diff --git a/amvb/besluit-vergoedingen-kernenergiewet/BWBR0034271/README.md b/amvb/besluit-vergoedingen-kernenergiewet/BWBR0034271/README.md index f4f86b84633..67e1b8e2570 100644 --- a/amvb/besluit-vergoedingen-kernenergiewet/BWBR0034271/README.md +++ b/amvb/besluit-vergoedingen-kernenergiewet/BWBR0034271/README.md @@ -27,7 +27,7 @@ b. meerdere technische of organisatorische processen van een inrichting als bedo ### Artikel 2 -Het bedrag dat verschuldigd is voor de verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 15, onderdeel a, van de wet voor het vervoer van splijtstoffen, genoemd in bijlage I van de Regeling beveiliging nucleaire inrichtingen en splijtstoffen bedraagt € 3.680 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 4.680,–. +Het bedrag dat verschuldigd is voor de verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 15, onderdeel a, van de wet voor het vervoer van splijtstoffen, genoemd in bijlage I van de Regeling beveiliging nucleaire inrichtingen en splijtstoffen bedraagt € 3.680 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 4.760,–. ### Artikel 3 @@ -35,15 +35,15 @@ Het bedrag dat verschuldigd is voor de verlening van een vergunning als bedoeld Het bedrag dat verschuldigd is voor het in behandeling nemen van een aanvraag van een houder van een vergunning als bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de wet voor de verlening van een vergunning voor het voorhanden hebben of zich ontdoen van splijtstoffen als bedoeld in artikel 15, onderdeel a, van de wet, bedraagt: -a. € 6.624 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 8.424,– indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing zal worden gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de wet; -b. € 3.680 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 4.680,– indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing zal worden gegeven aan artikel 17, tweede lid, van de wet. +a. € 6.624 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 8.568,– indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing zal worden gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de wet; +b. € 3.680 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 4.760,– indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing zal worden gegeven aan artikel 17, tweede lid, van de wet. **2.** Het bedrag dat verschuldigd is voor de verlening van een vergunning aan een houder van een vergunning als bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de wet voor het voorhanden hebben of zich ontdoen van splijtstoffen als bedoeld in artikel 15, onderdeel a, van de wet bedraagt: -a. € 16.928 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 21.528,– indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing is gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de wet; -b. € 8.648 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 10.998,– indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing is gegeven aan artikel 17, tweede lid, van de wet. +a. € 16.928 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 21.896,– indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing is gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de wet; +b. € 8.648 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 11.186,– indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing is gegeven aan artikel 17, tweede lid, van de wet. ### Artikel 4 @@ -51,17 +51,17 @@ b. € 8.648 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 10.998,– indien bij Het bedrag dat verschuldigd is voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een vergunning voor de oprichting van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de wet bedraagt: -a. € 755.280 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 954.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken; -b. € 377.640 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 477.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken; -c. € 251.760 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 318.000,– indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a en b genoemd. +a. € 755.280 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 972.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken; +b. € 377.640 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 486.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken; +c. € 251.760 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 324.000,– indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a en b genoemd. **2.** Het bedrag dat verschuldigd is voor de verlening van een vergunning voor de oprichting van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de wet bedraagt: -a. € 3.776.400 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 4.770.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken; -b. € 1.888.200 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 2.385.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken; -c. € 1.007.040 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 1.272.000,– indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a en b genoemd. +a. € 3.776.400 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 4.860.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken; +b. € 1.888.200 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 2.430.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken; +c. € 1.007.040 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 1.296.000,– indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a en b genoemd. ### Artikel 5 @@ -69,17 +69,17 @@ c. € 1.007.040 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 1.272.000,– ind Het bedrag dat verschuldigd is voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een vergunning voor het in werking brengen of het in werking houden van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de wet bedraagt: -a. € 251.760 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 318.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken; -b. € 251.760 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 318.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken; -c. € 125.880 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 159.000,– indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a en b genoemd. +a. € 251.760 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 324.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken; +b. € 251.760 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 324.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken; +c. € 125.880 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 162.000,– indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a en b genoemd. **2.** Het bedrag dat verschuldigd is voor de verlening van een vergunning voor het in werking brengen of het in werking houden van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de wet bedraagt: -a. € 1.258.800 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 1.590.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken; -b. € 755.280 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 954.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken; -c. € 377.640 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 477.000,– indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a en b genoemd. +a. € 1.258.800 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 1.620.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken; +b. € 755.280 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 972.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken; +c. € 377.640 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 486.000,– indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a en b genoemd. ### Artikel 6 @@ -87,17 +87,17 @@ c. € 377.640 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 477.000,– indien Het bedrag dat verschuldigd is voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een vergunning voor het buiten gebruik stellen of het ontmantelen van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de wet bedraagt: -a. € 125.880 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 159.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan of kon worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken; -b. € 62.940 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 79.500,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken; -c. € 31.470 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 39.750,– indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a en b genoemd. +a. € 125.880 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 162.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan of kon worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken; +b. € 62.940 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 81.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken; +c. € 31.470 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 40.500,– indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a en b genoemd. **2.** Het bedrag dat verschuldigd is voor de verlening van een vergunning voor het buiten gebruik stellen of ontmantelen van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de wet bedraagt: -a. € 62.940 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 79.500,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan of kon worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken; -b. € 31.470 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 39.750,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken; -c. € 31.470 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 39.750,– indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a en b genoemd. +a. € 62.940 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 81.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan of kon worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken; +b. € 31.470 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 40.500,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken; +c. € 31.470 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 40.500,– indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a en b genoemd. ### Artikel 7 @@ -105,17 +105,17 @@ c. € 31.470 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 39.750,– indien he Het bedrag dat verschuldigd is voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een wijziging van een vergunning als bedoeld in de artikelen 4, eerste lid, 5, eerste lid, en 6, eerste lid, bedraagt: -a. € 13.984 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 17.784,– indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing zal worden gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de wet en het niet een gecompliceerd besluit betreft; -b. € 6.624 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 8.424,– indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing zal worden gegeven aan artikel 17, vierde lid, van de wet en het niet een gecompliceerd besluit betreft; -c. € 53.728 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 68.328,– indien het een gecompliceerd besluit betreft. +a. € 13.984 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 18.088,– indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing zal worden gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de wet en het niet een gecompliceerd besluit betreft; +b. € 6.624 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 8.568,– indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing zal worden gegeven aan artikel 17, vierde lid, van de wet en het niet een gecompliceerd besluit betreft; +c. € 53.728 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 69.496,– indien het een gecompliceerd besluit betreft. **2.** Het bedrag dat verschuldigd is voor de verlening van een wijziging van een vergunning als bedoeld in de artikelen 4, eerste lid, 5, eerste lid, en 6, eerste lid, bedraagt: -a. € 27.232 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 34.632,– indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing is gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de wet en het niet een gecompliceerd besluit betreft; -b. € 14.352 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 18.252,– indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing is gegeven aan artikel 17, vierde lid, van de wet en het niet een gecompliceerd besluit betreft; -c. € 90.528 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 115.128,– indien het een gecompliceerd besluit betreft. +a. € 27.232 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 35.224,– indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing is gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de wet en het niet een gecompliceerd besluit betreft; +b. € 14.352 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 18.564,– indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing is gegeven aan artikel 17, vierde lid, van de wet en het niet een gecompliceerd besluit betreft; +c. € 90.528 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 117.096,– indien het een gecompliceerd besluit betreft. ### Artikel 8 @@ -123,24 +123,24 @@ c. € 90.528 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 115.128,– indien h Het bedrag dat jaarlijks verschuldigd is voor de periode vanaf het moment waarop een inrichting als bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de wet in bedrijf is gegaan tot het moment waarop de vergunningen op grond van artikel 15, onderdeel b, zijn ingetrokken bedraagt: -a. € 668.932 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 842.700,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken; -b. € 36.708 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 47.700,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kon worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken; -c. € 236.348 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 302.100,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken; -d. € 178.204 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 222.600,– indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a, b en c genoemd. +a. € 668.932 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 858.600,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken; +b. € 36.708 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 48.600,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kon worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken; +c. € 236.348 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 307.800,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken; +d. € 178.204 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 226.800,– indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a, b en c genoemd. **2.** Het bedrag dat verschuldigd is voor de beoordeling van het document waarin de houder van een vergunning op grond van artikel 15, onder b, van de wet ten minste eens in de tien jaar aan de Autoriteit verslag doet inzake de nucleaire veiligheid van de onder zijn beheer zijnde kerninstallatie bedraagt: -a. € 600.944 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 763.200,– indien het een beoordeling betreft van een verslag ten behoeve van een inrichting waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken; -b. € 320.344 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 397.500,– indien het een beoordeling betreft van een verslag ten behoeve van een inrichting met een capaciteit van ten minste 10 megawatt waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken; -c. € 185.472 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 238.500,– indien het een beoordeling betreft van een verslag betreft ten behoeve van een andere inrichting dan in onderdelen a en b genoemd. +a. € 600.944 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 777.600,– indien het een beoordeling betreft van een verslag ten behoeve van een inrichting waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken; +b. € 320.344 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 405.000,– indien het een beoordeling betreft van een verslag ten behoeve van een inrichting met een capaciteit van ten minste 10 megawatt waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken; +c. € 185.472 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 243.000,– indien het een beoordeling betreft van een verslag betreft ten behoeve van een andere inrichting dan in onderdelen a en b genoemd. ### Artikel 9 -**1.** De bedragen bedoeld in de artikelen 3, tweede lid, 4, tweede lid, 5, tweede lid, 6, tweede lid, en 7, tweede lid, worden met € 13.248 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 16.848,– verhoogd indien een milieueffectrapport als bedoeld in de Omgevingswet moet worden gemaakt. +**1.** De bedragen bedoeld in de artikelen 3, tweede lid, 4, tweede lid, 5, tweede lid, 6, tweede lid, en 7, tweede lid, worden met € 13.248 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 17.136,– verhoogd indien een milieueffectrapport als bedoeld in de Omgevingswet moet worden gemaakt. -**2.** De bedragen bedoeld in de artikelen 3, tweede lid, 4, tweede lid, 5, tweede lid, 6, tweede lid, en 7, tweede lid, worden met € 14.784 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 19.043,– verhoogd indien daarbij de Commissie voor de milieueffectrapportage, bedoeld in de Omgevingswet, een advies moet geven. +**2.** De bedragen bedoeld in de artikelen 3, tweede lid, 4, tweede lid, 5, tweede lid, 6, tweede lid, en 7, tweede lid, worden met € 14.784 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 19.636,– verhoogd indien daarbij de Commissie voor de milieueffectrapportage, bedoeld in de Omgevingswet, een advies moet geven. **3.** Indien een extern advies wordt gevraagd worden de bedragen, bedoeld in de artikelen 4, 5, 6, 7, eerste lid, onderdeel c, tweede lid, onderdeel c, en 8, tweede lid, met de kosten van het externe advies verhoogd. @@ -148,21 +148,21 @@ c. € 185.472 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 238.500,– indien De bedragen, bedoeld in de artikelen 3, tweede lid, 4, tweede lid, 5, tweede lid, 6, tweede lid, en 7, tweede lid, worden verhoogd met: -a. € 250 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 319,– indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing is gegeven aan artikel 17, tweede of vierde lid, van de wet; -b. € 20.000 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 25.761,– indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing is gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de wet; -c. € 10.000 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 12.880,– indien van het ontwerp van het te nemen en van het genomen besluit op basis van een wettelijk voorschrift kennis is gegeven in het buitenland; -d. € 10.000 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 12.880,– indien op basis van een wettelijk voorschrift een milieueffectrapport als bedoeld in de Omgevingswet is gemaakt en een kennisgeving hiervan in Nederland is geplaatst; -e. € 5.000 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 6.439,– indien op basis van een wettelijk voorschrift een milieueffectrapport als bedoeld in de Omgevingswet is gemaakt en een kennisgeving hiervan in het buitenland is geplaatst. +a. € 250 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 328,– indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing is gegeven aan artikel 17, tweede of vierde lid, van de wet; +b. € 20.000 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 26.563,– indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing is gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de wet; +c. € 10.000 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 13.281,– indien van het ontwerp van het te nemen en van het genomen besluit op basis van een wettelijk voorschrift kennis is gegeven in het buitenland; +d. € 10.000 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 13.281,– indien op basis van een wettelijk voorschrift een milieueffectrapport als bedoeld in de Omgevingswet is gemaakt en een kennisgeving hiervan in Nederland is geplaatst; +e. € 5.000 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 6.639,– indien op basis van een wettelijk voorschrift een milieueffectrapport als bedoeld in de Omgevingswet is gemaakt en een kennisgeving hiervan in het buitenland is geplaatst. ### Artikel 10 -**1.** Het bedrag dat verschuldigd is voor een inschrijving of de verlenging van een inschrijving in het register voor stralingsartsen als bedoeld in artikel 7.22, eerste lid, van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming bedraagt € 500 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 631,–. +**1.** Het bedrag dat verschuldigd is voor een inschrijving of de verlenging van een inschrijving in het register voor stralingsartsen als bedoeld in artikel 7.22, eerste lid, van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming bedraagt € 500 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 650,–. -**2.** Het bedrag dat verschuldigd is voor een inschrijving of de verlenging van een inschrijving in het register als bedoeld in artikel 5.5, eerste lid, van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming bedraagt € 500 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 631,–. +**2.** Het bedrag dat verschuldigd is voor een inschrijving of de verlenging van een inschrijving in het register als bedoeld in artikel 5.5, eerste lid, van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming bedraagt € 500 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 650,–. -**3.** Het bedrag dat verschuldigd is voor de verlening van een erkenning van een instelling voor een opleiding op het gebied van stralingsbescherming als bedoeld in artikel 5.11, eerste lid, van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming bedraagt € 1.500 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 1.931,–. +**3.** Het bedrag dat verschuldigd is voor de verlening van een erkenning van een instelling voor een opleiding op het gebied van stralingsbescherming als bedoeld in artikel 5.11, eerste lid, van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming bedraagt € 1.500 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 1.991,–. -**4.** Het bedrag dat verschuldigd is voor de verlening van een erkenning als bedoeld in artikel 7.15, tweede lid, van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming bedraagt € 5.000 van 1 januari 2025 tot 1 januari 2026: € 6.439,–. +**4.** Het bedrag dat verschuldigd is voor de verlening van een erkenning als bedoeld in artikel 7.15, tweede lid, van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming bedraagt € 5.000 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 6.639,–. ### Artikel 11