2007-09-01 | BWBR0003245 | Wet milieubeheer
This commit is contained in:
parent
0faadcd35a
commit
14d8733ba3
1 changed files with 117 additions and 101 deletions
|
|
@ -24,7 +24,7 @@ adviseurs: bestuursorganen die krachtens wettelijk voorschrift in de gelegenheid
|
|||
|
||||
afvalbeheersplan: het afvalbeheersplan, bedoeld in artikel 10.3;
|
||||
|
||||
afvalstoffen: alle stoffen, preparaten of producten die behoren tot de categorieën die zijn genoemd in bijlage I bij richtlijn nr. 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen;
|
||||
afvalstoffen: alle stoffen, preparaten of producten die behoren tot de categorieën die zijn genoemd in bijlage I bij richtlijn nr. 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen;
|
||||
|
||||
afvalstoffenverordening: de verordening, bedoeld in artikel 10.23;
|
||||
|
||||
|
|
@ -102,7 +102,7 @@ nationaal milieubeleidsplan: het nationale milieubeleidsplan, bedoeld in artikel
|
|||
|
||||
NO_x-emissierecht: overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens hoofdstuk 16 overdraagbaar recht, uitsluitend teneinde aan het bepaalde bij en krachtens dat hoofdstuk te voldoen, om gedurende een bepaalde periode een emissie van één kilogram stikstofoxiden in de lucht te veroorzaken;
|
||||
|
||||
nuttige toepassing: de handelingen die zijn genoemd in bijlage II B bij richtlijn nr. 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen;
|
||||
nuttige toepassing: de handelingen die zijn genoemd in bijlage II B bij richtlijn nr. 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen;
|
||||
|
||||
Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
|
||||
|
||||
|
|
@ -124,7 +124,7 @@ stoffen: chemische elementen en de verbindingen ervan, zoals deze voorkomen in n
|
|||
|
||||
storten: op of in de bodem brengen van afvalstoffen om deze daar te laten;
|
||||
|
||||
verwijdering: de handelingen die zijn genoemd in bijlage II A bij richtlijn nr. 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen;
|
||||
verwijdering: de handelingen die zijn genoemd in bijlage II A bij richtlijn nr. 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen;
|
||||
|
||||
waterkwaliteitsbeheerder: het bestuursorgaan dat bevoegd is tot vergunningverlening ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren;
|
||||
|
||||
|
|
@ -174,7 +174,7 @@ b. hoewel deze niet als gevaarlijke afvalstof is aangewezen, toch de eigenschapp
|
|||
|
||||
**11.** Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder «genetisch gemodificeerde organismen».
|
||||
|
||||
**12.** Een wijziging van de bijlagen bij richtlijn nr. 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen gaat voor de toepassing van de in het eerste lid gegeven omschrijvingen van «afvalstoffen»,« beheer van afvalstoffen», «nuttige toepassing» en« verwijdering» gelden met ingang van de dag waarop aan de desbetreffende wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
|
||||
**12.** Een wijziging van de bijlagen bij richtlijn nr. 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen gaat voor de toepassing van de in het eerste lid gegeven omschrijvingen van «afvalstoffen», «beheer van afvalstoffen», «nuttige toepassing» en «verwijdering» gelden met ingang van de dag waarop aan de desbetreffende wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
|
||||
|
||||
**13.** Een wijziging van bijlage III bij richtlijn nr. 91/689/EEG van de Raad van de Europese gemeenschappen van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen gaat voor de toepassing van het tiende lid gelden met ingang van de dag waarop aan de desbetreffende wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
|
||||
|
||||
|
|
@ -323,7 +323,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 2.16a
|
||||
|
||||
Onverminderd de artikelen 16.8 en 18.3 stemmen het bestuur van de emissieautoriteit en het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens artikel 8.1 te verlenen voor een inrichting waarop hoofdstuk 16 betrekking heeft, dan wel Onze Minister van Economische Zaken in geval voor een inrichting waarop dat hoofdstuk betrekking heeft, het in artikel 40, tweede lid, van de Mijnbouwwet vervatte verbod geldt, onderling de uitoefening van de taken af, waarmee zij zijn belast bij of krachtens hoofdstuk 16, onderscheidenlijk hoofdstuk 8, onderscheidenlijk artikel 40 van de Mijnbouwwet.
|
||||
Onverminderd de artikelen 16.8 en 18.3 stemmen het bestuur van de emissieautoriteit en de betrokken andere bestuursorganen, bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onderling de uitoefening van de taken af, waarmee zij zijn belast bij of krachtens de hoofdstukken 8, 16 of 18 van deze wet of artikel 40 van de Mijnbouwwet.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.16b
|
||||
|
||||
|
|
@ -964,7 +964,7 @@ Gereserveerd.
|
|||
|
||||
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
Onze Ministers: Onze Minister en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
|
||||
Onze Ministers: Onze Minister, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
|
||||
|
||||
de commissie: de Commissie voor de milieu-effectrapportage.
|
||||
|
||||
|
|
@ -988,10 +988,10 @@ d. ecologische hoofdstructuur: het samenstel van de gebieden en de verbindingen
|
|||
|
||||
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen worden, voor zover zij niet reeds op grond van andere wettelijke bepalingen als zodanig dienen te worden aangemerkt, tevens als adviseurs aangemerkt:
|
||||
|
||||
a. indien het bevoegd gezag een orgaan van de centrale overheid is: een door Onze Minister aangewezen bestuursorgaan en een door Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aangewezen bestuursorgaan;
|
||||
a. indien het bevoegd gezag een orgaan van de centrale overheid is: een door Onze Minister aangewezen bestuursorgaan, een door Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aangewezen bestuursorgaan en een door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aangewezen bestuursorgaan;
|
||||
b. indien het bevoegd gezag een ander bestuursorgaan is:
|
||||
|
||||
1º. een door Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aangewezen bestuursorgaan, en
|
||||
1º. een door Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aangewezen bestuursorgaan en een door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aangewezen bestuursorgaan, en
|
||||
2º. de inspecteur, voor zover het betreft het oprichten, wijzigen of uitbreiden van een inrichting die behoort tot een krachtens artikel 8.7, eerste lid, onder a, aangewezen categorie.
|
||||
|
||||
**6.** Bij algemene maatregel van bestuur kan met betrekking tot een daarbij aangewezen activiteit of plan, dan wel besluit worden bepaald wie, onderscheidenlijk welk orgaan voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt aangemerkt als degene die de activiteit onderneemt, onderscheidenlijk als bevoegd gezag. Daarbij kunnen voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillende personen of organen worden aangewezen.
|
||||
|
|
@ -1792,7 +1792,7 @@ c. door verlening daarvan strijd zou ontstaan met regels als bedoeld in artikel
|
|||
|
||||
**2.** Bij de voorschriften worden emissiegrenswaarden gesteld voor stoffen of voor daarbij aan te wijzen groepen, families of categorieën van stoffen – in het bijzonder die, genoemd in bijlage III van de EG-richtlijn inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging –, die in aanmerkelijke hoeveelheden uit de inrichting kunnen vrijkomen en die direct of door overdracht tussen water, lucht en bodem nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken.
|
||||
|
||||
**3.** Bij het vaststellen van de emissiegrenswaarden wordt uitgegaan van de emissies op het punt waar zij de bron, in voorkomend geval na reiniging, verlaten, tenzij dat redelijkerwijs niet mogelijk is. De emissiegrenswaarden worden vastgesteld zonder rekening te houden met een mogelijke verdunning. Bij het vaststellen van emissiegrenswaarden voor afvalwater dat in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater wordt gebracht, kan rekening worden gehouden met het effect van een zuiveringstechnisch werk waarop die voorziening is aangesloten, voor zover daarvan geen nadeliger gevolgen voor het milieu zijn te verwachten en voldaan wordt aan de bepalingen die gelden ter uitvoering van richtlijn nr. 76/464/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 mei 1976 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd, en de ter toepassing daarvan geldende richtlijnen.
|
||||
**3.** Bij het vaststellen van de emissiegrenswaarden wordt uitgegaan van de emissies op het punt waar zij de bron, in voorkomend geval na reiniging, verlaten, tenzij dat redelijkerwijs niet mogelijk is. De emissiegrenswaarden worden vastgesteld zonder rekening te houden met een mogelijke verdunning. Bij het vaststellen van emissiegrenswaarden voor afvalwater dat in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater wordt gebracht, kan rekening worden gehouden met het effect van een zuiveringstechnisch werk waarop die voorziening is aangesloten, voor zover daarvan geen nadeliger gevolgen voor het milieu zijn te verwachten en voldaan wordt aan de bepalingen die gelden ter uitvoering van richtlijn nr. 2006/11/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2006 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd (PbEU L 64), en de in bijlage IX bij de kaderrichtlijn water genoemde richtlijnen.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -1869,7 +1869,7 @@ b. daardoor strijd ontstaat met regels gesteld krachtens de artikelen 12.4, vijf
|
|||
|
||||
Aan een vergunning worden, indien het een inrichting betreft waarop de in artikel 16.5, eerste lid, vervatte verboden betrekking hebben, geen voorschriften verbonden:
|
||||
|
||||
a. inhoudende een emissiegrenswaarde voor de directe emissie van broeikasgassen, tenzij zulks noodzakelijk is om te verzekeren dat geen significante gevolgen voor het milieu in de onmiddellijke omgeving van de inrichting worden veroorzaakt;
|
||||
a. inhoudende een emissiegrenswaarde voor de directe emissie van broeikasgassen waarop de in artikel 16.5, eerste lid, vervatte verboden betrekking hebben, tenzij zulks noodzakelijk is om te verzekeren dat geen significante gevolgen voor het milieu in de onmiddellijke omgeving van de inrichting worden veroorzaakt;
|
||||
b. ter bevordering van een zuinig gebruik van energie in de inrichting.
