2018-01-01 | BWBR0035733 | Uitvoeringsbesluit Wmo 2015
This commit is contained in:
parent
320ea827c8
commit
145c8b4180
1 changed files with 42 additions and 21 deletions
|
|
@ -75,7 +75,7 @@ b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting ingevolge d
|
|||
Het vermogen van een persoon is zijn vermogensgrondslag, bedoeld in het tweede of derde lid, waarvan de volgende vermogensbestanddelen worden afgetrokken:
|
||||
|
||||
a. op aanvraag van de persoon, het bedrag ter grootte van door de persoon in het peiljaar of enig eerder jaar ontvangen eenmalige uitkeringen die krachtens artikel 47 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen zijn aangewezen;
|
||||
b. voor de toepassing van artikel 3.13, eerste lid, onderdeel c, en artikel 3.14, eerste lid, een bedrag van € 10.090 voor de persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt en van € 10.090 voor zijn echtgenoot die:
|
||||
b. voor de toepassing van artikel 3.13, eerste lid, onderdeel c, en artikel 3.14, eerste lid, een bedrag van € 10.141 voor de persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt en van € 10.141 voor zijn echtgenoot die:
|
||||
|
||||
1°. de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt; of
|
||||
2°. de pensioengerechtigde leeftijd niet heeft bereikt en geen bijdrage als bedoeld in artikel 3.11, eerste lid, of artikel 3.12, eerste en tweede lid, dan wel artikel 3.3.2.1, eerste lid, of artikel 3.3.2.2, eerste en tweede lid, van het Besluit langdurige zorg verschuldigd is,
|
||||
|
|
@ -124,10 +124,12 @@ met dien verstande dat het vermogen ten minste nihil bedraagt.
|
|||
|
||||
**1.** Bij ministeriële regeling worden de bedragen, genoemd in de artikelen 3.8, eerste lid, voor zover het betreft de in dat lid genoemde bedragen per bijdrageperiode, 3.9, tweede en vierde lid, 3.11, tweede lid, 3.12, derde lid, en artikel 3.14, tweede en vierde lid, jaarlijks gewijzigd aan de hand van de prijsindex voor de gezinsconsumptie. De berekende bedragen worden naar beneden afgerond op een veelvoud van € 0,2. Bij de jaarlijkse toepassing van dit lid wordt de afronding buiten beschouwing gelaten.
|
||||
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling wordt het bedrag, genoemd in artikel 3.2, eerste lid, onderdeel b, jaarlijks gewijzigd aan de hand van het indexcijfer waarmee het bedrag, genoemd in artikel 5.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001, jaarlijks wordt gewijzigd.
|
||||
**2.** Bij ministeriële regeling worden de bedragen, genoemd in de artikelen 3.2, eerste lid, onderdeel b, 3.9a, eerste lid, 3.13, eerste lid, onderdeel b, onder 4°, en 3.14a, eerste lid, jaarlijks gewijzigd aan de hand van het indexcijfer waarmee het bedrag, genoemd in artikel 5.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001, jaarlijks wordt gewijzigd.
|
||||
|
||||
**3.** Bij ministeriële regeling worden de bedragen van het bijdrageplichtig inkomen, genoemd in 3.8, eerste lid, jaarlijks gewijzigd aan de hand van de ontwikkelingen van het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.
|
||||
|
||||
**4.** Bij ministeriële regeling als bedoeld in het eerste tot en met derde lid, worden de bedragen voor de toepassing van de artikelen 3.9, tweede en vierde lid, 3.13, eerste lid, onderdeel b, tweede en vierde lid, 3.14, tweede en vierde lid, 3.15, eerste en tweede lid, en 3.16, eerste lid, afzonderlijk vastgesteld voor zowel het peiljaar als het lopende kalenderjaar.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Bijdragen voor maatschappelijke ondersteuning
|
||||
|
||||
### Artikel 3.8
|
||||
|
|
@ -136,12 +138,12 @@ met dien verstande dat het vermogen ten minste nihil bedraagt.
|
|||
|
||||
De bijdrage, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, dan wel het totaal van deze bijdragen bedraagt:
|
||||
|
||||
a. voor de ongehuwde cliënt, niet meer dan € 17,50 per bijdrageperiode met dien verstande dat dit bedrag, indien zijn bijdrageplichtig inkomen, berekend volgens artikel 3.9:
|
||||
a. voor de ongehuwde cliënt, niet meer dan € 17,60 per bijdrageperiode met dien verstande dat dit bedrag, indien zijn bijdrageplichtig inkomen, berekend volgens artikel 3.9:
|
||||
|
||||
1° meer bedraagt dan € 22.632 en hij de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, wordt verhoogd met een dertiende deel van 12,5% van het verschil tussen dat inkomen en € 22.632;
|
||||
2° meer bedraagt dan € 17.033 en hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, wordt verhoogd met een dertiende deel van 12,5% van het verschil tussen dat inkomen en € 17.033;
|
||||
b. voor de gehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, waarvan een van beiden of beiden de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt of nog niet hebben bereikt, een dertiende deel van 12,5% van het verschil tussen het gezamenlijke bijdrageplichtig inkomen, berekend volgens artikel 3.9, en € 35.000, indien dat gezamenlijke inkomen meer bedraagt dan € 35.000;
|
||||
c. voor de gehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, waarvan beiden de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, niet meer dan € 17,50 per bijdrageperiode, met dien verstande dat dit bedrag, indien het gezamenlijke bijdrageplichtig inkomen berekend volgens artikel 3.9 meer bedraagt dan € 23.525, wordt verhoogd met een dertiende deel van 12,5% van het verschil tussen dat gezamenlijke inkomen en € 23.525.
|
||||
1° meer bedraagt dan € 22.873 en hij de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, wordt verhoogd met een dertiende deel van 12,5% van het verschil tussen dat inkomen en € 22.873;
|
||||
2° meer bedraagt dan € 17.474 en hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, wordt verhoogd met een dertiende deel van 12,5% van het verschil tussen dat inkomen en € 17.474;
|
||||
b. voor de gehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, waarvan een van beiden of beiden de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt of nog niet hebben bereikt, een dertiende deel van 12,5% van het verschil tussen het gezamenlijke bijdrageplichtig inkomen, berekend volgens artikel 3.9, en € 35.175, indien dat gezamenlijke inkomen meer bedraagt dan € 35.175;
|
||||
c. voor de gehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, waarvan beiden de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, niet meer dan € 17,60 per bijdrageperiode, met dien verstande dat dit bedrag, indien het gezamenlijke bijdrageplichtig inkomen berekend volgens artikel 3.9 meer bedraagt dan € 24.128, wordt verhoogd met een dertiende deel van 12,5% van het verschil tussen dat gezamenlijke inkomen en € 24.128.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -163,23 +165,36 @@ a. indien de cliënt of de echtgenoot van de cliënt een bijdrage als bedoeld in
|
|||
b. indien de cliënt of zijn echtgenoot gedurende twee of meer nachten aaneengesloten in de bijdrageperiode in een instelling voor opvang verblijft;
|
||||
c. indien het college, na advies van een instelling voor algemeen maatschappelijk werk, de Raad voor de Kinderbescherming of het AMHK, van oordeel is dat de verschuldigdheid van de bijdrage kan leiden tot mishandeling, verwaarlozing of ernstige schade voor de opvoeding en ontwikkeling van een minderjarige door de ouder, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet;
|
||||
d. voor een rolstoel;
|
||||
e. voor een cliënt die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, met uitzondering van een woningaanpassing.
|
||||
e. voor een cliënt die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, met uitzondering van een woningaanpassing;
|
||||
f. indien het college van oordeel is dat er voor de vast te stellen bijdrage onvoldoende betalingscapaciteit aanwezig is bij de cliënt;
|
||||
g. indien het college van oordeel is dat de verschuldigdheid van de bijdrage nadelige gevolgen heeft voor de doelstellingen van een integrale dienstverlening of persoonsgerichte aanpak van een cliënt die gericht is op het zich kunnen handhaven in de samenleving, het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving blijven of de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente.
|
||||
|
||||
**5.** Het college geeft onmiddellijk voor het toepassen van het vierde lid, onderdelen c, f en g, bij het CAK aan over hoeveel bijdrageperioden als bedoeld in het derde lid geen bijdrage verschuldigd is. De ingangsdatum van de bijdrageperiode waarover geen bijdrage verschuldigd is, wordt niet gesteld op een datum die is gelegen voor de dag waarop het oordeel van het college als bedoeld in het vierde lid, de onderdelen f en g, aan het CAK kenbaar is gemaakt. Een herziening van de periode waarover geen bijdrage verschuldigd is heeft geen betrekking op de perioden die liggen voor de ingangsdatum van de eerste bijdrageperiode waarover geen bijdrage is verschuldigd.
|
||||
|
||||
**6.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de betalingscapaciteit, bedoeld in het vierde lid, onderdeel f, door het college wordt beoordeeld.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.9
|
||||
|
||||
**1.** Het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, bedraagt het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde cliënt, onderscheidenlijk van de gehuwde cliënten tezamen, vermeerderd met 8% van het vermogen van de ongehuwde cliënt, onderscheidenlijk 8% van de opgetelde vermogens van de gehuwde cliënten.
|
||||
|
||||
**2.** Op aanvraag van de cliënt stelt het CAK in afwijking van het eerste lid, het bijdrageplichtig inkomen voorlopig vast op basis van het redelijkerwijs gedurende het lopende kalenderjaar te verwachten inkomen en 8% van het te verwachten vermogen in het lopende jaar, indien het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar ten minste € 2.571 lager zal zijn dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
**2.** Op aanvraag van de cliënt stelt het CAK in afwijking van het eerste lid, het bijdrageplichtig inkomen voorlopig vast op basis van het redelijkerwijs gedurende het lopende kalenderjaar te verwachten inkomen en 8% van het te verwachten vermogen in het lopende jaar, indien het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar ten minste € 2.593 lager zal zijn dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
**3.** De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, wordt gedaan uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft of uiterlijk drie maanden na de datum waarop de bijdrage, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld.
|
||||
|
||||
**4.** Indien het tweede lid is toegepast, vindt na afloop van het jaar en na ontvangst van definitieve inkomens- en vermogensgegevens definitieve vaststelling plaats. Indien daarbij blijkt dat het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar minder dan € 2.571 lager is geweest dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid, vindt definitieve vaststelling plaats overeenkomstig het eerste lid.
|
||||
**4.** Indien het tweede lid is toegepast, vindt na afloop van het jaar en na ontvangst van definitieve inkomens- en vermogensgegevens definitieve vaststelling plaats. Indien daarbij blijkt dat het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar minder dan € 2.593 lager is geweest dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid, vindt definitieve vaststelling plaats overeenkomstig het eerste lid.
|
||||
|
||||
**5.** Inkomen dat in het buitenland wordt belast, dan wel is vrijgesteld van belasting op grond van bepalingen van internationaal recht, wordt mede in aanmerking genomen als ware dit aan de Nederlandse belastingwetgeving onderworpen. Op aanvraag van de cliënt wordt daarop de in het buitenland verschuldigde belasting in mindering gebracht.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.9a
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 3.9, eerste lid, bestaat het bijdrageplichtig inkomen voor de berekening van de bijdrage, bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, uit het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde cliënt, onderscheidenlijk van de gehuwde cliënten tezamen, verminderd met:
|
||||
|
||||
a. een bedrag van 12% van het vermogen over het peiljaar van de cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, tot een maximum van € 2.700, indien zijn inkomen, verminderd met 4% van zijn vermogen, minder dan € 20.075 bedraagt, en
|
||||
b. een bedrag van 12% van het vermogen over het peiljaar van zijn echtgenoot die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, tot een maximum van € 2.700, indien zijn inkomen, verminderd met 4% van dat vermogen, minder dan € 20.075 bedraagt.
