2025-01-01 | BWBR0040179 | Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming

This commit is contained in:
Coornhert 2025-01-01 12:00:00 +00:00
parent 023d852c17
commit 1619953ea9

View file

@ -541,7 +541,7 @@ a. met apparaten die een ingekapselde bron bevatten, op voorwaarde dat:
1°. het apparaat behoort tot een bij verordening of beschikking van de Autoriteit goedgekeurd type;
2°. het apparaat onder normale bedrijfsomstandigheden op 0,1 m van enige bereikbare buitenzijde daarvan geen hoger omgevingsdosisequivalenttempo veroorzaakt dan 1 microsievert per uur, en
3°. de Autoriteit voorwaarden voor recycling of verwijdering heeft vastgesteld;
3°. de Autoriteit bij verordening of beschikking voorwaarden voor recycling of verwijdering heeft vastgesteld;
b. met ieder toestel, mits:
1°. deze een elektronenstraalbuis is voor visuele beeldweergave, of een ander elektrisch toestel dat werkt bij een potentiaalverschil van niet meer dan 30 kilovolt (kV), of behoort tot een bij verordening of beschikking van de Autoriteit goedgekeurd type, en
@ -2405,7 +2405,9 @@ b. binnen redelijke termijn na de gebeurtenissen op de hoogte wordt gebracht van
### Artikel 8.13
Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport draagt zorg voor de verdeling van individuele dosisschattingen als gevolg van medische blootstelling voor radiodiagnostiek en interventieradiologie. Indien nodig, wordt rekening gehouden met de leeftijdsverdeling en het geslacht van de blootgestelde populatie.
**1.** Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport draagt zorg voor de verdeling van individuele dosisschattingen als gevolg van medische blootstelling voor radiodiagnostiek en interventieradiologie. Indien nodig, wordt rekening gehouden met de leeftijdsverdeling en het geslacht van de blootgestelde populatie.
**2.** Een ondernemer verstrekt aan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport desgevraagd de gegevens die noodzakelijk zijn om de verdeling van individuele dosisschattingen als gevolg van medische blootstellingen voor radiodiagnostiek en interventieradiologie te bepalen.
### Paragraaf 8.4. Eisen aan procedures en apparatuur
@ -2437,7 +2439,7 @@ c. wordt betrokken voor advies over aangelegenheden betreffende stralingsbescher
De ondernemer draagt ervoor zorg dat:
a. op alle radiologische apparatuur die in gebruik is streng toezicht wordt uitgeoefend inzake de stralingsbescherming;
b. voor elke medisch-radiologische instelling een bijgewerkte inventaris van medisch-radiologische apparatuur ter beschikking wordt gehouden van de Autoriteit en van het Staatstoezicht op de volksgezondheid;
b. voor elke medisch-radiologische instelling een bijgewerkte inventaris van medisch-radiologische apparatuur ter beschikking wordt gehouden van de Autoriteit en van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd;
c. passende programmas voor kwaliteitsborging en evaluaties van doses en toegediende hoeveelheden worden toegepast;
d. acceptatietests worden uitgevoerd voor de ingebruikneming van de apparatuur voor klinische doeleinden en daarna periodiek en na elke onderhoudsprocedure die de werking kan aantasten prestatietests worden uitgevoerd;
e. de nodige maatregelen worden getroffen om de werking van medisch-radiologische apparatuur te verbeteren die in gebruik is en die niet voldoet aan bij regeling van Onze Minister voor Medische Zorg gestelde eisen aan het functioneren van die apparatuur;
@ -2702,7 +2704,7 @@ b. inzameling van radioactieve afvalstoffen.
**2.** Een afvalstof wordt niet als radioactieve afvalstof aangemerkt, indien de activiteitsconcentratie van die afvalstof lager is dan de desbetreffende bij of krachtens artikel 3.20 of 3.21 vastgestelde vrijgavewaarde en artikel 10.6, eerste lid, van toepassing is.
**3.** Radioactieve afvalstoffen worden zo snel als redelijkerwijs mogelijk afgevoerd doch in ieder geval binnen een door de Autoriteit gestelde termijn.
**3.** Radioactieve afvalstoffen worden zo snel als redelijkerwijs mogelijk afgevoerd doch in ieder geval binnen een door de Autoriteit bij verordening of beschikking gestelde termijn.
**4.** De in het derde lid gestelde verplichting geldt niet indien de radioactieve afvalstoffen een fysische halveringstijd hebben van minder dan 100 dagen en maximaal twee jaar worden opgeslagen in een daartoe geschikte ruimte met het oog op fysisch verval tot afvalstoffen met een activiteitsconcentratie van niet meer dan de in artikel 10.6, eerste lid, bedoelde waarde.