|
||||
|
||||
**3.** Voorzover aan een vergunning die betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in het tweede lid voorschriften zijn verbonden als in dat lid bedoeld, vervallen die voorschriften.
|
||||
|
|
@ -4162,7 +4162,7 @@ emissieverslag: verslag als bedoeld in artikel 16.12, eerste lid, onder b;
|
|||
|
||||
jaarvracht: totale hoeveelheid van een emissie gedurende een kalenderjaar;
|
||||
|
||||
monitoringsprotocol: protocol als bedoeld in artikel 16.6, tweede lid;
|
||||
monitoringsplan: plan als bedoeld in artikel 16.6, tweede lid;
|
||||
|
||||
nationaal toewijzingsbesluit: besluit als bedoeld in artikel 16.29, eerste lid;
|
||||
|
||||
|
|
@ -4223,13 +4223,10 @@ Een wijziging van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten of van een
|
|||
Het is verboden zonder vergunning van het bestuur van de emissieautoriteit:
|
||||
|
||||
a. een inrichting in werking te hebben;
|
||||
b. een inrichting uit te breiden;
|
||||
c. een inrichting te veranderen of de werking daarvan te veranderen op zodanige wijze dat dit significante gevolgen heeft voor de emissie van broeikasgassen in de lucht dan wel voor het monitoringsprotocol dat van de vergunning deel uitmaakt;
|
||||
d. het voor de betrokken inrichting geldende monitoringsprotocol ingrijpend te veranderen.
|
||||
b. een inrichting te veranderen of de werking daarvan te veranderen op zodanige wijze dat dit een significante toename van de emissie van broeikasgassen in de lucht tot gevolg heeft;
|
||||
c. het voor de betrokken inrichting geldende monitoringsplan ingrijpend te veranderen.
|
||||
|
||||
**2.** Indien voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid tevens de in artikel 16.49, eerste lid, vervatte verboden gelden, hebben de in het eerste lid vervatte verboden tevens betrekking op de emissies van stikstofoxiden in de lucht, die de inrichting veroorzaakt, en zijn de in artikel 16.49, eerste lid, vervatte verboden niet van toepassing. Titel 16.3, met uitzondering van artikel 16.49, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing, voorzover het de emissie van stikstofoxiden in de lucht betreft.
|
||||
|
||||
**3.** Artikel 8.4, eerste, tweede en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**2.** Indien voor een inrichting tevens de in artikel 16.49, eerste lid, vervatte verboden gelden, hebben de in het eerste lid vervatte verboden tevens betrekking op de emissies van stikstofoxiden in de lucht, die de inrichting veroorzaakt, en zijn de in artikel 16.49, eerste lid, vervatte verboden niet van toepassing. Titel 16.3, met uitzondering van artikel 16.49, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing, voorzover het de emissie van stikstofoxiden in de lucht betreft.
|
||||
|
||||
### Artikel 16.6
|
||||
|
||||
|
|
@ -4237,26 +4234,26 @@ d. het voor de betrokken inrichting geldende monitoringsprotocol ingrijpend te v
|
|||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Bij of krachtens de maatregel wordt in ieder geval bepaald dat de aanvrager bij de aanvraag een protocol indient, dat voor de inrichting een beschrijving bevat van de wijze waarop:
|
||||
Bij of krachtens de maatregel wordt in ieder geval bepaald dat de aanvrager bij de aanvraag een monitoringsplan indient, dat voor de inrichting een beschrijving bevat van de wijze waarop:
|
||||
|
||||
a. de jaarvracht wordt bepaald,
|
||||
b. het brandstofverbruik en het grondstofgebruik worden bepaald,
|
||||
c. gegevens die op het bepaalde onder a en b betrekking hebben, worden geregistreerd en bewaard, en
|
||||
d. aan het bestuur van de emissieautoriteit verslag wordt gedaan van de jaarvracht en de gegevens betreffende het brandstofverbruik en het grondstofgebruik.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister kan nadere regels stellen ter uitvoering van het bepaalde krachtens het eerste of tweede lid. Deze regels voldoen in elk geval aan de richtsnoeren die de Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft vastgesteld op grond van artikel 14, eerste lid, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten.
|
||||
**3.** Onze Minister kan nadere regels stellen ter uitvoering van het bepaalde krachtens het eerste of tweede lid. Deze regels voldoen in elk geval aan de beschikking die de Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft vastgesteld op grond van artikel 14, eerste lid, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten.
|
||||
|
||||
**4.** Voor het bepalen van de jaarvracht van een inrichting worden uitsluitend de emissies in aanmerking genomen, die worden veroorzaakt door activiteiten die in een broeikasgasinstallatie worden verricht en die krachtens artikel 16.1, tweede lid, zijn aangewezen.
|
||||
|
||||
### Artikel 16.7
|
||||
|
||||
Op de voorbereiding van een besluit krachtens artikel 16.5, eerste lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
|
||||
Op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een vergunning is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 16.8
|
||||
|
||||
**1.** Het bestuur van de emissieautoriteit zendt het monitoringsprotocol dat is ingediend bij de aanvraag om een vergunning krachtens artikel 16.5, eerste lid, aan het bestuursorgaan dat voor de inrichting waarop de aanvraag betrekking heeft, bevoegd is te beschikken op de aanvraag om een vergunning krachtens artikel 8.1, dan wel, in geval voor de inrichting het in artikel 40, tweede lid, van de Mijnbouwwet vervatte verbod geldt, Onze Minister van Economische Zaken.
|
||||
**1.** Het bestuur van de emissieautoriteit zendt het monitoringsplan dat is ingediend bij de aanvraag om een vergunning krachtens artikel 16.5, eerste lid, aan het bestuursorgaan dat voor de inrichting waarop de aanvraag betrekking heeft, bevoegd is een vergunning te verlenen krachtens artikel 8.1, dan wel, in geval voor de inrichting het in artikel 40, tweede lid, van de Mijnbouwwet vervatte verbod geldt, Onze Minister van Economische Zaken.
|
||||
|
||||
**2.** Het bestuur van de emissieautoriteit stelt het in het eerste lid bedoelde bestuursorgaan onderscheidenlijk Onze Minister van Economische Zaken gedurende vier weken in de gelegenheid advies aan hem uit te brengen over het in het eerste lid bedoelde monitoringsprotocol en de samenhang van het monitoringsprotocol met de vergunning krachtens artikel 8.1 onderscheidenlijk artikel 40, tweede lid, van de Mijnbouwwet, die voor de inrichting waarop de aanvraag betrekking heeft, is verleend.
|
||||
**2.** Het bestuur van de emissieautoriteit stelt het betrokken andere bestuursorgaan, bedoeld in het eerste lid, gedurende vier weken in de gelegenheid advies uit te brengen over het monitoringsplan met het oog op de samenhang tussen dit plan en de aanvraag of vergunning, bedoeld in artikel 8.1 van deze wet of artikel 40 van de Mijnbouwwet.
|
||||
|
||||
### Artikel 16.9
|
||||
|
||||
|
|
@ -4264,7 +4261,7 @@ Het bestuur van de emissieautoriteit draagt er bij de beslissing op de aanvraag
|
|||
|
||||
### Artikel 16.10
|
||||
|
||||
**1.** De vergunning wordt geweigerd indien het monitoringsprotocol niet voldoet aan de eisen die daaraan bij of krachtens dit hoofdstuk zijn gesteld dan wel indien door verlening anderszins strijd zou ontstaan met regels die met betrekking tot de inrichting gelden, gesteld bij of krachtens dit hoofdstuk, of indien het bestuur van de emissieautoriteit van oordeel is dat onvoldoende is gewaarborgd dat de houder van de vergunning in staat is het monitoringsprotocol naar behoren uit te voeren.
|
||||
**1.** De vergunning wordt geweigerd indien het monitoringsplan niet voldoet aan de eisen die daaraan bij of krachtens dit hoofdstuk zijn gesteld dan wel indien door verlening anderszins strijd zou ontstaan met regels die met betrekking tot de inrichting gelden, gesteld bij of krachtens dit hoofdstuk, of indien het bestuur van de emissieautoriteit van oordeel is dat onvoldoende is gewaarborgd dat de houder van de vergunning in staat is het monitoringsplan naar behoren uit te voeren.
|
||||
|
||||
**2.** In een geval als bedoeld in artikel 16.5, tweede lid, wordt de vergunning gedeeltelijk geweigerd voorzover het de emissies van broeikasgassen, onderscheidenlijk de emissies van stikstofoxiden, betreft, indien een vergunning krachtens artikel 16.5, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 16.49, eerste lid, zou zijn geweigerd in geval uitsluitend het vereiste van een vergunning krachtens artikel 16.5, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 16.49, eerste lid, zou gelden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4272,7 +4269,7 @@ Het bestuur van de emissieautoriteit draagt er bij de beslissing op de aanvraag
|
|||
|
||||
**1.** In een vergunning wordt duidelijk aangegeven waarop zij betrekking heeft. De vergunning vermeldt de naam en het adres van degene die de inrichting drijft, waarop de vergunning betrekking heeft.
|
||||
|
||||
**2.** Het monitoringsprotocol maakt in ieder geval deel uit van de vergunning. De overige onderdelen van de aanvraag om de vergunning maken deel uit van de vergunning, voorzover dat in de vergunning is aangegeven.
|
||||
**2.** Het monitoringsplan maakt in ieder geval deel uit van de vergunning. De overige onderdelen van de aanvraag om de vergunning maken deel uit van de vergunning, voorzover dat in de vergunning is aangegeven.
|
||||
|
||||
### Artikel 16.12
|
||||
|
||||
|
|
@ -4280,50 +4277,57 @@ Het bestuur van de emissieautoriteit draagt er bij de beslissing op de aanvraag
|
|||
|
||||
Aan een vergunning worden de voorschriften verbonden, die nodig zijn in het belang van de goede werking van het systeem van handel in emissierechten. Deze voorschriften houden voorts in ieder geval de verplichting in dat:
|
||||
|
||||
a. gedurende ieder kalenderjaar de jaarvracht, het brandstofverbruik en het grondstofgebruik worden bepaald en geregistreerd overeenkomstig het voor de betrokken inrichting geldende monitoringsprotocol;
|
||||
b. met betrekking tot ieder kalenderjaar bij het bestuur van de emissieautoriteit voor 1 april van het daarop volgende kalenderjaar een verslag wordt ingediend, waarin voor de inrichting waarvoor krachtens artikel 16.5, eerste lid, een vergunning is verleend, alsmede voor elke broeikasgasinstallatie die zich in de inrichting bevindt, met betrekking tot het kalenderjaar waarop het verslag betrekking heeft, worden vermeld:
|
||||
a. gedurende ieder kalenderjaar de jaarvracht, het brandstofverbruik en het grondstofgebruik worden bepaald en geregistreerd overeenkomstig het voor de betrokken inrichting geldende monitoringsplan;
|
||||
b. met betrekking tot ieder kalenderjaar bij het bestuur van de emissieautoriteit voor 1 april van het daarop volgende kalenderjaar een verslag wordt ingediend, waarin voor de inrichting alsmede voor elke broeikasgasinstallatie die zich in de inrichting bevindt, met betrekking tot het kalenderjaar waarop het verslag betrekking heeft, worden vermeld:
|
||||
|
||||
1°. de jaarvracht, het brandstofverbruik en het grondstofgebruik en de wijze waarop deze zijn bepaald en geregistreerd;
|
||||
2°. de uitbreidingen en de veranderingen van de inrichting en de veranderingen van de werkwijze die hebben plaatsgevonden;
|
||||
3°. de veranderingen van het monitoringsprotocol die hebben plaatsgevonden;
|
||||
4°. de gevallen waarin van het monitoringsprotocol is afgeweken, de redenen daarvoor en de wijze waarop het meten en registreren van de emissies in die gevallen heeft plaatsgevonden;
|
||||
2°. de veranderingen van het monitoringsplan die hebben plaatsgevonden;
|
||||
3°. de gevallen waarin van het monitoringsplan is afgeweken, de redenen daarvoor en de wijze waarop het meten en registreren van de emissies in die gevallen heeft plaatsgevonden;
|
||||
c. het emissieverslag vergezeld gaat van een verklaring van een onafhankelijke deskundige, waarin de resultaten worden weergegeven van een door hem uitgevoerde beoordeling van het verslag overeenkomstig artikel 16.14, eerste en derde lid;
|
||||
d. aan het bestuur van de emissieautoriteit een verandering van de naam of het adres van de houder van de vergunning wordt gemeld;
|
||||
e. aan het bestuur van de emissieautoriteit binnen een in het voorschrift aangegeven termijn het voornemen wordt gemeld:
|
||||
|
||||
1°. de inrichting waarop de vergunning betrekking heeft, te veranderen of de werking daarvan te veranderen of
|
||||
2°. het voor de betrokken inrichting geldende monitoringsprotocol te veranderen, in gevallen waarin voor deze verandering geen vergunning krachtens artikel 16.5, eerste lid, is vereist;
|
||||
f. een afwijking van het monitoringsprotocol onverwijld aan de emissieautoriteit wordt gemeld, onder vermelding van de reden voor de afwijking en de wijze waarop het meten en registreren van de emissies in dat geval heeft plaatsgevonden of plaats zal vinden.
|
||||
d. aan het bestuur van de emissieautoriteit een verandering van de naam of het adres van de houder van de vergunning wordt gemeld.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
In het voorschrift, bedoeld in het eerste lid, onder e, kan worden bepaald dat de verandering, voordat zij ten uitvoer mag worden gebracht, de goedkeuring behoeft van het bestuur van de emissieautoriteit. Indien toepassing is gegeven aan de eerste volzin, kan de goedkeuring worden onthouden:
|
||||
|
||||
a. in het belang van de goede werking van het systeem van handel in emissierechten;
|
||||
b. indien de verandering naar het oordeel van het bestuur van de emissieautoriteit noopt tot wijziging van de vergunning die krachtens artikel 16.5, eerste lid, voor de inrichting is verleend.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen eisen worden gesteld met betrekking tot:
|
||||
|
||||
a. een andere persoon dan de houder van een vergunning krachtens artikel 16.5, eerste lid, die bij de uitvoering van het monitoringsprotocol is betrokken;
|
||||
a. een andere persoon dan de houder van een vergunning krachtens artikel 16.5, eerste lid, die bij de uitvoering van het monitoringsplan is betrokken;
|
||||
b. de bepaling en de registratie van de jaarvracht, het brandstofverbruik en het grondstofgebruik, bedoeld in het eerste lid, onder a;
|
||||
c. het emissieverslag.
|
||||
|
||||
**4.** Eisen die krachtens het derde lid worden gesteld, voldoen in elk geval aan de richtsnoeren die de Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft vastgesteld op grond van artikel 14, derde lid, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten.
|
||||
**3.** Eisen die krachtens het tweede lid worden gesteld, voldoen in elk geval aan de beschikking die de Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft vastgesteld op grond van artikel 14, derde lid, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
In een vergunning kan worden bepaald dat:
|
||||
|
||||
a. een verandering, anders dan bedoeld in artikel 16.5, eerste lid, onder b of c, of
|
||||
b. een tijdelijke afwijking van het monitoringsplan
|
||||
|
||||
aan het bestuur van de emissieautoriteit wordt gemeld overeenkomstig de krachtens het vijfde lid gestelde regels.
|
||||
|
||||
**5.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het melden van een verandering of afwijking als bedoeld in het vierde lid. Aan deze regels kan terugwerkende kracht worden verleend tot en met 1 januari 2005.
|
||||
|
||||
**6.** In een vergunning kan worden bepaald dat een verandering of afwijking als bedoeld in het vierde lid, voordat zij ten uitvoer wordt gebracht, de goedkeuring behoeft van het bestuur van de emissieautoriteit.
|
||||
|
||||
**7.**
|
||||
|
||||
Indien toepassing is gegeven aan het zesde lid, kan het bestuur van de emissieautoriteit goedkeuring onthouden:
|
||||
|
||||
a. indien dit naar zijn oordeel nodig is in het belang van de goede werking van het systeem van handel in emissierechten;
|
||||
b. op grond dat het, gezien de aard of omvang van de betrokken verandering, naar zijn oordeel noodzakelijk is de vergunning te wijzigen.
|
||||
|
||||
### Artikel 16.13
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De houder van de vergunning beziet regelmatig of de in het monitoringsprotocol opgenomen gegevens met betrekking tot het bepalen van de jaarvracht, het brandstofverbruik en het grondstofgebruik, het registreren en bewaren van de daarop betrekking hebbende gegevens en de verslaglegging aan het bestuur van de emissieautoriteit nog juist en volledig zijn, gezien:
|
||||
De houder van de vergunning beziet regelmatig of de in het monitoringsplan opgenomen gegevens met betrekking tot het bepalen van de jaarvracht, het brandstofverbruik en het grondstofgebruik, het registreren en bewaren van de daarop betrekking hebbende gegevens en de verslaglegging aan het bestuur van de emissieautoriteit nog juist en volledig zijn, gezien:
|
||||
|
||||
a. veranderingen die zijn opgetreden in de voor het bepalen van de jaarvracht, het brandstofverbruik en het grondstofgebruik en het registreren van de daarop betrekking hebbende gegevens relevante omstandigheden;
|
||||
b. de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden inzake het bepalen van de jaarvracht, het brandstofverbruik en het grondstofgebruik en het registreren van de daarop betrekking hebbende gegevens.
|
||||
b. ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden inzake het bepalen van de jaarvracht, het brandstofverbruik en het grondstofgebruik en het registreren van de daarop betrekking hebbende gegevens.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Hij wijzigt het monitoringsprotocol zo spoedig mogelijk, indien:
|
||||
Hij wijzigt het monitoringsplan zo spoedig mogelijk, indien:
|
||||
|
||||
a. de veranderingen of ontwikkelingen, bedoeld in het eerste lid, onder a onderscheidenlijk b, daartoe aanleiding geven;
|
||||
b. wijziging van de krachtens artikel 16.6 gestelde regels daartoe aanleiding geeft;
|
||||
|
|
@ -4331,23 +4335,23 @@ c. het bestuur van de emissieautoriteit daarom verzoekt.
|
|||
|
||||
### Artikel 16.14
|
||||
|
||||
**1.** Bij de verificatie wordt nagegaan of het emissieverslag voldoet aan de eisen die daaraan bij of krachtens dit hoofdstuk zijn gesteld. Indien het emissieverslag niet aan deze eisen voldoet, keurt de verificateur het verslag af.
|
||||
**1.** Bij de verificatie wordt nagegaan of het emissieverslag voldoet aan de eisen die daaraan bij of krachtens dit hoofdstuk zijn gesteld. Indien het emissieverslag niet aan deze eisen voldoet, geeft de verificateur geen verklaring af als bedoeld in artikel 16.12, eerste lid, onder c.
|
||||
|
||||
**2.** De verificateur mag niet betrokken zijn geweest bij het opstellen, beoordelen of uitvoeren van het monitoringsprotocol voor de betrokken inrichting.
|
||||
**2.** De verificateur mag niet betrokken zijn geweest bij het opstellen, beoordelen of uitvoeren van het monitoringsplan voor de betrokken inrichting.
|
||||
|
||||
**3.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld, inhoudende eisen waaraan een verificateur en een verificatie moeten voldoen. Deze regels voldoen in elk geval aan de eisen die zijn opgenomen in bijlage V bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten en de richtsnoeren die de Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft vastgesteld op grond van artikel 14, eerste lid, van die richtlijn.
|
||||
**3.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld, inhoudende eisen waaraan een verificateur en een verificatie moeten voldoen. Deze regels voldoen in elk geval aan de eisen die zijn opgenomen in bijlage V bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten en de beschikking die de Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft vastgesteld op grond van artikel 14, eerste lid, van die richtlijn.
|
||||
|
||||
### Artikel 16.15
|
||||
|
||||
Het bestuur van de emissieautoriteit zendt van elk bij hem ingediend emissieverslag een exemplaar aan het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens artikel 8.1 voor de betrokken inrichting te verlenen, dan wel, in geval voor de inrichting het in artikel 40, tweede lid, van de Mijnbouwwet vervatte verbod geldt, aan Onze Minister van Economische Zaken. Het verslag gaat vergezeld van de verklaring, bedoeld in artikel 16.12, eerste lid, onder c.
|
||||
Het bestuur van de emissieautoriteit zendt het betrokken andere bestuurorgaan, bedoeld in artikel 16.8, eerste lid, een exemplaar van het voor de betrokken inrichting opgestelde emissieverslag en de daarbij gevoegde verklaring van de verificateur.
|
||||
|
||||
### Artikel 16.16
|
||||
|
||||
**1.** Het bestuur van de emissieautoriteit kan uiterlijk op 30 september van het kalenderjaar waarin het emissieverslag overeenkomstig artikel 16.12, eerste lid, onder b, moet worden ingediend, verklaren dat dit verslag niet voldoet aan de eisen die daaraan bij of krachtens dit hoofdstuk zijn gesteld. Het bestuur van de emissieautoriteit kan het afgeven van de in de eerste volzin bedoelde verklaring voor ten hoogste drie maanden verdagen. Van de verdaging wordt voor het in de eerste volzin genoemde tijdstip schriftelijk mededeling gedaan aan degene die het emissieverslag heeft ingediend. De mededeling omvat de reden voor de verdaging.
|
||||
**1.** Het bestuur van de emissieautoriteit kan uiterlijk op 30 september van het kalenderjaar waarin het emissieverslag overeenkomstig artikel 16.12, eerste lid, onder b, moet worden ingediend, vaststellen dat dit verslag niet voldoet aan de eisen die daaraan bij of krachtens dit hoofdstuk zijn gesteld. Het bestuur van de emissieautoriteit kan de beslissing voor ten hoogste drie maanden verdagen. Van de verdaging wordt voor het in de eerste volzin genoemde tijdstip schriftelijk mededeling gedaan aan degene die het emissieverslag heeft ingediend. De mededeling omvat de reden voor de verdaging.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het bestuur van de emissieautoriteit kan na het tijdstip, genoemd in het eerste lid, onderscheidenlijk, indien toepassing is gegeven aan de tweede volzin van dat lid, na het tijdstip dat met toepassing van die volzin is vastgesteld alsnog verklaren dat het emissieverslag niet voldoet aan de eisen die daaraan bij of krachtens dit hoofdstuk zijn gesteld, indien:
|
||||
Het bestuur van de emissieautoriteit kan na het tijdstip, genoemd in het eerste lid, onderscheidenlijk, indien toepassing is gegeven aan de tweede volzin van dat lid, na het tijdstip dat met toepassing van die volzin is vastgesteld alsnog vaststellen dat het emissieverslag niet voldoet aan de eisen die daaraan bij of krachtens dit hoofdstuk zijn gesteld, indien:
|
||||
|
||||
a. degene die overeenkomstig artikel 16.12, eerste lid, onder b, bij het bestuur van de emissieautoriteit een emissieverslag heeft ingediend, in dat verslag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en verstrekking van juiste of volledige gegevens zou hebben geleid tot de vaststelling van een andere jaarvracht,
|
||||
b. het betrokken emissieverslag anderszins onjuist was,
|
||||
|
|
@ -4358,7 +4362,7 @@ en de betrokken persoon dit wist of behoorde te weten.
|
|||
|
||||
### Artikel 16.17
|
||||
|
||||
Indien degene die een inrichting drijft, waarop de in artikel 16.5, eerste lid, gestelde verboden betrekking hebben, niet tijdig een emissieverslag bij het bestuur van de emissieautoriteit heeft ingediend, of het bestuur van de emissieautoriteit ingevolge artikel 16.16, eerste of tweede lid, heeft verklaard dat het emissieverslag niet voldoet aan de eisen die daaraan bij of krachtens dit hoofdstuk zijn gesteld, kan het bestuur van de emissieautoriteit de betrokken gegevens op basis van bedoelde eisen ambtshalve vaststellen.
|
||||
Indien degene die een inrichting drijft, waarop de in artikel 16.5, eerste lid, gestelde verboden betrekking hebben, niet tijdig een emissieverslag bij het bestuur van de emissieautoriteit heeft ingediend, of het bestuur van de emissieautoriteit ingevolge artikel 16.16, eerste of tweede lid, heeft verklaard dat het emissieverslag niet voldoet aan de eisen die daaraan bij of krachtens dit hoofdstuk zijn gesteld, kan het bestuur van de emissieautoriteit de betrokken gegevens op basis van bedoelde eisen ambtshalve vaststellen. Voordat het bestuur van de emissieautoriteit deze gegevens ambtshalve vaststelt, stelt het de betrokken persoon in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen.
|
||||
|
||||
### Artikel 16.18
|
||||
|
||||
|
|
@ -4372,25 +4376,36 @@ Een voor een inrichting verleende vergunning geldt voor een ieder die de inricht
|
|||
|
||||
### Artikel 16.20
|
||||
|
||||
**1.** Het bestuur van de emissieautoriteit kan de voorschriften die aan een vergunning zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, dan wel alsnog voorschriften aan een vergunning verbinden, indien dit naar zijn oordeel nodig is in het belang van de goede werking van het systeem van handel in emissierechten.
|
||||
**1.** Het bestuur van de emissieautoriteit kan de voorschriften die aan een vergunning zijn verbonden, wijzigen, aanvullen of intrekken, indien dit naar zijn oordeel nodig is in het belang van de goede werking van het systeem van handel in emissierechten.
|
||||
|
||||
**2.** Op de voorbereiding van een beschikking krachtens het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De artikelen 16.8 en 16.9 zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**2.** Met betrekking tot de beslissing ter zake zijn de artikelen 16.7, 16.8 en 16.9 van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** In een geval als bedoeld in artikel 16.12, eerste lid, onder d, wijzigt het bestuur van de emissieautoriteit de vergunning overeenkomstig de melding.
|
||||
|
||||
**4.** Indien het geval, bedoeld in artikel 16.5, tweede lid, zich voordoet en voor de betrokken inrichting reeds een vergunning krachtens artikel 16.5, eerste lid, is verleend voor het in werking hebben van een inrichting waarin zich een of meer broeikasgasinstallaties bevinden, vult het bestuur van de emissieautoriteit die vergunning aan met voorschriften en bepalingen die betrekking hebben op de emissie van stikstofoxiden in de lucht, die de inrichting veroorzaakt, en die noodzakelijk zijn ter uitvoering van titel 16.3. Met betrekking tot de beslissing terzake en de inhoud van de voorschriften en bepalingen zijn de artikelen 16.5, derde lid, tot en met 16.12 van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**4.** Indien het geval, bedoeld in artikel 16.5, tweede lid, zich voordoet en voor de betrokken inrichting reeds een vergunning krachtens artikel 16.5, eerste lid, is verleend voor het in werking hebben van een inrichting waarin zich een of meer broeikasgasinstallaties bevinden, vult het bestuur van de emissieautoriteit die vergunning aan met voorschriften en bepalingen die betrekking hebben op de emissie van stikstofoxiden in de lucht, die de inrichting veroorzaakt, en die noodzakelijk zijn ter uitvoering van titel 16.3. Met betrekking tot de beslissing terzake en de inhoud van de voorschriften en bepalingen zijn de artikelen 16.6 tot en met 16.12 van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**5.** Indien het geval, bedoeld in artikel 16.5, tweede lid, zich voordoet en voor de betrokken inrichting reeds een vergunning krachtens artikel 16.49, eerste lid, is verleend voor het in werking hebben van een inrichting waarin zich een of meer installaties bevinden, die een emissie van stikstofoxiden in de lucht veroorzaken, vult het bestuur van de emissieautoriteit die vergunning aan met voorschriften en bepalingen die betrekking hebben op de emissie van broeikasgassen in de lucht, die de inrichting veroorzaakt, en die noodzakelijk zijn ter uitvoering van titel 16.2. Met betrekking tot de beslissing terzake en de inhoud van de voorschriften en bepalingen zijn de artikelen 16.5, derde lid, tot en met 16.12 van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**5.** Indien het geval, bedoeld in artikel 16.5, tweede lid, zich voordoet en voor de betrokken inrichting reeds een vergunning krachtens artikel 16.49, eerste lid, is verleend voor het in werking hebben van een inrichting waarin zich een of meer installaties bevinden, die een emissie van stikstofoxiden in de lucht veroorzaken, vult het bestuur van de emissieautoriteit die vergunning aan met voorschriften en bepalingen die betrekking hebben op de emissie van broeikasgassen in de lucht, die de inrichting veroorzaakt, en die noodzakelijk zijn ter uitvoering van titel 16.2. Met betrekking tot de beslissing terzake en de inhoud van de voorschriften en bepalingen zijn de artikelen 16.6 tot en met 16.12 van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**6.** In geval het vierde of vijfde lid van toepassing is, kan het bestuur van de emissieautoriteit de rechten die de vergunninghouder aan de al eerder verleende vergunning ontleende, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van het eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 16.20a
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Op aanvraag van de vergunninghouder kan het bestuur van de emissieautoriteit de vergunning wijzigen, aanvullen of intrekken.
|
||||
|
||||
**2.** Met betrekking tot de beslissing ter zake zijn de artikelen 16.6 tot en met 16.12 van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 16.20b
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het bestuur van de emissieautoriteit kan een vergunning intrekken, indien:
|
||||
|
||||
a. met betrekking tot de inrichting een krachtens artikel 8.25 genomen beschikking in werking is getreden;
|
||||
b. deze titel niet meer op de inrichting van toepassing is.
|
||||
|
||||
**2.** In de beschikking tot intrekking kan worden bepaald dat aan de vergunning verbonden voorschriften gedurende een daarbij aangegeven termijn blijven gelden.
|
||||
|
||||
**3.** Op de voorbereiding van een beschikking krachtens het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 16.21
|
||||
|
||||
|
|
@ -4406,7 +4421,7 @@ Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot inrich
|
|||
|
||||
### Artikel 16.23
|
||||
|
||||
**1.** Onze Ministers stellen voor emissies van broeikasgassen die een gevolg zijn van activiteiten die zijn genoemd in bijlage I bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten, gezamenlijk een plan vast waarin voornemens zijn opgenomen met betrekking tot de toewijzing van broeikasgasemissierechten en het gebruik van emissiereductie-eenheden en gecertificeerde emissiereducties.
|
||||
**1.** Onze Ministers stellen gezamenlijk een plan vast waarin voornemens zijn opgenomen met betrekking tot de toewijzing van broeikasgasemissierechten.
|
||||
|
||||
**2.** Nationale toewijzingsplannen gelden voor aansluitende perioden. Deze periode bedraagt voor elk plan vijf jaar, met uitzondering van de periode voor het eerste plan, welke drie jaar bedraagt, ingaande 1 januari 2005.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4430,15 +4445,12 @@ e. een aanduiding van het gedeelte van het aantal broeikasgasemissierechten, bed
|
|||
|
||||
Het nationale toewijzingsplan kan tevens bevatten:
|
||||
|
||||
a. een aanduiding van het gedeelte van het totale aantal broeikasgasemissierechten, bedoeld in het eerste lid, onder a, dat beschikbaar wordt gehouden om te kunnen worden toegewezen voor een of meer daarbij aangegeven categorieën van inrichtingen waarvoor een vergunning is vereist krachtens artikel 16.5, eerste lid, onder a of b, indien deze vergunning nog niet is verleend op het moment dat het plan overeenkomstig artikel 9, eerste lid, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen is toegezonden;
|
||||
b. een aanduiding van het gedeelte van het totale aantal broeikasgasemissierechten, bedoeld in het eerste lid, onder a, dat beschikbaar wordt gehouden om te kunnen worden toegewezen voor inrichtingen waarvoor als gevolg van een wijziging van het nationale toewijzingsbesluit overeenkomstig artikel 16.31, eerste lid, meer broeikasgasemissierechten worden toegewezen dan in het oorspronkelijke nationale toewijzingsbesluit het geval was;
|
||||
c. indien toepassing is gegeven aan onderdeel a of b en indien Onze Ministers daartoe besluiten: een beschrijving van de manier waarop broeikasgasemissierechten worden toegewezen voor inrichtingen waarvoor in de desbetreffende planperiode reeds eerder broeikasgasemissierechten zijn toegewezen, voorzover het broeikasgasemissierechten betreft die beschikbaar zijn gehouden overeenkomstig onderdeel a of b en die op een in het nationale toewijzingsplan aangegeven datum binnen de desbetreffende planperiode niet zijn toegewezen overeenkomstig artikel 16.32.
|
||||
|
||||
**3.** Op een lijst als bedoeld in het eerste lid, onder c, worden uitsluitend personen vermeld, die een inrichting drijven die op die lijst is vermeld, waarin een activiteit wordt verricht, waarvoor een vergunning is vereist krachtens artikel 16.5, eerste lid.
|
||||
a. een aanduiding van het gedeelte van het totale aantal broeikasgasemissierechten, bedoeld in het eerste lid, onder a, dat beschikbaar wordt gehouden om te kunnen worden toegewezen voor een of meer daarbij aangegeven categorieën van inrichtingen waarvoor een vergunning is vereist krachtens artikel 16.5, eerste lid, indien deze vergunning nog niet is verleend op het moment dat het plan overeenkomstig artikel 9, eerste lid, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen is toegezonden;
|
||||
b. een aanduiding van het gedeelte van het totale aantal broeikasgasemissierechten, bedoeld in het eerste lid, onder a, dat beschikbaar wordt gehouden om te kunnen worden toegewezen voor inrichtingen waarvoor als gevolg van een wijziging van het nationale toewijzingsbesluit overeenkomstig artikel 16.31, eerste lid, meer broeikasgasemissierechten worden toegewezen dan in het oorspronkelijke nationale toewijzingsbesluit het geval was.
|
||||
|
||||
### Artikel 16.26
|
||||
|
||||
**1.** Op de voorbereiding van het nationale toewijzingsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De terinzagelegging van het ontwerp van het besluit geschiedt tevens ter griffie van de provincies. Het ontwerp van het plan wordt tevens toegezonden aan de beide kamers der Staten-Generaal. De toezending, bedoeld in de derde volzin, geschiedt ten minste vier weken voordat het plan overeenkomstig artikel 9, eerste lid, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen wordt toegezonden.
|
||||
**1.** Op de voorbereiding van het nationale toewijzingsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De terinzagelegging van het ontwerp van het plan geschiedt tevens ter griffie van de provincies. Het ontwerp van het plan wordt tevens toegezonden aan de beide kamers der Staten-Generaal. De toezending, bedoeld in de derde volzin, geschiedt ten minste vier weken voordat het plan overeenkomstig artikel 9, eerste lid, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen wordt toegezonden.
|
||||
|
||||
**2.** Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4462,12 +4474,12 @@ Het nationale toewijzingsplan geldt met ingang van de dag na die waarop in de St
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Onverminderd artikel 16.31 beslissen Onze Ministers voor emissies van broeikasgassen die een gevolg zijn van activiteiten die zijn genoemd in bijlage I bij de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten, met betrekking tot elke planperiode gezamenlijk over de toewijzing van broeikasgasemissierechten. Dat besluit bevat:
|
||||
Onverminderd artikel 16.31 beslissen Onze Ministers met betrekking tot elke planperiode gezamenlijk over de toewijzing van broeikasgasemissierechten. Dat besluit bevat:
|
||||
|
||||
a. het totale aantal broeikasgasemissierechten dat voor de planperiode wordt toegewezen;
|
||||
b. de toewijzing van die broeikasgasemissierechten voor afzonderlijke inrichtingen;
|
||||
c. onverminderd onderdeel d: het gedeelte van het totale aantal broeikasgasemissierechten, bedoeld onder a, dat elk kalenderjaar overeenkomstig de EG-verordening register handel in broeikasgasemissierechten zal worden verleend;
|
||||
d. indien het nationale toewijzingsplan hierin voorziet: het gedeelte van het totale aantal broeikasgasemissierechten, bedoeld onder a, dat beschikbaar wordt gehouden om in de planperiode te kunnen worden toegewezen voor inrichtingen als bedoeld in artikel 16.25, tweede lid, onder a of b.
|
||||
a. een aanduiding van het totale aantal broeikasgasemissierechten dat voor de planperiode wordt toegewezen;
|
||||
b. de toewijzing van broeikasgasemissierechten voor afzonderlijke inrichtingen;
|
||||
c. onverminderd onderdeel d: een aanduiding van het gedeelte van het totale aantal broeikasgasemissierechten, bedoeld onder a, dat elk kalenderjaar overeenkomstig de EG-verordening register handel in broeikasgasemissierechten zal worden verleend;
|
||||
d. indien het nationale toewijzingsplan hierin voorziet: een aanduiding van het gedeelte van het totale aantal broeikasgasemissierechten, bedoeld onder a, dat beschikbaar wordt gehouden om in de planperiode te kunnen worden toegewezen voor inrichtingen als bedoeld in artikel 16.25, tweede lid, onder a of b.
|
||||
|
||||
**2.** Bij het nemen van het nationale toewijzingsbesluit nemen Onze Ministers het geldende nationale toewijzingsplan, voorzover het betreft de in artikel 16.25, eerste lid, onder a, b en d bedoelde onderdelen, alsmede artikel 10 van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten in acht, en houden ze rekening met dat plan, voorzover het betreft het in artikel 16.25, eerste lid, onder c bedoelde onderdeel. Het nationale toewijzingsbesluit wordt genomen met inachtneming van de termijnen, genoemd in artikel 11, eerste en tweede lid, van de richtlijn.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4485,9 +4497,9 @@ d. indien het nationale toewijzingsplan hierin voorziet: het gedeelte van het to
|
|||
|
||||
### Artikel 16.31
|
||||
|
||||
**1.** Indien de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State met toepassing van artikel 20.5a een tussenuitspraak heeft gedaan, wijzigen Onze Ministers het nationale toewijzingsbesluit met inachtneming van die uitspraak.
|
||||
**1.** Indien de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State met toepassing van artikel 20.5a een tussenuitspraak heeft gedaan, wijzigen Onze Ministers het nationale toewijzingsbesluit met inachtneming van die uitspraak. Op de voorbereiding van het besluit tot wijziging van het nationale toewijzingsbesluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
|
||||
|
||||
**2.** Het besluit tot wijziging van het nationale toewijzingsbesluit waarop de tussenuitspraak, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft, wordt genomen binnen tien weken na de dag waarop de tussenuitspraak, bedoeld in artikel 20.5a, in het openbaar is uitgesproken. Artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
|
||||
**2.** Het besluit tot wijziging van het nationale toewijzingsbesluit wordt genomen binnen tien weken na de dag waarop de tussenuitspraak, bedoeld in artikel 20.5a, in het openbaar is uitgesproken. Artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** Voor de toepassing van dit hoofdstuk vervangt een met toepassing van het eerste lid gewijzigd nationaal toewijzingsbesluit het oorspronkelijke nationale toewijzingsbesluit.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4497,42 +4509,44 @@ d. indien het nationale toewijzingsplan hierin voorziet: het gedeelte van het to
|
|||
|
||||
**2.** Onze Ministers beslissen gezamenlijk, op verzoek van degene die een inrichting als bedoeld in het eerste lid drijft, over de toewijzing van broeikasgasemissierechten als bedoeld in het eerste lid voor de desbetreffende planperiode.