|
||||
|
||||
**2.** De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, wordt vermeerderd met 8% van het vermogen van de ongehuwde cliënt, onderscheidenlijk 8% van de opgetelde vermogens van de gehuwde cliënten.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.10
|
||||
|
||||
|
|
@ -203,7 +218,7 @@ a. de ongehuwde cliënt die in een instelling voor beschermd wonen verblijft;
|
|||
b. de gehuwde cliënten tezamen die beiden in een instelling voor beschermd wonen verblijven;
|
||||
c. de gehuwde cliënt wiens echtgenoot een bijdrage ingevolge artikel 3.3.2.1 van het Besluit langdurige zorg verschuldigd is.
|
||||
|
||||
**2.** De bijdrage, bedoeld in het eerste lid, bedraagt niet meer dan € 2.312,60 per maand.
|
||||
**2.** De bijdrage, bedoeld in het eerste lid, bedraagt niet meer dan € 2.332,60 per maand.
|
||||
|
||||
**3.** In het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, zijn de cliënt en zijn echtgenoot tezamen slechts eenmaal de bijdrage, berekend overeenkomstig het eerste en tweede lid, verschuldigd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -211,7 +226,7 @@ c. de gehuwde cliënt wiens echtgenoot een bijdrage ingevolge artikel 3.3.2.1 va
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 3.11 bedraagt een bijdrage per maand een twaalfde gedeelte van 12,5% van het bijdrageplichtig inkomen, berekend volgens artikel 3.14, voor:
|
||||
In afwijking van artikel 3.11 bedraagt een bijdrage per maand een twaalfde gedeelte van 10% van het bijdrageplichtig inkomen, berekend volgens artikel 3.14, voor:
|
||||
|
||||
a. de ongehuwde cliënt gedurende de eerste zes maanden van verblijf in een instelling voor beschermd wonen;
|
||||
b. de gehuwde cliënten tezamen, zolang niet ten aanzien van elk van hen een periode van zes maanden is verstreken, tezamen;
|
||||
|
|
@ -220,13 +235,13 @@ d. de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen indien het college het w
|
|||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De bijdrage bedraagt voorts per maand een twaalfde gedeelte van 12,5% van het bijdrageplichtig inkomen, berekend volgens artikel 3.14, voor:
|
||||
De bijdrage bedraagt voorts per maand een twaalfde gedeelte van 10% van het bijdrageplichtig inkomen, berekend volgens artikel 3.14, voor:
|
||||
|
||||
a. de gehuwde cliënt die in een instelling voor beschermd wonen verblijft en wiens echtgenoot geen maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget ontvangt;
|
||||
b. de gehuwde cliënten tezamen van wie één in een instelling voor beschermd wonen verblijft en wiens echtgenoot een persoonsgebonden budget of een andere maatwerkvoorziening ontvangt;
|
||||
c. de gehuwde cliënt die in een instelling voor beschermd wonen verblijft en wiens echtgenoot zorg ontvangt als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, van de Wet langdurige zorg, voor zover het zorg met verblijf in een instelling, een volledig pakket thuis, een modulair pakket thuis of een persoonsgebonden budget betreft, met dien verstande dat de cliënt en zijn echtgenoot tezamen de bijdrage slechts eenmaal verschuldigd zijn.
|
||||
|
||||
**3.** De bijdrage voor beschermd wonen, bedoeld in het eerste en tweede lid, bedraagt ten minste € 160,60 en niet meer dan € 842,80 per maand.
