2002-09-01 | BWBR0007625 | Wet educatie en beroepsonderwijs
This commit is contained in:
parent
3720145e04
commit
1993f4391f
1 changed files with 38 additions and 55 deletions
|
|
@ -36,7 +36,7 @@ o. externe legitimering: de externe legitimering, bedoeld in artikel 7.4.4;
|
|||
p. deelkwalificatie: een deelkwalificatie als bedoeld in artikel 7.2.3;
|
||||
q. volwassene: een in Nederland woonachtige van 18 jaren of ouder , alsmede degene die nieuwkomer is ingevolge artikel 1, derde en vierde lid, van de Wet inburgering nieuwkomers;
|
||||
r. studiejaar: het tijdvak dat aanvangt op 1 augustus en eindigt op 31 juli van het daarop volgend jaar;
|
||||
s. inspectie: de inspectie, bedoeld in artikel 5.1;
|
||||
s. inspectie: de inspectie, bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht;
|
||||
t. eindtermen: de eindtermen, bedoeld in artikel 7.1.3;
|
||||
u. Centraal register: het Centraal register beroepsopleidingen, bedoeld in artikel 6.4.1, eerste lid;
|
||||
v. commissie onderwijs-bedrijfsleven: de commissie, bedoeld in artikel 9.2.1, derde lid;
|
||||
|
|
@ -133,7 +133,7 @@ d. de afstemming op de ontwikkelingen in de samenleving op nationaal en internat
|
|||
|
||||
### Artikel 1.3.6
|
||||
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag richt een stelsel van kwaliteitszorg voor de instelling dan wel voor het agrarisch innovatie- en praktijkcentrum in en draagt er in dat verband zorg voor dat, zo veel mogelijk in samenwerking met andere instellingen, wordt voorzien in een regelmatige beoordeling van de kwaliteit van het onderwijs. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de in de eerste volzin bedoelde beoordeling geschiedt met betrokkenheid van onafhankelijke deskundigen.
|
||||
**1.** Het bevoegd gezag richt een stelsel van kwaliteitszorg voor de instelling dan wel voor het agrarisch innovatie- en praktijkcentrum in en draagt er in dat verband zorg voor dat, zo veel mogelijk in samenwerking met andere instellingen, wordt voorzien in een regelmatige beoordeling van de kwaliteit van het onderwijs. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de in de eerste volzin bedoelde beoordeling geschiedt met betrokkenheid van onafhankelijke deskundigen. De uitkomsten van de beoordeling zijn openbaar.
|
||||
|
||||
**2.** Het bevoegd gezag maakt om het andere jaar een verslag omtrent de kwaliteitszorg openbaar en zendt dit voor 1 mei van dat jaar aan de inspectie. Het verslag wordt ingericht volgens bij ministeriële regeling te geven voorschriften en omvat een uiteenzetting over de gebruikte methodes van kwaliteitsbeoordeling, de inrichting van de in het eerste lid bedoelde kwaliteitsbeoordeling met betrokkenheid van onafhankelijke deskundigen, de resultaten van de in het eerste lid bedoelde regelmatige beoordeling, het voorgenomen beleid van de instelling in het licht van die resultaten en de voornemens ten aanzien van de kwaliteitsbeoordeling.
|
||||
|
||||
|
|
@ -149,7 +149,7 @@ d. de afstemming op de ontwikkelingen in de samenleving op nationaal en internat
|
|||
|
||||
### Artikel 1.3.8
|
||||
|
||||
**1.** Indien het bevoegd gezag op enigerlei wijze bekend is geworden dat een ten behoeve van zijn instelling met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht jegens een minderjarige deelnemer van de instelling, treedt het bevoegd gezag onverwijld in overleg met de vertrouwensinspecteur, bedoeld in artikel 5.2a.
|
||||
**1.** Indien het bevoegd gezag op enigerlei wijze bekend is geworden dat een ten behoeve van zijn instelling met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht jegens een minderjarige deelnemer van de instelling, treedt het bevoegd gezag onverwijld in overleg met de vertrouwensinspecteur, bedoeld in artikel 6 van de Wet op het onderwijstoezicht.
|
||||
|
||||
**2.** Indien uit het overleg, bedoeld in het eerste lid, moet worden geconcludeerd dat er sprake is van een redelijk vermoeden dat de desbetreffende persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een minderjarige deelnemer van de instelling, doet het bevoegd gezag onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 127 juncto artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, en stelt het bevoegd gezag de vertrouwensinspecteur daarvan onverwijld in kennis. Voordat het bevoegd gezag overgaat tot het doen van aangifte, stelt het de ouders van de betrokken deelnemer, onderscheidenlijk de betreffende ten behoeve van de instelling met taken belaste persoon, hiervan op de hoogte.
|
||||
|
||||
|
|
@ -942,56 +942,19 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 5.1
|
||||
|
||||
**1.** Het toezicht op het onderwijs, is, behoudens het tweede lid, opgedragen aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en wordt onder zijn gezag uitgeoefend door de inspectie van het onderwijs, onder leiding van de inspecteur-generaal van het onderwijs.
|
||||
|
||||
**2.** Het toezicht op het onderwijs op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving is opgedragen aan Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en wordt onder zijn gezag uitgeoefend door de inspectie van het landbouwonderwijs.
|
||||
|
||||
**3.** Bij de uitoefening van het toezicht op opleidingen, gericht op een beroep waarvoor bij of krachtens de wet vereisten zijn gesteld op het gebied van kennis, inzicht, vaardigheden en in voorkomende gevallen beroepshoudingen, waarover degene die de opleiding voltooit, met het oog op het beroepsmatig functioneren dient te beschikken, pleegt de inspectie overleg met door Onze minister wie het aangaat, aangewezen ambtenaren.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5.2
|
||||
|
||||
**1.** Bij de uitoefening van het toezicht richt de inspectie zich op de kwaliteit van de werkzaamheden van de instellingen, op de werkzaamheden van de exameninstellingen en op die van de agrarische innovatie- en praktijkcentra. Het toezicht omvat in elk geval het toezicht op de uitvoering door het bevoegd gezag van de kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 1.3.6, eerste lid, en bedoeld in artikel 1.6.1, tweede lid.
|
||||
|
||||
**2.** In het kader van de uitoefening van het toezicht blijft de inspectie voorts bekend met de toestand van de educatie en het beroepsonderwijs en ziet zij toe op de naleving van de op educatie en beroepsonderwijs betrekking hebbende voorschriften. De inspectie draagt door overleg met het bevoegd gezag en personeel van de instellingen, van de exameninstellingen en van de agrarische innovatie- en praktijkcentra bij aan de ontwikkeling van de educatie en het beroepsonderwijs.
|
||||
|
||||
**3.** De inspectie rapporteert desgevraagd of uit eigen beweging over haar bevindingen aan Onze Minister en doet daarbij de voorstellen die zij in het belang van de educatie en het beroepsonderwijs nodig acht.
|
||||
|
||||
**4.** Bij de uitoefening van de taken van de inspectie zijn de artikelen 5:12 tot en met 5:17 en artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5.2a
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Bij de inspectie zijn vertrouwensinspecteurs werkzaam ten behoeve van:
|
||||
|
||||
a. deelnemers die het slachtoffer zijn van seksueel misbruik of seksuele intimidatie, gepleegd door een ten behoeve van de instelling met taken belast persoon of een deelnemer van de instelling;
|
||||
b. ten behoeve van een instelling met taken belaste personen die het slachtoffer zijn van seksueel misbruik of seksuele intimidatie, gepleegd door een ten behoeve van de instelling met taken belast persoon of een deelnemer van de instelling;
|
||||
c. deelnemers, ten behoeve van een instelling met taken belaste personen, bevoegde gezagsorganen, ouders, op instellingen ingestelde klachtencommissies en op instellingen aangestelde vertrouwenspersonen, die geconfronteerd worden met een geval van seksueel misbruik of seksuele intimidatie als bedoeld onder a of b.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Naast zijn taken, voortvloeiend uit de artikelen 5.1 en 5.2, heeft de vertrouwensinspecteur ten behoeve van de in het eerste lid genoemde personen en organen de volgende taken:
|
||||
|
||||
a. het fungeren als aanspreekpunt,
|
||||
b. het adviseren over eventueel te nemen stappen,
|
||||
c. het bijstaan bij het nemen van stappen gericht op het zoeken naar een oplossing, en
|
||||
d. het desgevraagd begeleiden bij het indienen van een klacht of het doen van aangifte.
|
||||
|
||||
**3.** Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder instelling mede verstaan: een agrarisch innovatie- en praktijkcentrum en een instelling als bedoeld in artikel 1.4.1.
|
||||
|
||||
**4.** De vertrouwensinspecteur is, voor zover het betreft misdrijven als bedoeld in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht jegens een deelnemer of een ten behoeve van een instelling met taken belast persoon, vrijgesteld van de verplichting tot het doen van aangifte als bedoeld in de artikelen 160, eerste lid, en 162, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.
|
||||
|
||||
**5.** De vertrouwensinspecteur is verplicht tot geheimhouding van hetgeen hem in de uitoefening van zijn functie is toevertrouwd door een deelnemer, de ouders van een deelnemer of een ten behoeve van een instelling met taken belast persoon.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5.3
|
||||
|
||||
**1.** Ter uitvoering van artikel 5.2, eerste lid, tweede volzin, kan de inspectie commissies van onafhankelijke deskundigen instellen. Zij draagt zorg voor de organisatie en administratieve ondersteuning van die commissies.
|
||||
|
||||
**2.** Een commissie als bedoeld in het eerste lid bestaat uit een door de inspectie te bepalen aantal deskundigen. De inspectie benoemt de voorzitter en de overige leden. Aan hen kan een tegemoetkoming, een vergoeding van kosten dan wel beide worden toegekend. De benoeming geschiedt voor de duur van de werkzaamheden van de commissie.
|
||||
|
||||
**3.** De commissie maakt een verslag van haar werkzaamheden en bevindingen, daaronder begrepen een samenvatting met het oog op publikatie in het Centraal register. Zij zendt dit verslag door tussenkomst van de inspectie aan Onze Minister. Onze Minister maakt het verslag, vergezeld van zijn oordeel, openbaar binnen acht weken nadat het verslag door hem is ontvangen.
|
||||
|
||||
**4.** Voordat de commissie tot verzending van haar verslag overgaat, stelt zij de betrokken instellingen of exameninstellingen en de betrokken agrarische innovatie- en praktijkcentra in de gelegenheid daarvan kennis te nemen en desgewenst met haar binnen een door haar te bepalen termijn overleg te plegen. Indien binnen de in de eerste volzin bedoelde termijn geen overleg heeft plaatsgevonden dan wel in dat overleg geen overeenstemming wordt bereikt over door de betrokken instellingen of exameninstellingen en de betrokken agrarische innovatie- en praktijkcentra gewenste wijzigingen van het verslag, wordt daarvan in een bijlage bij dat verslag melding gemaakt met alle in verband daarmee van belang zijnde gegevens.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5.4
|
||||
|
||||
|
|
@ -1069,7 +1032,11 @@ b. Onze Minister aan de hand van een nader onderzoek tot het oordeel is gekomen
|
|||
|
||||
### Artikel 6.1.5a
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** In de gevallen, bedoeld in artikel 6.1.4, eerste lid, onder a en b, kan Onze Minister op verzoek van het bevoegd gezag of uit eigen beweging in overeenstemming met het bevoegd gezag maatregelen treffen.
|
||||
|
||||
**2.** Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, behoort de mogelijkheid het bestuur van de instelling te laten bijstaan door een extern deskundige. Ook kunnen onder voorwaarden extra financiële middelen aan de instelling ter beschikking worden gesteld.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister stelt nadere regels omtrent de toekenning van en verantwoording voor maatregelen, voorzover deze het verstrekken van financiële middelen betreffen.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.1.6
|
||||
|
||||
|
|
@ -1098,8 +1065,9 @@ b. niet wordt voldaan aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzi
|
|||
|
||||
Onze Minister kan ten aanzien van een beroepsopleiding, verzorgd door een niet uit ’s Rijks kas bekostigde instelling, het recht, bedoeld in artikel 1.4.1, ontnemen indien
|
||||
|
||||
a. gebleken is dat de kwaliteit van de opleiding gedurende een reeks van jaren onvoldoende is geweest, of
|
||||
b. niet of niet meer voldaan wordt aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 1.4.1, eerste lid.
|
||||
a. gebleken is dat de kwaliteit van de opleiding gedurende een reeks van jaren onvoldoende is geweest,
|
||||
b. niet of niet meer voldaan wordt aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 1.4.1, eerste lid, of
|
||||
c. in strijd is gehandeld met artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.
|
||||
|
||||
**2.** Een beschikking op grond van het eerste lid houdt in dat aan de examens of onderdelen daarvan geen diploma of certificaat als bedoeld in artikel 7.4.6 is verbonden en dat de registratie in het Centraal register wordt beëindigd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1107,18 +1075,24 @@ b. niet of niet meer voldaan wordt aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 1.4.1,
|
|||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van artikel 6.2.2, eerste lid, onder *a*, geeft hij aan het bevoegd gezag een waarschuwing op grond van zijn bevindingen ten aanzien van de kwaliteit van de opleiding, en maakt hij deze in het Centraal register bekend.
|
||||
Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van artikel 6.2.2, eerste lid, onder a, geeft hij aan het bevoegd gezag een waarschuwing op grond van zijn bevindingen ten aanzien van de kwaliteit van de opleiding, en maakt hij deze in het Centraal register bekend.
|
||||
|
||||
Onze Minister geeft eerst toepassing aan artikel 6.2.2, eerste lid, onder *a*, nadat
|
||||
Onze Minister geeft eerst toepassing aan artikel 6.2.2, eerste lid, onder a, nadat
|
||||
|
||||
a. na de waarschuwing ten minste een jaar verstreken is, en
|
||||
b. Onze Minister aan de hand van een hernieuwd onderzoek tot het oordeel is gekomen dat niet of niet in voldoende mate gevolg is gegeven aan de waarschuwing.
|
||||
|
||||
**2.** Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van artikel 6.2.2, eerste lid, onder *b*, geeft hij aan het bevoegd gezag een waarschuwing, onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem dienaangaande plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven bedraagt ten minste drie maanden.
|
||||
**2.** Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van artikel 6.2.2, eerste lid, onder b, geeft hij aan het bevoegd gezag een waarschuwing, onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem dienaangaande plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven bedraagt ten minste drie maanden.
|
||||
|
||||
**3.** Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van artikel 6.2.2, eerste lid, onder c, geeft hij het bevoegd gezag een waarschuwing, onder bepaling van een termijn van ten minste tien dagen waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.2.3a
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** In de gevallen, bedoeld in artikel 6.2.2, eerste lid, onder a en b, kan Onze Minister op verzoek van het bevoegd gezag of uit eigen beweging in overeenstemming met het bevoegd gezag maatregelen treffen.
|
||||
|
||||
**2.** Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, behoort de mogelijkheid het bestuur van de instelling te laten bijstaan door een extern deskundige. Ook kunnen onder voorwaarden extra financiële middelen aan de instelling ter beschikking worden gesteld.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister stelt nadere regels omtrent de toekenning van en verantwoording voor maatregelen, voorzover deze het verstrekken van financiële middelen betreffen.
|
||||
|
||||
### Titel 3. De exameninstellingen
|
||||
|
||||
|
|
@ -1134,8 +1108,9 @@ Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
|||
|
||||
Onze Minister kan aan een exameninstelling het recht, bedoeld in artikel 1.6.1, ten aanzien van een beroepsopleiding ontnemen indien:
|
||||
|
||||
a. gebleken is dat de kwaliteit van de externe legitimering onvoldoende is geweest, of
|
||||
b. niet of niet meer voldaan wordt aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 1.6.1, tweede lid.
|
||||
a. gebleken is dat de kwaliteit van de externe legitimering onvoldoende is geweest,
|
||||
b. niet of niet meer voldaan wordt aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 1.6.1, tweede lid, of
|
||||
c. in strijd is gehandeld met artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.
|
||||
|
||||
**2.** Een beschikking op grond van het eerste lid houdt in dat de exameninstelling niet langer gerechtigd is de externe legitimering van de beroepsopleiding te verzorgen en dat de registratie bij die opleiding in het Centraal register wordt beëindigd.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1145,9 +1120,15 @@ b. niet of niet meer voldaan wordt aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 1.6.1,
|
|||
|
||||
**2.** Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van artikel 6.3.2, eerste lid, onder *b*, geeft hij aan het bevoegd gezag een waarschuwing onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem dienaangaande plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven bedraagt ten minste drie maanden.
|
||||
|
||||
**3.** Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van artikel 6.3.2, eerste lid, onder c, geeft hij het bevoegd gezag een waarschuwing, onder bepaling van een termijn van ten minste tien dagen waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.3.3a
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** In de gevallen, bedoeld in artikel 6.3.2, eerste lid, onder a en b, kan Onze Minister op verzoek van het bevoegd gezag of uit eigen beweging in overeenstemming met het bevoegd gezag maatregelen treffen.
|
||||
|
||||
**2.** Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, behoort de mogelijkheid het bestuur van de instelling te laten bijstaan door een extern deskundige. Ook kunnen onder voorwaarden extra financiële middelen aan de instelling ter beschikking worden gesteld.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister stelt nadere regels omtrent de toekenning van en verantwoording voor maatregelen, voorzover deze het verstrekken van financiële middelen betreffen.
|
||||
|
||||
### Titel 4. Het Centraal register beroepsopleidingen
|
||||
|
||||
|
|
@ -1987,7 +1968,9 @@ Het eerste lid heeft betrekking op de artikelen:
|
|||
|
||||
**1.** Indien het bevoegd gezag van een instelling, een agrarisch innovatie- en praktijkcentrum of een landelijk orgaan in strijd handelt met het bepaalde bij of krachtens deze wet, kan Onze Minister bepalen dat de rijksbijdrage, voorschotten daaronder begrepen, geheel of gedeeltelijk wordt ingehouden dan wel opgeschort.
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister kan de rijksbijdrage wederom toekennen indien hem blijkt dat de reden voor de toepassing van het eerste lid is vervallen.
|
||||
**2.** Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien het bevoegd gezag of het personeel van een instelling in strijd handelt met artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister kan de rijksbijdrage wederom toekennen, indien blijkt dat de reden voor de toepassing van het eerste of tweede lid is vervallen.
|
||||
|
||||
### Artikel 11.2
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue