2017-01-01 | BWBR0017017 | Wet kinderopvang
This commit is contained in:
parent
8d975de102
commit
1aac9c04a1
1 changed files with 43 additions and 49 deletions
|
|
@ -22,8 +22,8 @@ In dit hoofdstuk en de op dit hoofdstuk berustende bepalingen wordt verstaan ond
|
|||
|
||||
- *beroepskracht:*
|
||||
|
||||
1°. de persoon van 18 jaar of ouder die werkzaam is bij een kindercentrum, bezoldigd is en belast is met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen;
|
||||
2°. de persoon van 18 jaar of ouder die werkzaam is bij een gastouderbureau, bezoldigd is en belast is met het tot stand brengen en begeleiden van gastouderopvang;
|
||||
a. de persoon van 18 jaar of ouder die werkzaam is bij een kindercentrum, bezoldigd is en belast is met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen;
|
||||
b. de persoon van 18 jaar of ouder die werkzaam is bij een gastouderbureau, bezoldigd is en belast is met het tot stand brengen en begeleiden van gastouderopvang;
|
||||
- *beroepskracht in opleiding:* degene die de beroepsbegeleidende leerweg volgt, bedoeld in de Wet educatie beroepsonderwijs, beschikt over een arbeidsovereenkomst met de houder van een kindercentrum of van een gastouderbureau, en ten behoeve van het praktijkdeel van de opleiding belast is met de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen bij een kindercentrum of met het tot stand brengen en begeleiden van gastouderopvang bij een gastouderbureau;
|
||||
- *beroepskracht meertalige buitenschoolse opvang:* degene die als beroepskracht werkzaam is en belast is met meertalige buitenschoolse opvang en die voldoet aan de opleidingseisen en scholingseisen, bedoeld in artikel 1.50, tweede lid, onderdeel i;
|
||||
- *beroepskracht voorschoolse educatie:* degene die als beroepskracht werkzaam is en belast is met voorschoolse educatie en die voldoet aan de opleidingseisen en scholingseisen, bedoeld in artikel 1.50b, onderdeel a;
|
||||
|
|
@ -146,7 +146,7 @@ h. recht heeft op of een uitkering ontvangt op grond van de Werkloosheidswet en
|
|||
i. recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, arbeidsondersteuning op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten of een uitkering op grond van hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of recht heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet:
|
||||
|
||||
1°. ten behoeve van wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen werkzaamheden, gericht op de bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces als bedoeld in artikel 30a, achtste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen laat verrichten,
|
||||
2°. ten behoeve van wie de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 82 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen werkzaamheden, gericht op de bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces als bedoeld in artikel 42 van die wet laat verrichten, of
|
||||
2°. ten behoeve van wie de eigenrisicodrager, bedoeld in artikel 82 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, onderscheidenlijk artikel 63a van de Ziektewet, werkzaamheden, gericht op de bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces als bedoeld in artikel 42 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, onderscheidenlijk artikel 63a, eerste lid, tweede volzin, van de Ziektewet, laat verrichten, of
|
||||
3°. werkzaamheden op een proefplaats verricht als bedoeld in artikel 65g van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 2:24 of 3:69 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, artikel 67e van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, artikel 37 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of artikel 52e van de Ziektewet,
|
||||
j. is ingeschreven bij een school of instelling als bedoeld in paragraaf 2.4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdragen en schoolkosten dan wel als bedoeld in de artikelen 2.8 tot en met 2.11 van de Wet studiefinanciering 2000;
|
||||
k. dit onderdeel is nog niet in werking getreden;
|
||||
|
|
@ -171,13 +171,11 @@ d. een persoon is als bedoeld in het eerste lid, onder f, g, j, k of l.
|
|||
|
||||
Het derde lid is niet van toepassing op een ouder met een partner indien de partner:
|
||||
|
||||
1°. in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont,
|
||||
2°. op grond van artikel 1.2, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomstenbelasting 2001 of artikel 3, tweede lid, onderdeel e, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen partner is van de ouder, en
|
||||
3°. bloed- of aanverwant is van de ouder in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn.
|
||||
a. in Nederland, een andere lidstaat of Zwitserland woont,
|
||||
b. op grond van artikel 1.2, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomstenbelasting 2001 of artikel 3, tweede lid, onderdeel e, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen partner is van de ouder, en
|
||||
c. bloed- of aanverwant is van de ouder in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn.
|
||||
|
||||
**7.** Indien een ouder of zijn partner in het berekeningsjaar 2015 of 2016 werkloos wordt, behoudt hij in afwijking van het vijfde lid gedurende zes kalendermaanden dezelfde aanspraak op een kinderopvangtoeslag indien sprake is van omstandigheden als bedoeld in het vijfde lid.
|
||||
|
||||
**8.** Dit lid en het zevende lid vervallen met ingang van 1 januari 2017.
|
||||
**7.** Indien een ouder of zijn partner in een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen berekeningsjaar werkloos wordt, behoudt hij in afwijking van het vijfde lid gedurende zes kalendermaanden dezelfde aanspraak op een kinderopvangtoeslag indien sprake is van omstandigheden als bedoeld in het vijfde lid.
|
||||
|
||||
### Artikel 1.6a
|
||||
|
||||
|
|
@ -204,7 +202,7 @@ b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:
|
|||
|
||||
### Artikel 1.8
|
||||
|
||||
**1.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de hoogte en de berekeningswijze van de kinderopvangtoeslag, waarbij tabellen worden vastgesteld waaruit de relatie tussen de kosten van kinderopvang en de kinderopvangtoeslag kan worden afgelezen en waarbij tevens wordt bepaald in welke gevallen de ouder aanspraak heeft op een kinderopvangtoeslag die minder dan 33,3 procent bedraagt van de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 1.7, eerste lid.
|
||||
**1.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de hoogte en de berekeningswijze van de kinderopvangtoeslag, waarbij tabellen worden vastgesteld waaruit de relatie tussen de kosten van kinderopvang en de kinderopvangtoeslag kan worden afgelezen en waarbij tevens wordt bepaald in welke gevallen de ouder aanspraak heeft op een kinderopvangtoeslag die 33,3 procent of minder bedraagt van de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 1.7, eerste lid.
|
||||
|
||||
**2.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de hoogte van het bedrag dat als vaste eigen bijdrage van de ouder in mindering wordt gebracht op de kinderopvangtoeslag. Daarbij kunnen het toetsingsinkomen van de ouder en zijn partner, de aanwezigheid van een partner en het aantal kinderen in aanmerking worden genomen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -383,9 +381,9 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**1.** Degene die voornemens is een kindercentrum of gastouderbureau in exploitatie te nemen, doet daarvoor een aanvraag bij het college.
|
||||
|
||||
**2.** De houder van een gastouderbureau dient een aanvraag in voor degene die door zijn tussenkomst voornemens is gastouderopvang te bieden. De aanvraag, bedoeld in de eerste volzin, wordt namens de gastouder gedaan bij het college.
|
||||
**2.** De houder van een gastouderbureau dient een aanvraag in voor degene die door zijn tussenkomst voornemens is gastouderopvang te bieden. De aanvraag, bedoeld in de eerste volzin, wordt namens de gastouder of voorgenomen gastouder gedaan bij het college.
|
||||
|
||||
**3.** Een kindercentrum, een gastouderbureau of een voorziening voor gastouderopvang wordt niet in exploitatie genomen voordat een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62, eerste lid, heeft plaatsgevonden, waaruit blijkt dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van deze afdeling.
|
||||
**3.** Een kindercentrum, een gastouderbureau of een voorziening voor gastouderopvang wordt niet in exploitatie genomen voordat een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62, eerste lid, heeft plaatsgevonden, waaruit blijkt dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de bij of krachtens de artikelen 1.49 tot en met 1.59 gestelde regels.
|
||||
|
||||
**4.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven over de gegevens die worden verstrekt bij de aanvraag, bedoeld in het eerste en tweede lid, en over de wijze van verstrekking van deze gegevens, waaronder voorschriften over de verstrekking van het burgerservicenummer.
|
||||
|
||||
|
|
@ -393,7 +391,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 1.46
|
||||
|
||||
**1.** Uiterlijk tien weken na de ontvangst van de aanvraag, bedoeld in artikel 1.45, eerste of tweede lid, besluit het college op de aanvraag. Indien uit het onderzoek, bedoeld in artikel 1.62, eerste lid, is gebleken dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van deze afdeling en anderszins niet is gebleken van feiten en omstandigheden die op het tegendeel duiden, wordt positief op de aanvraag beslist.
|
||||
**1.** Uiterlijk tien weken na de ontvangst van de aanvraag, bedoeld in artikel 1.45, eerste of tweede lid, besluit het college op de aanvraag. Indien uit het onderzoek, bedoeld in artikel 1.62, eerste lid, is gebleken dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de bij of krachtens de artikelen 1.49 tot en met 1.59 gestelde regels en anderszins niet is gebleken van feiten en omstandigheden die op het tegendeel duiden, wordt positief op de aanvraag beslist.
|
||||
|
||||
**2.** In de beschikking waarin positief op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt beslist, bepaalt het college de datum van ingang van de exploitatie. Deze datum ligt niet voor de datum van de bekendmaking van de beschikking. Het college draagt zorg voor inschrijving van het kindercentrum, het gastouderbureau of de voorziening voor gastouderopvang in het register kinderopvang waarbij de datum van ingang van de exploitatie als startdatum van de registratie wordt opgenomen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -907,7 +905,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 1.61
|
||||
|
||||
**1.** Het college ziet toe op de naleving van de bij of krachtens de artikelen 1.45 tot en met 1.59 gestelde regels, onderscheidenlijk de krachtens artikel 1.65 gegeven aanwijzingen en bevelen en de krachtens artikel 1.66, eerste lid, gegeven bevelen tot sluiting dan wel de krachtens artikel 1.66, tweede lid, uitgevaardigde verboden en de in de bij artikel 1.50b vastgestelde algemene maatregel van bestuur vastgelegde basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie. Het college wijst de directeur publieke gezondheid van de GGD, bedoeld in artikel 14, derde lid, van de Wet publieke gezondheid, aan als toezichthouder.
|
||||
**1.** Het college ziet toe op de naleving van de bij of krachtens de artikelen 1.45, derde lid, 1.47, eerste lid, en 1.49 tot en met 1.59 gestelde regels, onderscheidenlijk de krachtens artikel 1.65 gegeven aanwijzingen en bevelen en de krachtens artikel 1.66, eerste lid, gegeven bevelen tot sluiting dan wel de krachtens artikel 1.66, tweede lid, uitgevaardigde verboden en de in de bij artikel 1.50b vastgestelde algemene maatregel van bestuur vastgelegde basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie. Het college wijst de directeur publieke gezondheid van de GGD, bedoeld in artikel 14, derde lid, van de Wet publieke gezondheid, aan als toezichthouder.
|
||||
|
||||
**2.** Voor zover een kindercentrum een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau in een woning is gevestigd, zijn de toezichthouders ter uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste lid, bevoegd zonder toestemming van de bewoners in die woning binnen te treden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -919,13 +917,13 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 1.62
|
||||
|
||||
**1.** De toezichthouder onderzoekt na een aanvraag als bedoeld in artikel 1.45, eerste of tweede lid, binnen een bij regeling van Onze Minister te stellen termijn of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de bij of krachtens de artikelen 1.45 tot en met 1.59 gestelde regels.
|
||||
**1.** De toezichthouder houdt toezicht op de naleving van artikel 1.45, derde lid, en onderzoekt na een aanvraag als bedoeld in artikel 1.45, eerste of tweede lid, binnen een bij regeling van Onze Minister te stellen termijn of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de bij of krachtens de artikelen 1.49 tot en met 1.59 gestelde regels.
|
||||
|
||||
**2.** Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder in redelijkheid bij ieder geregistreerd kindercentrum en geregistreerd gastouderbureau jaarlijks of de exploitatie in overeenstemming is met de bij of krachtens de artikelen 1.45 tot en met 1.59 gestelde regels.
|
||||
**2.** Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder in redelijkheid bij ieder geregistreerd kindercentrum en geregistreerd gastouderbureau jaarlijks of de exploitatie in overeenstemming is met de bij of krachtens de artikelen 1.47, eerste lid, en 1.49 tot en met 1.59 gestelde regels.
|
||||
|
||||
**3.** Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder in redelijkheid op grond van steekproeven jaarlijks of de exploitatie van geregistreerde voorzieningen voor gastouderopvang in overeenstemming is met de bij of krachtens de artikelen 1.45 tot en met 1.59 gestelde regels.
|
||||
**3.** Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder in redelijkheid op grond van steekproeven jaarlijks of de exploitatie van geregistreerde voorzieningen voor gastouderopvang in overeenstemming is met de bij of krachtens de artikelen 1.47, eerste lid, en 1.49 tot en met 1.59 gestelde regels.
|
||||
|
||||
**4.** Naast het onderzoek, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, kan de toezichthouder als daar aanleiding toe is incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving door een houder van de bij of krachtens de artikelen 1.45 tot en met 1.59 gestelde regels.
|
||||
**4.** Naast het onderzoek, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, kan de toezichthouder als daar aanleiding toe is incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving door een houder van de bij of krachtens de artikelen 1.47, eerste lid, 1.49 tot en met 1.59, 1.65 en 1.66 gestelde regels.
|
||||
|
||||
**5.** Indien tijdens een onderzoek als bedoeld in het tweede tot en met het vierde lid tekortkomingen zijn geconstateerd kan de toezichthouder nadien een of meer nadere onderzoeken verrichten.
|
||||
|
||||
|
|
@ -933,7 +931,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**1.** De toezichthouder legt zijn oordeel naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62, eerste tot en met vijfde lid vast in een inspectierapport.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de bij of krachtens de artikelen 1.45 tot en met 1.59 gestelde regels niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport.
|
||||
**2.** Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de bij of krachtens de artikelen 1.47, eerste lid, en 1.49 tot en met 1.59 gestelde regels niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport.
|
||||
|
||||
**3.** Alvorens het rapport vast te stellen, stelt de toezichthouder de houder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover zijn zienswijze kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de zienswijze van de houder in een bijlage bij het rapport. Dit lid is niet van toepassing op een inspectierapport dat wordt opgesteld naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62, vijfde lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -959,7 +957,7 @@ c. de houder van een gastouderbureau, indien het rapport betrekking heeft op een
|
|||
|
||||
### Artikel 1.65
|
||||
|
||||
**1.** Het college van de gemeente waarin zich een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau bevindt dat de bij of krachtens de artikelen 1.45 tot en met 1.59 gestelde regels niet of in onvoldoende mate naleeft, kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven.
|
||||
**1.** Het college van de gemeente waarin zich een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau bevindt dat de bij of krachtens de artikelen 1.47, eerste lid, en 1.49 tot en met 1.59 gestelde regels niet of in onvoldoende mate naleeft, kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven.
|
||||
|
||||
**2.** In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geeft het college met redenen omkleed aan op welke punten de in het eerste lid bedoelde voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd, alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -978,7 +976,7 @@ b. dat de kwaliteit van een gastouderbureau zodanig tekort schiet, en daardoor h
|
|||
|
||||
**1.** Het college kan de houder verbieden de exploitatie van een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau voort te zetten, zolang hij een bevel of aanwijzing niet opvolgt en het opleggen van een last onder bestuursdwang niet mogelijk is.
|
||||
|
||||
**2.** Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62 of anderszins blijkt dat het kindercentrum, de voorziening voor gastouderopvang of het gastouderbureau naar verwachting niet dan wel niet langer aan de bij of krachtens afdeling 3, paragraaf 2, van dit hoofdstuk gegeven voorschriften zal voldoen, kan het college zolang die situatie zich voordoet, de houder verbieden dat kindercentrum, die voorziening voor gastouderopvang of dat gastouderbureau in exploitatie te nemen of te houden.
|
||||
**2.** Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62 of anderszins blijkt dat het kindercentrum, de voorziening voor gastouderopvang of het gastouderbureau naar verwachting niet dan wel niet langer aan de bij of krachtens de artikelen 1.49 tot en met 1.59 gegeven voorschriften zal voldoen, kan het college zolang die situatie zich voordoet, de houder verbieden dat kindercentrum, die voorziening voor gastouderopvang of dat gastouderbureau in exploitatie te nemen of te houden.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 2a. Geschillen
|
||||
|
||||
|
|
@ -1057,9 +1055,9 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 1.72
|
||||
|
||||
**1.** Het college kan de houder die een verplichting als bedoeld bij of krachtens de artikelen 1.45 tot en met 1.59, een afspraak als bedoeld in artikel 167 van de Wet op het primair onderwijs, een aanwijzing onderscheidenlijk een bevel als bedoeld in artikel 1.65 of een vordering tot medewerking als bedoeld in artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht niet nakomt dan wel handelt in strijd met een verbod krachtens artikel 1.66, een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 45 000.
|
||||
**1.** Het college kan degene die een verplichting als bedoeld bij of krachtens de artikelen 1.47, eerste lid, en 1.49 tot en met 1.59, een afspraak als bedoeld in artikel 167 van de Wet op het primair onderwijs, een aanwijzing onderscheidenlijk een bevel als bedoeld in artikel 1.65 of een vordering tot medewerking als bedoeld in artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht niet nakomt dan wel handelt in strijd met een verbod krachtens artikel 1.66, een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 45 000.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid kan de overtreding van de houder niet met een bestuurlijke boete worden afgedaan, indien de overtreding opzettelijk of roekeloos geschiedt en een direct gevaar voor de gezondheid of de veiligheid van personen tot gevolg heeft.
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid kan de overtreding niet met een bestuurlijke boete worden afgedaan, indien de overtreding opzettelijk of roekeloos geschiedt en een direct gevaar voor de gezondheid of de veiligheid van personen tot gevolg heeft.
|
||||
|
||||
### Artikel 73
|
||||
|
||||
|
|
@ -1102,10 +1100,9 @@ Indien het college voornemens is een bestuurlijke boete op te leggen, geeft hij
|
|||
Indien het college de houder in het kader van het toezicht op de naleving van de verplichtingen op basis van dit hoofdstuk:
|
||||
|
||||
a. een sanctie als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht oplegt;
|
||||
b. een aanwijzing of een bevel als bedoeld in artikel 1.65 geeft,
|
||||
c. een verbod tot exploitatie als bedoeld in artikel 1.66 oplegt;
|
||||
d. een vordering tot medewerking als bedoeld in artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht doet; of
|
||||
e. een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 1.72 oplegt;
|
||||
b. een aanwijzing als bedoeld in artikel 1.65 geeft,
|
||||
c. een verbod tot exploitatie als bedoeld in artikel 1.66 oplegt; of
|
||||
d. een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 1.72 oplegt;
|
||||
|
||||
wordt daarover een vermelding opgenomen in het register kinderopvang zodra dit besluit onherroepelijk is.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1208,13 +1205,13 @@ In dit hoofdstuk en de op dit hoofdstuk berustende bepalingen wordt verstaan ond
|
|||
|
||||
**1.** Degene die voornemens is een peuterspeelzaal in exploitatie te nemen, doet daarvan een aanvraag bij het college.
|
||||
|
||||
**2.** Een peuterspeelzaal wordt niet in exploitatie genomen voordat een onderzoek als bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, heeft plaatsgevonden waaruit blijkt dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van deze afdeling.
|
||||
**2.** Een peuterspeelzaal wordt niet in exploitatie genomen voordat een onderzoek als bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, heeft plaatsgevonden waaruit blijkt dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de bij of krachtens de artikelen 2.5 tot en met 2.16 gestelde regels.
|
||||
|
||||
**3.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven over de gegevens die worden verstrekt bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, en over de wijze van verstrekking van deze gegevens.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3
|
||||
|
||||
**1.** Uiterlijk tien weken na de ontvangst van de aanvraag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, besluit het college op de aanvraag. Indien uit het onderzoek, bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, is gebleken dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de paragrafen 2 en 3 van deze afdeling en anderszins niet is gebleken van feiten en omstandigheden die op het tegendeel duiden, wordt positief op de aanvraag beslist.
|
||||
**1.** Uiterlijk tien weken na de ontvangst van de aanvraag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, besluit het college op de aanvraag. Indien uit het onderzoek, bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, is gebleken dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de bij of krachtens de artikelen 2.5 tot en met 2.16 gestelde regels en anderszins niet is gebleken van feiten en omstandigheden die op het tegendeel duiden, wordt positief op de aanvraag beslist.
|
||||
|
||||
**2.** In de beschikking waarin positief op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt beslist, bepaalt het college de datum van ingang van de exploitatie. Deze datum ligt niet voor de datum van de bekendmaking van de beschikking. Het college draagt zorg voor inschrijving van de peuterspeelzaal in het register peuterspeelzaalwerk waarbij de datum van ingang van de exploitatie als startdatum van de registratie wordt opgenomen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1445,7 +1442,7 @@ Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van de artikelen 2.13a en 2.13b en
|
|||
|
||||
### Artikel 2.14
|
||||
|
||||
Deze paragraaf is slechts van toepassing op niet-gesubsidieerde peuterspeelzalen.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 2.15
|
||||
|
||||
|
|
@ -1519,7 +1516,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 2.19
|
||||
|
||||
**1.** Het college ziet toe op de naleving van de bij of krachtens de artikelen 2.5 tot en met 2.16 gestelde regels, onderscheidenlijk de krachtens artikel 2.23 gegeven aanwijzingen en bevelen en de krachtens artikel 2.24, eerste lid, gegeven bevelen tot sluiting dan wel de krachtens artikel 2.24, tweede lid, uitgevaardigde verboden, en de in de bij artikel 2.8 vastgestelde algemene maatregel van bestuur vastgelegde basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie. Het college wijst de directeur publieke gezondheid van de GGD, bedoeld in artikel 14, derde lid, van de Wet publieke gezondheid, aan als toezichthouder.
|
||||
**1.** Het college ziet toe op de naleving van de bij of krachtens de artikelen 2.2, tweede lid, 2.4, eerste lid, en 2.5 tot en met 2.16 gestelde regels, onderscheidenlijk de krachtens artikel 2.23 gegeven aanwijzingen en bevelen en de krachtens artikel 2.24, eerste lid, gegeven bevelen tot sluiting dan wel de krachtens artikel 2.24, tweede lid, uitgevaardigde verboden, en de in de bij artikel 2.8 vastgestelde algemene maatregel van bestuur vastgelegde basisvoorwaarden voor kwaliteit van voorschoolse educatie. Het college wijst de directeur publieke gezondheid van de GGD, bedoeld in artikel 14, derde lid, van de Wet publieke gezondheid, aan als toezichthouder.
|
||||
|
||||
**2.** Voor zover een peuterspeelzaal is gevestigd in een woning, zijn de toezichthouders ter uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste lid, bevoegd zonder toestemming van de bewoners in die woning binnen te treden.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1531,11 +1528,11 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 2.20
|
||||
|
||||
**1.** De toezichthouder onderzoekt na een aanvraag als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, binnen een bij regeling van Onze Minister te stellen termijn of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de bij of krachtens de artikelen 2.5 tot en met 2.16 gestelde regels.
|
||||
**1.** De toezichthouder houdt toezicht op de naleving van artikel 2.2, tweede lid, en onderzoekt na een aanvraag als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, binnen een bij regeling van Onze Minister te stellen termijn of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de bij of krachtens de artikelen 2.5 tot en met 2.16 gestelde regels.
|
||||
|
||||
**2.** Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder jaarlijks of de exploitatie van elke geregistreerde peuterspeelzaal plaatsvindt in overeenstemming met de bij of krachtens de artikelen 2.5 tot en met 2.16 gestelde regels, behoudens bijzondere omstandigheden.
|
||||
**2.** Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder jaarlijks of de exploitatie van elke geregistreerde peuterspeelzaal plaatsvindt in overeenstemming met de bij of krachtens de artikelen 2.4, eerste lid, en 2.5 tot en met 2.16 gestelde regels, behoudens bijzondere omstandigheden.
|
||||
|
||||
**3.** Naast het onderzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid, kan de toezichthouder incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving door een houder van de bij of krachtens de artikelen 2.5 tot en met 2.16 gestelde regels.
|
||||
**3.** Naast het onderzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid, kan de toezichthouder incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving door een houder van de bij of krachtens de artikelen 2.4, eerste lid, 2.5 tot en met 2.16, 2.23 en 2.24 gestelde regels.
|
||||
|
||||
**4.** Indien tijdens een onderzoek als bedoeld in het tweede of het derde lid tekortkomingen zijn geconstateerd kan de toezichthouder nadien een of meer nadere onderzoeken verrichten.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1543,7 +1540,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**1.** De toezichthouder legt zijn oordeel naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 2.20, eerste tot en met vierde lid, vast in een inspectierapport.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de bij of krachtens de artikelen 2.5 tot en met 2.16 gestelde regels niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport.
|
||||
**2.** Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de bij of krachtens de artikelen 2.4, eerste lid, en 2.5 tot en met 2.16 gestelde regels niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport.
|
||||
|
||||
**3.** Alvorens het rapport vast te stellen, stelt de toezichthouder de houder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover zijn zienswijze kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de zienswijze van de houder in een bijlage bij het rapport. Dit lid is niet van toepassing op een inspectierapport dat wordt opgesteld naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 2.20, vierde lid.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1563,7 +1560,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 2.23
|
||||
|
||||
**1.** Het college van de gemeente waarin zich een peuterspeelzaal bevindt die de bij of krachtens de artikelen 2.5 tot en met 2.16 gestelde regels niet of in onvoldoende mate naleeft, kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven.
|
||||
**1.** Het college van de gemeente waarin zich een peuterspeelzaal bevindt die de bij of krachtens de artikelen 2.4, eerste lid, en 2.5 tot en met 2.16 gestelde regels niet of in onvoldoende mate naleeft, kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven.
|
||||
|
||||
**2.** In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geeft het college met redenen omkleed aan op welke punten de in het eerste lid bedoelde voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd, alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1575,7 +1572,7 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
**1.** Het college kan de houder verbieden de exploitatie van een peuterspeelzaal voort te zetten, zolang hij een bevel of aanwijzing niet opvolgt en het opleggen van een last onder bestuursdwang niet mogelijk is.
|
||||
|
||||
**2.** Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 2.20 of anderszins blijkt dat de peuterspeelzaal naar verwachting niet dan wel niet langer aan de bij of krachtens afdeling 2, paragraaf 2, van dit hoofdstuk gegeven voorschriften zal voldoen, kan het college zolang die situatie zich voordoet, de houder verbieden die peuterspeelzaal in exploitatie te nemen of te houden.
|
||||
**2.** Indien uit een onderzoek als bedoeld in artikel 2.20 of anderszins blijkt dat de peuterspeelzaal naar verwachting niet dan wel niet langer aan de bij of krachtens de artikelen 2.5 tot en met 2.16 gegeven voorschriften zal voldoen, kan het college zolang die situatie zich voordoet, de houder verbieden die peuterspeelzaal in exploitatie te nemen of te houden.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 2a. Geschillen
|
||||
|
||||
|
|
@ -1632,13 +1629,15 @@ Vervallen
|
|||
|
||||
### Artikel 2.27
|
||||
|
||||
Deze afdeling is slechts van toepassing op niet-gesubsidieerde peuterspeelzalen.
|
||||
Vervallen
|
||||
|
||||
### Artikel 2.28
|
||||
|
||||
**1.** Het college kan de houder die een verplichting als bedoeld bij of krachtens de artikelen 2.5 tot en met 2.16, een afspraak als bedoeld in artikel 167 van de Wet op het primair onderwijs, een aanwijzing onderscheidenlijk een bevel als bedoeld in artikel 2.23 of een vordering tot medewerking als bedoeld in artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht niet nakomt dan wel handelt in strijd met een verbod krachtens artikel 2.24, een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 45 000.
|
||||
**1.** Het college kan degene die een verplichting als bedoeld bij of krachtens de artikelen 2.4, eerste lid, en 2.5 tot en met 2.16, een afspraak als bedoeld in artikel 167 van de Wet op het primair onderwijs, een aanwijzing onderscheidenlijk een bevel als bedoeld in artikel 2.23 of een vordering tot medewerking als bedoeld in artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht niet nakomt dan wel handelt in strijd met een verbod krachtens artikel 2.24, een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 45 000.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid kan de overtreding van de houder niet met een bestuurlijke boete worden afgedaan, indien de overtreding opzettelijk of roekeloos geschiedt en een direct gevaar voor de gezondheid of de veiligheid van personen tot gevolg heeft.
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid kan de overtreding niet met een bestuurlijke boete worden afgedaan, indien de overtreding opzettelijk of roekeloos geschiedt en een direct gevaar voor de gezondheid of de veiligheid van personen tot gevolg heeft.
|
||||
|
||||
**3.** Dit artikel is slechts van toepassing op niet-gesubsidieerde peuterspeelzalen.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 4a. Vermelding handhaving
|
||||
|
||||
|
|
@ -1649,10 +1648,9 @@ Deze afdeling is slechts van toepassing op niet-gesubsidieerde peuterspeelzalen.
|
|||
Indien het college de houder in het kader van het toezicht op de naleving van de verplichtingen op basis van dit hoofdstuk:
|
||||
|
||||
a. een sanctie als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht oplegt;
|
||||
b. een aanwijzing of een bevel als bedoeld in artikel 2.23, geeft,
|
||||
c. een verbod tot exploitatie als bedoeld in artikel 2.24 oplegt;
|
||||
d. een vordering tot medewerking als bedoeld in artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht doet; of
|
||||
e. een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 2.28 oplegt;
|
||||
b. een aanwijzing als bedoeld in artikel 2.23, geeft,
|
||||
c. een verbod tot exploitatie als bedoeld in artikel 2.24 oplegt; of
|
||||
d. een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 2.28 oplegt;
|
||||
|
||||
wordt daarover een vermelding opgenomen in het register peuterspeelzaalwerk zodra dit besluit onherroepelijk is.
|
||||
|
||||
|
|
@ -1801,10 +1799,6 @@ Personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.2 werkzaam zijn
|
|||
|
||||
### Artikel 3.8i
|
||||
|
||||
In afwijking van artikel 1.1a, vijfde lid, zoals dat luidde op 31 december 2012, is voor de berekeningsjaren 2012 en 2013 artikel 15, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen van toepassing op een aanvraag om kinderopvangtoeslag als bedoeld in artikel 1.5.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.8j
|
||||
|
||||
Indien er op het moment van inwerkingtreding van afdeling 2 van hoofdstuk 2 van deze wet een oudercommissie is, geldt de verplichting van artikel 2.16 voor een houder van een peuterspeelzaal die op het tijdstip van inwerkingtreding van afdeling 2 van hoofdstuk 2 een peuterspeelzaal in stand houdt, eerst zes maanden na dat tijdstip.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.8k
|
||||
|
|
@ -1837,7 +1831,7 @@ De Regeling kinderopvang en buitenschoolse opvang alleenstaande ouders wordt ing
|
|||
|
||||
### Artikel 3.11
|
||||
|
||||
De voordracht voor een krachtens de artikelen 1.7, tweede tot en met vierde lid, 1.8, 1.50, tweede lid, 1.56, tweede lid, en 1.56b, tweede lid, 1.87, en 2.29 vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
|
||||
De voordracht voor een krachtens de artikelen 1.6, zevende lid, 1.7, tweede tot en met vierde lid, 1.8, 1.50, tweede lid, 1.56, tweede lid, en 1.56b, tweede lid, 1.87, en 2.29 vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.12
|
||||
|
||||
|
|
|
|||
Loading…
Add table
Reference in a new issue