|
||||
**3.** De bijdrage voor beschermd wonen, bedoeld in het eerste en tweede lid, bedraagt ten minste € 161,80 en niet meer dan € 850,00 per maand.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -252,6 +267,7 @@ b. op het met toepassing van onderdeel a berekende bedrag worden in mindering ge
|
|||
1°. 15% van de netto-opbrengst van in het voorafgaande kalenderjaar verrichte arbeid, van een loon- of salarisdoorbetaling wegens ziekte of van een uitkering op grond van de Ziektewet dan wel, indien dit onbekend of niet beschikbaar is, 15% van de redelijkerwijs te verwachten netto-opbrengst van in het lopende kalenderjaar verrichte arbeid, van een loon- of salarisdoorbetaling wegens ziekte of van een uitkering op grond van de Ziektewet;
|
||||
2°. het in het peiljaar geldende zak- en kleedgeld, premies voor een zorgverzekering gecorrigeerd voor de zorgtoeslag, een aftrekpost die verschillend kan zijn voor een cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en een cliënt die die leeftijd nog niet heeft bereikt of extra vrijlatingen, een en ander volgens bij ministeriële regeling te bepalen regels;
|
||||
3°. op aanvraag van de cliënt, de in het peiljaar geldende uitkering op grond van artikel 14 van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 of op grond van artikel 20 van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945;
|
||||
4°. een bedrag van 12% van zijn vermogen, bedoeld in artikel 3.2, over het peiljaar, tot een maximum van € 2.700, voor de cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt indien zijn inkomen, verminderd met 4% van dat vermogen, minder dan € 20.075 bedraagt en een bedrag van 12% van het vermogen, tot een maximum van € 2.700, over het peiljaar voor zijn echtgenoot die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt indien het inkomen van de echtgenoot, verminderd met 4% van het vermogen, minder dan € 20.075 bedraagt;
|
||||
c. het met toepassing van onderdeel b berekende bedrag wordt vermeerderd met 8% van het vermogen van de ongehuwde cliënt, onderscheidenlijk 8% van de opgetelde vermogens van de gehuwde cliënten.
|
||||
|
||||
**2.** Op aanvraag van de cliënt stelt het CAK, in afwijking van het eerste lid, onderdelen a en c, het bijdrageplichtig inkomen voorlopig vast op basis van het redelijkerwijs gedurende het lopende kalenderjaar te verwachten inkomen, 8% van het te verwachten vermogen, en de over dat kalenderjaar te verwachten belasting indien toepassing van het eerste lid, onderdelen a en c, ertoe zou leiden dat na afdracht van de bijdrage maandelijks gemiddeld minder over zou blijven dan het zak- en kleedgeld, zoals dat geldt in het lopende kalenderjaar, alsmede een bedrag in verband met de standaardpremie, vermeerderd met de inkomensafhankelijke premie Zorgverzekeringswet, bedoeld in artikel 43, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet, en verminderd met de zorgtoeslag, zoals deze bedragen gelden in het lopende kalenderjaar. Het aldus berekende bijdrageplichtig inkomen wordt, om de per maand verschuldigde bijdrage vast te stellen, gedeeld door twaalf.
|
||||
|
|
@ -266,17 +282,24 @@ c. het met toepassing van onderdeel b berekende bedrag wordt vermeerderd met 8%
|
|||
|
||||
**1.** Voor de berekening van de bijdrage, bedoeld in artikel 3.12, eerste en tweede lid, bestaat het bijdrageplichtig inkomen uit het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde cliënt, onderscheidenlijk van de gehuwde cliënten tezamen, vermeerderd met 8% van het vermogen van de ongehuwde cliënt, onderscheidenlijk 8% van de opgetelde vermogens van de gehuwde cliënten.
|
||||
|
||||
**2.** Op aanvraag van de cliënt stelt het CAK, in afwijking van het eerste lid, het bijdrageplichtig inkomen voorlopig vast op grond van het inkomen en het vermogen van het lopende jaar, indien redelijkerwijs te verwachten is dat het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar ten minste € 2.571 lager zal zijn dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid, dan wel indien de verzekerde algemene bijstand op grond van de Participatiewet ontvangt.
|
||||
**2.** Op aanvraag van de cliënt stelt het CAK, in afwijking van het eerste lid, het bijdrageplichtig inkomen voorlopig vast op grond van het inkomen en het vermogen van het lopende jaar, indien redelijkerwijs te verwachten is dat het bijdrageplichtig inkomen in het lopende jaar ten minste € 2.593 lager zal zijn dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid, dan wel indien de verzekerde algemene bijstand op grond van de Participatiewet ontvangt.
|
||||
|
||||
**3.** De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, wordt gedaan uiterlijk drie maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft of uiterlijk drie maanden na de datum waarop de bijdrage, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld.
|
||||
|
||||
**4.** Indien het tweede lid is toegepast, vindt na afloop van het jaar en na ontvangst van de definitieve inkomens- en vermogensgegevens definitieve vaststelling plaats. Indien daarbij blijkt dat het bijdrageplichtig inkomen over het lopende jaar minder dan € 2.571 lager is geweest dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid, vindt definitieve vaststelling plaats overeenkomstig het eerste lid.
|
||||
**4.** Indien het tweede lid is toegepast, vindt na afloop van het jaar en na ontvangst van de definitieve inkomens- en vermogensgegevens definitieve vaststelling plaats. Indien daarbij blijkt dat het bijdrageplichtig inkomen over het lopende jaar minder dan € 2.593 lager is geweest dan het bijdrageplichtig inkomen, bedoeld in het eerste lid, vindt definitieve vaststelling plaats overeenkomstig het eerste lid.
|
||||
|
||||
**5.** Inkomen dat buiten Nederland wordt belast, dan wel is vrijgesteld van belasting op grond van bepalingen van internationaal recht, wordt mede in aanmerking genomen als ware dit aan de Nederlandse belastingwetgeving onderworpen. Op aanvraag van de cliënt wordt daarop de in het buitenland verschuldigde belasting in mindering gebracht.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.14a
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 3.14, eerste lid, bestaat het bijdrageplichtig inkomen voor de berekening van de bijdrage, bedoeld in artikel 3.12, eerste en tweede lid, uit het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde cliënt, onderscheidenlijk van de gehuwde cliënten tezamen, verminderd met:
|
||||
|
||||
a. een bedrag van 12% van zijn vermogen over het peiljaar van de cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, tot een maximum van € 2.700, indien zijn inkomen, verminderd met 4% van zijn vermogen, minder dan € 20.075 bedraagt, en
|
||||
b. een bedrag van 12% van het vermogen over het peiljaar van zijn echtgenoot die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, tot een maximum van € 2.700, indien zijn inkomen, verminderd met 4% van dat vermogen, minder dan € 20.075 bedraagt.
|
||||
|
||||
**2.** De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, wordt vermeerderd met 8% van het vermogen van de ongehuwde cliënt, onderscheidenlijk 8% van de opgetelde vermogens van de gehuwde cliënten.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.15
|
||||
|
||||
|
|
@ -626,9 +649,7 @@ Na inwerkingtreding van de wet berust het Besluit verplichte meldcode huiselijk
|
|||
|
||||
### Artikel 7.4
|
||||
|
||||
**1.** Op aanvraag van de cliënt wordt, onverminderd artikel 3.13, eerste lid, onderdeel b, op het met toepassing van het eerste lid, onderdeel a, van dat artikel berekende bedrag de in het peiljaar geldende uitkering op grond van de overeenkomst tussen de Bondsrepubliek Duitsland en de Conference on Jewish Material Claims Against Germany, gebaseerd op artikel 2 van de Vereinbarung vom 18 September 1990 über die Herstellung der Einheit Deutschlands zwischen der Bundesrepublik Deutschland und der Deutschen Demokratischen Republik zur Durchführung und Auslegung des am 31. August 1990 in Berlin unterzeichneten Einigungvertrages in mindering gebracht.
|
||||
|
||||
**2.** Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2018.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 8. Inwerkingtreding en citeertitel
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue