2002-03-15 | BWBR0012645 | Besluit tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

This commit is contained in:
Coornhert 2002-03-15 12:00:00 +00:00
parent b99c62af09
commit 1b3dbf95b2

View file

@ -18,75 +18,47 @@ In dit besluit wordt verstaan onder wet: Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
### Artikel 2
Vervallen
De vreemdeling die tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 3 van de wet aanvraagt, wordt met een Nederlander gelijkgesteld indien die vreemdeling rechtmatig in Nederland verblijf heeft:
a. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000,
b. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van die wet,
c. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van die wet,
d. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van die wet, of
e. bedoeld in artikel 8, onderdelen g of h, van die wet, voor zover er aan hem of ten behoeve van hem reeds tegemoetkoming is verstrekt.
### Artikel 3
**1.**
De vreemdeling die een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 of 5 van de wet aanvraagt, wordt met een Nederlander gelijkgesteld indien die vreemdeling rechtmatig in Nederland verblijf heeft:
Artikel 2 is van overeenkomstige toepassing op de vreemdeling die tegemoetkoming op grond van de hoofdstukken 4 of 5 van de wet aanvraagt, met dien verstande dat de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, verleend is onder de beperking:
a. op grond van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000;
b. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000;
c. op grond van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8, onder d, van de Vreemdelingenwet 2000; of
d. op grond van artikel 8, onderdelen g of h, van de Vreemdelingenwet 2000, voor zover er aan hem reeds tegemoetkoming is verstrekt.
e. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 die is verleend onder een beperking:
1°. verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid van een Nederlander of van een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b, c of dit onderdeel, of hiermee verband houdende niet-tijdelijke humanitaire gronden;
2°. verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden of hiermee verband houdende niet-tijdelijke humanitaire gronden;
3°. als bedoeld in artikel 3.4, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 of hiermee verband houdende niet-tijdelijke humanitaire gronden;
4°. verband houdende met afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet als bedoeld in artikel 3.17a, onderdeel b, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 of hiermee verband houdende niet-tijdelijke humanitaire gronden; of
5°. verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden die volgt op een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 die is verleend onder de beperking medische behandeling;
6°. verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden die als eerste verblijfsvergunning op grond van de Vreemdelingenwet 2000 wordt toegekend.
a. verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming als bedoeld in artikel 15 van de Vreemdelingenwet 2000 met een Nederlander of met een vreemdeling als bedoeld in artikel 2, onderdelen a, b, c of d,
b. verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling of als gevolg daarvan voortgezet verblijf, of
c. verblijf ter adoptie of als pleegkind of als gevolg daarvan voortgezet verblijf.
**2.**
Met een Nederlander wordt mede gelijkgesteld de vreemdeling die in Nederland verblijft en die tegemoetkoming aanvraagt ingevolge:
Met een Nederlander wordt mede gelijkgesteld de vreemdeling die in Nederland verblijft en die aanspraak maakt op tegemoetkoming ingevolge:
a. hoofdstuk 4 van de wet; of
b. hoofdstuk 5 van de wet en ten behoeve van wie of aan wie een tegemoetkoming is verstrekt op grond van hoofdstuk 4 van de wet of aan wie studiefinanciering is verstrekt ingevolge de Wet studiefinanciering 2000.
### Artikel 3a
**1.**
Artikel 2.2, derde lid, van de wet is van toepassing op een persoon die:
a. een nationaliteit heeft van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel van Zwitserland;
b. niet het duurzaam verblijfsrecht, bedoeld in artikel 16 van richtlijn 2004/38/EG, heeft verworven; en
c. geen:
1°. werknemer;
2°. zelfstandige;
3°. persoon die de status van werknemer of zelfstandige heeft behouden; of
4°. familie van een persoon als bedoeld in onderdeel 1° tot en met 3° is.
**2.**
Artikel 2.2, derde lid, van de wet is eveneens van toepassing op een persoon die in Nederland rechtmatig verblijf heeft op grond van:
a. een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 3.30b van het Vreemdelingenbesluit 2000; of
b. een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 3.33 van het Vreemdelingenbesluit 2000.
**3.** Artikel 2.2, derde lid, van de wet is eveneens van toepassing op familieleden van een persoon als bedoeld in het eerste en tweede lid.
**4.** De tegemoetkoming op grond van het eerste tot en met derde lid wordt verstrekt in de vorm van een gift en bestaat uit het bedrag genoemd in artikel 4.6 van de wet en voor zover het een leerling betreft als bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, van de wet een bedrag ter grootte van eentwaalfde deel van het bedrag, bedoeld in artikel 5, tweede lid van de Les- en cursusgeldwet. Onze Minister verrekent het laatstgenoemde bedrag met de verschuldigde onderwijsbijdrage. Voor zover blijkt dat de onderwijsbijdrage reeds aan Onze Minister is betaald, wordt het bedrag door Onze Minister terugbetaald binnen 6 weken na het besluit, bedoeld in artikel 4.8, tweede lid, van de wet.
**5.** In afwijking van artikel 4.10, tweede lid, van de wet, kan een aanvraag op grond van artikel 2.2, derde lid, van de wet, betrekking hebben op een periode die uiterlijk aanvangt op de eerste dag van de vierde maand voorafgaand aan de maand waarin de aanvraag wordt ingediend.
**6.** De tegemoetkoming wordt toegekend in één bedrag per schooljaar. Indien de aanspraak gedurende een schooljaar ontstaat bestaat de aanspraak uit ééntwaalfde van het bedrag per schooljaar maal het aantal resterende maanden van dat schooljaar.
a. hoofdstuk 4 van de wet en ten behoeve van wie of aan wie een tegemoetkoming is verstrekt op grond van hoofdstuk 3 van de wet,
b. hoofdstuk 5 van de wet en ten behoeve van wie of aan wie een tegemoetkoming is verstrekt op grond van hoofdstuk 3 of 4 van de wet of aan wie studiefinanciering is verstrekt ingevolge de Wet studiefinanciering 2000, of
c. hoofdstuk 5 van de wet en houder is van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, die verleend is onder de beperking verrichten van arbeid.
### Artikel 4
Artikel 16 van het Besluit studiefinanciering 2000 is van overeenkomstige toepassing op de verplichting, bedoeld in artikel 9.5 van de wet.
**1.** Artikel 16, eerste lid, van het Besluit studiefinanciering 2000 is van overeenkomstige toepassing op de verplichting, bedoeld in artikel 9.5 van de wet.
**2.** Artikel 16, tweede lid, van het Besluit studiefinanciering 2000 is van overeenkomstige toepassing op de verplichting, bedoeld in artikel 9.6 van de wet.
### Artikel 5
**1.** Onze Minister past de bedragen, genoemd in de artikelen 2.23, tweede lid, en 10.5, tweede lid, van de wet, per 1 januari van ieder kalenderjaar aan met de procentuele wijziging die het indexcijfer van de CAO-lonen in het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar heeft ondergaan.
**2.** Onze Minister past de bedragen, genoemd in de artikelen 4.3, 4.6, 5.4, 5.10 en 10.7, derde lid, van de wet per 1 januari van ieder kalenderjaar aan met de procentuele wijziging die de consumentenprijsindex over het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar heeft ondergaan.
**2.** Onze Minister past de bedragen, genoemd in de artikelen 3.5, 4.3, 4.6, 5.10 en 10.7, derde lid, van de wet per 1 januari van ieder kalenderjaar aan met de procentuele wijziging die het indexcijfer van de consumentenprijs over het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar heeft ondergaan.
**3.** Bij ministeriële regeling wordt bepaald wat onder de consumentenprijsindex en het indexcijfer van de CAO-lonen wordt verstaan.
**3.** Als indexcijfer van de CAO-lonen wordt gehanteerd de reeks CAO-lonen per maand inclusief bijzondere beloningen, zoals dat wordt berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek en bekendgemaakt in het Statistisch bulletin van het Centraal Bureau voor de Statistiek.
**4.** Als indexcijfer van de consumentenprijs wordt gehanteerd de reeks werknemersgezinnen met een laag inkomen, zoals dat wordt berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek en bekendgemaakt in het Statistisch bulletin van het Centraal Bureau voor de Statistiek.
## Hoofdstuk 2. Overgangsrecht
@ -94,10 +66,6 @@ Artikel 16 van het Besluit studiefinanciering 2000 is van overeenkomstige toepas
Degenen die op 31 juli 2001 op grond van het Besluit tegemoetkoming studiekosten rechtmatig tegemoetkoming ontvingen, voldoen aan de nationaliteitseis, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de wet.
### Artikel 6a
Vervallen
## Hoofdstuk 3. Wijzigingen in andere besluiten
### Artikel 7