2010-07-01 | BWBR0004163 | Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
This commit is contained in:
parent
27d5b7d7db
commit
198bc6e2aa
1 changed files with 19 additions and 27 deletions
|
|
@ -131,8 +131,8 @@ c. de alleenstaande gewezen zelfstandige zonder kinderen.
|
|||
De in het eerste lid bedoelde voorwaarden zijn voor de gewezen zelfstandige, bedoeld in artikel 2:
|
||||
|
||||
1°. de gewezen zelfstandige heeft gedurende drie jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag, onafgebroken rechtmatig een bedrijf of beroep in Nederland uitgeoefend en gedurende de zeven jaar daarvoor eveneens rechtmatig een bedrijf of beroep in Nederland uitgeoefend dan wel arbeid in dienstbetrekking verricht;
|
||||
2°. het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven van de gewezen zelfstandige bedroeg de laatste drie boekjaren gemiddeld minder dan ƒ 36 800 per 1 januari 2010: € 19.792,00 per jaar;
|
||||
3°. het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven van de gewezen zelfstandige zou bij voortzetting van het bedrijf of beroep naar verwachting duurzaam minder dan ƒ 36 800 per 1 januari 2010: € 20.806,00 per jaar bedragen; en
|
||||
2°. het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven van de gewezen zelfstandige bedroeg de laatste drie boekjaren gemiddeld minder dan ƒ 36 800 per 1 januari 2010: € 19.792,00 per jaar;
|
||||
3°. het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven van de gewezen zelfstandige zou bij voortzetting van het bedrijf of beroep naar verwachting duurzaam minder dan ƒ 36 800 per 1 juli 2010: € 20.937,00 per jaar bedragen; en
|
||||
4°. de aanvraag is ingediend voor het beëindigen van het bedrijf of beroep en de beëindiging heeft plaatsgevonden binnen een periode van anderhalf jaar, volgend op het tijdstip van aanvraag.
|
||||
|
||||
**3.** Het recht op uitkering komt de gewezen zelfstandige en de echtgenoot gezamenlijk toe. De uitkering wordt aan de gewezen zelfstandige en de echtgenoot ieder voor de helft uitbetaald, dan wel op hun gezamenlijk verzoek aan een van hen voor het geheel.
|
||||
|
|
@ -141,9 +141,9 @@ De in het eerste lid bedoelde voorwaarden zijn voor de gewezen zelfstandige, bed
|
|||
|
||||
De grondslag bedoeld in het eerste lid, wordt door Onze Minister zodanig vastgesteld dat voor:
|
||||
|
||||
a. de gewezen zelfstandige en de echtgenoot de helft van de grondslag netto gelijk is aan € 649,52;
|
||||
b. de alleenstaande gewezen zelfstandige met een of meer kinderen de grondslag netto gelijk is aan € 1.169,14;
|
||||
c. voor de alleenstaande gewezen zelfstandige zonder kinderen netto gelijk is aan € 909,33.
|
||||
a. de gewezen zelfstandige en de echtgenoot de helft van de grondslag netto gelijk is aan € 652,19;
|
||||
b. de alleenstaande gewezen zelfstandige met een of meer kinderen de grondslag netto gelijk is aan € 1.173,93;
|
||||
c. voor de alleenstaande gewezen zelfstandige zonder kinderen netto gelijk is aan € 913,06.
|
||||
|
||||
**5.** Onze Minister herziet de bedragen, genoemd in het tweede lid, 2° en 3°, met ingang van een door hem te bepalen dag zodanig, dat deze netto gelijk zijn aan het netto minimumloon.
|
||||
|
||||
|
|
@ -191,7 +191,7 @@ Als inkomen wordt aangemerkt:
|
|||
a. voor de gewezen zelfstandige en de echtgenoot: de som van het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven van hemzelf en zijn echtgenoot;
|
||||
b. voor de alleenstaande gewezen zelfstandige: zijn inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven.
|
||||
|
||||
**2.** Als inkomen wordt voorts aangemerkt het inkomen uit het vermogen waarover de gewezen zelfstandige en zijn echtgenoot na de beëindiging van het bedrijf of beroep beschikken, met dien verstande dat daarbij een vermogen van ƒ 202 000 per 1 januari 2010: € 120.408,00 buiten beschouwing blijft. Het inkomen uit vermogen wordt bepaald op 5% Bij Stcrt. 1996/247 is dit percentage m.i.v. 1 januari 1997 vastgesteld op 4%. per jaar van het vermogen.
|
||||
**2.** Als inkomen wordt voorts aangemerkt het inkomen uit het vermogen waarover de gewezen zelfstandige en zijn echtgenoot na de beëindiging van het bedrijf of beroep beschikken, met dien verstande dat daarbij een vermogen van ƒ 202 000 per 1 januari 2010: € 120.408,00 buiten beschouwing blijft. Het inkomen uit vermogen wordt bepaald op 5% Bij Stcrt. 1996/247 is dit percentage m.i.v. 1 januari 1997 vastgesteld op 4%. per jaar van het vermogen.
|
||||
|
||||
**3.** Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere en zonodig afwijkende regels gesteld met betrekking tot het inkomen, bedoeld in het eerste lid en in artikel 5, tweede lid. Daarbij kunnen tevens nadere regels worden gesteld met betrekking tot de vaststelling van het inkomen, bedoeld in het eerste lid en in artikel 5, tweede lid, alsmede de periode waarop de vaststelling betrekking heeft.
|
||||
|
||||
|
|
@ -350,26 +350,18 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 20
|
||||
|
||||
**1.** Het college weigert de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van een verplichting als bedoeld in artikel 13, tweede lid, of een op grond van hoofdstuk III aan de uitkering verbonden verplichting, anders dan de verplichting, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel c, dan wel ter zake van het niet binnen de door het college, onderscheidenlijk de Centrale organisatie werk en inkomen, daarvoor vastgestelde termijn nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, of de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, dan wel indien de belanghebbende zich in de periode voorafgaand aan de aanvraag om een uitkering of nadien onvoldoende heeft ingezet voor de voorziening in het bestaan.
|
||||
**1.** Het college verlaagt de uitkering overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 35, eerste lid, onderdeel b, ter zake van het niet of onvoldoende nakomen door de belanghebbende van een verplichting als bedoeld in artikel 13, of een op grond van hoofdstuk III aan de uitkering verbonden verplichting, anders dan de verplichting, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel c, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, in de periode voorafgaand aan de aanvraag om een uitkering of ter zake van het nadien onvoldoende inzetten voor de voorziening in het bestaan.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Het college weigert de uitkering blijvend naar de mate waarin de belanghebbende die arbeid in dienstbetrekking heeft aanvaard uit of in verband met deze arbeid inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 zou hebben kunnen verwerven indien:
|
||||
Het college kan de uitkering blijvend of tijdelijk weigeren tot de mate waarin de belanghebbende die arbeid in dienstbetrekking heeft aanvaard uit of in verband met deze arbeid inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 zou hebben kunnen verwerven, indien:
|
||||
|
||||
a. aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt, of
|
||||
b. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. In afwijking van de eerste zin, weigert het college de uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk door het bedrag van de uitkering te verlagen met 50% van het inkomen, bedoeld in de eerste zin, indien het eindigen van de dienstbetrekking belanghebbende niet in overwegende mate kan worden verweten.
|
||||
a. aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt;
|
||||
b. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.
|
||||
|
||||
**3.** Het college weigert de uitkering blijvend naar de mate waarin de belanghebbende met het verrichten van deze arbeid inkomen zou hebben kunnen verwerven als bedoeld bij of krachtens artikel 8 indien de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.
|
||||
**3.** Van een verlaging als bedoeld in het eerste lid wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
|
||||
|
||||
**4.** Een maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
|
||||
|
||||
**5.** Het niet voeren van verweer door de belanghebbende tegen of het instemmen van de belanghebbende met een beëindiging van de dienstbetrekking door of op het verzoek van de werkgever leidt niet tot het opleggen van een maatregel op grond van het tweede lid.
|
||||
|
||||
**6.** Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het derde lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet tijdig nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, of de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, indien het niet tijdig nakomen van de verplichting, niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.
|
||||
|
||||
**7.** Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
|
||||
|
||||
**8.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste en het vierde lid nadere regels worden gesteld.
|
||||
**4.** Het niet voeren van verweer door de belanghebbende tegen of het instemmen van de belanghebbende met een beëindiging van de dienstbetrekking door of op het verzoek van de werkgever leidt niet tot het opleggen van een maatregel op grond van het tweede lid.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3a. Bestuurlijke boeten
|
||||
|
||||
|
|
@ -559,8 +551,8 @@ b. het verlenen van een uitkering aan de werkloze werknemer, bedoeld in artikel
|
|||
De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot:
|
||||
|
||||
a. het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 34, eerste lid, onderdeel a;
|
||||
b. dit onderdeel is nog niet in werking getreden;
|
||||
c. dit onderdeel is nog niet in werking getreden.
|
||||
b. de weigering en verlaging, bedoeld in artikel 20;
|
||||
c. de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een uitkering alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet in het kader van het financiële beheer.
|
||||
|
||||
**2.** De regels, bedoeld in het eerste lid, hebben in ieder geval betrekking op de taken vermeld in artikel 34, eerste lid, onderdeel a.
|
||||
|
||||
|
|
@ -677,7 +669,7 @@ Gereserveerd.
|
|||
|
||||
### Artikel 40
|
||||
|
||||
Indien bij een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen de uitvoering van deze wet volledig is overgedragen aan het bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 van die wet, treedt dat bestuur voor de toepassing van deze wet, met uitzondering van paragraaf 4 van dit hoofdstuk en paragraaf 5 van hoofdstuk V, in de plaats van de betrokken burgemeesters en wethouders.
|
||||
Indien bij een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen de uitvoering van deze wet volledig is overgedragen aan het bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 van die wet, treedt dat bestuur voor de toepassing van deze wet, met uitzondering van paragraaf 4 van dit hoofdstuk en paragraaf 5 van hoofdstuk V, in de plaats van de betrokken burgemeesters en wethouders.
|
||||
|
||||
### Artikel 41
|
||||
|
||||
|
|
@ -729,11 +721,11 @@ o. Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie betreffende de toepassing van
|
|||
|
||||
De in het eerste en het derde lid bedoelde verplichtingen strekken zich mede uit tot degene:
|
||||
|
||||
a. van wie kosten van uitkeringen worden of kunnen worden teruggevorderd ingevolge hoofdstuk II, paragraaf 5;
|
||||
a. van wie kosten van uitkeringen worden of kunnen worden teruggevorderd ingevolge hoofdstuk II, paragraaf 5;
|
||||
b. die hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, of ten aanzien van wie dat redelijkerwijs kan worden vermoed, als degene:
|
||||
|
||||
1°. te wiens behoeve een uitkering ingevolge deze wet is gevraagd of wordt verleend;
|
||||
2°. van wie kosten van uitkering worden of kunnen worden teruggevorderd ingevolge hoofdstuk II, paragraaf 5.
|
||||
2°. van wie kosten van uitkering worden of kunnen worden teruggevorderd ingevolge hoofdstuk II, paragraaf 5.
|
||||
|
||||
**5.** De in het eerste en het derde lid bedoelde opgaven en inlichtingen worden desgevraagd schriftelijk, of in een andere vorm die redelijkerwijs kan worden verlangd, en zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen vier weken na ontvangst van het verzoek hiertoe, verstrekt.
|
||||
|
||||
|
|
@ -925,7 +917,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 61
|
||||
|
||||
Paragraaf 3 van Hoofdstuk V blijft van toepassing op de vaststelling van de vergoeding, uitkering en kosten, bedoeld in artikel 59c en artikel 59e, zoals deze artikelen luidden voor inwerkingtreding van de Wet van 17 december 2009 tot bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten (Stb. 592), voor kosten die betrekking hebben op kalenderjaren gelegen voor die van inwerkingtreding van die wet.
|
||||
Paragraaf 3 van Hoofdstuk V blijft van toepassing op de vaststelling van de vergoeding, uitkering en kosten, bedoeld in artikel 59c en artikel 59e, zoals deze artikelen luidden voor inwerkingtreding van de Wet van 17 december 2009 tot bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten (Stb. 592), voor kosten die betrekking hebben op kalenderjaren gelegen voor die van inwerkingtreding van die wet.
|
||||
|
||||
### Artikel 62
|
||||
|
||||
|
|
@ -943,7 +935,7 @@ Het recht tot strafvordering vervalt indien het college aan de belanghebbende te
|
|||
|
||||
**3.** Artikel 7 is niet van toepassing op de persoon die als gevolg van de inwerkingtreding van artikel 1.18, onderdeel A, van de Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen geen gewezen zelfstandige is en de echtgenoot van die persoon.
|
||||
|
||||
**4.** Op de persoon die op grond van het eerste of tweede lid als gewezen zelfstandige wordt aangemerkt en zijn echtgenoot blijven de artikelen 2, 5, derde lid, 5a, 6, en 8, derde lid, en de daarop berustende bepalingen zoals deze luidden op 28 december 2005 van toepassing.
|
||||
**4.** Op de persoon die op grond van het eerste of tweede lid als gewezen zelfstandige wordt aangemerkt en zijn echtgenoot blijven de artikelen 2, 5, derde lid, 5a, 6, en 8, derde lid, en de daarop berustende bepalingen zoals deze luidden op 28 december 2005 van toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 63a
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue