2008-01-01 | BWBR0004770 | Invorderingswet 1990
This commit is contained in:
parent
0baa0c088f
commit
19ce8cfaa5
1 changed files with 69 additions and 43 deletions
|
|
@ -71,7 +71,7 @@ b. ingeval een aanslagbiljet naast een of meer belastingaanslagen als bedoeld in
|
|||
|
||||
**3.** In alle rechtsgedingen voortvloeiende uit de uitoefening van zijn taak treedt de ontvanger als zodanig in rechte op.
|
||||
|
||||
**4.** In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bij ministeriële regeling de gevallen aanwijzen waarin de invordering van landbouwheffingen geschiedt door een ander dan de ontvanger.
|
||||
**4.** In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bij ministeriële regeling de gevallen aanwijzen waarin de invordering van landbouwheffingen geschiedt door een ander dan de ontvanger.
|
||||
|
||||
### Artikel 3a
|
||||
|
||||
|
|
@ -213,7 +213,7 @@ Met betrekking tot een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 9, achtste lid,
|
|||
|
||||
a. een dwangbevel zonder voorafgaande aanmaning worden uitgevaardigd, of indien reeds een aanmaning is verzonden, in afwijking van de daarbij gestelde betalingstermijn, terstond worden uitgevaardigd;
|
||||
b. een dwangbevel terstond na het bevel tot betaling ten uitvoer worden gelegd;
|
||||
c. een dwangbevel indien het bevel tot betaling reeds is gedaan, in afwijking van de daarbij gestelde betalingstermijn, terstond ten uitvoer worden gelegd;
|
||||
c. een dwangbevel indien het bevel tot betaling reeds is gedaan, voor zover nodig in afwijking van de daarbij gestelde betalingstermijn, terstond ten uitvoer worden gelegd;
|
||||
d. een dwangbevel indien het hernieuwd bevel tot betaling, bedoeld in artikel 14, tweede lid, reeds is gedaan, in afwijking van de daarbij gestelde betalingstermijn, terstond ten uitvoer worden gelegd.
|
||||
|
||||
**2.** Met betrekking tot een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 9, achtste lid, kan, ingeval een dwangbevel terstond na het opleggen van die aanslag wordt uitgevaardigd, de betekening en de tenuitvoerlegging van dat dwangbevel, in afwijking van artikel 64, eerste lid en tweede lid, eerste volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, geschieden op alle dagen en uren.
|
||||
|
|
@ -247,19 +247,26 @@ d. uitkeringen uit levens-, invaliditeits-, ongevallen- of ziekengeldverzekering
|
|||
e. uitkeringen tot levensonderhoud, verschuldigd krachtens boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, of tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud;
|
||||
f. uitkeringen of buitengewone pensioenen op grond van een wettelijke regeling voor oorlogsgetroffenen of voor degenen die hun vervangende dienstplicht vervullen;
|
||||
|
||||
verschuldigd is aan een belastingschuldige, is op vordering van de ontvanger verplicht de belastingaanslagen van de belastingschuldige te betalen, voor zover één en ander vatbaar is voor beslag.
|
||||
verschuldigd is aan een belastingschuldige, is op vordering van de ontvanger verplicht de belastingaanslagen van de belastingschuldige te betalen, voor zover één en ander vatbaar is voor beslag. Voor zover één en ander niet vatbaar is voor beslag is de derde op vordering van de ontvanger verplicht ten hoogste een tiende gedeelte daarvan aan te wenden voor betaling van de belastingaanslagen van de belastingschuldige.
|
||||
|
||||
**2.** Een huurder, een pachter, een curator in een faillissement en een houder van penningen is op vordering van de ontvanger verplicht uit de gelden die hij aan de belastingschuldige verschuldigd is of uit de gelden of de penningen die hij ten behoeve van de belastingschuldige onder zich heeft, de belastingaanslagen van de belastingschuldige te betalen. Een curator in een faillissement van de belastingschuldige is voorts bevoegd uit eigen beweging uit de gelden die hij ten behoeve van de belastingschuldige onder zich heeft, de belastingaanslagen van de belastingschuldige te betalen.
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
**3.** De vordering geschiedt bij beschikking. Voor het doen van een vordering dient de ontvanger te beschikken over een aan de belastingschuldige betekend dwangbevel met bevel tot betaling. Indien de vordering op de voet van het eerste lid, onderdeel a, wordt gedaan (loonvordering) en het dwangbevel op de voet van artikel 13, derde lid, is betekend, moet de vordering vooraf worden gegaan door een schriftelijke aankondiging van de ontvanger aan de belastingschuldige, inhoudende dat hij voornemens is een loonvordering te doen. De loonvordering wordt in dat geval niet eerder gedaan dan zeven dagen na de dagtekening van de vooraankondiging. De in de derde volzin bedoelde aankondiging blijft achterwege indien de vordering wordt gedaan jegens degene die reeds op vordering van de ontvanger een belastingaanslag van de belastingschuldige betaalt of zou moeten betalen. De beschikking heeft rechtsgevolg zodra zij is bekendgemaakt aan degene jegens wie de vordering is gedaan. De ontvanger maakt de beschikking tevens bekend aan de belastingschuldige. Indien de vordering wordt gedaan jegens de curator in een faillissement vindt de tweede volzin geen toepassing en blijft bekendmaking van de beschikking aan de belastingschuldige achterwege.
|
||||
Het eerste lid, tweede volzin, vindt alleen toepassing indien de belastingschuldige op het tijdstip waarop de vordering wordt gedaan, meer dan één belastingaanslag waarvan de enige of laatste betalingstermijn met ten minste twee maanden is overschreden, niet heeft betaald en hij met betrekking tot deze belastingaanslagen:
|
||||
|
||||
**4.** De belastingschuldige kan op de voet van artikel 17 in verzet komen tegen de vordering als ware deze de tenuitvoerlegging van een dwangbevel.
|
||||
a. geen verzoek om uitstel van betaling heeft gedaan, niet in aanmerking komt voor uitstel van betaling of de gestelde voorwaarden voor uitstel van betaling niet is nagekomen, en
|
||||
b. geen verzoek om kwijtschelding van belasting heeft gedaan of niet in aanmerking komt voor kwijtschelding van belasting.
|
||||
|
||||
**5.** Degene jegens wie een vordering is gedaan is verplicht aan die vordering te voldoen zonder daartoe een verificatie en beëdiging van schuldvordering, een rangregeling of rechterlijke uitspraak te mogen afwachten. De eerste volzin vindt geen toepassing in zoverre onder hem beslag is gelegd of verzet is gedaan ter zake van schulden waaraan voorrang boven vorderingen wegens rijksbelastingen is toegekend. Voldoening aan de vordering geldt als betaling aan de belastingschuldige.
|
||||
**3.** Een huurder, een pachter, een curator in een faillissement en een houder van penningen is op vordering van de ontvanger verplicht uit de gelden die hij aan de belastingschuldige verschuldigd is of uit de gelden of de penningen die hij ten behoeve van de belastingschuldige onder zich heeft, de belastingaanslagen van de belastingschuldige te betalen. Een curator in een faillissement van de belastingschuldige is voorts bevoegd uit eigen beweging uit de gelden die hij ten behoeve van de belastingschuldige onder zich heeft, de belastingaanslagen van de belastingschuldige te betalen.
|
||||
|
||||
**6.** De ontvanger vervolgt degene die in gebreke blijft aan de vordering te voldoen bij executoriaal beslag volgens de regels van het tweede boek, tweede titel, tweede afdeling, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De kosten van vervolging komen voor rekening van degene die in gebreke blijft zonder dat hij deze kan verhalen op de belastingschuldige.
|
||||
**4.** De vordering geschiedt bij beschikking. Voor het doen van een vordering dient de ontvanger te beschikken over een aan de belastingschuldige betekend dwangbevel met bevel tot betaling. Indien de vordering op de voet van het eerste lid, onderdeel a, wordt gedaan (loonvordering) en het dwangbevel op de voet van artikel 13, derde lid, is betekend, moet de vordering vooraf worden gegaan door een schriftelijke aankondiging van de ontvanger aan de belastingschuldige, inhoudende dat hij voornemens is een loonvordering te doen. De loonvordering wordt in dat geval niet eerder gedaan dan zeven dagen na de dagtekening van de vooraankondiging. De in de derde volzin bedoelde aankondiging blijft achterwege indien de vordering wordt gedaan jegens degene die reeds op vordering van de ontvanger een belastingaanslag van de belastingschuldige betaalt of zou moeten betalen. De beschikking heeft rechtsgevolg zodra zij is bekendgemaakt aan degene jegens wie de vordering is gedaan. De ontvanger maakt de beschikking tevens bekend aan de belastingschuldige. Indien de vordering wordt gedaan jegens de curator in een faillissement vindt de tweede volzin geen toepassing en blijft bekendmaking van de beschikking aan de belastingschuldige achterwege.
|
||||
|
||||
**7.** Het eerste tot en met zesde lid zijn niet van toepassing op belastingaanslagen ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen werkt.
|
||||
**5.** De belastingschuldige kan op de voet van artikel 17 in verzet komen tegen de vordering als ware deze de tenuitvoerlegging van een dwangbevel.
|
||||
|
||||
**6.** Degene jegens wie een vordering is gedaan is verplicht aan die vordering te voldoen zonder daartoe een verificatie en beëdiging van schuldvordering, een rangregeling of rechterlijke uitspraak te mogen afwachten. De eerste volzin vindt geen toepassing in zoverre onder hem beslag is gelegd of verzet is gedaan ter zake van schulden waaraan voorrang boven vorderingen wegens rijksbelastingen is toegekend. Voldoening aan de vordering geldt als betaling aan de belastingschuldige.
|
||||
|
||||
**7.** De ontvanger vervolgt degene die in gebreke blijft aan de vordering te voldoen bij executoriaal beslag volgens de regels van het tweede boek, tweede titel, tweede afdeling, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De kosten van vervolging komen voor rekening van degene die in gebreke blijft zonder dat hij deze kan verhalen op de belastingschuldige.
|
||||
|
||||
**8.** Het eerste tot en met zevende lid zijn niet van toepassing op belastingaanslagen ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen werkt.
|
||||
|
||||
### Artikel 20
|
||||
|
||||
|
|
@ -325,24 +332,27 @@ De ontvanger kan de belastingaanslagen in de inkomstenbelasting, voorzover zij b
|
|||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De ontvanger is ten aanzien van de belastingschuldige bevoegd aan hem uit te betalen en van hem te innen bedragen ter zake van de in het eerste lid bedoelde rijksbelastingen en andere belastingen en heffingen met elkaar te verrekenen.
|
||||
De ontvanger is ten aanzien van de belastingschuldige bevoegd:
|
||||
|
||||
Met betrekking tot door de ontvanger uit te betalen en te innen bedragen aan belasting welker verschuldigdheid materieel is ontstaan over dan wel in een tijdvak waarin de belastingschuldige deel uitmaakt of uitmaakte van een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15, eerste lid, of artikel 15a, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, kunnen aan die belastingschuldige uit te betalen bedragen, behalve met van deze te innen bedragen, worden verrekend met te innen bedragen van een andere maatschappij die in dat tijdvak deel uitmaakt of uitmaakte van vorenbedoelde fiscale eenheid. De vorige volzin vindt toepassing, voor zoveel nodig in afwijking van hetgeen voortvloeit uit het eerste lid, ongeacht het in staat van surseance van betaling of van faillissement geraken van de in die volzin bedoelde belastingschuldige of andere maatschappij.
|
||||
a. aan de belastingschuldige uit te betalen en van de belastingschuldige te innen bedragen ter zake van de in het eerste lid bedoelde rijksbelastingen en andere belastingen en heffingen met elkaar te verrekenen;
|
||||
b. aan de belastingschuldige uit te betalen bedragen ter zake van met de in het eerste lid bedoelde rijksbelastingen en andere belastingen en heffingen verband houdende vorderingen op de Staat of de ontvanger te verrekenen met van de belastingschuldige te innen bedragen ter zake van de in het eerste lid bedoelde rijksbelastingen en andere belastingen en heffingen.
|
||||
|
||||
Met betrekking tot door de ontvanger uit te betalen en te innen bedragen welker verschuldigdheid materieel is ontstaan over dan wel in een tijdvak waarin de belastingschuldige deel uitmaakt of uitmaakte van een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15, eerste lid, of artikel 15a, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, kunnen aan die belastingschuldige uit te betalen bedragen, behalve met van deze te innen bedragen, worden verrekend met te innen bedragen van een andere maatschappij die in dat tijdvak deel uitmaakt of uitmaakte van vorenbedoelde fiscale eenheid. De vorige volzin vindt toepassing, voor zoveel nodig in afwijking van hetgeen voortvloeit uit het eerste lid, ongeacht het in staat van surseance van betaling of van faillissement geraken van de in die volzin bedoelde belastingschuldige of andere maatschappij.
|
||||
|
||||
Op verzoek van de belastingschuldige is de ontvanger verplicht te verrekenen. Als tijdstip van verrekening geldt de dagtekening van het aanslagbiljet waaruit van het uit te betalen bedrag blijkt. In afwijking van de vorige volzin geldt met betrekking tot een verrekening van een termijn van een voorlopige aanslag als bedoeld in artikel 9, zesde en zevende lid, als tijdstip van verrekening het tijdstip waarop de desbetreffende termijn vervalt.
|
||||
|
||||
**3.** De verrekening is ook mogelijk ingeval de termijn, bedoeld in artikel 9, nog niet is verstreken, met dien verstande dat indien het betreft belastingaanslagen als bedoeld in artikel 9, vijfde en zevende lid, verrekening alleen mogelijk is met belastingaanslagen die op dezelfde belasting en hetzelfde tijdvak betrekking hebben.
|
||||
|
||||
**4.** De ontvanger verrekent de in artikel 27*a*, eerste lid, bedoelde betalingskorting met het bedrag van de belastingaanslag ter zake waarvan de betalingskorting wordt verleend. Voorts verrekent de ontvanger de in artikel 27*a*, tweede lid, bedoelde betalingskorting met het uit te betalen bedrag van de vermindering van de belastingaanslag ter zake waarvan de betalingskorting is verleend. Op de in dit lid bedoelde verrekeningen zijn het tweede en derde lid niet van toepassing. Als tijdstip van verrekening geldt het tijdstip waarop de betalingskorting wordt verleend of de dagtekening van de kennisgeving waarmee de vermindering wordt bekendgemaakt.
|
||||
**4.** De ontvanger verrekent de in artikel 27a, eerste lid, bedoelde betalingskorting met het bedrag van de belastingaanslag ter zake waarvan de betalingskorting wordt verleend. Voorts verrekent de ontvanger de in artikel 27a, tweede lid, bedoelde betalingskorting met het uit te betalen bedrag van de vermindering van de belastingaanslag ter zake waarvan de betalingskorting is verleend. Op de in dit lid bedoelde verrekeningen zijn het tweede en derde lid niet van toepassing. Als tijdstip van verrekening geldt het tijdstip waarop de betalingskorting wordt verleend of de dagtekening van de kennisgeving waarmee de vermindering wordt bekendgemaakt.
|
||||
|
||||
**5.** De verrekening is niet mogelijk met betrekking tot een belastingaanslag die een uit te betalen bedrag behelst indien deze vordering door de belastingschuldige onder bijzondere titel is overgedragen, mits de ontvanger met de overdracht heeft ingestemd. Verrekening is voorts niet mogelijk met betrekking tot een belastingaanslag die een uit te betalen bedrag behelst indien op deze vordering een pandrecht als bedoeld in artikel 239 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is gevestigd, mits de ontvanger op het tijdstip waarop het pandrecht hem wordt medegedeeld met het pandrecht heeft ingestemd. De ontvanger is verplicht bij beschikking met de overdracht of het pandrecht in te stemmen indien op het tijdstip van de mededeling van de akte van overdracht of van het pandrecht ten name van de belastingschuldige geen voor verrekening vatbare schuld invorderbaar is. De ontvanger kan bij beschikking instemming met de overdracht of het pandrecht weigeren. De ontvanger maakt de beschikking bekend door middel van een gedagtekende kennisgeving waarin, bij weigering tot instemming met de overdracht of het pandrecht, de grond is vermeld waarop de weigering berust.
|
||||
**5.** Verrekening is niet mogelijk met betrekking tot een door de ontvanger uit te betalen bedrag indien deze vordering door de gerechtigde onder bijzondere titel is overgedragen, mits de ontvanger met de overdracht heeft ingestemd. Verrekening is voorts niet mogelijk met betrekking tot een door de ontvanger uit te betalen bedrag indien op deze vordering een pandrecht als bedoeld in artikel 239 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is gevestigd, mits de ontvanger op het tijdstip waarop het pandrecht hem wordt medegedeeld met het pandrecht heeft ingestemd. De ontvanger is verplicht bij beschikking met de overdracht of het pandrecht in te stemmen indien op het tijdstip van de mededeling van de akte van overdracht of van het pandrecht ten name van de belastingschuldige geen voor verrekening vatbare schuld invorderbaar is. De ontvanger kan bij beschikking instemming met de overdracht of het pandrecht weigeren. De ontvanger maakt de beschikking bekend door middel van een gedagtekende kennisgeving waarin, bij weigering tot instemming met de overdracht of het pandrecht, de grond is vermeld waarop de weigering berust.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
In afwijking in zoverre van het vijfde lid is ook na de instemming, bedoeld in dat lid, verrekening mogelijk van:
|
||||
|
||||
a. de in artikel 27*a*, eerste lid, bedoelde betalingskorting met het bedrag van de belastingaanslag ter zake waarvan de betalingskorting wordt verleend;
|
||||
b. de in artikel 27*a*, tweede lid, bedoelde betalingskorting met het uit te betalen bedrag van de vermindering van de belastingaanslag ter zake waarvan de betalingskorting is verleend;
|
||||
a. de in artikel 27a, eerste lid, bedoelde betalingskorting met het bedrag van de belastingaanslag ter zake waarvan de betalingskorting wordt verleend;
|
||||
b. de in artikel 27a, tweede lid, bedoelde betalingskorting met het uit te betalen bedrag van de vermindering van de belastingaanslag ter zake waarvan de betalingskorting is verleend;
|
||||
c. belastingaanslagen die een uit te betalen bedrag behelzen met belastingaanslagen die op dezelfde belasting en hetzelfde tijdvak betrekking hebben.
|
||||
|
||||
**7.** De belastingschuldige kan binnen een week na de dagtekening van de in het vijfde lid bedoelde kennisgeving waarmee de beschikking is bekendgemaakt beroep instellen bij de directeur. Het beroepschrift wordt ingediend bij de ontvanger tegen een door deze af te geven ontvangbewijs. De directeur neemt zo spoedig mogelijk een beslissing en maakt deze bekend aan de belastingschuldige door middel van een gedagtekende kennisgeving. Indien op het beroepschrift afwijzend wordt beslist, vindt verrekening niet eerder plaats dan nadat na de dagtekening van de kennisgeving waarmee de beslissing van de directeur is bekendgemaakt acht dagen zijn verstreken.
|
||||
|
|
@ -367,11 +377,11 @@ c. belastingaanslagen die een uit te betalen bedrag behelzen met belastingaansla
|
|||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling voor belastingaanslagen betreffende de inkomstenbelasting die is verschuldigd door de toepassing van artikel 3 116, vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001. De in de eerste volzin bedoelde regels kunnen mede betrekking hebben op het stellen van voldoende zekerheid. Het uitstel wordt beëindigd:
|
||||
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling voor belastingaanslagen betreffende de inkomstenbelasting die is verschuldigd door de toepassing van artikel 3.116, vierde lid, of artikel 3.116a, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001. De in de eerste volzin bedoelde regels kunnen mede betrekking hebben op het stellen van voldoende zekerheid. Het uitstel wordt beëindigd:
|
||||
|
||||
a. indien zich een omstandigheid voordoet waardoor de woning ophoudt een eigen woning te zijn in de zin van artikel 3 111 van de Wet inkomstenbelasting 2001;
|
||||
b. indien de belastingschuldige een voordeel geniet als bedoeld in artikel 3 116, eerste lid, van die wet;
|
||||
c. indien zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3 116, derde lid, van die wet.
|
||||
b. indien de belastingschuldige een voordeel geniet als bedoeld in artikel 3.116, eerste lid, of artikel 3.116a, eerste lid, van die wet;
|
||||
c. indien zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3.116, derde lid, of artikel 3.116a, vierde lid, van die wet.
|
||||
|
||||
**7.** Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling als bedoeld in artikel 224 van het Communautair douanewetboek.
|
||||
|
||||
|
|
@ -389,7 +399,7 @@ Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot het verlenen
|
|||
|
||||
a. kind, pleegkind of kleinkind, of hun partner;
|
||||
b. de partner;
|
||||
c. een in Nederland gevestigde en naar Nederlands recht opgerichte naamloze of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid waarvan alle aandelen worden gehouden door een persoon als bedoeld in onderdeel *a* of* b*.
|
||||
c. een naamloze of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een andere vennootschap waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld, welke is gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie, en waarvan alle aandelen worden gehouden door een natuurlijk persoon als bedoeld in onderdeel a of b.
|
||||
|
||||
Het uitstel wordt beëindigd indien aflossingen plaatsvinden dan wel aandelen of winstbewijzen welke aan het uitstel ten grondslag liggen, worden vervreemd of wanneer daaruit reguliere voordelen van substantiële omvang worden genoten.
|
||||
|
||||
|
|
@ -513,16 +523,9 @@ e. ten aanzien van de belastingschuldige de schuldsaneringsregeling natuurlijke
|
|||
|
||||
**4.** Ingeval bij vermindering van de belastingaanslag het bedrag van de vermindering meer beloopt dan het op de belastingaanslag nog openstaande bedrag, wordt aan de belastingschuldige invorderingsrente vergoed over het verschil, doch ten hoogste over het bedrag dat op de belastingaanslag is betaald.
|
||||
|
||||
**5.** De invorderingsrente wordt enkelvoudig berekend. Behoudens in de situatie van het tweede lid, tweede volzin, wordt de invorderingsrente berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na de vervaldag van de voor de belastingaanslag geldende enige of laatste betalingstermijn. Voor de toepassing van het eerste lid eindigt het tijdvak op de dag voorafgaand aan die van de betaling en voor de toepassing van het vierde lid op de dag van de dagtekening van het afschrift van de uitspraak of de dagtekening van de kennisgeving waarmee de vermindering wordt bekendgemaakt. Voor de toepassing van de eerste volzin blijft artikel 10 buiten toepassing.
|
||||
**5.** De invorderingsrente wordt enkelvoudig berekend. Behoudens in de situatie van het tweede lid, tweede volzin, wordt de invorderingsrente berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na de vervaldag van de voor de belastingaanslag geldende enige of laatste betalingstermijn. Voor de toepassing van het eerste lid eindigt het tijdvak op de dag voorafgaand aan die van de betaling en voor de toepassing van het vierde lid op de dag van de dagtekening van het afschrift van de uitspraak of de dagtekening van de kennisgeving waarmee de vermindering wordt bekendgemaakt. Voor de toepassing van de tweede volzin blijft artikel 10 buiten toepassing.
|
||||
|
||||
**6.**
|
||||
|
||||
De vorige leden vinden geen toepassing bij een vermindering van de belastingaanslag voor zover die het gevolg is van
|
||||
|
||||
a. de verrekening van een verlies van een volgend jaar;
|
||||
b. een wijziging van het boekjaar of de rechtsvorm van de belastingschuldige;
|
||||
c. de overdracht of overgang van de onderneming van de belastingschuldige of een zelfstandig onderdeel daarvan aan onderscheidenlijk naar een andere belastingschuldige welke is opgericht ten einde de bedrijfsvoering voort te zetten; dan wel
|
||||
d. de vorming of verbreking van een fiscale eenheid als bedoeld in de artikelen 15 en 15*a* van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
|
||||
**6.** De vorige leden vinden geen toepassing bij een vermindering van de belastingaanslag voor zover die het gevolg is van de verrekening van een verlies van een volgend jaar.
|
||||
|
||||
### Artikel 29
|
||||
|
||||
|
|
@ -688,11 +691,20 @@ c. indien een bestuurder van een lichaam een lichaam is in de zin van de Algemen
|
|||
Degene die op grond van het eerste lid aansprakelijk is, is niet aansprakelijk voor zover hij bewijst dat:
|
||||
|
||||
a. het niet aan hem is te wijten dat de in het eerste lid bedoelde belasting niet is voldaan, en
|
||||
b. hij op het tijdstip waarop het feit plaatsvond dat aanleiding heeft gegeven tot de in artikel 23a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 bedoelde toepassing van artikel 19b, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 niet wist of redelijkerwijze moest vermoeden dat het lichaam de op de voet van genoemd artikel 23a verschuldigde belasting niet of niet geheel zou kunnen voldoen.
|
||||
b. hij op het tijdstip waarop het feit plaatsvond dat aanleiding heeft gegeven tot de in artikel 23a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 bedoelde toepassing van artikel 19b, eerste lid, tweede lid, eerste volzin, of achtste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 niet wist of redelijkerwijze moest vermoeden dat het lichaam de op de voet van genoemd artikel 23a verschuldigde belasting niet of niet geheel zou kunnen voldoen.
|
||||
|
||||
### Artikel 36b
|
||||
|
||||
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
|
||||
**1.** Hoofdelijk aansprakelijk is voor de loonbelasting of de omzetbelasting waarvoor een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dat volledig rechtsbevoegd is, voorzover het aan de heffing van de vennootschapsbelasting is onderworpen, bij beschikking als bedoeld in artikel 49, eerste lid, aansprakelijk is gesteld (aansprakelijkheidsschuld): ieder van de bestuurders van dat lichaam.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Artikel 36, tweede tot en met zesde lid en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
|
||||
|
||||
a. in het tweede lid van artikel 36 voor «loonbelasting, omzetbelasting, accijns, verbruiksbelasting voor alcoholvrije dranken, verbruiksbelasting van pruimtabak of snuiftabak of een van de in artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag genoemde belastingen» moet worden gelezen: de aansprakelijkheidsschuld;
|
||||
b. in het derde lid van artikel 36 voor «belastingschuld» moet worden gelezen «aansprakelijkheidsschuld», en voor «drie jaren»: zeven jaren;
|
||||
c. in het vierde lid van artikel 36 voor «drie jaren» moet worden gelezen: zeven jaren;
|
||||
d. in het vijfde lid, onderdeel a, van artikel 36 voor «belastingschuld» moet worden gelezen: aansprakelijkheidsschuld.
|
||||
|
||||
### Artikel 37
|
||||
|
||||
|
|
@ -777,6 +789,10 @@ c. de ondernemer die tezamen met de op grond van de voorgaande bepalingen van di
|
|||
|
||||
**2.** Indien aan de ondernemer bedoeld in het eerste lid een vermindering of teruggaaf van omzetbelasting wordt verleend, kan de ontvanger, met inachtneming van artikel 54, deze vermindering of teruggaaf bevrijdend voldoen aan één van de natuurlijke personen of lichamen bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 43a
|
||||
|
||||
Artikel 43 is van overeenkomstige toepassing op de verpakkingenbelasting die is verschuldigd door een concern als bedoeld in artikel 36s, onderdeel g, van de Wet belastingen op milieugrondslag, met dien verstande dat, ingeval het concern een samenwerkingsverband betreft als bedoeld in dat onderdeel g, onder 2o, de tot het concern behorende producenten en importeurs, bedoeld in artikel 36s, onderdeel e onderscheidenlijk f, van die wet ieder aansprakelijk zijn naar evenredigheid van hun aandeel in de door het concern verschuldigde verpakkingenbelasting.
|
||||
|
||||
### Artikel 44
|
||||
|
||||
**1.** Indien op grond van artikel 2.15 van de Wet inkomstenbelasting 2001 inkomensbestanddelen van een minderjarig kind zijn toegerekend aan de belastingschuldige, is dat kind aansprakelijk voor een gedeelte van de verschuldigde inkomstenbelasting. Dit gedeelte wordt gesteld op een evenredig gedeelte van de verschuldigde belasting, bepaald naar de verhouding waarin het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden, bedoeld in de artikelen 3.91, eerste lid, onderdelen a en b, en derde lid, en 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001, de belastbare inkomsten uit eigen woning, het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang of het belastbare inkomen uit sparen en beleggen van dat kind dat bij de vaststelling van de belastingschuld in aanmerking is genomen, staat tot het inkomen uit werk en woning, het inkomen uit aanmerkelijk belang onderscheidenlijk het belastbare inkomen uit sparen en beleggen dat tot de belastingschuld heeft geleid.
|
||||
|
|
@ -797,27 +813,29 @@ c. de ondernemer die tezamen met de op grond van de voorgaande bepalingen van di
|
|||
|
||||
**5.** Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat degene die op grond van het eerste lid aansprakelijk is, niet aansprakelijk is indien de lijfrenteverplichting in de in artikel 3.133, tweede lid, onderdeel h, van de Wet inkomstenbelasting 2001 bedoelde situatie overgaat, of beoordeeld aan het einde van het kalenderjaar in enig voorafgaand kalenderjaar is overgegaan, op een niet in Nederland gevestigd pensioenfonds of lichaam dat het verzekeringsbedrijf uitoefent en dit pensioenfonds of lichaam aansprakelijkheid aanvaardt voor de belasting die terzake door de verzekeringnemer of de gerechtigde is verschuldigd, alsmede voor de in verband daarmee verschuldigde revisierente. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing indien de verzekeringnemer of de gerechtigde terzake voldoende zekerheid heeft gesteld.
|
||||
|
||||
**6.** Indien met betrekking tot een lijfrentespaarrekening of lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in artikel 3.126a van de Wet inkomstenbelasting 2001 negatieve uitgaven voor inkomensvoorziening in aanmerking worden genomen, is dit artikel van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de kredietinstelling waarbij de lijfrentespaarrekening wordt aangehouden, onderscheidenlijk de beheerder van het lijfrentebeleggingsrecht.
|
||||
|
||||
### Artikel 44b
|
||||
|
||||
**1.** Indien ingevolge de toepassing van artikel 19b, eerste of tweede lid, eerste volzin, of zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 in verbinding met artikel 3.81 van de Wet inkomstenbelasting 2001 of van artikel 3.83, eerste of tweede lid, dan wel artikel 7.2, achtste lid, van de laatstgenoemde wet de aanspraak ingevolge een pensioenregeling of de aanspraak op periodieke uitkeringen, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting 1964 tot het loon wordt gerekend is de verzekeraar van die aanspraak tot ten hoogste de waarde in het economische verkeer daarvan aansprakelijk voor de belasting die terzake door de gerechtigde is verschuldigd, alsmede voor de revisierente die ingevolge artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in verband daarmee is verschuldigd.
|
||||
**1.** Indien ingevolge de toepassing van artikel 19b, eerste lid, tweede lid, eerste volzin, of achtste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 in verbinding met artikel 3.81 van de Wet inkomstenbelasting 2001 of van artikel 3.83, eerste of tweede lid, dan wel artikel 7.2, achtste lid, van de laatstgenoemde wet de aanspraak ingevolge een pensioenregeling of de aanspraak op periodieke uitkeringen, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting 1964 tot het loon wordt gerekend is de verzekeraar van die aanspraak tot ten hoogste de waarde in het economische verkeer daarvan aansprakelijk voor de belasting die terzake door de gerechtigde is verschuldigd, alsmede voor de revisierente die ingevolge artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in verband daarmee is verschuldigd.
|
||||
|
||||
**2.** Het bedrag van de verschuldigde belasting wordt gesteld op het evenredig gedeelte van de belasting die meer is verschuldigd terzake van alle in het jaar ingevolge de toepassing van artikel 19b, eerste of tweede lid, eerste volzin, of zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 of van artikel 3.83, eerste of tweede lid, dan wel artikel 7.2, achtste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 tot loon gerekende aanspraken.
|
||||
**2.** Het bedrag van de verschuldigde belasting wordt gesteld op het evenredig gedeelte van de belasting die meer is verschuldigd terzake van alle in het jaar ingevolge de toepassing van artikel 19b, eerste lid, tweede lid, eerste volzin, of achtste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 of van artikel 3.83, eerste of tweede lid, dan wel artikel 7.2, achtste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 tot loon gerekende aanspraken.
|
||||
|
||||
**3.** Artikel 2.16, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**4.** Zo spoedig mogelijk nadat de aansprakelijkheid ingevolge het eerste lid is ontstaan, wordt aan de verzekeraar schriftelijk mededeling gedaan van het bedrag waarvoor deze aansprakelijk is.
|
||||
|
||||
**5.** Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat degene die op grond van het eerste lid aansprakelijk is, niet aansprakelijk is indien de verplichting ingevolge een pensioenregeling in de in artikel 19b, vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 bedoelde situatie overgaat op een niet in Nederland gevestigd pensioenfonds of lichaam dat het verzekeringsbedrijf uitoefent en dit pensioenfonds of lichaam aansprakelijkheid aanvaardt voor de belasting die terzake door de gerechtigde is verschuldigd, alsmede voor de in verband daarmee verschuldigde revisierente. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing indien de verzekeringnemer of de gerechtigde terzake voldoende zekerheid heeft gesteld.
|
||||
**5.** Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat degene die op grond van het eerste lid aansprakelijk is, niet aansprakelijk is indien de verplichting ingevolge een pensioenregeling in de in artikel 19b, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 bedoelde situatie overgaat op een niet in Nederland gevestigd pensioenfonds of lichaam dat het verzekeringsbedrijf uitoefent en dit pensioenfonds of lichaam aansprakelijkheid aanvaardt voor de belasting die terzake door de gerechtigde is verschuldigd, alsmede voor de in verband daarmee verschuldigde revisierente. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing indien de verzekeringnemer of de gerechtigde terzake voldoende zekerheid heeft gesteld.
|
||||
|
||||
### Artikel 44c
|
||||
|
||||
**1.** Indien ingevolge artikel 3.116, vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 een kapitaalverzekering eigen woning wordt geacht tot uitkering te zijn gekomen, is de verzekeraar van die uitkering tot ten hoogste de waarde in het economische verkeer daarvan aansprakelijk voor de belasting die terzake door de gerechtigde is verschuldigd.
|
||||
**1.** Indien ingevolge artikel 3.116, vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 een kapitaalverzekering eigen woning wordt geacht tot uitkering te zijn gekomen, is de verzekeraar van die uitkering tot ten hoogste de waarde in het economische verkeer daarvan aansprakelijk voor de belasting die terzake door de gerechtigde is verschuldigd. Indien ingevolge artikel 3.116a, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 een spaarrekening eigen woning of een beleggingsrecht eigen woning geacht wordt te zijn gedeblokkeerd, is de kredietinstelling waarbij die rekening wordt aangehouden onderscheidenlijk de beheerder waarbij dat recht wordt aangehouden aansprakelijk voor de belasting die ter zake door de rekeninghouder onderscheidenlijk eigenaar is verschuldigd.
|
||||
|
||||
**2.** Het bedrag van de verschuldigde belasting wordt gesteld op het evenredig gedeelte van de belasting die meer is verschuldigd ter zake van alle kapitaalverzekeringen eigen woning die in het jaar ingevolge artikel 3.116, vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden geacht tot uitkering te zijn gekomen.
|
||||
**2.** Het bedrag van de verschuldigde belasting wordt gesteld op het evenredig gedeelte van de belasting die meer is verschuldigd ter zake van alle kapitaalverzekeringen eigen woning, alle spaarrekeningen eigen woning en alle beleggingsrechten eigen woning die in het jaar ingevolge artikel 3.116, vierde lid, onderscheidenlijk artikel 3.116a, vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 worden geacht tot uitkering te zijn gekomen of worden geacht te zijn gedeblokkeerd.
|
||||
|
||||
**3.** Artikel 2.16, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**4.** Zo spoedig mogelijk nadat de aansprakelijkheid ingevolge het eerste lid is ontstaan, wordt aan de verzekeraar schriftelijk mededeling gedaan van het bedrag waarvoor deze aansprakelijk is.
|
||||
**4.** Zo spoedig mogelijk nadat de aansprakelijkheid ingevolge het eerste lid is ontstaan, wordt aan de verzekeraar, de kredietinstelling of de beheerder van de beleggingsinstelling schriftelijk mededeling gedaan van het bedrag waarvoor deze aansprakelijk is.
|
||||
|
||||
### Artikel 45
|
||||
|
||||
|
|
@ -849,13 +867,13 @@ Erfgenamen zijn niet verder aansprakelijk dan ieder tot het beloop van zijn erfd
|
|||
a. navorderings- en naheffingsaanslagen die na het overlijden van de belastingschuldige worden vastgesteld;
|
||||
b. bedragen die na het overlijden van de hoofdelijk aansprakelijk gestelde worden vastgesteld op de voet van artikel 49.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking in zoverre van het eerste lid, onderdeel *b*, zijn erfgenamen niet aansprakelijk voor bedragen waarvoor de ontvanger de erflater op grond van artikel 36 of artikel 36*a* na diens overlijden aansprakelijk stelt.
|
||||
**2.** In afwijking in zoverre van het eerste lid, onderdeel *b*, zijn erfgenamen niet aansprakelijk voor bedragen waarvoor de ontvanger de erflater op grond van artikel 36, 36a of 36b na diens overlijden aansprakelijk stelt.
|
||||
|
||||
### Afdeling 2. Formele bepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 49
|
||||
|
||||
**1.** Aansprakelijkstelling geschiedt bij voor bezwaar vatbare beschikking door de ontvanger en vindt niet plaats vóór het tijdstip waarop de belastingschuldige in gebreke is met de betaling van zijn belastingschuld. De beschikking vermeldt in ieder geval het bedrag waarvoor de aansprakelijkheid bestaat en de termijn waarbinnen het bedrag moet worden betaald. Voor zover de aansprakelijkstelling betrekking heeft op een bestuurlijke boete, geschiedt zij met overeenkomstige toepassing van hoofdstuk VIIIA, afdeling 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
|
||||
**1.** Aansprakelijkstelling geschiedt bij voor bezwaar vatbare beschikking door de ontvanger en vindt niet plaats vóór het tijdstip waarop de belastingschuldige in gebreke is met de betaling van zijn belastingschuld. In afwijking in zoverre van de eerste volzin vindt aansprakelijkstelling van een bestuurder op de voet van artikel 36b niet plaats vóór het tijdstip waarop het aansprakelijk gestelde lichaam in gebreke is met de betaling van zijn aansprakelijkheidsschuld. De beschikking vermeldt in ieder geval het bedrag waarvoor de aansprakelijkheid bestaat en de termijn waarbinnen het bedrag moet worden betaald. Voor zover de aansprakelijkstelling betrekking heeft op een bestuurlijke boete, geschiedt zij met overeenkomstige toepassing van hoofdstuk VIIIA, afdeling 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
|
||||
|
||||
**2.** De ontvanger maakt de beschikking bekend door toezending als aangetekend stuk.
|
||||
|
||||
|
|
@ -919,7 +937,7 @@ b. vóór het leggen van het beslag geen aansprakelijkstelling heeft plaatsgevon
|
|||
|
||||
### Artikel 55
|
||||
|
||||
**1.** Indien verhaal op de belastingschuldige door degene die ingevolge artikel 33, eerste lid, onderdelen a, b of c, 34, 35, 35a, 35b, 36, 36a of 37 belasting heeft voldaan geheel of gedeeltelijk onmogelijk blijkt en ter zake van de belastingschuld twee of meer personen ingevolge de desbetreffende bepaling hoofdelijk aansprakelijk zijn, dragen dezen onderling voor gelijke delen in het onverhaald gebleven deel bij. Indien artikel 35, 35a of 35b van toepassing is en het aandeel in het totaal van het uit te voeren werk dat ieder van de hoofdelijk aansprakelijken heeft laten uitvoeren kan worden vastgesteld, draagt, in afwijking in zoverre van de eerste volzin, ieder in evenredigheid met dat aandeel bij. Voor de toepassing van dit artikel worden voorts de opdrachtgever en de koper geacht dat werk geheel te hebben laten uitvoeren door een onderaannemer.
