2006-11-19 | BWBR0012288 | Vreemdelingencirculaire 2000 (C)

This commit is contained in:
Coornhert 2006-11-19 12:00:00 +00:00
parent 4a895f81b3
commit 1532fa59ac

View file

@ -9172,6 +9172,12 @@ Bijzondere aandacht dient te worden geschonken aan personen die zich schuldig he
Indien er aanwijzingen zijn dat artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is, dient conform C3/10.14 te worden gehandeld.
##### 4.10. Vrouwen
##### 4.11. Homoseksuelen, biseksuelen en transseksuelen
##### 4.12. Schenders van mensenrechten/uitsluiting van bescherming
#### 5. Bijzondere aandachtspunten
In deze paragraaf wordt ingegaan op meer algemene omstandigheden die van belang (kunnen) zijn bij de beoordeling of de asielzoeker in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel.
@ -9293,6 +9299,12 @@ Met Iran is geen overeenkomst gesloten met betrekking tot de terugname van eigen
Naar Iran kan worden teruggekeerd. Bij de feitelijke terugkeer van alleenstaande minderjarigen moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn.
#### 8. Ambtshalve toets
#### 9. Vertrekmoratorium
#### 10. Overgangsrecht
### [8/48]. Het asielbeleid ten aanzien van Ivoorkust
#### 1. Datum
@ -10397,90 +10409,85 @@ Naar Nigeria kan worden teruggekeerd.
#### 1. Datum
Deze versie van dit hoofdstuk is vastgesteld op 1 april 2001.
Deze versie van dit hoofdstuk is vastgesteld op 31 oktober 2006.
20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001
200622517-11-200631-10-20062006/35200622517-11-200631-10-20062006/3519-11-2006
#### 2. Geldigheid
#### 2. Achtergrond
Het beleid en de instructies in dit hoofdstuk zijn geldig vanaf 1 april 2001.
Dit hoofdstuk bevat het landgebonden asielbeleid voor Pakistan. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C6 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving en het algemene beleid blijven steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag.
#### 3. Besluitmoratorium
Ten aanzien van asielzoekers uit Pakistan is geen besluit genomen in de zin van artikel 43 Vw.
20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001
200622517-11-200631-10-20062006/35200622517-11-200631-10-20062006/3519-11-2006
#### 3. Achtergrond
#### 4. Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen
Dit hoofdstuk bevat de uitvoeringsconsequenties van het door de Staatssecretaris vastgestelde beleid.
20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001
##### 4.1. Ahmadi-moslims en christenen
#### 4. Groeperingen die verhoogde aandacht vragen
##### 4.1. Pakistaanse Ahmadi-moslims
Ahmadi-moslims, die aannemelijk maken (dit kan bijvoorbeeld door overlegging van een gerechtelijk document) dat hen een veroordeling staat te wachten wegens overtreding van art. 295c van het Pakistaanse wetboek van strafrecht (blasfemie), artikel 298 B (gebruik van bepaalde als heilig beschouwde uitdrukkingen of betitelingen) of artikel 298 C (verbod voor Ahmadis om zich moslim te noemen, islamitische rituelen te verrichten en hun geloof uit te dragen) kunnen in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel. Blijkens het ambtsbericht van 24 juli 1997 is het niet mogelijk zich te onttrekken aan strafrechtelijk optreden van de overheid door zich elders in Pakistan te vestigen.
In Pakistan is geen sprake van systematische vervolging van ahmadis en christenen door de overheid enkel en alleen op basis van hun geloof. Zij hebben als religieuze minderheid wel te maken met verscheidene soorten discriminatie. Verschillende overheidsinstellingen hebben zich hieraan gedurende de verslagperiode van het eerdergenoemde ambtsbericht meerdere malen schuldig gemaakt. Zo is het voorgekomen dat ahmadis en christenen niet werden aangenomen in het leger, in het onderwijs en bij overheidsinstellingen.
Uiteraard moet ook steeds aannemelijk worden gemaakt dat betrokkene inderdaad de door hem geclaimde geloofsovertuiging heeft. Indien een verblijfsvergunning asiel op basis van artikel 29, eerste lid, onder a, Vreemdelingenwet wordt overwogen, dient het ministerie van Buitenlandse Zaken te worden gevraagd een onderzoek in te stellen of de betrokkene al dan niet behoort tot de Ahmadiyya-beweging.
Uit het ambtsbericht komt tevens naar voren dat Ahmadis in Pakistan kunnen worden lastiggevallen door fundamentalistische moslimgroeperingen, waarbij de overheid in het algemeen niet afdoende optreedt om de Ahmadis te beschermen. Deze incidenten vinden vooral plaats in dorpen.
Het lijkt dat de intolerantie in de samenleving jegens ahmadis en christenen toeneemt. De overheid treedt vaak niet afdoende op in het geval ahmadis en christenen worden lastiggevallen. Het is gedurende de verslagperiode van het genoemde ambtsbericht voorgekomen dat de politie weigerde aanklachten van misdrijven gericht tegen ahmadis en christenen in behandeling te nemen, of weigerde bij confrontaties tussen ahmadis en christenen en aanhangers van de islamitische hoofdstromingen tussenbeide te komen.
Indien Ahmadis in hun dorpen door derden worden lastiggevallen, kunnen zij elders in Pakistan een veilig onderkomen vinden, bijvoorbeeld in de grotere steden, omdat zij daar de mogelijkheden hebben in relatieve anonimiteit te treden. Het feit dat ook in de grote steden incidenteel tegen Ahmadis wordt opgetreden, doet niet af aan deze mogelijkheid om aldaar een vestigingsalternatief te vinden. Relevant is met name of men zich uitdrukkelijk als Ahmadi manifesteert.
Om op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd dient betrokkene aannemelijk te maken dat betrokkene de door hem geclaimde geloofsovertuiging heeft. Vervolgens dient betrokkene aannemelijk te maken dat de problemen die hij van de zijde van Pakistaanse autoriteiten dan wel derden heeft ondervonden te herleiden zijn tot daden van vervolging zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of dat hij een reëel risico loopt op schending van het gestelde in artikel 3 EVRM.
200622517-11-200631-10-20062006/35200622517-11-200631-10-20062006/3519-11-2006
#### 5. Traumatabeleid
Het algemene beleid, zoals weergegeven in C1/4.4 is van toepassing.
200622517-11-200631-10-20062006/35200622517-11-200631-10-20062006/3519-11-2006
#### 6. Categoriale bescherming
Asielzoekers uit Pakistan komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw (zie C1/4.5).
#### 7. Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten
##### 7.1. Vlucht- en/of vestigingsalternatief
Het algemene beleid, zoals weergegeven in C1/3.3.3 is van toepassing.
De enkele omstandigheid dat een Ahmadi door derden wordt lastiggevallen, is in beginsel niet voldoende om vluchtelingschap aan te nemen.
Ten aanzien van ahmadis en christenen geldt dat in geval van vluchtelingrechtelijke vervolging en (dreigende) schending van artikel 3 EVRM door de Pakistaanse autoriteiten en derden geen vlucht- en vestigingsalternatief wordt tegengeworpen.
20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001
200622517-11-200631-10-20062006/35200622517-11-200631-10-20062006/3519-11-2006
#### 5. Bijzondere aandachtspunten
##### 7.2. Veilig land van herkomst
In deze paragraaf wordt ingegaan op meer algemene omstandigheden die van belang (kunnen) zijn bij de beoordeling of de asielzoeker in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel.
20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001
Pakistan wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst.
##### 5.1. Vlucht- en/of vestigingsalternatief
##### 7.3. Veilig derde land / land van eerder verblijf
In geval van vluchtelingrechtelijke vervolging door de Pakistaanse autoriteiten van Ahmadis kan een binnenlands vestigingsalternatief niet worden tegengeworpen. Indien Ahmadis in hun dorpen door derden worden lastiggevallen, kunnen zij in de grote steden, zoals Lahore, Rawalpindi en Karachi, of in de eigen religieuze hoofdstad van de Ahmadi's (Rabwah) of in andere plaatsen met grote Ahmadi-gemeenschappen een veilig onderkomen vinden. Dit geldt niet voor de Ahmadi die een officiële functie binnen de religieuze gemeenschap vervult en zijn geloof openlijk belijdt.
20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001
Pakistan wordt niet beschouwd als een veilig derde land.
##### 5.2. Traumatabeleid
##### 7.4. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Het algemene beleid, zoals weergegeven in C1/4.3 is van toepassing.
20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001
##### 5.3. Opvangmogelijkheden minderjarigen en bijzonderheden met betrekking tot het beleid inzake alleenstaande minderjarige vreemdelingen
Het algemene beleid inzake de alleenstaande minderjarige asielzoekers is van toepassing.
20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001
##### 5.4. Driejarenbeleid
Geen bijzonderheden.
20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001
#### 6. Procedurele aspecten
##### 6.1. Onderzoek
Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft aangegeven onderzoek te kunnen verrichten in Pakistan. Indien een verblijfsvergunning asiel op basis van artikel 29, eerste lid, onder a, Vreemdelingenwet wordt overwogen, dient het ministerie van Buitenlandse Zaken te worden gevraagd een onderzoek in te stellen of een beweerde Ahmadi-asielzoeker al dan niet behoort tot de Ahmadiyya-beweging.
20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001
#### 7. Terugkeer en uitzetting
Geen bijzonderheden.
20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND20016430-03-200102-03-20015073884/01/IND01-04-2001
Het beleid zoals neergelegd in C1/5.13.3 is van toepassing. Voor wat betreft de procedure in 1F-zaken wordt verwezen naar C3/10.14. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C3/10.15.
#### 8. Ambtshalve toets
##### 8.1. Opvangmogelijkheden AMVs
Ten aanzien van amvs uit Pakistan kan niet op voorhand worden geconcludeerd dat adequate opvang aanwezig is. De aanwezigheid van adequate opvang dient per individueel geval te worden vastgesteld. Het algemene beleid is van toepassing. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven.
##### 8.2. Driejarenbeleid
Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/9, is van toepassing.
#### 9. Vertrekmoratorium
Ten aanzien van asielzoekers uit Pakistan is geen besluit genomen in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.
#### 10. Overgangsrecht
Het beleid zoals weergegeven in het gelijknamige hoofdstuk van 1 april 2001 komt te vervallen met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze versie van het hoofdstuk.
### [8/55a]. Het asielbeleid ten aanzien van Rusland
#### 1. Datum