2002-03-01 | BWBR0005829 | Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer
This commit is contained in:
parent
05b343263e
commit
1c5e3a2dd4
1 changed files with 534 additions and 0 deletions
|
|
@ -0,0 +1,534 @@
|
|||
---
|
||||
titel: Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer
|
||||
bwb_id: BWBR0005829
|
||||
type: AMvB
|
||||
status: geldend
|
||||
datum_inwerkingtreding: '1993-03-01'
|
||||
bron: https://wetten.overheid.nl/BWBR0005829
|
||||
citeertitel: Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer
|
||||
---
|
||||
|
||||
# Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 1
|
||||
|
||||
In dit besluit wordt verstaan onder:
|
||||
|
||||
a. de wet: de Wet milieubeheer;
|
||||
b. vergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de wet;
|
||||
c. bijlage I, II, III en IV: de bij dit besluit behorende bijlage I, II, III onderscheidenlijk IV;
|
||||
d. bodem: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet bodembescherming;
|
||||
e. genetische modificatie, micro-organismen, organismen en genetisch gemodificeerde organismen: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit genetisch gemodificeerde organismen Wet milieugevaarlijke stoffen;
|
||||
f. regionaal openbaar lichaam: een regionaal openbaar lichaam als bedoeld in de Kaderwet bestuur in verandering;
|
||||
g. dagelijks bestuur: dagelijks bestuur van een regionaal openbaar lichaam;
|
||||
h. samenwerkingsgebied: een samenwerkingsgebied als bedoeld in de Kaderwet bestuur in verandering.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 2. Aanwijzing van categorieën van inrichtingen
|
||||
|
||||
### Artikel 2.1
|
||||
|
||||
**1.** Als categorieën van inrichtingen als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de wet, die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, worden aangewezen de categorieën van inrichtingen, die in bijlage I zijn genoemd.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid heeft de aanwijzing geen betrekking op inrichtingen voor de uitoefening van detailhandel, voor zover die aanwijzing uitsluitend zou gelden omdat in de inrichting stoffen, preparaten of andere produkten worden op- of overgeslagen, die zijn genoemd in bijlage I, onder de categorieën 4.1, onder *b* tot en met *f*, 6.1, 8.1, 9.1, 11.1, met uitzondering van asbest of asbesthoudende produkten, 12.1, 15 of 16.1.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.2
|
||||
|
||||
Als categorieën van inrichtingen in de zin van artikel 1.1, vijfde lid, van de wet, waarin afvalstoffen die van buiten de inrichting afkomstig zijn, worden verwijderd, worden aangewezen de categorieën van inrichtingen, die zijn genoemd in bijlage I, onder 27 en 28.4 tot en met 28.6.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.3
|
||||
|
||||
**1.** Als categorieën van inrichtingen als bedoeld in artikel 8.35, eerste lid, onder *a*, van de wet, worden aangewezen de categorieën van inrichtingen, die zijn genoemd in bijlage III, onder 1 en 2.
|
||||
|
||||
**2.** Als categorieën van inrichtingen als bedoeld in artikel 8.35, eerste lid, onder *b*, van de wet, worden aangewezen de categorieën van inrichtingen, die zijn genoemd in bijlage III, onder 3.
|
||||
|
||||
### Artikel 2.4
|
||||
|
||||
Als categorieën van inrichtingen als bedoeld in artikel 41 van de Wet geluidhinder, die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, worden aangewezen de categorieën van inrichtingen die zijn genoemd in bijlage I, onder:
|
||||
|
||||
1.3, onder *a*, *b*, voor zover het thermisch vermogen 75 MW of meer bedraagt, *c*, 1° en 2°, en *d*, waarbij voor de toepassing van onderdeel 1.3 veiligheidsfakkels ten behoeve van de opsporing of winning van aardgas buiten beschouwing blijven,
|
||||
|
||||
2.6, onder *b*, voor zover het betreft aardgasbehandelingsinstallaties bij aardgaswinputten en gasverzamelinrichtingen, en *c*,
|
||||
|
||||
4.3, onder *d*,
|
||||
|
||||
5.3, onder *b*,
|
||||
|
||||
6.2,
|
||||
|
||||
9.3,
|
||||
|
||||
11.3, onder *a* tot en met *e*, onder *g* en onder *k*,
|
||||
|
||||
12.2, onder *a* tot en met *g*,
|
||||
|
||||
12.2, onder *h*, voor zover het smeltpunt van de metalen of hun legeringen hoger is dan 800 K,
|
||||
|
||||
13.3, onder *b*,
|
||||
|
||||
14.2, voor zover een rangeerheuvel aanwezig is,
|
||||
|
||||
16.2,
|
||||
|
||||
19.2,
|
||||
|
||||
20.1, onder *b*,
|
||||
|
||||
24.2 en
|
||||
|
||||
27.3.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 3. Bevoegd gezag
|
||||
|
||||
### Artikel 3.1
|
||||
|
||||
Gedeputeerde staten van de provincie waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, zijn bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning ten aanzien van inrichtingen die behoren tot een categorie die daartoe in bijlage I is aangewezen.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.2
|
||||
|
||||
Onze Minister is bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning ten aanzien van inrichtingen die behoren tot een categorie die in bijlage II is aangewezen.
|
||||
|
||||
### Artikel 3.3
|
||||
|
||||
**1.** Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is bevoegd, in overeenstemming met Onze Minister, te beslissen op de aanvraag om een vergunning ten aanzien van inrichtingen die behoren tot een categorie die in bijlage I is aangewezen en die zijn of zullen zijn gelegen op of in de territoriale zee op een plaats die niet deel uitmaakt van een gemeente of provincie.
|
||||
|
||||
**2.** In afwijking van het eerste lid is Onze Minister van Economische Zaken bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning ten aanzien van bij een mijn behorende bovengronds gelegen inrichtingen als bedoeld in het eerste lid, die zijn aangewezen krachtens artikel 9, eerste lid, onder a, van de Mijnwet 1903.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 4. De wijze waarop de aanvraag om een vergunning moet geschieden
|
||||
|
||||
### Artikel 4.1
|
||||
|
||||
**1.** De aanvraag om een vergunning wordt in viervoud ingediend, indien zij betrekking heeft op een inrichting waarvoor burgemeester en wethouders bevoegd zijn te beslissen op de aanvraag.
|
||||
|
||||
**2.** De aanvraag om een vergunning wordt in zesvoud bij het bevoegde gezag ingediend, indien zij betrekking heeft op een inrichting waarvoor het dagelijks bestuur, gedeputeerde staten, Onze Minister, Onze Minister van Economische Zaken of Onze Minister van Verkeer en Waterstaat bevoegd zijn te beslissen op de aanvraag.
|
||||
|
||||
**3.** De aanvraag om een vergunning wordt in achtvoud ingediend, indien zij betrekking heeft op een inrichting die behoort tot een in bijlage III genoemde categorie van inrichtingen.
|
||||
|
||||
**4.** In gevallen waarin bij de artikelen 7.1, dan wel 7.2 of 7.3 van dit besluit meer dan een, onderscheidenlijk drie adviseurs en betrokken bestuursorganen zijn aangewezen, verstrekt de aanvrager op verzoek van het bevoegd gezag even zoveel meer exemplaren van de aanvraag.
|
||||
|
||||
### Artikel 4.2
|
||||
|
||||
De bij de vergunningaanvraag behorende stukken worden door of namens de aanvrager gekenmerkt als behorende tot de aanvraag.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 5. Gegevensverstrekking
|
||||
|
||||
### Paragraaf 1. Gegevensverstrekking bij een aanvraag om een vergunning voor het oprichten onderscheidenlijk het in werking hebben van een inrichting
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 1.1. Algemeen
|
||||
|
||||
### Artikel 5.1
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In of bij de aanvraag om een vergunning voor het oprichten of het in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, onder *a* en *c*, van de wet, vermeldt de aanvrager:
|
||||
|
||||
a. zijn naam en adres;
|
||||
b. het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van de inrichting;
|
||||
c. de aard van de inrichting;
|
||||
d. de indeling, de uitvoering, de activiteiten en de processen in de inrichting en de ten behoeve daarvan toe te passen technieken of installaties, waaronder begrepen de wijze van energievoorziening, voor zover die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de nadelige gevolgen voor het milieu, die de inrichting kan veroorzaken;
|
||||
e. de voor de activiteiten en de processen, bedoeld onder *d*, kenmerkende gegevens met betrekking tot grondstoffen, tussen-, neven- en eindproducten;
|
||||
f. de maximale capaciteit van de inrichting en het maximale motorische of thermische vermogen van de tot de inrichting behorende installaties;
|
||||
g. de tijden en dagen, dan wel perioden waarop de inrichting of de te onderscheiden onderdelen daarvan in bedrijf zullen zijn;
|
||||
h. de aard en omvang van de belasting van het milieu die de inrichting tijdens normaal bedrijf kan veroorzaken, daaronder begrepen een overzicht van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die daardoor kunnen worden veroorzaakt;
|
||||
i. de maatregelen of voorzieningen ten behoeve van:
|
||||
|
||||
1°. het voorkomen of beperken van het ontstaan van afvalstoffen in de inrichting;
|
||||
2°. het hergebruiken of nuttig toepassen dan wel het geschikt maken voor hergebruik of nuttige toepassing van de afvalstoffen die in de inrichting ontstaan;
|
||||
3°. het opslaan van de afvalstoffen in de inrichting;
|
||||
4°. het zich ontdoen van de afvalstoffen die in de inrichting ontstaan;
|
||||
j. de andere maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting kan veroorzaken, te voorkomen of te beperken;
|
||||
k. de wijze waarop gedurende het in werking zijn van de inrichting de belasting van het milieu, die de inrichting veroorzaakt, wordt vastgesteld en geregistreerd, en
|
||||
l. de voor de aanvrager redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen met betrekking tot de inrichting die voor de beslissing op de aanvraag van belang kunnen zijn.
|
||||
|
||||
**2.** De aanvraag gaat vergezeld van een niet-technische samenvatting van de in het eerste lid bedoelde gegevens.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.2
|
||||
|
||||
Indien de inrichting waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, naar haar aard tijdelijk is, vermeldt de aanvrager dit in de aanvraag. Hij vermeldt daarbij tevens zo mogelijk het tijdstip waarop de inrichting buiten werking zal worden gesteld.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.3
|
||||
|
||||
In gevallen waarin de vergunning betrekking heeft op het oprichten van een inrichting, dat tevens is aan te merken als bouwen in de zin van de Woningwet, verstrekt de aanvrager aan het bevoegd gezag:
|
||||
|
||||
a. indien de aanvraag om bouwvergunning voor dat bouwen tegelijk met de aanvraag om de vergunning krachtens de wet wordt ingediend, een afschrift van die aanvraag om bouwvergunning bij zijn aanvraag;
|
||||
b. indien de aanvraag om bouwvergunning voor dat bouwen niet tegelijk met de aanvraag om de vergunning krachtens de wet wordt ingediend, een afschrift van die aanvraag om bouwvergunning gelijktijdig met de indiening van die aanvraag.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.4
|
||||
|
||||
Voor zover die gegevens nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag, verstrekt de aanvrager bij de aanvraag gegevens met betrekking tot:
|
||||
|
||||
a. voorvallen, als bedoeld in artikel 17.1 van de wet, die redelijkerwijs mogelijk zijn te achten;
|
||||
b. de belasting van het milieu, die die voorvallen kunnen veroorzaken;
|
||||
c. de aard en de omvang van de bij die voorvallen te onderscheiden vormen van belasting van het milieu;
|
||||
d. de maatregelen die worden getroffen om de belasting van het milieu, die de inrichting ten gevolge van die voorvallen kan veroorzaken, te voorkomen of te beperken.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.5
|
||||
|
||||
Voor zover die gegevens nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag, verstrekt de aanvrager op verzoek van het bevoegd gezag bij de aanvraag de resultaten van een onderzoek naar de kwaliteit van de bodem op de plaats waar de inrichting zal zijn of is gelegen.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.6
|
||||
|
||||
Voor zover die gegevens nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag, verstrekt de aanvrager op verzoek van het bevoegd gezag bij de aanvraag nadere gegevens.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.7
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
De in artikel 5.1, eerste lid, of 5.4 vermelde gegevens behoeven niet te worden verstrekt indien:
|
||||
|
||||
a. de aanvrager die gegevens reeds aan het bevoegd gezag heeft verschaft en het bevoegd gezag over die gegevens beschikt, dan wel
|
||||
b. het bevoegd gezag op verzoek van de aanvrager heeft beslist dat verstrekking van die gegevens voor het nemen van een beslissing op de aanvraag niet nodig is.
|
||||
|
||||
**2.** De aanvrager deelt in of bij de aanvraag mee ten aanzien van welke gegevens het eerste lid, onder *a*, onderscheidenlijk *b*, is toegepast.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 1.2. Aanvullende regels voor bepaalde categorieën van inrichtingen
|
||||
|
||||
### Artikel 5.8
|
||||
|
||||
Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting, die behoort tot een of meer in deze paragraaf genoemde categorieën, verstrekt de aanvrager, onverminderd hetgeen is bepaald in enig ander artikel van dit hoofdstuk, de daarbij genoemde gegevens.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.9
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting, die behoort tot een categorie, waarvoor gedeputeerde staten, Onze Minister, Onze Minister van Economische Zaken of Onze Minister van Verkeer en Waterstaat bevoegd zijn te beslissen op de aanvraag, vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag de maatregelen die worden getroffen om de belasting van het milieu, die de inrichting kan veroorzaken, te voorkomen of te beperken:
|
||||
|
||||
a. tijdens het in werking zijn van de inrichting of de te onderscheiden onderdelen daarvan, waarbij, voor zover van toepassing, onderscheid wordt gemaakt tussen proefdraaien, normaal bedrijf, schoonmaak-, onderhouds- en herstelwerkzaamheden;
|
||||
b. ten gevolge van voorvallen, als bedoeld in artikel 17.1 van de wet, die redelijkerwijs mogelijk zijn te achten.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting waarvoor Onze Minister, Onze Minister van Economische Zaken of Onze Minister van Verkeer en Waterstaat bevoegd is te beslissen, kan hij bepalen dat het eerste lid buiten toepassing blijft, indien die gegevens niet nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag gezien de aard of de omvang van de gevolgen die die inrichting voor het milieu kan veroorzaken.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.10
|
||||
|
||||
Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting, die behoort tot een categorie, die is genoemd in bijlage I, onder 11.1, 12.1, 13.1, onder *a*, 1° tot en met 3°, 17, onder *a*, 18 of 19, of die behoort tot een categorie, waarvoor gedeputeerde staten, Onze Minister, Onze Minister van Economische Zaken of Onze Minister van Verkeer en Waterstaat bevoegd zijn te beslissen op de aanvraag, vermeldt de aanvrager op verzoek van het bevoegd gezag in of bij de aanvraag:
|
||||
|
||||
a. de aard van de geluiden en hoogte van de te verwachten geluidsbelasting welke de inrichting binnen een door het bevoegd gezag aangegeven gebied buiten de inrichting kan veroorzaken;
|
||||
b. de tijden waarop die geluidsbelasting zich zal voordoen;
|
||||
c. de methode waarmee de aard van de geluiden en hoogte van de geluidsbelasting zijn vastgesteld.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.11
|
||||
|
||||
Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting, die behoort tot een categorie, die is genoemd in bijlage I, onder 28.4 of 28.5, vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag:
|
||||
|
||||
a. de aard, de samenstelling, de hoeveelheid en de herkomst van de inkomende afvalstoffen;
|
||||
b. de procedures van acceptatie en controle van de inkomende afvalstoffen;
|
||||
c. de wijze van financiering van de activiteiten, alsmede een schatting van de omvang van de investeringen die worden gedaan;
|
||||
d. de tarieven, die de aanvrager voor het verwijderen wil vaststellen, alsmede de wijze waarop de tarieven zijn samengesteld;
|
||||
e. de beschikbaarheid en vakbekwaamheid van de in de inrichting werkzame personen;
|
||||
f. de wijze waarop de inkomende afvalstoffen worden geregistreerd;
|
||||
g. de wijze waarop de bij de verwijderingsprocessen ontstane stoffen, preparaten of andere produkten of afvalstoffen worden afgezet, afgevoerd of verwijderd, alsmede de wijze van registratie daarvan;
|
||||
h. de ondernemings- en organisatiestruktuur, alsmede de regeling van de feitelijke leiding van de activiteiten in de inrichting;
|
||||
i. de naam en het adres van degene die de feitelijke leiding van de activiteiten heeft in de inrichting.
|
||||
i. of naar zijn mening een verklaring als bedoeld in artikel 8.36 van de Wet milieubeheer vereist is.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.12
|
||||
|
||||
Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting die behoort tot een categorie, die is genoemd in bijlage I, onder 28.6, vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag de aard, de samenstelling, de hoeveelheid en de herkomst van de betrokken afvalstoffen.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.13
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting die behoort tot een categorie, die is genoemd in bijlage I, onder 28.1, onder *c*, onder 28.4, onder *f*, of 28.4, onder *g*, in gevallen waarin sprake is van op of in de bodem brengen van afvalstoffen om ze daar te laten, vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag:
|
||||
|
||||
a. de kwaliteit van de bodem op de plaats waar de inrichting zal zijn of is gelegen;
|
||||
b. de bodemkundige gesteldheid en geohydrologische omstandigheden op de plaats waar de inrichting zal zijn of is gelegen, waaronder ten minste gegevens met betrekking tot:
|
||||
|
||||
1°. voor zover van toepassing de gemiddelde grondwaterstand, vastgesteld door metingen volgens de door het Nederlands Normalisatie Instituut uitgeven norm NEN 5766, uitgave 1990, welke metingen tenminste tweemaal per maand op de 14e en 28e van die maand, gedurende een periode van tenminste een jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag zijn verricht;
|
||||
2°. de grondwaterstroming;
|
||||
3°. de doorlatendheid, dikte, samenstelling en zetting van de bodemlagen;
|
||||
c. de vormen van belasting van het milieu alsmede de aard, de omvang en de duur daarvan die de inrichting naar verwachting kan veroorzaken na de beëindiging van de werking van de inrichting of de sluiting daarvan;
|
||||
d. de wijze waarop na beëindiging van het op of in de bodem brengen van de afvalstoffen het milieuhygiënische beheer van die stoffen en van de milieubeschermende voorzieningen is geregeld;
|
||||
e. een exploitatie-, toezicht- en controleplan dat ten minste de gegevens, bedoeld in de onderdelen d, e, f, g en k van artikel 5.1, alsmede de gegevens, bedoeld in de onderdelen a tot en met h van artikel 5.11, bevat.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
In of bij een aanvraag die betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in het eerste lid, toont de aanvrager aan dat financiële zekerheid is of wordt gesteld, voor het nakomen van de voorschriften met betrekking tot:
|
||||
|
||||
a. de bovenafdichting van een stortplaats, niet zijnde een stortplaats waar uitsluitend baggerspecie wordt gestort;
|
||||
b. het zo nodig aanbrengen van een geohydrologisch isolatiesysteem, of het zo nodig aanbrengen van een afdeklaag op een stortplaats, zijnde een stortplaats waar uitsluitend baggerspecie wordt gestort.
|
||||
|
||||
**3.** Indien een gemeente-, een provincie-, of een waterschapsbestuur, dan wel het Rijk, vergunninghouder zal zijn, kan in afwijking van het tweede lid in plaats van het stellen van financiële zekerheid een daaraan gelijkwaardige voorziening zijn of worden getroffen.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.14
|
||||
|
||||
Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting, die behoort tot een categorie, die is genoemd in bijlage I, onder 21 of 28.4, onder *g*, of in bijlage II, onder 9, vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag de naam van degene die verantwoordelijk is of de namen van degenen die verantwoordelijk zijn voor de handelingen met genetisch gemodificeerde organismen en voor het toezicht op en de controle van de veiligheid daarvan, alsmede over de vakbekwaamheid van de in de inrichting werkzame personen die bij die handelingen zijn betrokken.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.14a
|
||||
|
||||
**1.** Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting waar ten hoogste 10 000 kilogram consumentenvuurwerk als bedoeld in het Vuurwerkbesluit wordt opgeslagen vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag de maximale hoeveelheid consumentenvuurwerk in de zin van het Vuurwerkbesluit die in de inrichting wordt opgeslagen.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting die behoort tot een categorie die is genoemd in bijlage I bij dit besluit, onder 3.5, vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag:
|
||||
|
||||
a. de maximale hoeveelheden stoffen en voorwerpen behorend tot transport-gevarenklasse 1 als bedoeld in bijlage 1 van de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen, onderscheiden naar gevarensubklasse en compatibiliteitsgroep, die in de inrichting worden opgeslagen;
|
||||
b. de maximale hoeveelheid consumenten- en professioneel vuurwerk in de zin van het Vuurwerkbesluit die in de inrichting wordt opgeslagen;
|
||||
c. de namen van degenen door wie of onder voortdurend toezicht van wie handelingen met professioneel vuurwerk worden verricht, voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bewerken van professioneel vuurwerk;
|
||||
d. gegevens over de vakbekwaamheid van de in de inrichting werkzame personen, voor zover de aanvraag betrekking heeft op het bewerken van professioneel vuurwerk.
|
||||
|
||||
#### Paragraaf 1.3. Aanvullende regels voor categorieën van gevallen
|
||||
|
||||
### Artikel 5.15
|
||||
|
||||
**1.** Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting waarop paragraaf 3 van het Besluit risico's zware ongevallen 1999 van toepassing is, gaat zij vergezeld van die onderdelen van het veiligheidsrapport, bedoeld in artikel 10 van dat besluit, die betrekking hebben op de risico's voor personen buiten de inrichting en voor het milieu.
|
||||
|
||||
**2.** In een geval als bedoeld in het eerste lid vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag, per stof, genoemd in bijlage I, deel 1, bij dat besluit en per categorie van stoffen en preparaten, genoemd in bijlage I, deel 2, bij dat besluit, de maximale hoeveelheid waarvoor vergunning wordt gevraagd.
|
||||
|
||||
**3.**
|
||||
|
||||
Het bevoegd gezag zendt uiterlijk twee weken na ontvangst van een aanvraag, als bedoeld in het eerste lid, een exemplaar daarvan en van de stukken, bedoeld in het eerste lid, aan:
|
||||
|
||||
a. de daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 24 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998;
|
||||
b. de burgemeester van de gemeente waarin de inrichting geheel of gedeeltelijk zal zijn of is gelegen;
|
||||
c. het bestuur van de regionale brandweer binnen wier gebied de inrichting geheel of gedeeltelijk zal zijn of is gelegen;
|
||||
d. voor zover de onderdelen van het veiligheidsrapport betrekking hebben op de risicos voor het oppervlaktewater: het bestuursorgaan dat tot het verlenen van de vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren bevoegd is, behoudens in een geval als bedoeld in artikel 8.28 van de Wet milieubeheer.
|
||||
|
||||
**4.** Het bevoegd gezag zendt, indien tijdens de behandeling van de aanvraag een aanvulling op het veiligheidsrapport is ontvangen, deze aanvulling uiterlijk twee weken na ontvangst aan de in het derde lid genoemde bestuursorganen en aan de daar bedoelde ambtenaar.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.15a
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting waarop paragraaf 2 en niet tevens paragraaf 3 van het Besluit risico's zware ongevallen 1999 van toepassing is, vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag, de volgende gegevens:
|
||||
|
||||
a. het adres van de inrichting;
|
||||
b. de naam of de handelsnaam van degene die de inrichting drijft en zijn adres;
|
||||
c. de naam en de functie van de met de feitelijke leiding van de inrichting belaste persoon, indien deze een ander is dan degene die de inrichting drijft;
|
||||
d. de aard van de in de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen;
|
||||
e. per stof, genoemd in bijlage I, deel 1, bij dat besluit, en per categorie van stoffen en preparaten, genoemd in bijlage I, deel 2, bij dat besluit:
|
||||
|
||||
1°. de maximale hoeveelheid waarvoor vergunning wordt gevraagd;
|
||||
2°. de hoeveelheid die bij een normale bedrijfsvoering in de inrichting aanwezig is;
|
||||
3°. de fysische vorm van de betrokken gevaarlijke stof of stoffen;
|
||||
f. met het oog op de vaststelling van domino-effecten: voor gevaarlijke stoffen behorend tot de categorie ontplofbaar, ontvlambaar, licht ontvlambaar of zeer licht ontvlambaar, bedoeld in bijlage I, deel 2, bij dat besluit:
|
||||
|
||||
1°. een aanduiding van het grootste insluitsysteem;
|
||||
2°. de maximale hoeveelheid van de betrokken gevaarlijke stof die daarin aanwezig kan zijn;
|
||||
3°. een aanduiding van de betrokken gevaarlijke stof alsmede een aanduiding van de categorie waartoe die stof behoort;
|
||||
4°. de plaats van het insluitsysteem in de inrichting;
|
||||
5°. de druk en de temperatuur van de betrokken stoffen en preparaten in het insluitsysteem;
|
||||
g. de activiteiten die in de inrichting worden uitgeoefend;
|
||||
h. de met de onmiddellijke omgeving van de inrichting samenhangende omstandigheden die een zwaar ongeval kunnen veroorzaken of de gevolgen daarvan ernstiger kunnen maken.
|
||||
|
||||
**2.** Artikel 5.15, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid nadere regels stellen met betrekking tot de gegevens bedoeld in het eerste lid.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 2. Gegevensverstrekking bij een aanvraag om een vergunning voor het veranderen van een inrichting of het veranderen van de werking daarvan
|
||||
|
||||
### Artikel 5.16
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
In of bij de aanvraag om een vergunning voor het veranderen van een inrichting of van de werking daarvan, als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, onder *b*, van de wet, vermeldt de aanvrager:
|
||||
|
||||
a. zijn naam en adres;
|
||||
b. de vergunning of vergunningen krachtens welke de inrichting opgericht dan wel in werking is;
|
||||
c. de beoogde verandering van de inrichting of van de werking daarvan;
|
||||
d. voor zover de beoogde verandering van de inrichting of van de werking daarvan van invloed is op de onderwerpen waaromtrent voor het verkrijgen van de onder *b* bedoelde vergunning of vergunningen gegevens zijn verstrekt, een aanduiding van die gegevens en van de door de verandering veroorzaakte wijzigingen daarvan.
|
||||
|
||||
**2.** De artikelen 5.2 tot en met 5.14 van dit besluit zijn van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.17
|
||||
|
||||
**1.** Indien de aanvraag betrekking heeft op het veranderen van een inrichting of van de werking daarvan, als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, onder *b*, van de wet, gaat zij vergezeld van een rapport, als bedoeld in artikel 5.15, indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting waarop paragraaf 3 van het Besluit risico's zware ongevallen 1999 ten gevolge van het veranderen van de inrichting of het veranderen van de werking ervan voor de eerste maal van toepassing wordt.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de aanvraag betrekking heeft op het veranderen van een inrichting of van de werking daarvan, als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, onder *b*, van de wet, gaat zij vergezeld van een herzien rapport, als bedoeld in artikel 5.15, indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting waarop paragraaf 3 van het Besluit risico's zware ongevallen 1999 van toepassing is en ten aanzien waarvan reeds een rapport is overgelegd, voor zover de herziening van de gegevens in bedoeld rapport nodig is voor het nemen van de beslissing op de aanvraag.
|
||||
|
||||
**3.** Op een aanvraag als bedoeld in het eerste en tweede lid is artikel 5.15, tweede lid, van overeenkomstige toepassing, voor zover de gegevens met betrekking tot de maximale hoeveelheid nodig zijn voor het nemen van de beslissing op de aanvraag.
|
||||
|
||||
**4.** Artikel 5.15, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Artikel 5.17a
|
||||
|
||||
**1.** Indien de aanvraag betrekking heeft op het veranderen van een inrichting of van de werking daarvan, als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, onder b, van de wet, vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag, onverminderd hetgeen is bepaald in enig ander artikel van dit hoofdstuk, de gegevens, bedoeld in artikel 5.15a, eerste lid, indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting waarop paragraaf 2 en niet tevens paragraaf 3 van het Besluit risico's zware ongevallen 1999 ten gevolge van het veranderen van de inrichting of het veranderen van de werking daarvan voor de eerste maal van toepassing wordt.
|
||||
|
||||
**2.** Indien de aanvraag betrekking heeft op het veranderen van een inrichting of van de werking daarvan, als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, onder b, van de wet, vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag, onverminderd hetgeen is bepaald in enig ander artikel van dit hoofdstuk, herziene gegevens als bedoeld in artikel 5.15a, eerste lid, indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting waarop paragraaf 2 en niet tevens paragraaf 3 van het Besluit risico's zware ongevallen 1999 van toepassing is en ten aanzien waarvan reeds gegevens als bedoeld in die paragraaf zijn overgelegd, voor zover de herziening van die gegevens nodig is voor het nemen van de beslissing op de aanvraag.
|
||||
|
||||
**3.** Artikel 5.15, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 3. Gegevensverstrekking bij een aanvraag als bedoeld in artikel 8.4 van de wet
|
||||
|
||||
### Artikel 5.18
|
||||
|
||||
Met betrekking tot een aanvraag als bedoeld in artikel 8.4 van de wet zijn de artikelen 5.1 tot en met 5.16 van overeenkomstige toepassing.
|
||||
|
||||
### Paragraaf 4. Gegevensverstrekking bij een melding als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, van de wet
|
||||
|
||||
### Artikel 5.19
|
||||
|
||||
Bij een melding, als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, van de wet, vermeldt de vergunninghouder:
|
||||
|
||||
a. zijn naam en adres;
|
||||
b. de vergunning of vergunningen krachtens welke de inrichting opgericht dan wel in werking is;
|
||||
c. de beoogde verandering van de inrichting of van de werking daarvan;
|
||||
d. gegevens waaruit blijkt van welke onderdelen en in welke mate van de onder b bedoelde vergunning of vergunningen en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften wordt afgeweken;
|
||||
e. gegevens waaruit blijkt dat de beoogde verandering van de inrichting of van de werking daarvan niet leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken;
|
||||
f. het tijdstip waarop beoogd wordt de voorgenomen verandering te verwezenlijken.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 6. Openbare kennisgeving van een verklaring, als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, onder c, van de wet
|
||||
|
||||
### Artikel 6.1
|
||||
|
||||
Het bevoegd gezag geeft openbaar kennis van de verklaring, in ieder geval door:
|
||||
|
||||
a. overeenkomstige toepassing van artikel 19.1 van de wet;
|
||||
b. kennisgeving daarvan in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huis-bladen op zodanige wijze dat het daarmee beoogde doel zo goed mogelijk wordt bereikt.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.2
|
||||
|
||||
Bij de openbare kennisgeving van de verklaring vermeldt het bevoegd gezag ten minste:
|
||||
|
||||
a. de zakelijke inhoud van de verklaring;
|
||||
b. de uren waarop en de plaats waar de stukken kunnen worden ingezien.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.3
|
||||
|
||||
In gevallen waarin een verklaring betrekking heeft op een inrichting waarvoor Onze Minister bevoegd is te beslissen op de aanvraag om een vergunning, kan hij de toepassing van de artikelen 6.1 en 6.2 geheel of gedeeltelijk achterwege laten, voor zover dat geboden is in het belang van de veiligheid van de Staat.
|
||||
|
||||
### Artikel 6.4
|
||||
|
||||
In gevallen waarin de verklaring betrekking heeft op een inrichting waarop het Besluit risico's zware ongevallen 1999 van toepassing is, zendt het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk twee weken na de bekendmaking van de verklaring, een exemplaar daarvan aan:
|
||||
|
||||
a. Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
|
||||
b. de inspecteur;
|
||||
c. de daartoe door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 24 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998;
|
||||
d. burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of gedeeltelijk is gelegen, tenzij burgemeester en wethouders het bevoegd gezag zijn;
|
||||
e. het bestuur van de regionale brandweer binnen wier gebied de inrichting geheel of gedeeltelijk is gelegen.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 7. Adviseurs en betrokken bestuursorganen
|
||||
|
||||
### Artikel 7.1
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Met betrekking tot een aanvraag om een vergunning voor een inrichting, waarop burgemeester en wethouders bevoegd zijn of het dagelijks bestuur op grond van artikel 8.2*a*, eerste lid, onder *a*, van de wet bevoegd is te beslissen, worden naast de in artikel 8.7, eerste lid, onder *a* en *b*, van de wet aangewezen adviseurs tevens als adviseur aangewezen:
|
||||
|
||||
a. de commandant van de regionale brandweer binnen wiens gebied de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting die behoort tot een categorie, die is genoemd in bijlage I, onder 3.1 of 17;
|
||||
b. gedeputeerde staten van de provincie, waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, indien de inrichting of een onderdeel daarvan is gelegen in een gebied, waarvoor bij provinciale verordening regels zijn gesteld ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning;
|
||||
c. gedeputeerde staten van de provincie, waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, indien de inrichting is gelegen op een industrieterrein waaromheen ingevolge hoofdstuk V van de Wet geluidhinder een zone is vastgesteld.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Met betrekking tot een aanvraag om een vergunning voor een inrichting, waarop burgemeester en wethouders bevoegd zijn of het dagelijks bestuur op grond van artikel 8.2*a*, eerste lid, onder *a*, van de wet bevoegd is te beslissen, worden als betrokken bestuursorganen, als bedoeld in artikel 8.7, derde lid, van de wet, aangewezen:
|
||||
|
||||
a. burgemeester en wethouders van de gemeenten, waarvan de grens is gelegen binnen een afstand van 200 meter van de plaats waar de inrichting zal zijn of is gelegen;
|
||||
b. burgemeester en wethouders van de gemeenten waarvan het grondgebied is gelegen binnen de lijn van 10^-8, bedoeld in bijlage III, onder 2, onder c, van het Besluit risico's zware ongevallen 1999;
|
||||
c. gedeputeerde staten van een provincie waarin een gemeente is gelegen, waarvan burgemeester en wethouders ingevolge onderdeel *b*, betrokken bestuursorgaan zijn;
|
||||
d. het dagelijks bestuur in een samenwerkingsgebied waarin een gemeente is gelegen, waarvan burgemeester en wethouders ingevolge de onderdelen *a* of *b* betrokken bestuursorgaan zijn, tenzij het dagelijks bestuur bevoegd is te beslissen op de aanvraag.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.2
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Met betrekking tot een aanvraag om een vergunning voor een inrichting, die behoort tot een categorie, waarvoor gedeputeerde staten bevoegd zijn te beslissen op de aanvraag, worden naast de in artikel 8.7, eerste lid, onder *a* en *b*, van de wet aangewezen adviseurs tevens als adviseur aangewezen:
|
||||
|
||||
a. gedeputeerde staten van de provincie waarin de betrokken inrichting mede zal zijn of is gelegen;
|
||||
b. de commandant van de regionale brandweer binnen wiens gebied de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting die behoort tot een categorie die is genoemd in bijlage I, onder 3.5;
|
||||
c. het dagelijks bestuur in het samenwerkingsgebied waarin de betrokken inrichting mede zal zijn of is gelegen.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Met betrekking tot een aanvraag om een vergunning voor een inrichting, die behoort tot een categorie, waarvoor gedeputeerde staten bevoegd zijn te beslissen op de aanvraag, worden als betrokken bestuursorganen, als bedoeld in artikel 8.7, derde lid, van de wet, aangewezen:
|
||||
|
||||
a. burgemeester en wethouders van de gemeenten, waarvan de grens is gelegen binnen een afstand van 200 meter van de plaats waar de inrichting zal zijn of is gelegen;
|
||||
b. burgemeester en wethouders van de gemeenten, waarvan de grens is gelegen op meer dan 200 meter en minder dan 10 kilometer van de plaats waar de inrichting zal zijn of is gelegen, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat in redelijkheid niet te verwachten is dat de invloed van de belasting van het milieu, veroorzaakt door de inrichting waarop de aanvraag betrekking heeft, zich in die gemeenten zal doen gevoelen;
|
||||
c. burgemeester en wethouders van de gemeenten waarvan het grondgebied is gelegen binnen de lijn van 10^-8, bedoeld in bijlage III, onder 2, onder c, van het Besluit risico's zware ongevallen 1999;
|
||||
d. gedeputeerde staten van een provincie, waarin een gemeente is gelegen, waarvan burgemeester en wethouders ingevolge de onderdelen b of c betrokken bestuursorgaan zijn;
|
||||
e. de direkteur Afvalstoffen van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting die behoort tot een categorie, die is genoemd in bijlage I, onder 28.4, onder *a*, 5°, onder *c*, 2°, onder *e*, 3°, of onder *f*, 3°;
|
||||
f. het dagelijks bestuur in een samenwerkingsgebied waarin een gemeente is gelegen, waarvan burgemeester en wethouders ingevolge de onderdelen a, b of c betrokken bestuursorgaan zijn, tenzij het dagelijks bestuur bevoegd is te beslissen op de aanvraag.
|
||||
|
||||
**3.** Het tweede lid, onder e, blijft buiten toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting die behoort tot een categorie, die is aangewezen in bijlage III.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.3
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Met betrekking tot een aanvraag om een vergunning voor een inrichting, waarop Onze Minister of Onze Minister van Economische Zaken bevoegd is te beslissen, worden naast de in artikel 8.7, eerste lid, onder *a* en *b*, van de wet aangewezen adviseurs tevens als adviseur aangewezen:
|
||||
|
||||
a. gedeputeerde staten van de provincie, waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen;
|
||||
b. de Inspecteur-Generaal der Mijnen, indien de aanvraag om een vergunning betrekking heeft op een bij een mijn behorende bovengronds gelegen inrichting, die is aangewezen krachtens artikel 9, eerste lid, onder *a*, van de Mijnwet 1903;
|
||||
c. het dagelijks bestuur in het samenwerkingsgebied waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen.
|
||||
|
||||
**2.**
|
||||
|
||||
Met betrekking tot een aanvraag om een vergunning voor een inrichting, waarop Onze Minister of Onze Minister van Economische Zaken bevoegd is te beslissen, worden als betrokken bestuursorganen, als bedoeld in artikel 8.7, derde lid, van de wet, aangewezen:
|
||||
|
||||
a. burgemeester en wethouders van de gemeenten, waarvan de grens is gelegen binnen een afstand van 200 meter van de plaats waar de inrichting zal zijn of is gelegen;
|
||||
b. burgemeester en wethouders van de gemeenten, waarvan de grens is gelegen op meer dan 200 meter en minder dan 10 kilometer van de plaats waar de inrichting zal zijn of is gelegen, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat in redelijkheid niet te verwachten is dat de invloed van de belasting van het milieu, veroorzaakt door de inrichting waarop de aanvraag betrekking heeft, zich in die gemeenten zal doen gevoelen;
|
||||
c. burgemeester en wethouders van de gemeenten waarvan het grondgebied is gelegen binnen de lijn van 10^-8, bedoeld in bijlage III, onder 2, onder c, van het Besluit risico's zware ongevallen 1999;
|
||||
d. gedeputeerde staten van een provincie, waarin een gemeente is gelegen, waarvan burgemeester en wethouders ingevolge onderdeel *c* betrokken bestuursorgaan zijn;
|
||||
e. het dagelijks bestuur in een samenwerkingsgebied waarin een gemeente is gelegen, waarvan burgemeester en wethouders ingevolge de onderdelen *a*, *b*, of *c* betrokken bestuursorgaan zijn.
|
||||
|
||||
### Artikel 7.4
|
||||
|
||||
Met betrekking tot een aanvraag om een vergunning voor een inrichting, waarop krachtens artikel 3.3 Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met Onze Minister, of Onze Minister van Economische Zaken bevoegd is te beslissen, worden als betrokken bestuursorganen als bedoeld in artikel 8.7, derde lid, van de wet, aangewezen:
|
||||
|
||||
a. burgemeester en wethouders van de gemeenten, waarvan de grens is gelegen binnen een afstand van 200 meter van de plaats waar de inrichting zal zijn of is gelegen;
|
||||
b. burgemeester en wethouders van de gemeenten, waarvan de grens is gelegen op meer dan 200 meter en minder dan 10 kilometer van de plaats waar de inrichting zal zijn of is gelegen, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat in redelijkheid niet te verwachten is dat de invloed van de belasting van het milieu, veroorzaakt door de inrichting waarop de aanvraag betrekking heeft, zich in die gemeenten zal doen gevoelen;
|
||||
c. burgemeester en wethouders van de gemeenten waarvan het grondgebied is gelegen binnen de lijn van 10^-8, bedoeld in bijlage III, onder 2, onder c, van het Besluit risico's zware ongevallen 1999;
|
||||
d. gedeputeerde staten van een provincie, waarin een gemeente is gelegen, waarvan burgemeester en wethouders ingevolge onderdeel c betrokken overheidsorgaan zijn;
|
||||
e. gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland, indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting voor het op of in de zeebodem brengen van baggerspecie om deze daar te laten, die is gelegen binnen het gebied dat door arcering is aangegeven op de kaart die is opgenomen in bijlage IV.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 8. Bijzondere gevallen
|
||||
|
||||
### Artikel 8.1
|
||||
|
||||
Het bevoegd gezag zendt in een geval als bedoeld in artikel 5.14 met het oog op de voorbereiding van de bestrijding van rampen en zware ongevallen een exemplaar van de schriftelijke samenvatting van de risico-analyse aan:
|
||||
|
||||
a. de burgemeester van de gemeente waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen;
|
||||
b. de commissaris van de Koning in de provincie waarin een gemeente als bedoeld onder *a* is gelegen;
|
||||
c. het bestuur van de regionale brandweer waarin een gemeente als bedoeld onder *a* is gelegen.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.2
|
||||
|
||||
**1.**
|
||||
|
||||
Het bevoegd gezag zendt in een geval als bedoeld in de artikelen 5.15 en 5.17 met het oog op de voorbereiding van de bestrijding van rampen en zware ongevallen de daar bedoelde onderdelen van het veiligheidsrapport en, indien tijdens de behandeling van de aanvraag een aanvulling op het veiligheidsrapport is ontvangen, deze aanvulling aan:
|
||||
|
||||
a. de burgemeester van de gemeenten waarvan het grondgebied is gelegen binnen de lijn van 10^-8 individueel risico, bedoeld in bijlage III, onder 2, onder c, van het Besluit risico's zware ongevallen 1999;
|
||||
b. de commissaris van de Koningin in de provincie waarin een gemeente is gelegen waarin de inrichting geheel of gedeeltelijk zal zijn of is gelegen;
|
||||
c. de commissaris van de Koningin in de provincie waarin een gemeente als bedoeld onder a is gelegen;
|
||||
d. het bestuur van de regionale brandweer binnen wier gebied een gemeente als bedoeld onder a of c is gelegen.
|
||||
|
||||
**2.** Het bevoegd gezag zendt een exemplaar van de stukken, bedoeld in het eerste lid, aan Onze Minister.
|
||||
|
||||
**3.** Onze Minister zendt een exemplaar van de stukken, bedoeld in het eerste lid, indien de lijn van 10^-8 individueel risico, bedoeld in bijlage III, onder 2, onder c, van het Besluit risico's zware ongevallen 1999 zich uitstrekt over het grondgebied van een andere staat, aan die staat. In dat geval zendt hij tevens een exemplaar aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. In afwijking van de eerste volzin zendt Onze Minister, indien krachtens artikel 19.3 van de wet een tweede tekst is overgelegd, een exemplaar van deze tekst aan de betrokken staat.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.3
|
||||
|
||||
Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting, die behoort tot een categorie, die is genoemd in bijlage I, onder 28.4 onder *a*, 5°, onder *c*, 2°, onder *e*, 3°, of onder *f*, 3°, zendt het bevoegd gezag, tenzij de vergunning is geweigerd, tegelijk met de toezending van de beschikking aan de betrokken andere bestuursorganen, overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, Onze Minister de aanvraag en de beschikking daarop, voor zover deze het verwijderen van gevaarlijke afvalstoffen betreffen.
|
||||
|
||||
### Artikel 8.4
|
||||
|
||||
Indien een inrichting belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in een andere lid-staat van de Europese Unie kan veroorzaken, dan wel indien een andere lid-staat van de Europese Unie die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu van een inrichting kan ondervinden daarom verzoekt, verstrekt het bevoegd gezag de aanvraag met de daarbij behorende stukken aan die lid-staat op het tijdstip waarop daarvan in Nederland kennis wordt gegeven dan wel de aanvraag met de daarbij behorende stukken in Nederland ter inzage wordt gelegd.
|
||||
|
||||
## Hoofdstuk 9. Slotbepalingen
|
||||
|
||||
### Artikel 9.1
|
||||
|
||||
Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I van de wet van 2 juli 1992 tot uitbreiding en wijziging van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne en daarmee samenhangende wijzigingen van andere wetten (vergunningen en algemene regels voor inrichtingen; procedures voor vergunningen en ontheffingen; handhaving) (*Stb.* 1992, 414) in werking treedt.
|
||||
|
||||
### Artikel 9.2
|
||||
|
||||
Dit besluit kan worden aangehaald als: Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.
|
||||
|
||||
## Bijlage I. behorende bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer
|
||||
|
||||
Categorieën van inrichtingen als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de wet, en categorieën van inrichtingen als bedoeld in artikel 8.2, tweede lid, van de wet, ten aanzien waarvan gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn
|
||||
|
||||
28.10 Voor de toepassing van onderdeel 28.4, onder c, onder 1°, blijven buiten beschouwing inrichtingen voor het uitsluitend ontwateren, microbiologisch of anderszins biologisch of chemisch omzetten van verontreinigde baggerspecie, met een capaciteit ten aanzien daarvan van minder dan 10.10^3 m^3.
|
||||
|
||||
## Bijlage II. behorende bij het
|
||||
|
||||
Categorieën van inrichtingen als bedoeld in artikel 8.2, tweede lid, van de wet, ten aanzien waarvan Onze Minister bevoegd gezag is
|
||||
|
||||
## Bijlage III. behorende bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer
|
||||
|
||||
Categorieën van inrichtingen als bedoeld in artikel 8.35, eerste lid, van de wet, ten aanzien waarvan een vergunning niet wordt verleend dan nadat Onze Minister heeft verklaard dat hij daartegen geen bezwaar heeft
|
||||
|
||||
## Bijlage IV. behorende bij artikel 3.3 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer
|
||||
|
||||
*[afbeelding]*
|
||||
Loading…
Add table
Reference in a new issue