2009-03-01 | BWBR0009755 | Elektriciteitswet 1998
This commit is contained in:
parent
4845a0dd91
commit
190c160ad4
1 changed files with 67 additions and 4 deletions
|
|
@ -49,6 +49,7 @@ z. garantiebeheerinstantie: de op grond van artikel 73, tweede lid, aangewezen i
|
|||
aa. economische eigendom: het krachtens een rechtsverhouding gerechtigd zijn tot alle rechten en bevoegdheden ten aanzien van een goed, met uitzondering van het recht op levering, en het gehouden zijn om alle verplichtingen ten aanzien van dat goed voor zijn rekening te nemen en daarmee het volledige risico van waardeverandering of tenietgaan van het goed te dragen, zonder dat het goed geleverd is;
|
||||
ab. installatie voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling: installatie voor de opwekking van elektriciteit door middel van warmtekrachtkoppeling in de zin van artikel 3, onderdeel a, van richtlijn 2004/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 11 februari 2004 inzake de bevordering van warmtekrachtkoppeling op basis van de vraag naar nuttige warmte binnen de interne energiemarkt en tot wijziging van richtlijn 92/42/EEG (PbEG L 52), die voldoet aan bijlage III bij deze richtlijn;
|
||||
ac. garantie van oorsprong voor elektriciteit opgewekt in een installatie voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling: gegevens op een rekening die betrekking hebben op elektriciteit opgewekt door middel van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, waarmee wordt aangetoond dat een producent met zijn installatie een hoeveelheid elektriciteit door middel van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling heeft opgewekt en op een net heeft ingevoed;
|
||||
ad. productie-installatie: een installatie, bestaande uit één of meer productie-eenheden, voor de opwekking van elektriciteit;
|
||||
ad. leveringszekerheid: het vermogen van een net om elektriciteit te leveren aan afnemers;
|
||||
ae. operationele netwerkveiligheid: het vermogen van het landelijk hoogspanningsnet om in voorzienbare omstandigheden operationeel te blijven.
|
||||
|
||||
|
|
@ -200,7 +201,9 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 2A. Aanbesteding van productiecapaciteit
|
||||
## Hoofdstuk 2A. Productiecapaciteit
|
||||
|
||||
### Paragraaf 1. Aanbesteding van productiecapaciteit
|
||||
|
||||
### Artikel 9a
|
||||
|
||||
|
|
@ -208,6 +211,45 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**2.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de in artikel 7 van de richtlijn bedoelde procedure.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Coördinatie van de aanleg of uitbreiding van productie-installaties
|
||||
|
||||
### Artikel 9b
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De procedures, bedoeld in artikel 3.28 of artikel 3.29 en artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet ruimtelijke ordening, zijn van toepassing op de aanleg of de uitbreiding van:
|
||||
|
||||
a. een productie-installatie, met inbegrip van de aansluiting van die installatie op een net, met een capaciteit van ten minste 100 MW, indien het betreft een installatie voor de opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie;
|
||||
b. een productie-installatie, met inbegrip van de aansluiting van die installatie op een net, met een capaciteit van ten minste 50 MW, indien het betreft een installatie voor de opwekking van duurzame elektriciteit anders dan met behulp van windenergie;
|
||||
c. een productie-installatie, met inbegrip van de aansluiting van die installatie op een net, met een capaciteit van ten minste 500 MW, indien het betreft een installatie voor de opwekking van andere dan duurzame elektriciteit.
|
||||
|
||||
**2.** De producent meldt een voornemen tot aanleg of uitbreiding van een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, zo spoedig mogelijk schriftelijk aan Onze Minister. Bij ministeriële regeling kan voor het doen van de melding en de daarbij te verstrekken gegevens een formulier worden vastgesteld.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Indien, in aanmerking genomen de omvang, aard en ligging van een installatie als bedoeld in het eerste lid, alsmede het aantal voor de aanleg of uitbreiding van die installatie benodigde besluiten, redelijkerwijze niet valt te verwachten dat toepassing van de procedures, bedoeld in het eerste lid, de besluitvorming in betekenende mate zal versnellen of daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden, kan Onze Minister bepalen dat:
|
||||
|
||||
a. geen van de procedures, bedoeld in de artikelen 3.28 of 3.29 en 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel a,
|
||||
b. uitsluitend de procedure, bedoeld in de artikelen 3.28 of 3.29,
|
||||
c. uitsluitend de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onder a, of
|
||||
d. de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is op de aanleg of de uitbreiding van die installatie. Hij hoort de producent en de betrokken bestuursorganen over een voornemen toepassing te geven aan de bevoegdheid, bedoeld in de eerste volzin.
|
||||
|
||||
### Artikel 9c
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister is de aangewezen minister, bedoeld in artikel 3.35, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.
|
||||
|
||||
**2.** Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 3.28, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening treden, in afwijking van dat artikellid, Onze Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer gezamenlijk in de plaats van burgemeester en wethouders ten aanzien van de bevoegdheden en verplichtingen, bedoeld in dat artikellid.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister kan, in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, bepalen dat Onze Minister en Onze Minister wie het mede aangaat, met overeenkomstige toepassing van artikel 3.35, derde lid, vierde volzin, van de Wet ruimtelijke ordening, één of meer besluiten nemen die nodig zijn voor de aanleg of uitbreiding van een daarbij aangewezen productie-installatie als bedoeld in artikel 9b, eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 9d
|
||||
|
||||
**1.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de besluiten aangewezen die voor de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, in ieder geval besluiten als bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, onderdeel a, van de Wet ruimtelijke ordening zijn.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister kan ten behoeve van de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, tevens één of meer andere besluiten dan de bij of krachtens het eerste lid aangewezen besluiten aanwijzen als besluiten als bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, onderdeel a, van de Wet ruimtelijke ordening.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister kan, indien een bij of krachtens het eerste lid aangewezen besluit de toepassing van de procedure, bedoeld in artikel 9b, eerste lid, zou belemmeren of ernstig bemoeilijken, bepalen dat het desbetreffende besluit, in afwijking van de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur, niet als een besluit als bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, onderdeel a, van de Wet ruimtelijke ordening wordt aangemerkt.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 3. Transport van elektriciteit
|
||||
|
||||
### Paragraaf 1. Aanwijzing van netbeheerders
|
||||
|
|
@ -625,15 +667,36 @@ c. de klacht zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen acht weken wordt afgehand
|
|||
|
||||
### Artikel 20a
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** De procedures, bedoeld in artikel 3.28 of artikel 3.29 en artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet ruimtelijke ordening, zijn van toepassing op een uitbreiding van het landelijk hoogspanningsnet, voor zover het betreft de van dat net deel uitmakende netten bestemd voor het transport van elektriciteit op een spanningsniveau van 220 kV of hoger en die als zodanig worden bedreven, en de van dat net deel uitmakende landsgrensoverschrijdende netten op een spanningsniveau van 500 V of hoger.
|
||||
|
||||
**2.** De beheerder van het net, bedoeld in het eerste lid, meldt een voornemen tot een uitbreiding van een net waarop het eerste lid van toepassing is zo spoedig mogelijk schriftelijk aan Onze Minister. Bij ministeriële regeling kan voor het doen van de melding en de daarbij te verstrekken gegevens een formulier worden vastgesteld.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Indien, in aanmerking genomen de omvang, aard en ligging van een uitbreiding van het net, bedoeld in het eerste lid, alsmede het aantal voor de uitbreiding van dat net benodigde besluiten, redelijkerwijze niet valt te verwachten dat toepassing van de procedures, bedoeld in het eerste lid, de besluitvorming in betekenende mate zal versnellen of daaraan anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden, kan Onze Minister bepalen dat:
|
||||
|
||||
a. geen van de procedures, bedoeld in de artikelen 3.28 of 3.29 en 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel a,
|
||||
b. uitsluitend de procedure, bedoeld in de artikelen 3.28 of 3.29,
|
||||
c. uitsluitend de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onder a, of
|
||||
d. de procedure, bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onder b,
|
||||
|
||||
van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is op de uitbreiding van dat net. Hij hoort de beheerder van het net en de betrokken bestuursorganen over een voornemen toepassing te geven aan de bevoegdheid, bedoeld in de eerste volzin.
|
||||
|
||||
### Artikel 20b
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Onze Minister is de aangewezen minister, bedoeld in artikel 3.35, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.
|
||||
|
||||
**2.** Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 3.28, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening treden, in afwijking van dat artikellid, Onze Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer gezamenlijk in de plaats van burgemeester en wethouders ten aanzien van de bevoegdheden en verplichtingen, bedoeld in dat artikellid.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister kan, in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, bepalen dat Onze Minister en Onze Minister wie het mede aangaat, met overeenkomstige toepassing van artikel 3.35, derde lid, vierde volzin, van de Wet ruimtelijke ordening, één of meer besluiten nemen die nodig zijn voor een daarbij aangewezen uitbreiding van het net, bedoeld in artikel 20a, eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 20c
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de besluiten aangewezen die voor de uitbreiding van het net, bedoeld in artikel 20a, eerste lid, in ieder geval besluiten als bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, onderdeel a, van de Wet ruimtelijke ordening zijn.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister kan ten behoeve van een uitbreiding van het net, bedoeld in artikel 20a, eerste lid, tevens één of meer andere besluiten dan de bij of krachtens het eerste lid aangewezen besluiten aanwijzen als besluiten als bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, onderdeel a, van de Wet ruimtelijke ordening.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister kan, indien een bij of krachtens het eerste lid aangewezen besluit de toepassing van de procedure, bedoeld in artikel 20a, eerste lid, zou belemmeren of ernstig bemoeilijken, bepalen dat het desbetreffende besluit, in afwijking van de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur, niet als een besluit als bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, onderdeel a, van de Wet ruimtelijke ordening wordt aangemerkt.
|
||||
|
||||
### Artikel 21
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue