diff --git a/wet/wet-inkomstenbelasting-2001/BWBR0011353/README.md b/wet/wet-inkomstenbelasting-2001/BWBR0011353/README.md index 5c0d84cbc31..2afd370369a 100644 --- a/wet/wet-inkomstenbelasting-2001/BWBR0011353/README.md +++ b/wet/wet-inkomstenbelasting-2001/BWBR0011353/README.md @@ -88,7 +88,7 @@ c. een regeling van een andere mogendheid, die volgens de belastingwetten van da **1.** -Voor de toepassing van de artikelen 3.141, 8.11, 8.14, 8.14a en 8.16 en de daarop berustende bepalingen wordt met loon uit tegenwoordige arbeid gelijkgesteld: +Voor de toepassing van de artikelen 8.11, 8.14, 8.14a en 8.16 en de daarop berustende bepalingen wordt met loon uit tegenwoordige arbeid gelijkgesteld: a. inkomsten genoten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid; b. uitkeringen op grond van de Wet arbeid en zorg en aanvullingen daarop door degene tot wie de belastingplichtige in dienstbetrekking staat. @@ -190,7 +190,7 @@ b. voor buitenlandse belastingplichtigen: volgens de regels van afdeling 7.4. **2.** De keuze geldt niet voor toepassing van de artikelen 3.60, 3.83, 3.116, vierde lid, 3.136, 4.16, eerste lid, onderdeel h, 4.17, 4.18, 4.25 en 9.2. De artikelen 7.2, achtste tot en met twaalfde lid, en 7.5, zevende lid, blijven van toepassing. Bij de toepassing van de artikelen 2.7, eerste en tweede lid, en 8.1, onderdeel b, blijft de zinsnede «na toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting» buiten aanmerking. Artikel 8.9, derde lid, vindt geen toepassing. -**3.** Indien de belastingplichtige niet langer kiest voor de toepassing van de regels van deze wet voor binnenlandse belastingplichtigen, wordt in het laatste jaar dat voorafgaat aan het eerste jaar waarin de binnenlandse belastingplichtige die niet gedurende het gehele kalenderjaar in Nederland woont, of de buitenlandse belastingplichtige niet heeft gekozen voor de regels die gelden voor binnenlandse belastingplichtigen, het inkomen vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan de in de laatste acht jaar ten laste van het inkomen gekomen negatieve bedragen die niet behoren tot het Nederlandse inkomen volgens artikel 7.1 en die negatieve bedragen die daartoe wel behoren maar waarover het heffingsrecht op grond van het belastingverdrag niet aan Nederland is toegewezen. De vorige volzin is niet van toepassing met betrekking tot negatieve bedragen uit kalenderjaren van binnenlandse belastingplicht, uitgaven voor kinderopvang als bedoeld in afdeling 3.10, en de persoonsgebonden aftrek als bedoeld in hoofdstuk 6. +**3.** Indien de belastingplichtige niet langer kiest voor de toepassing van de regels van deze wet voor binnenlandse belastingplichtigen, wordt in het laatste jaar dat voorafgaat aan het eerste jaar waarin de binnenlandse belastingplichtige die niet gedurende het gehele kalenderjaar in Nederland woont, of de buitenlandse belastingplichtige niet heeft gekozen voor de regels die gelden voor binnenlandse belastingplichtigen, het inkomen vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan de in de laatste acht jaar ten laste van het inkomen gekomen negatieve bedragen die niet behoren tot het Nederlandse inkomen volgens artikel 7.1 en die negatieve bedragen die daartoe wel behoren maar waarover het heffingsrecht op grond van het belastingverdrag niet aan Nederland is toegewezen. De vorige volzin is niet van toepassing met betrekking tot negatieve bedragen uit kalenderjaren van binnenlandse belastingplicht en de persoonsgebonden aftrek als bedoeld in hoofdstuk 6. **4.** In gevallen als bedoeld in het derde lid, wordt de aanslag over het in dat lid bedoelde jaar verhoogd met het bedrag van de belastingkorting voor verlies uit aanmerkelijk belang dat in de laatste acht jaar in mindering is gebracht op de belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning of de volgens artikel 10, eerste en tweede lid, van de Wet financiering volksverzekeringen berekende premie voor de volksverzekeringen. @@ -275,9 +275,12 @@ In afwijking in zoverre van het eerste en tweede lid worden: a. schulden ter zake waarvan de renten op basis van een specifieke bepaling in hoofdstuk 3 of hoofdstuk 4 van aftrek zijn uitgesloten, in aanmerking genomen bij de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen; b. vermogensbestanddelen, of delen daarvan, die gedurende een periode van niet meer dan drie achtereenvolgende maanden inkomen uit werk en woning of aanmerkelijk belang genereren, en daaraan voorafgaand en daaropvolgend inkomen uit sparen en beleggen genereren, tevens in aanmerking genomen bij de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen indien in deze periode een begindatum of een einddatum is gelegen als bedoeld in artikel 5.2; c. vermogensbestanddelen, of delen daarvan, die gedurende een periode van meer dan drie achtereenvolgende maanden, maar niet meer dan zes achtereenvolgende maanden inkomen uit werk en woning of uit aanmerkelijk belang genereren, en daaraan voorafgaand en daaropvolgend inkomen uit sparen en beleggen genereren, tevens in aanmerking genomen bij de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen indien in deze periode een begindatum of einddatum is gelegen als bedoeld in artikel 5.2, tenzij de belastingplichtige aannemelijk maakt dat aan zijn handelingen zakelijke overwegingen ten grondslag liggen; -d. voor de toepassing van de artikelen 3.91 en 3.92 niet als vermogensbestanddelen aangemerkt, een gedeelte van een woning die voor het overige deel als eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, wordt aangemerkt, dat als werkruimte ter beschikking wordt gesteld, indien de werkruimte fysiek niet als een zelfstandig deel van die woning kan worden aangemerkt en de vloeroppervlakte van de werkruimte niet groter is dan een derde deel van de vloeroppervlakte van de woning. +d. van een werkgever die een met de belastingplichtige verbonden persoon is als bedoeld in artikel 3.91, of waarin de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon als bedoeld in artikel 3.92 een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in hoofdstuk 4, uitgezonderd de artikelen 4.10 en 4.11, ontvangen vergoedingen ter zake van kosten en lasten die verband houden met een werkruimte ten behoeve van hemzelf in zijn woning, niet in aanmerking genomen bij de bepaling van het belastbare loon, doch bij de bepaling van het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden en wordt die werkruimte tot het vermogen van die werkzaamheid gerekend, indien de werkruimte een naar verkeersopvatting zelfstandig gedeelte van de woning vormt en: -**4.** Met betrekking tot het derde lid, onderdelen b en c, is artikel 5.3, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing. +1º. ingeval de belastingplichtige tevens een werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij zijn belastbaar loon hoofdzakelijk in de werkruimte in die woning verwerft, of +2º. ingeval de belastingplichtige niet tevens een werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij zijn belastbaar loon hoofdzakelijk in of vanuit de werkruimte in die woning verwerft en in belangrijke mate in de werkruimte in die woning verwerft. + +**4.** Met betrekking tot het derde lid, onderdelen b en c, is artikel 5.3, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing. Met betrekking tot het derde lid, onderdeel d, is artikel 3.16, twaalfde lid, van overeenkomstige toepassing. **5.** Voor gevallen waarin een premie voor een lijfrente of een andere periodieke uitkering of verstrekking uit een inkomensvoorziening niet geheel als uitgave voor een inkomensvoorziening in aanmerking is genomen, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld met betrekking tot de toerekening van de risicodekking, de overige kosten en het rendement aan het gedeelte van het recht dat in aanmerking wordt genomen bij het belastbare inkomen uit werk en woning en het gedeelte dat in aanmerking wordt genomen bij het belastbare inkomen uit sparen en beleggen. @@ -321,9 +324,8 @@ Een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel wordt geacht bij de belastingplichtige Indien de belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft, zijn gemeenschappelijke inkomensbestanddelen: a. belastbare inkomsten uit eigen woning; -b. de uitgaven voor kinderopvang; -c. het inkomen uit aanmerkelijk belang vóór vermindering met de persoonsgebonden aftrek; -d. de persoonsgebonden aftrek. +b. het inkomen uit aanmerkelijk belang vóór vermindering met de persoonsgebonden aftrek; +c. de persoonsgebonden aftrek. Het tweede tot en met het vierde lid zijn op bestanddelen van de rendementsgrondslag uitsluitend van toepassing indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft. @@ -361,8 +363,8 @@ e. de belastbare inkomsten uit eigen woning (afdeling 3.6); f. de negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen (afdeling 3.8) en g. de negatieve persoonsgebonden aftrekposten (afdeling 3.9); - verminderd met: -h. de uitgaven voor inkomensvoorzieningen (afdeling 3.7); -i. de uitgaven voor kinderopvang (afdeling 3.10) en +h. de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld (afdeling 3.6a); +i. de uitgaven voor inkomensvoorzieningen (afdeling 3.7) en j. de persoonsgebonden aftrek (hoofdstuk 6). ### Afdeling 3.2. Belastbare winst uit onderneming @@ -531,7 +533,7 @@ b. belastingen die buiten Nederland in enige vorm naar de winst of bestanddelen **1.** -Bij het bepalen van de winst komen, onverminderd artikel 3.14, tot een bedrag van  € 1600 niet in aftrek kosten en lasten die verband houden met de volgende posten: +Bij het bepalen van de winst komen, onverminderd artikel 3.14, tot een bedrag van  € 4000 niet in aftrek kosten en lasten die verband houden met de volgende posten: a. voedsel, drank en genotmiddelen; b. representatie, daaronder begrepen recepties, feestelijke bijeenkomsten en vermaak en @@ -543,7 +545,7 @@ c. congressen, seminars, symposia, excursies, studiereizen en dergelijke. **4.** Met betrekking tot de kosten en lasten die vallen onder het eerste lid worden, in afwijking in zoverre van artikel 3.8, ten aanzien van de belastingplichtige zelf geen onttrekkingen in aanmerking genomen. -**5.** Indien de belastingplichtige daarvoor bij de aangifte kiest, komen, in afwijking van het eerste lid, kosten en lasten die verband houden met de in dat lid genoemde posten, voor 90% in aftrek. +**5.** Indien de belastingplichtige daarvoor bij de aangifte kiest, komen, in afwijking van het eerste lid, kosten en lasten die verband houden met de in dat lid genoemde posten, voor 75% in aftrek. **6.** Voor de toepassing van het eerste, tweede en vijfde lid worden kosten en lasten die verband houden met een tot het privé-vermogen van de belastingplichtige behorend of door hem in privé gehuurd vervoermiddel, eerst beperkt tot € 0,18 per kilometer. @@ -553,10 +555,10 @@ c. congressen, seminars, symposia, excursies, studiereizen en dergelijke. **1.** -Bij het bepalen van de winst komen mede niet in aftrek kosten en lasten die verband houden met de werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, ten behoeve van de belastingplichtige zelf in zijn niet tot zijn ondernemingsvermogen behorende woning, de aanhorigheden daaronder begrepen, indien: +Bij het bepalen van de winst komen mede niet in aftrek kosten en lasten die verband houden met een werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, ten behoeve van de belastingplichtige zelf in zijn niet tot zijn ondernemingsvermogen behorende woning, tenzij de werkruimte een naar verkeersopvatting zelfstandig gedeelte van de woning vormt en: -a. ingeval hij tevens soortgelijke werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij het gezamenlijke bedrag van zijn winst uit een of meer ondernemingen, belastbaar loon en belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden niet hoofdzakelijk in de werkruimte in die woning verwerft of -b. ingeval hij niet tevens soortgelijke werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij het gezamenlijke bedrag van zijn winst uit een of meer ondernemingen, belastbaar loon en belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden niet hoofdzakelijk in of vanuit de werkruimte in die woning verwerft of niet in belangrijke mate in de werkruimte in die woning verwerft. +a. ingeval hij tevens een werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij het gezamenlijke bedrag van zijn winst uit een of meer ondernemingen, belastbaar loon en belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden hoofdzakelijk in de werkruimte in die woning verwerft, of +b. ingeval hij niet tevens een werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij het gezamenlijke bedrag van zijn winst uit een of meer ondernemingen, belastbaar loon en belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden hoofdzakelijk in of vanuit de werkruimte in die woning verwerft en in belangrijke mate in de werkruimte in die woning verwerft. **2.** @@ -566,9 +568,8 @@ a. telefoonabonnementen met betrekking tot telefoonaansluitingen in zijn woonrui b. literatuur, met uitzondering van vakliteratuur; c. kleding, met uitzondering van werkkleding; d. persoonlijke verzorging; -e. premies ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of een buitenlandse regeling die naar aard en strekking daarmee overeenkomt; -f. premies ingevolge de Ziekenfondswet of een buitenlandse regeling die naar aard en strekking daarmee overeenkomt en -g. reizen en verblijf in verband met cursussen en opleidingen voor studie en beroep, alsmede in verband met congressen, seminars, symposia, excursies, studiereizen en dergelijke, voorzover deze meer bedragen dan € 1500. +e. premies ingevolge de Ziekenfondswet of een buitenlandse regeling die naar aard en strekking daarmee overeenkomt en +f. reizen en verblijf in verband met cursussen en opleidingen voor studie en beroep, alsmede in verband met congressen, seminars, symposia, excursies, studiereizen en dergelijke, voorzover deze meer bedragen dan € 1500. **3.** Bij het bepalen van de winst komen mede niet in aftrek kosten en lasten die verband houden met tot het privé-vermogen van de belastingplichtige behorende of door hem in privé gehuurde muziekinstrumenten, geluidsapparatuur, gereedschappen, computers en andere dergelijke apparatuur, alsmede beeldapparatuur. @@ -585,7 +586,7 @@ b. is voorzien van zodanige uiterlijke kenmerken dat daaruit blijkt dat deze uit **7.** Het tweede lid, onderdelen c en d, is niet van toepassing ten aanzien van de belastingplichtige die optreedt als artiest of als presentator of die als beroep een tak van sport beoefent. -**8.** Het tweede lid, onderdeel g, is niet van toepassing indien de aard van de door de belastingplichtige verrichte werkzaamheden noodzaakt tot het bijwonen van de desbetreffende cursussen, opleidingen, congressen, seminars, symposia, excursies en dergelijke respectievelijk het maken van de desbetreffende studiereizen. +**8.** Het tweede lid, onderdeel f, is niet van toepassing indien de aard van de door de belastingplichtige verrichte werkzaamheden noodzaakt tot het bijwonen van de desbetreffende cursussen, opleidingen, congressen, seminars, symposia, excursies en dergelijke respectievelijk het maken van de desbetreffende studiereizen. **9.** @@ -598,6 +599,8 @@ b. premies voor buitenlandse verzekeringen die naar aard en strekking overeenkom **11.** Voor de toepassing van dit artikel worden met de belastingplichtige gelijkgesteld personen die behoren tot zijn huishouden. +**12.** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder woning mede verstaan: een duurzaam aan een plaats gebonden schip of woonwagen in de zin van artikel 1 van de Woningwet, alsmede de aanhorigheden van een schip of woonwagen. + ### Artikel 3.17 **1.** @@ -609,7 +612,10 @@ a. ten behoeve van de belastingplichtige zelf: 1°. verhuizing naar een andere woonruimte: de kosten van het overbrengen van zijn inboedel, vermeerderd met € 5445; 2°. huisvesting buiten zijn woonplaats: gedurende ten hoogste twee jaar; b. tot het privé-vermogen van de belastingplichtige behorend of door hem in privé gehuurd vervoermiddel: € 0,18 per kilometer; -c. tot het privé-vermogen van de belastingplichtige behorende bezittingen, andere dan vervoermiddelen als bedoeld in onderdeel b: een gebruiksvergoeding van ten hoogste het voordeel uit sparen en beleggen dat ter zake van deze bezittingen in aanmerking wordt genomen, zonder daarbij rekening te houden met het heffingvrije vermogen bedoeld in artikel 5.5, dat kan worden toegerekend aan de periode van het gebruik van de bezitting in de onderneming. +c. tot het privé-vermogen van de belastingplichtige behorende of door hem in privé gehuurde bezittingen, andere dan vervoermiddelen als bedoeld in onderdeel b: + +1º. indien de bezittingen tot het privé-vermogen behoren: een gebruiksvergoeding van ten hoogste het voordeel uit sparen en beleggen dat ter zake van deze bezittingen in aanmerking wordt genomen, zonder daarbij rekening te houden met het heffingvrije vermogen bedoeld in artikel 5.5, dat kan worden toegerekend aan de periode van het gebruik van de bezitting in de onderneming, alsmede een evenredig deel van de kosten die in huurverhoudingen door de huurder plegen te worden gedragen; +2º. indien de bezittingen in privé zijn gehuurd: een gebruiksvergoeding van ten hoogste een evenredig deel van de huurprijs dat kan worden toegerekend aan de periode van het gebruik van de bezitting in de onderneming, alsmede een evenredig deel van de kosten die in huurverhoudingen door de huurder plegen te worden gedragen. **2.** Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld voor de beoordeling of in ieder geval in het kader van de onderneming is verhuisd. @@ -631,17 +637,22 @@ De onttrekking bedraagt bij een woningwaarde van: | meer dan | maar niet meer dan | op jaarbasis | | --- | --- | --- | -| – | € 12 500 | 1,15% van deze waarde, maar niet minder dan € 136 | -| € 12 500 | € 25 000 | 1,45% van deze waarde | -| € 25 000 | € 50 000 | 1,65% van deze waarde | -| € 50 000 | € 75 000 | 1,80% van deze waarde | -| € 75 000 | –- | 2,05% van deze waarde, maar ten hoogste € 20 650 | +| – | € 12 500 | 0,80% van deze waarde, maar niet minder dan € 100 | +| € 12 500 | € 25 000 | 1,00% van deze waarde | +| € 25 000 | € 50 000 | 1,15% van deze waarde | +| € 50 000 | € 75 000 | 1,25% van deze waarde | +| € 75 000 | –- | 1,40% van deze waarde, maar ten hoogste € 21 250 | **3.** De woningwaarde is de volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor die woning vastgestelde waarde of waarden voor het tijdvak waarbinnen het kalenderjaar valt. Indien een woning deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken, wordt de woningwaarde gesteld op het gedeelte van de waarde van de onroerende zaak dat kan worden toegerekend aan die woning. **4.** Indien met betrekking tot een woning het derde lid geen toepassing kan vinden door het ontbreken van een op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken vastgestelde waarde, is de woningwaarde de waarde van de woning die wordt bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 16 tot en met 19, 20, tweede lid, en 22, derde lid, van die wet en van het derde lid, tweede volzin. -**5.** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder woning mede verstaan een duurzaam aan een plaats gebonden schip. +**5.** + +Voor de toepassing van dit artikel: + +a. wordt onder woning mede verstaan: een duurzaam aan een plaats gebonden schip of woonwagen in de zin van artikel 1 van de Woningwet; +b. blijft onder woning begrepen een werkruimte waarvan de kosten en lasten, indien die werkruimte niet tot het ondernemingsvermogen zou behoren, ingevolge artikel 3.16, eerste lid, niet in aftrek zouden komen. ### Artikel 3.20 @@ -653,13 +664,7 @@ De onttrekking bedraagt bij een woningwaarde van: **4.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld waaraan een rittenregistratie moet voldoen. Tevens kunnen regels worden gesteld over het anderszins laten blijken dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt. -**5.** - -De waarde is: - -a. van een personenauto: de catalogusprijs met inbegrip van de omzetbelasting en de belasting van personenauto's en motorrijwielen; -b. van een bestelauto: de catalogusprijs met inbegrip van de omzetbelasting; -c. van een personenauto of bestelauto die meer dan vijftien jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen: de waarde in het economische verkeer. +**5.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt de waarde van de auto gesteld op de catalogusprijs met inbegrip van de omzetbelasting en de belasting van personenauto's en motorrijwielen. In afwijking in zoverre van de eerste volzin wordt de waarde van een auto die meer dan vijftien jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen, gesteld op de waarde in het economische verkeer. **6.** De onttrekking wordt in aanmerking genomen voorzover zij uitgaat boven de bedragen die de belastingplichtige ter zake van de kosten en lasten van de auto voor eigen rekening heeft genomen. @@ -679,10 +684,11 @@ Bij het bepalen van de winst wordt mede in aanmerking genomen de nominale waarde **4.** -Voor de toepassing van dit artikel, artikel 3.23 en artikel 3.24 wordt onder winst uit zeescheepvaart verstaan: +Voor de toepassing van dit artikel, artikel 3.23 en artikel 3.24 wordt onder de winst uit zeescheepvaart verstaan: -a. de winst behaald met de exploitatie van een schip voor het vervoer van zaken of personen in het internationale verkeer over zee dan wel voor het vervoer van zaken of personen over zee ten behoeve van de exploratie of exploitatie van natuurlijke rijkdommen op zee, alsmede de winst behaald met de exploitatie van een schip voor het verrichten van sleep- of hulpverleningswerkzaamheden op zee aan schepen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Schepenwet en -b. de winst behaald met de werkzaamheden die direct samenhangen met de in onderdeel a bedoelde exploitatie van een schip. +a. de winst behaald met de exploitatie van een schip voor het vervoer van zaken of personen in het internationale verkeer over zee dan wel voor het vervoer van zaken of personen over zee ten behoeve van de exploratie of exploitatie van natuurlijke rijkdommen op zee; +b. de winst behaald met de exploitatie van een schip bestemd voor het verrichten van sleep- of hulpverleningswerkzaamheden op zee aan schepen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Schepenwet, niet zijnde een schip waarvan het geheel van werkzaamheden en activiteiten grotendeels bestaat uit het in en rond havens en op binnenwateren van de Europese Gemeenschap assisteren bij het meren, ontmeren en verhalen van zeeschepen die gebruik maken van eigen voortstuwing en die inkomen van of uitgaan naar zee, en +c. de winst behaald met de werkzaamheden die direct samenhangen met de in onderdeel a en b bedoelde exploitatie van een schip. **5.** @@ -784,9 +790,7 @@ De waardering van pensioenverplichtingen en andere soortgelijke verplichtingen v ### Artikel 3.32 -**1.** De aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen die zijn aangewezen als bedrijfsmiddelen die in het belang zijn van de arbeidsomstandigheden (arbo-bedrijfsmiddelen) kunnen door de belastingplichtige willekeurig worden afgeschreven. - -**2.** Bij ministeriële regeling kunnen arbo-bedrijfsmiddelen worden aangewezen door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in overeenstemming met Onze Minister. +Vervallen ### Artikel 3.33 @@ -817,20 +821,17 @@ Willekeurige afschrijving is mogelijk zodra ter zake van de verwerving of verbet Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid, en wel a. indien het milieu-bedrijfsmiddelen betreft: in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; -b. indien het arbo-bedrijfsmiddelen betreft: in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; -c. indien het andere aangewezen bedrijfsmiddelen betreft: in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken. +b. indien het andere aangewezen bedrijfsmiddelen betreft: in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken. ### Artikel 3.37 -**1.** Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de willekeurige afschrijving op arbo-bedrijfsmiddelen of andere aangewezen bedrijfsmiddelen alleen van toepassing is indien op een door of namens de belastingplichtige gedaan verzoek door Onze eerstgenoemde Minister is verklaard dat sprake is van een aangewezen bedrijfsmiddel. Bij die regeling kunnen tevens nadere regels worden gesteld met betrekking tot de verklaring. +**1.** Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de willekeurige afschrijving op andere aangewezen bedrijfsmiddelen alleen van toepassing is indien op een door of namens de belastingplichtige gedaan verzoek door Onze Minister van Economische Zaken is verklaard dat sprake is van een aangewezen bedrijfsmiddel. Bij die regeling kunnen tevens nadere regels worden gesteld met betrekking tot de verklaring. -**2.** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder Onze eerstgenoemde Minister verstaan Onze Minister die als eerste is genoemd in het artikel dat de aanwijzingsbevoegdheid met betrekking tot de desbetreffende bedrijfsmiddelen bevat en bij de andere aangewezen bedrijfsmiddelen Onze Minister van Economische Zaken. - -**3.** Tegen de in het eerste lid bedoelde verklaring staat beroep open bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Tegen een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven kunnen de belanghebbende en Onze eerstgenoemde Minister beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het eerste lid met betrekking tot het begrip bedrijfsmiddelen. Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij het College van Beroep voor het bedrijfsleven de plaats inneemt van een gerechtshof. +**2.** Tegen de in het eerste lid bedoelde verklaring staat beroep open bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Tegen een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven kunnen de belanghebbende en Onze Minister van Economische Zaken beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het eerste lid met betrekking tot het begrip bedrijfsmiddelen. Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij het College van Beroep voor het bedrijfsleven de plaats inneemt van een gerechtshof. ### Artikel 3.38 -Indien op een bedrijfsmiddel willekeurig is afgeschreven en op enig tijdstip binnen een bij ministeriële regeling te bepalen periode niet langer wordt voldaan aan de bij of krachtens de artikelen 3.31 tot en met 3.34 gestelde voorwaarden met betrekking tot dat bedrijfsmiddel, wordt op dat tijdstip de boekwaarde van het bedrijfsmiddel gesteld op de boekwaarde die zou zijn bereikt indien geen willekeurige afschrijving zou hebben plaatsgevonden. +Indien op een bedrijfsmiddel willekeurig is afgeschreven en op enig tijdstip binnen een bij ministeriële regeling te bepalen periode niet langer wordt voldaan aan de bij of krachtens de artikelen 3.31 en 3.34 gestelde voorwaarden met betrekking tot dat bedrijfsmiddel, wordt op dat tijdstip de boekwaarde van het bedrijfsmiddel gesteld op de boekwaarde die zou zijn bereikt indien geen willekeurige afschrijving zou hebben plaatsgevonden. ### Artikel 3.39 @@ -850,17 +851,17 @@ Bij een investeringsbedrag in een kalenderjaar van: | meer dan | maar niet meer dan | bedraagt het percentage | | --- | --- | --- | -| – | € 2 000 | 0 | -| € 2 000 | € 33 000 | 25 | -| € 33 000 | € 65 000 | 22 | -| € 65 000 | € 96 000 | 19 | -| € 96 000 | € 127 000 | 16 | -| € 127 000 | € 159 000 | 13 | -| € 159 000 | € 191 000 | 11 | -| € 191 000 | € 223 000 | 8 | -| € 223 000 | € 254 000 | 5 | -| € 254 000 | € 286 000 | 3 | -| € 286 000 | – | 0 | +| – | € 2 000 | 0 | +| € 2 000 | € 34 000 | 25 | +| € 34 000 | € 66 000 | 22 | +| € 66 000 | € 97 000 | 17 | +| € 97 000 | € 129 000 | 14 | +| € 129 000 | € 161 000 | 11 | +| € 161 000 | € 193 000 | 8 | +| € 193 000 | € 226 000 | 5 | +| € 226 000 | € 258 000 | 3 | +| € 258 000 | € 290 000 | 0 | +| € 290 000 | – | 0 | **3.** Indien de onderneming van de belastingplichtige deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met een of meer andere belastingplichtigen die daarbij winst uit onderneming genieten of belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting, worden voor de toepassing van het tweede lid hun investeringen voor het samenwerkingsverband samengeteld. @@ -870,14 +871,14 @@ Bij een investeringsbedrag in een kalenderjaar van: **2.** Energie-investeringen zijn investeringen die door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij ministeriële regeling zijn aangewezen als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie. -**3.** Bij een bedrag aan energie-investeringen in een kalenderjaar van meer dan € 2000 bedraagt de energie-investeringsaftrek 55 percent per 26 september 2002 tot 1 januari 2003: 0 percent.. +**3.** Bij een bedrag aan energie-investeringen in een kalenderjaar van meer dan € 2000 bedraagt de energie-investeringsaftrek 44 percent. **4.** Als bedrag aan energie-investeringen wordt ten hoogste in aanmerking genomen: -a. indien de onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft geen deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met een of meer andere ondernemers die daarbij voor eigen rekening een onderneming drijven of belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting: € 106 000 000; -b. indien de onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft wel deel uitmaakt van een zodanig samenwerkingsverband: € 106 000 000 vermenigvuldigd met het bedrag aan energie-investeringen van de ondernemer en gedeeld door het gezamenlijke bedrag aan energie-investeringen van de ondernemer en de bedoelde andere deelnemers aan het samenwerkingsverband. +a. indien de onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft geen deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met een of meer andere ondernemers die daarbij voor eigen rekening een onderneming drijven of belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting: € 107 000 000; +b. indien de onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft wel deel uitmaakt van een zodanig samenwerkingsverband: € 107 000 000 vermenigvuldigd met het bedrag aan energie-investeringen van de ondernemer en gedeeld door het gezamenlijke bedrag aan energie-investeringen van de ondernemer en de bedoelde andere deelnemers aan het samenwerkingsverband. **5.** Onder de aanschaffings- of voortbrengingskosten ter zake van een energie-investering als bedoeld in het eerste lid, worden, indien de ondernemer daarvoor bij de aangifte kiest, tevens begrepen de kosten van een advies ter zake van energiebesparende maatregelen in gebouwen of bij processen dat op die investering of mede op die investering betrekking heeft en voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen eisen. @@ -1031,8 +1032,7 @@ Bij ministeriële regeling: a. kan de willekeurige afschrijving in het algemeen of voor bepaalde aangewezen bedrijfsmiddelen of bepaalde groepen van aangewezen bedrijfsmiddelen buiten toepassing worden gesteld, of per kalenderjaar worden beperkt, en wel: 1°. indien het milieu-bedrijfsmiddelen betreft: na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Onze Minister van Economische Zaken; -2°. indien het arbo-bedrijfsmiddelen betreft: na overleg met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; -3°. indien het andere aangewezen bedrijfsmiddelen betreft: na overleg met Onze Minister van Economische Zaken; +2°. indien het andere aangewezen bedrijfsmiddelen betreft: na overleg met Onze Minister van Economische Zaken; b. kunnen de in artikel 3.41, tweede lid, artikel 3.42, derde lid, en artikel 3.42a, derde lid, vermelde percentages voor de investeringsaftrek worden vervangen door andere; c. kunnen aan de in artikel 3.45 vermelde uitgesloten bedrijfsmiddelen voor de investeringsaftrek, bedrijfsmiddelen worden toegevoegd. @@ -1040,7 +1040,7 @@ c. kunnen aan de in artikel 3.45 vermelde uitgesloten bedrijfsmiddelen voor de i **3.** Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de kamers der Staten-Generaal tot het niet-aannemen van het voorstel besluit, worden onverwijld bij ministeriële regeling, met ingang van het tijdstip waarop die regeling in werking treedt, de krachtens het eerste lid aangebrachte wijzigingen ongedaan gemaakt. -**4.** Het tweede lid is niet van toepassing op een beperking van de willekeurige afschrijving die plaatsvindt bij de aanwijzing van bedrijfsmiddelen op grond van artikel 3.31, artikel 3.32 of artikel 3.34. +**4.** Het tweede lid is niet van toepassing op een beperking van de willekeurige afschrijving die plaatsvindt bij de aanwijzing van bedrijfsmiddelen op grond van artikel 3.31 of artikel 3.34. ### Artikel 3.53 @@ -1094,7 +1094,7 @@ b. voorwerpen van geringe waarde als bedoeld in artikel 3.30, tweede lid. **2.** De terugkeerreserve wordt gesteld op de helft van het vervreemdingsvoordeel dat op grond van artikel 4.24a of artikel 4.42a voor de heffing buiten aanmerking blijft, na het vervreemdingsvoordeel eerst te hebben verminderd met het bedrag bedoeld in het derde lid. Indien deze vermindering leidt tot een positief bedrag, ontstaat er een positieve terugkeerreserve welke ten laste van het vermogen van de voortgezette onderneming komt. Wanneer deze vermindering leidt tot een negatief bedrag, ontstaat er een negatieve terugkeerreserve ter grootte van de helft van het negatieve bedrag; een negatieve terugkeerreserve komt in mindering op de winst bij staking van de onderneming. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt het in die volzin bedoelde vervreemdingsvoordeel in aanmerking genomen zonder rekening te houden met de toepassing van artikel 4.24a. -**3.** Het bedrag waarmee het vervreemdingsvoordeel wordt verminderd wordt gesteld op 65% van de winst die volgens artikel 14c, eerste lid in verbinding met het tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 voor de heffing van de vennootschapsbelasting buiten aanmerking blijft, voorzover deze winst is toe te rekenen aan het aandeel van de belastingplichtige in de vennootschap. Voor de toepassing van de vorige volzin blijft buiten aanmerking het deel van de winst waarop een vermindering ter voorkoming van internationale dubbele belasting van toepassing zou zijn ingeval artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 niet zou zijn toegepast. +**3.** Het bedrag waarmee het vervreemdingsvoordeel wordt verminderd wordt gesteld op 68% van de winst die volgens artikel 14c, eerste lid in verbinding met het tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 voor de heffing van de vennootschapsbelasting buiten aanmerking blijft, voorzover deze winst is toe te rekenen aan het aandeel van de belastingplichtige in de vennootschap. Voor de toepassing van de vorige volzin blijft buiten aanmerking het deel van de winst waarop een vermindering ter voorkoming van internationale dubbele belasting van toepassing zou zijn ingeval artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 niet zou zijn toegepast. **4.** Een positieve terugkeerreserve wordt uiterlijk bij staking van de onderneming in de winst opgenomen. Bij staking van een gedeelte van de voortgezette onderneming wordt een evenredig gedeelte van de positieve terugkeerreserve in de winst opgenomen. @@ -1224,7 +1224,7 @@ Voordelen uit een onderneming die niet reeds uit anderen hoofde in aanmerking zi **2.** In dat geval wordt degene aan wie de onderneming is overgedragen, voor het bepalen van de winst van de onderneming geacht in de plaats te zijn getreden van degene die de onderneming heeft overgedragen. -**3.** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder onderneming mede begrepen een gedeelte van een onderneming. +**3.** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder overdracht van een onderneming mede begrepen de overdracht van een gedeelte van een onderneming, ongeacht of bij degene die overdraagt een eventueel niet overgedragen gedeelte van de onderneming nog een onderneming is. **4.** Het eerste lid is slechts van toepassing indien de over te dragen onderneming gedurende de 36 maanden die onmiddellijk voorafgaan aan het tijdstip van de overdracht deel uitmaakte van een samenwerkingsverband met degene die de onderneming gaat voortzetten en degene die voortzet met betrekking tot dat samenwerkingsverband gedurende die 36 maanden als ondernemer winst heeft genoten. @@ -1294,7 +1294,7 @@ e. de vervreemding van de aandelen in de opgerichte vennootschap. ### Artikel 3.68 -**1.** De toevoeging aan de reserve over een kalenderjaar bedraagt 12% van de winst die de belastingplichtige als *ondernemer* uit een onderneming geniet, maar niet meer dan € 10 799. De op grond van de eerste volzin bepaalde toevoeging wordt verminderd met de ten laste van die winst gekomen premies en andere bijdragen uit hoofde van *pensioenregelingen*. +**1.** De toevoeging aan de reserve over een kalenderjaar bedraagt 12% van de winst die de belastingplichtige als *ondernemer* uit een onderneming geniet, maar niet meer dan € 10 951. De op grond van de eerste volzin bepaalde toevoeging wordt verminderd met de ten laste van die winst gekomen premies en andere bijdragen uit hoofde van *pensioenregelingen*. **2.** De op grond van het eerste lid berekende toevoeging bedraagt ten hoogste het bedrag waarmee het ondernemingsvermogen bij het einde van het kalenderjaar de oudedagsreserve bij het begin van het kalenderjaar te boven gaat. @@ -1389,26 +1389,26 @@ Voor de toepassing van deze paragraaf en de daarop rustende bepalingen wordt ond Bij een winst -| gelijk aan of meer dan | maar minder dan | bedraagt de zelfstandigenaftrek | +| gelijk aan of meer dan | maar minder dan | bedraagt de zelfstandigen- aftrek | | --- | --- | --- | -| – | € 12 850 | € 6585 | -| € 12 850 | € 14 905 | € 6122 | -| € 14 905 | € 16 965 | € 5660 | -| € 16 965 | € 48 595 | € 5045 | -| € 48 595 | € 50 650 | € 4604 | -| € 50 650 | € 52 710 | € 4118 | -| € 52 710 | € 54 765 | € 3634 | -| € 54 765 | – | € 3194 | +| – | € 13 030 | € 8 386 | +| € 13 030 | € 15 115 | € 7 796 | +| € 15 115 | € 17 205 | € 7 209 | +| € 17 205 | € 49 275 | € 6 425 | +| € 49 275 | € 51 360 | € 5 864 | +| € 51 360 | € 53 450 | € 5 244 | +| € 53 450 | € 55 530 | € 4 628 | +| € 55 530 | – | € 4 068 | -**3.** Indien de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was en bij hem in die periode niet meer dan tweemaal zelfstandigenaftrek is toegepast, wordt de zelfstandigenaftrek verhoogd met € 1941. De eerste volzin is niet van toepassing voor de ondernemer die met toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een onderneming voortzet of mede voortzet waarbij dit voortzetten een aanvang heeft genomen in het kalenderjaar of in een van de vijf daaraan voorafgaande kalenderjaren. +**3.** Indien de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was en bij hem in die periode niet meer dan tweemaal zelfstandigenaftrek is toegepast, wordt de zelfstandigenaftrek verhoogd met € 1969. De eerste volzin is niet van toepassing voor de ondernemer die met toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een onderneming voortzet of mede voortzet waarbij dit voortzetten een aanvang heeft genomen in het kalenderjaar of in een van de vijf daaraan voorafgaande kalenderjaren. **4.** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder winst verstaan het gezamenlijke bedrag van de winst die de belastingplichtige als ondernemer uit een of meer ondernemingen geniet. ### Artikel 3.77 -**1.** De aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk geldt voor de *ondernemer *die aan het *urencriterium* voldoet en in het kalenderjaar ten minste 625 uur besteedt aan werk dat bij een S&O-verklaring als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen is aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk. De aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk bedraagt € 11 000. +**1.** De aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk geldt voor de *ondernemer *die aan het *urencriterium* voldoet en in het kalenderjaar ten minste 500 uur besteedt aan werk dat bij een S&O-verklaring als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen is aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk. De aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk bedraagt € 11 154. -**2.** Indien de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was en aan hem voor die periode met betrekking tot ten hoogste twee kalenderjaren een S&O-verklaring is afgegeven, wordt de aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk verhoogd met € 5 500. Een S&O-verklaring die is afgegeven voor een deel van een kalenderjaar wordt aangemerkt als een S&O-verklaring afgegeven met betrekking tot een heel kalenderjaar. De eerste volzin is niet van toepassing voor de ondernemer die met toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een onderneming voortzet of mede voortzet waarbij dit voortzetten een aanvang heeft genomen in het kalenderjaar of in een van de vijf daaraan voorafgaande kalenderjaren. +**2.** Indien de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was en aan hem voor die periode met betrekking tot ten hoogste twee kalenderjaren een S&O-verklaring is afgegeven, wordt de aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk verhoogd met € 5 577. Een S&O-verklaring die is afgegeven voor een deel van een kalenderjaar wordt aangemerkt als een S&O-verklaring afgegeven met betrekking tot een heel kalenderjaar. De eerste volzin is niet van toepassing voor de ondernemer die met toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een onderneming voortzet of mede voortzet waarbij dit voortzetten een aanvang heeft genomen in het kalenderjaar of in een van de vijf daaraan voorafgaande kalenderjaren. **3.** Artikel 3.6, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing. @@ -1439,11 +1439,16 @@ c. winst als gevolg van de overbrenging van vermogensbestanddelen naar het buite ### Artikel 3.79 -**1.** De stakingsaftrek geldt voor de *ondernemer* die in het kalenderjaar winst behaalt met of bij het staken van een of meer gehele ondernemingen waaruit hij als ondernemer winst geniet. +**1.** + +De stakingsaftrek geldt voor de ondernemer die als *ondernemer* in het kalenderjaar winst behaalt: + +a. met of bij het staken van een of meer gehele ondernemingen; +b. door een afneming van de oudedagsreserve na een geruisloze doorschuiving of omzetting als bedoeld in artikel 3.59, tweede lid, artikel 3.62, artikel 3.63, respectievelijk artikel 3.65, waarbij zonder die geruisloze doorschuiving of omzetting sprake zou zijn van het staken van een gehele onderneming. **2.** De stakingsaftrek is gelijk aan het bedrag van de in het eerste lid bedoelde winst, maar bedraagt niet meer dan € 3 630. -**3.** De stakingsaftrek is ten aanzien van de ondernemer die op grond van doorschuiving bij ontbinding van de huwelijksgemeenschap als bedoeld in artikel 3.59, tweede lid, doorschuiving bij overlijden als bedoeld in artikel 3.62 of doorschuiving naar ondernemers als bedoeld in artikel 3.63, een onderneming voortzet of mede voortzet, met betrekking tot de voordelen ter zake van die doorgeschoven onderneming alleen van toepassing indien die onderneming langer dan drie jaren voor zijn rekening is gedreven. +**3.** De stakingsaftrek is ten aanzien van de ondernemer die op grond van doorschuiving bij ontbinding van de huwelijksgemeenschap als bedoeld in artikel 3.59, tweede lid, doorschuiving bij overlijden als bedoeld in artikel 3.62 of doorschuiving naar ondernemers als bedoeld in artikel 3.63, een onderneming voortzet of mede voortzet, met betrekking tot de voordelen ter zake van die doorgeschoven onderneming alleen van toepassing indien die onderneming ten minste drie jaren voor zijn rekening is gedreven. **4.** Het in het tweede lid bedoelde maximumbedrag van € 3 630 wordt verminderd – maar niet verder dan tot nihil – met de in voorafgaande jaren door de ondernemer genoten bedragen aan stakingsaftrek. @@ -1522,24 +1527,24 @@ Indien de belastingplichtige op ten minste vier dagen per week naar dezelfde pla | | | | | van meer dan | maar niet meer dan | op jaarbasis | | – | 10 km | – | -| 10 km | 15 km | € 386 | -| 15 km | 20 km | € 516 | -| 20 km | 30 km | € 867 | -| 30 km | 40 km | € 1075 | -| 40 km | 50 km | € 1404 | -| 50 km | 60 km | € 1561 | -| 60 km | 70 km | € 1732 | -| 70 km | 80 km | € 1791 | -| 80 km | – | € 1816 | +| 10 km | 15 km | € 392 | +| 15 km | 20 km | € 524 | +| 20 km | 30 km | € 880 | +| 30 km | 40 km | € 1091 | +| 40 km | 50 km | € 1424 | +| 50 km | 60 km | € 1583 | +| 60 km | 70 km | € 1757 | +| 70 km | 80 km | € 1817 | +| 80 km | – | € 1842 | **5.** Indien de belastingplichtige op drie dagen, twee dagen of één dag per week naar dezelfde plaats van werkzaamheden pleegt te reizen, bedraagt de reisaftrek: a. indien de reisafstand niet meer beloopt dan 90 kilometer: driekwart, de helft respectievelijk een kwart van het in de tabel aangegeven bedrag; -b. indien de reisafstand meer beloopt dan 90 kilometer: € 0,20 per kilometer van die reisafstand vermenigvuldigd met het aantal dagen waarop wordt gereisd, maar niet meer dan € 1816 per jaar. +b. indien de reisafstand meer beloopt dan 90 kilometer: € 0,20 per kilometer van die reisafstand vermenigvuldigd met het aantal dagen waarop wordt gereisd, maar niet meer dan € 1842 per jaar. -**6.** Indien de belastingplichtige naar verschillende plaatsen van werkzaamheden pleegt te reizen, vinden het vierde en vijfde lid afzonderlijk toepassing met betrekking tot het reizen naar elk van die plaatsen, waarbij de som van de volgens deze leden bepaalde reisaftrek niet meer bedraagt dan € 1816 per jaar. +**6.** Indien de belastingplichtige naar verschillende plaatsen van werkzaamheden pleegt te reizen, vinden het vierde en vijfde lid afzonderlijk toepassing met betrekking tot het reizen naar elk van die plaatsen, waarbij de som van de volgens deze leden bepaalde reisaftrek niet meer bedraagt dan € 1842 per jaar. **7.** Indien de belastingplichtige op dezelfde dag naar verschillende plaatsen van werkzaamheden pleegt te reizen, zijn de vorige leden uitsluitend van toepassing op het reizen naar de meest bereisde plaats van werkzaamheden. Indien de plaatsen van werkzaamheden even vaak plegen te worden bereisd, geldt de grootste reisafstand. @@ -1646,10 +1651,17 @@ g. onder verplichtingen als bedoeld in onderdeel a, onder 5° en 6°, mede verst ### Artikel 3.93 -**1.** Voor de toepassing van de artikelen 3.91 en 3.92 geldt een persoon niet als aanverwant indien het huwelijk waardoor de verwantschap is ontstaan, door echtscheiding is ontbonden. +**1.** + +Voor de toepassing van de artikelen 3.91 en 3.92: + +a. geldt een persoon niet als aanverwant indien het huwelijk waardoor de verwantschap is ontstaan, door echtscheiding is ontbonden; +b. wordt niet als het rendabel maken van vermogensbestanddelen aangemerkt het ter beschikking stellen van een werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, in een woning die de belastingplichtige ter beschikking staat, indien de persoon aan wie of het lichaam waaraan ter beschikking wordt gesteld ter zake van die terbeschikkingstelling niet een vergoeding ten laste van de winst of het resultaat uit overige werkzaamheden kan brengen. **2.** Werkzaamheden van dezelfde aard worden aangemerkt als een werkzaamheid. +**3.** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder woning mede verstaan: een duurzaam aan een plaats gebonden schip of woonwagen in de zin van artikel 1 van de Woningwet, alsmede de aanhorigheden van een woning, schip of woonwagen. + #### Paragraaf 3.4.2. Resultaat uit een werkzaamheid ### Artikel 3.94 @@ -1662,7 +1674,7 @@ Bij de bepaling van het resultaat zijn de artikelen 3.10, 3.13 tot en met 3.21, ### Artikel 3.95a -Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden +Indien ingevolge artikel 2.14, derde lid, onderdeel d, door de belastingplichtige genoten vergoedingen ter zake van een werkruimte niet worden aangemerkt als loon doch als voordeel behaald met een werkzaamheid en die werkruimte behoort tot het vermogen van een onderneming van hem of van één met hem verbonden persoon als bedoeld in dat artikelonderdeel, wordt voor de berekening van het resultaat met die werkzaamheid slechts als kosten en lasten in aftrek gebracht een evenredig deel van de op de voet van artikel 3.19 berekende bijtelling privé-gebruik woning. ### Artikel 3.96 @@ -1679,7 +1691,7 @@ b. voordelen die door de belastingplichtige worden behaald ter zake van het verr Het eerste lid is alleen van toepassing indien: -a. het deel van de opbrengsten dat betrekking heeft op het ter beschikking stellen van de woonruimte niet meer bedraagt dan € 3710 per jaar, en +a. het deel van de opbrengsten dat betrekking heeft op het ter beschikking stellen van de woonruimte niet meer bedraagt dan € 3821 per jaar, en b. zowel de belastingplichtige als degenen aan wie ter beschikking is gesteld gedurende de periode van de terbeschikkingstelling als ingezetenen op het woonadres ter zake van de woning zijn ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens. ### Artikel 3.98 @@ -1764,15 +1776,16 @@ c. uitkeringen ingevolge artikel 4.3 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage d. uitkeringen in de vorm van een gift of een voorwaardelijke gift ingevolge de Wet studiefinanciering 2000; e. uitkeringen als bedoeld in de artikelen 7.51, eerste tot en met zesde lid, 7.51a en 16.9b van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; f. uitkeringen en verstrekkingen op grond van de Wet werk en bijstand die zijn bedoeld ter dekking van bepaalde noodzakelijke kosten, waaronder begrepen uitkeringen als bedoeld in artikel 36 van die wet; -g. op het inkomen van de belastingplichtige afgestemde uitkeringen die bij ministeriële regeling worden aangewezen, voorzover zij volgens die regeling zijn bedoeld ter dekking van: +g. tegemoetkomingen op grond van de Wet kinderopvang; +h. op het inkomen van de belastingplichtige afgestemde uitkeringen die bij ministeriële regeling worden aangewezen, voorzover zij volgens die regeling zijn bedoeld ter dekking van: 1°. bepaalde noodzakelijke kosten van huur van een woning of een woonwagen; 2°. bepaalde noodzakelijke kosten in verband met de verkrijging of het behoud van een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, waarbij voor de toepassing van de regeling inzake de aftrek van de op de voordelen uit die woning drukkende kosten als bedoeld in artikel 3.110 deze uitkering geacht wordt wel te zijn aangewezen; 3°. bepaalde noodzakelijke kosten in verband met opleiding of studie; 4°. bepaalde noodzakelijke kosten die naar aard en strekking overeenkomen met kosten als bedoeld in onderdeel f; 5°. bepaalde noodzakelijke kosten van huishoudelijke hulp; -h. bij ministeriële regeling aan te wijzen uitkeringen die zijn bedoeld ter dekking van onderhoudskosten van thuiswonende gehandicapte kinderen; -i. uitkeringen op grond van buitenlandse regelingen die naar aard en strekking overeenkomen met uitkeringen als bedoeld in de onderdelen a tot en met h. +i. bij ministeriële regeling aan te wijzen uitkeringen die zijn bedoeld ter dekking van onderhoudskosten van thuiswonende gehandicapte kinderen; +j. uitkeringen op grond van buitenlandse regelingen die naar aard en strekking overeenkomen met uitkeringen als bedoeld in de onderdelen a tot en met i. ### Artikel 3.105 @@ -1824,7 +1837,7 @@ Belastbare inkomsten uit *eigen woning* zijn de voordelen uit eigen woning en he **1.** -In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder *eigen woning*: een gebouw, een duurzaam aan een plaats gebonden schip of woonwagen in de zin van artikel 1 van de Woningwet, of een gedeelte van een gebouw, een schip of een woonwagen, met de daartoe behorende aanhorigheden, voorzover dat, anders dan ten behoeve van een onderneming, de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van: +In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder *eigen woning*: een gebouw, een duurzaam aan een plaats gebonden schip of woonwagen in de zin van artikel 1 van de Woningwet, of een gedeelte van een gebouw, een schip of een woonwagen, met de daartoe behorende aanhorigheden, voorzover dat de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van: a. eigendom, waaronder begrepen economische eigendom, of een recht van lidmaatschap van een coöperatie, indien met betrekking tot die woning de belastingplichtige of zijn *partner* de voordelen geniet, de kosten en lasten op de belastingplichtige of zijn partner drukken en de waardeverandering hen grotendeels aangaat; b. een recht van vruchtgebruik, een recht van bewoning of een recht van gebruik dat de belastingplichtige krachtens erfrecht heeft verkregen, indien met betrekking tot die woning de belastingplichtige de voordelen geniet en de kosten en lasten op hem drukken. @@ -1855,6 +1868,14 @@ Indien de belastingplichtige en zijn partner voor een kalenderjaar: a. de keuze om één woning als hoofdverblijf aan te merken hebben gemaakt, kan niet op die keuze worden teruggekomen; b. geen keuze hebben gemaakt, wordt geen van de woningen als hoofdverblijf aangemerkt. +**10.** + +Onder eigen woning wordt niet begrepen een naar verkeersopvatting zelfstandig gedeelte van een gebouw, schip of woonwagen met de daartoe behorende aanhorigheden dat wordt gebruikt: + +1°. in een onderneming van de belastingplichtige of persoon die tot zijn huishouden behoort en bij de bepaling van de winst van die onderneming ter zake van dat gebruik een bedrag ten laste van de winst kan worden gebracht; +2°. voor resultaat uit een of meer werkzaamheden van de belastingplichtige of persoon die tot zijn huishouden behoort en bij de bepaling van dat resultaat ter zake van dat gebruik een bedrag ten laste van het resultaat kan worden gebracht, of +3°. in een vennootschap waarin de belastingplichtige of persoon die tot zijn huishouden behoort een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in hoofdstuk 4, uitgezonderd de artikelen 4.10 en 4.11, en bij de bepaling van de winst van die vennootschap ter zake van dat gebruik een bedrag ten laste van de winst kan worden gebracht. + ### Artikel 3.112 **1.** @@ -1864,10 +1885,10 @@ De voordelen uit *eigen woning* worden bij een eigenwoningwaarde van | meer dan | maar niet meer dan | op jaarbasis gesteld op | | --- | --- | --- | | – | € 12 500 | nihil | -| € 12 500 | € 25 000 | 0,30% van deze waarde | -| € 25 000 | € 50 000 | 0,50% van deze waarde | -| € 50 000 | € 75 000 | 0,65% van deze waarde | -| € 75 000 | – | 0,85% van deze waarde, maar ten hoogste € 8500 | +| € 12 500 | € 25 000 | 0,20% van deze waarde | +| € 25 000 | € 50 000 | 0,35% van deze waarde | +| € 50 000 | € 75 000 | 0,45% van deze waarde | +| € 75 000 | – | 0,60% van deze waarde, maar ten hoogste € 8750 | **2.** De eigenwoningwaarde is de volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor die woning vastgestelde waarde of waarden voor het tijdvak waarbinnen het kalenderjaar valt. Indien een eigen woning deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken, wordt de eigenwoningwaarde gesteld op het gedeelte van de waarde van de onroerende zaak dat kan worden toegekend aan de woning. @@ -1875,7 +1896,7 @@ De voordelen uit *eigen woning* worden bij een eigenwoningwaarde van **4.** De voordelen uit een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, tweede en derde lid, worden gesteld op nihil. -**5.** De voordelen uit een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, zesde lid, worden gesteld op 1,4% van de eigenwoningwaarde, maar ten hoogste € 8500. +**5.** De voordelen uit een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, zesde lid, worden gesteld op 1% van de eigenwoningwaarde, maar ten hoogste € 8750. ### Artikel 3.113 @@ -1883,7 +1904,7 @@ Met betrekking tot de *eigen woning* die tijdelijk ter beschikking is gesteld aa ### Artikel 3.114 -**1.** Indien de opbrengsten uit het anders dan voor korte duur ter beschikking stellen van al dan niet gestoffeerde of gemeubileerde woonruimte die geen zelfstandige woning vormt en deel uitmaakt van de woning die de belastingplichtige anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat, niet meer bedragen dan € 3710 per jaar, wordt die woonruimte aangemerkt als onderdeel van de *eigen woning *en worden de voordelen, andere dan bedoeld in artikel 3.112, eerste lid, niet in aanmerking genomen. +**1.** Indien de opbrengsten uit het anders dan voor korte duur ter beschikking stellen van al dan niet gestoffeerde of gemeubileerde woonruimte die geen zelfstandige woning vormt en deel uitmaakt van de woning die de belastingplichtige anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat, niet meer bedragen dan € 3821 per jaar, wordt die woonruimte aangemerkt als onderdeel van de *eigen woning *en worden de voordelen, andere dan bedoeld in artikel 3.112, eerste lid, niet in aanmerking genomen. **2.** Voor toepassing van dit artikel dient zowel de belastingplichtige als degene aan wie ter beschikking is gesteld gedurende de tijd van de terbeschikkingstelling als ingezetene op het woonadres ter zake van de woning te zijn ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens. @@ -1951,13 +1972,13 @@ In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder *levensverze **1.** -Tot het voordeel uit kapitaalverzekering eigen woning behoort niet de rente begrepen in de uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning voorzover de uitkering niet meer bedraagt dan € 137 500 indien: +Tot het voordeel uit kapitaalverzekering eigen woning behoort niet de rente begrepen in de uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning voorzover de uitkering niet meer bedraagt dan € 139 500 indien: a. de uitkering heeft gediend als aflossing van schulden die zijn aangegaan ter verwerving van de *eigen woning*; b. ter zake van de verzekering ten minste 20 jaar, of, indien de verzekering tot uitkering komt door eerder overlijden, tot het overlijden, jaarlijks premies zijn voldaan en c. de hoogste premie niet meer heeft bedragen dan het tienvoud van de laagste. -In afwijking in zoverre van de eerste volzin, aanhef en onderdeel b, wordt de rente die is begrepen in de uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning, voorzover deze uitkering niet meer bedraagt dan € 31 200, niet als voordeel uit kapitaalverzekering aangemerkt indien ter zake van de verzekering ten minste 15 jaar jaarlijks premies zijn voldaan. +In afwijking in zoverre van de eerste volzin, aanhef en onderdeel b, wordt de rente die is begrepen in de uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning, voorzover deze uitkering niet meer bedraagt dan € 31 700, niet als voordeel uit kapitaalverzekering aangemerkt indien ter zake van de verzekering ten minste 15 jaar jaarlijks premies zijn voldaan. **2.** @@ -2101,6 +2122,14 @@ In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen worden kosten voor verbeteri ### Afdeling 3.6a. Aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld +### Artikel 3.123a + +**1.** Indien de voordelen uit eigen woning, bedoeld in artikel 3.112, meer bedragen dan de op deze voordelen drukkende aftrekbare kosten, komt de belastingplichtige in aanmerking voor de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld. + +**2.** De aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld is gelijk aan de voordelen uit eigen woning, bedoeld in artikel 3.112, verminderd met de op deze voordelen drukkende aftrekbare kosten. + +**3.** Indien de belastingplichtige een partner heeft, worden voor de toepassing van dit artikel de voordelen van de belastingplichtige en zijn partner en de op deze voordelen drukkende aftrekbare kosten samengevoegd. De aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld wordt in dat geval gesteld op een evenredig gedeelte van de in het tweede lid berekende aftrek, bepaald naar de verhouding waarin de belastbare inkomsten uit eigen woning die worden geacht bij de belastingplichtige op te komen, staan tot de gezamenlijke belastbare inkomsten uit eigen woning van hem en zijn partner. + ### Afdeling 3.7. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen ### Artikel 3.124 @@ -2108,9 +2137,8 @@ In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen worden kosten voor verbeteri Uitgaven voor inkomensvoorzieningen zijn de op de belastingplichtige drukkende: a. premies voor *lijfrenten* die dienen ter compensatie van een pensioentekort tot de in de artikelen 3.127, 3.128 en 3.129 genoemde bedragen; -b. premies voor lijfrenten waarvan de termijnen toekomen aan een meerderjarig invalide kind of kleinkind en uitsluitend eindigen bij het overlijden van de gerechtigde; -c. premies voor aanspraken op periodieke uitkeringen en verstrekkingen ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval, waarvan de uitkeringen toekomen aan de belastingplichtige en -d. premies voor de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. +b. premies voor lijfrenten waarvan de termijnen toekomen aan een meerderjarig invalide kind of kleinkind en uitsluitend eindigen bij het overlijden van de gerechtigde; en +c. premies voor aanspraken op periodieke uitkeringen en verstrekkingen ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval, waarvan de uitkeringen toekomen aan de belastingplichtige. ### Artikel 3.125 @@ -2120,8 +2148,8 @@ Als *lijfrenten* die dienen ter compensatie van een pensioentekort worden aangem a. lijfrenten waarvan de termijnen toekomen aan de belastingplichtige, ingaan uiterlijk in het jaar waarin hij de leeftijd van 70 jaar bereikt en uitsluitend eindigen bij zijn overlijden; b. lijfrenten waarvan de termijnen toekomen aan een natuurlijk persoon en ingaan bij het overlijden van de belastingplichtige, van zijn *partner* of zijn gewezen partner, waarbij indien de termijnen toekomen aan een van hun bloed- of aanverwanten, niet zijnde de partner of gewezen partner, in de rechte lijn of in de tweede of derde graad van de zijlijn, deze uitsluitend eindigen hetzij bij het overlijden van de gerechtigde hetzij uiterlijk op het tijdstip waarop deze de leeftijd van 30 jaar bereikt; -c. lijfrenten waarvan de termijnen toekomen aan de belastingplichtige en eindigen in het jaar waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt of het jaar waarin hij een uitkering op grond van een *pensioenregeling* gaat genieten, voorzover het gezamenlijke bedrag aan termijnen van die lijfrenten – beoordeeld naar het tijdstip van premiebetaling – niet meer beloopt dan € 62 414 per jaar; -d. lijfrenten waarvan de termijnen toekomen aan de belastingplichtige, een looptijd hebben van ten minste vijf jaar, niet eerder ingaan dan in het jaar waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt of het jaar waarin hij een pensioen als bedoeld in onderdeel c gaat genieten en uiterlijk ingaan in het jaar waarin hij de leeftijd van 70 jaar bereikt, voorzover het gezamenlijke bedrag aan termijnen van die lijfrenten – beoordeeld naar het tijdstip van premiebetaling – niet meer beloopt dan € 18 727 per jaar. +c. lijfrenten waarvan de termijnen toekomen aan de belastingplichtige en eindigen in het jaar waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt of het jaar waarin hij een uitkering op grond van een *pensioenregeling* gaat genieten, voorzover het gezamenlijke bedrag aan termijnen van die lijfrenten – beoordeeld naar het tijdstip van premiebetaling – niet meer beloopt dan € 63 288 per jaar; +d. lijfrenten waarvan de termijnen toekomen aan de belastingplichtige, een looptijd hebben van ten minste vijf jaar, niet eerder ingaan dan in het jaar waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt of het jaar waarin hij een pensioen als bedoeld in onderdeel c gaat genieten en uiterlijk ingaan in het jaar waarin hij de leeftijd van 70 jaar bereikt, voorzover het gezamenlijke bedrag aan termijnen van die lijfrenten – beoordeeld naar het tijdstip van premiebetaling – niet meer beloopt dan € 18 990 per jaar. **2.** In afwijking van artikel 1.7, eerste lid, kan voor rechten als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, c en d zijn overeengekomen dat het bedrag van de uitkeringen als gevolg van het overlijden van de partner of gewezen partner afneemt tot ten hoogste 70% van het bedrag dat gold vóór het overlijden. @@ -2152,9 +2180,9 @@ d. een pensioenfonds of lichaam dat bevoegd het verzekeringsbedrijf uitoefent, a **1.** Indien de belastingplichtige bij de aanvang van het kalenderjaar nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt kan hij, vanwege een pensioentekort in het voorafgaande kalenderjaar, premies voor lijfrenten als bedoeld in artikel 3.124, onderdeel a, in aanmerking nemen tot een gezamenlijk bedrag van ten hoogste 17% van de premiegrondslag, waarbij op de uitkomst van deze berekening nog in aftrek komt de volgens het vierde lid bepaalde verminderingen in verband met de opbouw van pensioenaanspraken en dotaties aan de oudedagsreserve. Het volgens de eerste volzin in aanmerking te nemen bedrag wordt verminderd met hetgeen de belastingplichtige in het voorafgaande kalenderjaar aan spaarloon als bedoeld in artikel 32 van de Wet op de loonbelasting 1964 heeft opgenomen voor de voldoening van vrijwillig te betalen premies ingevolge een pensioenregeling. -**2.** Indien de belastingplichtige in de aan het kalenderjaar voorafgaande periode van zeven jaar minder premies voor lijfrenten in aanmerking heeft genomen dan mogelijk was op grond van het eerste lid kan hij, op bij zijn aangifte gedaan verzoek, het niet aangewende bedrag, voorzover dit niet in een eerder jaar op grond van dit lid in aanmerking is genomen, te beginnen met het in het oudste jaar niet aangewende bedrag, in het kalenderjaar alsnog in aanmerking nemen. Het alsnog in aanmerking te nemen bedrag bedraagt ten hoogste 17% van de premiegrondslag, met een maximum van € 6244. Voor de belastingplichtige die bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, wordt het in de vorige volzin genoemde bedrag van € 6244 verhoogd tot € 12 335. +**2.** Indien de belastingplichtige in de aan het kalenderjaar voorafgaande periode van zeven jaar minder premies voor lijfrenten in aanmerking heeft genomen dan mogelijk was op grond van het eerste lid kan hij, op bij zijn aangifte gedaan verzoek, het niet aangewende bedrag, voorzover dit niet in een eerder jaar op grond van dit lid in aanmerking is genomen, te beginnen met het in het oudste jaar niet aangewende bedrag, in het kalenderjaar alsnog in aanmerking nemen. Het alsnog in aanmerking te nemen bedrag bedraagt ten hoogste 17% van de premiegrondslag, met een maximum van € 6332. Voor de belastingplichtige die bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, wordt het in de vorige volzin genoemde bedrag van € 6332 verhoogd tot € 12 508. -**3.** De premiegrondslag bestaat uit het gezamenlijke bedrag in het voorafgaande kalenderjaar van de winst uit onderneming vóór toevoeging aan en afneming van de oudedagsreserve en vóór de ondernemersaftrek, het belastbare loon, het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden en de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen van de belastingplichtige, verminderd met een bedrag van € 10 571. Als premiegrondslag wordt ten hoogste een bedrag van € 145 219 in aanmerking genomen. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat uitkeringen volgens een pensioenregeling, termijnen van een lijfrente, of vergelijkbare inkomensbestanddelen niet behoren tot de premiegrondslag. +**3.** De premiegrondslag bestaat uit het gezamenlijke bedrag in het voorafgaande kalenderjaar van de winst uit onderneming vóór toevoeging aan en afneming van de oudedagsreserve en vóór de ondernemersaftrek, het belastbare loon, het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden en de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen van de belastingplichtige, verminderd met een bedrag van € 10 719. Als premiegrondslag wordt ten hoogste een bedrag van € 147 253 in aanmerking genomen. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat uitkeringen volgens een pensioenregeling, termijnen van een lijfrente, of vergelijkbare inkomensbestanddelen niet behoren tot de premiegrondslag. **4.** @@ -2179,16 +2207,16 @@ Een belastingplichtige met een oudedagsreserve kan, vanwege de omzetting van die Het maximum bedraagt: -a. € 396 054 in de gevallen waarin: +a. € 401 599 in de gevallen waarin: 1°. de ondernemer ten tijde van het staken de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt; 2°. de ondernemer ten tijde van het staken voor 45% of meer arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 6.20, eerste lid, onderdeel a, en de hem toekomende termijnen van lijfrenten ingaan binnen zes maanden na het staken of 3°. de onderneming wordt gestaakt door het overlijden van de ondernemer; -b. € 198 031 in de gevallen – andere dan die van onderdeel a – waarin: +b. € 200 804 in de gevallen – andere dan die van onderdeel a – waarin: 1°. de ondernemer ten tijde van het staken de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt of 2°. de aan de ondernemer toekomende termijnen van lijfrenten dadelijk ingaan; -c. € 99 020 in de overige gevallen. +c. € 100 407 in de overige gevallen. **3.** @@ -2342,34 +2370,19 @@ e. hetgeen door hem is ontvangen als nagekomen betaling ter zake van uitgaven vo ### Artikel 3.140 -Uitgaven voor kinderopvang zijn de op de belastingplichtige drukkende uitgaven voor opvang van *kinderen* die jonger zijn dan 13 jaar die voldoet aan de regels die krachtens artikel 20 van de Welzijnswet 1994 bij gemeentelijke verordening zijn gesteld met betrekking tot de kwaliteit van de opvang, of die voldoet aan bij ministeriële regeling aan te wijzen buitenlandse regelingen die naar aard en strekking overeenkomen met de krachtens artikel 20 van de Welzijnswet 1994 bij gemeentelijke verordening gestelde regels. +Vervallen ### Artikel 3.141 -**1.** - -Uitgaven voor kinderopvang worden alleen in aanmerking genomen indien: - -a. de belastingplichtige in het kalenderjaar met tegenwoordige arbeid meer dan € 3707 aan winst uit een of meer ondernemingen, loon of resultaat uit een of meer werkzaamheden heeft genoten of in aanmerking komt voor zelfstandigenaftrek, en -b. wordt voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen administratieve voorwaarden. - -**2.** Het eerste lid, onderdeel a, is ook van toepassing op de *partner* en degene die de keuze voor kwalificatie als partner kan maken, tenzij voor de partner de meewerkaftrek van toepassing is. +Vervallen ### Artikel 3.142 -**1.** De belastingplichtige die als gevolg van arbeidsongeschiktheid of werkloosheid ophoudt met tegenwoordige arbeid winst, loon of resultaat te verwerven, wordt voor de toepassing van deze afdeling geacht nog ten hoogste twaalf maanden na het intreden van de arbeidsongeschiktheid of werkloosheid dergelijk inkomen uit tegenwoordige arbeid te verwerven. - -**2.** De in het eerste lid genoemde periode van twaalf maanden wordt gekort met de periode waarin inkomsten genoten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid op de voet van artikel 1.7a, eerste lid, onderdeel a, gelijk zijn gesteld met loon uit tegenwoordige arbeid. +Vervallen ### Artikel 3.143 -**1.** Uitgaven voor kinderopvang worden in aanmerking genomen tot ten hoogste € 9626 per *kind* en vervolgens voorzover die uitgaven uitgaan boven de eigen bijdrage die voor de opvang van dat kind geacht wordt te zijn verschuldigd. - -**2.** De eigen bijdrage die per kind geacht wordt te zijn verschuldigd wordt bij ministeriële regeling vastgesteld. Hierbij wordt acht geslagen op de hoogte van de eigen bijdrage voor kinderopvang die door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de gemeenten wordt geadviseerd. - -**3.** Indien de belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar een *partner* heeft of gedurende het gehele kalenderjaar een gezamenlijke huishouding voert met een belastingplichtige die samen met de belastingplichtige de keuze voor kwalificatie als *partner* kan maken, worden de uitgaven voor kinderopvang voor de toepassing van het eerste lid samengevoegd. - -**4.** Indien de belastingplichtige gedurende een deel van het kalenderjaar een *partner* heeft en zij een keuze als bedoeld in artikel 2.17, zevende lid, hebben gemaakt, wordt de belastingplichtige voor de toepassing van het derde lid geacht gedurende het gehele kalenderjaar een *partner* te hebben gehad. +Vervallen ### Afdeling 3.11. Waardering niet in geld genoten inkomen @@ -2387,13 +2400,7 @@ Niet in geld genoten *loon*, periodieke uitkeringen en verstrekkingen, voordelen **4.** Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld waaraan een rittenregistratie moet voldoen. Tevens kunnen regels worden gesteld over het anderszins laten blijken dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt. -**5.** - -De waarde is: - -a. van een personenauto: de catalogusprijs met inbegrip van de omzetbelasting en de belasting van personenauto's en motorrijwielen; -b. van een bestelauto: de catalogusprijs met inbegrip van de omzetbelasting; -c. van een personenauto of bestelauto die meer dan vijftien jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen: de waarde in het economische verkeer. +**5.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt de waarde van de auto gesteld op de catalogusprijs met inbegrip van de omzetbelasting en de belasting van personenauto's en motorrijwielen. In afwijking in zoverre van de eerste volzin wordt de waarde van een auto die meer dan vijftien jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen, gesteld op de waarde in het economische verkeer. **6.** Het voordeel wordt in aanmerking genomen voorzover het uitgaat boven de vergoeding die de belastingplichtige voor het gebruik voor privé-doeleinden is verschuldigd. @@ -2423,7 +2430,7 @@ e. vorderbaar en inbaar geworden. ### Artikel 3.147 -Aftrekbare kosten, uitgaven voor inkomensvoorzieningen en uitgaven voor kinderopvang komen – voorzover niet anders is bepaald – voor aftrek in aanmerking op het tijdstip waarop zij zijn: +Aftrekbare kosten en uitgaven voor inkomensvoorzieningen komen – voorzover niet anders is bepaald – voor aftrek in aanmerking op het tijdstip waarop zij zijn: a. betaald; b. verrekend; @@ -2544,15 +2551,15 @@ Voor de toepassing van deze afdeling worden de geheven en de herrekende belastin ### Artikel 3.156 -**1.** De belastingplichtige die zekerheid wenst omtrent de vraag of de voordelen die hij geniet of zal gaan genieten uit een arbeidsrelatie of uit arbeidsrelaties waarin sprake is van hetzelfde soort van werkzaamheden die onder overeenkomstige condities worden verricht, worden aangemerkt als winst uit een onderneming, als loon of als resultaat uit overige werkzaamheden, kan een verzoek indienen bij de inspecteur. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. +**1.** De belastingplichtige die zekerheid wenst omtrent de vraag of de voordelen die hij in een kalenderjaar geniet of zal gaan genieten uit een arbeidsrelatie of uit arbeidsrelaties waarin sprake is van hetzelfde soort van werkzaamheden die onder overeenkomstige condities worden verricht, worden aangemerkt als winst uit een onderneming, als loon of als resultaat uit overige werkzaamheden, kan een verzoek indienen bij de inspecteur. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. **2.** Zodra de feitelijke omstandigheden afwijken van de door de belastingplichtige gepresenteerde omstandigheden op basis waarvan de beschikking is verleend, meldt de belastingplichtige dit aan de inspecteur. **3.** De inspecteur kan de beschikking herzien, indien de melding van de belastingplichtige als bedoeld in het tweede lid daartoe aanleiding geeft of hem uit anderen hoofde bekend is dat de feitelijke omstandigheden daartoe aanleiding geven. Herziening vindt plaats bij voor bezwaar vatbare beschikking. -**4.** De beschikking geldt voor de door de belastingplichtige aangegeven termijn, maar ten hoogste voor 24 maanden. +**4.** De beschikking geldt voor een termijn van ten hoogste één kalenderjaar. -**5.** Bij ministeriële regeling kan door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden bepaald dat de in het vierde lid bedoelde termijn van 24 maanden voor bij die regeling te bepalen gevallen, tot een bij die regeling te bepalen periode wordt verkort. +**5.** Ingeval de aanvraag betrekking heeft op werkzaamheden die zijn aangevangen of zullen aanvangen na het begin van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft, gaat de in het vierde lid bedoelde termijn in op de dag van de aanvang van de werkzaamheden. **6.** De inspecteur geeft de beschikking, bedoeld in het eerste lid, binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. Indien de beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, wordt die termijn verlengd met ten hoogste vijf weken en stelt de inspecteur de aanvrager daarvan schriftelijk en gemotiveerd in kennis. Mede in afwijking van artikel 25 Algemene wet rijksbelastingen is de Algemene wet bestuursrecht onverkort van toepassing. @@ -2884,7 +2891,7 @@ Het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing op: a. liquidatie-uitkeringen bestaande uit het voor rekening van de belastingplichtige voortzetten van de onderneming van een vennootschap met toepassing van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969; b. het vervreemdingsvoordeel dat wordt genoten bij een vervreemding als bedoeld in artikel 4.16, vijfde lid. -**5.** Vervreemdingsvoordelen als bedoeld in het vierde lid worden gesteld op de waarde van de vermogensbestanddelen van de onderneming voorzover die door de belastingplichtige wordt voortgezet, vermeerderd met 50% van het verlies dat op grond van artikel 14c, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt aangemerkt als ondernemersverlies in de zin van artikel 3.148, tweede lid, en verminderd met 35% van het bedrag dat op grond van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt vrijgesteld en voorts verminderd met een evenredig deel van de verkrijgingsprijs. De waarde van de vermogensbestanddelen vermeerderd met 50% van het verlies wordt tenminste gesteld op nihil. +**5.** Vervreemdingsvoordelen als bedoeld in het vierde lid worden gesteld op de waarde van de vermogensbestanddelen van de onderneming voorzover die door de belastingplichtige wordt voortgezet, vermeerderd met 50% van het verlies dat op grond van artikel 14c, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt aangemerkt als ondernemersverlies in de zin van artikel 3.148, tweede lid, en verminderd met 32% van het bedrag dat op grond van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt vrijgesteld en voorts verminderd met een evenredig deel van de verkrijgingsprijs. De waarde van de vermogensbestanddelen vermeerderd met 50% van het verlies wordt tenminste gesteld op nihil. ### Artikel 4.35 @@ -3132,13 +3139,13 @@ c. schulden die corresponderen met de in de onderdelen a en b genoemde vordering ### Artikel 5.5 -**1.** Het heffingvrije vermogen bedraagt € 19 252. +**1.** Het heffingvrije vermogen bedraagt € 19 522. -**2.** Op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn *partner* wordt het heffingvrije vermogen van de belastingplichtige verhoogd tot € 38 504 en het heffingvrije vermogen van de partner verminderd tot nihil. Het verzoek wordt gedaan bij de aangifte van de belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen. +**2.** Op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn *partner* wordt het heffingvrije vermogen van de belastingplichtige verhoogd tot € 39 044 en het heffingvrije vermogen van de partner verminderd tot nihil. Het verzoek wordt gedaan bij de aangifte van de belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen. **3.** Het verzoek, bedoeld in het tweede lid, kan uitsluitend worden gedaan indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde *partner* heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad. -**4.** Indien de belastingplichtige of zijn partner aan het einde van het kalenderjaar als ouder het gezag uitoefent over een minderjarig kind, wordt het in het eerste lid genoemde bedrag van € 19 252 of het in het tweede lid genoemde bedrag van € 38 504 per minderjarig kind verhoogd met € 2571. Indien de belastingplichtige een partner heeft, geldt de in de eerste volzin bedoelde verhoging slechts ten aanzien van een van hen; de verhoging wordt toegepast bij de oudste, behoudens ingeval zij gezamenlijk anders verzoeken. Op een verzoek als bedoeld in de tweede volzin kan niet worden teruggekomen. +**4.** Indien de belastingplichtige of zijn partner aan het einde van het kalenderjaar als ouder het gezag uitoefent over een minderjarig kind, wordt het in het eerste lid genoemde bedrag van € 19 522 of het in het tweede lid genoemde bedrag van € 39 044 per minderjarig kind verhoogd met € 2607. Indien de belastingplichtige een partner heeft, geldt de in de eerste volzin bedoelde verhoging slechts ten aanzien van een van hen; de verhoging wordt toegepast bij de oudste, behoudens ingeval zij gezamenlijk anders verzoeken. Op een verzoek als bedoeld in de tweede volzin kan niet worden teruggekomen. ### Artikel 5.6 @@ -3147,17 +3154,17 @@ c. schulden die corresponderen met de in de onderdelen a en b genoemde vordering Het heffingvrije vermogen, bedoeld in artikel 5.5, wordt verhoogd met de ouderentoeslag indien: a. de belastingplichtige bij het einde van het kalenderjaar, of, indien de belastingplicht in de loop van het jaar is geëindigd, bij het einde van de belastingplicht, de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, en -b. de gemiddelde rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.2, na aftrek van het heffingvrije vermogen, bedoeld in artikel 5.5, doch voor het in aanmerking nemen van de ouderentoeslag (saldogrondslag) niet meer bedraagt dan € 254 784. +b. de gemiddelde rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.2, na aftrek van het heffingvrije vermogen, bedoeld in artikel 5.5, doch voor het in aanmerking nemen van de ouderentoeslag (saldogrondslag) niet meer bedraagt dan € 258 351. -Bij een inkomen uit werk en woning vóór inachtneming van de uitgaven voor kinderopvang en de persoonsgebonden aftrek van: +Bij een inkomen uit werk en woning vóór inachtneming van de persoonsgebonden aftrek van: -| meer dan | maar niet meer dan | bedraagt de ouderentoeslag | +| meer dan | maar niet meer dan | bedraagt de ouderen- toeslag | | --- | --- | --- | -| – | € 13 024 | € 25 484 | -| € 13 024 | € 18 119 | € 12 742 | -| € 18 119 | – | nihil | +| – | € 13 207 | € 25 842 | +| € 13 207 | € 18 373 | € 12 921 | +| € 18 373 | – | nihil | -**2.** Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde *partner* heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, wordt voor de toepassing van het eerste lid onder saldogrondslag verstaan het gezamenlijke bedrag van de saldogrondslag van de belastingplichtige en de saldogrondslag van die *partner*, en wordt het in het eerste lid genoemde bedrag van € 254 784 verhoogd tot € 509 568. +**2.** Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde *partner* heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, wordt voor de toepassing van het eerste lid onder saldogrondslag verstaan het gezamenlijke bedrag van de saldogrondslag van de belastingplichtige en de saldogrondslag van die *partner*, en wordt het in het eerste lid genoemde bedrag van € 258 351 verhoogd tot € 516 702. **3.** Op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn*partner* wordt het heffingvrije vermogen van de belastingplichtige, bedoeld in artikel 5.5, na toepassing van het eerste lid, verhoogd met de ouderentoeslag van de *partner* en wordt de ouderentoeslag van de *partner* verminderd tot nihil. Het verzoek wordt gedaan bij de aangifte van de belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen. @@ -3195,10 +3202,10 @@ Tot de bezittingen behoren niet: a. rechten op kapitaalsuitkeringen of prestaties uit *levensverzekering*, uitsluitend bestaande uit een kapitaalsuitkering bij overlijden van de belastingplichtige, zijn *partner* of een bloed- of aanverwant, dan wel op prestaties in natura ter zake van de verzorging van een uitvaart, mits: -1°. de som van het verzekerde kapitaal uit dergelijke levensverzekeringen per verzekerde niet meer bedraagt dan € 6244; +1°. de som van het verzekerde kapitaal uit dergelijke levensverzekeringen per verzekerde niet meer bedraagt dan € 6332; -dan wel indien de som van het verzekerde kapitaal meer bedraagt dan  € 6244: -2°. de som van de waarde van die rechten per persoon niet meer bedraagt dan € 6244; +dan wel indien de som van het verzekerde kapitaal meer bedraagt dan  € 6332: +2°. de som van de waarde van die rechten per persoon niet meer bedraagt dan € 6332; b. rechten op kapitaalsuitkeringen die uitsluitend kunnen plaatsvinden bij invaliditeit, ziekte of ongeval; c. rechten op termijnen van een in artikel 4.28 bedoelde overdrachtsprijs van een aanmerkelijk belang. @@ -3214,7 +3221,7 @@ Tot de bezittingen en schulden behoren niet lopende termijnen van inkomsten en v ### Artikel 5.13 -**1.** Tot de bezittingen behoren niet maatschappelijke beleggingen tot een gezamenlijk maximum van  € 51 390. +**1.** Tot de bezittingen behoren niet maatschappelijke beleggingen tot een gezamenlijk maximum van  € 52 110. **2.** @@ -3223,7 +3230,7 @@ Maatschappelijke beleggingen zijn: a. groene beleggingen als bedoeld in artikel 5.14 en b. sociaal-ethische beleggingen als bedoeld in artikel 5.15. -**3.** Op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn partner wordt het in het eerste lid vermelde bedrag van de belastingplichtige verhoogd tot  € 102 780 en wordt het in het eerste lid vermelde bedrag van de partner verminderd tot nihil. Het verzoek wordt gedaan bij de aangifte van de belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen. +**3.** Op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn partner wordt het in het eerste lid vermelde bedrag van de belastingplichtige verhoogd tot  € 104 220 en wordt het in het eerste lid vermelde bedrag van de partner verminderd tot nihil. Het verzoek wordt gedaan bij de aangifte van de belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen. **4.** Het verzoek, bedoeld in het derde lid, kan uitsluitend worden gedaan indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde *partner* heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad. @@ -3245,7 +3252,7 @@ Projecten als bedoeld in het tweede lid zijn: a. in Nederland gelegen projecten of categorieën van projecten die door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën en na overleg met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, bij ministeriële regeling of verklaring zijn aangewezen als projecten in het belang van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos; b. in ontwikkelingslanden en daarmee gelijk te stellen gebieden gelegen projecten of categorieën van projecten die door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in overeenstemming met Onze Minister van Financiën en na overleg met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Ontwikkelingssamenwerking bij ministeriële regeling of verklaring zijn aangewezen als projecten in het belang van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos. -**4.** Op verklaringen en aanwijzingen als bedoeld in het derde lid is artikel 8.4, onderdeel g, van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. +**4.** Op verklaringen en aanwijzingen als bedoeld in het derde lid is hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen niet van toepassing. **5.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld. Daaronder kunnen worden begrepen regels ter verzekering van de heffing over voordelen die niet voortvloeien uit het verstrekken van kredieten ten behoeve van projecten in het belang van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos, of uit het direct of indirect beleggen van vermogen in dergelijke projecten. Tevens kunnen daaronder worden begrepen regels ter verzekering van de heffing over voordelen voorzover deze verband houden met de in een groen fonds aanwezige zuivere winst ten tijde van de aanwijzing van het fonds. @@ -3270,7 +3277,7 @@ a. de voedselzekerheid en voedingsverbetering in ontwikkelingslanden; b. de sociale en culturele ontwikkeling in ontwikkelingslanden of c. de economische ontwikkeling, werkgelegenheid en regionale ontwikkeling in ontwikkelingslanden. -**4.** Op verklaringen en aanwijzingen als bedoeld in het derde lid is artikel 8.4, onderdeel g, van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. +**4.** Op verklaringen en aanwijzingen als bedoeld in het derde lid is hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen niet van toepassing. **5.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld. Daaronder kunnen worden begrepen regels ter verzekering van de heffing over voordelen die niet voortvloeien uit het verstrekken van kredieten ten behoeve van sociaal-ethische projecten of uit het direct of indirect beleggen van vermogen in dergelijke projecten. Tevens kunnen daaronder worden begrepen regels ter verzekering van de heffing over voordelen voorzover deze verband houden met de in een sociaal-ethisch fonds aanwezige zuivere winst ten tijde van de aanwijzing van het fonds. @@ -3280,7 +3287,7 @@ c. de economische ontwikkeling, werkgelegenheid en regionale ontwikkeling in ont ### Artikel 5.16 -**1.** Tot de bezittingen behoren niet beleggingen in durfkapitaal tot een gezamenlijk maximum van € 51 390. +**1.** Tot de bezittingen behoren niet beleggingen in durfkapitaal tot een gezamenlijk maximum van € 52 110. **2.** @@ -3290,7 +3297,7 @@ a. directe beleggingen in durfkapitaal als bedoeld in artikel 5.17; b. indirecte beleggingen in durfkapitaal als bedoeld in artikel 5.18; c. culturele beleggingen als bedoeld in artikel 5.18a. -**3.** Op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn partner wordt het in het eerste lid vermelde bedrag van de belastingplichtige verhoogd tot € 102 780 en wordt het in het eerste lid vermelde bedrag van de partner verminderd tot nihil. Het verzoek wordt gedaan bij de aangifte van de belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen. +**3.** Op gezamenlijk verzoek van de belastingplichtige en zijn partner wordt het in het eerste lid vermelde bedrag van de belastingplichtige verhoogd tot € 104 220 en wordt het in het eerste lid vermelde bedrag van de partner verminderd tot nihil. Het verzoek wordt gedaan bij de aangifte van de belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen. **4.** Het verzoek, bedoeld in het derde lid, kan uitsluitend worden gedaan indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde *partner* heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad. @@ -3370,7 +3377,7 @@ Culturele projecten als bedoeld in het tweede lid zijn projecten die door Onze M a. de Nederlandse podiumkunsten of b. de Nederlandse musea. -**4.** Op verklaringen en aanwijzingen als bedoeld in het derde lid is artikel 8.4, onderdeel g, van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. +**4.** Op verklaringen en aanwijzingen als bedoeld in het derde lid is hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen niet van toepassing. **5.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld. Daaronder kunnen worden begrepen regels ter verzekering van de heffing over voordelen die niet voortvloeien uit het verstrekken van kredieten ten behoeve van culturele projecten in Nederland of uit het direct of indirect beleggen van vermogen in dergelijke projecten. Tevens kunnen daaronder worden begrepen regels ter verzekering van de heffing over voordelen voorzover deze verband houden met de in een cultuurfonds aanwezige zuivere winst ten tijde van de aanwijzing van het fonds. @@ -3433,7 +3440,7 @@ a. uitgaven voor onderhoudsverplichtingen (afdeling 6.2); b. verliezen op beleggingen in durfkapitaal (afdeling 6.3); c. uitgaven voor levensonderhoud van *kinderen* (afdeling 6.4); d. buitengewone uitgaven (afdeling 6.5); -e. weekenduitgaven voor gehandicapte kinderen (afdeling 6.6); +e. weekenduitgaven voor gehandicapten (afdeling 6.6); f. scholingsuitgaven (afdeling 6.7); g. uitgaven voor monumentenpanden (afdeling 6.8); h. aftrekbare giften (afdeling 6.9). @@ -3581,7 +3588,7 @@ Vervallen **1.** Uitgaven voor levensonderhoud van *kinderen* zijn uitgaven voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 30 jaar die ten minste in belangrijke mate door de belastingplichtige worden onderhouden. Voor de beoordeling in welke mate een kind door de belastingplichtige wordt onderhouden, worden, indien de belastingplichtige een *partner* heeft, de uitgaven van de belastingplichtige en zijn partner voor het levensonderhoud van het kind samengevoegd. -**2.** Uitgaven wegens ziekte, invaliditeit en bevalling zijn geen uitgaven voor levensonderhoud. +**2.** Uitgaven wegens ziekte, invaliditeit en bevalling, alsmede voor weekenduitgaven voor gehandicapte kinderen van 27 jaar of ouder die doorgaans in een inrichting verblijven, zijn geen uitgaven voor levensonderhoud. ### Artikel 6.14 @@ -3645,10 +3652,10 @@ Uitgaven voor gezinshulp worden als extra aangemerkt voorzover zij meer bedragen | Bij een verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek van | | | | --- | --- | --- | | meer dan | maar niet meer dan | worden de uitgaven voor gezinshulp geacht extra te zijn voorzover zij meer bedragen dan het in deze kolom vermelde percentage van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek | -| – | € 27344 | 0% | -| € 27344 | € 41017 | 1% | -| € 41017 | € 54688 | 2% | -| € 54688 | – | 3% | +| – | € 27 727 | 0% | +| € 27 727 | € 41 592 | 1% | +| € 41 592 | € 55 454 | 2% | +| € 55 454 | – | 3% | **3.** Indien de belastingplichtige gedurende het gehele jaar een *partner* heeft, worden de uitgaven voor gezinshulp samengevoegd. Over deze periode geldt voor de toepassing van het tweede lid in plaats van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek het gezamenlijke bedrag van de verzamelinkomens van de belastingplichtige en zijn partner vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek. @@ -3678,13 +3685,13 @@ b. de uitgaven voor de reis of het verblijf die zijn gedaan in verband met de la **1.** Uitgaven wegens arbeidsongeschiktheid worden in aanmerking genomen indien de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar jonger is dan 65 jaar en aannemelijk maakt dat hij door ziekte of gebreken niet in staat is om ten minste 55% te verdienen van wat lichamelijk en geestelijk gezonde belastingplichtigen die overigens in gelijke omstandigheden verkeren, kunnen verdienen, en daartoe ook hetzij in het afgelopen jaar niet in staat is geweest hetzij vermoedelijk in het eerstkomende jaar niet in staat zal zijn. -**2.** Het in aanmerking te nemen bedrag wordt gesteld op € 776. +**2.** Het in aanmerking te nemen bedrag wordt gesteld op € 787. ### Artikel 6.20a **1.** -Uitgaven wegens chronische ziekte worden in aanmerking genomen indien de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar jonger is dan 65 jaar, niet in aanmerking komt voor uitgaven wegens arbeidsongeschiktheid op de voet van artikel 6.20 en hij in het kalenderjaar voor hem voor meer dan € 307 aan uitgaven heeft gedaan voor: +Uitgaven wegens chronische ziekte worden in aanmerking genomen indien de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar jonger is dan 65 jaar, niet in aanmerking komt voor uitgaven wegens arbeidsongeschiktheid op de voet van artikel 6.20 en hij in het kalenderjaar voor hem voor meer dan € 311 aan uitgaven heeft gedaan voor: a. hulpmiddelen met inbegrip van farmaceutische hulpmiddelen – als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel a; b. vervoer als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel a; @@ -3695,19 +3702,19 @@ f. verschuldigde bijdragen krachtens artikel 6 van de Algemene Wet Bijzondere Zi g. verschuldigde bijdragen krachtens artikel 6, derde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, ingeval de belastingplichtige niet verblijft in een instelling als bedoeld in onderdeel f, of h. verschuldigde bijdragen krachtens artikel 1p van de Ziekenfondswet voor uitkeringen die zorg, ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, vervangt. -**2.** Het in aanmerking te nemen bedrag wordt gesteld op € 776. +**2.** Het in aanmerking te nemen bedrag wordt gesteld op € 787. ### Artikel 6.21 **1.** Uitgaven wegens ouderdom worden in aanmerking genomen indien de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar 65 jaar of ouder is. -**2.** Het in aanmerking te nemen bedrag wordt gesteld op € 776. +**2.** Het in aanmerking te nemen bedrag wordt gesteld op € 787. ### Artikel 6.22 **1.** -Uitgaven wegens chronische ziekte van een kind worden in aanmerking genomen indien de belastingplichtige voor een kind dat bij het begin van het kalenderjaar jonger is dan 27 jaar en dat door hem in belangrijke mate wordt onderhouden in het kalenderjaar voor meer dan € 307 aan uitgaven heeft gedaan voor: +Uitgaven wegens chronische ziekte van een kind worden in aanmerking genomen indien de belastingplichtige voor een kind dat bij het begin van het kalenderjaar jonger is dan 27 jaar en dat door hem in belangrijke mate wordt onderhouden in het kalenderjaar voor meer dan € 311 aan uitgaven heeft gedaan voor: a. hulpmiddelen met inbegrip van farmaceutische hulpmiddelen - als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel a; b. vervoer als bedoeld in artikel 6.17, eerste lid, onderdeel a; @@ -3718,7 +3725,7 @@ f. verschuldigde bijdragen krachtens artikel 6 van de Algemene Wet Bijzondere Zi g. verschuldigde bijdragen krachtens artikel 6, derde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, ingeval het kind niet verblijft in een instelling als bedoeld in onderdeel f, of h. verschuldigde bijdragen krachtens artikel 1p van de Ziekenfondswet voor uitkeringen die zorg, ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, vervangt. -**2.** Het in aanmerking te nemen bedrag wordt gesteld op € 776. +**2.** Het in aanmerking te nemen bedrag wordt gesteld op € 787. **3.** Indien zowel de belastingplichtige als zijn partner uitgaven wegens chronische ziekte van het kind in aanmerking neemt, wordt het in aanmerking te nemen bedrag gesteld op de helft van het bedrag genoemd in het tweede lid, zonodig naar boven af te ronden op een geheel getal. @@ -3747,23 +3754,27 @@ h. verschuldigde bijdragen krachtens artikel 1p van de Ziekenfondswet voor uitke Buitengewone uitgaven worden in aanmerking genomen voorzover zij samen, na toepassing van de verhoging ingevolge het eerste lid, meer bedragen dan: -a. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 6804 niet te boven gaat: € 762; -b. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 6804 te boven gaat maar € 53 000 niet te boven gaat: 11,2% van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek; -c. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 53 000 te boven gaat: € 5936. +a. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 6902 niet te boven gaat: € 773; +b. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 6902 te boven gaat maar € 53 750 niet te boven gaat: 11,2% van het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek; +c. indien het verzamelinkomen vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek € 53 750 te boven gaat: € 6020. -**3.** Indien de belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar een partner heeft, worden de buitengewone uitgaven samengevoegd. Over deze periode geldt voor de toepassing van het eerste en tweede lid in plaats van het verzamelinkomen voor toepassing van de persoonsgebonden aftrek het gezamenlijke bedrag van de verzamelinkomens van de belastingplichtige en zijn partner vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek en wordt in het tweede lid, onderdeel a en onderdeel b, het bedrag van € 6804 vervangen door € 13 608 en wordt in het tweede lid, onderdeel a, het bedrag van € 762 vervangen door € 1524. +**3.** Indien de belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar een partner heeft, worden de buitengewone uitgaven samengevoegd. Over deze periode geldt voor de toepassing van het eerste en tweede lid in plaats van het verzamelinkomen voor toepassing van de persoonsgebonden aftrek het gezamenlijke bedrag van de verzamelinkomens van de belastingplichtige en zijn partner vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek en wordt in het tweede lid, onderdeel a en onderdeel b, het bedrag van € 6902 vervangen door € 13 804 en wordt in het tweede lid, onderdeel a, het bedrag van € 773 vervangen door € 1546. **4.** Indien de belastingplichtige gedurende een deel van het kalenderjaar een partner heeft en zij een keuze als bedoeld in artikel 2.17, zevende lid, hebben gemaakt, wordt de belastingplichtige voor de toepassing van het derde lid geacht gedurende het gehele kalenderjaar een partner te hebben gehad. -### Afdeling 6.6. Weekenduitgaven voor gehandicapte kinderen +### Afdeling 6.6. Weekenduitgaven voor gehandicapten ### Artikel 6.25 -Weekenduitgaven voor gehandicapte *kinderen* zijn de extra uitgaven die door een belastingplichtige worden gedaan om zijn ernstig gehandicapte kind van 30 jaar of ouder dat doorgaans in een inrichting verblijft, te verzorgen. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wanneer een kind voor de toepassing van deze bepaling als ernstig gehandicapt wordt beschouwd. +**1.** Weekenduitgaven voor gehandicapten zijn de extra uitgaven die door een belastingplichtige worden gedaan om zijn ernstig gehandicapte kind, broer, zus of onder zijn mentorschap gestelde persoon te verzorgen, mits dit kind, deze broer, zus of persoon 27 jaar of ouder is en doorgaans in een inrichting verblijft. + +**2.** Onder mentorschap wordt verstaan mentorschap als bedoeld in boek 1, titel 20, van het Burgerlijk Wetboek. + +**3.** Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wanneer een kind, broer, zus of onder mentorschap van de belastingplichtige gestelde persoon voor de toepassing van dit artikel als ernstig gehandicapt wordt beschouwd. ### Artikel 6.26 -Weekenduitgaven voor gehandicapte kinderen worden in aanmerking genomen tot een bedrag bepaald volgens bij ministeriële regeling te stellen regels. +Weekenduitgaven voor gehandicapten worden in aanmerking genomen tot een bedrag bepaald volgens bij ministeriële regeling te stellen regels. ### Afdeling 6.7. Scholingsuitgaven @@ -3784,7 +3795,7 @@ b. werk- of studeerruimten, daaronder begrepen de inrichting; c. reizen en verblijven, daaronder begrepen excursies en studiereizen; d. oorzaken die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen. -**2.** Scholingsuitgaven komen niet voor aftrek in aanmerking voorzover voor een opleiding of studie aan de belastingplichtige vrijgestelde uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 3.104, onderdelen d, e en g, onder 3°, worden verstrekt. +**2.** Scholingsuitgaven komen niet voor aftrek in aanmerking voorzover voor een opleiding of studie aan de belastingplichtige vrijgestelde uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 3.104, onderdelen d, e en h, onder 3°, worden verstrekt. ### Artikel 6.29 @@ -3810,7 +3821,7 @@ d. oorzaken die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen. Als uitgaven met betrekking tot een monumentenpand worden in aanmerking genomen: -a. indien het een eigen woning als bedoeld in het eerste of derde lid van artikel 3.111 betreft: het bedrag van de kosten, lasten en afschrijvingen – andere dan renten van schulden, kosten van geldleningen en periodieke betalingen ingevolge de rechten van erfpacht, opstal of beklemming – verminderd met 1,15% van de eigenwoningwaarde, met dien verstande dat die vermindering niet minder dan € 136 en niet meer dan € 12 150 bedraagt; +a. indien het een eigen woning als bedoeld in het eerste of derde lid van artikel 3.111 betreft: het bedrag van de kosten, lasten en afschrijvingen – andere dan renten van schulden, kosten van geldleningen en periodieke betalingen ingevolge de rechten van erfpacht, opstal of beklemming – verminderd met 0,80% van de eigenwoningwaarde, met dien verstande dat die vermindering niet minder dan € 100 en niet meer dan € 12 500 bedraagt; b. indien het een onroerende zaak betreft die volgens artikel 5.1 in de belastingheffing wordt betrokken: het bedrag van de onderhoudskosten, verminderd met 4% van de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak op de begindatum als bedoeld in artikel 5.2, waarbij de waarde in het economisch verkeer van de onroerende zaak wordt bepaald met toepassing van artikel 5.19. **2.** Onder monumentenpand wordt verstaan een pand dat is ingeschreven in een van de registers, bedoeld in artikel 6 of artikel 7 van de Monumentenwet 1988. @@ -3906,8 +3917,7 @@ d. de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen voorzover de daarvoor e. de rechten op periodieke uitkeringen en verstrekkingen van publiekrechtelijke aard van of namens een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon; f. de belastbare inkomsten uit eigen woning in Nederland en g. de negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen; verminderd met: -h. de uitgaven voor inkomensvoorzieningen en -i. de uitgaven voor kinderopvang. +h. de uitgaven voor inkomensvoorzieningen. **3.** Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, worden de werkzaamheden in Nederland verricht in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep door een niet-ingezetene die ingevolge een overeenkomst van korte duur, dan wel kortstondig krachtens een andere grond, als musicus of anderszins als artiest optreedt dan wel als beroep een tak van sport beoefent, steeds aangemerkt als een vaste inrichting in Nederland. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel c, is artikel 1.2, derde lid, onderdeel b, niet van toepassing en wordt onder werkzaamheid in Nederland mede verstaan het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen als bedoeld in de artikelen 3.91 en 3.92 aan het in Nederland gevestigde deel van een onderneming, werkzaamheid of vennootschap. @@ -3915,9 +3925,9 @@ i. de uitgaven voor kinderopvang. **5.** Verliezen uit werk en woning zijn de verliezen uit werk en woning die betrekking hebben op jaren waarin de buitenlandse belastingplichtige binnenlands belastingplichtig was en de verliezen uit werk en woning in Nederland. -**6.** In Nederland gelegen onroerende zaken, daaronder begrepen rechten die samenhangen met de exploratie en exploitatie van in Nederland aanwezige natuurlijke rijkdommen, of rechten waaraan deze zijn onderworpen, die tot het vermogen van een onderneming behoren, behoren tot het vermogen van een Nederlandse onderneming. +**6.** In Nederland gelegen onroerende zaken, daaronder begrepen rechten die samenhangen met de exploratie en exploitatie van in Nederland aanwezige natuurlijke rijkdommen waaronder ook wordt gerekend de opwekking van energie uit het water, de stromen en de winden, of rechten waaraan deze zijn onderworpen, die tot het vermogen van een onderneming behoren, behoren tot het vermogen van een Nederlandse onderneming. -**7.** De gedeeltelijk buiten Nederland vervulde dienstbetrekking voor een inhoudingsplichtige in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, wordt geacht geheel in Nederland te zijn vervuld. De eerste volzin vindt geen toepassing voorzover het loon uit die dienstbetrekking met inachtneming van verdragen waarbij de Staat der Nederlanden partij is, feitelijk is onderworpen aan een belasting naar het inkomen die door of vanwege een andere mogendheid wordt geheven. De buiten Nederland vervulde functie van bestuurder of commissaris van een in Nederland gevestigd lichaam, de buiten Nederland vervulde dienstbetrekking waarbij werkzaamheden worden verricht aan boord van schepen of luchtvaartuigen in het internationale verkeer van een onderneming waarvan de leiding in Nederland is gevestigd, alsmede de dienstbetrekking bij de Staat der Nederlanden dan wel de dienstbetrekking waarbij in het kader van een uitzending op het grondgebied van een andere mogendheid werkzaamheden zijn of worden verricht op grond van een verdrag waarbij de Staat der Nederlanden partij is, worden steeds geacht in Nederland te zijn vervuld. +**7.** De gedeeltelijk buiten Nederland vervulde dienstbetrekking voor een inhoudingsplichtige in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, wordt geacht geheel in Nederland te zijn vervuld. De eerste volzin vindt geen toepassing voorzover het loon uit die dienstbetrekking met inachtneming van de Belastingregeling voor het Koninkrijk of verdragen waarbij de Staat der Nederlanden partij is, feitelijk is onderworpen aan een belasting naar het inkomen die door of vanwege een andere mogendheid wordt geheven. De eerste volzin vindt evenmin toepassing indien de dienstbetrekking nagenoeg geheel buiten Nederland wordt vervuld en het loon is onderworpen aan een belasting naar het inkomen die door een andere mogendheid wordt geheven en het loon niet op grond van een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting of op grond van enige andere regel van interregionaal of internationaal recht in feite slechts in Nederland aan een belasting naar het inkomen is onderworpen. De buiten Nederland vervulde functie van bestuurder of commissaris van een in Nederland gevestigd lichaam, alsmede de dienstbetrekking bij de Staat der Nederlanden dan wel de dienstbetrekking waarbij in het kader van een uitzending op het grondgebied van een andere mogendheid werkzaamheden zijn of worden verricht op grond van een verdrag waarbij de Staat der Nederlanden partij is, worden steeds geacht in Nederland te zijn vervuld. **8.** a. Tot belastbaar loon wordt gerekend de waarde in het economisch verkeer van opgebouwde aanspraken uit een *pensioenregeling* indien de verplichtingen volgens de *pensioenregeling* waarop die aanspraken berusten geheel of gedeeltelijk zijn ondergebracht bij een ander lichaam dan bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen a, b, d, e en f van de Wet op de loonbelasting 1964. Tot de waarde in het economische verkeer wordt niet gerekend het met pensioenpremies behaalde rendement over een periode waarin de belastingplichtige geen binnenlands belastingplichtige is geweest. b. Indien onderdeel a toepassing vindt met betrekking tot de waarde van aanspraken die eerder op grond van: @@ -3973,7 +3983,7 @@ Werkzaamheden die in het kader van een onderneming worden verricht gedurende een **2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing na een vervreemding als bedoeld in artikel 7.5, zevende lid. -**3.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld inzake de verkrijgingsprijs indien artikel 26, derde lid, van de Invorderingswet 1990 is toegepast. +**3.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld inzake de verkrijgingsprijs indien artikel 26 van de Invorderingswet 1990 is toegepast. ### Afdeling 7.4. Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen @@ -4076,7 +4086,7 @@ De *gecombineerde heffingskorting* bedraagt maximaal het bedrag van de *gecombin **1.** De algemene heffingskorting geldt voor iedere belastingplichtige. -**2.** De algemene heffingskorting bedraagt € 1825. +**2.** De algemene heffingskorting bedraagt € 1894. ### Artikel 8.11 @@ -4086,18 +4096,18 @@ De *gecombineerde heffingskorting* bedraagt maximaal het bedrag van de *gecombin De arbeidskorting wordt berekend over het gezamenlijke bedrag van hetgeen met tegenwoordige arbeid is genoten als winst uit een of meer ondernemingen, loon en resultaat uit een of meer werkzaamheden (arbeidskortingsgrondslag). De arbeidskorting bedraagt de som van: -a. 1,753% van de arbeidskortingsgrondslag met een maximum van € 142, en -b. 11,213% van de arbeidskortingsgrondslag voorzover die meer bedraagt dan € 8101. +a. 1,778% van de arbeidskortingsgrondslag met een maximum van € 144, en +b. 11,867% van de arbeidskortingsgrondslag voorzover die meer bedraagt dan € 8101. -De arbeidskorting bedraagt ten minste de volgens artikel 22a van de Wet op de loonbelasting 1964 toegekende arbeidskorting, maar maximaal € 1213. +De arbeidskorting bedraagt ten minste de volgens artikel 22a van de Wet op de loonbelasting 1964 toegekende arbeidskorting, maar maximaal € 1287. **3.** In afwijking van het tweede lid wordt: -a. ingeval de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 57 jaar heeft bereikt maar nog niet de leeftijd van 60, het percentage, bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, onderdeel b, vervangen door 13,737% en het bedrag, bedoeld in het tweede lid, derde volzin, vervangen door € 1454; -b. ingeval de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt maar nog niet de leeftijd van 62, het percentage, bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, onderdeel b, vervangen door 16,250% en het bedrag, bedoeld in het tweede lid, derde volzin, vervangen door € 1694; -c. ingeval de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 62 jaar heeft bereikt, het percentage, bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, onderdeel b, vervangen door 18,773% en het bedrag, bedoeld in het tweede lid, derde volzin, vervangen door € 1935. +a. ingeval de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 57 jaar heeft bereikt maar nog niet de leeftijd van 60, het percentage, bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, onderdeel b, vervangen door 14,410% en het bedrag, bedoeld in het tweede lid, derde volzin, vervangen door € 1532; +b. ingeval de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt maar nog niet de leeftijd van 62, het percentage, bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, onderdeel b, vervangen door 16,933% en het bedrag, bedoeld in het tweede lid, derde volzin, vervangen door € 1775; +c. ingeval de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 62 jaar heeft bereikt, het percentage, bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, onderdeel b, vervangen door 19,466% en het bedrag, bedoeld in het tweede lid, derde volzin, vervangen door € 2019. ### Artikel 8.12 @@ -4106,9 +4116,9 @@ c. ingeval de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd De kinderkorting geldt voor de belastingplichtige indien: a. in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden tot zijn huishouden een *kind* behoort dat in belangrijke mate door hem of zijn *partner* wordt onderhouden en dat bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar niet heeft bereikt en gedurende die tijd op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige of zijn partner staat ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens en -b. het gezamenlijke verzamelinkomen van de belastingplichtige en zijn partner niet hoger is dan € 59 612. +b. het gezamenlijke verzamelinkomen van de belastingplichtige en zijn partner niet hoger is dan € 60 447. -**2.** De kinderkorting bedraagt € 110. +**2.** De kinderkorting bedraagt € 112. **3.** Indien de belastingplichtige een partner heeft geldt de kinderkorting alleen voor de belastingplichtige met het hoogste verzamelinkomen. Indien het verzamelinkomen van de belastingplichtige gelijk is aan dat van zijn partner geldt de kinderkorting alleen voor de oudste belastingplichtige. Op gezamenlijk verzoek van deze belastingplichtige en zijn partner, wordt het bedrag van de kinderkorting toegekend aan de partner van die belastingplichtige. Op het verzoek kan niet worden teruggekomen. @@ -4123,16 +4133,16 @@ b. het gezamenlijke verzamelinkomen van de belastingplichtige en zijn partner ni De aanvullende kinderkorting geldt voor de belastingplichtige indien: a. voor hem de kinderkorting geldt, en -b. het gezamenlijke verzamelinkomen van de belastingplichtige en zijn partner niet hoger is dan € 29 807. +b. het gezamenlijke verzamelinkomen van de belastingplichtige en zijn partner niet hoger is dan € 30 225. **2.** De aanvullende kinderkorting bedraagt: -a. bij een gezamenlijk verzamelinkomen van niet meer dan € 28 097: € 547; -b. bij een gezamenlijk verzamelinkomen van meer dan € 28 097 maar niet meer dan € 29 807:  € 363. +a. bij een gezamenlijk verzamelinkomen van niet meer dan € 28 491: € 690; +b. bij een gezamenlijk verzamelinkomen van meer dan € 28 491 maar niet meer dan € 30 225:  € 504. -**3.** Het in het tweede lid, onderdeel a, vermelde bedrag wordt verhoogd met € 64 indien in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden tot het huishouden van de belastingplichtige ten minste drie kinderen behoren die in belangrijke mate door hem of zijn partner worden onderhouden en die bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar niet hebben bereikt en gedurende die tijd op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige of zijn partner staan ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens. +**3.** Het in het tweede lid, onderdeel a, vermelde bedrag wordt verhoogd met € 65 indien in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden tot het huishouden van de belastingplichtige ten minste drie kinderen behoren die in belangrijke mate door hem of zijn partner worden onderhouden en die bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar niet hebben bereikt en gedurende die tijd op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige of zijn partner staan ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens. **4.** Voor de toepassing van dit artikel wordt onder partner mede verstaan een in artikel 3.91, tweede lid, onderdeel b, onder 2° tot en met 5°, bedoelde verbonden persoon. @@ -4142,7 +4152,7 @@ b. bij een gezamenlijk verzamelinkomen van meer dan € 28 097 maar niet meer d De combinatiekorting geldt voor de belastingplichtige indien: -a. hij met tegenwoordige arbeid meer dan € 4306 winst uit een of meer ondernemingen, loon of resultaat uit een of meer werkzaamheden heeft genoten of in aanmerking komt voor de zelfstandigenaftrek, en +a. hij met tegenwoordige arbeid meer dan € 4366 winst uit een of meer ondernemingen, loon of resultaat uit een of meer werkzaamheden heeft genoten of in aanmerking komt voor de zelfstandigenaftrek, en b. in het kalenderjaar ten minste zes maanden tot zijn huishouden een kind behoort dat: 1°. bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt en @@ -4150,7 +4160,7 @@ b. in het kalenderjaar ten minste zes maanden tot zijn huishouden een kind behoo Bij ministeriële regeling wordt bepaald in welke gevallen niet behoeft te worden voldaan aan het laatste vereiste. -**2.** De combinatiekorting bedraagt € 224. +**2.** De combinatiekorting bedraagt € 228. **3.** Indien uitsluitend als gevolg van het overlijden in het kalenderjaar van de belastingplichtige dan wel van een in het eerste lid, onderdeel b, bedoeld kind niet voldaan wordt aan de in het eerste lid bedoelde termijn van zes maanden, wordt voor de toepassing van dit artikel met betrekking tot dat jaar wel geacht te zijn voldaan aan die termijn. @@ -4163,7 +4173,7 @@ De aanvullende combinatiekorting geldt voor de belastingplichtige indien: a. voor hem de combinatiekorting geldt, en b. hij in het kalenderjaar geen partner heeft, danwel indien hij wel een partner heeft, hij in het kalenderjaar met tegenwoordige arbeid minder aan winst uit een of meer ondernemingen, loon of resultaat uit een of meer werkzaamheden heeft genoten dan zijn partner met tegenwoordige arbeid uit die bronnen heeft genoten. -**2.** De aanvullende combinatiekorting bedraagt € 290. +**2.** De aanvullende combinatiekorting bedraagt € 389. **3.** Indien het in het kalenderjaar uit de in het eerste lid bedoelde bronnen genoten inkomen van de belastingplichtige gelijk is aan dat van zijn partner, geldt de aanvullende combinatiekorting alleen voor de oudste belastingplichtige. @@ -4179,7 +4189,7 @@ a. geen *partner* heeft; b. een huishouding voert met een *kind* dat in belangrijke mate door hem wordt onderhouden en op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens, en c. deze huishouding voert met geen ander dan kinderen die bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 27 jaar niet hebben bereikt. -**2.** De alleenstaande-ouderkorting bedraagt € 1381. +**2.** De alleenstaande-ouderkorting bedraagt € 1401. **3.** Indien uitsluitend als gevolg van het overlijden in het kalenderjaar van de belastingplichtige dan wel van een in het eerste lid, onderdeel b, bedoeld kind niet voldaan wordt aan de in het eerste lid bedoelde termijn van zes maanden, wordt voor de toepassing van dit artikel met betrekking tot dat jaar wel geacht te zijn voldaan aan die termijn. @@ -4193,7 +4203,7 @@ a. voor hem de alleenstaande-ouderkorting geldt; b. hij tegenwoordige arbeid verricht, en c. in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden tot zijn huishouden een *kind* behoort dat bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 16 jaar niet heeft bereikt en gedurende die tijd op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens. -**2.** De aanvullende alleenstaande-ouderkorting bedraagt 4,3% van het bedrag dat met tegenwoordige arbeid aan winst uit een of meer ondernemingen, loon of resultaat uit een of meer werkzaamheden is begrepen in het belastbare inkomen uit werk en woning, maar maximaal € 1381. +**2.** De aanvullende alleenstaande-ouderkorting bedraagt 4,3% van het bedrag dat met tegenwoordige arbeid aan winst uit een of meer ondernemingen, loon of resultaat uit een of meer werkzaamheden is begrepen in het belastbare inkomen uit werk en woning, maar maximaal € 1401. **3.** Indien uitsluitend als gevolg van het overlijden in het kalenderjaar van de belastingplichtige dan wel van een in het eerste lid, onderdeel c, bedoeld kind niet voldaan wordt aan de in het eerste lid bedoelde termijn van zes maanden, wordt voor de toepassing van dit artikel met betrekking tot dat jaar wel geacht te zijn voldaan aan die termijn. @@ -4201,13 +4211,13 @@ c. in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden tot zijn huishouden een *k **1.** De jonggehandicaptenkorting geldt voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar op grond van hoofdstuk 2, afdeling 1, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten recht heeft op toekenning van een uitkering, tenzij voor hem de ouderenkorting geldt. -**2.** De jonggehandicaptenkorting bedraagt  € 531. +**2.** De jonggehandicaptenkorting bedraagt  € 639. ### Artikel 8.17 -**1.** De ouderenkorting geldt voor de belastingplichtige die bij het einde van het kalenderjaar, of, indien de belastingplicht in de loop van het jaar is geëindigd, bij het einde van de belastingplicht, de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en die een verzamelinkomen heeft van niet meer dan € 30 303. +**1.** De ouderenkorting geldt voor de belastingplichtige die bij het einde van het kalenderjaar, of, indien de belastingplicht in de loop van het jaar is geëindigd, bij het einde van de belastingplicht, de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en die een verzamelinkomen heeft van niet meer dan € 30 728. -**2.** De ouderenkorting bedraagt € 418. +**2.** De ouderenkorting bedraagt € 454. ### Artikel 8.18 @@ -4218,7 +4228,7 @@ De aanvullende ouderenkorting geldt voor de belastingplichtige indien: a. voor hem de ouderenkorting geldt, en b. hij in het kalenderjaar in aanmerking komt voor een uitkering als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a of onderdeel c, van de Algemene Ouderdomswet, of daarvoor in aanmerking zou komen indien hij zou voldoen aan de voorwaarde van artikel 7, onderdeel b, van de Algemene Ouderdomswet. -**2.** De aanvullende ouderenkorting bedraagt € 248. +**2.** De aanvullende ouderenkorting bedraagt € 287. ### Artikel 8.19 @@ -4289,9 +4299,8 @@ Bij de vaststelling van een voorlopige teruggaaf voor of in de loop van het kale a. de reisaftrek; b. de negatieve belastbare inkomsten uit eigen woning; c. de uitgaven voor inkomensvoorzieningen; -d. de uitgaven voor kinderopvang; -e. de persoonsgebonden aftrek; -f. de verliezen uit werk en woning uit voorafgaande kalenderjaren. +d. de persoonsgebonden aftrek; +e. de verliezen uit werk en woning uit voorafgaande kalenderjaren. **2.** @@ -4325,9 +4334,8 @@ k. de voorheffing, bedoeld in artikel 9.2, achtste lid. Een aanslag wordt vastgesteld indien: -a. de verschuldigde belasting het saldo van de gezamenlijke voorheffingen en de voorlopige teruggaven die uitsluitend met het oog op de heffingskorting zijn vastgesteld (voorheffingssaldo), met meer dan € 217 te boven gaat; -b. voor of in de loop van het kalenderjaar een voorlopige teruggaaf is vastgesteld of -c. de belastingplichtige binnen een bij ministeriële regeling te stellen termijn aangifte heeft gedaan. +a. de verschuldigde belasting het saldo van de gezamenlijke voorheffingen en de voorlopige teruggaven die uitsluitend met het oog op de heffingskorting zijn vastgesteld (voorheffingssaldo), met meer dan € 40 te boven gaat, of +b. de belastingplichtige binnen een bij ministeriële regeling te stellen termijn aangifte heeft gedaan. **2.** In andere gevallen wordt geen aanslag vastgesteld en worden voorheffingen niet verrekend. @@ -4338,13 +4346,11 @@ Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing: a. indien de belastingplichtige in het kalenderjaar de leeftijd van 65 jaar bereikt en een verzamelinkomen heeft dat uitsluitend bestaat uit een uitkering volgens de Algemene Ouderdomswet; b. indien de belastingplichtige een niet in Nederland wonende artiest of beroepssporter is als bedoeld in artikel 5a van de Wet op de loonbelasting 1964, dan wel lid is van een buitenlands gezelschap in de zin van artikel 5b van die wet, en zijn verzamelinkomen uitsluitend bestaat uit gage, bedoeld in artikel 35 of 35g van die wet. -**4.** Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien een voorlopige teruggaaf uitsluitend met het oog op de heffingskorting is vastgesteld, tenzij de verhoging van de *gecombineerde heffingskorting* volgens artikel 8.9 ten onrechte of tot een te hoog bedrag is genoten. In het laatste geval behoeft de belastingplichtige geen aangifte te doen indien de onjuiste verhoging blijkt bij de aangifte van de partner. +**4.** In het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt, indien het voorheffingssaldo de verschuldigde belasting niet, of met niet meer dan € 13 te boven gaat, de aanslag vastgesteld op nihil. Daarbij worden de voorheffingen en de voorlopige teruggaven die uitsluitend met het oog op een of meer heffingskortingen zijn vastgesteld, niet verrekend. -**5.** In het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt, indien het voorheffingssaldo de verschuldigde belasting niet, of met niet meer dan € 13 te boven gaat, de aanslag vastgesteld op nihil. Daarbij worden de voorheffingen en de voorlopige teruggaven die uitsluitend met het oog op een of meer heffingskortingen zijn vastgesteld, niet verrekend. +**5.** Indien een of meer voorlopige teruggaven zijn vastgesteld, wordt, indien volgens de vorige leden geen aanslag wordt vastgesteld, na verloop van de in artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bedoelde termijn, een aanslag geacht te zijn vastgesteld tot het bedrag van de voorlopige teruggaaf of teruggaven. -**6.** Indien uitsluitend met het oog op heffingskortingen een of meer voorlopige teruggaven zijn vastgesteld, wordt, indien volgens de vorige leden geen aanslag wordt vastgesteld, na verloop van de in artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bedoelde termijn, een aanslag geacht te zijn vastgesteld tot het bedrag van de voorlopige teruggaaf of teruggaven. - -**7.** Indien artikel 9.1, derde lid, toepassing vindt, is dit artikel van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het gezamenlijke bedrag van de belasting en de premie voor de volksverzekeringen. +**6.** Indien artikel 9.1, derde lid, toepassing vindt, is dit artikel van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het gezamenlijke bedrag van de belasting en de premie voor de volksverzekeringen. ## Hoofdstuk 10. Aanvullende regelingen @@ -4352,7 +4358,7 @@ b. indien de belastingplichtige een niet in Nederland wonende artiest of beroeps ### Artikel 10.1 -Bij het begin van het kalenderjaar worden de in de artikelen 2.10, 3.15, eerste lid, 3.41, 3.42, 3.42a, 3.47, 3.68, 3.76, 3.77, 3.87, 3.118, 3.125, 3.127, 3.129, 3.141, 3.143, 5.3, 5.5, 5.6, 5.10, 5.13, 5.16, 6.18, tweede en zesde lid, 6.20, 6.20a, 6.21, 6.22, 6.24, 6.36, 8.10, 8.11, tweede lid, tweede volzin, onderdeel a, en derde volzin, alsmede het derde lid, 8.12, 8.13, 8.14, 8.14a, 8.15, 8.16, 8.16a, 8.17, 8.18, 9.4 en 10.7 vermelde bedragen bij ministeriële regeling vervangen door andere. Deze bedragen worden berekend door de te vervangen bedragen te vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen. Indien in het voorafgaande jaar een dergelijke afronding is toegepast, kan bij vervanging worden uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag. +Bij het begin van het kalenderjaar worden de in de artikelen 2.10, 3.15, eerste lid, 3.41, 3.42, 3.42a, 3.47, 3.68, 3.76, 3.77, 3.87, 3.118, 3.125, 3.127, 3.129, 5.3, 5.5, 5.6, 5.10, 5.13, 5.16, 6.18, tweede en zesde lid, 6.20, 6.20a, 6.21, 6.22, 6.24, 6.36, 8.10, 8.11, tweede lid, tweede volzin, onderdeel a, en derde volzin, alsmede het derde lid, 8.12, 8.13, 8.14, 8.14a, 8.15, 8.16, 8.16a, 8.17, 8.18, 9.4 en 10.7 vermelde bedragen bij ministeriële regeling vervangen door andere. Deze bedragen worden berekend door de te vervangen bedragen te vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor en vervolgens de nodig geachte afronding aan te brengen. Indien in het voorafgaande jaar een dergelijke afronding is toegepast, kan bij vervanging worden uitgegaan van het niet-afgeronde bedrag. ### Artikel 10.2 @@ -4410,7 +4416,7 @@ Bij het begin van het kalenderjaar worden de in de artikelen 2.10, 3.15, eerste Het percentage in artikel 8.11, tweede lid, tweede volzin, onderdeel b, wordt berekend door het verschil van het in artikel 8.11, tweede lid, derde volzin, genoemde bedrag en het in artikel 8.11, tweede lid, tweede volzin, onderdeel a, genoemde bedrag, na toepassing van artikel 10.1 te delen door het verschil van: -a. 108% van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premie volgens de Werkloosheidswet en vermeerderd met het werkgeversaandeel in de premie volgens de Ziekenfondswet en € 230, en +a. 108% van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premie volgens de Werkloosheidswet en vermeerderd met het werkgeversaandeel in de premie volgens de Ziekenfondswet en € 311, en b. het volgens het vierde lid berekende bedrag. **4.** Het bedrag in artikel 8.11, tweede lid, tweede volzin, onderdeel b, wordt gesteld op 50% van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premie volgens de Werkloosheidswet en vermeerderd met het werkgeversaandeel in de premie volgens de Ziekenfondswet. @@ -4419,7 +4425,7 @@ b. het volgens het vierde lid berekende bedrag. Het percentage in artikel 8.11, derde lid, onderdeel a, respectievelijk onderdelen b en c, wordt berekend door het verschil van het in dat onderdeel a, respectievelijk de onderdelen b en c, genoemde bedrag en het in dat artikel, tweede lid, tweede volzin, onderdeel a, genoemde bedrag, na toepassing van artikel 10.1 te delen door het verschil van -a. 108% van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premie volgens de Werkloosheidswet en vermeerderd met het werkgeversaandeel in de premie volgens de Ziekenfondswet en € 230, en +a. 108% van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag, verminderd met het werknemersaandeel in de premie volgens de Werkloosheidswet en vermeerderd met het werkgeversaandeel in de premie volgens de Ziekenfondswet en € 311, en b. het volgens het vierde lid berekende bedrag. **6.** Indien volgens een van de sociale-verzekeringswetten een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt voor de toepassing van het derde en vierde lid het percentage in aanmerking genomen dat wordt vastgesteld krachtens artikel 9, vierde lid, van de Algemene Ouderdomswet.