diff --git a/amvb/besluit-natuurbescherming/BWBR0038662/README.md b/amvb/besluit-natuurbescherming/BWBR0038662/README.md index 6c163750660..f1f3b7260fd 100644 --- a/amvb/besluit-natuurbescherming/BWBR0038662/README.md +++ b/amvb/besluit-natuurbescherming/BWBR0038662/README.md @@ -88,9 +88,10 @@ c. 4.2, eerste, tweede en derde lid, 4.3, derde lid, en 4.5, eerste, derde en vi Als categorieën van handelingen als bedoeld in artikel 1.3, vijfde lid, onderdeel a, van de wet worden aangewezen: a. het vervoeren van zieke of gewonde dieren in een dierenambulance; -b. het zich toe-eigenen en onder zich hebben van een dood uit het wild afkomstig dier, dat buiten schuld of medeweten is gestorven van degene die zich het dier toe-eigent, met het oog op het prepareren ervan. +b. het zich toe-eigenen en onder zich hebben van een dood uit het wild afkomstig dier, dat buiten schuld of medeweten is gestorven van degene die zich het dier toe-eigent, met het oog op het prepareren ervan; +c. het onder zich hebben van een geprepareerd uit het wild afkomstig dier. -**2.** Het eerste lid is uitsluitend van toepassing ten aanzien van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 3.3, eerste en tweede lid, en 3.8, eerste en tweede lid, van de wet. +**2.** Het eerste lid is uitsluitend van toepassing ten aanzien van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 3.3, eerste en tweede lid, 3.8, eerste en tweede lid, en 3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, eerste en tweede lid, van de wet. **3.** Onder «dierenambulance» wordt in het eerste lid, onderdeel a, verstaan: motorvoertuig, ingericht en bestemd om te worden gebruikt voor het vervoer van zieke of gewonde dieren. @@ -356,7 +357,7 @@ c. projecten en andere handelingen voor zover deze stikstofdepositie veroorzaken Gedurende het tijdvak waarvoor een op grond van artikel 2.1 vastgesteld programma geldt, betrekt het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit over verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wet, of op grond van artikel 6.10a, eerste en tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht bevoegd is te verklaren geen bedenkingen tegen de verlening van een omgevingsvergunning te hebben, bij het nemen van dat besluit, onderscheidenlijk het geven van de verklaring van geen bedenkingen niet de stikstofdepositie die het project of de andere handeling veroorzaakt op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied, indien: -a. de stikstofdepositie de in artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, onderscheidenlijk tweede of vierde lid, genoemde waarde niet overschrijdt, of, +a. het project of de andere handeling ten aanzien van de stikstofdepositie voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 1°, in samenhang met artikel 2.12, tweede, vierde, zesde en zevende lid, of b. ingeval het project of de andere handeling betrekking heeft op een hoofdweg of hoofdvaarweg als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, dat project of die handeling wordt gerealiseerd, onderscheidenlijk wordt verricht op een grotere afstand dan de in dat onderdeel genoemde, op de hoofdweg of hoofdvaarweg betrekking hebbende afstand. ### Artikel 2.14 @@ -421,7 +422,7 @@ c. hij een bij ministeriële regeling aangewezen rechtspersoonlijkheid bezittend De toestemming, bedoeld in artikel 3.20, vierde lid, van de wet: a. is voorzien van een aantekening van de korpschef, waaruit blijkt dat het jachtveld waarop de jacht wordt uitgeoefend, voldoet aan artikel 3.12, voor zover bij de uitoefening van de jacht gebruik wordt gemaakt van een geweer; -b. is voorzien van de namen van degenen aan wie de toestemming wordt verleend, en ingeval de toestemming wordt gegeven aan natuurlijke personen, hun voornamen en geboortedata, en +b. is voorzien van de namen, voornamen en geboortedata van degenen aan wie de toestemming wordt verleend, en c. heeft een geldigheidsduur die uiterlijk verstrijkt op 31 maart volgende op de datum van ondertekening van de toestemming. **2.** Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing indien de toestemming wordt verleend aan de jachtopzichter. @@ -527,9 +528,9 @@ Als methoden als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, onderdeel a, van de wet wor a. het doden met gebruikmaking van middelen die krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn toegelaten of vrijgesteld, met inbegrip van de gebruikmaking van alle middelen of installaties die noodzakelijk zijn om die middelen toe te passen; b. het vangen door middel van bijeendrijven, waaronder in elk geval wordt begrepen het gebruik van de vangkraal in combinatie met een middel als bedoeld in onderdeel a; -c. het vangen met gebruikmaking van lokvogels; -d. het vangen met gebruikmaking van een middel waarmee lokgeluiden kunnen worden gemaakt; -e. het vangen of doden met gebruikmaking van een geweer, waarbij wordt gehandeld in afwijking van de regels, gesteld in de artikelen 3.12, 3.13, 3.14, 3.15 of 3.16, inzake: +c. het vangen of doden met gebruikmaking van lokvogels; +d. het vangen of doden met gebruikmaking van een middel waarmee lokgeluiden kunnen worden gemaakt; +e. het doden met gebruikmaking van een geweer, waarbij wordt gehandeld in afwijking van de regels, gesteld in de artikelen 3.12, 3.13, 3.14, 3.15 of 3.16, inzake: 1°. de omvang van het jachtveld, 2°. het gebruik van middelen op, aan of bij het geweer, zoals een geluiddemper, een kunstmatige lichtbron, een voorziening om de prooi te verlichten, een vizier met beeldomzetter, een elektronische beeldversterker of enig ander instrument om in de nacht te schieten, @@ -542,7 +543,7 @@ e. het vangen of doden met gebruikmaking van een geweer, waarbij wordt gehandeld – vanaf of vanuit een rijdend motorrijtuig dan wel een ander voertuig, of – vanuit een luchtvaartuig; f. het doden door middel van cervicale dislocatie, en -g. het vangen met gebruikmaking van lokvoer. +g. het vangen of doden met gebruikmaking van lokvoer. **3.** @@ -551,7 +552,7 @@ Als middelen, onderscheidenlijk methoden als bedoeld in artikel 3.4, vierde lid, a. eendenkooien die worden gebruikt anders dan ten behoeve van de uitoefening van de jacht; b. bal-chatri; c. doden met gebruikmaking van middelen die krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn toegelaten of vrijgesteld; -d. het vangen of doden met gebruikmaking van een middel waarmee lokgeluiden kunnen worden gemaakt, en +d. het vangen of doden met gebruikmaking van een middel waarmee elektronisch versterkte lokgeluiden kunnen worden gemaakt, en e. het vangen of doden met gebruikmaking van een geweer, voorzien van een geluiddemper. **4.** @@ -659,7 +660,7 @@ c. delen van gronden die van elkaar worden gescheiden door een autosnelweg als b Met betrekking tot dieren van de hierna genoemde soorten worden, onverminderd de artikelen 3.13, tweede, derde en vierde lid, en 3.14, derde lid, uitsluitend de volgende geweren en munitie gebruikt: a. reeën: geweren met ten minste één getrokken loop en kogelpatronen voor getrokken loop waarvan de trefenergie ten minste 980 Joule op 100 meter afstand van de loopmond bedraagt; -b. edelherten, damherten en wilde zwijnen: geweren met ten minste één getrokken loop en kogelpatronen voor getrokken loop waarvan de trefenergie ten minste 2.200 Joule op 100 meter afstand van de loopmond bedraagt. +b. edelherten, damherten en wilde zwijnen: geweren met ten minste één getrokken loop en kogelpatronen van een kaliber van ten minste 6,5 millimeter voor getrokken loop waarvan de trefenergie ten minste 2.200 Joule op 100 meter afstand van de loopmond bedraagt. **2.** @@ -828,7 +829,13 @@ De eigenaar van een eendenkooi gebruikt voor de afpaling van de eendenkooi, bedo **3.** Het is verboden dieren of planten van de soorten, genoemd in bijlage C of D bij de CITES-basisverordening, producten of eieren van deze dieren, of producten van deze planten te verhandelen. -**4.** Het tweede lid en derde lid zijn niet van toepassing op dieren en planten van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage I of II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, niet zijnde soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. +**4.** + +Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op: + +a. dieren en planten van de soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn; +b. dieren en planten van de soorten, genoemd in bijlage I of II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, niet zijnde soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, en +c. uit het wild afkomstige vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. ### Artikel 3.25 @@ -863,8 +870,8 @@ c. de wijze waarop een merkteken wordt aangevraagd. Degene die een levend gefokt dier of een levende gekweekte plant onder zich heeft, houdt een administratie bij met betrekking tot dat dier of die plant, indien het dier of de plant behoort tot: -a. de soorten genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn; -b. de soorten, genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening, met uitzondering van de in bijlage VIII bij de CITES-uitvoeringsverordening genoemde diersoorten en de hybriden daarvan; +a. de soorten genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, met uitzondering van vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn; +b. de soorten, genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening, met uitzondering van de in bijlage X bij de CITES-uitvoeringsverordening genoemde diersoorten en de hybriden daarvan; c. de diersoorten, genoemd in bijlage B bij de CITES-basisverordening, met uitzondering van: 1°. gefokte vogels, die van een gesloten pootring zijn voorzien, en @@ -881,6 +888,8 @@ c. de bewaartermijn van de administratie. **3.** Degene die een administratie als bedoeld in het eerste lid bijhoudt, verschaft desgevraagd inzage in die administratie aan in en op grond van artikel 7.1 van de wet aangewezen ambtenaren. +**4.** Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op degene die een uit het wild afkomstig levend dier van een soort, genoemd in bijlage B bij de CITES-basisverordening, onder zich heeft. + ### Artikel 3.28 **1.** Een ieder die een vogel van een soort als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn of genoemd in bijlage A bij de CITES-basisverordening fokt, voorziet de vogel van een gesloten pootring. @@ -907,7 +916,7 @@ b. de aangewezen organisaties informatie verstrekken aan Onze Minister op een bi ### Artikel 3.29 -Het is verboden dieren, planten, producten, nesten of eieren van dieren of producten van planten van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, of genoemd in bijlage A, B, C, of D van de CITES-basisverordening op andere plaatsen dan bij ministeriële regeling aangewezen douanekantoren Nederland binnen of buiten te brengen. +Het is verboden dieren, planten, producten, nesten of eieren van dieren of producten van planten van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, of genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern, bijlage I bij het Verdrag van Bonn of bijlage A, B, C, of D van de CITES-basisverordening op andere plaatsen dan bij ministeriële regeling aangewezen douanekantoren Nederland binnen of buiten te brengen. #### Paragraaf 3.4.4. Aanwijzing EU-wetgeving