2005-07-20 | BWBR0033268 | Richtsnoeren m.b.t. geschillen over toegang tot omroepnetwerken

This commit is contained in:
Coornhert 2005-07-20 12:00:00 +00:00
parent a6b013a939
commit 186df48adf

View file

@ -12,7 +12,7 @@ citeertitel: Richtsnoeren m.b.t. geschillen over toegang tot omroepnetwerken
## . Inleiding
1. Het college van de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (hierna: het college) en de directeur-generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit (hierna: de d-g NMa) publiceren hierbij richtsnoeren voor de beslechting van geschillen over toegang tot omroepnetwerken op grond van artikel 8.7 van de Telecommunicatiewet respectievelijk op grond van de artikelen 6 en 24 van de Mededingingswet. Onderhavige richtsnoeren hebben ten doel vooraf inzicht te verschaffen in de criteria die bij het gebruik van deze bevoegdheden gehanteerd zullen worden. Deze richtsnoeren zijn op grond van artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgesteld met inachtneming van de bevoegdheden die het college krachtens artikel 8.7 van de Telecommunicatiewet, respectievelijk de d-g NMa krachtens de Mededingingswet, toekomen. Het college en de d-g NMa zullen deze richtsnoeren toepassen als beleidsregels in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. In een later stadium kunnen eventueel aanvullende richtsnoeren gepubliceerd worden.
1. Het college van de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (hierna: het college) en de directeur-generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit publiceren hierbij richtsnoeren voor de beslechting van geschillen over toegang tot omroepnetwerken op grond van artikel 8.7 van de Telecommunicatiewet respectievelijk op grond van de artikelen 6 en 24 van de Mededingingswet. Onderhavige richtsnoeren hebben ten doel vooraf inzicht te verschaffen in de criteria die bij het gebruik van deze bevoegdheden gehanteerd zullen worden. Deze richtsnoeren zijn op grond van artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgesteld met inachtneming van de bevoegdheden die het college krachtens artikel 8.7 van de Telecommunicatiewet, respectievelijk de Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit krachtens de Mededingingswet, toekomen. Het college en de Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit zullen deze richtsnoeren toepassen als beleidsregels in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. In een later stadium kunnen eventueel aanvullende richtsnoeren gepubliceerd worden.
2. Het college heeft op 26 april 1999 een consultatiedocument gepubliceerd, getiteld: Consultatiedocument Toegang tot de kabel. Belanghebbenden hebben hierop commentaar geleverd. Als onderdeel van het consultatieproces is op 17 mei 1999 een hoorzitting gehouden. Het college en de d-g NMa hebben bij het opstellen van deze richtsnoeren de reacties op het consultatiedocument betrokken.
@ -22,13 +22,13 @@ citeertitel: Richtsnoeren m.b.t. geschillen over toegang tot omroepnetwerken
4. Een nadere afbakening van de bevoegdheid van het college wordt gevormd door een tweetal randvoorwaarden: (1-) het toegangsconflict moet betrekking hebben op een programma in de zin van artikel 1, onderdeel f, van de Mediawet, en (2-) het toegangsconflict moet betrekking hebben op een omroepnetwerk in de zin van artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet.
5. De d-g NMa kan geschillen tussen een aanbieder van een omroepnetwerk en een programma-aanbieder behandelen op grond van de artikelen 6 en 24 van de Mededingingswet. De afstemmingsprocedure tussen het college en de dg NMa is vastgelegd in het Samenwerkingsprotocol (Staatscourant 1999, nr. 2), dat is opgesteld op basis van artikel 18.3 van de Telecommunicatiewet. Uitgangspunt hierbij is dat het college het voortouw zal nemen bij de behandeling van geschillen. Voor zover het college niet bevoegd is op grond van de Telecommunicatiewet, kan de d-g NMa het geschil behandelen op grond van de Mededingingswet.
5. De Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit kan geschillen tussen een aanbieder van een omroepnetwerk en een programma-aanbieder behandelen op grond van de artikelen 6 en 24 van de Mededingingswet. De afstemmingsprocedure tussen het college en de dg NMa is vastgelegd in het Samenwerkingsprotocol (Staatscourant 1999, nr. 2), dat is opgesteld op basis van artikel 18.3 van de Telecommunicatiewet. Uitgangspunt hierbij is dat het college het voortouw zal nemen bij de behandeling van geschillen. Voor zover het college niet bevoegd is op grond van de Telecommunicatiewet, kan de Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit het geschil behandelen op grond van de Mededingingswet.
6. De onderhavige bevoegdheden van het college en de d-g NMa tot geschillenbeslechting vertonen raakvlakken met bevoegdheden van andere bestuursorganen, met name met die van het Commissariaat van de Media in het kader van de toetsing bedoeld in artikel 82k, tweede lid, van de Mediawet. In voorkomende gevallen zullen het college en de d-g NMa desgewenst naar afstemming zoeken.
6. De onderhavige bevoegdheden van het college en de Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit tot geschillenbeslechting vertonen raakvlakken met bevoegdheden van andere bestuursorganen, met name met die van het Commissariaat van de Media in het kader van de toetsing bedoeld in artikel 82k, tweede lid, van de Mediawet. In voorkomende gevallen zullen het college en de Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit desgewenst naar afstemming zoeken.
## . Nadere uitwerking beoordelingskaders
7. In het kader van deze richtsnoeren brengen het college en de d-g NMa een onderscheid aan in drie functies die een aanbieder van een omroepnetwerk kan vervullen, te weten (1-) de functie van aanbieder van de netwerkinfrastructuur, (2-) de functie van aanbieder van het standaardpakket1Dit is het pakket dat de aanbieder van het omroepnetwerk aan alle aangeslotenen aanbiedt. Dit standaardpakket bevat in ieder geval het in artikel 82i van de Mediawet omschreven programmapakket (het basispakket)., en (3-) de functie van aanbieder van andere diensten, zoals bijvoorbeeld programmas en telecommunicatiediensten. Onderhavige richtsnoeren hebben in beginsel alleen betrekking op de twee eerstgenoemde functies van de aanbieder van omroepnetwerken.
7. In het kader van deze richtsnoeren brengen het college en de Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit een onderscheid aan in drie functies die een aanbieder van een omroepnetwerk kan vervullen, te weten (1-) de functie van aanbieder van de netwerkinfrastructuur, (2-) de functie van aanbieder van het standaardpakket1Dit is het pakket dat de aanbieder van het omroepnetwerk aan alle aangeslotenen aanbiedt. Dit standaardpakket bevat in ieder geval het in artikel 82i van de Mediawet omschreven programmapakket (het basispakket)., en (3-) de functie van aanbieder van andere diensten, zoals bijvoorbeeld programmas en telecommunicatiediensten. Onderhavige richtsnoeren hebben in beginsel alleen betrekking op de twee eerstgenoemde functies van de aanbieder van omroepnetwerken.
8. De door een programma-aanbieder voorgelegde geschillen kunnen betrekking hebben op één of meer van de volgende typen conflicten: (a-) conflicten over de hoogte van de gevraagde doorgiftevergoedingen, (b-) conflicten over andere toegangsvoorwaarden, en (c-) conflicten als gevolg van toegangsweigering.
@ -36,7 +36,7 @@ citeertitel: Richtsnoeren m.b.t. geschillen over toegang tot omroepnetwerken
10. In de functie van aanbieder van infrastructuur dient de aanbieder van een omroepnetwerk aan alle van zijn infrastructuur gebruik makende aanbieders van programmas en diensten transparante en non-discriminatoire voorwaarden te hanteren en, per kanaal, een kostengeoriënteerde prijs te berekenen. Deze verplichtingen gelden ook ten aanzien van de aanbieder van het omroepnetwerk zelf indien hij gebruik maakt van zijn infrastructuur voor het aanbieden van programmapakketten of andere diensten.
11. Onder een kostengeoriënteerde kanaalprijs wordt door het college en de d-g NMa het volgende verstaan: a) bij de berekening van deze prijs wordt het boven beschreven principe van integrale kostencalculatie op basis van historische kosten gehanteerd, waarbij de kosten bepaald worden van de verschillende elementen waaruit het omroepnetwerk is opgebouwd; b) slechts de kosten voor die elementen van de netwerkinfrastructuur die daadwerkelijk bij het transport van een bepaalde dienst worden gebruikt, mogen, naar rato van het gebruik dat van dat element wordt gemaakt, worden doorberekend in de kostengeoriënteerde kanaalprijs voor die dienst; kosten die niet specifiek toegerekend kunnen worden, dienen omgeslagen te worden over de verschillende programma- en dienstenaanbieders op grond van het effectieve capaciteitsbeslag2Met het effectieve capaciteitsbeslag wordt bedoeld de netwerkcapaciteit, uitgedrukt in kanalen, die de programma- of dienstenaanbieder ter beschikking staat. Het gaat hier dus om daadwerkelijk gebruikte en gereserveerde capaciteit. Daar waar het effectieve capaciteitsbeslag van de verschillende programma- en dienstenaanbieders per netvlak verschilt, dient de omslag ook per netvlak naar rato van het effectieve capaciteitsbeslag in dat netvak plaats te vinden.2; c) de omvang van de door de aanbieder van een omroepnetwerk aan te houden capaciteit3De totale capaciteit van het omroepnetwerk bestaat uit de volgende componenten: capaciteit die daadwerkelijk benut wordt voor het doorgeven van programmas of diensten, capaciteit die gereserveerd is voor aanbieders van programmas of diensten ten behoeve van toekomstig gebruik, capaciteit die om tecnische redenen niet benut kan worden en capaciteit die nog geen bestemming heeft. De twee laatstgenoemde componenten vormen de onbenutte capaciteit. dient op rationele en transparante wijze te worden bepaald. De aanbieder van een omroepnetwerk mag, binnen redelijke grenzen, de kosten die samenhangen met onbenutte capaciteit, in rekening brengen. Alle programmaen dienstenaanbieders, die gebruik maken van de infrastructuur of voor wie de aanbieder van het omroepnetwerk capaciteit gereserveerd heeft, dragen in beginsel, proportioneel naar rato van hun effectieve capaciteitsbeslag, bij aan de kosten van deze onbenutte capaciteit; d) door digitalisering van het omroepnetwerk mogen programma- en dienstenaanbieders in beginsel niet gedwongen worden de bandbreedte van een analoog kanaal in zijn geheel af te nemen, wanneer zij slechts een deel van die capaciteit nodig hebben om hun programmas of diensten door te geven. Indien dit niet het geval zou zijn, zouden zij, totdat een deel van de leegstand is opgeheven, volgens de hierboven onder c) geschetste systematiek worden geconfronteerd met een groter aandeel in de netwerkkosten dan redelijk is. Teneinde dit ongewenste effect te voorkomen, achten het college en de d-g NMa het in beginsel wenselijk dat deze aanbieders niet méér transmissiecapaciteit behoeven af te nemen dan benodigd is voor doorgifte van één digitaal programma. Het college van OPTA en de d-g NMa wijzen erop dat bij zeer beperkte digitalisering van het omroepnetwerk op grond van redelijkheid kan worden afgeweken van dit principe. e) binnen redelijke grenzen is het de aanbieder van het omroepnetwerk toegestaan de aanbieder van een programma of een dienst gedurende een aanloopfase van maximaal twee jaren een korting te verlenen op de kostengeoriënteerde kanaalprijs, met dien verstande dat deze korting uit de algemene middelen van de aanbieder van het omroepnetwerk gefinancierd4Hiermee wordt bedoeld dat deze korting niet mag worden gefinancierd uit een verhoging van de doorgiftetarieven voor andere aanbieders van programmas of diensten of uit een verhoging van de eindgebruikerstarieven. wordt. De verleende korting dient in ieder geval binnen vijf aansluitende jaren door de desbetreffende programma- en dienstenaanbieder te worden terugbetaald middels een opslag op de kostengeoriënteerde kanaalprijs. Deze korting dient gebaseerd te zijn op een transparante, objectieve en non-discriminatoire kortingsregeling, die door de aanbieder van het omroepnetwerk vooraf gepubliceerd dient te worden.
11. Onder een kostengeoriënteerde kanaalprijs wordt door het college en de Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit het volgende verstaan: a) bij de berekening van deze prijs wordt het boven beschreven principe van integrale kostencalculatie op basis van historische kosten gehanteerd, waarbij de kosten bepaald worden van de verschillende elementen waaruit het omroepnetwerk is opgebouwd; b) slechts de kosten voor die elementen van de netwerkinfrastructuur die daadwerkelijk bij het transport van een bepaalde dienst worden gebruikt, mogen, naar rato van het gebruik dat van dat element wordt gemaakt, worden doorberekend in de kostengeoriënteerde kanaalprijs voor die dienst; kosten die niet specifiek toegerekend kunnen worden, dienen omgeslagen te worden over de verschillende programma- en dienstenaanbieders op grond van het effectieve capaciteitsbeslag2Met het effectieve capaciteitsbeslag wordt bedoeld de netwerkcapaciteit, uitgedrukt in kanalen, die de programma- of dienstenaanbieder ter beschikking staat. Het gaat hier dus om daadwerkelijk gebruikte en gereserveerde capaciteit. Daar waar het effectieve capaciteitsbeslag van de verschillende programma- en dienstenaanbieders per netvlak verschilt, dient de omslag ook per netvlak naar rato van het effectieve capaciteitsbeslag in dat netvak plaats te vinden.2; c) de omvang van de door de aanbieder van een omroepnetwerk aan te houden capaciteit3De totale capaciteit van het omroepnetwerk bestaat uit de volgende componenten: capaciteit die daadwerkelijk benut wordt voor het doorgeven van programmas of diensten, capaciteit die gereserveerd is voor aanbieders van programmas of diensten ten behoeve van toekomstig gebruik, capaciteit die om tecnische redenen niet benut kan worden en capaciteit die nog geen bestemming heeft. De twee laatstgenoemde componenten vormen de onbenutte capaciteit. dient op rationele en transparante wijze te worden bepaald. De aanbieder van een omroepnetwerk mag, binnen redelijke grenzen, de kosten die samenhangen met onbenutte capaciteit, in rekening brengen. Alle programmaen dienstenaanbieders, die gebruik maken van de infrastructuur of voor wie de aanbieder van het omroepnetwerk capaciteit gereserveerd heeft, dragen in beginsel, proportioneel naar rato van hun effectieve capaciteitsbeslag, bij aan de kosten van deze onbenutte capaciteit; d) door digitalisering van het omroepnetwerk mogen programma- en dienstenaanbieders in beginsel niet gedwongen worden de bandbreedte van een analoog kanaal in zijn geheel af te nemen, wanneer zij slechts een deel van die capaciteit nodig hebben om hun programmas of diensten door te geven. Indien dit niet het geval zou zijn, zouden zij, totdat een deel van de leegstand is opgeheven, volgens de hierboven onder c) geschetste systematiek worden geconfronteerd met een groter aandeel in de netwerkkosten dan redelijk is. Teneinde dit ongewenste effect te voorkomen, achten het college en de Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit het in beginsel wenselijk dat deze aanbieders niet méér transmissiecapaciteit behoeven af te nemen dan benodigd is voor doorgifte van één digitaal programma. Het college van OPTA en de Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit wijzen erop dat bij zeer beperkte digitalisering van het omroepnetwerk op grond van redelijkheid kan worden afgeweken van dit principe. e) binnen redelijke grenzen is het de aanbieder van het omroepnetwerk toegestaan de aanbieder van een programma of een dienst gedurende een aanloopfase van maximaal twee jaren een korting te verlenen op de kostengeoriënteerde kanaalprijs, met dien verstande dat deze korting uit de algemene middelen van de aanbieder van het omroepnetwerk gefinancierd4Hiermee wordt bedoeld dat deze korting niet mag worden gefinancierd uit een verhoging van de doorgiftetarieven voor andere aanbieders van programmas of diensten of uit een verhoging van de eindgebruikerstarieven. wordt. De verleende korting dient in ieder geval binnen vijf aansluitende jaren door de desbetreffende programma- en dienstenaanbieder te worden terugbetaald middels een opslag op de kostengeoriënteerde kanaalprijs. Deze korting dient gebaseerd te zijn op een transparante, objectieve en non-discriminatoire kortingsregeling, die door de aanbieder van het omroepnetwerk vooraf gepubliceerd dient te worden.
## . Bepaling doorgiftevergoeding
@ -58,7 +58,7 @@ citeertitel: Richtsnoeren m.b.t. geschillen over toegang tot omroepnetwerken
19. Bij de beoordeling van geschillen over toegangsweigering zullen de volgende uitgangspunten gehanteerd worden. Het weigeren door de aanbieder van een omroepnetwerk van toegang tot het netwerk aan een programmaaanbieder is in beginsel slechts toegestaan indien de beschikbare netwerkcapaciteit tekort schiet, of indien de programma-aanbieder weigert een redelijke kostengeoriënteerde doorgiftevergoeding te betalen, of indien de technische integriteit van het netwerk in gevaar komt door doorgifte van het programma. Een beroep op een tekort aan capaciteit is alleen aanvaardbaar indien bij de beoordeling van het verzoek door de aanbieder van het netwerk de capaciteit van het hele netwerk in overweging is genomen.
20. Het college en de d-g NMa zullen zeer terughoudend zijn bij eventuele conflicten over de samenstelling van het standaardpakket. Er zal wel op worden toegezien dat de toewijzing van netwerkcapaciteit door een aanbieder van een omroepnetwerk (in zijn functie van aanbieder van infrastructuur) aan aanbieders van programmas en programmapakketten op een zorgvuldige, redelijke, transparante en non-discriminatoire manier plaatsvindt.
20. Het college en de Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit zullen zeer terughoudend zijn bij eventuele conflicten over de samenstelling van het standaardpakket. Er zal wel op worden toegezien dat de toewijzing van netwerkcapaciteit door een aanbieder van een omroepnetwerk (in zijn functie van aanbieder van infrastructuur) aan aanbieders van programmas en programmapakketten op een zorgvuldige, redelijke, transparante en non-discriminatoire manier plaatsvindt.
## . Inwerkingtreding