|
||||
|
||||
**3.** Bij het nemen van een besluit krachtens het tweede lid nemen Onze Ministers het geldende nationale toewijzingsplan, voorzover het betreft het in artikel 16.25, eerste lid, onder b, bedoelde onderdeel, alsmede het geldende nationale toewijzingsbesluit, voorzover het betreft het in artikel 16.29, eerste lid, onder d, bedoelde onderdeel in acht.
|
||||
**3.** Bij het nemen van een besluit krachtens het tweede lid nemen Onze Ministers het betrokken nationale toewijzingsplan, voorzover het betreft het in artikel 16.25, eerste lid, onder b, bedoelde onderdeel, alsmede het betrokken nationale toewijzingsbesluit, voorzover het betreft het in artikel 16.29, eerste lid, onder d, bedoelde onderdeel in acht.
|
||||
|
||||
**4.** Een verzoek om toewijzing van broeikasgasemissierechten als bedoeld in het eerste lid wordt afgewezen voorzover door toewijzing van die rechten het totale aantal broeikasgasemissierechten dat voor de toewijzing aan de in het geldende nationale toewijzingsplan aangegeven categorie van inrichtingen als bedoeld in het eerste lid waartoe de inrichting behoort, in de betrokken planperiode ten hoogste beschikbaar is, zou worden overschreden.
|
||||
**4.** Een verzoek om toewijzing van broeikasgasemissierechten als bedoeld in het eerste lid wordt afgewezen voorzover door toewijzing van die rechten het totale aantal broeikasgasemissierechten dat voor de toewijzing aan de in het betrokken nationale toewijzingsplan aangegeven categorie van inrichtingen als bedoeld in het eerste lid waartoe de inrichting behoort, in de betrokken planperiode ten hoogste beschikbaar is, zou worden overschreden.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
Een verzoek om toewijzing van broeikasgasemissierechten als bedoeld in het eerste lid kan worden afgewezen indien:
|
||||
|
||||
a. voor 1 juli van het betrokken kalenderjaar voor de inrichting, bedoeld in het eerste lid, geen vergunning krachtens artikel 16.5, eerste lid, is verleend;
|
||||
b. gerede twijfel bestaat of de inrichting, bedoeld in het eerste lid, voor 31 december van het betrokken kalenderjaar feitelijk in werking zal zijn gesteld overeenkomstig hetgeen daaromtrent is bepaald in het geldende nationale toewijzingsplan;
|
||||
c. niet is voldaan aan de eisen die overeenkomstig artikel 16.25, eerste lid, onder b, in het geldende nationale toewijzingsplan zijn opgenomen met betrekking tot de toewijzing van broeikasgasemissierechten voor inrichtingen als bedoeld in artikel 16.25, tweede lid, onder a;
|
||||
a. voor 1 september van het betrokken kalenderjaar voor de inrichting, bedoeld in het eerste lid, geen vergunning krachtens artikel 16.5, eerste lid, is verleend;
|
||||
b. gerede twijfel bestaat of de inrichting, bedoeld in het eerste lid, voor 31 december van het betrokken kalenderjaar feitelijk in werking zal zijn gesteld overeenkomstig hetgeen daaromtrent is bepaald in het betrokken nationale toewijzingsplan;
|
||||
c. niet is voldaan aan de eisen die overeenkomstig artikel 16.25, eerste lid, onder b, in het betrokken nationale toewijzingsplan zijn opgenomen met betrekking tot de toewijzing van broeikasgasemissierechten voor inrichtingen als bedoeld in artikel 16.25, tweede lid, onder a;
|
||||
d. de verzoeker onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beslissing op het verzoek zou hebben geleid.
|
||||
|
||||
**6.** De toewijzing van broeikasgasemissierechten heeft uitsluitend betrekking op het resterende gedeelte van de planperiode. Broeikasgasemissierechten worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop de inrichting in werking is gesteld, of naar verwachting in werking zal worden gesteld.
|
||||
**6.** Broeikasgasemissierechten worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop de inrichting in werking is gesteld of naar verwachting in werking zal worden gesteld. Een besluit als bedoeld in tweede lid bevat een aanduiding van het gedeelte van het aantal broeikasgasemissierechten dat per kalenderjaar in de betrokken planperiode overeenkomstig artikel 16.35, tweede lid, zal worden verleend.
|
||||
|
||||
### Artikel 16.33
|
||||
|
||||
**1.** Verzoeken om toewijzing van broeikasgasemissierechten als bedoeld in artikel 16.32, tweede lid, die na 1 juli van een kalenderjaar zijn ingediend, worden op 1 juli van het daarop volgende kalenderjaar in behandeling genomen.
|
||||
**1.** Verzoeken om toewijzing van broeikasgasemissierechten als bedoeld in artikel 16.32, tweede lid, die na 1 september van een kalenderjaar zijn ingediend, worden op 1 september van het daarop volgende kalenderjaar in behandeling genomen.
|
||||
|
||||
**2.** Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop het verzoek om toewijzing van broeikasgasemissierechten, bedoeld in artikel 16.32, tweede lid, moet worden gedaan en de gegevens die door de verzoeker moeten worden verstrekt met het oog op de beslissing op het verzoek.
|
||||
|
||||
**3.** Op de voorbereiding van het besluit, bedoeld in artikel 16.32, tweede lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
|
||||
**3.** Op de voorbereiding van het besluit, bedoeld in artikel 16.32, tweede lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met uitzondering van artikel 3:18.
|
||||
|
||||
**4.** Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
|
||||
|
||||
**5.** Onze Ministers nemen het besluit, bedoeld in artikel 16.32, tweede lid, uiterlijk twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerp, doch in elk geval voor 1 oktober van het kalenderjaar waarin het betrokken verzoek in behandeling is genomen.
|
||||
**5.** Onze Ministers nemen het besluit, bedoeld in artikel 16.32, tweede lid, uiterlijk twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerp, doch in elk geval uiterlijk 31 december van het kalenderjaar waarin het betrokken verzoek in behandeling is genomen.
|
||||
|
||||
### Artikel 16.34
|
||||
|
||||
In een geval als bedoeld in artikel 16.25, tweede lid, onder c, wijzen Onze Ministers ambtshalve de broeikasgasemissierechten die niet zijn toegewezen, voor 1 oktober van het een na laatste kalenderjaar van de desbetreffende planperiode toe aan degenen die een inrichting drijven en aan wie in de desbetreffende planperiode reeds eerder broeikasgasemissierechten zijn toegewezen. Het besluit omtrent toewijzing wordt genomen overeenkomstig de daaromtrent in het geldende nationale toewijzingsplan opgenomen regels.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 16.35
|
||||
|
||||
**1.** Voorzover het geldende nationale toewijzingsbesluit daarin voorziet, verleent het bestuur van de emissieautoriteit voor 1 maart van het tweede en volgende kalenderjaar binnen een planperiode voor inrichtingen als bedoeld in artikel 16.25, tweede lid, onder a, het aantal broeikasgasemissierechten dat met betrekking tot het betreffende kalenderjaar voor de betrokken inrichting is toegewezen in het besluit, bedoeld in artikel 16.32, tweede lid. De verlening vindt plaats overeenkomstig artikel 42 van de EG-verordening register handel in broeikasgasemissierechten voorzover het betreft de planperiode die loopt van 2005 tot en met 2007, dan wel artikel 48 van die verordening voorzover het betreft latere planperiodes.
|
||||
**1.** Broeikasgasemissierechten worden overeenkomstig artikel 40 of 46 van de EG-verordening registratie van handel in broeikasgasemissierechten verleend aan degene die de inrichting drijft. Verlening van broeikasgasemissierechten vindt slechts plaats, indien voor de betrokken inrichting een vergunning als bedoeld in artikel 16.5, eerste lid, is verleend.
|
||||
|
||||
**2.** Voorzover het geldende nationale toewijzingsplan daarin voorziet, verleent het bestuur van de emissieautoriteit, indien het geval, bedoeld in artikel 16.25, tweede lid, onder c, zich voordoet, voor 1 maart van het laatste kalenderjaar in een planperiode voor inrichtingen als bedoeld in dat onderdeel, het aantal broeikasgasemissierechten dat voor de betrokken inrichtingen is toegewezen in het besluit, bedoeld in artikel 16.34, dat op die periode betrekking heeft.
|
||||
**2.** Voorzover het betrokken nationale toewijzingsbesluit daarin voorziet, verleent het bestuur van de emissieautoriteit voor een inrichting als bedoeld in artikel 16.25, tweede lid, onder a, voor 1 maart van elk betrokken kalenderjaar een gedeelte van het aantal broeikasgasemissierechten dat voor die inrichting is toegewezen in het besluit, bedoeld in artikel 16.32, tweede lid. Het eerste lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing. De verlening vindt plaats overeenkomstig artikel 42 van de EG-verordening registratie van handel in broeikasgasemissierechten voorzover het betreft de planperiode die loopt van 2005 tot en met 2007, dan wel artikel 48 van die verordening voorzover het betreft latere planperiodes.
|
||||
|
||||
**3.** Voorzover het geldende nationale toewijzingsplan daarin voorziet, verleent het bestuur van de emissieautoriteit, indien het geval, bedoeld in artikel 16.25, tweede lid, onder c, zich voordoet, voor 1 maart van het laatste kalenderjaar in een planperiode voor inrichtingen als bedoeld in dat onderdeel, het aantal broeikasgasemissierechten dat voor de betrokken inrichtingen is toegewezen in het besluit, bedoeld in artikel 16.34, dat op die periode betrekking heeft.
|
||||
|
||||
#### Afdeling 16.2.4. De geldigheid van broeikasgasemissierechten, het inleveren van broeikasgasemissierechten, emissie-reductie-eenheden en gecertificeerde emissiereducties, het annuleren van broeikasgasemissierechten en het compenseren van emissies in een ander kalenderjaar
|
||||
|
||||
|
|
@ -4602,7 +4616,7 @@ b. bijschrijving op een rekening in een register als bedoeld onder a, die op naa
|
|||
|
||||
### Artikel 16.42
|
||||
|
||||
**1.** Nietigheid, vernietiging of ontbinding van de overeenkomst die tot de overdracht heeft geleid, heeft, nadat de overdracht is voltooid, geen gevolgen voor de geldigheid van de overdracht.
|
||||
**1.** Nietigheid of vernietiging van de overeenkomst die tot de overdracht heeft geleid, of onbevoegdheid van degene die overdraagt, heeft, nadat de overdracht is voltooid, geen gevolgen voor de geldigheid van de overdracht.
|
||||
|
||||
**2.** Elk voorbehoud met betrekking tot de overdracht is uitgewerkt op het moment dat de overdracht tot stand is gekomen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4715,17 +4729,17 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
|||
Onverminderd artikel 16.5, tweede lid, is het verboden zonder vergunning van het bestuur van de emissieautoriteit:
|
||||
|
||||
a. een inrichting in werking te hebben;
|
||||
b. een inrichting uit te breiden;
|
||||
c. een inrichting te veranderen of de werking daarvan te veranderen op zodanige wijze dat dit significante gevolgen heeft voor de emissie van stikstofoxiden in de lucht dan wel voor het monitoringsprotocol dat deel uitmaakt van de vergunning;
|
||||
d. het voor de betrokken inrichting geldende monitoringsprotocol ingrijpend te veranderen.
|
||||
b. een inrichting te veranderen of de werking daarvan te veranderen op zodanige wijze dat dit significante gevolgen heeft voor de emissie van stikstofoxiden in de lucht;
|
||||
c. het voor de betrokken inrichting geldende monitoringsplan ingrijpend te veranderen.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 16.5, derde lid, tot en met 16.22 is van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van artikel 16.6, derde lid, tweede volzin, artikel 16.12, vierde lid, en artikel 16.14, derde lid, tweede volzin, en met dien verstande dat:
|
||||
Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 16.6 tot en met 16.22 is van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van artikel 16.6, derde lid, tweede volzin, artikel 16.12, derde lid, en artikel 16.14, derde lid, tweede volzin, en met dien verstande dat:
|
||||
|
||||
a. artikel 16.6, tweede lid, artikel 16.12, eerste lid, onder a en b, onder 1°, en derde lid, onder b, en artikel 16.13, eerste lid, geen betrekking hebben op het grondstofgebruik;
|
||||
b. voorzover in de algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 16.50 het aantal NO_x-emissierechten, bedoeld in dat artikel, is vastgesteld per eenheid product: artikel 16.6, tweede lid, artikel 16.12, eerste lid, onder a en b, onder 1°, en derde lid, onder b, en artikel 16.13, eerste lid, mede betrekking hebben op de productie;
|
||||
c. voor de toepassing van artikel 16.17 in plaats van «op basis van bedoelde eisen» wordt gelezen: op basis van een redelijke schatting.
|
||||
a. artikel 16.6, tweede lid, artikel 16.12, eerste lid, onder a en b, onder 1°, en tweede lid, onder b, en artikel 16.13, eerste lid, geen betrekking hebben op het grondstofgebruik;
|
||||
b. voorzover in de algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 16.50 het aantal NO_x-emissierechten, bedoeld in dat artikel, is vastgesteld per eenheid product: artikel 16.6, tweede lid, artikel 16.12, eerste lid, onder a en b, onder 1°, en tweede lid, onder b, en artikel 16.13, eerste lid, mede betrekking hebben op de productie;
|
||||
c. voor de toepassing van artikel 16.17 in plaats van «op basis van bedoelde eisen» wordt gelezen «op basis van een redelijke schatting»;
|
||||
d. het bestuur van de emissieautoriteit kan, indien bij toepassing van artikel 16.17 gegevens ambtshalve worden vastgesteld, bepalen dat deze gegevens gelden met ingang van 30 april van het kalenderjaar volgend op het jaar waarop die gegevens betrekking hebben.
|
||||
|
||||
**3.** In de vergunning wordt het aantal NO_x-emissierechten vastgesteld dat in een kalenderjaar per overdracht ten hoogste mag worden overgedragen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -4745,7 +4759,9 @@ Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van de bescherming van h
|
|||
|
||||
**2.** Onverminderd het eerste lid heeft de houder van een vergunning krachtens artikel 16.49, eerste lid, of artikel 16.5, eerste lid, in verbinding met artikel 16.5, tweede lid, met betrekking tot ieder kalenderjaar dat ligt binnen een tijdvak als bedoeld in artikel 16.50, op 1 mei van het daarop volgende kalenderjaar een saldo van nul of meer NO_x-emissierechten die betrekking hebben op het eerstbedoelde kalenderjaar op zijn rekening, bedoeld in artikel 16.60, eerste lid, staan.
|
||||
|
||||
**3.** Voor de toepassing van het eerste lid worden ter bepaling van de hoeveelheid van de emissie, bedoeld in dat lid, en het aantal NO_x-emissierechten, bedoeld in artikel 16.50, de gegevens in acht genomen, die daaromtrent zijn opgenomen in het emissieverslag dat de betrokken persoon overeenkomstig artikel 16.12, eerste lid, onder b, in verbinding met artikel 16.49, tweede lid, met betrekking tot dat kalenderjaar heeft ingediend of de gegevens die overeenkomstig artikel 16.17 in verbinding met artikel 16.49, tweede lid, ambtshalve zijn vastgesteld.
|
||||
**3.** Voor de toepassing van het eerste lid worden ter bepaling van de hoeveelheid van de emissie, bedoeld in dat lid, en het aantal NO_x-emissierechten, bedoeld in artikel 16.50, de gegevens in acht genomen, die daaromtrent zijn opgenomen in het emissieverslag dat degene die de inrichting drijft, overeenkomstig artikel 16.12, eerste lid, onder b, in verbinding met artikel 16.49, tweede lid, met betrekking tot dat kalenderjaar heeft ingediend of de gegevens die overeenkomstig artikel 16.17 in verbinding met artikel 16.49, tweede lid, ambtshalve zijn vastgesteld.
|
||||
|
||||
**4.** Indien toepassing is gegeven aan artikel 16.49, tweede lid, onder c, kan het bestuur van de emissieautoriteit, in afwijking van het eerste lid, in naam van degene die de inrichting drijft, NO_x-emissierechten inleveren. Artikel 16.52 is van overeenkomstige toepassing. Als datum van inlevering geldt 30 april van het kalenderjaar, bedoeld in artikel 16.49, tweede lid, onder c.
|
||||
|
||||
### Artikel 16.52
|
||||
|
||||
|
|
@ -4832,7 +4848,7 @@ b. bijschrijving op de rekening of de deelrekening, bedoeld in artikel 16.60, di
|
|||
|
||||
**3.** In het register worden voor elke inrichting op de bijbehorende rekening of deelrekening, bedoeld in artikel 16.60, de gegevens, bedoeld in de artikelen 16.51, eerste lid, en 16.52 opgenomen.
|
||||
|
||||
**4.** Onze Minister kan regels stellen met betrekking tot de werking, de organisatie, de beschikbaarheid en de beveiliging van het register voor handel in NO_x-emissierechten en het openen en bijhouden van rekeningen en deelrekeningen, bedoeld in artikel 16.60. Onze Minister kan tevens regels stellen ter uitvoering van het tweede en derde lid.
|
||||
**4.** Onze Minister kan regels stellen met betrekking tot de werking, de organisatie, de beschikbaarheid en de beveiliging van het register voor handel in NO_x-emissierechten en het openen, bijhouden en opheffen van rekeningen en deelrekeningen, bedoeld in artikel 16.60. Onze Minister kan tevens regels stellen ter uitvoering van het tweede en derde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 16.59
|
||||
|
||||
|
|
@ -5147,7 +5163,7 @@ Het bevoegd gezag is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van
|
|||
|
||||
### Artikel 18.6a
|
||||
|
||||
**1.** In geval van overtreding van het bepaalde bij of krachtens artikel 16.5, eerste lid, 16.5, eerste lid, in verbinding met artikel 16.5, tweede lid, artikel 16.6, eerste, tweede of derde lid, artikel 16.6, eerste, tweede of derde lid, in verbinding met artikel 16.49, tweede lid, artikel 16.12, derde lid, artikel 16.12, derde lid, in verbinding met artikel 16.49, tweede lid, artikel 16.13, artikel 16.13 in verbinding met artikel 16.49, tweede lid, artikel 16.14, artikel 16.14 in verbinding met artikel 16.49, tweede lid, artikel 16.21, artikel 16.21 in verbinding met artikel 16.49, tweede lid, of artikel 16.49, eerste lid, of van artikel 18.18, voorzover het een voorschrift betreft dat is verbonden aan een vergunning krachtens hoofdstuk 16, of van artikel 52, eerste lid, van de EG-verordening register handel in broeikasgasemissierechten, kan het bestuur van de emissieautoriteit een last onder dwangsom opleggen.
|
||||
**1.** In geval van overtreding van het bepaalde bij of krachtens artikel 16.5, eerste lid, 16.5, eerste lid, in verbinding met artikel 16.5, tweede lid, artikel 16.6, eerste, tweede of derde lid, artikel 16.6, eerste, tweede of derde lid, in verbinding met artikel 16.49, tweede lid, artikel 16.12, tweede lid, artikel 16.12, tweede lid, in verbinding met artikel 16.49, tweede lid, artikel 16.13, artikel 16.13 in verbinding met artikel 16.49, tweede lid, artikel 16.14, artikel 16.14 in verbinding met artikel 16.49, tweede lid, artikel 16.21, artikel 16.21 in verbinding met artikel 16.49, tweede lid, of artikel 16.49, eerste lid, of van artikel 18.18, voorzover het een voorschrift betreft dat is verbonden aan een vergunning krachtens hoofdstuk 16, of van artikel 52, eerste lid, van de EG-verordening register handel in broeikasgasemissierechten, kan het bestuur van de emissieautoriteit een last onder dwangsom opleggen.
|
||||
|
||||
**2.** De artikelen 5:32, tweede tot en met vijfde lid, tot en met 5:35 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -5256,7 +5272,7 @@ b. in andere gevallen: vier weken na de datum waarop het verzoek is ontvangen.
|
|||
|
||||
### Artikel 18.16a
|
||||
|
||||
**1.** In geval van overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 16.5, eerste lid, 16.5, eerste lid, in verbinding met artikel 16.5, tweede lid, 16.12, derde lid, 16.12, derde lid, in verbinding met artikel 16.49, tweede lid, 16.13, 16.13 in verbinding met artikel 16.49, tweede lid, 16.14, 16.14 in verbinding met artikel 16.49, tweede lid, 16.21, 16.21 in verbinding met artikel 16.49, tweede lid, 16.49, eerste lid, of 16.51, eerste of tweede lid, of van artikel 18.18, voorzover het een voorschrift betreft dat is verbonden aan een vergunning krachtens hoofdstuk 16, kan het bestuur van de emissieautoriteit de overtreder een bestuurlijke boete opleggen.
|
||||
**1.** In geval van overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 16.5, eerste lid, 16.5, eerste lid, in verbinding met artikel 16.5, tweede lid, 16.12, tweede lid, 16.12, tweede lid, in verbinding met artikel 16.49, tweede lid, 16.13, 16.13 in verbinding met artikel 16.49, tweede lid, 16.14, 16.14 in verbinding met artikel 16.49, tweede lid, 16.21, 16.21 in verbinding met artikel 16.49, tweede lid, 16.49, eerste lid, of 16.51, eerste of tweede lid, of van artikel 18.18, voorzover het een voorschrift betreft dat is verbonden aan een vergunning krachtens hoofdstuk 16, kan het bestuur van de emissieautoriteit de overtreder een bestuurlijke boete opleggen.
|
||||
|
||||
**2.** Het bestuur van de emissieautoriteit legt een bestuurlijke boete op in geval van overtreding van het bepaalde bij artikel 16.37, eerste lid. Artikel 18.16b is niet van toepassing.
|
||||
|
||||
|
|
@ -5628,7 +5644,7 @@ In gevallen waarin het onverwijld in werking treden van een besluit als bedoeld
|
|||
|
||||
**4.** De Afdeling voegt bij haar aanhangig gemaakte zaken met betrekking tot een naar aanleiding van haar tussenuitspraak gewijzigd nationaal toewijzingsbesluit als bedoeld in artikel 16.31, eerste lid, ter behandeling met zaken over het oorspronkelijke nationale toewijzingsbesluit die reeds bij haar aanhangig zijn.
|
||||
|
||||
**5.** Voor de toepassing van titel II, paragraaf 1, van de Wet op de Raad van State wordt de tussenuitspraak geacht deel uit te maken van de einduitspraak.
|
||||
**5.** Voor de toepassing van hoofdstuk II, titel II, paragraaf 1, van de Wet op de Raad van State wordt de tussenuitspraak geacht deel uit te maken van de einduitspraak.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 20.2. Beroep tegen besluiten die zijn voorbereid met toepassing van
|
||||
|
||||
|
|
@ -5753,9 +5769,9 @@ Voor de uitvoering van deze wet ten aanzien van gebieden die niet deel uitmaken
|
|||
|
||||
**2.** De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 5.1, eerste lid, 5.3, vijfde lid, of 18.3 wordt Ons gedaan door Onze Minister en, voor zover het onderdelen van het milieubeleid betreft die tot hun verantwoordelijkheid behoren, Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en, voorzover het de strafrechtelijke handhaving betreft van het bepaalde bij of krachtens deze wet of de andere in artikel 18.1a, eerste lid, bedoelde wetten, Onze Minister van Justitie.
|
||||
|
||||
**3.** De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens paragraaf 2.2, hoofdstuk 7 of paragraaf 14.2, wordt Ons gedaan door Onze Minister en Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens titel 12.1 wordt Ons gedaan door Onze Minister en, voor zover het onderdelen van het milieubeleid betreft die tot hun verantwoordelijkheid behoren, Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat, van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en van Economische Zaken. Indien het een of meer inrichtingen betreft, die onder Onze Minister van Defensie ressorteren, wordt de voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens de artikelen 12.1, tweede lid, 12.4 en 12.5 Ons mede door hem gedaan.
|
||||
**3.** De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens paragraaf 2.2, hoofdstuk 7 of paragraaf 14.2, wordt Ons gedaan door Onze Minister, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens titel 12.1 wordt Ons gedaan door Onze Minister en, voor zover het onderdelen van het milieubeleid betreft die tot hun verantwoordelijkheid behoren, Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat, van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en van Economische Zaken. Indien het een of meer inrichtingen betreft, die onder Onze Minister van Defensie ressorteren, wordt de voordracht voor een algemene maatregel van bestuur krachtens de artikelen 12.1, tweede lid, 12.4 en 12.5 Ons mede door hem gedaan.
|
||||
|
||||
**4.** Het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 1.1, eerste, derde, zesde, zevende of achtste lid, 2.2, derde lid, 5.1, eerste lid, 5.3, eerste lid, 7.1, derde lid, 7.2, eerste lid, 7.7, 8.2, 8.2a, 8.5, 8.7, 8.15, 8.17, tweede lid, 8.19, 8.20, tweede lid, 8.35, 8.40, 8.44, 8.45, 8.49, vijfde lid, 10.2, tweede lid, 10.15, eerste lid, 10.16, eerste lid, 10.17, eerste lid, 10.18, 10.19, eerste lid, 10.22, tweede lid, 10.28, eerste lid, 10.29, eerste lid, 10.30, derde lid, 10.32, 10.41, eerste en tweede lid, 10.42, eerste lid, 10.43, eerste lid, 10.44, derde lid, 10.46, eerste lid, 10.47, eerste lid, 10.48, eerste lid, 10.51, eerste lid, 10.52, eerste lid, 10.54, derde lid, 10.61, eerste lid, 12.1, tweede lid, 12.4, 12.5, 12.11, tweede lid, 12.12, tweede en vierde lid, 12.13, tweede en derde lid, 12.16, derde lid, 15.13, eerste lid, 15.32, eerste of tweede lid, 15.46, vijfde lid, 16.1, derde lid, 16.12, derde lid, in verbinding met 16.49, tweede lid, 16.50 of 16.53, tweede lid, dan wel artikel 18.3 wordt overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal en in de Staatscourant bekendgemaakt. Aan een ieder wordt de gelegenheid geboden binnen een bij die bekendmaking vast te stellen termijn van ten minste vier weken opmerkingen over het ontwerp schriftelijk ter kennis van Onze Minister te brengen.
|
||||
**4.** Het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 1.1, eerste, derde, zesde, zevende of achtste lid, 2.2, derde lid, 5.1, eerste lid, 5.3, eerste lid, 7.1, derde lid, 7.2, eerste lid, 7.7, 8.2, 8.2a, 8.5, 8.7, 8.15, 8.17, tweede lid, 8.19, 8.20, tweede lid, 8.35, 8.40, 8.44, 8.45, 8.49, vijfde lid, 10.2, tweede lid, 10.15, eerste lid, 10.16, eerste lid, 10.17, eerste lid, 10.18, 10.19, eerste lid, 10.22, tweede lid, 10.28, eerste lid, 10.29, eerste lid, 10.30, derde lid, 10.32, 10.41, eerste en tweede lid, 10.42, eerste lid, 10.43, eerste lid, 10.44, derde lid, 10.46, eerste lid, 10.47, eerste lid, 10.48, eerste lid, 10.51, eerste lid, 10.52, eerste lid, 10.54, derde lid, 10.61, eerste lid, 12.1, tweede lid, 12.4, 12.5, 12.11, tweede lid, 12.12, tweede en vierde lid, 12.13, tweede en derde lid, 12.16, derde lid, 15.13, eerste lid, 15.32, eerste of tweede lid, 15.46, vijfde lid, 16.1, derde lid, 16.12, tweede lid, in verbinding met 16.49, tweede lid, 16.50 of 16.53, tweede lid, dan wel artikel 18.3 wordt overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal en in de Staatscourant bekendgemaakt. Aan een ieder wordt de gelegenheid geboden binnen een bij die bekendmaking vast te stellen termijn van ten minste vier weken opmerkingen over het ontwerp schriftelijk ter kennis van Onze Minister te brengen.
|
||||
|
||||
**5.** Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het vierde lid wordt, nadat hij is vastgesteld, toegezonden aan de beide kamers der Staten-Generaal. Hij treedt niet eerder in werking dan vier weken na de datum van uitgifte van het *Staatsblad* waarin hij is geplaatst. Een krachtens artikel 5.1, eerste lid, vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt in werking op een tijdstip dat, nadat vier weken na de toezending ervan aan de beide kamers der Staten-Generaal zijn verstreken, bij koninklijk besluit wordt vastgesteld, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers der Staten-Generaal of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het in de algemene maatregel van bestuur geregelde onderwerp bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend en wordt de algemene maatregel van bestuur onverwijld ingetrokken.
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue