2011-01-01 | BWBR0017837 | Wet werk en inkomen kunstenaars
This commit is contained in:
parent
495b23b68f
commit
176b1d71d7
1 changed files with 37 additions and 26 deletions
|
|
@ -25,7 +25,8 @@ d. Inlichtingenbureau: het Inlichtingenbureau, bedoeld in artikel 63 van de Wet
|
|||
e. kunstenaar: degene die hier te lande werkzaam is in een beroep of bedrijf in een al dan niet gemengde beroepspraktijk ter uitoefening van de scheppende, uitvoerende of toegepaste kunst;
|
||||
f. gemengde beroepspraktijk: een beroepspraktijk waarin het inkomen wordt verworven uit werkzaamheden die zijn gerelateerd aan een beroep of bedrijf ter uitoefening van de scheppende, uitvoerende of toegepaste kunst en uit werkzaamheden die niet zijn gerelateerd aan een dergelijk beroep of bedrijf;
|
||||
g. beroepskosten: de noodzakelijke kosten ter verwerving van het inkomen als kunstenaar;
|
||||
h. kinderbijslag: kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet.
|
||||
h. kinderbijslag: kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet;
|
||||
i. vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel: een bij onherroepelijk geworden vonnis opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel als bedoeld in het Wetboek van Strafrecht.
|
||||
|
||||
### Artikel 2
|
||||
|
||||
|
|
@ -77,7 +78,7 @@ c. gezin:
|
|||
2°. de kunstenaar, zijn echtgenoot en de tot hun last komende minderjarige kinderen tezamen;
|
||||
3°. de alleenstaande ouder met de tot zijn last komende kinderen;
|
||||
d. kind: het in Nederland woonachtige eigen kind of stiefkind;
|
||||
e. ten laste komend kind: het kind jonger dan 18 jaar voor wie de alleenstaande ouder of de gehuwde aanspraak op kinderbijslag kan maken.
|
||||
e. ten laste komend kind: het kind jonger dan 18 jaar voor wie aan de alleenstaande ouder of de gehuwde op grond van artikel 18 van de Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag wordt betaald, zal worden betaald of zou worden betaald indien artikel 7, tweede lid, van die wet niet van toepassing zou zijn.
|
||||
|
||||
**2.** Onder bloedverwant in de eerste graad als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, wordt mede verstaan een meerderjarig stiefkind of een meerderjarig voormalig pleegkind van de ongehuwde.
|
||||
|
||||
|
|
@ -149,16 +150,16 @@ a. vermogen noodzakelijk voor de uitoefening van het beroep van kunstenaar;
|
|||
b. bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van de kunstenaar of zijn gezin, noodzakelijk zijn;
|
||||
c. het bij de aanvang van de uitkering aanwezige vermogen, voorzover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens, bedoeld in het derde lid;
|
||||
d. spaargelden opgebouwd tijdens de periode waarin uitkering wordt ontvangen;
|
||||
e. het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf, bedoeld in artikel 9, eerste lid, voorzover dit minder bedraagt dan € 42.000,00 per 1 januari 2010: € 46.200,00;
|
||||
e. het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf, bedoeld in artikel 9, eerste lid, voorzover dit minder bedraagt dan € 42.000,00 per 1 januari 2011: € 46.900,00;
|
||||
f. vergoedingen voor immateriële schade als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdelen i en j.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
De in het tweede lid, onderdeel c, bedoelde vermogensgrens is:
|
||||
|
||||
a. voor een alleenstaande: € 4.975,00 per 1 januari 2010: € 5.480,00;
|
||||
b. voor een alleenstaande ouder: € 9.950,00 per 1 januari 2010: € 10.960,00;
|
||||
c. voor de gehuwden tezamen: € 9.950,00 per 1 januari 2010: € 10.960,00.
|
||||
a. voor een alleenstaande: € 4.975,00 per 1 januari 2011: € 5.555,00;
|
||||
b. voor een alleenstaande ouder: € 9.950,00 per 1 januari 2011: € 11.110,00;
|
||||
c. voor de gehuwden tezamen: € 9.950,00 per 1 januari 2011: € 11.110,00.
|
||||
|
||||
**4.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -179,9 +180,9 @@ De kunstenaar heeft recht op uitkering indien hij, of voorzover van toepassing z
|
|||
|
||||
a. niet over in aanmerking te nemen vermogen beschikt en het in aanmerking te nemen inkomen per maand:
|
||||
|
||||
1°. van een alleenstaande lager is dan € 1.024,10 per 1 juli 2010: € 1.162,89;
|
||||
2°. van een alleenstaande ouder lager is dan € 1.207,43 per 1 juli 2010: € 1.451,68;
|
||||
3°. van gehuwden lager is dan € 1.349,13 per 1 juli 2010: € 1.531,20, en
|
||||
1°. van een alleenstaande lager is dan € 1.024,10 per 1 januari 2011: € 1.168,36;
|
||||
2°. van een alleenstaande ouder lager is dan € 1.207,43 per 1 januari 2011: € 1.459,13;
|
||||
3°. van gehuwden lager is dan € 1.349,13 per 1 januari 2011: € 1.538,35, en
|
||||
b. gedurende een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen periode als kunstenaar werkzaam is geweest en in die periode met die werkzaamheden een bij die algemene maatregel van bestuur te bepalen bruto-inkomen heeft verworven, of
|
||||
c. de aanvraag op grond van deze wet heeft ingediend binnen 12 maanden nadat hij met goed gevolg een opleiding op het gebied van de kunst, een voortgezette opleiding op het gebied van de kunst, of een voortgezette opleiding bouwkunst als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek heeft voltooid, voorzover deze opleiding gericht is op de uitoefening van het kunstenaarschap, dan wel een daarmee vergelijkbare, door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bij ministeriële regeling aan te wijzen, opleiding heeft voltooid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -200,8 +201,9 @@ Geen recht op uitkering heeft de kunstenaar die:
|
|||
a. buiten Nederland zijn woonplaats heeft of die in Nederland zijn woonplaats heeft doch die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland, dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland;
|
||||
b. niet rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000;
|
||||
c. rechtens zijn vrijheid ontnomen is;
|
||||
d. de eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt;
|
||||
e. onbetaald verlof geniet als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de Werkloosheidswet of die gehuwd is met een zodanig persoon, voorzover diens gebrek aan middelen daarvan het gevolg is, tenzij de kunstenaar alleenstaande ouder is en hij verlof geniet als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg.
|
||||
d. zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel;
|
||||
e. de eerste dag van de maand waarin hij 65 jaar wordt heeft bereikt;
|
||||
f. onbetaald verlof geniet als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van de Werkloosheidswet of die gehuwd is met een zodanig persoon, voorzover diens gebrek aan middelen daarvan het gevolg is, tenzij de kunstenaar alleenstaande ouder is en hij verlof geniet als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -227,7 +229,9 @@ b. niet kan aantonen alleen of samen met zijn echtgenoot met werkzaamheden volge
|
|||
c. niet kan aantonen in enig jaar als kunstenaar werkzaam te zijn geweest;
|
||||
d. of zijn echtgenoot daarom verzoekt.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister kan, na overleg met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij ministeriële regeling regels stellen omtrent het tijdstip van beëindiging van de uitkering indien een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, zich voordoet.
|
||||
**2.** Het college onderzoekt regelmatig of de omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b of c, zich voordoen.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister kan, na overleg met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij ministeriële regeling regels stellen omtrent de regelmaat waarmee onderzoeken als bedoeld in het tweede lid plaatsvinden en het tijdstip van beëindiging van de uitkering indien een omstandigheid als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, zich voordoet.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2.2. Vorm, hoogte en duur van de uitkering
|
||||
|
||||
|
|
@ -259,11 +263,11 @@ De uitkering wordt per kalendermaand om niet verleend en betaald en per kalender
|
|||
|
||||
De uitkering bedraagt per kalendermaand voor:
|
||||
|
||||
a. een alleenstaande: € 648,04 per 1 juli 2010: € 736,97;
|
||||
b. een alleenstaande ouder: € 828,31 per 1 juli 2010: € 1.019,92;
|
||||
c. gehuwden: € 954,73 per 1 juli 2010: € 1.087,61.
|
||||
a. een alleenstaande: € 648,04 per 1 januari 2011: € 741,04;
|
||||
b. een alleenstaande ouder: € 828,31 per 1 januari 2011: € 1028,64;
|
||||
c. gehuwden: € 954,73 per 1 januari 2011: € 1.095,77.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de echtgenoot van de kunstenaar in een omstandigheid verkeert als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdelen a, b of c, wordt de hoogte van de uitkering vastgesteld op het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder.
|
||||
**2.** Indien de echtgenoot van de kunstenaar in een omstandigheid verkeert als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel a, b, c of d, wordt de hoogte van de uitkering vastgesteld op het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder.
|
||||
|
||||
**3.** Vooruitlopend op de definitieve vaststelling van de hoogte van de uitkering, bedoeld in artikel 16, kan op de uitkering het inkomen van de kunstenaar of zijn gezin in mindering worden gebracht, voorzover de som van het bedrag, genoemd in het eerste lid, en het inkomen in een kalendermaand waarin recht op uitkering bestaat, meer bedraagt dan het bedrag genoemd in artikel 16, tweede lid, onderdeel b.
|
||||
|
||||
|
|
@ -278,9 +282,9 @@ Bij de definitieve vaststelling van de hoogte van de uitkering wordt van het vol
|
|||
a. over de periode in het kalenderjaar waarin geen uitkering is ontvangen wordt niet in aanmerking genomen het bruto-inkomen tot een maximum per maand van het in artikel 8, onderdeel a, genoemde van toepassing zijnde bedrag, vermeerderd met de door de kunstenaar of zijn gezin verschuldigde inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet, voor zover deze hen niet op grond van artikel 46 van de Zorgverzekeringswet zijn vergoed;
|
||||
b. het na toepassing van onderdeel a overblijvende meerinkomen wordt in aanmerking genomen over de periode waarin in het betreffende kalenderjaar uitkering is verleend, voorzover dat tezamen met het van toepassing zijnde bedrag, genoemd in artikel 15, eerste lid, over deze periode per maand meer bedraagt dan:
|
||||
|
||||
1°. € 1.355,98 per 1 juli 2010: € 1.535,58 voor een alleenstaande;
|
||||
2°. € 1.673,05 per 1 juli 2010: € 1.984,91 voor een alleenstaande ouder;
|
||||
3°. € 1.871,42 per 1 juli 2010: € 2.123,46 voor gehuwden.
|
||||
1°. € 1.355,98 per 1 januari 2011: € 1.539,71 voor een alleenstaande;
|
||||
2°. € 1.673,05 per 1 januari 2011: € 1.998,25 voor een alleenstaande ouder;
|
||||
3°. € 1.871,42 per 1 januari 2011: € 2.136,81 voor gehuwden.
|
||||
|
||||
**3.** In afwijking van het eerste en tweede lid en artikel 5, eerste lid, onderdeel b, wordt bij een kunstenaar wiens uitkering is beëindigd in verband met het bereiken van de maximale uitkeringsduur op grond van artikel 19, het inkomen van de kunstenaar of zijn gezin slechts in aanmerking genomen over de periode van het kalenderjaar voorafgaand aan het tijdstip met ingang waarop de uitkering is beëindigd, voorzover dat inkomen tezamen met het van toepassing zijnde bedrag, genoemd in artikel 15, eerste lid, over deze periode per kalendermaand meer bedraagt dan het van toepassing zijnde bedrag, genoemd in het tweede lid, onderdeel b.
|
||||
|
||||
|
|
@ -307,7 +311,7 @@ b. hoger is dan de definitief vastgestelde hoogte van de uitkering, wordt het be
|
|||
|
||||
**4.** Indien ingevolge een van de socialeverzekeringswetten een premie wordt ingehouden waarvan het percentage per bedrijfstak verschilt, wordt met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels bij ministeriële regeling voor de toepassing van het tweede lid een gemiddeld percentage vastgesteld.
|
||||
|
||||
**5.** Bij de vaststelling van de brutonormen en bedragen, bedoeld in het eerste lid, is ten aanzien van de verschuldigde loonheffing rekening gehouden met de algemene heffingskorting, alsmede met de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet en de vereveningsbijdrage. Met betrekking tot de brutonormen en bedragen, genoemd in artikel 8, onderdeel a, onder 2°, derde lid, 15, eerste lid, onderdeel a, en 16, tweede lid, onderdeel b, onder 2°, is tevens rekening gehouden met de alleenstaande ouderkorting.
|
||||
**5.** Bij de vaststelling van de brutonormen en bedragen, bedoeld in het eerste lid, is ten aanzien van de verschuldigde loonheffing rekening gehouden met de algemene heffingskorting, alsmede met de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet en de vereveningsbijdrage. Met betrekking tot de brutonormen en bedragen, genoemd in artikel 8, onderdeel a, onder 2°, 15, eerste lid, onderdeel b, en 16, tweede lid, onderdeel b, onder 2°, is tevens rekening gehouden met de alleenstaande ouderkorting.
|
||||
|
||||
**6.** De vereveningsbijdrage, bedoeld in het vijfde lid, is gelijk aan het bedrag van de premie die een werkgever op grond van de Werkloosheidswet op het overeengekomen loon van een werknemer, die is verzekerd op grond van deze wet, inhoudt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -335,7 +339,7 @@ b. hoger is dan de definitief vastgestelde hoogte van de uitkering, wordt het be
|
|||
|
||||
### Artikel 20
|
||||
|
||||
**1.** Het college kan aan de uitkering verplichtingen verbinden die verband houden met de aard en het doel van deze wet, die strekken tot vermindering of beëindiging van het beroep op deze wet of verplichtingen die zij nodig achten voor een doelmatige bedrijfs- en beroepsuitoefening.
|
||||
**1.** Het college kan aan de uitkering verplichtingen verbinden die verband houden met de aard en het doel van deze wet, die strekken tot vermindering of beëindiging van het beroep op deze wet of verplichtingen die het college nodig acht voor een doelmatige bedrijfs- en beroepsuitoefening.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
|
|
@ -415,7 +419,7 @@ b. de uitkering moet worden beëindigd om de reden, bedoeld in artikel 11, eerst
|
|||
|
||||
### Artikel 23a
|
||||
|
||||
Indien bij een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen de uitvoering van deze wet volledig is overgedragen aan het bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 van die wet, treedt dat bestuur voor de toepassing van deze wet, met uitzondering van paragraaf 5.4 en hoofdstuk 6, in de plaats van de betrokken colleges.
|
||||
Indien bij een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen de uitvoering van deze wet volledig is overgedragen aan het bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 van die wet, treedt dat bestuur voor de toepassing van deze wet, met uitzondering van de paragrafen 5.4 en 6.3, in de plaats van de betrokken colleges.
|
||||
|
||||
### Artikel 24
|
||||
|
||||
|
|
@ -481,7 +485,7 @@ Het college kan de kosten van de uitkering terugvorderen, voorzover de uitkering
|
|||
|
||||
a. ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
|
||||
b. ingevolge artikel 14 bij wijze van een voorschot is verleend en na onderzoek is vastgesteld dat over de betrokken periode geen recht op een uitkering bestaat;
|
||||
c. anderzijds onverschuldigd is betaald voorzover de kunstenaar dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen, of
|
||||
c. anderszins onverschuldigd is betaald voorzover de kunstenaar dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen, of
|
||||
d. anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat de kunstenaar of zijn gezin naderhand met betrekking tot het kalenderjaar waarover uitkering is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 1.2 beschikt of kan beschikken, voorzover deze middelen bij de definitieve vaststelling op grond van artikel 16 zouden hebben geleid tot terugvordering van uitkering, indien op het moment van deze definitieve vaststelling al over deze middelen zou zijn beschikt.
|
||||
|
||||
**2.** Terugvordering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, vindt niet plaats, indien de betreffende kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar vóór de datum van verzending van het besluit tot terugvordering.
|
||||
|
|
@ -598,7 +602,7 @@ e. de bedrijfstakpensioenfondsen, ondernemingspensioenfondsen, risicofondsen, st
|
|||
f. de Kamers van Koophandel, met dien verstande dat dit, in afwijking van de aanhef van dit lid, geschiedt tegen betaling van de daarvoor op grond van de Handelsregisterwet 2007 vastgestelde vergoeding;
|
||||
g. de korpschef en de bevelhebber van de Koninklijke marechaussee in de zin van de Vreemdelingenwet 2000;
|
||||
h. Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap dan wel, voor zover het betreft het onderwijs of onderzoek op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving, Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit betreffende de toepassing van de Wet studiefinanciering 2000, de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
|
||||
i. Onze Minister van Justitie voorzover het betreft de kunstenaar of een lid van zijn gezin die rechtens zijn vrijheid is ontnomen;
|
||||
i. Onze Minister van Justitie voor zover het betreft de kunstenaar of een lid van zijn gezin die rechtens zijn vrijheid is ontnomen of die zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel;
|
||||
j. de adviserende instelling die in het kader van de uitvoering van deze wet het college van advies dient;
|
||||
k. de instanties en personen die woonruimte verhuren;
|
||||
l. de instanties die in het kader van de openbare nutsvoorziening energie en water leveren;
|
||||
|
|
@ -631,7 +635,7 @@ b. die hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, of ten aanzien van wie dat r
|
|||
|
||||
**10.** Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het negende lid, kan tevens worden bepaald dat de daar bedoelde verplichting alleen geldt jegens ambtenaren met opsporingsbevoegdheid.
|
||||
|
||||
**11.** Onze Minister van Justitie verstrekt ten aanzien van de persoon die rechtens zijn vrijheid is ontnomen, onverwijld en kosteloos de beschikbare informatie en alle overige opgaven en inlichtingen, die van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, aan het college, door tussenkomst van het Inlichtingenbureau, waarbij hij gebruik kan maken van het burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer.
|
||||
**11.** Onze Minister van Justitie verstrekt ten aanzien van de persoon die rechtens zijn vrijheid is ontnomen of de persoon die zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, onverwijld en kosteloos de beschikbare informatie en alle overige opgaven en inlichtingen, die van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, aan het college, door tussenkomst van het Inlichtingenbureau, waarbij hij gebruik kan maken van het burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer.
|
||||
|
||||
### Artikel 41
|
||||
|
||||
|
|
@ -666,7 +670,8 @@ d. het College zorgverzekeringen, genoemd in artikel 58, eerste lid, van de Zorg
|
|||
e. derden die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf de arbeidsinschakeling van personen bevorderen;
|
||||
f. buitenlandse organen voor de vervulling van een taak van zwaarwegend algemeen belang;
|
||||
g. bestuursorganen van Aruba, Curaçao, en Sint Maarten voor de vervulling van een taak van zwaarwegend algemeen belang;
|
||||
h. de adviserende instelling die in het kader van de uitvoering van deze wet het college van advies dient.
|
||||
h. de adviserende instelling die in het kader van de uitvoering van deze wet het college van advies dient;
|
||||
i. Onze Minister van Justitie in verband met de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen.
|
||||
|
||||
**2.** De in het eerste lid bedoelde gegevensverstrekking vindt niet plaats indien de persoonlijke levenssfeer van de kunstenaar of zijn gezin daardoor onevenredig wordt geschaad.
|
||||
|
||||
|
|
@ -913,6 +918,12 @@ Artikel 50 blijft van toepassing op de vaststelling van de vergoeding, bedoeld i
|
|||
|
||||
De artikelen 2, zesde en zevende lid, en 3, tweede lid, zijn niet van toepassing, indien voor de inwerkingtreding van deze artikelleden, op grond van artikel 8 recht bestaat op een uitkering voor gehuwden, omdat de ongehuwde kunstenaar wegens een gezamenlijke huishouding met een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind is aangemerkt als gehuwd, voor zolang dit recht op uitkering bestaat, tenzij toepassing van de genoemde artikelleden leidt tot een hogere uitkering.
|
||||
|
||||
### Artikel 78g
|
||||
|
||||
**1.** Ten aanzien van de kunstenaar wiens recht op uitkering voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van artikel XXI, onderdeel C, van de Verzamelwet SZW 2011 al is ingegaan en die zich op die dag onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, wordt voor de toepassing van artikel 10, eerste lid, onderdeel d, als eerste dag waarop hij zich aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel onttrekt, aangemerkt de dag van inwerkingtreding van artikel XXI, onderdeel C, van de Verzamelwet SZW 2011 en eindigt het recht op uitkering, in afwijking van artikel 10, eerste lid, onderdeel d, vanaf de dag dat het onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel zes maanden heeft geduurd.
|
||||
|
||||
**2.** Dit artikel vervalt zes maanden na de dag van zijn inwerkingtreding.
|
||||
|
||||
### Artikel 79
|
||||
|
||||
Onze Minister zendt in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue