2007-05-23 | BWBR0011133 | Lozingenbesluit open teelt en veehouderij
This commit is contained in:
parent
d2992b0c75
commit
163b53108a
1 changed files with 118 additions and 183 deletions
|
|
@ -18,53 +18,43 @@ citeertitel: Lozingenbesluit open teelt en veehouderij
|
|||
|
||||
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. *afvalwater:* alle water waarvan de houder zich – met het oog op de verwijdering daarvan – ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen;
|
||||
a. *afvalwater:* alle water waarvan de houder zich – met het oog op de verwijdering daarvan – ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen;
|
||||
b. *agrarische activiteiten:* een geheel van activiteiten die betrekking hebben op landbouwgewassen en landbouwhuisdieren als bedoeld in bijlage I bij dit besluit;
|
||||
c. *beperkt lozen: *lozen van 10 inwonerequivalenten of minder;
|
||||
c. *beperkt lozen:* lozen van 10 inwonerequivalenten of minder;
|
||||
d. *bestaand lozen:* lozen dat reeds voor het tijdstip van het in werking treden van het besluit plaatsvond;
|
||||
e. *bestrijdingsmiddel:* bestrijdingsmiddel als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962;
|
||||
f. *biologische teelt:* teelt uitgevoerd overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens het Landbouwkwaliteitsbesluit biologische productiemethode;
|
||||
f. *biologische teelt:* teelt uitgevoerd overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens het Landbouwkwaliteitsbesluit biologische produktiemethode;
|
||||
g. *condenswater:* water dat bij afkoeling van lucht in koelinstallaties en langs koude oppervlakken in bewaarruimten ontstaat;
|
||||
h. *controlevoorziening:* voorziening ten behoeve van het nemen van monsters;
|
||||
i. *drainagewater:* water dat uit de bodem vrijkomt en via een drainagesysteem wordt geloosd;
|
||||
j. *driftarme dop:* een spuitdop die in het toe te passen drukbereik vergeleken met de grensdop van de klasse fijn en midden volgens de British Crop Protection Council (BCPC)-klassificatie (31-030-F110 bij 3 bar), een 50% kleiner volumepercentage druppels met een diameter kleiner dan 100 µm produceert;
|
||||
k. *emissiescherm: *barrière van ondoorlatend materiaal of van gaas met een windreduktie van 50% of meer, die van tenminste gelijke hoogte is als de bovenste in gebruik zijnde spuitdop van het gebruikte apparaat en het te bespuiten gewas op het perceel en die het verwaaien van bestrijdingsmiddelen naar het oppervlaktewater beperkt;
|
||||
l. *gespecialiseerd bollenteeltgebied:* gebied dat is aangewezen in bijlage II bij dit besluit;
|
||||
m. *gewasbed:* strook beteelde grond die in de breedte wordt begrensd door een strook onbeteelde grond;
|
||||
n. *gewasbeschermingsmiddel:* gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962;
|
||||
o. *hemelwater:* water dat als gevolg van neerslag op het perceel, het erf of de gebouwen terechtkomt;
|
||||
p. *huishoudelijk afvalwater:* afvalwater dat naar zijn aard en samenstelling overeenkomt met afvalwater afkomstig van een particulier huishouden;
|
||||
q. *insteek van het oppervlaktewater:* snijpunt van de raaklijnen van het talud en het horizontale maaiveld;
|
||||
r. *kantdop:* driftarme dop die als gevolg van de constructie en bevestiging aan de veldspuitapparatuur een tophoek van maximaal 90° kent en aan de zijde van het oppervlaktewater een verticale of nagenoeg verticale neerwaartse richting van het bestrijdingsmiddel creëert;
|
||||
s. *kantstrooivoorziening:* voorziening die tijdens het toedienen van korrel- en poedervormige meststoffen bewerkstelligt dat de verspreiding van die meststoffen richting het oppervlaktewater wordt verhinderd;
|
||||
t. *landbouwgewassen:* gewassen voor zover die zijn aangewezen in bijlage I bij dit besluit;
|
||||
u. *landbouwhuisdieren:* dieren voor zover die zijn aangewezen in bijlage I bij dit besluit;
|
||||
v. *lozen:* het in oppervlaktewater brengen van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen;
|
||||
w. *luchtondersteuning:* voorziening aan de spuitboom van veldspuitapparatuur, waarbij een separate luchtstroom een geforceerde neerwaartse richting van het bestrijdingsmiddel creëert;
|
||||
x. *meststoffen:* stoffen als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Meststoffenwet;
|
||||
y. *mestvrije zone:* zone langs het oppervlaktewater waarop geen meststoffen worden toegediend;
|
||||
z. *neerwaarts bespuiten:* in neerwaartse richting druppelsgewijs verspreiden van gewasbeschermingsmiddelen;
|
||||
aa. *NEN:* door het Nederlands Normalisatie Instituut (NNI) uitgegeven norm;
|
||||
bb. *NVN:* door het Nederlands Normalisatie Instituut (NNI) uitgegeven voornorm;
|
||||
cc. *nieuw lozen:* lozen dat geen bestaand lozen is;
|
||||
dd. *omvangrijk lozen:* lozen van meer dan 10 doch niet meer dan 200 inwonerequivalenten;
|
||||
ee. *Onze Minister:* Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
|
||||
ff. *Onze Ministers:* Onze Minister en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
|
||||
gg. *opwaarts bespuiten:* in opwaartse of zijwaartse richting druppelsgewijs verspreiden van gewasbeschermingsmiddelen;
|
||||
hh. *overkapte beddenspuit:* apparatuur die bestemd is voor het gebruiken van bestrijdingsmiddelen waarbij de spuitdoppen gemonteerd zijn binnen een overkapping, die met uitzondering van de voor- en de achterzijde van de apparatuur, het gewasbed min of meer omsluit en waarbij per gewasbed een eenheid van spuitleiding en overkapping wordt gebruikt;
|
||||
ii. *reflectiescherm:* verticale constructie aan een apparaat dat bestemd is voor het gebruiken van bestrijdingsmiddelen, met een zodanige hoogte en breedte dat het verwaaien van spuitnevel wordt beperkt;
|
||||
jj. *riolering:* voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater als bedoeld in artikel 10.15 van de Wet milieubeheer of een daarop aangesloten bedrijfsriolering;
|
||||
kk. *smalle percelen:* percelen met minder dan 20 gewasrijen, doch niet breder dan 70 m, die aan de zijde parallel of nagenoeg parallel aan de gewasrijen worden begrensd door oppervlaktewater;
|
||||
ll. *spuitboom:* al dan niet uitklapbare horizontale constructie van apparatuur die bestemd is voor het gebruiken van bestrijdingsmiddelen die met een reeks spuitdoppen is uitgevoerd;
|
||||
mm. *spuitdop:* uitstroom opening van apparatuur die bestemd is voor het gebruiken van bestrijdingsmiddelen dat in staat is spuitvloeistof zo te verdelen in druppels dat er op de grond of op het landbouwgewas een regelmatige verdeling ontstaat;
|
||||
nn. *spuitgeweer:* apparatuur die bestemd is voor het gebruiken van bestrijdingsmiddelen bestaande uit een spuitleiding die is voorzien van één spuitdop die met de hand wordt vastgehouden en bediend;
|
||||
oo. *teeltvrije zone:* strook tussen de insteek van het oppervlaktewater en het te telen gewas waarop, behoudens grasland, geen gewas of niet hetzelfde gewas als op de rest van het perceel wordt geteeld;
|
||||
pp. *testcertificaat:* schriftelijke verklaring, afgegeven door een deskundig, onafhankelijk instituut, waaruit blijkt dat een driftarme dop, die bij het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen wordt toegepast, voldoet aan de bij of krachtens dit besluit gestelde eisen ten aanzien van driftarme doppen;
|
||||
qq. *tunnelspuit:* apparatuur die is bestemd voor het gebruiken van bestrijdingsmiddelen in een gewasrij waarbij het verwaaien van spuitnevel wordt beperkt door een constructie die de gewasrij geheel of gedeeltelijk omsluit;
|
||||
rr. *vanggewas:* tijdens het gebruiken van een bestrijdingsmiddel aanwezige barrière van bomen, struiken of andere gewassen welke van tenminste gelijke hoogte is als de bovenste in werking zijnde spuitdop van de gebruikte apparatuur én van tenminste gelijke hoogte als het gewas op het perceel, die het verwaaien van spuitvloeistof naar het oppervlaktewater beperkt, die met uitzondering van een doorrijscherm op de kopakker aaneengesloten is;
|
||||
ss. *veldspuitapparatuur:* mechanisch voortbewogen apparatuur die bestemd is voor het gebruiken van bestrijdingsmiddelen, bestemd voor bovengrondse volveldsbehandeling in buitenteelten, die een overwegend neerwaartse uitstroming van de spuitvloeistof bewerkstelligt;
|
||||
tt. *waterkwaliteitsbeheerder:* het bestuursorgaan dat overeenkomstig artikel 3 onderscheidenlijk artikel 6, eerste lid, van de wet bevoegd is of zou zijn een vergunning te verlenen;
|
||||
uu. *wet :*
|
||||
i. *driftarme dop:* een spuitdop die in het toe te passen drukbereik vergeleken met de grensdop van de klasse fijn en midden volgens de British Crop Protection Council (BCPC)-klassificatie (31-030-F110 bij 3 bar), een 50% kleiner volumepercentage druppels met een diameter kleiner dan 100 μm produceert;
|
||||
j. *emissiescherm:* tijdens het gebruiken van een bestrijdingsmiddel of bladmeststof aanwezige, aan de grond verankerde barrière van ondoorlatend materiaal of van gaas met een windreductie van 50% of meer, die van tenminste gelijke hoogte is als de bovenste in gebruik zijnde spuitdop van de gebruikte apparatuur én van tenminste gelijke hoogte als het gewas op het perceel, die het verwaaien van spuitvloeistof naar het oppervlaktewater beperkt, die met uitzondering van een doorrijscherm op de kopakker aaneengesloten is;
|
||||
k. *gewasbed:* strook beteelde grond die in de breedte wordt begrensd door een strook onbeteelde grond;
|
||||
l. *gewasbeschermingsmiddel:* gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962;
|
||||
m. *hemelwater:* water dat als gevolg van neerslag op het perceel, het erf of de gebouwen terechtkomt;
|
||||
n. *huishoudelijk afvalwater:* afvalwater dat naar zijn aard en samenstelling overeenkomt met afvalwater afkomstig van een particulier huishouden;
|
||||
o. *insteek van het oppervlaktewater:* snijpunt van de raaklijnen van het talud en het horizontale maaiveld;
|
||||
p. *kantdop:* driftarme dop die als gevolg van de constructie en bevestiging aan de veldspuitapparatuur een tophoek van maximaal 90° kent en aan de zijde van het oppervlaktewater een verticale of nagenoeg verticale neerwaartse richting van het bestrijdingsmiddel creëert;
|
||||
q. *kantstrooivoorziening:* voorziening die tijdens het toedienen van korrel- en poedervormige meststoffen bewerkstelligt dat de verspreiding van die meststoffen richting het oppervlaktewater wordt verhinderd;
|
||||
r. *lozen:* het in oppervlaktewater brengen van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen;
|
||||
s. *luchtondersteuning:* voorziening aan de spuitboom van veldspuitapparatuur, waarbij een separate luchtstroom een geforceerde neerwaartse richting van het bestrijdingsmiddel creëert;
|
||||
t. *meststoffen:* stoffen als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Meststoffenwet;
|
||||
u. *NEN:* door het Nederlands Normalisatie Instituut (NNI) uitgegeven norm;
|
||||
v. *nieuw lozen:* lozen dat geen bestaand lozen is;
|
||||
w. *omvangrijk lozen:* lozen van meer dan 10 doch niet meer dan 200 inwonerequivalenten;
|
||||
x. *Onze Minister:* Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
|
||||
y. *Onze Ministers:* Onze Minister en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
|
||||
z. *overkapte beddenspuit:* apparatuur die bestemd is voor het gebruiken van bestrijdingsmiddelen waarbij de spuitdoppen gemonteerd zijn binnen een overkapping, die met uitzondering van de voor- en de achterzijde van de apparatuur, het gewasbed min of meer omsluit en waarbij per gewasbed een eenheid van spuitleiding en overkapping wordt gebruikt;
|
||||
aa. *reflectiescherm:* verticale constructie aan een apparaat dat bestemd is voor het gebruiken van bestrijdingsmiddelen, met een zodanige hoogte en breedte dat het verwaaien van spuitnevel wordt beperkt;
|
||||
bb. *riolering:* voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater als bedoeld in artikel 10.30 van de Wet milieubeheer of een daarop aangesloten bedrijfsriolering;
|
||||
cc. *spuitdop:* uitstroomopening van apparatuur die bestemd is voor het gebruiken van bestrijdingsmiddelen die in staat is spuitvloeistof zo te verdelen in druppels dat er op de grond of op het landbouwgewas een regelmatige verdeling ontstaat;
|
||||
dd. *spuitgeweer:* apparatuur die bestemd is voor het gebruiken van bestrijdingsmiddelen bestaande uit een spuitleiding die is voorzien van één spuitdop die met de hand wordt vastgehouden en bediend;
|
||||
ee. *teeltvrije zone:* strook tussen de insteek van het oppervlaktewater en het te telen gewas waarop, behoudens grasland, geen gewas of niet hetzelfde gewas als op de rest van het perceel wordt geteeld;
|
||||
ff. *testcertificaat:* schriftelijke verklaring, afgegeven door een deskundig, onafhankelijk instituut, waaruit blijkt dat een driftarme dop, die bij het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen wordt toegepast, voldoet aan de bij of krachtens dit besluit gestelde eisen ten aanzien van driftarme doppen;
|
||||
gg. *tunnelspuit:* apparatuur die is bestemd voor het gebruiken van bestrijdingsmiddelen in een gewasrij waarbij het verwaaien van spuitnevel wordt beperkt door een constructie die de gewasrij geheel of gedeeltelijk omsluit;
|
||||
hh. *vanggewas:* tijdens het gebruiken van een bestrijdingsmiddel aanwezige barrière van bomen, struiken of andere gewassen welke van tenminste gelijke hoogte is als de bovenste in gebruik zijnde spuitdop van de gebruikte apparatuur én van tenminste gelijke hoogte als het gewas op het perceel, die het verwaaien van spuitvloeistof naar het oppervlaktewater beperkt, die met uitzondering van een doorrijscherm op de kopakker aaneengesloten is;
|
||||
ii. *veldspuitapparatuur:* mechanisch voortbewogen apparatuur die bestemd is voor het gebruiken van bestrijdingsmiddelen, bestemd voor bovengrondse volveldsbehandeling in buitenteelten, die een overwegend neerwaartse uitstroming van de spuitvloeistof bewerkstelligt;
|
||||
jj. *waterkwaliteitsbeheerder:* het bestuursorgaan dat overeenkomstig artikel 3 van de wet bevoegd is of zou zijn een vergunning te verlenen;
|
||||
kk. *wet:*
|
||||
Wet verontreiniging oppervlaktewateren.
|
||||
|
||||
**2.** Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen, wordt de afstand tot de dichtstbijzijnde riolering berekend langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
|
||||
|
|
@ -98,11 +88,13 @@ i. het lozen van huishoudelijk afvalwater met een omvang van meer dan 10 inwoner
|
|||
2°. 600 m bij 25 tot 50 inwonerequivalenten,
|
||||
3°. 1500 m bij 50 tot 100 inwonerequivalenten en
|
||||
4°. 3000 m bij meer dan 100 inwonerequivalenten doch niet meer dan 200 inwonerequivalenten;
|
||||
j. het lozen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen ten gevolge van respectievelijk bij de teelt van bloembollen en -knollen in gebieden die in bijlage II bij dit besluit zijn aangewezen als gespecialiseerde bollenteeltgebieden;
|
||||
j. het lozen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen ten gevolge van respectievelijk bij de teelt van bloembollen of -knollen op hetzelfde gewasperceel gedurende een periode van twee of meer achtereenvolgende teeltseizoenen in de in bijlage II bij dit besluit aangewezen gebieden;
|
||||
k. het lozen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen waarvoor op de datum van het inwerking treden van dit besluit
|
||||
|
||||
1°. door de waterkwaliteitsbeheerder een aanvraag voor een vergunning op grond van artikel 1 van de wet is ontvangen dan wel
|
||||
2°. een zodanige vergunning van kracht is, tenzij door de waterkwaliteitsbeheerder een aanvraag om intrekking is ontvangen vóór de datum van inwerking treden van het besluit.
|
||||
2°. een zodanige vergunning van kracht is, tenzij door de waterkwaliteitsbeheerder een aanvraag om intrekking is ontvangen vóór de datum van inwerking treden van het besluit;
|
||||
l. het lozen vanuit inrichtingen die behoren tot een categorie als bedoeld in bijlage I van de richtlijn (EG) nr. 96/61/EG van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PbEG L 257);
|
||||
m. het lozen ten gevolge van het sorteren of transporteren van landbouwgewassen.
|
||||
|
||||
**2.** De verboden, bedoeld in artikel 1, eerste en derde lid, van de wet, gelden niet voor het lozen met betrekking waartoe dit besluit van toepassing is.
|
||||
|
||||
|
|
@ -136,8 +128,8 @@ e. lozen ten gevolge van het reinigen van gebouwen of opstallen waarin agrarisch
|
|||
f. lozen van koel- en condenswater, met inachtneming van de voorschriften, genoemd in artikel 11;
|
||||
g. lozen van hemelwater en water dat bij het reinigen van verhard oppervlak vrijkomt, met inachtneming van de voorschriften, genoemd in artikel 12;
|
||||
h. het op een andere wijze dan met behulp van een werk lozen door pleksgewijze, driftvrije, toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op het talud;
|
||||
i. overig op een andere wijze dan met behulp van een werk lozen, dat verband houdt met gewasbescherming en toediening van meststoffen, met inachtneming van de voorschriften, genoemd in de artikelen 13, 14, 15 en 16;
|
||||
j. drainagewater dat bij normaal landbouwkundig gebruik van de bodem vrijkomt.
|
||||
i. overig op een andere wijze dan met behulp van een werk lozen, dat verband houdt met gewasbescherming en toediening van meststoffen, met inachtneming van de voorschriften, genoemd in de artikelen 13, 15 en 16;
|
||||
j. water dat bij normaal landbouwkundig gebruik uit de bodem vrijkomt en via een drainagesysteem wordt geloosd.
|
||||
|
||||
**3.** Ander lozen dan genoemd in het tweede lid, onderdeel a tot en met j, is toegestaan indien degene die de agrarische activiteiten waarvan het voorgenomen lozen het gevolg zal zijn uitvoert, voor de aanvang van het lozen aan de waterkwaliteitsbeheerder aantoont, dat het lozen geen nadelige gevolgen voor het oppervlaktewater zal veroorzaken.
|
||||
|
||||
|
|
@ -145,7 +137,7 @@ j. drainagewater dat bij normaal landbouwkundig gebruik van de bodem vrijkomt.
|
|||
|
||||
Het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen nabij oppervlaktewater is
|
||||
|
||||
a. verboden, tenzij de voorschriften gesteld bij of krachtens de artikelen 13 en 14 in acht worden genomen;
|
||||
a. verboden, tenzij de voorschriften gesteld bij of krachtens artikel 13 in acht worden genomen;
|
||||
b. binnen een afstand van 14 m vanaf de insteek van het oppervlaktewater verboden, tenzij de voorschriften gesteld bij of krachtens artikel 15 in acht worden genomen.
|
||||
|
||||
### Artikel 6
|
||||
|
|
@ -181,7 +173,7 @@ b. binnen een afstand van 14 m vanaf de insteek van het oppervlaktewater verbode
|
|||
Indien het wassen of uitwendig reinigen van voertuigen, werktuigen of apparaten op verhard oppervlak plaatsvindt dan is lozen verboden tenzij:
|
||||
|
||||
a. binnen een afstand van 40 m vanaf de plaats waar het afvalwater ontstaat geen riolering aanwezig is;
|
||||
b. het gehalte minerale olie in enig monster van het te lozen afvalwater niet meer dan 20 mg/l, bepaald volgens NVN 6678 , uitgave 1997, bedraagt en het gehalte onopgeloste bestanddelen niet meer dan 100 mg/l, bepaald volgens NEN 6621, uitgave 1988, bedraagt en
|
||||
b. het gehalte minerale olie in enig monster van het te lozen afvalwater niet meer dan 20 mg/l, bepaald volgens NEN-EN-ISO 9377-2, uitgave december 2000, bedraagt en het gehalte onopgeloste bestanddelen niet meer dan 100 mg/l, bepaald volgens NEN 6621, uitgave 1988, bedraagt en
|
||||
c. het te lozen afvalwater voorafgaand aan het lozen en voordat het vermengd wordt met ander afvalwater een doelmatige en goed toegankelijke controlevoorziening doorloopt.
|
||||
|
||||
**4.** De waterkwaliteitsbeheerder kan nadere eisen stellen ten aanzien van de uitvoering en de situering van de controlevoorziening.
|
||||
|
|
@ -190,7 +182,7 @@ c. het te lozen afvalwater voorafgaand aan het lozen en voordat het vermengd wor
|
|||
|
||||
### Artikel 8
|
||||
|
||||
**1.** Met betrekking tot het lozen ten gevolge van het spoelen van landbouwgewassen worden de voorschriften, gesteld bij of krachtens het tweede tot en met het twaalfde lid, in acht genomen.
|
||||
**1.** Met betrekking tot het lozen ten gevolge van het spoelen van landbouwgewassen worden de voorschriften, gesteld bij of krachtens het tweede tot en met het veertiende lid, in acht genomen.
|
||||
|
||||
**2.** Lozen is verboden indien binnen een afstand van 40 m vanaf de plaats waar het te lozen afvalwater ontstaat een riolering aanwezig is.
|
||||
|
||||
|
|
@ -212,7 +204,16 @@ c. het te lozen afvalwater voorafgaand aan het lozen en voordat het vermengd wor
|
|||
|
||||
**11.** Indien blijkens een toxiciteitsproef in enig monster van het op het desbetreffende oppervlaktewater te lozen water sprake is van acute toxiciteit voor waterorganismen kan de waterkwaliteitsbeheerder ten aanzien van het spoelproces nadere eisen stellen die voor de kwaliteit van dat oppervlaktewater voldoende bescherming bieden.
|
||||
|
||||
**12.** De waterkwaliteitsbeheerder kan nadere eisen stellen ten aanzien van de uitvoering en de situering van de controlevoorziening als bedoeld in het negende lid.
|
||||
**12.** De waterkwaliteitsbeheerder kan nadere eisen stellen ten aanzien van de uitvoering en de situering van de controlevoorziening, bedoeld in het negende lid.
|
||||
|
||||
**13.**
|
||||
|
||||
Het derde tot en met het zesde lid is niet van toepassing op het spoelen van:
|
||||
|
||||
a. prei, indien voorafgaand aan het spoelen vervuiling met de buitenste bladeren van het gewas is verwijderd;
|
||||
b. asperges.
|
||||
|
||||
**14.** Het zevende tot en met het negende lid zijn van overeenkomstige toepassing op het water afkomstig van het spoelen van gewassen als bedoeld in het dertiende lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 9
|
||||
|
||||
|
|
@ -222,7 +223,7 @@ c. het te lozen afvalwater voorafgaand aan het lozen en voordat het vermengd wor
|
|||
|
||||
**3.** Het lozen vindt plaats via een voorziening voor het tegenhouden van onopgeloste bestanddelen.
|
||||
|
||||
**4.** In enig monster van het te lozen afvalwater bedraagt het gehalte aan ijzer niet meer dan 5 mg/l, bepaald volgens NEN 6460, uitgave 1981.
|
||||
**4.** In enig monster van het te lozen afvalwater bedraagt het gehalte aan ijzer niet meer dan 5 mg/l, bepaald volgens NEN 6426, uitgave 1995.
|
||||
|
||||
**5.** Het te lozen afvalwater doorloopt voorafgaand aan het lozen en voordat het vermengd wordt met ander afvalwater een doelmatige en goed toegankelijke controlevoorziening.
|
||||
|
||||
|
|
@ -265,7 +266,7 @@ De waterkwaliteitsbeheerder kan in het belang van de kwaliteit van het oppervlak
|
|||
|
||||
**5.** Condenswater wordt niet geloosd, indien dit afkomstig is uit ruimten waarin bestrijdingsmiddelen worden toegepast.
|
||||
|
||||
**6.** De waterkwaliteitsbeheerder kan nadere eisen stellen ten aanzien van de uitvoering en de situering van de controlevoorziening als bedoeld in het vierde lid.
|
||||
**6.** De waterkwaliteitsbeheerder kan nadere eisen stellen ten aanzien van de uitvoering en de situering van de controlevoorziening, bedoeld in het vierde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 12
|
||||
|
||||
|
|
@ -282,107 +283,79 @@ b. zodanig opgeslagen of gestald dat te lozen hemelwater niet in contact kan kom
|
|||
|
||||
### Artikel 13
|
||||
|
||||
**1.** Met betrekking tot het lozen op een andere wijze dan met behulp van een werk in het kader van gewasbescherming worden de voorschriften, gesteld bij of krachtens het derde tot en met twaalfde lid, in acht genomen.
|
||||
**1.** Met betrekking tot het lozen op een andere wijze dan met behulp van een werk in het kader van gewasbescherming worden de voorschriften, gesteld bij of krachtens het derde tot en met het veertiende lid, in acht genomen.
|
||||
|
||||
**2.** Met betrekking tot het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen worden de voorschriften, gesteld bij of krachtens het derde tot en met twaalfde lid, in acht genomen.
|
||||
**2.** Met betrekking tot het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen worden de voorschriften, gesteld bij of krachtens het derde tot en met het veertiende lid, in acht genomen.
|
||||
|
||||
**3.** Langs oppervlaktewater wordt een teeltvrije zone aangehouden.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
De teeltvrije zone bedraagt bij de teelt van NAK-pootaardappelen, consumptieaardappelen, fabrieksaardappelen inclusief pootgoed, poot- en plantuien, zaaiuien, bloembollen en -knollen, aardbeien, asperges, prei, schorseneren, sla, was- en bospenen, winterpenen, vaste planten, en neerwaarts te bespuiten boomkwekerijgewassen, als bedoeld in bijlage I bij dit besluit:
|
||||
De teeltvrije zone bedraagt bij de teelt van NAK-pootaardappelen, consumptieaardappelen, fabrieksaardappelen inclusief pootgoed, poot- en plantuien, zaaiuien, bloembollen en -knollen, aardbeien, asperges, prei, schorseneren, sla, was- en bospenen, winterpenen, vaste planten, en in neerwaartse richting te bespuiten boomkwekerijgewassen, als bedoeld in bijlage I bij dit besluit:
|
||||
|
||||
a. tenminste 150 cm;
|
||||
b. tenminste 100 cm, indien gebruik gemaakt wordt van:
|
||||
|
||||
1°. veldspuitapparatuur met luchtondersteuning,
|
||||
2°. een overkapte beddenspuit,
|
||||
3°. vanggewas, of
|
||||
c. tenminste 50 cm, indien gebruik gemaakt wordt van een handgedragen spuitboom.
|
||||
3°. een motorisch aangedreven handgedragen spuit,
|
||||
4°. vanggewas, of
|
||||
c. tenminste 50 cm, indien gebruik gemaakt wordt van een handmatig aangedreven handgedragen spuit.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
De teeltvrije zone bedraagt bij de teelt van:
|
||||
|
||||
a. opwaarts te bespuiten boomkwekerijgewassen als bedoeld in bijlage I bij dit besluit tenminste 500 cm;
|
||||
b. appelen, peren en overige pit- en steenvruchten als bedoeld in bijlage I bij dit besluit, tenminste 150 cm.
|
||||
**5.** De teeltvrije zone bedraagt bij de teelt van in opwaartse of zijwaartse richting te bespuiten boomkwekerijgewassen als bedoeld in bijlage I bij dit besluit tenminste 500 cm.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
De teeltvrije zone bedraagt bij de teelt van appelen, peren en overige pit- en steenvruchten:
|
||||
|
||||
a. tenminste 900 cm;
|
||||
b. tenminste 450 cm, indien gebruik wordt gemaakt van een reflectiescherm;
|
||||
c. tenminste 300 cm, indien:
|
||||
|
||||
1°. gebruik wordt gemaakt van een tunnelspuit,
|
||||
2°. gebruik wordt gemaakt van een vanggewas,
|
||||
3°. sprake is van biologische teelt, of
|
||||
4°. gebruik wordt gemaakt van een dwarsstroomspuit met reflectiescherm en van een emissiescherm, waarvan geen afdruipende gewasbeschermingsmiddelen in het oppervlaktewater kunnen geraken;
|
||||
d. met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, tenminste 300 cm, indien gebruik wordt gemaakt van een dwarsstroomspuit en bij de bespuiting van de buitenste gewasrij geen gebruik wordt gemaakt van naar het oppervlaktewater gerichte apparatuur en slechts gebruik wordt gemaakt van spuitdoppen waarvan door een deskundig, onafhankelijk instituut is vastgesteld dat het gebruik van die spuitdoppen bij die wijze van bespuiten resulteert in een driftdepositie in oppervlaktewater in de volbladsituatie van ten hoogste 1,5%.
|
||||
|
||||
**7.** In afwijking van het zesde lid, onderdeel a, bedraagt de teeltvrije zone langs de kopakker tenminste 600 cm, indien bij de bespuiting van de buitenste gewasrij geen gebruik wordt gemaakt van naar het oppervlaktewater gerichte apparatuur.
|
||||
|
||||
**8.**
|
||||
|
||||
De teeltvrije zone bedraagt bij de teelt van:
|
||||
|
||||
a. grasland, graszaad, haver, rogge, triticale, zomertarwe, wintertarwe, zomergerst en wintergerst als bedoeld in bijlage I bij dit besluit, tenminste 25 cm;
|
||||
b. overige landbouwgewassen als bedoeld in bijlage I bij dit besluit, met uitzondering van de landbouwgewassen genoemd in het vierde en vijfde lid, tenminste 50 cm.
|
||||
a. grasland, graszaad, haver, rogge, spelt, teff, triticale, vlas, zomertarwe, wintertarwe, zomergerst en wintergerst tenminste 25 cm;
|
||||
b. overige landbouwgewassen met uitzondering van de landbouwgewassen genoemd in het vierde tot en met zesde lid, tenminste 50 cm.
|
||||
|
||||
**7.** In afwijking van het vierde tot en met zesde lid bedraagt de teeltvrije zone langs de in de bijlage bij artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen oppervlaktewateren tenminste 500 cm.
|
||||
**9.** In afwijking van het vierde lid, het zesde lid, onderdelen b tot en met d, en het achtste lid bedraagt de teeltvrije zone langs de in de bijlage bij artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen oppervlaktewateren tenminste 500 cm.
|
||||
|
||||
**8.** De teeltvrije zone bedoeld in vierde tot en met zevende lid, wordt gemeten vanaf de insteek van het oppervlaktewater en strekt zich, met uitzondering van de teelt van grasland, uit tot het hart van de buitenste planten van de te telen landbouwgewassen.
|
||||
**10.** De teeltvrije zone bedoeld in het vierde tot en met het negende lid, wordt gemeten vanaf de insteek van het oppervlaktewater en strekt zich, met uitzondering van de teelt van grasland, uit tot het hart van de buitenste planten van de te telen landbouwgewassen.
|
||||
|
||||
**9.** Bij aanwezigheid van een talud dat breder is dan 200 cm kan de waterkwaliteitsbeheerder bij nadere eis een minder brede teeltvrije zone voorschrijven dan bedoeld in het vierde tot en met achtste lid. In gevallen waarin toepassing is gegeven aan de vorige volzin, zijn die bepalingen niet van toepassing.
|
||||
**11.** Bij aanwezigheid van een talud dat breder is dan 200 cm kan de waterkwaliteitsbeheerder bij nadere eis een minder brede teeltvrije zone voorschrijven dan bedoeld in het vierde tot en met het tiende lid. In gevallen waarin toepassing is gegeven aan de vorige volzin, zijn die bepalingen niet van toepassing.
|
||||
|
||||
**10.** Indien aan het desbetreffende oppervlaktewater in een plan, vastgesteld ingevolge de Wet op de waterhuishouding, een bijzondere functie of waterkwaliteitsdoelstelling is toegekend, kan de waterkwaliteitsbeheerder bij nadere eis een bredere teeltvrije zone voorschrijven dan bedoeld in het vierde tot en met achtste lid. In gevallen waarin toepassing is gegeven aan de vorige volzin, zijn die bepalingen niet van toepassing.
|
||||
**12.** Indien aan het desbetreffende oppervlaktewater in een plan, vastgesteld ingevolge de Wet op de waterhuishouding, een bijzondere functie of waterkwaliteitsdoelstelling is toegekend, kan de waterkwaliteitsbeheerder bij nadere eis een bredere teeltvrije zone voorschrijven dan bedoeld in het vierde tot en met het tiende lid. In gevallen waarin toepassing is gegeven aan de vorige volzin, zijn die bepalingen niet van toepassing.
|
||||
|
||||
**11.**
|
||||
**13.**
|
||||
|
||||
In afwijking van het derde lid behoeft een teeltvrije zone niet te worden aangehouden langs andere dan de in het zevende lid bedoelde oppervlaktewateren, indien:
|
||||
In afwijking van het derde lid behoeft een teeltvrije zone niet te worden aangehouden langs andere dan de in het negende lid bedoelde oppervlaktewateren:
|
||||
|
||||
1°. sprake is van een biologische teelt;
|
||||
a. bij de teelt van appelen, peren en overige pit- en steenvruchten van bomen, waarvan de laagste gesteltak op 175 cm of hoger uit de stam ontspringt, indien binnen een afstand van ten minste 900 cm vanaf de insteek van het oppervlaktewater geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast;
|
||||
b. bij teelt anders dan de teelt van appelen, peren en overige pit- en steenvruchten, indien:
|
||||
|
||||
1°. sprake is van biologische teelt;
|
||||
2°. gebruik wordt gemaakt van een emissiescherm, waarvan geen afdruipende gewasbeschermingsmiddelen in het oppervlaktewater kunnen geraken.
|
||||
|
||||
**12.** In afwijking van het bepaalde in het derde lid behoeft geen teeltvrije zone te worden aangehouden langs gegraven waterlopen, die van 1 april tot 1 oktober onder normale omstandigheden geen water bevatten, mits daaraan niet in een plan, vastgesteld ingevolge de Wet op de waterhuishouding, een bijzondere functie of waterkwaliteitsdoelstelling is toegekend.
|
||||
**14.** In afwijking van het derde lid behoeft een teeltvrije zone niet te worden aangehouden langs gegraven waterlopen, die van 1 april tot 1 oktober onder normale omstandigheden geen water bevatten, mits daaraan niet in een plan, vastgesteld ingevolge de Wet op de waterhuishouding, een bijzondere functie of waterkwaliteitsdoelstelling is toegekend.
|
||||
|
||||
### Artikel 14
|
||||
|
||||
**1.** Met betrekking tot het lozen op een andere wijze dan met behulp van een werk in het kader van gewasbescherming worden, in afwijking van artikel 13, met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, de voorschriften gesteld bij of krachtens het derde tot en met het zevende lid in acht genomen.
|
||||
|
||||
**2.** Met betrekking tot het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen worden, in afwijking van artikel 13, met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, de voorschriften gesteld bij of krachtens het derde tot en met het zevende lid in acht genomen.
|
||||
|
||||
**3.** Langs oppervlaktewater wordt een teeltvrije zone aangehouden.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
De teeltvrije zone bedraagt bij de teelt van NAK-pootaardappelen, consumptieaardappelen, fabrieksaardappelen inclusief pootgoed, poot- en plantuien, zaaiuien, bloembollen en -knollen, aardbeien, asperges, prei, schorseneren, sla, was- en bospenen, winterpenen en neerwaarts te bespuiten laan- en parkbomen, vruchtbomen, rozestruiken, sierconiferen en overige sierheesters en klimplanten als bedoeld in bijlage I bij dit besluit:
|
||||
|
||||
a. tenminste 225 cm;
|
||||
b. tenminste 150 cm, indien gebruik wordt gemaakt van
|
||||
|
||||
1°. veldspuitapparatuur waarbij luchtondersteuning wordt toegepast,
|
||||
2°. een overkapte beddenspuit;
|
||||
c. tenminste 100 cm, indien gebruik gemaakt wordt van een handgedragen spuitboom en gebruik gemaakt wordt van een emissiescherm, waarvan geen afdruipende gewasbeschermingsmiddelen in het oppervlaktewater kunnen geraken.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
|
||||
De teeltvrije zone bedraagt bij de teelt van opwaarts te bespuiten boomkwekerijgewassen en appelen, peren en overige pit- en steenvruchten als bedoeld in bijlage I bij dit besluit:
|
||||
|
||||
a. tenminste 600 cm;
|
||||
b. tenminste 150 cm indien:
|
||||
|
||||
1°. gebruik gemaakt wordt van een tunnelspuit,
|
||||
2°. gebruik gemaakt wordt van een reflectiescherm, een vanggewas of een emissiescherm, waarvan geen afdruipende gewasbeschermingsmiddelen in het oppervlaktewater kunnen geraken, of
|
||||
3°. sprake is van biologische teelt van appelen, peren en overige pit- en steenvruchten.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
De teeltvrije zone bedraagt bij de teelt van:
|
||||
|
||||
a. grasland, graszaad, haver, rogge, triticale, zomertarwe, wintertarwe, zomergerst en wintergerst als bedoeld in bijlage I bij dit besluit tenminste 100 cm;
|
||||
b. neerwaarts te bespuiten bos- en haagplantsoen en vaste planten als bedoeld in bijlage I bij dit besluit
|
||||
|
||||
1°. tenminste 150 cm;
|
||||
2°. tenminste 100 cm, indien gebruik gemaakt wordt van
|
||||
|
||||
i. veldspuitapparatuur waarbij luchtondersteuning wordt toegepast, of
|
||||
ii. een overkapte beddenspuit;
|
||||
3°. tenminste 50 cm, indien gebruik gemaakt wordt van een handgedragen spuitboom en gebruik gemaakt wordt van een emissiescherm, waarvan geen afdruipende gewasbeschermingsmiddelen in het oppervlaktewater kunnen geraken;
|
||||
c. overige landbouwgewassen als bedoeld in bijlage I bij dit besluit, met uitzondering van de in het vierde en het vijfde lid genoemde gewassen, tenminste 125 cm.
|
||||
|
||||
**7.** Artikel 13, zevende, achtste, negende en elfde lid zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 13, tiende lid, is van overeenkomstige toepassing op landbouwgewassen als bedoeld in het vierde en het zesde lid en boomkwekerijgewassen als bedoeld in het vijfde lid.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 15
|
||||
|
||||
**1.** Met betrekking tot het lozen op een andere wijze dan met behulp van een werk in het kader van gewasbescherming worden binnen een afstand van 14 m vanaf de insteek van het oppervlaktewater de voorschriften, gesteld bij of krachtens het derde tot en met het negende lid, in acht genomen.
|
||||
**1.** Met betrekking tot het lozen op een andere wijze dan met behulp van een werk in het kader van gewasbescherming worden binnen een afstand van 14 m vanaf de insteek van het oppervlaktewater de voorschriften, gesteld bij of krachtens het derde tot en met het zevende lid, in acht genomen.
|
||||
|
||||
**2.** Met betrekking tot het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen binnen een afstand van 14 m vanaf de insteek van het oppervlaktewater, worden de voorschriften gesteld bij of krachtens het derde tot en met het negende lid in acht genomen.
|
||||
**2.** Met betrekking tot het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen binnen een afstand van 14 m vanaf de insteek van het oppervlaktewater, worden de voorschriften gesteld bij of krachtens het derde tot en met het zevende lid in acht genomen.
|
||||
|
||||
**3.** Gewasbeschermingsmiddelen worden niet gebruikt met een luchtvaartuig.
|
||||
|
||||
|
|
@ -404,48 +377,41 @@ c. bij een windsnelheid van 5 m of meer per seconde gemeten op spuitdophoogte te
|
|||
|
||||
**6.** In afwijking van het vijfde lid is het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen op overhangend loof met een maximale omvang van een halve gewasrij toegestaan, tenzij daartoe gebruik wordt gemaakt van naar het oppervlaktewater gerichte apparatuur.
|
||||
|
||||
**7.** Bij gebruik van kantdoppen wordt de op één na buitenste spuitdop, niet zijnde een kantdop, uitgeschakeld.
|
||||
|
||||
**8.**
|
||||
**7.**
|
||||
|
||||
Het driftarm karakter van doppen als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a,
|
||||
|
||||
a. blijkt uit een testcertificaat en
|
||||
b. wordt volgens een door Onze Ministers bij ministeriële regeling aan te wijzen testmethode dan wel een daaraan gelijkwaardige methode vastgesteld.
|
||||
|
||||
**9.** Bij ministeriële regeling worden typen driftarme doppen aangewezen die zijn getest volgens de in het achtste lid, onderdeel b, bedoelde testmethoden.
|
||||
|
||||
### Artikel 16
|
||||
|
||||
**1.** Met betrekking tot het lozen op een andere wijze dan met behulp van een werk in het kader van het gebruik van meststoffen worden de voorschriften, gesteld bij of krachtens het tweede tot en met het zevende lid in acht genomen.
|
||||
|
||||
**2.** Langs oppervlaktewater wordt een mestvrije zone aangehouden die gelijk is aan de ingevolge artikel 13 en 14 voorgeschreven teeltvrije zone.
|
||||
**2.** Het is verboden meststoffen toe te dienen op de ingevolge artikel 13 voorgeschreven teeltvrije zone.
|
||||
|
||||
**3.** Bij gebruik van korrel- of poedervormige meststoffen op de strook gelegen naast de mestvrije zone wordt direct langs de zone een kantstrooivoorziening toegepast.
|
||||
**3.** In afwijking van het tweede lid is het verboden bij de teelt van opwaarts en zijwaarts te bespuiten boomkwekerijgewassen als bedoeld in bijlage I bij dit besluit of van appelen, peren en overige pit- en steenvruchten, meststoffen toe te dienen binnen 25 cm vanaf de insteek van het oppervlaktewater van andere dan de in artikel 13, negende lid, bedoelde oppervlaktewateren, indien in de teeltvrije zone geen ander gewas dan gras wordt geteeld.
|
||||
|
||||
**4.** In afwijking van het tweede lid is het pleksgewijs bemesten van een vanggewas op de mestvrije zone toegestaan buiten een afstand van 50 cm gemeten vanaf de insteek van het oppervlaktewater van andere dan de in artikel 13, zevende lid, bedoelde oppervlaktewateren, onverminderd het zevende lid.
|
||||
**4.** Bij gebruik van korrel- of poedervormige meststoffen op de strook gelegen naast de teeltvrije zone wordt direct langs de zone een kantstrooivoorziening toegepast.
|
||||
|
||||
**5.**
|
||||
**5.** In afwijking van het tweede lid is het pleksgewijs bemesten van een vanggewas op de teeltvrije zone toegestaan buiten een afstand van 50 cm gemeten vanaf de insteek van het oppervlaktewater van andere dan de in artikel 13, negende lid, bedoelde oppervlaktewateren, onverminderd het zevende lid.
|
||||
|
||||
Bij de toepassing van bladbemestingsstoffen op de strook gelegen naast de mestvrije zone wordt direct langs de zone:
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
a. bij het bemesten van landbouwgewassen als bedoeld in artikel 13, vierde en zesde lid, en artikel 14, vierde en zesde lid, gebruik gemaakt van kantdoppen en andere driftarme doppen die zich maximaal op een hoogte van 50 cm boven het gewas of de kale grond bevinden;
|
||||
b. bij het bemesten van landbouwgewassen als bedoeld in artikel 13, vijfde lid, en artikel 14, vijfde lid, geen gebruik gemaakt van naar het oppervlaktewater gerichte apparatuur.
|
||||
Bij de toepassing van bladmeststoffen op de strook gelegen naast de teeltvrije zone wordt direct langs de zone:
|
||||
|
||||
**6.** Artikel 15, achtste en negende lid, is van overeenkomstige toepassing op driftarme doppen als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a.
|
||||
a. bij het bemesten van landbouwgewassen als bedoeld in artikel 13, vierde en achtste lid, gebruik gemaakt van kantdoppen en andere driftarme doppen die zich maximaal op een hoogte van 50 cm boven het gewas of de kale grond bevinden;
|
||||
b. bij het bemesten van landbouwgewassen als bedoeld in artikel 13, vijfde en zesde lid, geen gebruik gemaakt van naar het oppervlaktewater gerichte apparatuur.
|
||||
|
||||
**7.** Onverminderd het eerste tot en met het zesde lid zijn de artikelen 2 tot en met 6d van het Besluit gebruik meststoffenen de artikelen 12 tot en met 34c van het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen binnen een afstand van 14 m vanaf de insteek van het oppervlaktewater van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**7.** Bij de toepassing van bladmeststoffen bij de teelt van een gewas waarbij ingevolge artikel 13, dertiende lid, aanhef en onderdeel b, onder 2°, geen teeltvrije zone wordt aangehouden, wordt gebruik gemaakt van een emissiescherm waarvan geen afdruipende bladmeststoffen in het oppervlaktewater kunnen geraken.
|
||||
|
||||
**8.** Onverminderd het eerste tot en met het zesde lid zijn de artikelen 2 tot en met 6d van het Besluit gebruik meststoffenen de artikelen 12 tot en met 34c van het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen binnen een afstand van 14 m vanaf de insteek van het oppervlaktewater van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 17
|
||||
|
||||
**1.** Het is verboden apparatuur, die bestemd is voor het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen, vanuit of nabij oppervlaktewater te vullen, tenzij daarbij het tweede en het derde lid in acht worden genomen.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Bij uit oppervlaktewater vullen van apparatuur die bestemd is voor het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen wordt:
|
||||
|
||||
a. gebruik gemaakt van een tussenopslag voor water, of
|
||||
b. een voorziening getroffen die terugstroming van het mengsel van gewasbeschermingsmiddelen en het water voorkomt.
|
||||
**2.** Bij uit oppervlaktewater vullen van apparatuur die bestemd is voor het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen wordt een voorziening getroffen die terugstroming van het mengsel van gewasbeschermingsmiddelen en water voorkomt.
|
||||
|
||||
**3.** Het vullen van de apparatuur die gebruikt wordt voor het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen vindt op een afstand van tenminste 2 m van de insteek van het oppervlaktewater plaats.
|
||||
|
||||
|
|
@ -473,12 +439,11 @@ e. de locatie van de percelen van waar af lozingen plaatsvinden;
|
|||
f. in geval van het lozen van huishoudelijk afvalwater gegevens op grond waarvan het aantal inwonerequivalenten kan worden bepaald;
|
||||
g. gegevens waaruit kan worden afgeleid hoeveel meter de afstand tot de dichtstbijzijnde riolering bedraagt;
|
||||
h. gegevens met betrekking tot de voorzieningen bedoeld in artikel 6, vierde lid, artikel 7, derde lid, onderdeel c, artikel 8, zevende en negende lid, artikel 9, derde en vijfde lid, artikel 10, vijfde en zevende lid en artikel 11, vierde lid;
|
||||
i. gegevens waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van biologische teelt;
|
||||
j. het testcertificaat van toe te passen driftarme-doppen, tenzij sprake is van een type driftarme dop zoals aangewezen krachtens artikel 15, negende lid.
|
||||
i. gegevens waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van biologische teelt.
|
||||
|
||||
**3.** De melding wordt gedaan op een formulier waarvan het model wordt vastgesteld door Onze Minister.
|
||||
|
||||
**4.** Degene die voornemens is agrarische activiteiten ten gevolge waarvan een lozing plaatsvindt te veranderen, meldt veranderend lozen voordat daarmee wordt aangevangen aan de waterkwaliteitsbeheerder. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
**4.** Degene die voornemens is agrarische activiteiten ten gevolge waarvan een lozing plaatsvindt te veranderen, meldt veranderend lozen voordat daarmee wordt aangevangen aan de waterkwaliteitsbeheerder, tenzij het veranderend lozen uitsluitend het gevolg is van een wijziging in teelt en de gegevens omtrent het te telen landbouwgewas en de betreffende percelen op grond van artikel 26 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet zijn gemeld aan Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk IV. Bijzondere omstandigheden
|
||||
|
||||
|
|
@ -492,62 +457,34 @@ c. worden onverwijld alle maatregelen die de waterkwaliteitsbeheerder voorschrij
|
|||
|
||||
### Artikel 21
|
||||
|
||||
De bij of krachtens de artikelen 13, 14 en 15 gestelde voorschriften zijn niet van toepassing indien de directeur van de Plantenziektenkundige Dienst, of deze directeur namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op grond van of krachtens artikel 3 van de Plantenziektenwet, de gebruiker van gewasbeschermingsmiddelen heeft aangezegd deze middelen te gebruiken ter voorkoming van het optreden en van de verbreiding van schadelijke organismen en ter bestrijding daarvan, dan wel de verplichting tot dit gebruik op grond van of krachtens artikel 3 van de Plantenziektenwet aan deze gebruiker is opgelegd.
|
||||
De bij of krachtens de artikelen 13 en 15 gestelde voorschriften zijn niet van toepassing indien de directeur van de Plantenziektenkundige Dienst, of deze directeur namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op grond van of krachtens artikel 3 van de Plantenziektenwet, de gebruiker van gewasbeschermingsmiddelen heeft aangezegd deze middelen te gebruiken ter voorkoming van het optreden en van de verbreiding van schadelijke organismen en ter bestrijding daarvan, dan wel de verplichting tot dit gebruik op grond van of krachtens artikel 3 van de Plantenziektenwet aan deze gebruiker is opgelegd.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk V. Evaluatie- en overgangsbepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 22
|
||||
|
||||
Onze Minister zendt in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid binnen vier jaar na de inwerkingtreding van dit besluit en vervolgens telkens na vier jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de mate waarin dit besluit bijdraagt aan het behalen van de waterkwaliteitsdoelstellingen.
|
||||
Onze Minister zendt in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuur- en Voedselkwaliteit en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer binnen vier jaar na de inwerkingtreding van dit besluit en vervolgens telkens na vier jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de mate waarin dit besluit bijdraagt aan het behalen van de waterkwaliteitsdoelstellingen.
|
||||
|
||||
### Artikel 23
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Indien op de datum van inwerkingtreding van dit besluit de afstand tot de dichtstbijzijnde riolering waarop kan worden aangesloten, minder bedraagt dan bepaald in artikel 6, tweede lid, is bestaand beperkt lozen, in afwijking van artikel 6, tweede lid, toegestaan tot:
|
||||
|
||||
a. 1 januari 2005, met dien verstande, dat artikel 6, vierde tot en met tiende lid, van overeenkomstige toepassing is;
|
||||
b. 1 januari 2003, in de overige gevallen.
|
||||
**1.** Indien binnen de in artikel 6, tweede lid, bepaalde afstand riolering wordt aangelegd waarop aangesloten kan worden, is bestaand beperkt lozen, in afwijking van artikel 6, tweede lid, toegestaan gedurende 5 jaar vanaf het tijdstip waarop aansluiting op de riolering mogelijk is, indien het afvalwater door een voorziening wordt geleid die voldoet aan de voorschriften gesteld krachtens artikel 6.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Bestaand omvangrijk lozen als bedoeld in artikel 6, derde lid, is in afwijking van dat lid toegestaan tot:
|
||||
|
||||
a. 1 januari 2005, met dien verstande dat artikel 6, vierde, vijfde en zesde lid, van overeenkomstige toepassing is;
|
||||
b. 1 januari 2003, in de overige gevallen.
|
||||
|
||||
**3.** Indien binnen de in artikel 6, tweede lid, bepaalde afstand riolering wordt aangelegd waarop aangesloten kan worden, is bestaand beperkt lozen, in afwijking van artikel 6, tweede lid, toegestaan gedurende 5 jaar vanaf het tijdstip waarop aansluiting op de riolering mogelijk is, indien het afvalwater door een voorziening wordt geleid die voldoet aan de voorschriften gesteld krachtens artikel 6.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
Indien binnen de afstanden genoemd in artikel 2, onderdeel i, onder 1° tot en met 4° riolering wordt aangelegd waarop aangesloten kan worden, is bestaand omvangrijk lozen, in afwijking van artikel 6, derde lid, toegestaan gedurende:
|
||||
|
||||
a. 5 jaar vanaf het tijdstip waarop aansluiting op de riolering mogelijk is met dien verstande, dat artikel 6, vierde, vijfde en zesde lid, van overeenkomstige toepassing is;
|
||||
b. 3 jaar vanaf het tijdstip waarop aansluiting op de riolering mogelijk is, in de overige gevallen.
|
||||
|
||||
**5.** In afwijking van artikel 6, vierde lid, is bestaand beperkt lozen tot 1 januari 2005 toegestaan zonder de in dat lid bedoelde voorziening.
|
||||
|
||||
**6.** In afwijking van het eerste tot en met het vijfde lid zijn de overgangsbepalingen uit hoofdstuk V van het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater van toepassing op lozen dat tot het moment van inwerkingtreding van het onderhavige besluit door eerstgenoemd besluit werd geregeld.
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste en tweede lid zijn de overgangsbepalingen uit hoofdstuk V van het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater van toepassing op lozen dat tot het moment van inwerkingtreding van het onderhavige besluit door eerstgenoemd besluit werd geregeld.
|
||||
|
||||
### Artikel 24
|
||||
|
||||
**1.** Artikel 7, derde lid, onderdeel a, artikel 8, tweede lid, artikel 9, tweede lid en artikel 10, tweede lid, gelden met ingang van 1 januari 2005.
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 7, derde lid, onderdeel b, artikel 9, derde en vierde lid, artikel 10, vierde en vijfde lid en artikel 11, vierde lid, zijn van toepassing vanaf 3 maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.
|
||||
|
||||
**3.** Artikel 8, eerste lid en derde tot en met elfde lid, is van toepassing vanaf 3 maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.
|
||||
|
||||
**4.** In afwijking van het derde lid is artikel 8, eerste lid en derde tot en met elfde lid, met ingang van 1 januari 2003 van toepassing op het spoelen van landbouwgewassen bestemd voor directe menselijke consumptie.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 25
|
||||
|
||||
**1.** Artikel 13, vijfde lid, geldt met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip voor de lange zijde van smalle percelen.
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 14, vijfde lid, geldt met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip voor de lange zijde van smalle percelen.
|
||||
|
||||
**3.** Artikel 15, vierde lid, onderdeel a, onder 1°, geldt met ingang van 1 november 2001.
|
||||
|
||||
**4.** Artikel 16, vijfde lid, onderdeel a, geldt met ingang van 1 november 2001.
|
||||
In afwijking van artikel 13, zesde lid, bedraagt de teeltvrije zone van percelen die niet breder zijn dan 70 m en aan de zijde parallel of nagenoeg parallel aan de gewasrijen worden begrensd door oppervlaktewater tot 1 januari 2010 tenminste 150 cm, indien bij de bespuiting van de buitenste gewasrij geen gebruik wordt gemaakt van naar het oppervlaktewater gerichte apparatuur.
|
||||
|
||||
### Artikel 26
|
||||
|
||||
|
|
@ -555,19 +492,17 @@ In een geval, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel k, onder 2°, de z
|
|||
|
||||
### Artikel 27
|
||||
|
||||
**1.** In afwijking van artikel 19, eerste lid, wordt bestaand lozen binnen drie maanden na het van kracht worden van dit besluit gemeld.
|
||||
|
||||
**2.** Indien een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel k, onder 1°, in behandeling is genomen en dit besluit op het lozen van toepassing is of zal zijn wordt de vergunningaanvraag aangemerkt als melding overeenkomstig artikel 19. Het eerste lid en artikel 19, eerste lid, zijn in dat geval niet van toepassing.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk VI. Slotbepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 28
|
||||
|
||||
Wijzigt het Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid, Wet verontreiniging oppervlaktewateren.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 29
|
||||
|
||||
Wijzigt het Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid, Wet verontreiniging oppervlaktewateren.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 29a
|
||||
|
||||
|
|
@ -583,10 +518,10 @@ Dit besluit wordt aangehaald als: Lozingenbesluit open teelt en veehouderij.
|
|||
|
||||
## Bijlage I. bij het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij
|
||||
|
||||
Landbouwhuisdieren en landbouwgewassen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij zijn de onderstaande gewassen en dieren voorzover deze geteeld of gekweekt onderscheidenlijk gefokt, gemest of gehouden worden in of ten behoeve van de akkerbouw, de vollegrondsgroententeelt, de fruitteelt, de bloembollenteelt, de vollegrondsbloemisterij, de boomkwekerij, de glastuinbouw, de teelt in potten, containers of substraat, de paddestoelenteelt, de witloftrekkerij, de graasdierhouderij, de hokdierhouderij en de gemengde veehouderij.
|
||||
Landbouwhuisdieren en landbouwgewassen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij zijn de onderstaande gewassen en dieren voorzover deze geteeld of gekweekt onderscheidenlijk gefokt, gemest of gehouden worden in of ten behoeve van de akkerbouw, de vollegrondsgroententeelt, de fruitteelt, de bloembollenteelt, de vollegrondsbloemisterij, de boomkwekerij, de glastuinbouw, de teelt in potten, containers of substraat, de paddestoelenteelt, de witloftrekkerij, de graasdierhouderij, de hokdierhouderij en de gemengde veehouderij.
|
||||
|
||||
|
||||
|
||||
## Bijlage II. bij het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij
|
||||
|
||||
Als gespecialiseerd bollenteeltgebied als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder l, en artikel 2, eerste lid, onder j, zijn in dit besluit aangewezen:
|
||||
Als gebied als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel j, zijn aangewezen:
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue