From 187aecdd3e99a9230bec17a535118b14e1d16f6f Mon Sep 17 00:00:00 2001 From: Coornhert Date: Wed, 30 Nov 2005 12:00:00 +0000 Subject: [PATCH] =?UTF-8?q?2005-11-30=20|=20BWBR0006147=20|=20Trac=C3=A9we?= =?UTF-8?q?t?= MIME-Version: 1.0 Content-Type: text/plain; charset=UTF-8 Content-Transfer-Encoding: 8bit --- wet/tracéwet/BWBR0006147/README.md | 127 +++++++++++++++-------------- 1 file changed, 68 insertions(+), 59 deletions(-) diff --git a/wet/tracéwet/BWBR0006147/README.md b/wet/tracéwet/BWBR0006147/README.md index 0c115ff88f2..6ed498b120b 100644 --- a/wet/tracéwet/BWBR0006147/README.md +++ b/wet/tracéwet/BWBR0006147/README.md @@ -29,20 +29,19 @@ g. verkeers- en vervoertraject: een verkeers- en vervoergebied gelegen tussen tw h. tracé: 1°. de aanduiding op een of meer topografische of geografische kaarten van het verloop en de geografische omvang van een aan te leggen of te wijzigen hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg, en -2°. indien het de aanleg of wijziging van een hoofdweg of landelijke spoorweg betreft, een nauwkeurige beschrijving van: +2°. een nauwkeurige beschrijving van: -- de daarbij te realiseren ligging in het terrein, -- het daarbij te realiseren aantal rijstroken of sporen, -- de daarbij te realiseren bijkomende infrastructurele voorzieningen en -- de daarbij te realiseren maatregelen van landschappelijke, landbouwkundige en ecologische aard dan wel +– de daarbij te realiseren ligging in het terrein, +– de daarbij te realiseren bijkomende infrastructurele voorzieningen en +– de daarbij te realiseren maatregelen van landschappelijke, landbouwkundige en ecologische aard, en +3°. indien het de aanleg of wijziging van een hoofdweg betreft: -indien het de aanleg of wijziging van een hoofdvaarweg betreft, een nauwkeurige beschrijving van: +– een nauwkeurige beschrijving van het daarbij te realiseren aantal rijstroken en +– de in acht te nemen grenswaarden voor geluidhinder en de aanduiding van de maatregelen, gericht op het terugbrengen van de verwachte geluidsbelasting van de gevel van woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen onderscheidenlijk aan de grens van geluidsgevoelige terreinen als bedoeld in de Wet geluidhinder, of +4°. indien het de aanleg of wijziging van een landelijke spoorweg betreft: -- de voor het gebruik van de hoofdvaarweg toe te laten laadvermogen per schip, -- de bij de aanleg of wijziging van de hoofdvaarweg te realiseren bijkomende infrastructurele voorzieningen en -- de daarbij te realiseren maatregelen van landschappelijke, landbouwkundige en ecologische aard, zomede -3°. indien het de aanleg of wijziging van een hoofdweg of landelijke spoorweg betreft, de in acht te nemen grenswaarden voor geluidhinder en de aanduiding van de maatregelen, gericht op het terugbrengen van de verwachte geluidsbelasting van de gevel van woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen onderscheidenlijk aan de grens van geluidsgevoelige terreinen als bedoeld in de Wet geluidhinder; -i. schip: schip als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b, en vijfde lid onder a en b, van de Scheepvaartverkeerswet (Stb. 1988, 352). +– een nauwkeurige beschrijving van het daarbij te realiseren aantal sporen en +– de in acht te nemen grenswaarden voor geluidhinder en de aanduiding van de maatregelen, gericht op het terugbrengen van de verwachte geluidsbelasting van de gevel van woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen onderscheidenlijk aan de grens van geluidsgevoelige terreinen als bedoeld in de Wet geluidhinder, met betrekking tot de aanleg of wijziging van de landelijke spoorweg, alsmede de aansluitende landelijke spoorweg waarop ten gevolge van de aanleg of wijziging sprake is van een aanpassing in de zin van artikel 106, eerste lid, onder l, van de Wet geluidhinder. **2.** Ontheffingen, dispensaties, afwijkingen en soortgelijke beschikkingen worden voor de toepassing van deze wet als vergunning aangemerkt. @@ -50,41 +49,40 @@ i. schip: schip als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b, en vijfde lid onde ### Artikel 2 -**1.** De aanleg van een hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg, in gevallen waarin de hoofdvaarweg kan worden bevaren door schepen met een laadvermogen van 1350 ton of meer, geschiedt overeenkomstig het daarvoor met toepassing van deze wet vastgestelde tracé. +**1.** -**2.** +Deze wet is van toepassing op: -Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van: +a. de aanleg van een hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg; +b. een wijziging van een hoofdweg, die bestaat uit: -a. een wijziging van een hoofdweg, die bestaat uit de ombouw van een weg tot autosnelweg; -b. een verbreding van een hoofdweg met één of meer rijstroken, indien het te verbreden weggedeelte twee knooppunten of aansluitingen met elkaar verbindt; -c. een wijziging van een landelijke spoorweg, die bestaat uit: +1°. de ombouw van een weg tot autosnelweg of +2°. de uitbreiding van een weg met één of meer rijstroken, indien het uit te breiden weggedeelte twee knooppunten of aansluitingen met elkaar verbindt; +c. een wijziging van een landelijke spoorweg waarmee Onze Minister de bruikbaarheid van die spoorweg beoogt te verbeteren, en die bestaat uit: -1°. een verbreding van die spoorweg met twee of meer sporen, die over een lengte van 5 kilometer of meer is gelegen in een in een streekplan begrensd beschermd natuurmonument, aangewezen ingevolge artikel 18 of 27 van de Natuurbeschermingswet, dan wel in een in een streekplan begrensd kerngebied, natuurontwikkelingsgebied of in een zodanig plan begrensde verbindingszone, deel uitmakend van de ecologische hoofdstructuur; -2°. de aanleg van een geheel nieuwe spoorbaan, die over een lengte van 500 meter of meer op een afstand van 25 meter of meer van de grens van de bestemming, aangewezen voor spoorwegdoeleinden, is gelegen of -3°. de aanleg van spoorwegbouwkundige bouwwerken met de daartoe behorende aansluitingen, los van de bestemming, aangewezen voor spoorwegdoeleinden, voor zover deze geheel zijn gelegen in een in een streekplan begrensd gebied als bedoeld onder 1°; -d. een wijziging van een hoofdvaarweg, die bestaat uit: +1°. een uitbreiding van die spoorweg met één of meer sporen, indien het uit te breiden spoorweggedeelte twee aansluitingen met elkaar verbindt; +2°. de aanleg van spoorwegbouwkundige bouwwerken; +3°. de aanleg van een verbindingsboog; of +4°. een geheel van onderling samenhangende maatregelen ten aanzien van die spoorweg; +d. het opnieuw in gebruik nemen van een reeds aangelegde landelijke spoorweg voor zover het gaat om een lengte van 5 kilometer of meer; +e. een wijziging van de hoofdvaarweg, die bestaat uit: -1°. een vergroting of verdieping waardoor: +1°. een vergroting of verdieping waardoor het ruimte-oppervlak van de hoofdvaarweg met ten minste twintig procent toeneemt dan wel de hoofdvaarweg blijvend wordt verdiept waarbij meer dan vijf miljoen kubieke meter grond wordt verzet of +2°. een verlegging van een rivier waarbij het zomerbed wordt verlegd en de verlegging een oppervlakte beslaat van ten minste 50 hectare. -- de hoofdvaarweg geschikt wordt voor gebruik door schepen met een laadvermogen van ten minste 1350 ton dan wel de bestaande geschiktheid van de hoofdvaarweg voor zodanig gebruik wordt verbeterd, en -- het ruimte-oppervlak van de hoofdvaarweg met ten minste twintig procent toeneemt dan wel de hoofdvaarweg blijvend wordt verdiept waarbij meer dan vijf miljoen kubieke meter grond wordt verzet en waarbij verder bodemlagen die het grondwater afsluiten worden doorbroken of -2°. een verlegging van een rivier: +**2.** Een beslissing om de procedure ten aanzien van de aanleg of wijziging van een hoofdweg of hoofdvaarweg of de medewerking aan de aanleg of wijziging van een landelijke spoorweg aan te vangen, wordt genomen door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. -- in het geval waarin de rivier kan worden bevaren door schepen met een laadvermogen van ten minste 1350 ton, en -- waarbij het zomerbed wordt verlegd en de verlegging een oppervlakte beslaat van ten minste 50 hectare. +**3.** In de beslissing, bedoeld in het tweede lid, wordt ten aanzien van de projecten, genoemd in het eerste lid, onder b tot en met e, aangegeven of het ontwerp-tracébesluit, bedoeld in artikel 11, en het tracébesluit, bedoeld in artikel 15, worden vastgesteld door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer dan wel door Onze Minister. -**3.** Bij algemene maatregel van bestuur wordt het eerste lid van overeenkomstige toepassing verklaard ten aanzien van in die maatregel aan te geven andere gevallen van wijziging van een hoofdweg, van een landelijke spoorweg of van een hoofdvaarweg dan die welke zijn bedoeld in het tweede lid, indien ten aanzien van deze gevallen het maken van een milieu-effectrapport op grond van het bepaalde bij of krachtens de Wet milieubeheer verplicht is. - -## Hoofdstuk II. De trajectnota +## Hoofdstuk II. Trajectnota en standpunt ### Artikel 2a -Een beslissing om het in dit hoofdstuk bedoelde besluitvormingsproces ten aanzien van de aanleg of wijziging van een hoofdweg, hoofdvaarweg of landelijke spoorweg als bedoeld in artikel 2, of de medewerking aan de aanleg of wijziging van een landelijke spoorweg als bedoeld in artikel 2 aan te vangen, wordt genomen door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. +Hoofdstuk II is alleen van toepassing op besluitvorming omtrent een project als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a. ### Artikel 3 -**1.** Indien Onze Minister de aanleg of wijziging van een hoofdweg, hoofdvaarweg of landelijke spoorweg als bedoeld in artikel 2, of de medewerking aan de aanleg of wijziging van een landelijke spoorweg als bedoeld in artikel 2, in overweging neemt stelt hij ter voorbereiding van de in hoofdstuk III bedoelde beslissingen een trajectnota op. +**1.** Onze Minister stelt een trajectnota op ter voorbereiding van het standpunt, bedoeld in artikel 9, en het tracébesluit, bedoeld in artikel 15. **2.** Bij de voorbereiding betrekt Onze Minister de besturen van de provincies, van de regionale openbare lichamen en van de gemeenten en waterschappen op het gebied waarvan de trajectnota redelijkerwijs betrekking kan hebben dan wel betrekking heeft. @@ -110,13 +108,13 @@ c. een uiteenzetting van de bestaande en te verwachten verkeers- en vervoerbehoe d. een uiteenzetting van: 1°. de mogelijke redenen om in de onder *c* bedoelde behoeften niet te voorzien; -2°. de mogelijkheden om in de onder *c* bedoelde behoeften te voorzien zonder aanleg of wijziging van een hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg, als bedoeld in artikel 2; -3°. de mogelijkheden om in de onder *c* bedoelde behoeften te voorzien door aanleg of wijziging van een hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg, als bedoeld in artikel 2, alsmede een beschrijving van hetgeen met de voorgenomen activiteit wordt beoogd: +2°. de mogelijkheden om in de onder *c* bedoelde behoeften te voorzien zonder aanleg van een hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a; +3°. de mogelijkheden om in de onder *c* bedoelde behoeften te voorzien door aanleg van een hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, alsmede een beschrijving van hetgeen met de voorgenomen activiteit wordt beoogd: e. het tracé van de hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg, zo mogelijk uitgewerkt in een of meer varianten, waarbij voor elke variant de mogelijkheid van een verschuiving van de as van het tracé van ten hoogste 100 meter aan elke zijde en van een verschuiving van ten hoogste twee meter naar boven of naar beneden is open gelaten, alsmede een beschrijving van de kenmerken van die varianten; f. een beschrijving van de bestaande inrichting en het gebruik van de grond, daaronder begrepen water, in het desbetreffende verkeers- en vervoertraject; -g. een beschrijving van de ruimtelijke ontwikkeling van het desbetreffende verkeers- en vervoertraject en de mate waarin in streek- en bestemmingsplannen als bedoeld in de Wet op de Ruimtelijke Ordening met de aanleg of wijziging van de hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg is rekening gehouden; +g. een beschrijving van de ruimtelijke ontwikkeling van het desbetreffende verkeers- en vervoertraject en de mate waarin in streek- en bestemmingsplannen als bedoeld in de Wet op de Ruimtelijke Ordening met de aanleg van de hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg is rekening gehouden, alsmede een beschrijving van de ruimtelijke gevolgen van de aanleg van de hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg voor het in de omgeving van het desbetreffende verkeers- en vervoertraject gelegen gebied; h. een beschrijving van de voor- en nadelen van de onder *d* bedoelde alternatieven en de onder *e* bedoelde varianten; -i. een raming van de kosten van de aanleg of wijziging van de hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg. +i. een raming van de kosten van de aanleg van de hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg. **2.** Bij de toepassing van het eerste lid onder *a* wordt gebruik gemaakt van een of meer overzichtskaarten met een schaal van ten minste 1:50 000. @@ -150,39 +148,40 @@ c. of en zo ja, tegen welke van die alternatieven en varianten zij bedenkingen h **2.** Indien de betrokken bestuursorganen binnen de gestelde termijn geen advies hebben uitgebracht stemmen zij in met de volledigheid van de in de trajectnota behandelde alternatieven en varianten. -## Hoofdstuk III. Beslissing - ### Artikel 9 -**1.** Onze Minister bepaalt binnen acht weken na het verstrijken van de ingevolge artikel 8, eerste lid, bepaalde termijn, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, zijn standpunt met betrekking tot de aanleg of wijziging van een hoofdweg, hoofdvaarweg of landelijke spoorweg als bedoeld in artikel 2 , of de medewerking aan de aanleg of wijziging van een landelijke spoorweg als bedoeld in artikel 2. Het standpunt houdt in dat hij de aanleg of wijziging van een hoofdweg of hoofdvaarweg of de medewerking aan de aanleg of wijziging van een landelijke spoorweg al dan niet verder in overweging neemt. Indien hij de aanleg of wijziging van het in de eerste volzin bedoelde werk of de medewerking daaraan verder in overweging neemt, houdt het standpunt tevens in welk tracé de voorkeur verdient. +**1.** Onze Minister bepaalt binnen acht weken na het verstrijken van de ingevolge artikel 8, eerste lid, bepaalde termijn, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, zijn standpunt met betrekking tot de aanleg van de hoofdweg, hoofdvaarweg of landelijke spoorweg of de medewerking aan de aanleg van de landelijke spoorweg. Het standpunt houdt in dat hij de aanleg van het in de eerste volzin bedoelde werk of de medewerking daaraan al dan niet verder in overweging neemt. **2.** Indien de trajectnota betrekking heeft op het tracé van een landelijke spoorweg, voert Onze Minister overleg over het door hem te bepalen standpunt met de beheerder van de spoorweg. -**3.** Indien de standpuntbepaling als bedoeld in het eerste lid niet binnen de daar genoemde termijn kan geschieden, deelt Onze Minister dit voor het verstrijken daarvan onder vermelding van de redenen mee aan de Staten-Generaal. +**3.** Onze Minister deelt het standpunt onder opgave van redenen schriftelijk mee aan de betrokken bestuursorganen en, indien de trajectnota betrekking heeft op het tracé van een landelijke spoorweg, aan de beheerder van de spoorweg. + +**4.** Binnen een week na de mededeling, bedoeld in het derde lid, legt Onze Minister het standpunt ter inzage. Artikel 3, vierde lid, van deze wet en artikel 3:11, derde en vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing. ### Artikel 10 -**1.** Indien het standpunt van Onze Minister inhoudt dat hij de aanleg of wijziging van een hoofdweg, hoofdvaarweg of landelijke spoorweg als bedoeld in artikel 2, of de medewerking aan de aanleg of wijziging van een landelijke spoorweg als bedoeld in artikel 2 niet verder in overweging neemt, deelt hij dit standpunt onder opgave van redenen schriftelijk mee aan de betrokken bestuursorganen en, indien de trajectnota betrekking heeft op het tracé van een landelijke railweg, aan de beheerder van de railweg. +**1.** Indien het standpunt van Onze Minister inhoudt dat hij de aanleg van de hoofdweg, hoofdvaarweg of landelijke spoorweg of de medewerking aan de aanleg van de landelijke spoorweg verder in overweging neemt, houdt het standpunt tevens in welk tracé de voorkeur verdient. -**2.** Binnen een week na de mededeling, bedoeld in het eerste lid, legt Onze Minister het standpunt ter inzage. Artikel 3, vierde lid, van deze wet en artikel 3:11, derde en vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing. +**2.** In geval van toepassing van het eerste lid wordt binnen zes maanden na het uitbrengen van het standpunt een ontwerp-tracébesluit vastgesteld. + +## Hoofdstuk III. Tracébesluit ### Artikel 11 -**1.** Indien het standpunt van Onze Minister inhoudt dat hij de aanleg of wijziging van een hoofdweg, hoofdvaarweg of landelijke spoorweg als bedoeld in artikel 2, of de medewerking aan de aanleg of wijziging van een landelijke spoorweg als bedoeld in artikel 2 verder in overweging neemt, stelt hij overeenkomstig het standpunt, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, binnen zes maanden na het uitbrengen van het standpunt een ontwerp-tracébesluit vast. Hij deelt dit standpunt onder opgave van redenen schriftelijk mee aan de betrokken bestuursorganen en, indien de trajectnota betrekking heeft op het tracé van een landelijke railweg, aan de beheerder van de railweg. +**1.** Het ontwerp-tracébesluit wordt vastgesteld door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer dan wel door Onze Minister. -**2.** Bij het ontwerp-tracébesluit wordt ter voldoening aan artikel 1, eerste lid onder *h*, onder 1° gebruik gemaakt van een of meer detailkaarten met een schaal van ten minste 1:2500 en van een of meer overzichtskaarten met een schaal van ten minste 1:20 000. +**2.** -**3.** Het ontwerp-tracébesluit bevat de resultaten van het akoestisch onderzoek, bedoeld in artikel 87d onderscheidenlijk 106c van de Wet geluidhinder, alsmede, indien het voornemen bestaat hogere waarden vast te stellen voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting in zones ingevolge de artikelen 87e tot en met 87i of 106d tot en met 106h van de Wet geluidhinder, de bedoelde hogere waarden. +Het ontwerp-tracébesluit bevat ten minste: -**4.** Het ontwerp-tracébesluit geeft aan op welke wijze de inpassing van de aan te leggen of te wijzigen hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg zal geschieden, en waar dit in redelijkheid niet kan worden verlangd, welke compenserende maatregelen zullen worden getroffen. +a. de voorgenomen beslissing tot vaststelling van hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting in zones ingevolge de artikelen 87e tot en met 87i of 106d tot en met 106h van de Wet geluidhinder; +b. een beschrijving van de wijze waarop de inpassing van de aan te leggen of te wijzigen hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg zal geschieden, en waar dit in redelijkheid niet kan worden verlangd, welke compenserende maatregelen zullen worden getroffen. -**5.** Artikel 9, derde lid, is van overeenkomstige toepassing indien de vaststelling van een ontwerp-tracébesluit niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn kan geschieden. - -**6.** Onze Minister handelt bij de toepassing van het vijfde lid in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. +**3.** Bij het ontwerp-tracébesluit wordt ter voldoening aan artikel 1, eerste lid, onder h, onder 1°, gebruik gemaakt van een of meer detailkaarten met een schaal van ten minste 1:2500 en van een of meer overzichtskaarten met een schaal van ten minste 1:20 000. ### Artikel 12 -**1.** In geval van toepassing van artikel 11, eerste lid, zendt Onze Minister het ontwerp-tracébesluit onder opgave van redenen en met een toelichting op het tracé aan de betrokken bestuursorganen en, indien het ontwerp-tracébesluit betrekking heeft op het tracé van een landelijke spoorweg, aan de beheerder van de spoorweg. +**1.** Onze Minister zendt het ontwerp-tracébesluit aan de betrokken bestuursorganen en, indien het ontwerp-tracébesluit betrekking heeft op het tracé van een landelijke spoorweg, aan de beheerder van de spoorweg. **2.** @@ -198,13 +197,11 @@ c. de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, indien het betrekking he ### Artikel 13 -Provinciale staten, het algemeen bestuur van een regionaal openbaar lichaam en de raad van elk van de gemeenten, op het gebied waarvan het ontwerp-tracébesluit betrekking heeft, delen elk binnen twaalf weken na de datum van verzending door Onze Minister van het ontwerp-tracébesluit aan Onze Ministers schriftelijk hun oordeel over het ontwerp-tracébesluit mee. +Vervallen ### Artikel 14 -**1.** Indien Onze Minister in de naar voren gebrachte zienswijzen dan wel in het ingevolge artikel 13 door provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten gegeven oordeel aanleiding vindt zijn voorkeur voor het verloop en de geografische omvang van een aan te leggen of te wijzigen hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg te wijzigen, bepaalt hij in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer uiterlijk binnen twaalf weken na het verstrijken van de in artikel 13 bedoelde termijn zijn gewijzigde voorkeur en werkt hij deze eveneens binnen de in dit lid bedoelde termijn van twaalf weken uit tot een gewijzigd ontwerp-tracébesluit. De zienswijzen en mededelingen als bedoeld in de eerste volzin kunnen geen grond vinden in bedenkingen tegen de trajectnota. Artikel 9, derde lid, is van overeenkomstige toepassing indien het bepalen van de gewijzigde voorkeur dan wel het uitwerken daarvan tot een gewijzigd ontwerp-tracébesluit niet binnen de in de eerste volzin bedoelde termijn kan geschieden. - -**2.** Bij toepassing van het eerste lid van dit artikel vinden de artikelen 9, tweede lid, 11, tweede en vierde lid, 12 en 13 overeenkomstige toepassing. +Vervallen ### Artikel 14a @@ -212,7 +209,7 @@ Vervallen ### Artikel 15 -**1.** Onze Minister stelt, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, het tracé vast onder opgave van redenen en met een toelichting op dat tracé. De artikelen 9, tweede lid, en 11, tweede en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. Het tracébesluit dient uiterlijk binnen vijf maanden na vaststelling van het ontwerp-tracébesluit onderscheidenlijk, indien artikel 14 toepassing heeft gevonden, van het gewijzigde ontwerp-tracébesluit te worden genomen. Artikel 9, derde lid, is van overeenkomstige toepassing indien het nemen van het tracébesluit niet binnen de in de derde volzin bedoelde termijn kan geschieden. +**1.** Het tracébesluit wordt binnen vijf maanden na de terinzagelegging van het ontwerp-tracébesluit vastgesteld door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, dan wel door Onze Minister. De artikelen 9, tweede lid, en 11, tweede lid, onderdeel b, en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. **2.** Een beslissing tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting in zones ingevolge de artikelen artikelen 87e tot en met 87i en 106d tot en met 106h van de Wet geluidhinder met betrekking tot het gebied dat is begrepen in een tracébesluit, maakt deel uit van het tracébesluit. @@ -234,7 +231,7 @@ Vervallen ### Artikel 16 -**1.** Onze Minister zendt het tracébesluit onder opgave van redenen en met een toelichting op het tracé toe aan de Staten-Generaal en aan de besturen van de in artikel 12, derde lid, bedoelde provincies, regionale openbare lichamen, gemeenten en waterschappen alsmede, indien de trajectnota betrekking heeft op het tracé van een landelijke spoorweg, aan de beheerder van de spoorweg. +**1.** Onze Minister zendt het tracébesluit aan de betrokken bestuursorganen en, indien het tracébesluit betrekking heeft op het tracé van een landelijke spoorweg, aan de beheerder van de spoorweg. **2.** Bij de bekendmaking van het tracébesluit worden de motivering en de toelichting op het tracé vermeld. @@ -256,7 +253,7 @@ Vervallen ### Artikel 20 -**1.** Indien voor de aanleg of wijziging van een hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg als bedoeld in artikel 2 bij of krachtens de wet een vergunning van een orgaan van een provincie, van een regionaal openbaar lichaam, van een gemeente, van een waterschap of enig ander publiekrechtelijk lichaam, niet zijnde het Rijk, is vereist met betrekking tot de inrichting of het gebruik van grond, daaronder begrepen water, welke is benodigd voor die aanleg of wijziging, dient Onze Minister onderscheidenlijk de beheerder van de spoorweg de aanvraag voor die vergunning niet eerder in dan twee jaren voorafgaande aan het tijdstip waarop blijkens het meerjarig uitvoeringsprogramma, bedoeld in artikel 18, eerste lid, met die aanleg of wijziging zal worden begonnen. +**1.** Vervallen.. **2.** Onze Minister bevordert een gecoördineerde voorbereiding van de besluiten op de aanvragen om de vergunningen en van de overige ambtshalve te nemen besluiten met het oog op de uitvoering van een tracébesluit. @@ -315,6 +312,14 @@ De in artikel 18, eerste lid, van de onteigeningswet bedoelde dagvaarding kan ge **2.** In aanvulling op de artikelen 54n en 59 van de onteigeningswet is ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde inschrijving een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dan wel een verklaring van de Secretaris van de Raad van State nodig, waaruit blijkt dat het tracébesluit onherroepelijk is geworden. +### Artikel 20d + +**1.** Indien een belanghebbende ten gevolge van een tracébesluit schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en ten aanzien waarvan de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd, kent Onze Minister hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe. + +**2.** Artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening blijft buiten toepassing voor zover de belanghebbende met betrekking tot de schade een beroep doet of kan doen op een schadevergoeding als bedoeld in het eerste lid. + +**3.** Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent de indiening en afhandeling van een verzoek om schadevergoeding. + ## Hoofdstuk V. Bijzondere procedure voor grote projecten van nationaal belang ### Artikel 21 @@ -325,7 +330,7 @@ In afwijking van artikel 2, eerste lid, is uitsluitend dit hoofdstuk van toepass **1.** Indien een planologische kernbeslissing als bedoeld in artikel 39 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van kracht is bepalen Onze Ministers met inachtneming van die beslissing het tracé en werken dit uit tot een ontwerp-tracébesluit en vervolgens tot een tracébesluit. -**2.** De artikelen 9, tweede lid, 11, tweede en vierde lid, 12, eerste en tweede lid, en 13 zijn van overeenkomstige toepassing. +**2.** De artikelen 9, tweede lid, 11, tweede lid, onderdeel b, en derde lid, 12 en 15 zijn van overeenkomstige toepassing. **3.** Voor zover een ontwerp-tracébesluit zijn grondslag vindt in een concrete beleidsbeslissing in een planologische kernbeslissing als bedoeld in artikel 39 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kunnen bedenkingen daarop geen betrekking hebben. @@ -339,7 +344,7 @@ Vervallen ### Artikel 25 -De artikelen 14a tot en met 20c zijn van overeenkomstige toepassing. +De artikelen 15 tot en met 20d zijn van overeenkomstige toepassing. ## Hoofdstuk VA. Beroep @@ -385,6 +390,10 @@ Trajectnota's die na inwerkingtreding van deze wet worden vastgesteld maar gehee Indien vóór de inwerkingtreding van deze wet planologische kernbeslissingen van kracht zijn ten aanzien van de hogesnelheidslijn Rotterdam-Amsterdam-Belgische grens en de Betuwe-route Rotterdam-Zevenaar worden deze aangemerkt als beslissingen in de zin van artikel 39 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. +### Artikel 28a + +Onze Minister zendt de Staten-Generaal ieder half jaar een verslag over de voortgang van de projecten, waarvoor een beslissing is genomen als bedoeld in artikel 2, tweede lid. + ### Artikel 29 Onze Ministers zenden binnen drie jaar na het in werking treden van deze wet, en vervolgens telkens om de vijf jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over de wijze waarop zij is toegepast.