From 179513a9a52a3bc2afed3168eb94f6175a30a4e1 Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Fri, 1 Feb 2013 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] 2013-02-01 | BWBR0003994 | Wet bodembescherming --- .../BWBR0003994/README.md | 114 ++++++++++++------ 1 file changed, 80 insertions(+), 34 deletions(-) diff --git a/wet/wet-bodembescherming/BWBR0003994/README.md b/wet/wet-bodembescherming/BWBR0003994/README.md index 5fefbecdf47..9fbe08b15e7 100644 --- a/wet/wet-bodembescherming/BWBR0003994/README.md +++ b/wet/wet-bodembescherming/BWBR0003994/README.md @@ -233,7 +233,7 @@ b. welke voorschriften ter bescherming van het grondwater moeten worden verbonde **3.** Tot de in het eerste lid bedoelde regels kunnen in elk geval behoren regels ten aanzien van de kwaliteit, waaronder de samenstelling en emissie, van grond of baggerspecie en de wijze van toetsing aan de kwaliteit en het gebruik van de bodem waarop of waarin grond of baggerspecie wordt toegepast. -**4.** Bij de in het eerste lid bedoelde maatregel kan worden bepaald in welke gevallen de in het tweede lid bedoelde afwijking moet voldoen aan de krachtens artikel 36 en 37, eerste en zevende lid, van de Wet bodembescherming gestelde regels. +**4.** Bij de in het eerste lid bedoelde maatregel kan worden bepaald in welke gevallen de in het tweede lid bedoelde afwijking moet voldoen aan de krachtens artikel 36 en 37, eerste en achtste lid, van de Wet bodembescherming gestelde regels. **5.** Bij de in het eerste lid bedoelde maatregel kan worden bepaald dat het aangewezen bestuursorgaan, bedoeld in het tweede lid, een kaart vaststelt met gegevens over de kwaliteit en functie van de bodem. @@ -529,16 +529,35 @@ f. indien de verontreinigde bodem geheel of gedeeltelijk niet zal worden gereini **3.** +In afwijking van het tweede lid, worden bij een melding als bedoeld in het eerste lid, waarbij een verontreiniging wordt verminderd of verplaatst uitsluitend door het onttrekken van grondwater als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet, waarvoor: + +a. een vergunning is vereist op grond van artikel 6.4 van de Waterwet, en de onttrekking geschiedt ten behoeve van een bodemenergiesysteem, +b. een vergunning is vereist krachtens verordening van een waterschap, of +c. krachtens de Waterwet een melding moet worden gedaan aan het bevoegd gezag, bedoeld in die wet, + +de in het vierde lid bedoelde gegevens verstrekt. + +**4.** + +Bij een melding, bedoeld in het derde lid, worden de volgende gegevens verstrekt: + +a. het tijdstip waarop de onttrekking van verontreinigd grondwater volgens voornemen zal aanvangen en de voorgenomen duur van deze onttrekking; +b. de bestemming van het grondwater; +c. gegevens waaruit blijkt dat de onttrekking van het grondwater en indien van toepassing het terug brengen van dat grondwater het belang van de bescherming van de bodem niet schaadt, en +d. een afschrift van de aanvraag van die vergunning dan wel van die melding aan het bevoegd gezag, bedoeld in die wet. + +**5.** + Een melding als bedoeld in het eerste lid kan achterwege blijven, indien de betrokkene redelijkerwijs kan aannemen dat de sanering of de handeling waarop zijn voornemen betrekking heeft geen geval van ernstige verontreiniging betreft en tevens vaststaat: 1°. dat de betreffende hoeveelheid verontreinigde grond of verontreinigd grondwater 50 kubieke meter onderscheidenlijk 1000 kubieke meter niet te boven gaat, of 2°. dat uit de aard van de in het eerste lid bedoelde handelingen volgt dat de grond slechts tijdelijk wordt verplaatst en na verplaatsing wordt teruggebracht. -**4.** Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke andere gevallen dan die, genoemd in het derde lid, een melding als bedoeld in het eerste lid achterwege kan blijven, mits het niet gevallen van ernstige verontreiniging betreft. +**6.** Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke andere gevallen dan die, genoemd in het vijfde lid, een melding als bedoeld in het eerste lid achterwege kan blijven, mits het niet gevallen van ernstige verontreiniging betreft. -**5.** Gedeputeerde staten stellen, indien het niet hun voornemen betreft, burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente op de hoogte van een ingevolge het eerste lid gedane melding. Tegelijkertijd doen zij daarvan kennisgeving in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huis-bladen. +**7.** Gedeputeerde staten stellen, indien het niet hun voornemen betreft, burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente op de hoogte van een ingevolge het eerste lid gedane melding. Tegelijkertijd doen zij daarvan kennisgeving in één of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen dan wel langs elektronische weg. -**6.** Dit artikel is niet van toepassing in gevallen als bedoeld in de artikelen 27, 30, eerste lid, en 43. +**8.** Dit artikel is niet van toepassing in gevallen als bedoeld in de artikelen 27, 30, eerste lid, en 43. ### Artikel 28a @@ -551,19 +570,38 @@ b. de wijze van indeling in partijen van de verontreinigde bodem op de te ontgra **1.** -Gedeputeerde staten stellen in een beschikking vast of sprake is van een geval van ernstige verontreiniging: +Gedeputeerde staten kunnen in een beschikking vaststellen of sprake is van een geval van ernstige verontreiniging: a. naar aanleiding van een nader onderzoek of b. naar aanleiding van een melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid. -**2.** Zij beslissen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vijftien weken na ontvangst van het nader onderzoek of de melding. +**2.** + +Gedeputeerde staten nemen in ieder geval een beschikking: + +a. op aanvraag van degene die het nader onderzoek heeft overgelegd of degene die de melding, bedoeld in artikel 28, eerste lid, heeft gedaan; +b. indien toepassing wordt gegeven aan artikel 39, eerste lid. **3.** +Gedeputeerde staten nemen een beschikking zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vijftien weken na ontvangst van: + +a. het nader onderzoek of de melding, bedoeld in artikel 28, eerste lid, of +b. een later daartoe strekkende aanvraag van degene die het nader onderzoek heeft overgelegd of degene die de melding, bedoeld in artikel 28, eerste lid, heeft gedaan. + +**4.** + Degene die een melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid, heeft gedaan, gaat niet over tot de in dat lid bedoelde handelingen dan: -a. nadat een beschikking als bedoeld in het eerste lid, onder *b*, is gegeven, dan wel -b. indien binnen de termijn, bedoeld in het tweede lid, geen beschikking is gegeven als bedoeld in het eerste lid, onder *b*: nadat die termijn is verstreken. +a. nadat een beschikking als bedoeld in het eerste lid, onder b, is gegeven, dan wel +b. indien binnen de termijn, bedoeld in het derde lid, geen beschikking is gegeven als bedoeld in het eerste lid, onder b: nadat die termijn is verstreken. + +**5.** + +In afwijking van het eerste en tweede lid nemen gedeputeerde staten geen beschikking als bedoeld in het eerste lid naar aanleiding van een melding die is gedaan overeenkomstig artikel 28, derde lid. Degene die een melding als bedoeld in artikel 28, derde lid, heeft gedaan, gaat niet over tot de in dat lid bedoelde handelingen dan: + +a. nadat sinds de melding ten minste vijf weken zijn verlopen, en +b. indien voor die handelingen een vergunning is vereist op grond van de Waterwet of de verordening van een waterschap: nadat die vergunning is verleend. ### Paragraaf 2. Bevoegdheden bij ernstige verontreiniging of aantasting van de bodem ten gevolge van een ongewoon voorval @@ -627,11 +665,13 @@ Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen **4.** Indien gedeputeerde staten vaststellen dat geen sprake is van risico’s als bedoeld in het eerste lid, kunnen gedeputeerde staten bij de beschikking aangeven welke maatregelen in het belang van de bescherming van de bodem genomen moeten worden en op welke wijze en tijdstippen aan hen verslag wordt gedaan van de uitvoering van die maatregelen. Tevens kan worden aangegeven welke beperkingen in het gebruik van de bodem door de eigenaar, erfpachter of gebruiker van het grondgebied waar sprake is van ernstige verontreiniging, in acht worden genomen. -**5.** Bij de beschikking geven gedeputeerde staten aan welke wijzigingen van het gebruik van de bodem aan hen dienen te worden gemeld. +**5.** Bij de beschikking kunnen gedeputeerde staten aangeven door welke natuurlijke persoon of rechtspersoon een verplichting, bij de beschikking opgelegd met toepassing van het tweede lid, het derde lid of de eerste volzin van het vierde lid, moet worden nagekomen. -**6.** Gedeputeerde staten kunnen naar aanleiding van een verslag als bedoeld in het derde en vierde lid, een melding als bedoeld in het vijfde lid, of een wijziging van omstandigheden de risico's, bedoeld in het eerste lid, anders vaststellen of het tijdstip van de sanering of van het indienen van het saneringsplan, bedoeld in het tweede lid, vaststellen of anders vaststellen. +**6.** Bij de beschikking geven gedeputeerde staten aan welke wijzigingen van het gebruik van de bodem aan hen dienen te worden gemeld. -**7.** Bij de maatregel, bedoeld in artikel 36, kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste, tweede en zesde lid. +**7.** Gedeputeerde staten kunnen naar aanleiding van een verslag als bedoeld in het derde en vierde lid, een melding als bedoeld in het zesde lid, of een wijziging van omstandigheden de risico's, bedoeld in het eerste lid, anders vaststellen of het tijdstip van de sanering of van het indienen van het saneringsplan, bedoeld in het tweede lid, vaststellen of anders vaststellen. + +**8.** Bij de maatregel, bedoeld in artikel 36, kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste, tweede en zevende lid. ### Artikel 38 @@ -641,7 +681,7 @@ Degene die de bodem saneert, voert de sanering zodanig uit dat: a. de bodem ten minste geschikt wordt gemaakt voor de functie die hij na de sanering krijgt waarbij het risico voor mens, plant of dier als gevolg van blootstelling aan de verontreiniging zoveel mogelijk wordt beperkt; b. het risico van de verspreiding van verontreinigende stoffen zoveel mogelijk wordt beperkt; -c. de noodzaak tot het nemen van maatregelen en beperkingen in het gebruik van de bodem als bedoeld in artikel 39d zoveel mogelijk wordt beperkt. +c. de noodzaak tot het nemen van maatregelen en beperkingen in het gebruik van de bodem als bedoeld in artikel 39c en artikel 39d zoveel mogelijk wordt beperkt. **2.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het bepaalde in het eerste lid nadere regels worden gesteld. @@ -676,14 +716,16 @@ h. indien de verontreiniging zich kan verspreiden en de saneringsmaatregelen zic Provinciale staten kunnen nadere regels stellen omtrent de gegevens die in het saneringsplan worden opgenomen. -**2.** Het saneringsplan behoeft de instemming van gedeputeerde staten, die slechts met het plan instemmen indien door de daarin beschreven sanering naar hun oordeel wordt voldaan aan het bij of krachtens artikel 38 bepaalde. Zij beslissen hierover binnen vijftien weken na de indiening van het saneringsplan. Zij kunnen deze termijn binnen zes weken na de datum van ontvangst van de melding verlengen met ten hoogste vijftien weken. Met de uitvoering van het saneringsplan kan worden begonnen nadat gedeputeerde staten met dat plan hebben ingestemd of die instemming van rechtswege is verleend. Aan de instemming kunnen voorschriften worden verbonden. De instemming is van rechtswege verleend, indien gedeputeerde staten niet binnen de instemmingstermijn van vijftien weken of voor de afloop van de termijn waarmee is verlengd een beslissing hebben genomen. Een instemming van rechtswege wordt aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. +**2.** Het saneringsplan behoeft de instemming van gedeputeerde staten, die slechts met het plan instemmen indien door de daarin beschreven sanering naar hun oordeel wordt voldaan aan het bij of krachtens artikel 38 bepaalde. Gedeputeerde staten kunnen hun instemming aan het plan onthouden, indien niet is voldaan aan het bepaalde bij of krachtens het eerste lid. Zij beslissen hierover binnen vijftien weken na de indiening van het saneringsplan. Zij kunnen deze termijn binnen zes weken na de datum van ontvangst van de melding verlengen met ten hoogste vijftien weken. Met de uitvoering van het saneringsplan kan worden begonnen nadat gedeputeerde staten met dat plan hebben ingestemd of die instemming van rechtswege is verleend. Aan de instemming kunnen voorschriften worden verbonden. De instemming is van rechtswege verleend, indien gedeputeerde staten niet binnen de instemmingstermijn van vijftien weken of voor de afloop van de termijn waarmee is verlengd een beslissing hebben genomen. Een instemming van rechtswege wordt aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. **3.** Indien het voornemen, bedoeld in artikel 28, eerste lid, inhoudt dat de sanering niet onmiddellijk wordt uitgevoerd nadat de beschikking, bedoeld in artikel 29, eerste lid, is gegeven, kunnen gedeputeerde staten bepalen dat de in het eerste lid bedoelde stukken niet reeds bij de melding behoeven te worden ingediend. -**4.** Degene die de bodem saneert, meldt wijzigingen van het saneringsplan, waarmee door gedeputeerde staten is ingestemd, uiterlijk twee weken voorafgaand aan de uitvoering daarvan aan gedeputeerde staten. Provinciale staten kunnen nadere regels stellen omtrent de gegevens die bij de melding worden verstrekt. Artikel 28, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing. +**4.** Degene die de bodem saneert, meldt wijzigingen van het saneringsplan, waarmee door gedeputeerde staten is ingestemd, uiterlijk twee weken voorafgaand aan de uitvoering daarvan aan gedeputeerde staten. Provinciale staten kunnen nadere regels stellen omtrent de gegevens die bij de melding worden verstrekt. Artikel 28, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing. **5.** Gedeputeerde staten kunnen naar aanleiding van de melding, bedoeld in het vierde lid, aanwijzingen geven omtrent de verdere uitvoering van de sanering, die een wijziging inhouden van onderdelen van het saneringsplan waarmee reeds is ingestemd. +**6.** Dit artikel is niet van toepassing op een melding als bedoeld in artikel 28, derde lid. + ### Artikel 39a Degene die de bodem saneert, alsmede degene die de sanering feitelijk uitvoert, voeren de sanering uit overeenkomstig het saneringsplan waarmee door gedeputeerde staten is ingestemd, en overeenkomstig de voorschriften die aan de instemming zijn verbonden. Indien gedeputeerde staten aanwijzingen als bedoeld in artikel 39, vijfde lid, hebben gegeven, wordt bij de uitvoering van de sanering overeenkomstig die aanwijzingen gehandeld. @@ -701,7 +743,7 @@ b. de gegevens die bij de melding, bedoeld in het derde lid, moeten worden verst c. de gegevens die degene die saneert tijdens de sanering aan gedeputeerde staten moet verstrekken en de wijze en het tijdstip waarop dat gebeurt; d. de aanpak en wijze van sanering waaronder begrepen aanvang, duur en afronding van de sanering. -**3.** Degene die voornemens is te saneren dan wel handelingen te verrichten ten gevolge waarvan de verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst overeenkomstig de regels gesteld krachtens het eerste lid, doet van dat voornemen melding bij gedeputeerde staten van de betrokken provincie. Gedeputeerde staten stellen, indien het niet hun voornemen betreft, burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente op de hoogte van de gedane melding. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze en het tijdstip waarop de kennisgeving van de melding in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huis-bladen plaatsvindt en kan worden bepaald in welke gevallen een dergelijke kennisgeving achterwege kan worden gelaten. +**3.** Degene die voornemens is te saneren dan wel handelingen te verrichten ten gevolge waarvan de verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst overeenkomstig de regels gesteld krachtens het eerste lid, doet van dat voornemen melding bij gedeputeerde staten van de betrokken provincie. Artikel 28, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze en het tijdstip waarop de kennisgeving van de melding plaatsvindt en kan worden bepaald in welke gevallen een dergelijke kennisgeving achterwege kan worden gelaten. **4.** Met de sanering kan met inachtneming van de regels gesteld krachtens het eerste lid worden begonnen nadat vijf weken zijn verstreken vanaf de datum van ontvangst van de melding, bedoeld in het derde lid, door gedeputeerde staten. In bij algemene maatregel van bestuur aangegeven omstandigheden kan bij die maatregel een kortere termijn dan vijf weken worden gesteld. De melding vervalt indien niet met de sanering wordt begonnen binnen een bij algemene maatregel van bestuur gestelde termijn. @@ -709,7 +751,9 @@ d. de aanpak en wijze van sanering waaronder begrepen aanvang, duur en afronding **6.** Na de uitvoering van de sanering doet degene die de bodem heeft gesaneerd daarvan schriftelijk verslag aan gedeputeerde staten. Het verslag behoeft de instemming van gedeputeerde staten die slechts met het verslag instemmen indien is gesaneerd overeenkomstig de regels gesteld bij of krachtens het eerste, derde en vierde lid. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de gegevens die bij het verslag moeten worden verstrekt, de wijze waarop die gegevens worden verstrekt, en het tijdstip waarop dat gebeurt en de termijn waarbinnen de instemming met het verslag plaatsvindt. -**7.** Dit artikel is niet van toepassing in gevallen als bedoeld in de artikelen 27, 30, eerste lid, en 43. +**7.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën van saneringen worden aangewezen waarvoor het verslag, bedoeld in het zesde lid, geen instemming van gedeputeerde staten behoeft. + +**8.** Dit artikel is niet van toepassing in gevallen als bedoeld in de artikelen 27, 30, eerste lid, en 43. ### Artikel 39c @@ -722,15 +766,17 @@ b. een beschrijving van de kwaliteit van de bodem na het uitvoeren van de saneri c. indien de verontreinigde grond is afgegraven of het verontreinigde grondwater aan de bodem is onttrokken, de hoeveelheid, de kwaliteit en de bestemming van die grond onderscheidenlijk dat grondwater; d. indien ten behoeve van de sanering grond is aangevoerd de hoeveelheid, de kwaliteit en de herkomst van de aangevoerde grond; e. een evaluatie van de mate waarin de effecten van de getroffen saneringsmaatregelen overeenstemmen met de beoogde effecten, bedoeld in artikel 39, eerste lid, onder b; -f. indien na de sanering nog verontreiniging in de bodem aanwezig is, het aangeven van de noodzaak van beperkingen in het gebruik van de bodem, of maatregelen in het belang van de bescherming van de bodem. +f. indien na de sanering nog verontreiniging in de bodem aanwezig is en alleen beperkingen in het gebruik van de bodem noodzakelijk zijn, een beschrijving van deze beperkingen. Indien na de sanering alleen maatregelen in het belang van de bescherming van de bodem nodig zijn, het aangeven van de noodzaak daarvan. Indien na de sanering zowel beperkingen als maatregelen noodzakelijk zijn, het aangeven van de noodzaak van deze beperkingen en maatregelen. -**2.** Het verslag behoeft de instemming van gedeputeerde staten, die slechts met het verslag instemmen indien gesaneerd is overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens artikel 38. Artikel 28, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing voor wat betreft de instemming met het verslag. +**2.** Het verslag behoeft de instemming van gedeputeerde staten, die slechts met het verslag instemmen indien gesaneerd is overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens artikel 38, en indien de daarin opgenomen beperkingen in het gebruik van de bodem naar hun oordeel voldoende zijn om ervoor te zorgen dat de verontreiniging die na de sanering is achtergebleven niet zal leiden tot een vermindering van de kwaliteit van de bodem zoals beschreven in het verslag op grond van het eerste lid, onder b. Gedeputeerde staten kunnen hun instemming aan het verslag onthouden, indien de sanering niet is geschied overeenkomstig het saneringsplan waarmee door gedeputeerde staten is ingestemd, de beschikking waarbij gedeputeerde staten met het saneringsplan hebben ingestemd en de daaraan verbonden voorschriften, of aanwijzingen die gedeputeerde staten op grond van artikel 39, vijfde lid, hebben gegeven. Aan de instemming kunnen voorschriften worden verbonden. Artikel 28, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing voor wat betreft de instemming met het verslag. **3.** Provinciale staten kunnen nadere regels stellen omtrent de gegevens die in het verslag worden opgenomen. +**4.** Bij de beschikking tot instemming met het schriftelijk verslag kunnen gedeputeerde staten aangeven welke wijzigingen in het gebruik van de bodem aan hen dienen te worden gemeld. Naar aanleiding van die melding kunnen gedeputeerde staten bepalen dat een aanvullende sanering moet plaatsvinden. + ### Artikel 39d -**1.** Indien na de sanering verontreiniging in de bodem aanwezig is gebleven en in het verslag, bedoeld in artikel 39c is aangegeven dat beperkingen in het gebruik van de bodem of maatregelen als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, onder f, noodzakelijk zijn, wordt tegelijk met of zo spoedig mogelijk na de toezending van dat verslag door degene die de bodem heeft gesaneerd een nazorgplan ingediend waarin die beperkingen in het gebruik of die maatregelen worden beschreven. Het nazorgplan bevat tevens een begroting van de kosten van de maatregelen. +**1.** Indien na de sanering verontreiniging in de bodem aanwezig is gebleven en in het verslag, bedoeld in artikel 39c, is aangegeven dat maatregelen als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, onder f, noodzakelijk zijn, wordt tegelijk met of zo spoedig mogelijk na de toezending van dat verslag door degene die de bodem heeft gesaneerd een nazorgplan ingediend waarin die maatregelen worden beschreven. Het nazorgplan bevat tevens een begroting van de kosten van de maatregelen en, voor zover naast maatregelen ook beperkingen in het gebruik van de bodem noodzakelijk zijn, een beschrijving van deze beperkingen. **2.** @@ -739,15 +785,15 @@ De maatregelen kunnen onder meer inhouden: a. het regelmatig inspecteren van de voorzieningen die ter uitvoering van de sanering zijn aangebracht en de tijdstippen waarop hierover tussentijds aan het bevoegd gezag verslag wordt gedaan; b. het in stand houden en onderhouden alsmede waar nodig het herstellen, verbeteren of vervangen van die voorzieningen. -**3.** Het nazorgplan behoeft de instemming van gedeputeerde staten, die slechts met het nazorgplan instemmen indien de daarin opgenomen beperkingen in het gebruik van de bodem of maatregelen naar hun oordeel voldoende zijn om er voor te zorgen dat de verontreiniging die na de sanering is achtergebleven niet zal leiden tot een vermindering van de kwaliteit van de bodem zoals beschreven in het verslag op grond van artikel 39c, eerste lid, onder b. Met de uitvoering van het nazorgplan kan worden begonnen nadat gedeputeerde staten met dat plan hebben ingestemd of die instemming van rechtswege is verleend. Aan de instemming kunnen voorschriften worden verbonden. De instemming is van rechtswege verleend, indien gedeputeerde staten niet binnen de termijn van zes maanden na ontvangst van het nazorgplan een beslissing hebben genomen. Een instemming van rechtswege wordt aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 28, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing voor wat betreft de instemming met het nazorgplan. +**3.** Het nazorgplan behoeft de instemming van gedeputeerde staten, die slechts met het nazorgplan instemmen indien de daarin opgenomen beperkingen in het gebruik van de bodem of maatregelen naar hun oordeel voldoende zijn om er voor te zorgen dat de verontreiniging die na de sanering is achtergebleven niet zal leiden tot een vermindering van de kwaliteit van de bodem zoals beschreven in het verslag op grond van artikel 39c, eerste lid, onder b. Met de uitvoering van het nazorgplan kan worden begonnen nadat gedeputeerde staten met dat plan hebben ingestemd of die instemming van rechtswege is verleend. Aan de instemming kunnen voorschriften worden verbonden. De instemming is van rechtswege verleend, indien gedeputeerde staten niet binnen de termijn van zes maanden na ontvangst van het nazorgplan een beslissing hebben genomen. Een instemming van rechtswege wordt aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 28, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing voor wat betreft de instemming met het nazorgplan. -**4.** Bij de beschikking tot instemming met het nazorgplan kunnen gedeputeerde staten aangeven welke wijzigingen in het gebruik van de bodem aan hen dienen te worden gemeld. Naar aanleiding van die melding kunnen gedeputeerde staten bepalen dat een aanvullende sanering moet plaatsvinden. +**4.** Artikel 39c, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing voor wat betreft de instemming met het nazorgplan. **5.** Provinciale staten kunnen nadere regels stellen omtrent de gegevens die in het nazorgplan worden opgenomen. ### Artikel 39e -**1.** De eigenaar, erfpachter of gebruiker van het grondgebied waar sprake is van verontreiniging als bedoeld in artikel 39d, neemt de beperkingen in het gebruik van de bodem in acht die zijn beschreven in het nazorgplan, bedoeld in het eerste lid van dat artikel. +**1.** De eigenaar, erfpachter of gebruiker van het grondgebied waar na de sanering een verontreiniging in de bodem aanwezig is gebleven, neemt de beperkingen in het gebruik van de bodem in acht die zijn beschreven in het schriftelijk verslag, bedoeld in artikel 39c, eerste lid, of het nazorgplan, bedoeld in artikel 39d, eerste lid. **2.** Met de uitvoering van de maatregelen die zijn beschreven in het nazorgplan, is belast degene die de bodem heeft gesaneerd, dan wel degene die daartoe is aangewezen in het nazorgplan, waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd. De uitvoering geschiedt overeenkomstig het nazorgplan waarmee door gedeputeerde staten is ingestemd, en overeenkomstig de voorschriften die aan de instemming zijn verbonden. @@ -761,10 +807,10 @@ b. het in stand houden en onderhouden alsmede waar nodig het herstellen, verbete **1.** -Indien het belang van de bescherming van de bodem zich daartegen niet verzet, kunnen gedeputeerde staten, in afwijking van de artikelen 28 en 39, toestaan bij een melding als bedoeld in artikel 28, die een voornemen betreft om een handeling te verrichten ten gevolge waarvan slechts een gedeelte van de verontreiniging van de bodem wordt verplaatst, te volstaan met het verstrekken van: +Indien het belang van de bescherming van de bodem zich daartegen niet verzet, kunnen gedeputeerde staten, in afwijking van de artikelen 28 en 39, toestaan bij een melding als bedoeld in artikel 28 te volstaan met het verstrekken van: -a. de resultaten van een nader onderzoek van het betrokken gedeelte en -b. een saneringsplan voor het betrokken gedeelte. +a. De resultaten van een nader onderzoek van slechts een gedeelte van de verontreiniging van de bodem en +b. een saneringsplan voor het gedeelte, bedoeld onder a. **2.** De stukken, bedoeld in het eerste lid, behoeven de instemming van gedeputeerde staten. Artikel 39, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. @@ -860,7 +906,7 @@ Gedeputeerde staten zijn belast met het oriënterend onderzoek en het nader onde ### Artikel 49 -**1.** Gedeputeerde staten kunnen, indien dat noodzakelijk is om nader onderzoek, saneringsonderzoek, sanering of de uitvoering van de maatregelen, bedoeld in artikel 39e, tweede lid, mogelijk te maken, maatregelen nemen als bedoeld in artikel 30, tweede, derde en vierde lid. +**1.** Gedeputeerde staten kunnen, indien dat noodzakelijk is om nader onderzoek, saneringsonderzoek, sanering, de uitvoering van maatregelen, bedoeld in artikel 37, derde en vierde lid, of de uitvoering van de maatregelen, bedoeld in artikel 39e, tweede lid, mogelijk te maken, maatregelen nemen als bedoeld in artikel 30, tweede, derde en vierde lid. De maatregelen kunnen mede betrekking hebben op het treffen van maatregelen als bedoeld in artikel 37, derde en vierde lid. **2.** Ten behoeve van het verrichten van oriënterend onderzoek kunnen gedeputeerde staten voorts een maatregel nemen als bedoeld in artikel 30, derde lid, onder a , met betrekking tot degene op wiens grondgebied dat onderzoek moet geschieden. @@ -909,7 +955,7 @@ Vervallen ### Artikel 52 -Gedeputeerde staten betrekken bij de uitvoering van het nader onderzoek, of, in een geval van ernstige verontreiniging, dat is opgenomen in het provinciaal milieuprogramma, het saneringsonderzoek of de sanering burgemeester en wethouders alsmede de ingezetenen van de betrokken gemeente en belanghebbenden, op de wijze voorzien in de krachtens artikel 147 van de Provinciewet vastgestelde verordening. +Vervallen ### Artikel 53 @@ -923,7 +969,7 @@ Vervallen ### Artikel 54 -Artikel 52 is van overeenkomstige toepassing indien burgemeester en wethouders overgaan tot het onderzoek van onderzoeksgevallen of het saneringsonderzoek of de sanering van gevallen van ernstige verontreiniging, met dien verstande dat de verordening door de gemeenteraad wordt vastgesteld. +Vervallen ### Artikel 55 @@ -1460,17 +1506,17 @@ b. de voortgang van de uitvoering van de bodemsaneringsoperatie. De gemeenten Amsterdam, 's-Gravenhage, Rotterdam en Utrecht worden gelijkgesteld met een provincie voor de toepassing van: -a. de artikelen 27 tot en met 34, 37, artikel 38, derde en vierde lid, 39, 39a, 39b, 39c, 39d, derde, vierde en vijfde lid, 39f, eerste lid, 40, 42, 43 tot en met 52, 55, 55b, derde lid, 55c, eerste en derde lid, 55e, eerste, tweede lid, onder f, en vijfde lid, 55f, 55g, derde lid, 63c, tweede lid, 74 tot en met 76l, 83, 87a en 92b; +a. de artikelen 27 tot en met 34, 37, artikel 38, derde en vierde lid, 39, 39a, 39b, 39c, 39d, derde, vierde en vijfde lid, 39f, eerste lid, 40, 42, 43 tot en met 51, 55, 55ab, tweede lid, 55b, derde lid, 55c, eerste en derde lid, 55e, eerste, tweede lid, onder f, en vijfde lid, 55f, 55g, derde lid, 63c, tweede lid, 74 tot en met 76l, 83, 87a en 92b; b. de artikelen 4.14, eerste lid, en tweede lid, onder a, onder 1°, en onder b, voor zover het de activiteiten, bedoeld onder a , onder 1°, betreft, en 4.15, derde lid, van de Wet milieubeheer. **2.** -Een plusregio als bedoeld in artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen die de gemeente of gemeenten Amsterdam, Arnhem en Nijmegen, Eindhoven en Helmond, Enschede en Hengelo, ’s-Gravenhage, Rotterdam of Utrecht omvat wordt gelijkgesteld met een provincie voor de toepassing van de in het eerste lid genoemde artikelen, alsmede voor de artikelen 41, 51, 53 en 54. De gelijkstelling vindt toepassing: +Een plusregio als bedoeld in artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen die de gemeente of gemeenten Amsterdam, Arnhem en Nijmegen, Eindhoven en Helmond, Enschede en Hengelo, ’s-Gravenhage, Rotterdam of Utrecht omvat wordt gelijkgesteld met een provincie voor de toepassing van de in het eerste lid genoemde artikelen, alsmede voor de artikelen 41, 51 en 53. De gelijkstelling vindt toepassing: – voor de locaties waarvoor de plusregio rechtstreeks middelen van het Rijk ontvangt voor het onderzoek van onderzoeksgevallen, het saneringsonderzoek en de sanering van gevallen van ernstige verontreiniging, en – indien de in deze artikelen bedoelde bevoegdheden aan de plusregio bij algemene maatregel van bestuur zijn overgedragen. -**3.** In de gevallen waarin de in het eerste lid bedoelde gelijkstelling van toepassing is, blijven de artikelen 41, 51, 53 en 54 buiten toepassing. +**3.** In de gevallen waarin de in het eerste lid bedoelde gelijkstelling van toepassing is, blijven de artikelen 41, 51 en 53 buiten toepassing. **4.** In de gevallen waarin de in het tweede lid bedoelde gelijkstelling van toepassing is, blijft het eerste lid buiten toepassing voor een in die plusregio gelegen gemeente. @@ -1495,7 +1541,7 @@ d. wordt de inhoud van een ingevolge artikel 30 of 31 gegeven beschikking tevens ### Artikel 89 -Voor de toepassing van de artikelen 28, 32 tot en met 34, 41, 43, 45, 47, 49, 51, 52 tot en met 54 en 75 wordt onderscheidenlijk het gebied van een bovengemeentelijk openbaar lichaam met een gemeente en het bestuur van zodanig lichaam met de gemeenteraad, onderscheidenlijk burgemeester en wethouders gelijk gesteld. +Voor de toepassing van de artikelen 28, 32 tot en met 34, 41, 43, 45, 47, 49, 51, 53 en 75 wordt onderscheidenlijk het gebied van een bovengemeentelijk openbaar lichaam met een gemeente en het bestuur van zodanig lichaam met de gemeenteraad, onderscheidenlijk burgemeester en wethouders gelijk gesteld. ### Artikel 90 @@ -1554,7 +1600,7 @@ Een gedraging in strijd met een voorschrift, krachtens de artikelen 64, tweede l **4.** -De volgende bestuursorganen hebben tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens § 3 van hoofdstuk IV en artikel 72: +De volgende bestuursorganen hebben tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens § 3 en § 3a van hoofdstuk IV en artikel 72: a. in gevallen als bedoeld in artikel 88, eerste, tweede en zevende lid: burgemeester en wethouders, onderscheidenlijk het dagelijks bestuur van de plusregio; b. in andere gevallen: gedeputeerde staten. @@ -1583,7 +1629,7 @@ Voor de uitvoering van deze wet ten aanzien van gebieden die niet deel uitmaken **2.** De artikelen 6 tot en met 12b zijn niet van toepassing op mijnbouwwerken als bedoeld in artikel 1 van de Mijnbouwwet. Bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 49 van de Mijnbouwwet kan worden bepaald dat de artikelen 6 tot en met 12b en de daarop berustende bepalingen geheel of gedeeltelijk wel van toepassing zijn op deze werken. -**3.** De artikelen 27 tot en met 54 zijn niet van toepassing ten aanzien van maatregelen met het oog op ongewone voorvallen of sanering van de bodem, voor zover daarin kan worden voorzien krachtens de artikelen 39 en 44 van de Kernenergiewet. +**3.** De artikelen 27 tot en met 51 en 53 zijn niet van toepassing ten aanzien van maatregelen met het oog op ongewone voorvallen of sanering van de bodem, voor zover daarin kan worden voorzien krachtens de artikelen 39 en 44 van de Kernenergiewet. **4.** Deze wet is niet van toepassing op de bodem en de oevers van een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet en, voor zover het oppervlaktewaterlichaam behoort tot de zee, bedoeld in dat artikel, de ondergrond van de zeebodem.