|
||||
**1.** Indien verhaal op de belastingschuldige door degene die ingevolge artikel 33, eerste lid, onderdelen a, b of c, 34, 35, 35a, 35b, 36, 36a, 36b, of 37 belasting heeft voldaan geheel of gedeeltelijk onmogelijk blijkt en ter zake van de belastingschuld twee of meer personen ingevolge de desbetreffende bepaling hoofdelijk aansprakelijk zijn, dragen dezen onderling voor gelijke delen in het onverhaald gebleven deel bij. Indien artikel 35, 35a of 35b van toepassing is en het aandeel in het totaal van het uit te voeren werk dat ieder van de hoofdelijk aansprakelijken heeft laten uitvoeren kan worden vastgesteld, draagt, in afwijking in zoverre van de eerste volzin, ieder in evenredigheid met dat aandeel bij. Voor de toepassing van dit artikel worden voorts de opdrachtgever en de koper geacht dat werk geheel te hebben laten uitvoeren door een onderaannemer.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de opdrachtgever ingevolge artikel 35a belasting heeft voldaan, draagt, in afwijking in zoverre van het eerste lid, tevens een aannemer bij die met betrekking tot het desbetreffende werk ingevolge artikel 35 aansprakelijk is. Indien een koper ingevolge artikel 35b belasting heeft voldaan, dragen, in afwijking in zoverre van het eerste lid, tevens de opdrachtgever onderscheidenlijk een aannemer bij die met betrekking tot het desbetreffende werk ingevolge artikel 35a onderscheidenlijk artikel 35 aansprakelijk zijn.
|
||||
|
||||
|
|
@ -933,11 +951,11 @@ b. vóór het leggen van het beslag geen aansprakelijkstelling heeft plaatsgevon
|
|||
|
||||
### Artikel 56
|
||||
|
||||
**1.** Degene die op de voet van de artikelen 33, eerste lid, onderdelen b en c, 34, 35, 35a, 35b of 37 voor de voldoening van een belastingschuld geheel of ten dele aansprakelijk is gesteld, kan voor hetgeen hij in de belasting heeft bijgedragen verhaal nemen op ieder van degenen, die ingevolge de artikelen 33, eerste lid, onderdeel a, of 36 voor die belastingschuld hoofdelijk aansprakelijk is.
|
||||
**1.** Degene die op de voet van de artikelen 33, eerste lid, onderdelen b en c, 34, 35, 35a, 35b of 37 voor de voldoening van een belastingschuld geheel of ten dele aansprakelijk is gesteld, kan voor hetgeen hij in de belasting heeft bijgedragen verhaal nemen op ieder van degenen, die ingevolge de artikelen 33, eerste lid, onderdeel a, 36 of 36b voor die belastingschuld hoofdelijk aansprakelijk is.
|
||||
|
||||
**2.** Ten aanzien van degene die een ingevolge artikel 55 verschuldigd bedrag heeft voldaan, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** Degene die het ingevolge het eerste lid verschuldigde bedrag heeft voldaan, wordt geacht tot dit bedrag de belasting van de belastingschuldige ingevolge de artikelen 33, eerste lid, onderdeel a, of 36 te hebben voldaan.
|
||||
**3.** Degene die het ingevolge het eerste lid verschuldigde bedrag heeft voldaan, wordt geacht tot dit bedrag de belasting van de belastingschuldige ingevolge de artikelen 33, eerste lid, onderdeel a, 36 of 36b te hebben voldaan.
|
||||
|
||||
**4.** Van het eerste, tweede en derde lid kan bij overeenkomst worden afgeweken.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1030,9 +1048,17 @@ Hoofdstuk IX, afdeling 2 - met uitzondering van artikel 72 - en afdeling 3, van
|
|||
|
||||
### Artikel 67
|
||||
|
||||
**1.** Het is een ieder verboden hetgeen hem in enige werkzaamheid bij de uitvoering van deze wet, of in verband daarmede, nopens de persoon of de zaken van een ander blijkt of medegedeeld wordt, verder bekend te maken dan nodig is voor de uitvoering van deze wet of voor de heffing van enige rijksbelasting.
|
||||
**1.** Het is een ieder verboden hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van deze wet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken dan noodzakelijk is voor de uitvoering van deze wet of voor de heffing van enige rijksbelasting (geheimhoudingsplicht).
|
||||
|
||||
**2.** Onze Minister kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod.
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
De geheimhoudingsplicht geldt niet indien:
|
||||
|
||||
a. enig wettelijk voorschrift tot de bekendmaking verplicht;
|
||||
b. bij regeling van Onze Minister is bepaald dat bekendmaking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak van een bestuursorgaan;
|
||||
c. bekendmaking plaatsvindt aan degene op wie de gegevens betrekking hebben voorzover deze gegevens door of namens hem zijn verstrekt.
|
||||
|
||||
**3.** In andere gevallen dan bedoeld in het tweede lid kan Onze Minister ontheffing verlenen van de geheimhoudingsplicht.
|
||||
|
||||
### Artikel 68
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue