wet, zijn: a. de Werkloosheidswet; b. de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; @@ -755,7 +758,7 @@ i. de Tijdelijke regeling inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten. **1.** Indien op grond van artikel 23, vierde lid, van de wet een inburgeringsvoorziening vervalt, roept het college de inburgeringsplichtige binnen zes weken op voor het onderzoek. -**2.** Binnen vier weken na afloop van het onderzoek geeft het college ten aanzien van de inburgeringsplichtige voorzover van toepassing een beschikking waarin als gelijkwaardig inburgeringsalternatief een op dat tijdstip passende inburgeringsvoorziening is vastgesteld. Het bepaalde bij en krachtens de artikelen 22, eerste lid, en 23, eerste, tweede en derde lid, van de wet is van toepassing. +**2.** Binnen zes weken na afloop van het onderzoek geeft het college ten aanzien van de inburgeringsplichtige voorzover van toepassing een beschikking waarin als gelijkwaardig inburgeringsalternatief een op dat tijdstip passende inburgeringsvoorziening is vastgesteld. Het bepaalde bij en krachtens de artikelen 22, eerste lid, en 23, eerste, tweede en derde lid, van de wet is van toepassing. ## Hoofdstuk 5. Handhaving @@ -780,9 +783,9 @@ Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met betrekking tot d **1.** Indien niet aan de inburgeringsplicht is voldaan, verstrekt het college informatie over de rechten en plichten van de inburgeringsplichtige die uit de wet voortvloeien. -**2.** Binnen acht weken na afloop van het onderzoek geeft het college ten aanzien van de inburgeringsplichtige voorzover van toepassing een beschikking als bedoeld in de artikelen 22, eerste lid, en 26 van de wet. +**2.** Binnen twaalf weken na afloop van het onderzoek geeft het college ten aanzien van de inburgeringsplichtige voorzover van toepassing een beschikking als bedoeld in de artikelen 22, eerste lid, en 26 van de wet. -**3.** Indien ten aanzien van de inburgeringsplichtige geen beschikking als bedoeld in de artikelen 22, eerste lid, en 26 van de wet wordt gegeven, stelt het college hem binnen acht weken na het onderzoek schriftelijk in kennis van de voor hem geldende termijn, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet. +**3.** Indien ten aanzien van de inburgeringsplichtige geen beschikking als bedoeld in de artikelen 22, eerste lid, en 26 van de wet wordt gegeven, stelt het college hem binnen twaalf weken na het onderzoek schriftelijk in kennis van de voor hem geldende termijn, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet. ### Afdeling 2. Termijnverlenging en ontheffing van de inburgeringsplicht @@ -848,7 +851,8 @@ f. de cursusinstellingen; g. de organisatie die belast is met het beheer van het in artikel 1, onderdeel j, van de wet bedoelde keurmerk; h. het Kwaliteitscentrum examinering inburgering; i. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; -j. de IB-Groep. +j. de IB-Groep; +k. de staatsexamencommissie Nederlands als tweede taal, bedoeld in artikel 3 van het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal. **2.** @@ -862,7 +866,7 @@ e. het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Deze gegevens worden niet gebruikt voor een ander doel dan genoemd in artikel 47, tweede lid, van de wet. -**3.** De verstrekking, bedoeld in artikel 47, tweede lid, onderdeel c, van de wet geschiedt zodanig dat de gegevens niet kunnen worden herleid tot een natuurlijk persoon. +**3.** De verstrekking van gegevens met het oog op de evaluatie van bestaand beleid en de voorbereiding van toekomstig beleid, bedoeld in artikel 47, tweede lid, onderdeel b, van de wet, geschiedt zodanig dat de gegevens niet kunnen worden herleid tot een natuurlijk persoon. **4.** De instanties, genoemd in het eerste lid, onderdelen a en e tot en met h, verstrekken de gegevens zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen twee weken na het ontstaan van de noodzaak tot opneming in het Informatiesysteem Inburgering. @@ -955,7 +959,7 @@ d. de IB-Groep. De IB-Groep verwijdert de gegevens van een in het Bestand Potentiële Inburgeringsplichtigen opgenomen persoon, indien de betrokkene: a. is overleden; -b. blijkens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen of uit Nederland is vertrokken; of +b. blijkens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen of uit Nederland is vertrokken, of c. in het Informatiesysteem Inburgering wordt opgenomen. ### Artikel 6.7 @@ -986,16 +990,16 @@ Onder «college» wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk mede verstaan het c Het prestatie-afhankelijke deel, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend op de grondslag van: -a. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald; +a. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald; b. het aantal in onderdeel a bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen; -c. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald; +c. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald; d. het aantal in onderdeel c bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de gecombineerde inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen; -e. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, van de wet ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald; -f. het aantal in onderdeel e bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen; -g. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald; -h. het aantal in onderdeel g bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen; -i. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald; -j. het aantal in onderdeel i bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de gecombineerde inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen. +e. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald; +f. het aantal in onderdeel g bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen; +g. het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald; +h. het aantal in onderdeel i bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de gecombineerde inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen; +i. het aantal inburgeringsplichtigen ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een duale inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald; +j. het aantal inburgeringsplichtigen ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een taalkennisvoorziening als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de wet heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald. **4.** @@ -1031,25 +1035,23 @@ Het voorschot voor een gemeente wordt berekend: a. indien de door die gemeente ingediende prognose niet tot gevolg heeft dat het voor die gemeente gegeven indicatieve voorschot moet worden verhoogd, met de formule: -A = [ B x C ] + [ D x E ] + [ F x G ] + [ H x I ] + [ J x K ]; +A = [ B x C ] + [ D x E ] + [ H x I ] + [ J x K ]; b. indien de door die gemeente ingediende prognose tot gevolg heeft dat het voor die gemeente gegeven indicatieve voorschot moet worden verhoogd, en het budget daartoe toereikend is, met de formule: -A = [ B x C ] + [ D x E ] + [ F x G ] + [ H x I ] + [ J x K ]; +A = [ B x C ] + [ D x E ] + [ H x I ] + [ J x K ]; c. indien de door die gemeente ingediende prognose tot gevolg heeft dat het voor die gemeente gegeven indicatieve voorschot moet worden verhoogd, en het budget niet toereikend is, met de formule: -A = [ B x C ] + [ D x E ] + [ F x G ] + [ H x I ] + [ J x K ] + [ L x M ]. +A = [ B x C ] + [ D x E ] + [ H x I ] + [ J x K ] + [ L x M ]. **4.** In de formules, genoemd in het derde lid, wordt voorgesteld: – met de letter A: het voorschot voor een gemeente ten behoeve van het jaar waarop de prognose betrekking heeft; -– met de letter B: het deel van de prognose dat betrekking heeft op het aantal door het college vast te stellen inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet; +– met de letter B: het deel van de prognose dat betrekking heeft op het aantal door het college vast te stellen inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet; – met de letter C: de voorschotvergoeding ten aanzien van de in de letter B bedoelde inburgeringsvoorziening; -– met de letter D: het deel van de prognose dat betrekking heeft op het aantal door het college vast te stellen gecombineerde inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet; +– met de letter D: het deel van de prognose dat betrekking heeft op het aantal door het college vast te stellen gecombineerde inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet; – met de letter E: de voorschotvergoeding ten aanzien van de in de letter D bedoelde gecombineerde inburgeringsvoorziening; -– met de letter F: het deel van de prognose dat betrekking heeft op het aantal door het college vast te stellen inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, van de wet; -– met de letter G: de voorschotvergoeding ten aanzien van de in de letter F bedoelde inburgeringsvoorziening; – met de letter H: het deel van de prognose dat betrekking heeft op het aantal door het college vast te stellen inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet; – met de letter I: de voorschotvergoeding ten aanzien van de in de letter H bedoelde inburgeringsvoorziening; – met de letter J: het deel van de prognose dat betrekking heeft op het aantal door het college vast te stellen gecombineerde inburgeringsvoorzieningen ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet; @@ -1059,7 +1061,7 @@ In de formules, genoemd in het derde lid, wordt voorgesteld: **5.** Indien door Onze Minister toepassing wordt gegeven aan het derde lid, onderdeel c, is het voorschot voor een gemeente niet hoger dan het met de door die gemeente ingediende prognose corresponderende voorschot. -**6.** Onverminderd het bepaalde in het tweede tot en met het vijfde lid, kan Onze Minister besluiten het voorschot voor een gemeente te verhogen dan wel te verlagen indien de jaarlijkse vaststelling van de prijs, bedoeld in artikel 7.7, tweede lid, daartoe aanleiding geeft. +**6.** Onze Minister verhoogt ten behoeve van het aanbieden van duale inburgeringsvoorzieningen het voorschot voor een gemeente met een met behulp van de verdeelsleutel, bedoeld in artikel 7.2, tweede lid, vastgesteld bedrag. **7.** Onze Minister stelt de hoogte van het voorschot op het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage voor een gemeente voor 1 december van het jaar, voorafgaand aan het jaar waarop de prognose betrekking heeft, vast. @@ -1081,42 +1083,47 @@ In de formules, genoemd in het derde lid, wordt voorgesteld: Het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage voor een gemeente wordt berekend met de formule: -A = ( [ B x C ] + [ D x E ] + [ F x G ] + [ H x I ] + [ J x K ] + [ L x M ] + [ N x O ] + [ P x Q ] ) + [ R x S ] + [ T x U ] ) x V +A = ( [ B x C ] + [ D x E ] + [ H x I ] + [ J x K ] + [ L x M ] + [ N x O ] + [ R x S ] + [ T x U ] + [V x W] + [X x Y] + [Z x AA] + [BB x CC] + DD) x EE waarin wordt voorgesteld: – met de letter A: het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage; -– met de letter B: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald; -– met de letter C: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet; -– met de letter D: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald; -– met de letter E: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de gecombineerde inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet; -– met de letter F: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald; -– met de letter G: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, van de wet; +– met de letter B: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald; +– met de letter C: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet; +– met de letter D: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald; +– met de letter E: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de gecombineerde inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet; – met de letter H: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald; – met de letter I: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet; – met de letter J: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald; – met de letter K: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de gecombineerde inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet; -– met de letter L: het aantal in de letter B bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen twee jaren na het jaar waarop de prognose betrekking heeft, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen; -– met de letter M: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan het inburgeringsexamen, bedoeld in letter L; -– met de letter N: het aantal in de letter D bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen twee jaren na het jaar waarop de prognose betrekking heeft, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen; -– met de letter O: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan het inburgeringsexamen, bedoeld in letter N; -– met de letter P: het aantal in de letter F bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen twee jaren na het jaar waarop de prognose betrekking heeft, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen; -– met de letter Q: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan het inburgeringsexamen, bedoeld in letter P; -– met de letter R: het aantal in de letter H bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen twee jaren na het jaar waarop de prognose betrekking heeft, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen; -– met de letter S: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan het inburgeringsexamen, bedoeld in letter R; -– met de letter T: het aantal in de letter J bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen twee jaren na het jaar waarop de prognose betrekking heeft, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen; -– met de letter U: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan het inburgeringsexamen, bedoeld in letter T; -– met de letter V: de door Onze Minister vast te stellen correctiefactor. +– met de letter L: het aantal in de letter B bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen twee jaren na het jaar waarop de prognose betrekking heeft, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen of het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c; +– met de letter M: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan een van de examens, bedoeld in letter L; +– met de letter N: het aantal in de letter D bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen twee jaren na het jaar waarop de prognose betrekking heeft, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen of het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c; +– met de letter O: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan een van de examens, bedoeld in letter N; +– met de letter R: het aantal in de letter H bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen twee jaren na het jaar waarop de prognose betrekking heeft, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen of het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c; +– met de letter S: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan een van de examens, bedoeld in letter R; +– met de letter T: het aantal in de letter J bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen twee jaren na het jaar waarop de prognose betrekking heeft, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen of het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c; +– met de letter U: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan een van de examens, bedoeld in letter T; +– met de letter V: het aantal inburgeringsplichtigen ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een duale inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald; +– met de letter W: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de duale inburgeringsvoorziening; +– met de letter X: het aantal inburgeringsplichtigen, niet zijnde geestelijke bedienaar, ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een taalkennisvoorziening als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de wet heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald; +– met de letter Y: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de taalkennisvoorziening; +– met de letter Z: het aantal door het college in 2007 op grond van de Wet inburgering nieuwkomers genomen beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma; +– met de letters AA: de door Onze Minister vast te stellen vergoeding met betrekking tot een inburgeringsprogramma als bedoeld in de letter Z; +– met de letters BB: het aantal door het college in 2007 en 2008 ontvangen afschriften, welke betrekking hebben op in 2007 aangevangen inburgeringsprogramma’s, van door het bevoegd gezag van een instelling ingevolge de Wet inburgering nieuwkomers uitgereikte verklaringen als bedoeld in artikel 7.4.15, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, zoals dat artikel luidde op 31 december 2006; +– met de letters CC: de door Onze Minister vast te stellen vergoeding met betrekking tot een verklaring als bedoeld in de letters BB; +– met de letters DD: het bedrag, bedoeld in artikel 9.3, derde lid; +– met de letters EE: de door Onze Minister vast te stellen correctiefactor. -**2.** Het college verstrekt de gegevens, bedoeld in de letters B, D, F, H, J, L, N, P, R en T van het eerste lid, tezamen met de jaarrekening, bedoeld in artikel 186 van de Gemeentewet, welke betrekking heeft op het tweede jaar, volgend op het jaar waarop de prognose betrekking heeft. De jaarrekening is voorzien van de accountantsverklaring, bedoeld in artikel 213, derde lid, van de Gemeentewet. Het college vergewist zich ervan dat de gegevens zijn opgenomen in het Informatiesysteem Inburgering. +**2.** Het college verstrekt de gegevens, bedoeld in de letters B, D, H, J, L, N, R, T, V en X van het eerste lid, tezamen met de jaarrekening, bedoeld in artikel 186 van de Gemeentewet, welke betrekking heeft op het jaar 2011. Het college verstrekt de gegevens, bedoeld in de letters Z en BB van het eerste lid, tezamen met de jaarrekening, bedoeld in artikel 186 van de Gemeentewet, welke betrekking heeft op het jaar 2008. De jaarrekening is voorzien van de accountantsverklaring, bedoeld in artikel 213, derde lid, van de Gemeentewet. Het college vergewist zich ervan dat de gegevens zijn opgenomen in het Informatiesysteem Inburgering. -**3.** Indien Onze Minister de gegevens en de accountantsverklaring niet voor 1 september van het derde jaar, volgend op het jaar waarop de prognose betrekking heeft, heeft ontvangen, stelt Onze Minister de hoogte van de letters B, D, F, H, J, L, N, P, R en T in de formule, bedoeld in het eerste lid, vast op nul. +**3.** Indien Onze Minister de gegevens en de accountantsverklaring niet voor binnen zesentwintig weken na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 17b, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Financiële-verhoudingswet heeft ontvangen, stelt Onze Minister de hoogte van de letters B, D, H, J, L, N, R, T, V en X, respectievelijk de letters Z en BB in de formule, bedoeld in het eerste lid, vast op nul. -**4.** Onze Minister stelt het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage uiterlijk 1 oktober van het derde jaar, volgend op het jaar waarop de prognose betrekking heeft, vast. +**4.** Onze Minister stelt het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage uiterlijk dertig weken na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 17b, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Financiële-verhoudingswet, welke betrekking heeft op de jaarrekening van het jaar 2011, vast. -**5.** Het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage wordt vastgesteld onder voorbehoud van goedkeuring van de beschikbare middelen door de begrotingswetgever en kan worden verlaagd in verband met wijzigingen van de rijksbegroting voor het derde jaar, volgend op het jaar waarop de prognose betrekking heeft. +**5.** Het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage wordt vastgesteld onder voorbehoud van goedkeuring van de beschikbare middelen door de begrotingswetgever en kan worden verlaagd in verband met wijzigingen van de rijksbegroting voor het jaar 2012 dan wel het jaar 2013. -**6.** Het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage wordt verrekend met het voorschot dat is verleend ten behoeve van het jaar waarop de prognose betrekking heeft. Het uit de verrekening resulterende positieve of negatieve saldo wordt uiterlijk zes maanden na de vaststelling ervan aan een gemeente betaald, waarbij Onze Minister kan besluiten tot verrekening met het eerstvolgende te verlenen voorschot. +**6.** Het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage wordt verrekend met het voorschot dat is verleend ten behoeve van de jaren 2007 en 2008. Het uit de verrekening resulterende positieve of negatieve saldo wordt uiterlijk zes maanden na de vaststelling ervan aan een gemeente betaald. ### Artikel 7.6 @@ -1134,34 +1141,30 @@ waarin wordt voorgesteld: – met de letter F: de bijdragevergoeding ten aanzien van de verstrekking van een kennisgeving als bedoeld in artikel 5.3, derde lid; – met de letter G: het aantal geestelijke bedienaren ten behoeve van wie het college in het jaar waarop het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage betrekking hebben een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld; – met de letter H: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van een inburgeringsvoorziening voor een geestelijke bedienaar; -– met de letter I: het aantal geestelijke bedienaren dat in het jaar waarop het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage betrekking hebben, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen; -– met de letter J: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname door een geestelijke bedienaar aan het inburgeringsexamen; +– met de letter I: het aantal geestelijke bedienaren dat in het jaar waarop het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage betrekking hebben, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen of het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c; +– met de letter J: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname door een geestelijke bedienaar aan het inburgeringsexamen of het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c; – met de letter K: het aantal geestelijke bedienaren dat in het jaar waarop het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage betrekking hebben, heeft deelgenomen aan het aanvullend praktijkdeel van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid; – met de letter L: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname door een geestelijke bedienaar aan het aanvullend praktijkdeel van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid. **2.** Het college verstrekt de gegevens bedoeld in de letters C, E, G, I en K van het eerste lid, tezamen met de jaarrekening, bedoeld in artikel 186 van de Gemeentewet, welke betrekking heeft op het jaar waarop het variabele deel van de rijksbijdrage betrekking heeft. De jaarrekening is voorzien van de accountantsverklaring, bedoeld in artikel 213, derde lid, van de Gemeentewet. Het college vergewist zich ervan dat de gegevens zijn opgenomen in het Informatiesysteem Inburgering. -**3.** Indien Onze Minister de gegevens en de accountantsverklaring niet voor 1 september van het jaar, volgend op het jaar waarop het variabele deel van de rijksbijdrage betrekking heeft, heeft ontvangen stelt Onze Minister de hoogte van de letters C, E, G, I en K in de formule, bedoeld in het eerste lid, vast op nul. +**3.** Indien Onze Minister de gegevens en de accountantsverklaring niet binnen zesentwintig weken na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 17b, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Financiële-verhoudingswet heeft ontvangen stelt Onze Minister de hoogte van de letters C, E, G, I en K in de formule, bedoeld in het eerste lid, vast op nul. -**4.** Onze Minister stelt het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage uiterlijk 1 oktober van het jaar, volgend op het jaar waarop het vaste en variabele deel betrekking hebben, vast. +**4.** Onze Minister stelt het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage uiterlijk dertig weken na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 17b, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Financiële-verhoudingswet, vast. **5.** Het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage worden vastgesteld onder voorbehoud van goedkeuring van de beschikbare middelen door de begrotingswetgever en kunnen worden verlaagd in verband met wijzigingen van de rijksbegroting. -**6.** Het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage worden verrekend met het voorschot dat is verleend ten behoeve van het jaar waarop beide delen van de rijksbijdrage betrekking hebben. Het uit de verrekening resulterende positieve of negatieve saldo wordt uiterlijk zes maanden na de vaststelling ervan aan de gemeente betaald, waarbij Onze Minister kan besluiten tot verrekening met het eerstvolgende te verlenen voorschot. +**6.** Het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage worden verrekend met het voorschot dat is verleend ten behoeve van de jaren 2007 en 2008. Het uit de verrekening resulterende positieve of negatieve saldo wordt uiterlijk zes maanden na de vaststelling ervan aan de gemeente betaald. ### Artikel 7.7 **1.** Onze Minister stelt ten behoeve van de verlening van het voorschot op het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage en de vaststelling van de rijksbijdrage jaarlijks de voorschotvergoedingen, bedoeld in artikel 7.3, respectievelijk de bijdragevergoedingen, bedoeld in artikel 7.5 en 7.6, vast. -**2.** Onze Minister stelt jaarlijks de landelijke gemiddelde prijs van een inburgeringscursus vast. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld omtrent de wijze waarop deze prijs wordt vastgesteld. +**2.** Onze Minister stelt ten behoeve van de vast te stellen hoogte van de bijdragevergoedingen jaarlijks de onderlinge verhouding vast tussen de indicatoren, bedoeld in artikel 7.1, derde lid, onderdelen a, c, e en g, en artikel 7.1, vierde lid, onderdeel c, enerzijds en de indicatoren, bedoeld in artikel 7.1, derde lid, onderdelen b, d, f en h, en artikel 7.1, vierde lid, onderdelen d en e, anderzijds. -**3.** Onze Minister stelt de voorschotvergoedingen vast aan de hand van de prijs, bedoeld in het tweede lid, en de hoogte van de eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet. +**3.** Onze Minister stelt de bijdragevergoedingen vast aan de hand van de verhouding, bedoeld in het vierde lid, de hoogte van de eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet en een uitvalpercentage ter hoogte van 10%. -**4.** Onze Minister stelt ten behoeve van de vast te stellen hoogte van de bijdragevergoedingen jaarlijks de onderlinge verhouding vast tussen de indicatoren, bedoeld in artikel 7.1, derde lid, onderdelen a, c, e, g en i, en artikel 7.1, vierde lid, onderdeel c, enerzijds en de indicatoren, bedoeld in artikel 7.1, derde lid, onderdelen b, d, f, h en j, en artikel 7.1, vierde lid, onderdelen d en e, anderzijds. - -**5.** Onze Minister stelt de bijdragevergoedingen vast aan de hand van de prijs, bedoeld in het tweede lid, de verhouding, bedoeld in het vierde lid, de hoogte van de eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet en een uitvalpercentage ter hoogte van 10%. - -**6.** Onze Minister maakt de hoogte van de voorschotvergoedingen en van de bijdragevergoedingen jaarlijks voor 15 september bekend. +**4.** Onze Minister maakt de hoogte van de voorschotvergoedingen en van de bijdragevergoedingen jaarlijks voor 15 september bekend. ### Artikel 7.8 @@ -1222,8 +1225,8 @@ nieuwe inburgeringsplichtigen: inburgeringsplichtigen als bedoeld in het besluit De rijksbijdrage voor een gemeente ten behoeve van nieuwe inburgeringsplichtigen wordt berekend op de grondslag van: -a. het aantal nieuwe inburgeringsplichtigen, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald; -b. het aantal in onderdeel a bedoelde nieuwe inburgeringsplichtigen dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen. +a. het aantal nieuwe inburgeringsplichtigen, ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening, een duale inburgeringsvoorziening of een taalkennisvoorziening als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de wet heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald; +b. het aantal in onderdeel a bedoelde nieuwe inburgeringsplichtigen dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen of het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c. ### Artikel 7.14 @@ -1239,25 +1242,29 @@ b. het aantal in onderdeel a bedoelde nieuwe inburgeringsplichtigen dat binnen d De rijksbijdrage voor een gemeente ten behoeve van de nieuwe inburgeringsplichtigen wordt berekend met de formule: -A = [ B x C ] + [ D x E] +A = [ B x C ] + [ D x E] + [F x G] + [H x I] waarin wordt voorgesteld: – met de letter A: de rijksbijdrage ten behoeve van nieuwe inburgeringsplichtigen; – met de letter B: het aantal nieuwe inburgeringsplichtigen ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald; – met de letter C: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de inburgeringsvoorziening ten behoeve van nieuwe inburgeringsplichtigen; -– met de letter D: het aantal in de letter B bedoelde nieuwe inburgeringsplichtigen dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen; -– met de letter E: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan het inburgeringsexamen. +– met de letter D: het aantal in de letter B bedoelde nieuwe inburgeringsplichtigen dat binnen drie kalenderjaren nadat voor hen de inburgeringsvoorziening is vastgesteld, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen of het examen, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel c; +– met de letter E: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan een van de examens, bedoeld in letter D; +– met de letter F: het aantal nieuwe inburgeringsplichtigen ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een duale inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald; +– met de letter G: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de duale inburgeringsvoorziening ten behoeve van nieuwe inburgeringsplichtigen; +– met de letter H: het aantal nieuwe inburgeringsplichtigen ten behoeve van wie het college voor de eerste keer een taalkennisvoorziening als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de wet heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald; +– met de letter I: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de taalkennisvoorziening ten behoeve van nieuwe inburgeringsplichtigen. -**2.** Het college verstrekt de gegevens, bedoeld in de letters B en D van het eerste lid, tezamen met de jaarrekening, bedoeld in artikel 186 van de Gemeentewet, welke betrekking heeft op het tweede jaar, volgend op het jaar waarop de prognose betrekking heeft. De jaarrekening is voorzien van de accountantsverklaring, bedoeld in artikel 213, derde lid, van de Gemeentewet. Het college vergewist zich ervan dat de gegevens zijn opgenomen in het Informatiesysteem Inburgering. +**2.** Het college verstrekt de gegevens, bedoeld in de letters B, D, F en H van het eerste lid, tezamen met de jaarrekening, bedoeld in artikel 186 van de Gemeentewet, welke betrekking heeft op het jaar 2011. De jaarrekening is voorzien van de accountantsverklaring, bedoeld in artikel 213, derde lid, van de Gemeentewet. Het college vergewist zich ervan dat de gegevens zijn opgenomen in het Informatiesysteem Inburgering. -**3.** Indien Onze Minister de gegevens en de accountantsverklaring niet voor 1 september van het derde jaar, volgend op het jaar waarop de prognose betrekking heeft, heeft ontvangen, stelt Onze Minister de rijksbijdrage vast op nul. +**3.** Indien Onze Minister de gegevens en de accountantsverklaring niet binnen zesentwintig weken na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 17b, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Financiële-verhoudingswet, heeft ontvangen, stelt Onze Minister de rijksbijdrage vast op nul. -**4.** Onze Minister stelt de rijksbijdrage ten behoeve van nieuwe inburgeringsplichtigen uiterlijk 1 oktober van het derde jaar volgend op het jaar waarop de prognose betrekking heeft, vast. +**4.** Onze Minister stelt de rijksbijdrage ten behoeve van nieuwe inburgeringsplichtigen uiterlijk dertig weken na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 17b, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de Financiële-verhoudingswet, vast. -**5.** De rijksbijdrage wordt vastgesteld onder voorbehoud van goedkeuring van de beschikbare middelen door de begrotingswetgever en kan worden verlaagd in verband met wijzigingen van de rijksbegroting voor het derde jaar volgend op het jaar waarop de prognose betrekking heeft. +**5.** De rijksbijdrage wordt vastgesteld onder voorbehoud van goedkeuring van de beschikbare middelen door de begrotingswetgever en kan worden verlaagd in verband met wijzigingen van de rijksbegroting voor het jaar 2012 dan wel het jaar 2013. -**6.** De rijksbijdrage wordt verrekend met het voorschot dat is verleend ten behoeve van het jaar waarop de prognose betrekking heeft. Het uit de verrekening resulterende positieve of negatieve saldo wordt uiterlijk zes maanden na de vaststelling ervan aan een gemeente betaald, waarbij Onze Minister kan besluiten tot verrekening met het eerstvolgende te verlenen voorschot. +**6.** De rijksbijdrage wordt verrekend met het voorschot dat is verleend ten behoeve van de jaren 2007 en 2008. Het uit de verrekening resulterende positieve of negatieve saldo wordt uiterlijk zes maanden na de vaststelling ervan aan een gemeente betaald. ### Artikel 7.16 @@ -1299,9 +1306,9 @@ Wijzigt het Besluit naturalisatietoets. ### Artikel 9.2 -**1.** In afwijking van de artikelen 3.80a en 3.103 van het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt de aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 niet afgewezen op de grond dat de vreemdeling het inburgeringexamen, bedoeld in artikel 13 van de wet, niet heeft behaald, indien de aanvraag is ingediend vóór 21 september 2008 en de vreemdeling op dat tijdstip drie jaar houder was van een verblijfsvergunning. +**1.** In afwijking van de artikelen 3.80a en 3.103 van het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt de aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 niet afgewezen op de grond dat de vreemdeling het inburgeringexamen, bedoeld in artikel 13 van de wet, niet heeft behaald, indien de aanvraag is ingediend vóór 1 januari 2010 en de vreemdeling op dat tijdstip drie jaar houder was van een verblijfsvergunning. -**2.** In afwijking van de artikelen 3.96a, 3.103 en 3.107a van het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in de artikelen 20 en 33 van de Vreemdelingenwet 2000 niet afgewezen op de grond dat de vreemdeling het inburgeringexamen, bedoeld in artikel 13 van de wet, niet heeft behaald, indien de aanvraag is ingediend vóór 21 september 2008 en de vreemdeling op dat tijdstip vijf jaar houder was van een verblijfsvergunning. +**2.** In afwijking van de artikelen 3.96a, 3.103 en 3.107a van het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in de artikelen 20 en 33 van de Vreemdelingenwet 2000 niet afgewezen op de grond dat de vreemdeling het inburgeringexamen, bedoeld in artikel 13 van de wet, niet heeft behaald, indien de aanvraag is ingediend vóór 1 januari 2010 en de vreemdeling op dat tijdstip vijf jaar houder was van een verblijfsvergunning. ### Artikel 9.3 @@ -1313,51 +1320,17 @@ Wijzigt het Besluit naturalisatietoets. ### Artikel 9.4 -**1.** In afwijking van de artikelen 7.3 en 7.7 stelt Onze Minister de te hanteren voorschotvergoedingen en het voorschot voor een gemeente met betrekking tot het jaar 2007 ambtshalve vast. - -**2.** Onze Minister maakt de hoogte van de voorschotvergoedingen en het voorschot, bedoeld in het eerste lid, vóór 26 februari 2007 bekend. +Vervallen ### Artikel 9.5 -**1.** - -In afwijking van artikel 7.5, eerste lid, wordt het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage ten behoeve van het jaar 2007 berekend met de formule: - -A – U – (V x W) = { [ ( B x C ) + ( D x E ) + ( F x G ) + ( H x I ) + ( J x K ) + ( L x M ) + ( N x O ) + ( P x Q ) + ( R x S ) ] x T }. - -**2.** - -In de formule, genoemd in het eerste lid, wordt voorgesteld: - -– met de letter A: het prestatie-afhankelijke deel van de rijksbijdrage; -– met de letter B: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald; -– met de letter C: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet; -– met de letter D: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald; -– met de letter E: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de gecombineerde inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de wet; -– met de letter F: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald; -– met de letter G: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel b, van de wet; -– met de letter H: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald; -– met de letter I: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet; -– met de letter J: het aantal inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet ten behoeve van wie het college in het jaar waarop de prognose betrekking heeft voor de eerste keer een gecombineerde inburgeringsvoorziening heeft vastgesteld en aan wie geen lening is verstrekt, hetzij ten behoeve van wie die lening in zijn geheel is terugbetaald; -– met de letter K: de bijdragevergoeding ten aanzien van de vaststelling van de gecombineerde inburgeringsvoorziening ten behoeve van inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, van de wet; -– met de letter L: het aantal in de letter B bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen twee jaren na het jaar waarop de prognose betrekking heeft, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen; -– met de letter M: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan het inburgeringsexamen, bedoeld in letter L; -– met de letter N: het aantal in de letter D bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen twee jaren na het jaar waarop de prognose betrekking heeft, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen; -– met de letter O: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan het inburgeringsexamen, bedoeld in letter N; -– met de letter P: het aantal in de letter F bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen twee jaren na het jaar waarop de prognose betrekking heeft, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen; -– met de letter Q: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan het inburgeringsexamen, bedoeld in letter P; -– met de letter R: het aantal in de letter H bedoelde inburgeringsplichtigen dat binnen twee jaren na het jaar waarop de prognose betrekking heeft, heeft deelgenomen aan het inburgeringsexamen; -– met de letter S: de bijdragevergoeding ten aanzien van de deelname aan het inburgeringsexamen, bedoeld in letter R; -– met de letter T: de door Onze Minister vast te stellen correctiefactor; -– met de letter U: het bedrag, bedoeld in artikel 9.3, derde lid; -– met de letter V: het aantal door het college in 2007 op grond van de Wet inburgering nieuwkomers genomen beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma; -– met de letter W: de door Onze Minister vast te stellen vergoeding met betrekking tot een inburgeringsprogramma als bedoeld in de letter V. +Vervallen ### Artikel 9.6 **1.** Onze Minister stelt ambtshalve een eenmalige rijksbijdrage vast, welke wordt verstrekt aan een gemeente, niet zijnde een gemeente, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid. -**2.** De eenmalige rijksbijdrage wordt berekend met behulp van de formule: A = [ B x C ] + [ D x E ] + [ F x G ] + [ H x I ] – [ ( J x { K x L } ) + ( M x { N x O } ) ]. +**2.** De eenmalige rijksbijdrage wordt berekend met behulp van de formule: A = [B x C] + [D x E]. **3.** @@ -1366,24 +1339,14 @@ In de formule, genoemd in het tweede lid, wordt voorgesteld: – met de letter A: de eenmalige rijksbijdrage; – met de letter B: het aantal door het college in 2006 op grond van de Wet inburgering nieuwkomers genomen beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma; – met de letter C: de door Onze Minister vast te stellen vergoeding met betrekking tot een inburgeringsprogramma als bedoeld in de letter B; -– met de letter D: het aantal door het college in 2006 ontvangen afschriften van door het bevoegd gezag van een instelling ingevolge de Wet inburgering nieuwkomers uitgereikte verklaringen als bedoeld in artikel 7.4.15, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, zoals dat artikel luidde op 31 december 2006; -– met de letter E: de door Onze Minister vast te stellen vergoeding met betrekking tot een verklaring als bedoeld in de letter D; -– met de letter F: het aantal door het college in 2007 op grond van de Wet inburgering nieuwkomers genomen beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma; -– met de letter G: de door Onze Minister vast te stellen vergoeding met betrekking tot een inburgeringsprogramma als bedoeld in de letter F; -– met de letter H: het aantal door het college in 2007 en 2008 ontvangen afschriften van door het bevoegd gezag van een instelling ingevolge de Wet inburgering nieuwkomers uitgereikte verklaringen als bedoeld in artikel 7.4.15, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, zoals dat artikel luidde op 31 december 2006; -– met de letter I: de door Onze Minister vast te stellen vergoeding met betrekking tot een verklaring als bedoeld in de letter H; -– met de letter J: de door Onze Minister vast te stellen correctiefactor; -– met de letter K: het aantal door het college in 2006 ontvangen afschriften van door het bevoegd gezag van een instelling uitgereikte verklaringen als bedoeld in artikel 7.4.15, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, zoals dat artikel luidde op 31 december 2006; -– met de letter L: de door Onze Minister vast te stellen vergoeding met betrekking tot een verklaring als bedoeld in de letter K; -– met de letter M: de door Onze Minister vast te stellen correctiefactor; -– met de letter N: het aantal door het college in 2005 ontvangen afschriften van door het bevoegd gezag van een instelling uitgereikte verklaringen als bedoeld in artikel 7.4.15, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, zoals dat artikel luidde op 31 december 2006; -– met de letter O: de door Onze Minister vast te stellen vergoeding met betrekking tot een verklaring als bedoeld in de letter N. +– met de letter D: het aantal door het college in 2006, 2007 en 2008 ontvangen afschriften, welke betrekking hebben op in 2006 aangevangen inburgeringsprogramma’s, van door het bevoegd gezag van een instelling ingevolge de Wet inburgering nieuwkomers uitgereikte verklaringen als bedoeld in artikel 7.4.15, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, zoals dat artikel luidde op 31 december 2006; +– met de letter E: de door Onze Minister vast te stellen vergoeding met betrekking tot een verklaring als bedoeld in de letter D. **4.** Het college dient voor 1 april 2009 een schriftelijk verslag in over de activiteiten welke met betrekking tot de inburgering van nieuwkomers in 2007 en 2008 zijn verricht. -**5.** Het college verstrekt de gegevens, bedoeld in het derde lid, letters B, D, F, H, K en N, tezamen met de jaarrekening, bedoeld in artikel 186 van de Gemeentewet, welke betrekking heeft op het jaar 2008. De jaarrekening is voorzien van een accountantsverklaring, bedoeld in artikel 213, derde lid, van de Gemeentewet. +**5.** Het college verstrekt de gegevens, bedoeld in het derde lid, letters B en D, tezamen met de jaarrekening, bedoeld in artikel 186 van de Gemeentewet, welke betrekking heeft op het jaar 2008. De jaarrekening is voorzien van een accountantsverklaring, bedoeld in artikel 213, derde lid, van de Gemeentewet. -**6.** Indien Onze Minister de gegevens en de accountantsverklaring niet voor 1 september 2009 heeft ontvangen, stelt Onze Minister de hoogte van de letters B, D, F, H, K en N in de formule, genoemd in het derde lid, vast op nul. +**6.** Indien Onze Minister de gegevens en de accountantsverklaring niet voor 1 september 2009 heeft ontvangen, stelt Onze Minister de hoogte van de letters B en D in de formule, genoemd in het derde lid, vast op nul. **7.** Onze Minister stelt de in het eerste lid bedoelde eenmalige rijksbijdrage vast voor 1 oktober 2009. @@ -1395,7 +1358,7 @@ In de formule, genoemd in het tweede lid, wordt voorgesteld: ### Artikel 9.7 -Wijzigt de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer (Kst. 30312). +Vervallen ### Afdeling 2. Slotbepalingen